Tag: dakloos

  • ‘Een Sikh is bescheiden en oprecht, goudeerlijk en heeft een goede ziel’

    ‘Een Sikh is bescheiden en oprecht, goudeerlijk en heeft een goede ziel’

    Nisharat Kaur Matharu werd als baby achtergelaten op een vuilnisbelt. Nu is 97 en vastbesloten anderen zo lang als ze kan te helpen. Volgens haar dochter is dit exact volgens de Sikh-traditie, die gebiedt altijd behulpzaam te zijn en jezelf weg te cijferen – vooral als vrouw tegenover je man.

    In haar kleine, zonovergoten Londense keukentje leeft de 97-jarige Nisharat Kaur Matharu naar haar levensmotto: doe iets voor je medemens zolang je in staat bent om de handen uit de mouwen te steken. Dus zitten haar handen nu onder het meel van het deeg dat ze aan het kneden is in haar kraakschone en keurig geordende werkruimte, waar een sterke geur hangt van versgebakken chapatti’s.

    In deze keuken maakt ze sinds 2017 elke week honderden maaltijden voor daklozen: romige linzenschotels, Indiase rijstepap met noten en kardemom, knapperig gebak met komijnzaad. Maaltijden die worden uitgedeeld door Hope for Southall Street Homeless, een buurtinitiatief met een nachtopvang en een inloopcentrum in West-Londen, waar Nisharat al woont sinds ze in 1976 als 54-jarige moeder met vijf kinderen in Groot-Brittannië aankwam.

    Daklozen in Londen

    Het aantal mensen dat in Groot-Brittannië op straat slaapt, groeit snel. In Londen explodeerde het de laatste jaren. Ook in de betere buurten liggen mensen in slaapzakken op straat.

    Veel mensen belanden op straat omdat ze de huur niet meer kunnen betalen. Hulporganisaties luiden de noodklok: ze kunnen de vraag naar opvang niet aan.

    Bron: Streets of London

    Ze had toen al heel wat grote veranderingen in haar leven achter de rug. Met een brede glimlach maakt dochter Kulwant (67) zich op om het levensverhaal van haar moeder te vertellen – maar eerst vraagt ze haar om een masala chai. ‘De echte Indiase chai (thee), mama.’

    Op haar achtste kon ze al een driegangenmaaltijd maken en bakte ze perfecte chapatti’s

    ‘Mijn moeder is geboren in de Punjab en ze verloor haar moeder toen ze zes maanden oud was,’ vertelt ze. Ze zitten naast elkaar in Nisharats smetteloze witte woonkamer, waar in de hoek een industriële naaimachine staat. ‘Mijn grootvader is vrij snel daarna hertrouwd, wederom een gearrangeerd huwelijk, en toen hij met die vrouw zijn eerste kind kreeg, wilde de stiefmoeder niets meer van haar weten.’

    Toen Nisharat twee jaar oud was, werd ze bij het huis van haar familie in Moga buiten aan haar lot overgelaten. Na een paar uur trof een tante van vaderskant haar daar aan op een vuilnishoop, verbrand en rammelend van de honger. Zij nam haar mee naar Nisharats grootouders van vaderskant, die haar aan het werk zetten als huisbediende: ze moest koken, schoonmaken en ander huishoudelijk werk doen. Terwijl zij haar vingers openhaalde bij het snijden van uien, knoflook en pepers, zag ze leeftijdgenootjes naar school of naar het park gaan en vroeg zich af waarom zij dat niet mocht. Maar op haar achtste kon ze al een driegangenmaaltijd maken en bakte ze perfecte chapatti’s.

    De twee vrouwen praten door elkaar: Nisharat zit vaak in het Punjabi precies hetzelfde te vertellen wat Kulwant, moeder van drie kinderen en lerares, in het Engels beschrijft. In haar witte salwar kameez, het lange grijze haar keurig in een knotje, torent Kulwant met haar één meter tachtig een eind boven haar moeder uit. Ze zijn niet alleen moeder en dochter, maar hartsvriendinnen.

    ‘Doe wat je man zegt en geef hem geen grote mond’

    Nisharat was veertien toen een vriend van de familie haar koppelde aan een jongen van zestien uit een Indiase familie die in Oost-Afrika woonde. Ze maakte geen bezwaar tegen dat huwelijk, zegt ze, en kan zich er niet veel van herinneren, alleen dat haar vader tegen haar zei: ‘Doe wat je man zegt en geef hem geen grote mond. Doe nooit iets wat een smet op zijn baard kan geven.’ (Ofwel: toon altijd respect.) Ze dept met een tissue een paar tranen weg bij de herinnering.

    Een paar jaar later ging ze met haar man mee naar Oost-Afrika. Hij werkte daar als elektricien en zij werd geacht voor zijn familie te zorgen, met name voor zijn vader, die een polioverlamming had. Het leven was er zwaar. Ze woonde daar veertig jaar, bracht er vijf kinderen groot en deed altijd braaf wat haar werd opgedragen. En toen haar oudste kind al zesentwintig was en haar jongste tien, kreeg ze te horen dat ze naar Engeland zouden verhuizen. Haar man had een Brits paspoort omdat zijn vader nog in het Britse leger had gediend, maar hij zou dat kwijtraken als hij in Afrika bleef. Nisharat wilde daar niet weg, maar ze schikte zich, zoals ze zich altijd had geschikt in de beslissingen die hij nam.

    Sikh in Londen

    De aanwezigheid van het sikhisme in Engeland dateert van 1850, toen de laatste heerser van het Sikh-rijk naar het koninkrijk kwam. In 1911 werd in Londen de eerste Sikh-plaats van aanbidding, een Gurdwara, geopend. Tegenwoordig zijn er zo’n 450.000 Sikh in Groot-Brittannië, waarvan het meerendeel in gemeenschappen in Londen woont.

    In Engeland kwamen ze terecht in het huis waar ze nu nog steeds woont, in de Londense wijk Southall, waar inmiddels de grootste sikh-gemeenschap van Londen leeft, alsmede grote aantallen moslims en hindoes. Nisharat kon er maar moeilijk wennen: aan de taal, de cultuur, de eenzaamheid van een stad waar mensen niet zomaar even aanwippen, en het koken op gas in plaats van kolen.

    ‘Mijn moeder heeft veel te verstouwen gehad,’ zegt Kulwant, die steeds feller gaat praten. ‘Ze had het moeilijk, als vrouw van het Indiase platteland die naar Afrika moest, zonder daar de cultuur te kennen of de taal te spreken. Ze had daar niet alleen de zorg voor mij en haar vier andere kinderen, maar ook voor mijn ooms en tantes. Het oude Indiase liedje: alles komt op de schouders van de moeder neer,’ zegt ze met een meewarige blik.

    Strenge eisen

    En in Londen werd het er niet makkelijker op. Kulwant verheft haar stem als ze vertelt dat haar vader veel te veel dronk en zijn neus ophaalde voor het eten dat haar moeder had bereid als de chapatti’s niet helemaal aan zijn strenge eisen voldeden. ‘Mijn moeder zei er nooit wat van, ze ging gewoon door met koken. Ze at nooit samen met hem, altijd pas nadat hij gegeten had, en dan zat ze op de vloer.’

    Nisharat onderbreekt haar dochter om het verhaal aan te vullen, ze vertelt dat ze nooit iets durfde te zeggen als haar man dronken was. ‘Ik zei daar weleens iets van, maar mijn broers en zussen niet, en ik snap ook wel waarom,’ gaat Kulwant verder. ‘Ik weet nog dat mijn vader een keer stomdronken was en iets naar mijn moeders hoofd gooide. Ik sprong op om hem tegen te houden, het was een grote, zware man. Toen heeft hij me geslagen, want Indiase vrouwen moesten destijds hun mond houden. Hij heeft toen twee jaar lang geen woord meer tegen me gezegd. En ik was altijd zijn oogappel geweest, dus dat hakte er wel in.’

    Nisharat valt haar in het Punjabi in de rede om haar kant van het verhaal te vertellen: ‘Ik vond het vreselijk dat hij zoveel dronk. Ik begreep niet waarom hij zich zo gedroeg. Als hij dronken was, werd hij heel boos en agressief.’

    ‘We waren banger voor mijn moeder dan voor mijn vader, maar zij sloeg ons nooit’

    Ondanks de ernst van het onderwerp blijft het gesprek heel opgewekt en gemoedelijk, ze moeten geregeld lachen. Nisharat vertelt dat zij zich tegenwoordig spiegelt aan haar dochter. ‘Ze is een kopie van mij,’ zegt ze. ‘Ik wou dat ik alle dingen had gedaan die zij nu doet: ze helpt arme kinderen in India. Ze heeft daar een school opgezet en vindt het heerlijk om anderen te helpen. Ik ben trots op haar. Ze heeft een zware tijd gehad, ze heeft kanker gehad en is gescheiden, maar ze is altijd sterk gebleven en wil iets terugdoen voor de maatschappij. Het is echt een zegen.’

    ‘Maak nog eens zo’n lekker bakje masala chai, mama,’ zegt Kulwant dan. Met een glimlach staat Nisharat op en loopt naar de keuken. Dan buigt Kulwant zich naar voren en zegt op vertrouwelijke toon: ‘Het zit gewoon in haar om voor anderen te zorgen. Over haar eigen problemen zet ze zich heen, dat kunnen niet veel mensen. Zo moet een sikh zijn. Ze is bescheiden en oprecht, goudeerlijk en heeft een goede ziel. Ze zal nooit ergens over opscheppen, maar ze heeft alles voor anderen over. Ze gaat met iedereen om als met familie, ze is vol liefde voor iedereen.’

