Tag: cyberoorlog

  • Hebben de Russen minder cyberskills dan gedacht, of lijkt dat maar zo?

    Hebben de Russen minder cyberskills dan gedacht, of lijkt dat maar zo?

    Sinds de oorlog in Oekraïne zijn de cyberacties van Rusland intens, maar niet altijd effectief. Hoe komt dat?

    Het slagveld naar de hand zetten. Koning Darius van Perzië deed het in 331 v. Chr. met kraaienpoten, die hij uitstrooide daar waar hij dacht dat zijn vijand Alexander de Grote zou oprukken. De geallieerden deden het in 1944, met namaakvliegtuigen en -landingsboten die het Duitse oppercommando moesten doen geloven dat de invasie van Frankrijk in Pas de Calais zou plaatsvinden in plaats van in Normandië. Ook Rusland probeerde het op 24 februari, minder dan een uur voordat Russische tanks Oekraïne binnenrolden – op weg naar Kyiv, dachten ze – toen computerhackers het satellietcommunicatiesysteem van het Amerikaanse bedrijf Viasat uitschakelden, waarop de tegenstanders van Rusland vertrouwden.

    Victor Zhora, hoofd van het Oekraïense bureau voor defensieve cyberveiligheid, zei in maart dat het resultaat ‘een enorm verlies aan communicatie in het prille begin van de oorlog’ was. Een westerse voormalige veiligheidsfunctionaris meende dat er ‘een jaar of twee van echt heel serieuze voorbereiding en inspanningen’ voor nodig waren geweest.

    Winst en verlies. De geallieerden wonnen – de D-day-landingen bleken een succes. Darius verloor de strijd en zijn troon. De opmars van Rusland naar Kyiv werd afgewend en de invasiemacht in het gebied werd verslagen. Ondanks alle inspanningen slaagde Rusland er niet in om middels cyberwarfare, ofwel: digitale oorlogsvoering, voldoende oorlogsmist te creëren. En dat is interessant. Cyberoorlog is weliswaar een zwaarbevochten en belangrijk onderdeel van dit conflict, waarin volop met deze nieuwe strijdvorm wordt geëxperimenteerd, maar tot nu toe vormde het niet de killer app die sommigen hadden verwacht.

    Proeftuin

    De aanval van Rusland op Viasat was niet de enige softwarematige verzwakking van Oekraïne in aanloop naar de invasie. In januari, en opnieuw op 23 februari, werden op honderden Oekraïense systemen zogenaamde ‘wiper’-programma’s gesignaleerd, bedoeld om gegevens te wissen. In april, toen de troepen op weg naar Kyiv op de vlucht sloegen, gebruikten hackers van Sandworm (vermoedelijk een dekmantel voor de GROe, de Russische militaire inlichtingendienst) malware met de naam Industroyer2 om het elektriciteitsnet van het land aan te vallen. 

    Dergelijke aanvallen op civiele infrastructuur zijn moeilijk stil te houden. Maar Oekraïense strijdkrachten gaven niet prijs of hun eigen netwerken werden binnengedrongen of verstoord (wat wel het geval was). Toch is het zichtbare effect ook daarvan verrassend beperkt gebleven. ‘Ik denk dat we veel grotere gevolgen hadden verwacht dan we hebben gezien,’ zei Mieke Eoyang, een hoge cyberofficier van het Pentagon, op 16 november. ‘De Russische cyberstrijdkrachten maken hun verwachtingen evenmin waar als de traditionele militaire strijdkrachten.’

    In de eerste dagen van de oorlog bleef Oekraïne grotendeels online. De lichten bleven aan, zelfs toen rond de hoofdstad gevechten woedden. De banken waren open. In tegenstelling tot 2015 en 2016, toen cyberaanvallen voor stroomuitval zorgden, bleef de elektriciteit werken. Zo bleef ook de informatiestroom op gang. De nachtelijke presidentiële televisietoespraken van Volodymyr Zelensky aan het Oekraïense volk leden niet onder Russische aanvallen. Als het doel van Rusland was om het vertrouwen van de Oekraïners in hun regering te ondermijnen en het land onbestuurbaar te maken, dan is dat niet gelukt. 

    Oekraïne is al jaren een proeftuin voor Russische cyberoperaties

    De belangrijkste reden daarvoor is de verdediging van Oekraïne. Lindy Cameron, hoofd van het Britse National Cyber Security Centre (NCSC), meent dat de charge van Rusland ‘waarschijnlijk de meest aanhoudende en intensieve cybercampagne ooit’ was. Maar zoals Sir Jeremy Fleming, haar baas bij GCHQ, de Britse inlichtingendienst waarvan het NCSC deel uitmaakt, in augustus in een essay voor The Economist opmerkte, was de reactie van Oekraïne ‘misschien wel de meest effectieve defensieve cyberactiviteit in de geschiedenis’. Oekraïne is al jaren een proeftuin voor Russische cyberoperaties. De voorganger van Industroyer2 bijvoorbeeld was de oorzaak van de blackouts in 2016. En zo kreeg de regering inzicht in de Russische operaties, en was er tijd om de infrastructuur te versterken.

    Toen de invasie begon, had het Oekraïense cybercommando dan ook een rampenplan klaarliggen. Sommige functionarissen vertrokken vanuit Kyiv naar veiliger delen van het land. Anderen verhuisden naar commandoposten in de buurt van de frontlinies. Cruciale diensten werden overgebracht naar datacentra elders in Europa, buiten het bereik van Russische raketten. De Oekraïense strijdkrachten wisten al dat satellieten verstoord konden worden, en hadden alternatieve communicatiemiddelen klaarstaan. De aanval op Viasat had uiteindelijk ‘geen tactische gevolgen voor de Oekraïense militaire communicatie en operaties’, benadrukte Zhora in september, daarmee zijn eerdere verklaring nuancerend.