    ‘Mijn moeder is recht door zee. Ze is hoe ze is. Ik kan me niet heugen dat ze ooit anders geweest is. We waren banger voor mijn moeder dan voor mijn vader, maar zij sloeg ons nooit. En wat ze ook heel goed kon, was ons dingen uitleggen, terwijl ze dat zelf in haar leven altijd heeft moeten missen.’

    Popcorn en chai latte

    Voordat de coronapandemie uitbrak, spraken ze elke maand af om een ochtend te wandelen en naar de film te gaan, met popcorn en een chai latte. ‘Nu met de lockdown, dat is eigenlijk wel bijzonder, nu zijn we niet meer zo gebonden aan de alledaagse sleur van het werk. Dus kom ik vaker bij mijn moeder langs en dan koken we voor de daklozen,’ vertelt ze. Lachend bespreken ze dan de Indiase tv-series waar haar moeder graag naar kijkt. Ze hebben het gezellig samen. ‘Waar ik vooral van hou, is dat ze zo lief en rustig is, en iedereen onvoorwaardelijke liefde geeft.’

    Nisharat komt met de thee uit de keuken. Ze neemt plaats op de bank en pakt haar breiwerkje weer op – een mosterdgele trui. ‘Voor wie is die?’ vraagt Kulwant. Voor jou natuurlijk, voor wie anders, zegt haar moeder. Kulwant lacht: ‘Wist ik wel.’

    ‘Toen ik kanker had en in scheiding lag, kon ik alleen bij mijn moeder terecht,’ zegt Kulwant. ‘Ik kan haar niet missen. Ze is alles voor me.’ Nisharat kijkt haar aan en zegt in het Punjabi: ‘Mijn dochter is alles voor mij. Ze is een sterke vrouw, ik kijk tegen haar op.’

    Team

    Het koken voor daklozen heeft hen nader tot elkaar gebracht, zeggen ze allebei. ‘Dat is het hoogtepunt van onze week, we zijn een team,’ zegt Kulwant, en ze voegt eraan toe: ‘Die daklozen hebben allerlei verschillende achtergronden, maar er zitten veel Punjabi bij [Punjab is de bakermat van het sikhisme], en als we met het eten langskomen worden we door hen lachend ontvangen. Ze zeggen altijd dat het ze doet denken aan hoe hun moeders voor hen kookten in India.’

    Nisharat staat in de keuken weer chapatti’s te vullen en Kulwant beschrijft hoe ze te werk gaat. ‘Ze kookt aardappelen, laat ze afkoelen, snijdt ze dan in kleine blokjes en brengt ze op smaak met uien, pepers, een theelepeltje komijnzaad, wat gember, verse koriander en een snufje zout. Dan maak je chapatti-deeg, dat rol je uit tot een ronde pannenkoek, je legt dat mengsel in het midden en vouwt de chapatti op. Die leg je in de koekenpan en bak je aan twee kanten in een beetje boter tot ze bruin zijn, en ze zijn heerlijk, zeker met masala chai erbij.’

    Nisharat glimlacht. ‘Seva brengt meva,’ zegt ze, wat zoveel wil zeggen als ‘ontbaatzuchtige dienstbaarheid is een goede zaak’. ‘Ik bid tot Waheguru [de sikh-benaming voor God], en het is Zijn zegen die het eten smaak geeft.’

  • De onzichtbare stad. Het ondergrondse leven van een verborgen dakloze

    De onzichtbare stad. Het ondergrondse leven van een verborgen dakloze

    Dominic Van Allen heeft werk, een telefoon, een bankrekening met wat geld erop, maar geen huis. Totdat hij besluit een stukje grond te ‘lenen’ van een chique park in Noord-Londen. Geen methlab of moordenaarshol, gewoon zijn eigen ondergrondse bunker.

    Voordat het allemaal misging bracht Dominic Van Allen de laatste uren van zijn avonden meestal door in een pub genaamd The Garden Gate. Daar viel hij al drinkend en kletsend niet snel uit de toon en stak hij zelfs keurig af bij de andere gasten, die verschillende gradaties van slonzigheid vertoonden. Honduitlaters kwamen met doorweekte honden aanzetten. Uitgeputte artsassistenten sloften na hun dienst met opgestroopte mouwen naar binnen. Er waren oudere mannen in nette kleding, broos als antieke kapstokken, en nonchalant geklede professionals die in de financiën of het entertainment werkten en dure huizen bezaten in de buurt. ‘En juist die rijke klootzakken,’ verwonderde Van Allen zich, ‘konden het zich veroorloven er het minst verzorgd uit te zien.’ Zelf droeg hij stevige laarzen, een kakibroek en een leren motorjack, en kon hij doorgaan voor een fietskoerier, bouwvakker, misschien een klusjesman uit het nabijgelegen ziekenhuis, waar ze hem in de personeelskantine kenden omdat hij soms bij zonsopgang een kopje koffie met korting kwam kopen. 

    Die winter van 2017 was Van Allen 44 jaar oud – lang, met kortgeknipt blond haar, blauwe ogen en een licht Yorkshire-accent. Als het te laat werd, dronk hij zijn drankje op en ging naar buiten, waar hij vanuit de pub noordwaarts liep richting een met bomen omzoomde weg langs Hampstead Heath, een enorme open vlakte net boven het centrum van Londen. Elke dag komen er duizenden mensen: hardlopers, natuurzwemmers, toeristen, vogelliefhebbers op zoek naar grasmussen en zwartkoppen in de struiken of putters en torenvalken in de bomen. De zomer brengt zonaanbidders, picknickers en studenten die in kringen bij elkaar zitten, terwijl in de winter in de zeldzame gevallen dat het sneeuwt mensen erheen gaan om te sleeën.

    Deze avond, december 2017, was er lichte sneeuw voorspeld. Van Allen liep hard door om snel binnen te zijn.

    Screenshot 2020 11 27 at 16.27.34
    Hampstead Heath. Onder de grond bevond zich Van Allens bunker. – © Getty

    Hij liep langs de westelijke rand van de vlakte, voorbij het struikgewas waar een wirwar van berenklauw groeide en de braamstruiken groter waren dan hijzelf. Het was bekend dat daklozen soms in dit struikgewas sliepen en hier in het donker tenten opzetten. Van Allen had dit ook wel eens gedaan. Dat hij dakloos was hield hij meestal voor zichzelf. ‘Zou jij dat niet doen dan?’ Hij wist dat er veel mensen waren zoals hij, die losse klussen deden, stamgasten in pubs waren, paspoorten bezaten en telefoons met de juiste opladers, maar geen plek hadden om te wonen. Hij zou waarschijnlijk nooit genoeg verdienen om in Londen te kunnen huren. Sociale woningen waren net buiten zijn bereik. Een hypotheek was volstrekt ondenkbaar. In plaats daarvan had Van Allen een manier gevonden om – onofficieel – nacht na nacht een plekje in deze dure buurt te huren. Aangekomen bij een rij herenhuizen die uitkeken over de vlakte, sloeg hij af en volgde een voetpad door het struikgewas.

    Zichtbare onzichtbaren

    Sommige aspecten van het verhaal van Van Allen zijn uitzonderlijk. Andere zijn bij lange na niet uitzonderlijk genoeg. Er is nooit een nauwkeurige telling geweest van mensen zoals hij, de zichtbaar onzichtbare daklozen. Hoewel we weten dat er tussen de 55.000 en 60.000 officiële daklozen zijn (dat wil zeggen: mensen die een aanvraag indienen om gebruik te maken van overheidsfaciliteiten) en hoewel er inspanningen worden gedaan om jaarlijks het aantal wildslapers te tellen (waarvoor in de herfst een speciaal team op pad gaat), is er een enorme populatie waarvan de statistici geen weet hebben. ‘Het zou zomaar kunnen dat je naast iemand zit en het niet weet,’ zegt Van Allen. ‘Er bestaat een redelijke kans dat de barman die je vanavond bediende in een schuilplaats of kraakpand slaapt, sofa-surft of nachten doorbrengt in een auto of busje.’ Van Allen zegt dat je op miljoenen uitkomt als we de definitie van daklozen verruimen naar mensen die zo’n onzekere huisvesting hebben dat ze deze binnen een maand, een week, in een oogwenk kunnen verliezen. Liefdadigheidsinstellingen proberen regelmatig de aandacht te vestigen op het gecompliceerde probleem van verborgen dakloosheid, een wereld van overvolle matrassen, bedden in schuren, de achterbank van nachtbussen. Het is juridisch gezien grijs gebied – alles wat zich afspeelt tussen een vast adres en ‘de winkelwagentjesfase’, zoals Van Allen het later zou noemen, toen hij werd gearresteerd en verhoord door de politie.

    Halverwege het voetpad slaat hij weer af en dit keer stapt hij de dichte braamstruiken in. Hij volgt een smalle passage die ertussendoor is uitgekapt en komt zigzaggend bij een kleine open plek, waar hij in het donker bukt en op de aarde klopt. Een verborgen luik. Van Allen trekt het met zijn vingers open en daalt af in de aarde, waarna hij het luik weer sluit. Beneden doet hij met een schakelaar het licht aan. Hij hangt zijn jas op.

    Commando terrorismebestrijding, hoofdondervrager: ‘Dit klinkt misschien als een domme vraag. Maar waar was het kamp voor?’

    Dominic Van Allen: ‘Huisvesting. Geen plek om te wonen.’

    CT: ‘(…) Je hebt er een permanente verblijfsplaats van gemaakt door ondergronds te gaan, door te graven … Wanneer was dat?’

    Van Allen: ‘Ze zijn, wanneer was het, februari 2018 met bulldozers gekomen? Dus het was [twee jaar daarvoor], de lente van 2016. De laatste dooi had net ingezet… We dachten laten we gewoon blijven. Waarom niet?’

    In de bunker was ruimte voor twee veldbedden die tegenover elkaar tegen de muren waren geschoven. In het 1 meter brede gangpad tussen de bedden kon Van Allen comfortabel staan ​​zonder met zijn hoofd het houten dak te raken. De vloer onder hem was in beton gestort. Hij had haken opgehangen voor zijn jas, zijn tas en zijn kookgerei, en er waren planken bij het bed bevestigd om spullen op te zetten. LED-lampjes met drukknoppen waren met tape aan de muren geplakt. Er stond hier beneden een draagbaar gasfornuis, en nu Van Allen binnen was, stak hij het aan en goot een blik soep in een pan. Na het eten waste hij af met natte doekjes. Het afval werd in plastic zakken gestopt, om de volgende ochtend vroeg naar een verre vuilnisbak te worden vervoerd, voordat de parkwachters van de heide hun ronde maakten.

    Over het algemeen sliep Van Allen goed. Achter de houten muren zat nog een betonlaag om het grondwater buiten te houden, en samen met de Hampstead-klei dempte deze alle behalve de meest extreme geluiden. (Op vuurwerknacht hoorde hij de knallen, maar niet het geknetter.) Toen hij hier net was komen wonen, maakte Van Allen zich soms zorgen dat hij zich zou verslapen en zette hij een wekker op zijn telefoon. Het was nooit nodig. Hij was al tientallen jaren getraind om op pad te zijn voordat de stad ontwaakte, voordat Londen weer werd bevolkt door bewakers, parkwachters en politieagenten die een van zijn tijdelijke onderkomens zouden kunnen ontdekken en alles zouden verpesten.

    Zelfs naar zijn eigen maatstaven (en Van Allen had een rijke geschiedenis in het bemachtigen van guerrilla-accommodatie) was de bunker waanzinnig. Hij wist dat de uiteindelijke ontdekking ervan onvermijdelijk was. Hij wist ook dat, zolang ze kleine voorzorgsmaatregelen in acht namen, dat moment lang kon worden uitgesteld.

    Geen vuilnis achterlaten dus. Overdag niet bij het luik blijven hangen. En geen opschepperij, niet bij The Garden Gate, niet als klusjesman in de stad. Van Allen was geliefd bij zijn vrienden vanwege zijn zwartgallige humor. Hij vertelde hen dat hij een landhuis had gebouwd. Wat hij er niet bij zei, was dat zijn ranch drie bij vier meter was, ongeveer zo groot als een royale invalidentoilet, en verborgen lag onder een van de drukste openbare parken van het land.

    Die dag in december, zag hij toen hij ’s ochtends wakker werd en zijn hoofd naar buiten stak dat de weersverwachting bleek te kloppen en er ’s nachts enkele centimeters sneeuw op het dak van de bunker was neergedaald. Dankzij de goede isolatie had Van Allen desondanks in een T-shirt kunnen slapen; tevreden, zoals hij meestal was vanwege kleine technische triomfen, sjokte hij in de richting van het ziekenhuis om koffie te halen in de kantine. Hij liet laarsafdrukken achter, maar al snel zouden de rodelaars tevoorschijn komen om op slechts enkele meters van zijn luik de helling af te zoeven en hun eigen sporen achter te laten.

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens iets over jezelf, Dominic.’

    Van Allen‘Zoals…?’

    CTC: ‘Gewoon je geschiedenis, eigenlijk.’

    Van Allen: ‘Ik ben al 26 jaar dakloos. Ik weet het niet, ik was vroeger podiumbouwer. Ik heb een soort botziekte gekregen…’

    CTC: ‘Dat was het einde van die carrière?’

    Van Allen: ‘Dat was het einde.’

    Hij werd geboren in 1973, in de buurt van Wakefield, en vertrok op zijn 21ste zuidwaarts richting Londen. Hij werkte als barman, schilder en decorateur, arbeider en vrachtchauffeur op de luchthaven voordat hij een baan vond die hem beviel: podiumbouwer. Van Allen werkte voornamelijk bij muziekconcerten en tv-uitzendingen, en kwam bekend te staan als betrouwbare ‘steigeraap’ omdat hij er nooit moeite mee had wankele steigers te beklimmen om bijvoorbeeld de belichting bij te stellen. Hij plaatste een hekwerk voor U2 in Hyde Park en haalde daar ooit een nacht door om de backstageruimte voor Live 8 neer te zetten. Hij deed klussen voor Channel 4, L’Oréal, de Proms. Het werk paste bij Van Allens levensstijl in die zin dat het achter de schermen plaatsvond, tot laat doorging en inhield dat stadsterreinen moesten worden aangepast aan de specifieke behoeften van het moment.

    Toen de flat waar hij verbleef te duur werd, ging hij kraken. Tien jaar lang wisselde hij tussen verschillende gemeentelocaties in Londen, tot 2011, toen de wetten voor kraken strenger werden, plekken schaarser werden en er steeds krachtiger ellebogen nodig waren om een ​​slaapplaats te bemachtigen. Van Allens gezondheid was slecht. Toen hij zich tijdens een tv-uitzending een keer verstapte, brak hij een been. Terwijl hij nog met krukken liep, brak hij ook zijn andere been. Toen begon hij zich zorgen te maken. Artsen stelden een botaandoening vast en waarschuwden dat er zich zonder voldoende rust spontane breuken zouden blijven voordoen. Hij moest stoppen met zijn werk en kon de keiharde concurrentie om een ​​plek in een kraakpand niet bijhouden. Hij deed een tijdje zijn best om officieel aan te tonen dat hij (in zijn eigen woorden) de lul was. Ziekenhuizen verwezen hem door naar organisaties, organisaties naar woningcorporaties. Er lagen aanvragen van hem bij de stadsdelen Camden, Hammersmith en Fulham, bij de woningbouwcorporaties Peabody Trust en Guinness Partnership. Er waren wachtrijen. Formulieren. Tests en medische evaluaties. Er waren slechte dagen, in wachtkamers, waarop hij zijn geduld verloor en ruzie maakte met de gestreste medewerkers achter hun beschermglas. Van Allen was niet bijzonder jong of oud, geen verslaafde, geen ouder. Er waren zoveel anderen (mijn woorden) meer de lul. Hij kwam nooit boven aan de lijsten terecht en kreeg uiteindelijk te horen: ‘Het is niet waarschijnlijk dat je in aanmerking komt voor een huis.’

    Als je er eenmaal over begint, biertje in de hand bij The Garden Gate, kan Van Allen losgaan. ‘We zijn een eiland van, wat is het, 250.000 vierkante kilometer? De bevolking is enorm, groeit en heeft hetzelfde aantal huizen als veertig jaar geleden. Te veel mensen! Te weinig huizen! Ik en de meeste van mijn vrienden, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, een gemeenschap van honderdduizenden mensen. Zijn niet in de goot beland, hebben betaald werk en zijn allemaal de lul – al jaren. Het komt door hoe de wetgeving in elkaar zit… We hebben dit verdomde pad niet gekozen. Dit komt door de huisvestingswet van 1996 en alle onzin die sindsdien is ingevoerd. Het is niet ons pad. Ik heb er jarenlang tegen gevochten en toen heb ik de handdoek in de ring gegooid. Ik zei tegen mezelf: “Fuck it, ik ga kamperen.”’

    Crusoe-instelling

    Hij had een paar duizend op de bank apart gezet, en kon nog steeds werk aannemen als klusjesman, wat planken bevestigen of meubels monteren voor 20 of 30 pond per keer, eenmalige klussen die hij vaak regelde via een app op zijn telefoon. Van Allen was gehavend en moe, maar had nog steeds die Crusoe-instelling die hem nooit helemaal in de steek liet. Hij kocht goede laarzen en een goede tent en verplaatste zijn bestaan naar buiten. Zoals bij veel mensen die dakloos worden, kwam de handigheid stukje bij beetje. Van Allen schoor zijn haar kort, zodat het gemakkelijk met zeep kon worden gewassen. Hij leerde welke zwembaden de goedkoopste eenmalige toegangsprijzen hadden om te kunnen douchen; welke inloophuizen hij als postadres kon gebruiken. Hij kocht grote goedkope hoeveelheden ondergoed en T-shirts online, zodat deze indien nodig konden worden weggegooid. Hij werd een vaste klant in een katholieke kerk waar ze dagelijks een ontbijt voor daklozen bereidden.