    Daar zijn vrienden voor

    Ook westerse hulp was cruciaal. In de aanloop naar de oorlog versterkte de NAVO haar samenwerking met Oekraïne onder meer door toegang te verlenen tot haar bibliotheek met cyberbedreigingen, een archief met bekende malware. Groot-Brittannië bood 6 miljoen pond, bijna 7 miljoen euro, aan steun, waaronder firewalls om aanvallen te pareren en forensische capaciteit om inbraken te analyseren. De samenwerking was voor beide partijen voordelig. ‘Waarschijnlijk hebben de VS en het VK meer geleerd over Russische cybertactieken van de Oekraïners dan zij van hen,’ aldus Marcus Willett, voormalig hoofd cyberzaken van GCHQ.

    De Oekraïense veerkracht werd paradoxaal genoeg versterkt door de primitieve aard van veel van de Oekraïense industriële controlesystemen – een erfenis uit de Sovjettijd die nog niet is gemoderniseerd. Toen Industroyer in 2016 bijvoorbeeld elektrische onderstations in Kyiv trof, konden technici de systemen met handmatige omleidingen binnen een paar uur resetten [een onderstation is een elektrische installatie in het hoogspanningsnet]. Toen Industroyer2 in april een deel van het netwerk offline haalde, kon het binnen vier uur weer worden ingeschakeld. 

    Particuliere bedrijven voor cyberbeveiliging speelden eveneens een prominente rol. Volgens Zhora waren met name Microsoft en het Slowaakse bedrijf ESET belangrijk, omdat zij op Oekraïense netwerken gegevens verzamelden. ESET leverde bijvoorbeeld inlichtingen die de Oekraïense cyberteams hielpen om Industroyer2 te pareren. Volgens Microsoft heeft kunstmatige intelligentie, die sneller codes kan scannen dan een mens, het gemakkelijker gemaakt om aanvallen op te sporen. Op 3 november kondigde Microsoftvoorzitter Brad Smith aan dat zijn bedrijf tot eind 2023 technische ondersteuning aan Oekraïne zou verlenen. Microsoft steunde Oekraïne sinds februari voor meer dan 400 miljoen dollar.

    Het lijdt geen twijfel dat Oekraïne een lastig doelwit is. Maar er zijn mensen die zich afvragen of de cyberkwaliteiten van Rusland misschien zijn overschat. Russische spionnen hebben tientallen jaren ervaring met cyberspionage, maar de militaire cybermacht van het land is ‘erg jong’ in vergelijking met die van westerse rivalen, aldus Gavin Wilde, voormalig directeur Ruslandbeleid van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad. Amerika begon al tijdens de oorlogen in Haïti en Kosovo in de jaren negentig met het integreren van cyberplannen in militaire operaties, Rusland verdiept zich pas zo’n zes jaar in de mogelijkheid, volgens Wilde. 

    Amerikaanse, Europese en Oekraïense functionarissen zeggen allemaal dat er veel voorbeelden zijn van Russische cyberaanvallen die synchroon lopen met fysieke aanvallen, wat duidt op een zekere mate van coördinatie tussen die twee takken. Daarbij zijn ook onhandige fouten gemaakt. Sir Jeremy Fleming zegt bijvoorbeeld dat Russische militaire aanvallen in sommige gevallen de netwerken platlegden die hun eigen cybermacht probeerde te infecteren – en ironisch genoeg daarmee de Oekraïners dwongen om hun heil te zoeken bij veiliger communicatiemiddelen. 

    Anderen schilderen Rusland af als een slordige cybermacht – goed in het kapotmaken van dingen, maar luidruchtig en onnauwkeurig. In april merkte NAVO-topambtenaar David Cattler op dat Rusland meer vernietigende malware tegen Oekraïne had gebruikt ‘dan ’s werelds overige cybermachten normaal gesproken gezamenlijk in een jaar gebruiken’. Maar een cybercampagne beoordelen op basis van de hoeveelheid malware is als het beoordelen van de infanterie op basis van het aantal afgevuurde kogels. Daniel Moore, auteur van Offensive Cyber Operations, een recent boek over dit onderwerp, zegt dat elke bekende aanval van Rusland op kritieke infrastructuur – in Oekraïne en daarbuiten – voortijdig werd ontdekt, fouten bevatte of verder reikte dan het beoogde doel. Dat laatste was bijvoorbeeld het geval met NotPetya, zichzelf verspreidende ransomware uit 2017, die niet alleen Oekraïne raakte maar wereldwijd 10 miljard dollar aan schade veroorzaakte.

    Sommigen schilderen Rusland af als een slordige cybermacht – goed in het kapotmaken van dingen, maar luidruchtig en onnauwkeurig

    ‘Er is sprake van belangrijke operationele tekortkomingen in bijna elke aanval die Rusland ooit in cyberspace heeft uitgevoerd,’ aldus Moore. Ter vergelijking wijst hij op Stuxnet, een Israëlisch-Amerikaanse cyberaanval op een Iraanse nucleaire installatie, die twaalf jaar geleden voor het eerst werd ontdekt. ‘Die aanval was veel complexer dan veel van wat we vandaag van Rusland zien.’ 

    Het fysieke en het virtuele

    Sommige westerse spionnen zeggen dus dat de oorlog een kloof laat zien tussen de Amerikaanse en Russische vaardigheid in high-end cyberoperaties tegen militaire hardware. Maar anderen waarschuwen dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken. De cybercampagne van Rusland werd mogelijk minder beperkt door onvermogen dan door de overmoed die ook de conventionele strijdkrachten kenmerkte. 