    Bezittingen die niet in zijn vijftienliterrugzak pasten, waren sowieso van tijdelijke aard. Spullen werden gestolen, geconfisqueerd en vernield, dus Van Allen leerde van de essentiële voorwerpen een reserve-exemplaar te bewaren, vooral van tenten. Hij had deze overal onder struiken en op daken verstopt, van Camden in het noorden tot Stratford in het oosten, van Southwark onder de rivier tot Richmond in het westen. Mocht kamperen vanwege het slechte weer niet kunnen, dan had hij aan zijn sleutelbos een bepaald soort sleutel die nooddeuren kon openen, bedoeld voor gebruik door de brandweer. Hij begon zich vertrouwd te voelen in het schaduwrijke Londen, waarbij hij de voorkeur gaf aan plaatsen waar geen andere mensen kwamen: cv-ruimten, achtertrappen, parken in het donker, de daken van flats.

    In de maanden dat het goed weer was, kampeerde hij in Hampstead Heath, waar hij vertrouwd raakte met het nachtelijke ritme van het park – eerst het moment waarop de parkwachters afhaakten, dan de laatste hondenuitlaters en vervolgens de schemering waarin daklozen tevoorschijn kwamen, samen op banken een ​​biertje dronken of een joint rookten voordat ze naar bed gingen en het park overlieten aan de eksters en de mollen. Om één of twee uur ’s nachts kon op het veld een absolute stilte heersen – een stilte die regelmatig werd verstoord door de komst van joyriders, die met hun auto’s over het lege gras raasden om even plotseling als ze waren gekomen weer te verdwijnen. Een helikopter, een militaire, vermoedde Van Allen, vloog vaak rond 5 uur ’s ochtends rond en gaf aan dat het bijna tijd was om op te staan ​​en zijn tent af te breken en te verbergen voordat de parkwachters arriveerden. Na jaren op deze manier te hebben geleefd, begon Van Allen naar iets permanenters te verlangen. 

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens wat je weet over dit stuk van Hampstead Heath.’

    Van Allen: Ik zit er nu ongeveer zeven jaar … Klinkt stom, om een bunker te graven … [maar] ik word te oud om tenten uit elkaar te halen en onder struiken te schuiven.’

    Al eeuwenlang hebben allerlei groepen geprobeerd een stuk van het terrein voor zichzelf te annexeren. Mensen die op de vlucht waren voor de pest kampeerden hier in de zeventiende eeuw, evenals evangelisten, reizigers op doortocht en struikrovers (van wie sommigen hier ook zijn opgehangen). In de jaren 1830 probeerde een opgewonden heer van een naburig landgoed die zijn lippen al aflikte bij het idee, een stuk van de vlakte in te sluiten voor privégebruik. Hij werd gedwarsboomd door de rechtbank, en de brutaliteit van die poging droeg eraan bij dat Hampstead Heath in 1879 openbaar bezit werd. Dieren zijn altijd gekomen en gegaan, middeleeuwse wolven, later Keats’ nachtegaal, weer later een zeldzame wallaby, die in de lente van 2019 werd gespot. Tuinmannen mochten hier tijdens de Eerste Wereldoorlog volkstuinen aanleggen, en in de Tweede werden de velden opgeëist voor dreunend luchtafweergeschut. Waarschijnlijk zijn de meest discrete kolonisten van de vlakte – in ieder geval totdat Van Allen met een schop, een zak cement en een Makita-motorzaag aan kwam zetten – altijd de kevers geweest die de verweerde houten palen en hekken bevolken.

    Van Allen ging niet meteen voor zijn meest ambitieuze plan: de bunker. In de maanden voordat hij een rechthoek vrijmaakte en de eerste spade in de grond stak, bereidde hij zich voor door te oefenen met graven, zijn materiaal uit te proberen en andere, minder groots opgezette ondergrondse plannen uit te voeren. Tussen 2013 en 2015 groef Van Allen samen met een medeplichtige een reeks gaten verspreid over het park. Elk gat had exact de grootte van een afvalcontainer – want daar waren ze voor bedoeld: de containers werden rechtop zodanig begraven dat het deksel nog te gebruiken was, zodat ze ideaal waren voor opslag.

    Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren

    Zijn medeplichtige was een Poolse arbeider, toen midden dertig, genaamd Marek Wójcik. (Zijn naam is in dit verhaal veranderd. The Guardian heeft geen contact met hem kunnen opnemen om zijn versie van de gebeurtenissen te vernemen.) Volgens Van Allen was Wójcik informeel tewerkgesteld als arbeider op bouwterreinen in Londen. Hij kon timmeren, metselen en fundamenten leggen, vaardigheden die een goede aanvulling vormden op Van Allens eigen improvisatietechnieken, die hij kende van de korte tijd dat hij als podiumbouwer had gewerkt. Met een biertje op een bankje hadden de twee mannen het ambitieuze plan doorgesproken. Wat denk je, vroeg Wójcik, vanavond beginnen? De nachtpatrouille van het park was in de verte langs de normale, voorspelbare route uit zicht verdwenen. Ze zouden pas uren later terugkomen. ‘Prima,’ zei Van Allen, ‘waarom niet?’

    De plek die hij had voorbereid bevond zich in het struikgewas waar zich altijd al kampeerders schuilhielden, maar dan beter weggestopt. Hij had van een enorme, doornige braamstruik de binnenkant weggesnoeid met behulp van een betonschaar. De site lag dicht bij een cluster van hun ondergrondse opslagbakken, wat handig was omdat de bakken nu diverse gereedschappen en materialen bevatten: voorraden cementpoeder, kunstmest en bijtende soda; een accuboormachine en een elektrische zaag; twee schoppen. Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren.

    Toen ze de afvalcontainers begroeven was het een hels karwei geweest om boomwortels door te hakken. Nu mengden ze een oplossing van bijtende soda en doordrenkten de grond ermee om alles wat daaronder groeide te verzachten. Stenen moesten met de hand worden uitgegraven. Telkens wanneer het tussen hun nachtelijke opgravingen door regende, moesten ze als ze terugkwamen eerst urenlang natte klei scheppen, wat het werk vertraagde maar er ook voor zorgde dat de bunker uiteindelijk veel groter werd dan bedoeld. Omdat de opgeschepte aarde een ring vormde tussen de braamstruiken, was Van Allen bang dat het terrein van bovenaf zou worden opgemerkt. Door een drone-liefhebber? Of door satellieten die afbeeldingen aan Google Earth leverden? Hij pauzeerde het werk voor de zekerheid om een camouflagenet te kopen.

    Toen ze eenmaal ongeveer 1 meter 80 diep waren, konden ze beginnen met het installeren van houten stutten. Voor de bunker zouden ze veel hout nodig hebben. Later hield hij vol dat dit afkomstig was van omgevallen boomtakken. Toen ze klaar waren om de muren te versterken en de vloer te gieten, rolde Van Allen in het donker een afvalcontainer naar een van de zwemvijvers van het park. (Eén deel water.) Daarna naar de zanderige parkeerplaats. (Eén deel zand.) Gemengd met vier delen cementpoeder, vormde dit hun beton. Houten latten vormden het dak, dat was voorzien van isolatieschuim en een vlak, scharnierend luik.

    Terwijl ze wachtten tot het beton was uitgehard, begon Van Allen aan een programma van tactische tuinbouw. Hij ontwortelde meidoornstruiken in zijn geheel en plantte ze opnieuw rond de open plek bij wijze van vestingwerk. Voor het geval iemand daar desondanks doorheen zou komen, begon hij overal compost te verspreiden om de braamstruik aan te moedigen alle kanten op te groeien. Met behulp van vierkante stukken kippengaas, verkregen van weggegooide barbecues en bestrooid met kunstmest en zaad, lieten ze gras groeien op het bunkerdak. Al snel was er geen camouflagenet meer nodig en viel moeilijk te zeggen, tenzij je zelf op dit idee was gekomen, waar de grens tussen de oude vlakte en het bewerkte stukje grond lag. Van Allen had 100 pond gebudgetteerd voor de klus en kwam goedkoper uit. Het had ongeveer twee maanden geduurd. Op een avond namen ze er zonder veel ophef hun intrek.

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Zijn er dieren in het wild gedood?

    Van Allen: ‘Nee … we zijn geen Australiërs … ik ben geen man van het land.

    CTC: ‘Oké. Wat ik bedoel, is dat er een vuurwapen op je kampeerterrein is gevonden.

    Van Allen: ‘We schieten geen wild af… Er is een Marks & Spencer verderop.

    Enkele regels voor het bunkerleven anno 2016-18. ’s Nachts geen geritsel in het kreupelhout als je moet plassen. Van Allen bewaarde om deze reden een lege fles bij zijn bed. (Het merk Innocent was het beste. Wijde hals.) Als je een warme maaltijd wilde, verwarmde je soep in de bunker, soms kant-en-klare aardappelpuree of de mildere Thaise curry’s die M&S verkocht, maar geen geuriger voedsel, niets dat een nieuwsgierig dier naar de open plek zou kunnen lokken. ‘Bij elke hond’, luidde een andere regel van Van Allen, ‘hoort een baasje. En Fido kan gevaarlijker voor je zijn dan de buurtwacht.’ Met vossen was het weer anders. Toen steeds dezelfde vos op de open plek verscheen, wist Van Allen dat dit betekende dat de vlakte grotendeels verlaten was en dat hij kon ontspannen. Hij raakte gesteld op het dier en kocht er soms huisdierenvoer voor.

    Hij had zich nooit zo herkend in het sombere beeld dat door sommige liefdadigheidsinstellingen werd geschetst. Hij was dakloos, maar hij had een reispas, een fiets die bij het ziekenhuis op slot stond, een bankrekening. De bunker voorzag in andere aspecten van een normaal, alledaags leven: het veldbed, planken voor spullen, een plek om hardop naar de radio te luisteren, een plek om zijn hoofd te scheren. Toen ik voor het eerst hoorde dat Van Allen een bunker had gebouwd onder een park dat jaarlijks door zo’n 9 miljoen mensen wordt bezocht, vroeg ik me af waarom hij een plek zo dicht bij de bewoonde wereld had gekozen, op een paar passen van de weg en de huizen. Was het een provocatie? Een statement? Later, toen alles mis was gegaan, gaf Van Allen een meer prozaïsche reden, een reden die makelaars instinctief zouden begrijpen. Betere infrastructuur.

    Jaren geleden wilde Erno Goldfinger een betonnen flat bouwen op dezelfde locatie. De beroemde architect had een enorm, grijs, hoekig gebouw voor ogen, waar sceptische buren uiteindelijk tegen protesteerden. (Degenen die tegen het plan waren, waren onder meer de schrijver Ian Fleming, die toen aan zijn spionageboeken werkte en in een positie was om Goldfingers naam voor altijd te bedoezelen door hem aan een Bond-slechterik te geven.) Later, in 2017, kocht een vrouw een stuk grond dat aan het park grensde en bouwde er een mooi houten huisje op. Opnieuw werd er protest aangetekend en deze keer slaagden de buurtbewoners erin een sloopbevel te regelen. Dat jaar, terwijl Van Allen ondergronds zat, maakten zijn naaste buren reclame voor hun eigen huis. Zes bedden. Vijf verdiepingen. Een dubbele brede garage net boven het struikgewas. ‘Bieden vanaf 9 miljoen pond.’

    Van Allen twijfelde er niet aan dat het aanleggen van zijn bunker in strijd was met de parkregels. Hij was zich ervan bewust dat wat hij beschouwde als wildkamperen door anderen vandalisme zou worden genoemd, en hij accepteerde de mogelijkheid van een boete, misschien een kleine aanklacht, als prijs voor een stabiel onderkomen. De bunker was een experiment. Vertoon van lef. Tegen de tijd dat de sneeuw in december 2017 viel, woonde hij er al langer dan hij ooit had verwacht.

    Van Allen: ‘[We nodigden] af en toe een paar andere daklozen uit, maar echt niet vaak … Eens in de paar maanden … Mensen die we ontmoetten die een beetje in de problemen waren… mensen die de lul waren.

    Commando terrorismebestrijding: ‘En waarom …?

    Van Allen: ‘Omdat je ze ziet zitten op een bankje. En ze zien er verloren uit. Het is 10 uur ’s avond en ze hebben geen plek om te verblijven… [We] [bieden ze] een sigaret aan en zeggen: “Hé, we zitten daar, vriend.”’

    Hij was een bekende geworden van de parkwachters, ze groetten elkaar hartelijk. Van Allen noemde ze ‘Parky’ – allemaal. Hij vroeg zich af hoe achterdochtig Parky was geworden. ‘Ik was er altijd op verdachte tijden,’ zei hij later tegen de autoriteiten. ‘Zonder een hond om uit te laten.’ De parkwachters wisten het en wisten het niet. Lange tijd werden wildslapers in het park gewoon weggejaagd, liefst over de gemeentegrenzen heen, zodat ze het probleem van iemand anders werden. Meer recent, vertelt een boswachter me, was er een beleid van ‘vriendelijk beheer’ aangenomen. Deze methode betekende geduld, wachten op het juiste moment om een ​​proactief duwtje in de rug te geven, zodat de dakloze die ze in het vizier hadden zelf hulp zou zoeken.

    Vaak wachtten de parkwachters tot de winter om dit te doen, als er minder begroeiing was en de tenten makkelijker te ontdekken waren. De winter was ook een periode om zwerfafval op te ruimen en andere verrassende achtergebleven items – buggy’s, winkelwagens, oude wapens, lege flessen champagne. In de loop der jaren hadden ze lichamen ontdekt in het park, slachtoffers van moord en zelfmoord. Toch kwam het als een verrassing, vertelt een parkwachter me, toen ze een plek tegenkwamen waar stoom opsteeg uit wat solide grond had moeten zijn.

    Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij

    Op de sneeuw volgde dagenlang zware regen. Van Allen werd door vocht uit de bunker verdreven en verbleef enige tijd in een opvangcentrum in de buurt van Bloomsbury, tot het weer droog zou zijn. Bij zijn terugkeer, op een nacht, klom hij door de braamstruik en zag dat er een geplastificeerd briefje bij het luik was achtergelaten. De parkwachters hadden hun moment gekozen. In het briefje werd hij aangemoedigd om het park te verlaten en de gemeente of een woningbouwvereniging te benaderen voor hulp bij huisvesting. Toen hij het las, dacht Van Allen wrang: ‘Ja. Dat zal vast helpen.’

    Hij vond een aantal bezittingen terug en verplaatste deze naar de containers die vlak bij nog onverstoord onder het struikgewas zaten ingegraven. Hij zou het veldbed moeten achterlaten; dat was vervelend. Maar verder was Van Allen niet sentimenteel en hij verliet de bunker zonder nog eens om te kijken. Dagen later brak een minigraafmachine de plek open. Met het dak eraf, vertelt een parkwachter me, was het alsof je neerkeek op de fundamenten van iemands huis.

    Vier muren. Een dak. Een deur in een gemeenschappelijke gang of een hek met een degelijke grendel aan het einde van een oprit – of dus een luik in de modder. Dit zijn de fundamenten van een huis, en ze isoleren en beschutten, ze zorgen voor een beetje privacy en stellen onze lievelingsspullen veilig. Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij. Zonder duidelijke drempel wordt alles gecompliceerd en gecompromitteerd: veiligheid, toevluchtsoord, een gevoel van geworteldheid en controle. Van Allen had lang geleden geleerd dat hij, zonder legale scheidingswanden of grenspalen rond zijn schuilplaatsen, altijd bezittingen kon verliezen waar hij blij mee was of die hij nodig had. Hij had niet verwacht dat hij op een dag zou moeten discussiëren over het bezit van spullen waar hij niets mee te maken wilde hebben.

    Als hij het advies in het geplastificeerde briefje had opgevolgd en het park had verlaten, zou dat het einde van deze fase van Van Allens leven kunnen zijn geweest. Hij zou ergens in zijn schaduwstad ronddwalen. Maar hij en Wójcik sloegen hun tenten op in het struikgewas bij hun containers. Van Allen rouwde niet om de verloren bunker, maar werd steeds onvoorzichtiger. Het kamp begon zich uit te breiden. Ze lieten het zwerfafval slingeren (sommige van de weggooi-T-shirts van Van Allen werden later in de braamstruiken gevonden) en namen meer risico’s. Van Allen en Wójcik raakten een weekend in september 2018 overmoedig toen ze probeerden een enorme nieuwe container te begraven zonder de grond eerst met bijtende middelen zachter te maken. Het was geen klus die in één nacht kon worden geklaard, en omdat ze de bak nergens konden verbergen, lieten ze hem halfbegraven liggen, zodat hij gedeeltelijk zichtbaar was vanaf het pad. Een paar nachten later, na zijn gebruikelijke biertje in The Garden Gate, liep Van Allen in het donker de heuvel op en kwam terecht op een plaats delict.

    Van Allen: ‘Jullie moeten een hoop spullen van me, [mijn] kleding, in de struiken hebben gevonden?

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Klopt.

    Op de parkeerplaats van het park stonden politiebusjes, en agenten in uniform hadden een lang, slingerend cordon gevormd dat zijn kamp omsingelde. Later zou de politie blauw-gele forensische tenten opzetten en honden, rechercheurs in burgerkleding en rechercheurs in overalls en regenlaarzen binnenbrengen. Van Allen liep naar het cordon en veranderde zijn accent, Hampstead-stijl, om te vragen wat er aan de hand was. Hij zag dat er agenten waren uit naburige stadsdelen, veel meer dan nodig waren om eigenwijze daklozen te vervoeren. ‘Je kunt hier niet doorheen,’ kreeg Van Allen te horen. Hij keerde op zijn schreden terug en stak de donkere vlakte over naar de zwemvijver, waar hij Wójcik op hun gebruikelijke bank aantrof. ‘Wat is er allemaal aan de hand?’ Ze waren het erover eens dat het er niet best uitzag. Ze deelden nog een laatste biertje samen. Van Allen had andere plaatsen waar hij kon slapen. Een met tapijt beklede hoek in een openbaar gebouw, waar een sympathieke conciërge hem liet slapen. De pompruimte van een flat. Terwijl hij tussen deze plaatsen heen en weer ging, bleef hij de hele herfst nadenken over al die ophef op de plaats delict.