    Volgens hen faalde Rusland niet zozeer in het plannen en uitvoeren van destructieve cyberaanvallen op elektriciteit en energie omdat het daartoe niet in staat was, maar omdat het ervan uitging dat het binnenkort Oekraïne zou bezetten en diezelfde infrastructuur zou erven. Waarom zou je vernietigen wat je straks nodig hebt? Toen de oorlog zich begon voort te slepen, bleek aanpassing nodig. Maar cyberwapens zijn niet vergelijkbaar met fysieke wapens die je gewoon op een ander doel kunt richten en van munitie kunt voorzien. Ze moeten juist specifiek op bepaalde doelen worden toegesneden.

    Geavanceerde aanvallen, zoals die op Viasat, vergen een enorme voorbereiding, waaronder een nauwgezette verkenning van de doelnetwerken. In een vorig jaar gepubliceerd artikel toonde Lennart Maschmeyer van de ETH Zürich aan dat de aanval van de GROe op het Oekraïense elektriciteitsnet in 2015 ruim anderhalf jaar planning vergde, en dat de planning van die van 2016 zelfs tweeënhalf jaar in beslag nam. Het lanceren van dergelijke aanvallen onthult aan de vijand bovendien welke instrumenten (dat wil zeggen: code) en infrastructuur (servers) worden gebruikt. 

    Na de eerste week van de oorlog werden de Russische cyberaanvallen dan ook tactischer en opportunistischer naarmate de Viasat-achtige varianten waren opgebruikt. In april, toen Rusland de aandacht van Kyiv naar de Donbas verlegde, daalde het aantal cyberaanvallen sterk. In november beschreven onderzoekers van Mandiant, een cyberbeveiligingsbedrijf dat eigendom is van Alphabet, hoe de GROe vervolgens ‘randapparatuur’ zoals routers, firewalls en e-mailservers aan begon te vallen.

    ‘Wat je hier ziet is een productiefront,’ zegt John Wolfram van Mandiant. ‘Je hebt een bepaalde hoeveelheid expertise en kapitaal, en je moet beslissen of je die besteedt aan een of twee voortreffelijke speciale operaties – of aan vijftig stuks die veel goedkoper zijn.’ De keuze voor die laatste optie betekent niet dat de eerste buiten je vermogen ligt. ‘Rusland is vrijwel zeker in staat tot cyberaanvallen van grotere omvang en met grotere gevolgen dan de gebeurtenissen in Oekraïne doen vermoeden,’ merkt Cattler op. 

    De meest destructieve cyberoperaties zijn eigenlijk het nuttigst in vredestijd, wanneer er geen sprake is van wapens

    Als dat klopt, zouden die mogelijkheden alsnog kunnen worden ingezet. De sabotage van de pijpleidingen Nord Stream 1 en 2 in september en de raketaanvallen op het Oekraïense elektriciteitsnet maken duidelijk dat het Kremlin bereid is steeds meer risico’s te nemen. Ook op cybergebied zijn daar tekenen van. Een Britse functionaris zegt dat Rusland, met het NotPetya-incident in gedachten, zijn aanvallen aanvankelijk wilde beperken tot Oekraïne, om geen ruzie te krijgen met de NAVO. Maar dat kan veranderen. Eind september lanceerde Sandworm de eerste opzettelijke aanval op doelen in een NAVO-land met ‘Prestige’: ontregelende malware gericht op transport en logistiek in Polen, dat een knooppunt is voor wapenleveranties aan Oekraïne. 

    Er zijn ook mensen die geloven dat de kracht van cyberoorlogsvoering wordt overschat. Cyberoperaties zijn weliswaar ‘intens en belangrijk’ geweest, zegt Ciaran Martin, voorganger van Cameron bij het NCSC, maar de oorlog heeft ‘de ernstige beperkingen van cyber als oorlogscapaciteit’ aangetoond. Stuxnet, dat Iraanse systemen infecteerde die air gapped waren, dat wil zeggen: fysiek afgesloten van het internet, beschadigde machines van de vijand maar bleef maandenlang onopgemerkt. Het succes leidde tot een vertekend beeld van de cyberaanval als wonderwapen als vervanging van bommen en raketten. In werkelijkheid, aldus Martin, was Stuxnet de ‘maanlanding’ van offensieve cyberaanvallen; een perfecte eenmalige actie waarvoor middelen met superkracht nodig waren, en zeker geen standaardwapen voor cyberoorlogen.

    Evenmin is de cyberruimte ‘een magisch en onzichtbaar slagveld waar je dingen kunt doen waar je normaal gesproken niet mee wegkomt’, aldus Martin. Het is niet alleen moeilijk om ernstige schade toe te brengen aan goed verdedigde computernetwerken, maar dergelijke aanvallen kunnen bovendien ‘gemakkelijk worden herleid’. Cyberaanvallen zijn niet zonder gevolgen. ‘Ondanks alle hype,’ merkt Martin op, ‘heeft Poetin het Westen sinds de invasie geen enkele serieuze last bezorgd in cyberspace.’ 

    Corona

    Het beoordelen van deze standpunten en het trekken van lessen vergt tijd. Veel inbraken kunnen onopgemerkt zijn gebleven. Een aanval op de regionale militaire organisatie van Lviv werd bijvoorbeeld pas in een laat stadium ontdekt, en de Russische malware werd grotendeels niet opgemerkt door commerciële beveiligingssoftware. Het opsporen van aanvallen is geen onfeilbare wetenschap, zegt een Oekraïense functionaris voor cyberbeveiliging. Vaak is er sprake van een legitieme login op het systeem, omdat iemands wachtwoord gecompromitteerd is. Je ziet dan alleen de symptomen, niet de oorzaak. ‘Het is alsof iemand een hoestje heeft, of een laag zuurstofgehalte in het bloed. Nu pas weten we dat het corona kan zijn. Iets dergelijks geldt voor malware. We ontdekken het zelden als het een netwerk binnendringt, maar pas als we schade waarnemen. En dat duurt vaak even.’

    Een ander punt is dat de meest destructieve cyberoperaties, zoals Stuxnet, eigenlijk het nuttigst zijn in vredestijd, wanneer er geen sprake is van wapens. In oorlogstijd is het inzetten van munitie vaak gemakkelijker en goedkoper. Waarschijnlijk is de belangrijkste cyberactiviteit in oorlogstijd, aan beide kanten, eerder gericht op het verzamelen van inlichtingen of op psychologische oorlogsvoering dan op vernietiging. 

    Een Oekraïense oud-politicus met kennis van zaken bevestigt dat de meest waardevolle bijdrage van de cyberstrijdkrachten van zijn land het ontfutselen van geheimen is, zoals details over Europese bedrijven die de Amerikaanse sancties tegen Rusland schenden. ‘Er zijn nog wat andere dingen waar ik niet over kan praten, maar er wordt behoorlijk indrukwekkend werk verricht,’ zegt hij. De ontcijfering van de Duitse Enigma-codeermachines door de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog kwam pas in de jaren zeventig aan het licht. Zo ook kan de werkelijke impact van de cyberoperaties in Oekraïne nog jaren onbekend blijven. 

  • 3. Cyberoorlog is eng. Maar in paniek raken zou dom zijn

    3. Cyberoorlog is eng. Maar in paniek raken zou dom zijn

    Door al het nieuws over de gevaren van hacken, dreigt een paniekerig sfeertje te ontstaan. Volgens New Yorker-journalist Evan Osnos kunnen we beter eens rustig kijken naar de echte risico’s.

    Toen admiraal Mike McConnell, het uiterst deskundige hoofd van de National Security Agency, in 2007 directeur van National Intelligence werd, kwam hij er al snel achter dat veel hoge Amerikaanse ambtenaren niet in de verste verte waren voorbereid op de komst van een digitale oorlog. (Nog geen jaar daarvoor had senator Ted Stevens van Alaska, die voorzitter was van de senaatscommissie die het internet reguleerde, het internet omschreven als een ‘serie buizen’.) Om zijn collega’s wakker te schudden had McConnell een truc uitgehaald: tijdens een afspraak bij een hoge ambtenaar haalde hij een kopie van een memo tevoorschijn dat door zijn gastheer was geschreven en daarna was gestolen. ‘De Chinezen hebben dit van jou gehackt,’ zo legde hij uit, ‘en dat hebben wij weer teruggehackt.’

    Tien jaar later is er niemand meer in Washington die niet op de hoogte is van de gevaren. Het hacken tijdens de presidentsverkiezingen van 2016, zoals de aanvallen die de interne gang van zaken binnen de Democratic National Committee en Hillary Clintons campagne openbaar maakten, markeert het begin van een nieuwe fase in de lang voorspelde cyberoorlogen. Als de eerste vijftien jaar van de eenentwintigste eeuw werden gedomineerd door de oorlog tegen het terrorisme, staan we nu aan het begin van een periode waarin de cyberoorlog in onze gesprekken over nationale veiligheid zal opdoemen. Onlangs onthulde WikiLeaks hacking-methodes van de CIA; het was nauwelijks een verrassing dat de CIA telefoons en computers aftapt, ook al was het wel nieuws dat de CIA een Samsung-televisie kan kapen en het als afluisterapparaat kan gebruiken. Kellyanne Conway, adviseur van president Donald Trump, maakte gretig gebruik van dat bericht om de mythe de wereld in te helpen dat Barack Obama Trump met behulp huishoudelijke apparaten zou hebben bespioneerd. Dat zou kunnen zijn gebeurd door middel van ‘magnetrons met een ingebouwde camera’, zei ze. ‘Dat is nu eenmaal een feit in deze moderne tijd.’ (Later zei ze dat het magnetronverhaal uit zijn verband was gerukt).

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    Als de gevaren van cyberaanvallen en spionagepraktijken voor politieke doeleinden worden uitgebuit, zie je gemakkelijk de echte risico’s over het hoofd. Op de opiniepagina van The New York Times waarschuwde Bruce G. Blair, een voormalig officier op een kernraketbasis en nu onderzoeker op het gebied van mondiale veiligheid aan de Princeton University, voor het gevaar dat hacken voor het Amerikaanse kernwapenarsenaal kan betekenen. De afgelopen jaren hebben de VS zwakke plekken ontdekt in hun eigen systemen, zoals een foutje waardoor ‘hackers de vluchtgeleidingssystemen konden uitschakelen en het dagen of weken zou kosten om ze te repareren’. Hij vroeg: ‘Zou een buitenlandse agent raketten van een ander land op een derde land kunnen afvuren? Dat weten we niet.’

    Een voortdurende uitdaging in dit nieuwe tijdperk is grofweg gezegd dat je moet beslissen hoe groot je de paniek laat worden. De verleiding om bij een plotselinge bedreiging te sterk te reageren – door haastig wetten in te voeren, burgerlijke vrijheden in te perken of geld uit te geven aan de verkeerde verdedigingsmiddelen – is heel groot. De overvloed aan krantenartikelen over de gevaren van hacken zorgt voor een grap die in de wandelgangen van Washington de ronde doet, namelijk dat de beste manier om je project gefinancierd te krijgen is om het woord ‘cyber’ aan de titel toe te voegen.