    Breaking Bad

    Van Allen vertelde een vriend, een man genaamd Keong Lim, dat hij er niets van begreep. Al die politie voor een paar begraven afvalcontainers? Zijn schop en afgedankte T-shirts? Lim werkte in de katholieke kerk waar ze het gratis ontbijt serveerden. Hij was gesteld op Van Allen en was hem dankbaar voor het repareren van allerlei dingen in de kerk. Op een dag, herinnert Lim zich, vroeg Van Allen hem te helpen om meer te weten te komen over wat er in het park was gebeurd. Ze zochten het online op en vonden een verhaal in de plaatselijke krant, de Hampstead & Highgate Express, dat was overgenomen en uitgebreid door verslaggevers van The SunMirror en Evening Standard. In Hampstead Heath was een ‘Breaking Bad-achtig provisorisch crystal meth-lab’ ontdekt, lazen ze. ‘Bosrijk gebied … Containers gevonden … Afzettingen aangebracht.’ Van Allen wendde zich tot Lim en zei: ‘Wel verdraaid. Dit gaat over mij.’

    Hij vroeg zich af of ze zijn voorraad witte, korrelige bijtende soda hadden gevonden en die voor iets duisters hadden aangezien. Nieuwskanalen vanuit de VS en Australië hadden het verhaal van het methlab in Hampstead gebracht, meestal met een illustratie erbij van de acteur Bryan Cranston als scheikundige alias drugsbaron Walter White. Van Allen had Breaking Bad niet gezien. Hij keek liever naar de zender BBC Parliament en geloofde – met reden – dat het leven raar genoeg was zonder fictie. Maar hij begreep het idee. Hij besloot zich gedeisd te houden.

    In februari 2019 nam de politie contact met hem op. Toen de onderzoekers het kamp uitkamden, hadden ze een gewatteerde envelop in het struikgewas gevonden. Die kwam van een bouwbedrijf waar Van Allen soms online bij winkelde. Op de oude envelop stond zowel zijn naam als het adres van een inloophuis dat hij voor post gebruikte. Onderzoekers hadden zijn telefoonnummer getraceerd en nu vertelden ze Van Allen dat ze met hem wilden praten over het provisorische kamp. Oprecht nieuwsgierig vroeg Van Allen: ‘Waarom nu pas?’ Het was inmiddels maanden later. Sindsdien was hij niet meer in het park geweest.

    Zonder dat Van Allen het wist was het onderzoek sinds die fantasievolle krantenberichten over een drugslaboratorium veranderd. Bij het opgraven van het kamp had de politie een zelfgemaakt wapen gevonden, een in elkaar geflanst geweer, ongeveer met de grootte en vorm van een fietspomp, dat ondiep was begraven naast een van zijn containers. De zaak was overgedragen aan agenten van het commando terrorismebestrijding. Van Allen kreeg te horen dat hij zelf niet in de problemen zat; maar zou hij willen afspreken om te praten? Hij stelde een McDonald’s voor, niet ver van het park, in de veronderstelling dat de zaak in een kwartiertje zou zijn afgehandeld.

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Dus we hebben je vandaag bij  McDonald’s ontmoet… En toen je begon te praten over wat je onder de grond verborgen had … besloten we je te arresteren, toch?’

    Van Allen: ‘Mm-hm.

    CT: ‘We wilden je gewoon de kans geven om op band met ons over de situatie te praten.

    Van Allen: ‘Mm-hm.

    Hij werd gearresteerd en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau van Colindale, waar hij uitvoerig sprak over het kamp in het struikgewas. Weinig onder de indruk van de tekening die een agent had gemaakt van de plek die hij zelf had gecreëerd en met zorg had ingericht (‘Dit is een belabberde schets,’ zei hij tegen de politie), leende Van Allen een potlood en bracht verbeteringen aan. Vragen over het handgemaakte pistool beantwoordde Van Allen met een ‘vierkante ontkenning’, zoals de ondervragers in hun aantekeningen noteerden. Hij zei tegen hen: ‘Ik zit daar al zeven jaar en heb het daar niet geplaatst. Het heeft niets met mij te maken.’ Later kreeg hij te horen dat er enkele sporen van zijn DNA op het wapen waren gevonden. Van Allen kreeg van zijn advocaat het advies om niets meer te zeggen, althans niet op zijn gebruikelijke nonchalante manier. In plaats daarvan kwam hij met een tweede, schriftelijke ontkenning.

    Van Allens proces voor het bezit van een vuurwapen vond plaats in de Blackfriars Crown Court in de zomer van 2019. Zijn juridische team vond dat het driedaagse proces al met al redelijk goed was verlopen. De eigen deskundige van de aanklager, een DNA-specialist, had toegegeven dat er geen manier was om te achterhalen of Van Allens DNA zich op het vuurwapen bevond door middel van primaire dan wel secundaire overdracht – dat wil zeggen, of hij het ooit fysiek had aangeraakt. De advocaat van Van Allen had de jury over een andere mogelijke verdachte verteld en stond erop dat ze niet konden uitsluiten dat iemand Van Allens kleding had gebruikt om het wapen af ​​te vegen voordat het werd begraven. Toch besloten de juryleden na de beraadslaging dat hij schuldig was. De rechter veroordeelde Van Allen tot vijf jaar.

    Hij werd overgeplaatst van HMP Pentonville naar HMP Thameside, weer zo’n doos van beton. Hij wilde er niks van weten dat zijn nieuwe situatie beter zou zijn dan dakloosheid. Vrijheid was vrijheid, waar je ook verbleef.

    Droomhuis

    Niet lang nadat Van Allen was veroordeeld, liep ik regelmatig de pub The Garden Gate uit, over de weg langs Hampstead Heath, het struikgewas in. Het kostte wat moeite om door de braamstruiken te komen, die bezaaid waren met blikjes en hondenballen, maar uiteindelijk lukte het: een gebleekte open plek in het kreupelhout was alles wat er over was van zijn oude bungalow. De parkwachters hadden stapels takken neergelegd om de gaten van de containers te bedekken. Eén keer scharrelde er een rat ter grootte van een hardloopschoen over de open plek. Muggen zoemden in de rondte, gestoord door mijn aanwezigheid. Ik had sterk het gevoel dat ik een indringer was. Achteraf vertelde een parkwachter dat sinds Van Allen vertrokken was, een andere dakloze de plek had ingepikt. De parkwachter had rode wangen nadat hij de hele ochtend bezig was geweest met het wegkappen van de braamstruiken die over het pad kropen. Hij legde uit hoe snel de braam groeide en hoe heftig hij zich verzette tegen een snoeibeurt – alsof, dacht ik, de grond onder ons ook een opstandige geest had en zich niet liet vertellen waar hij voor diende.

    In de gevangenis had Van Allen een nieuwe advocaat gekregen en werkte hij toe naar een hoger beroep. Degenen die met hem spraken, zeiden dat hij een opgeruimd humeur had. Zijn gevoel voor humor, zwart als een nachtje in een bunker, was een zegen. Als onderdeel van zijn herintegratie werd hij gevraagd deel te nemen aan een zelfverbeteringscursus, waarin onder andere werd ingegaan op zijn huisvestingsbehoeften. Had hij er na zijn vrijlating over gedacht om een aanvraag in te dienen bij een woningcorporatie? Van Allen zag er de lol wel van in.

    Ook tijdens zijn proces was er ruimte voor lol. Verdachten, politie, advocaten, leden van de jury – allemaal grinnikten ze samen om Van Allens verwoordingen terwijl hij werd ondervraagd. Op een gegeven moment had hij weemoedig over de oude bunker gesproken: ‘Mijn absolute droomhuis’ noemde Van Allen die. ‘Gewoon de ideale plek. Je had het treinstation, je had een café, je had een Starbucks, je had het ziekenhuis, je had bus 168, de 24, de 46… Je kon niet naar binnen kijken vanaf het pad. Het was verdomme briljant.’

  • Schrijvers van de straat

    Schrijvers van de straat

    James Parker is hoofdredacteur van The Pilgrim, een literair tijdschrift in Boston dat wordt volgeschreven door daklozen. Zijn gezag is beperkt en de deadlines zijn vaag, maar daar krijgt hij wel wat voor terug: ‘Aan elk stuk hangt een schitterende, komeetachtige staart van biografisch materiaal.’

    Er is een verhaal dat geschreven wil worden. 
Je kunt het gewoon voelen: er hangt iets in de lucht, er zwelt iets op in de hersenpan. Er is een verhaal dat geschreven wil worden, en het heeft jou uitverkoren om het op papier te zetten. Kun je het aan, kun je die missie volbrengen? Het zal de nodige ninjavaardigheden vergen. Alle energie balt zich samen, vormeloos, zinderend, rond een ongedefinieerd punt. Les Murray noemde het een ‘pijnloze hoofdpijn’, die aanzwellende energie voorafgaand aan het schrijfproces, een energie waarvoor je je moet openstellen, die je in woorden op papier moet zien te vangen – in een gedicht, in dit geval. Wat wil dat zeggen? Is het misschien zo dat jij, de schrijver die met zijn pen boven een onbeschreven blad papier hangt, je er op een heel wezenlijk niveau op voorbereidt om je te storten in de voortdurend heftig in beweging zijnde en zich vernieuwende kunst die 
de realiteit zelf is?

    Het zou kunnen. Het kan ook zijn dat je net iets te veel van Roberts magische koffie op hebt. Al sinds 2013 zet Robert speciaal voor de Black Seed Writers Group zijn supersterke koffie naar geheim recept: elke sessie staan er drie zilverkleurige tweeliterkannen (eentje met decaf) op het wagentje, als robotuilen met een snavel van zwart plastic. ‘Robert is heel standvastig in zijn manier van koffiezetten’, schreef Al, een van onze vaste klanten, in ‘Read All About It: Robert Is My Favorite Coffee Person/Maker’, een gedicht van recente datum. ‘Ik prijs me gelukkig 
met zijn manier van koffiezetten.’