    Niet zo geavanceerd

    In januari verklaarde het ministerie van Energie dat het elektriciteitsnet van de VS kwetsbaar is voor cyberaanvallen, hoewel volgens critici de risico’s van een totale stroomuitval in Amerika vaak worden overschat, omdat daarvoor veel onderstations fysiek vernietigd zouden moeten worden. (Chris Thomas, strategisch medewerker bij Tenable, een beveiligingsbedrijf, heeft geprobeerd de paranoia wat te verzachten door te wijzen op non-cybergevaren: op zijn website, CyberSquirrel1, staan duizenden meldingen van aanvallen op het elektriciteitsnet van de VS uitgevoerd door eekhoorns, vogels en andere dieren.)

    Toch blijft er ook tien jaar nadat McConnell zijn collega’s had wakker geschud in politieke kringen een zekere twijfelachtige houding ten opzichte van hacken, deels omdat veel hoge regeringsambtenaren nog behoorlijk digibeet zijn. In 2013 maakten de meesten leden van het United States Supreme Court, precies de rechters die juridische kwesties met betrekking tot technologie en privacy tegen elkaar moeten afwegen, nog geen gebruik van e-mail.

    Bijna altijd noemen journalisten en analytici de laatste cyberaanval ‘een geavanceerde operatie’, ook al omschrijven de technisch deskundigen de aanval als ‘niet bijzonder’ en ‘te voorkomen’. Ben Buchanan, een onderzoeker aan de Harvard University en auteur van het boek The Cybersecurity Dilemma, schreef deze week op de Cipher Brief, een blog over veiligheid, dat, ‘als ieder geval wordt beschreven als “uniek” en iedere bedreiging wordt weggezet als “bijna niet te stoppen” iedere aanval al snel “geavanceerd” wordt. Het effect daarvan is dat je een wereld schetst met zoveel getalenteerde tegenstanders dat cyberveiligheid praktisch onhaalbaar wordt’.

    In sommige gevallen zijn de duurste aanvallen betrekkelijk simpel. Hackers die samen zouden werken met de Russische veiligheidsdienst braken in op het Gmail-account van John Podesta, de leider van Hillary Clintons campagneteam, en gebruikten daarbij een ouderwetse techniek, het zogenaamde spearphishing: je stuurt onder valse voorwendselen een e-mail om persoonlijke informatie te verkrijgen, zoals een wachtwoord. Thomas Rid, een wetenschapper aan het King’s College in Londen, vertelde: ‘Het net zoiets als een bermbom. In de jaren negentig, de aanloop naar de oorlog in Afghanistan, was de algemene verwachting dat de toekomst van de oorlogsvoering heel hightech zou zijn. Amerika zou daarin een leidende rol hebben, omdat de Amerikaanse strijdkrachten zoveel geld uitgaven aan digitale platforms. Maar toen kwam de bermbom. Als je in een voertuig op wielen rijdt, kan dat worden aangevallen. Als je een e-mailaccount hebt, kun je worden gehackt.’

    “Afschrikking was een mentaliteit uit de Koude Oorlog die alleen maar tot strategie werd verheven omdat je je niet kunt verdedigen tegen kernwapens; je kunt je niet verdedigen tegen duizend binnenkomende kernkoppen”

    Gezien de gevaren wordt de druk steeds groter om aan een cyberwapenwedloop te beginnen, de zoveelste poging om geweld met geweld te bestrijden waarmee sommige onderdelen van de nationale-veiligheidsindustrie natuurlijk heel rijk worden. Maar er zijn misschien ook wel slimme manieren om de gevaren te neutraliseren in plaats van te vergroten. Volgens Michael Sulmeyer, een hoge ambtenaar op het Pentagon die onder Obama leiding gaf aan de cyberpolitiek, is het een vergissing om de ideologie van de wapenwedloop uit de Koude Oorlog weer nieuw leven in te blazen. ‘Afschrikking was een mentaliteit uit de Koude Oorlog die alleen maar tot strategie werd verheven omdat je je niet kunt verdedigen tegen kernwapens; je kunt je niet verdedigen tegen duizend binnenkomende kernkoppen. Maar in dit geval moeten we onszelf minder kwetsbaar maken. En dan bedoel ik bijvoorbeeld dit: waarom hebben accounts zoals dat van Podesta niet standaard een dubbele authenticatie?’
    Sulmeyer, die nu hoofd is van het Belfer Center’s Cyber Security Project aan de Harvard Kennedy School, wil dat politici en technologiebedrijven een strengere beveiliging toepassen onder meer door hen te stimuleren om de gegevens te delen van de bedreigingen waar ze aan blootstaan.

    In zijn boek Dark Territory, een fascinerend verhaal over de cyberoorlog, vertelt Fred Kaplan dat al een paar maanden na het bombardement van Hiroshima en Nagasaki, de militaire strateeg Bernard Brodie, de architect van de Amerikaanse nucleaire afschrikking, schreef: ‘Tot nu toe is het hoofddoel van ons leger geweest om oorlogen te winnen. Vanaf nu moet het hoofddoel zijn om ze te voorkomen.’ Het boek waarin die passage voorkwam heette The Absolute Weapon. Sinds het begin van de Koude Oorlog is het kernarsenaal wel uitgebreid, maar, zoals nog steeds geldt voor kernwapens, het Amerikaanse publiek en de politici die namens ons optreden, zouden minder geïnteresseerd moeten zijn in het winnen van een cyberoorlog dan in het voorkomen ervan.

    Auteur: Evan Osnos

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland. Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen. Bekend om zijn karikaturen, commentaar op de popcultuur en vele korte verhalen.

  • 2. Doen techbedrijven genoeg om ons te beschermen?

    2. Doen techbedrijven genoeg om ons te beschermen?

    Consumenten die het slachtoffer worden van een cyberaanval, draaien zelf op voor de gevolgen. Maar hoe zit het met de verantwoordelijkheid van de softwarefabrikant die de kwetsbare code ontwierp?