    De Writers Group

    De Writers Group, zoals het in de buurt wordt genoemd, is een ruimte voor dakloze schrijvers in 
het centrum van Boston. We ontmoeten elkaar elke donderdagochtend om halftien in de kelder van de Cathedral Church of St. Paul op Tremont Street. 
De Writers Group geeft The Pilgrim uit, een literair tijdschrift waarvan ik nu al vijf jaar de redactie doe.

    Grote delen van The Pilgrim komen tot stand of krijgen vorm vanuit de chaostoestand waarin alles mogelijk is, door Roberts magische koffie. Robert levert zelf ook bijdragen aan het blad, in de vorm van korte 
alinea’s waarin hij beschrijft hoe het is om te zitten en te wachten (‘Zit hier bij Dunkin’ Donuts, drink wat en eet wat, en er komen allemaal mensen binnen die iets kopen en gaan zitten en praten, en het is grappig dat niemand me ziet. Ik voel me een geest.’) of in 
de vorm van snelle, ontregelende schetsjes die hij 
‘flitsen’ noemt. ‘Wat er in me omgaat? Geen ene reet.’

    Maar ik loop op de zaken vooruit, beste lezer. Laten we bij het begin beginnen.

    James Parker (tweede van links) met leden van de Black Seed Writers Group. – © Getty Images
    James Parker (tweede van links) met leden van de Black Seed Writers Group. – © Getty Images

    In januari 2011 meldde ik me als vrijwilliger bij de maandagse lunch, de wekelijkse gratis maaltijd voor daklozen, georganiseerd door de Cathedral Church 
of St. Paul, in Boston. Ik was op zoek naar zingeving – dat klinkt misschien raar, maar zo was het. Ik had me weleens wat schichtig in een kerk gewaagd, ik had de katholieke mystici gelezen, in de hoop dat alles plots op zijn plaats zou vallen. Maar het haalde niets uit. Thuis was ik kribbig, op mijn werk voelde ik me ellendig. Maar toen ik die gonzende, kauwende, naar schoolkantines ruikende kelder in stapte en al die monumentale en opmerkelijke types om me heen zag zitten, had ik heel erg het gevoel dat het klopte. Oké, dacht ik: Dit is het dus.

    Ik had al eerder als vrijwilliger met daklozen gewerkt, maar altijd in een wat afwachtende, joviale, gemoedelijke functie. Maar inmiddels was ik in de veertig en bracht ik iets van levenservaring mee. 
Het werd tijd om iets substantieels te gaan doen. Maar wat dan? En hoe dan? Dat jaar in oktober nam predikant Christina Rathbone – pastor en spil van 
de maandagse lunch – een handjevol van ons mee 
op een pelgrimstocht. We liepen zo’n 90 kilometer vanuit Boston naar een opvang in West Newbury.

    Onderweg sliepen we op kerkvloeren. We vormden een rommelig, wat haveloos groepje, haast een 
middeleeuwse aanblik, met onze merkwaardige hoofddeksels en wapperende vlaggen. Vanuit 
passerende auto’s klonken luide aanmoedigingen, 
en heel soms werd er nog wat gescholden. ‘We zijn op een spirituele pelgrimstocht,’ riep Steve, een van ons groepje, naar nieuwsgierige voorbijgangers of mensen die ons aangaapten. Hoe dan ook, we haalden het. In een van de huisjes van de opvang, om 
drie uur ’s nachts, diende het idee zich aan. Ik schoot wakker met dit geschenk, een brainstorm in het donker: ik zou een tijdschrift beginnen voor dakloze schrijvers, en ik zou het The Pilgrim noemen.

    Na onze pelgrimstocht gingen we weer (met de bus) naar huis en een paar dagen later zat ik samen met Paul Estes te schrijven in de Black Seed Cafe & Grill op Tremont Street.

    Autodidact Kevin schreef gedetailleerde stukken over het beste karton om onder te slapen

    Het was de eerste bijeenkomst van de Black Seed Writers Group. Paul – een man met een vrolijk gezicht vol lachrimpeltjes en pretoogjes – was via een omweg van Texas naar Boston gekomen. Op 
het moment dat we een begin maakten met zijn schrijfcarrière, sliep hij in de portiek van een soort printerette – de ironie daarvan ontging hem niet. Drie jaar later hadden we ons eigen imprint, No Fixed Address Press, en gaven we zijn space-operatic multi-species scifiroman uit: Razza Freakin’ Aliens, geschreven op een bankje op de Esplanade.

    Tijdens de tweede bijeenkomst van de Black Seed Writers Group, de dinsdag daarop, waren er zes 
mensen: argwanend, getekend door slaapgebrek, hunkerend naar een warm plekje om te zitten. Ik 
had voor pennen en papier gezorgd, ik had koffie ingeslagen en ik gaf de schrijvers een opdracht (‘De laatste keer dat ik me gelukkig voelde’). Tegen het einde van die bijeenkomst had ik genoeg materiaal voor het eerste nummer van The Pilgrim, dat ik opmaakte op mijn laptop en drukte bij Copy Cop. (Mijn redactieslag: spelfouten eruit halen en interpunctie controleren, en zo heel af en toe, en met 
grote terughoudendheid, iets aan de woordvolgorde verhelderen.)

    Bij de derde bijeenkomst waren er acht mensen, en zo rond de twaalfde bijeenkomst waren we met zo veel mensen dat we niet langer in het café pasten en moesten uitwijken naar een vergaderzaaltje op de bovenverdieping van de kerk. (Momenteel zitten we in de kelder.) Om het gebrek aan achtergrondgeluiden te compenseren – de klanken van het café gaven de hele onderneming iets kosmopolitisch, iets literairs, vond ik – had ik een gettoblaster 
meegenomen die ons was geschonken, en ik draaide een speciaal samengestelde, neurologisch bewerkte cd: Arvo Pärt, Michael Chapman, Hildegard von 
Bingen – koren, gitaren en af en toe een viool. 
‘Tandartsstoelmuziek,’ zoals een tegendraadse schrijfster het noemde.

    Schrijver Bryant Draycott, ‘een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats’. – © Getty Images
    Schrijver Bryant Draycott, ‘een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats’. – © Getty Images

    Wie zijn al deze schrijvers? Kevin, een autodidact die vroeger bij de marine zat, is in de vijftig. Hij mocht graag op een bankje in het park in de buurt van zijn slaapplek aan de rivier wat lezen in de Belijdenissen van Augustinus. Hij schreef onthullende en zeer gedetailleerde stukken over de beste soort karton 
om onder te slapen, en waar je die kon vinden. Dave, een man die spreekt in profetieën (en die destijds onder een brug woonde), schreef erover hoeveel pijn het hem deed wanneer een mededakloze werd 
uitgescholden. Margaret Miranda, die vanuit een nabijgelegen psychiatrische inrichting bij ons terecht was gekomen, schreef opmerkelijk geestige, heldere en inventieve gedichten. Eddie Atkins schreef zelf niet: hij praatte, op muzikale toon en veelal in spreuken, over het weer, over zijn plannen om een grote, witte Cadillac te kopen. Ik kwam erachter dat zijn woorden, eenmaal zwart op wit, haast als vanzelf in poëzie veranderden.

    We hadden verslagen van de straat, wat er zich in 
de kleine uurtjes allemaal afspeelde rond Downtown Crossing, verhalen over onbekenden die ineens de drang voelen iets goeds te doen, maar ook beschrijvingen van allerlei nare details – zoals wanneer je plotseling hoort hoe er een gulp wordt opengeritst, wat wil zeggen dat er in je slaap iemand over je heen gaat plassen. Het meeste dat werd geschreven was nogal religieus van aard: mystiek zelfs, en fantasierijker dan de meeste visionaire katholieken die ik 
heb gelezen. In sommige gevallen afkomstig uit het schemergebied ergens tussen de psyche en de wereld in, waar meningen worden gebracht als feiten, en de realiteit als een netwerk van symbolen, troostrijk of dreigend. Sommige teksten waren statisch, draaiden in cirkeltjes om hetzelfde thema of onderwerp.

    Op een middag sprak ik in de Boston Common [een park in het centrum] met Richard, een dakloze, over Samuel Taylor Coleridge. ‘Er lopen hier een hoop Oude Zeemannen rond, vind je niet?’ zei ik tegen hem – waarmee ik doelde op de mannen die keer op keer hun verhaal moesten vertellen, aan wie het maar wilde horen. ‘Dat van die Oude Zeemannen weet ik niet, maar ik zie wel veel albatrossen,’ zei Richard.