    Toen autofabrikanten auto’s met ondeugdelijke remmen afleverden, legde de staat hun boetes van vele miljoenen dollars op. Bedrijven die apparaten maken, hebben forse bedragen moeten betalen voor wettelijk verplichte schikkingen wegens de verkoop van ondeugdelijke koffiepotten. En de overheid heeft een strafrechtelijke vervolging ingesteld tegen leidinggevenden van voedselbedrijven omdat ze besmette pindakaas op de markt brachten.

    Maar de Amerikaanse software-industrie, die goed is voor vele miljarden dollars, is tot nog toe nooit civiel dan wel strafrechtelijk aansprakelijk gesteld voor ernstige – en toenemende – problemen die het resultaat zijn van een slechte code. Als het gaat om het beveiligen van computers tegen malware of virussen, het afweren van criminele hackers of simpelweg het updaten van ondeugdelijke programma’s, ligt de verantwoordelijkheid grotendeels bij de consumenten, zelfs als de ondersteunende technologie gebreken vertoont.

    Na de recente ‘ransomware-aanval’ – die over de hele wereld naar schatting ruim 300 duizend computers aantastte en data van slachtoffers versleutelde tot ze losgeld betaalden om de files vrij te geven – vragen cyberveiligheidsexperts zich af of het geen tijd wordt om softwareontwikkelaars te verplichten zich aan bepaalde richtlijnen te houden, zoals die in andere industrieën ook bestaan. Op die manier zijn we ervan verzekerd dat hun producten beveiligd zijn tegen ernstige en kostbare computeraanvallen.

    ‘Wacht maar tot dit met jouw auto gebeurt, of jouw ijskast, of jouw vliegtuigelektronica, of tot jouw door internet ondersteunde slot je buitengesloten heeft’

    ‘De oplossing ligt in regelgeving. Die moeten we nu aanpakken,’ zegt Bruce Schneier, een bekende cryptograaf en hoofd technologie bij IBM Resilient. ‘We hebben gekozen voor snel en goedkoop. Wacht maar tot dit met jouw auto gebeurt, of jouw ijskast, of jouw vliegtuigelektronica, of tot jouw door internet ondersteunde slot je buitengesloten heeft.’

    Zo is het, want hoewel de ergste veiligheidsproblemen kwaadwillende hackers de gelegenheid hebben gegeven om zakelijke en overheidssystemen lam te leggen of gevoelige persoonlijke gegevens naar buiten te brengen, kunnen cyberaanvallen binnenkort veel duurdere consequenties hebben omdat er hoe langer hoe meer software wordt gebruikt in auto’s, medische apparatuur, consumptieartikelen en andere essentiële systemen. Daarom, zeggen experts, wordt het steeds urgenter om te zorgen dat een gebrekkige code niet zo makkelijk uitgebuit of gemanipuleerd kan worden.

    Natuurlijk waarschuwen softwarebedrijven hun gebruikers als ze een kwetsbare plek ontdekken in hun producten en sturen ze een software-update rond die het gat in de beveiliging repareert. Dat deed Microsoft toen het hoorde over een ernstige zwakke plek in Windows die criminelen de mogelijkheid bood om een ransomware-aanval uit te voeren.

    WannaCry

    Of die boodschap ook alle slachtoffers van de aanval heeft bereikt is onduidelijk. Dit speciale soort ransomware – WannaCry – lijkt zich te hebben verspreid via een kwaadaardige e-mailcampagne die het virus door middel van bijlagen op de computers van de slachtoffers installeerde.

    De zwakke plek in de Windows-software waarvan WannaCry gebruikmaakte, was al eerder ontdekt door de National Security Agency (NSA), en door hen opgeslagen als mogelijk cyberwapen.

    Een hackersgroep die zichzelf de Shadow Brokers noemt, dumpte de spyware eerder dit jaar op het web. In een blogpost kapittelde Microsoft-voorzitter Brad Smith de NSA over het feit dat ze de zwakke plek hadden opgeslagen en geheim hadden gehouden. Hij vergeleek het probleem met een situatie waarin er ‘een paar Tomahawkraketten waren gestolen’ van de Amerikaanse overheid.

    Maar sommige experts zijn niet zo voor het straffen van veiligheidsdiensten die profiteren van zwakke plekken in besturingssystemen en mobiele telefoons. ‘Het is oneerlijk om de NSA eruit te pikken,’ zegt Patrick Wardle, een computerexpert die bij de NSA heeft gewerkt en nu beveiligingsonderzoeker is bij de firma Synack. ‘Waarom geven we Microsoft niet de schuld? Ze hebben een gebrekkige code ontwikkeld en toegepast. Ze zouden een deel van de schuld op zich moeten nemen.’

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    In tegenstelling tot in veel andere industrieën, zoals de gezondheidszorg en de elektronische sector, worden aan softwareontwikkelaars geen juridische eisen gesteld als het op productveiligheid aankomt. In een serie artikelen uit 2013 in New Republic over het debat wie aansprakelijk is voor software, zegt Jane Chong van het Hoover Institution dat softwarebedrijven altijd aansprakelijkheidsclaims over ondeugdelijke codes hebben ontweken met een beroep op de gebruikersovereenkomst.

    ‘Softwareleveranciers schuiven met die licentieovereenkomst, die door rechters meestal als een afdwingbaar contract wordt gezien, alle risico’s van hun producten af op de gebruikers,’ schreef mevrouw Chong, docent rechten en nationale veiligheid aan het instituut.

    De keren dat gebruikers hebben geprobeerd om softwarebedrijven gerechtelijk te vervolgen wegens het lekken van data, werden de zaken vaak onontvankelijk verklaard, merkte ze op. Een gerechtshof in Californië verwierp een groepsgeding van LinkedIn-gebruikers, die aanvoerden dat het sociale-mediabedrijf slachtoffer was geworden van een serieuze hack, omdat LinkedIn zelf niet de veiligheidsmaatregelen had getroffen die gangbaar waren in de industrie. Om te zorgen dat gerechtshoven softwarebedrijven verantwoordelijk gaan houden voor nalatigheid op het gebied van cyberveiligheid, moeten er strengere federale regels komen wat betreft de kwaliteit van de code. Het vergt ook rechters die begrip hebben voor de ingewikkelde kwesties rondom de kwetsbaarheid van software en hoe die kan leiden tot cyberaanvallen.
    In dit geval waren sommige van de getroffen Microsoft Windows-systemen oude versies die niet waren geüpdatet of gecorrigeerd, zei Ross Schulman, mededirecteur van het Cybersecurity Initiative en beleidsadviseur aan het New America’s Open Technology Institute. Microsoft heeft die systemen ‘al een heel lange tijd ondersteund; ze hebben iedereen ruim op tijd gewaarschuwd dat ze daarmee zouden ophouden’.

    Verantwoordelijk gehandeld

    Volgens veel experts heeft Microsoft in deze zaak verantwoordelijk gehandeld en zijn klanten gewaarschuwd voor de zwakke plekken. In plaats van Microsoft de schuld te geven, zegt Tom Cross, hoofd technologie bij het cyberveiligheidsbedrijf OPAQ, ‘zouden toezichthouders zich moeten afvragen waarom bepaalde organisaties niet waren voorbereid, in het bijzonder als dat organisaties zijn in essentiële sectoren van de infrastructuur.’

    Experts trachten te achterhalen wie er achter de aanval zat, maar het zou voor de industrie en de overheid ook een moment kunnen zijn om nogmaals te evalueren of er een manier bestaat om softwarebedrijven aan te moedigen producten uit te rusten met een code die bij dit soort aanvallen betrouwbaarder en veerkrachtiger is, zegt Joshua Corman, directeur van het Cyber Statecraft Initiative van Atlantic Council, een denktank in Washington.

    ‘Ik denk zeker dat het een keerpunt is,’ zegt Mr Corman. ‘Het is nu veel makkelijker om te pleiten voor een bepaalde vorm van verantwoordelijkheid voor software. Ik hoop heel erg dat dit aanleiding is voor een correctieve actie.’

    Auteur: Jack Detsch

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • 4. De gevaren van een cyberoorlog

    4. De gevaren van een cyberoorlog

    De VS kunnen de Russische cyberaanvallen niet onbeantwoord laten, schrijft de Financial Times. Maar tegelijk moet men waken voor een escalatie.

    Als de beweringen van de Amerikaanse regering juist zijn, heeft Rusland op een nooit eerder vertoonde manier geprobeerd de uitkomst van de Amerikaanse presidentsverkiezingen te beïnvloeden. De diefstal, vijf maanden geleden, van een enorme hoeveelheid data uit computers van het Democratisch Nationaal Comité en andere politieke organisaties zou het werk zijn van Russische hackers. Maar sindsdien is de gestolen informatie op een reeks nauwkeurig getimede momenten opgedoken op WikiLeaks en wordt de diefstal door het Departement Binnenlandse Veiligheid en de directeur van het Bureau Nationale Veiligheid toegeschreven aan de Russische regering.

    In de verkeerde handen kan malware worden gebruikt om belangrijke infrastructuur zoals de energievoorziening af te snijden of luchtverkeersleidingssystemen uit te schakelen

    Washington staat voor de cruciale vraag hoe hierop te reageren. De VS zijn in toenemende mate het slachtoffer van cyberaanvallen door van staatswege gesponsorde hackers, van de Revolutionaire Garde in Iran tot China en Noord-Korea. Westerse regeringen hebben hun eigen malware ontwikkeld die tegen tegenstanders kan worden ingezet en computernetwerken van andere landen onklaar kan maken. Sinds 2009 hebben de VS zelfs een militaire eenheid – Cyber Command – die zich met deze activiteiten bezighoudt.

    Maar de gevolgen van het inzetten van cyberagressie zijn op dit moment onzeker. Naar verluidt bestaan er vele aanvalsvormen. In de verkeerde handen kan malware worden gebruikt om belangrijke infrastructuur zoals de energievoorziening af te snijden of luchtverkeersleidingssystemen uit te schakelen, met fatale gevolgen. Dankzij lekken van ambtenaren weten we dat de VS zelf ook cyberaanvallen hebben uitgevoerd, zoals de Stuxnetaanval op het Iraanse nucleaire programma in 2010.

    Eenvoudige keuzes zijn er niet

    De laatste vermeende aanvallen door Moskou combineren het technologische vernuft van geraffineerde eenentwintigste-eeuwse hackers met de propagandakunst van de Koude Oorlog. Alleen de tegenstander is veranderd, van de bureaucratische maar voorspelbare Sovjetstaat in de ongrijpbare president Vladimir Poetin.

    Eenvoudige keuzes zijn er niet. De ‘softe’ optie van sancties tegen het Kremlin is asymmetrisch van aard en zal daarom minder gauw escaleren tot een cyberoorlog. Maar ook die optie is niet zonder problemen. Bij het zoeken naar internationale steun zou het Witte Huis zijn beweringen moeten boekstaven.

    Ook het inzetten van Amerikaanse cyberwapens kent zijn gevaren. Het accuraat uitvoeren van cyberaanvallen blijft meer een kunst dan een wetenschap. En aangezien er nooit regels zijn opgesteld voor wederzijdse cyberagressie, is er geen garantie dat de VS Rusland kunnen treffen zonder dat escalatie daarvan schade toebrengt aan Amerikaanse belangen.

    Ronald Reagan en Michael Gorbatsjov tekenen een nucleair verdrag om het aantal kernwapens terug te dringen in beide landen, 1987.
    Ronald Reagan en Michael Gorbatsjov tekenen een nucleair verdrag om het aantal kernwapens terug te dringen in beide landen, 1987.