    Zinderend heiligdom

    De notitieblokken en de pennen, de koffie, die muziek: de structurele elementen van de Writers Group dateren van de begintijd en zijn niet veranderd in de vijf jaar dat we nu bezig zijn. Aan het begin van elke bijeenkomst delen we uitgetikte 
en geredigeerde versies uit van de teksten van de voorafgaande week, én een vel met nieuwe schrijfopdrachten (bijv. ‘Geesten’ of ‘Hoe iemand tot 
bedaren te brengen’ of ‘De zwaarste beproeving’) en een paar aansporingen om er plezier in te scheppen, het gewoon te laten gebeuren enzovoort. Er is ook een belangrijke vrije opdracht, namelijk: ‘Waar je 
ook maar over wilt schrijven’. Vervolgens houden 
we onze mond en gaan aan de slag, en een uur en een kwartier later stoppen we weer. Dat is het. Geen workshops, geen urenlange oefensessies, niets van dat al. En na enkele weken, wanneer er, waar het 
de inhoud betreft, sprake is van een subtiele maar duidelijk waarneembare druk – wanneer een en ander vorm heeft gekregen – breng ik een editie van The Pilgrim uit.

    Er zijn natuurlijk ook andere manieren om een schrijfclubje vorm te geven, en misschien is het 
goed om uit te leggen dat de hierboven beschreven methode bij toeval is ontstaan, goeddeels vanuit een negatieve impuls, en wel mijn eigen, eh… pedagogische onvermogen. Ik ben huiverig om een discussie te leiden, een groep mensen toe te spreken of wat voor centrale, leidende rol dan ook te vervullen, en daarom leek het me beter om vellen met opdrachten uit te delen en wat tussen de tafeltjes door te lopen en ‘Ssst!’ te zeggen, of ‘Heren, toe…’ Het werd al snel duidelijk dat deze minimale aanpak maximaal 
resultaat opleverde. Een veilige plek. Een rustige plek. Een plek zonder vooroordelen. Een plek 
waar iedereen, hoe hij of zij er lichamelijk of geestelijk ook aan toe was, kon binnenlopen om te schrijven.

    Er ontstond een bepaalde sfeer – door de aanwezigheid van de vaste schrijvers, door de energie van een groep mensen die samen aan iets werken – die ik niet eerder had meegemaakt. Een journalist die langskwam had het over een ‘zinderend heiligdom’. The Pilgrim blinkt 
al sinds het ontstaan uit in verslaglegging vanuit een ik-perspectief. Geen fictie, geen politiek, maar het echte leven, of dat nou is in de vorm van een gedicht, een gebed, een anekdote, een stuk uit een memoir of een onvervalste existentiële tirade. Het zijn allemaal dingen die een uitlaatklep op papier zoeken, zodra je die ruimte betreedt.

    Spider, een lange, lieve man met een zware stem, een kaalgeschoren hoofd en tatoeages van spinnenwebben op zijn handen, komt bijna stomend binnen – zware, gefronste wenkbrauwen, zijn hele lijf trillend van verontwaardiging over iets dat hij net heeft gezien of gehoord. Of misschien over iets dat hem jaren eerder is overkomen. Nadat hij twee pagina’s heeft geschreven is de spanning van zijn gezicht gegleden.

    ‘Het is allemaal gelul, wat je hier doet! Hoe durf je mensen te vragen al die dingen over zichzelf op te schrijven?’

    Het werkt natuurlijk niet bij iedereen. Er lopen ook schrijvers rond die ik van me heb vervreemd, die ik heb teleurgesteld, of beledigd, ofwel door iets wat ik bewust heb gedaan ofwel (wat veel waarschijnlijker is) door iets wat ik over het hoofd heb gezien. Hoe ik dat weet? Omdat ik er later lucht van krijg, of omdat ze gewoon wegblijven – zonder te zeggen wat eraan schort. Soms krijg ik een tweede kans en komen ze na een of twee jaar terug, maar soms ook niet. ‘Je bent mijn vriend niet meer!’ schreeuwde een keer een man tegen me in de Boston Common, met 
spetters van verontwaardiging in zijn grijze baard. ‘Het is allemaal gelul, wat je hier doet! Hoe durf je mensen te vragen al die dingen over zichzelf op te schrijven?’

    Cliff kwam op een ochtend voor het eerst naar de schrijfgroep, ging stilletjes en boos in een hoekje zitten en schreef een lang, gewelddadig, occultachtig verhaal over onder meer zijn vader die in de gevangenis zat voor moord (volledig conform de waarheid, ontdekte ik later) en een zogeheten hanging tree met bloedende wortels. Ik wist niet wat ik las. 
‘Ik heb dit niet overgetikt voor de groep,’ zei ik toen hij de week daarop terugkwam, ‘omdat het te eng is om te lezen.’ (Ik krimp nog altijd ineen als ik aan die idiote opmerking denk.) ‘Te eng om te lézen?’ zei hij. ‘Wees blij dat je het niet hoeft te léven.’ Begin 2016 stond ik oog in oog met een schrijver wiens ongenoegen over een redactionele ingreep zo groot was, 
zo heftig, en zo op me inbeukte dat ik, hoewel mijn stem en mijn lichaam roerloos bleven, zijdelings bewegende traantjes uit mijn ooghoeken voelde komen, alsof ik in een straffe wind stond.

    Onlangs is het eenenveertigste nummer van The 
Pilgrim uitgekomen. Sinds 2011 heeft het blad werk gepubliceerd van meer dan honderdvijftig schrijvers. Ik ben blij met die getallen, omdat het helemaal geen getallen zijn: het zijn mensen. Aan elk stuk dat in het blad is verschenen, hangt, voor mijn gevoel, een lange en schitterende komeetachtige staart van biografisch materiaal – het verhaal van de schrijver, en hoe hij 
of zij bij de Writers Group is beland, en hoe, en met hoeveel gemak of moeite, we een redactionele band hebben ontwikkeld, en hoe het toen verder is gegaan. Pilgrim- schrijvers zitten soms tijden in de gevangenis, liggen soms tijden in het ziekenhuis, hebben soms tijden geen dak boven hun hoofd, zijn soms tijden ziek – maar ze blijven schrijven, met een ongekende toewijding en moed. ‘Dakloos zijn’, heb ik op onze website geschreven, ‘is als een plotse pelgrimstocht.’

    Daar geloof ik nog altijd in, in de zin dat mensen die leven in een portiek, of in een stapelbed in een opvanghuis, en die niet meer bezitten dan ze bij zich dragen, zowel in geestelijke als in materiële zin 
worden blootgesteld aan een werkelijkheid waarvan de rest van ons is gevrijwaard. Maar het lukt mij steeds minder om in abstracte zin over daklozen na te denken. In plaats daarvan denk ik aan Bryant, echt een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats, een ongekend productief schrijver, die een van zijn triomfantelijkere gedichten eindigde met de woorden: ‘De wereld is mijn thuis / de wereld is mijn werkplek / ik zou niet anders willen leven’. Ik denk aan Holly, die God haar ‘maatje’ noemt. Ik denk aan Gizzmo, die door een andere schrijver werd gestoord terwijl hij bezig was zijn memoir te dicteren, waarop hij die ander uitfoeterde met zo’n subtiel, artistiek venijn dat ik er haast jaloers van werd.

    Natuurlijke dood

    Om kwart voor elf ronden we weer af, met overal geritsel van papier en mensen die achteroverleunen op hun stoel. Robert rolt het koffiekarretje weg. Een tijdlang – of eigenlijk jarenlang – hebben we elke sessie van de Writers Group afgesloten met ‘Thunderstruck’ van AC/DC: de gitaar van Angus Young was als een sirene, een voorbode van onze triomfantelijke terugkeer naar de wereld. Ook is er een tijd geweest dat dichter Eddie een cd naar keuze in de gettoblaster stopte – het kon Elvis zijn, maar ook Grateful Dead – en vervolgens zijn microfoon aansloot om de hele zaal te laten genieten van zijn zangtalent.

    Maar Eddie komt de laatste tijd niet meer zo vaak – gezondheidsklachten, en een verandering van 
woonomgeving. De Writers Group lijkt heel langzaam een natuurlijke dood te sterven. Als ik nu mijn blik door de ruimte laat glijden, zie ik altijd wel een of twee schrijvers over wie ik me zorgen maak. Nadat ze zichzelf ijverig en onbevreesd hebben blootgegeven op papier, zich kwetsbaar hebben opgesteld, zijn ze gedwongen terug te keren naar de harde realiteit 
van hun leven, de lusteloosheid en meedogenloosheid van hun dagelijkse bestaan, maar dan zonder 
de geborgenheid van daarvoor. Er zijn momenten waarop ik me afvraag of het echt allemaal gelul is, waar ik mee bezig ben. Maar dan kijk ik naar de 
pagina’s die we hebben volgeschreven, de verhalen, de teksten die er domweg niet zouden zijn geweest als we niet allemaal hadden bijgedragen aan het ontstaan van deze plek, van dit momentum. Sommige schrijvers zullen volgende week terugkeren, anderen niet. Er is geen peil op te trekken. Als redacteur zou 
ik soms wensen dat ik het gezag had van de monnik Moling, die tegen het einde van de middeleeuwse, epische Ierse vertelling Buile Suibhne (Sweeney Astray, 
in de versie van Seamus Heaney) de volgende waarschuwing meegeeft aan de vliegende pelgrim Sweeney, de krankzinnige koning die half vogel is: 
‘Al vlieg je nog zo ver uit over Ierland, dag in, dag uit, je bent gehouden elke avond naar mij terug te keren zodat ik je verhaal kan optekenen.’ Maar hier is niemand ergens aan gehouden, en de verhalen schrijven zichzelf – met artistieke horten en stoten.

    Auteur: James Parker
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Pacific Standard Standard
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000

    Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.