    Voorlopig zullen de VS – net als andere westerse staten – moeten zorgen dat hun veerkracht toeneemt en dat hun verdediging, die in talrijke overheids- en privésectoren nog veel te zwak is, op orde komt. Maar de VS zullen Rusland ook duidelijk moeten maken, zoals dat ook bij de Chinezen is gebeurd, dat men dit soort activiteiten niet zal tolereren. Met China zijn er vergevorderde economische betrekkingen die Washington een stok achter de deur geven. Met Rusland zijn de betrekkingen in de nasleep van Poetins annexatie van de Krim beroerder dan ooit, en zijn de economische banden vrijwel verbroken. Dat maakt het moeilijk voor de VS om represailles te nemen, behalve door de al bestaande sancties te verscherpen, desnoods eenzijdig.

    Wat de drie landen zich dienen te realiseren, is dat cyberaanvallen een nieuwe vorm van oorlogvoering zijn, waarvan de gevolgen niet uit de hand mogen lopen. Het streven naar internationale afspraken om die te beperken blijft een moeilijke zaak. Toch moet er een manier worden gevonden om die pogingen nieuw leven in te blazen.

    Vertaler: Peter Bergsma

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

    Illustratie: © Tammo Schuringa

    CONTEXT: Komen er gedragsregels in cyberspace?

    De VS hebben de Russische staat er begin oktober officieel van beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor enkele recente ‘cyberaanvallen’. Volgens het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Veiligheid, aangehaald door het Russische blad voor internationale betrekkingen Rossiya v Globalnoj Politike, betrof het ‘geperfectioneerde en omvangrijke aanvallen tegen de e-mailsystemen van Amerikaanse burgers, organisaties en instituties, met het doel zich te mengen in het electorale proces in de VS’. In het verleden heeft Washington ook China, Noord-Korea en Iran al van aanvallen via internet beschuldigd. Het Kremlin deed ditmaal de Amerikaanse beschuldiging af als ‘een absurd verzinsel’.

    ‘Dit symbolische wapengekletter getuigt ervan dat cyberspace, sinds de jaren negentig geweldig in ontwikkeling, niet bepaald het schouwtoneel is van praktische samenwerking tussen de grootmachten, maar meer van een arena’, schrijft het blad, dat constateert dat de bewapeningswedloop in cyberspace in volle gang is. Toch wordt er steeds vaker gesproken over het instellen van een ‘gedragscode voor staten inzake verantwoordelijk gebruik van cyberspace’. Ook Obama drong daar in september nog op aan.

    Maar Rusland was in 1998 de eerste lidstaat van de Verenigde Naties die een dergelijk voorstel deed ‘ter voorkoming van het gebruik van het wereldwijde web voor illegale doeleinden’. Pas in 2015 evenwel voltooide een groep experts van de VN een rapport waarin voor de eerste keer wordt opgesomd wat die gedragsregels zouden moeten inhouden. Moskou dringt erop aan dat de VN 
in 2017 een resolutie in die richting aannemen.

    Iedereen erkent dat het buitengewoon lastig is om in het geval van een cyberaanval onomstotelijk vast te stellen door wie de aanval is gepleegd

    De technologische sprong voorwaarts in de afgelopen kwarteeuw heeft de wereld zodanig veranderd dat de NAVO in 2016 cyberspace heeft aangewezen als ‘slagveld’.

    Voortaan rekent het bondgenootschap ‘de vijfde dimensie’ in dit opzicht tot dezelfde categorie als tot dusverre het land, het water, de lucht en inmiddels ook de ruimte.
    Militairen hebben grote belangstelling voor dit nieuwe strijdperk, en cyberspace is de geliefde zandbak geworden voor alle inlichtingendiensten. De politiek en de diplomatie hebben de wondere wereld ook ontdekt en geven er blijk van grote creativiteit.

    Iedereen erkent dat het buitengewoon lastig is om in het geval van een cyberaanval onomstotelijk vast te stellen door wie de aanval is gepleegd. Alleen een wereldwijd akkoord naar analogie van het akkoord inzake de nucleaire non-proliferatie zou cyberspace tot minder gevaarlijk terrein maken, meent het Russische diplomatieke tijdschrift.

    Maar alle initiatieven hiertoe blijven vooralsnog steken in goede bedoelingen. In feite heeft geen enkele cybermacht, Rusland inbegrepen, zin zich beperkingen op te laten leggen inzake een dergelijk attractief en effectief middel om de vijand te treffen.

    Litouwen bereidt zich voor op het ergste

    Sinds de annexatie van de Krim in het voorjaar van 2014 bekijkt Litouwen de Russen met argwaan. Bereidt de grote buurman niet een hernieuwde bezetting voor? ‘Twee Russische schepen met raketten die kernkoppen kunnen vervoeren zijn in de Baltische Zee waargenomen’, signaleerde Lietuvos Zinios, een economisch dagblad dat in Vilnius verschijnt, op 26 oktober. De raketten, opgesteld in de Russische enclave Kaliningrad, zijn voor de middellange afstand. Litouwen heeft garanties van de NAVO gevraagd en verkregen tijdens een recente top van het bondgenootschap in Warschau.

    Persagentschap BNS meldt dat begin volgend jaar een troepenmacht van vier- tot zeshonderd militairen, afkomstig uit Duitsland, in Litouwen wordt gestationeerd. De website Delfi bericht dat ‘drieduizend dienstplichtigen aan hun militaire opleiding zijn begonnen’. En het handboek voor burgerlijke verdediging, zo vond website 15min.lt uit, legt dit jaar de nadruk op ‘middelen tot actief verzet’.