Tag: Darwin

  • ‘Verschillen tussen man en vrouw zijn niet alleen met Darwin te verklaren’

    ‘Verschillen tussen man en vrouw zijn niet alleen met Darwin te verklaren’

    Over de verschillen tussen mannen en vrouwen is al heel wat gefilosofeerd. Toch blijft de seksuele-selectietheorie van Darwin dominant. Wie zich ertegen verzet, wordt al snel beschuldigd van feminisme.

    Als kind deed Holly Dunsworth aan basketbal en droomde ze ervan zo groot te worden dat ze moeiteloos naar de basket zou kunnen springen. ‘Ik was al een flink eind op weg,’ vertelt ze. ‘En toen werd ik ongesteld. Ik zag jongens doorgroeien terwijl mijn eigen groei stopte.’

    De jeugdige basketballer, die hoogleraar biologische antropologie zou worden aan de Amerikaanse Universiteit van Rhode Island, kon niet vermoeden dat ze enkele decennia later een artikel zou publiceren waarin ze biologische redenen aanvoerde voor haar te geringe groei en vraagtekens zette bij de al anderhalve eeuw vigerende theorie van seksuele selectie op grond waarvan het verschil in grootte tussen mannen en vrouwen werd verklaard.

    Seksuele dimorfie

    Deze theorie, in 1871 geïntroduceerd door de Britse natuuronderzoeker Charles Darwin in zijn boek De afstamming van de mens, wordt ook nu nog het meest gehanteerd als verklaring voor seksuele dimorfie [dat wat mannen mannelijk maakt en vrouwen vrouwelijk].

    ‘De verschillen tussen mannen en vrouwen worden verklaard op grond van de seksuele selectie, waarin twee belangrijke mechanismen werkzaam zijn: 
    de competitie tussen de mannetjes en de keus van de vrouwtjes,’ bevestigt Michel Raymond, hoogleraar menselijke evolutiebiologie aan de Universiteit van Montpellier.

    Zodoende zouden de grootste, sterkste en strijdbaarste mannetjes zich kunnen laten gelden tegenover hun zwakkere soortgenoten om met de vrouwtjes ‘aan de haal te gaan’, terwijl de vrouwtjes een natuurlijke aantrekkingskracht zouden uitoefenen op de mannetjes die groter zijn dan zijzelf. Door de combinatie van deze twee elementen zouden de kleinste mannen zijn geofferd op het altaar van de evolutie.

    Maar is deze verklaring afdoende? Louise Barrett, als antropoloog verbonden aan de Universiteit van Lethbridge in Canada en auteur van diverse artikelen over seksuele dimorfie, meent dat er ‘overtuigender bewijs nodig is om met een evolutietheorie te komen die is gebaseerd op de selectie van mannetjes aan de hand van hun specifieke gedragingen en karaktertrekken. Maar in wat ik tot nu toe gelezen heb zijn de argumenten dikwijls zwak. Dat wil niet zeggen dat we de seksuele selectie volledig uit de evolutie moeten schrappen, maar bewijs is er momenteel nog niet voor.’

    Oestrogeen

    Holly Dunsworth zegt een betere verklaring te hebben gevonden. Haar onderzoek, waarvan de uitkomst afgelopen mei is gepubliceerd in het tijdschrift Evolutionary Anthropology, spitst zich toe op de ontwikkeling van de botten en die van oestrogeen, een geslachtshormoon dat onder andere door de eierstokken wordt geproduceerd en, in mindere mate, door de testikels. Oestrogeen is van beslissende invloed op de botgroei.

    Tijdens de kinderjaren groeien jongens en meisjes door de bank genomen even snel. Maar in de puberteit verandert alles: de eierstokken voeren de oestrogeenproductie aanzienlijk op om de eerste menstruatie voor te bereiden, wat gepaard gaat met een hogere ontwikkeling van het groeikraakbeen en een versnelde verlenging van de botten, reden waarom meisjes in het begin van de puberteit meestal groter zijn dan jongens.

    Maar omdat het zeer hoge hormoonniveau ook de botvorming vanuit het kraakbeen versnelt, is de groeispurt bij de meisjes maar van korte duur, terwijl de jongens hun oestrogeen in een regelmatig tempo blijven produceren, en dus nog een aantal jaren doorgroeien. Dit verklaart het verschil in grootte op volwassen leeftijd.

    Michel Raymond is niet overtuigd door de argumenten van Dunsworth: ‘Ze legt goed uit hoe de hormonen de grootte beïnvloeden, maar op geen enkele manier waarom dat zo is.’ Volgens hem kan, evolutionair gesproken, ‘het verschil in grootte niet los van het geslacht worden gezien. In iedere populatie is de man groter dan de vrouw, dus daar moet een reden voor zijn.’

    Het simpele feit dat ze het woord van Darwin in twijfel trekt wordt al als een rebelse daad beschouwd, waaraan een ‘feministisch’ tintje kleeft

    Marcia Ponce de León, paleoantropoloog aan de Universiteit van Zürich, deelt die mening niet. ‘Onderzoekers hebben nog wel eens de neiging hypotheses die veel voorkomen als “dit of dat dier is om deze of gene reden geëvolueerd” te accepteren vanwege hun schijnbare eenvoud, in plaats van echt wetenschappelijk bewijs te eisen,’ zegt ze. ‘Op een vraag over de evolutie is nooit maar één antwoord te geven. We hebben echt behoefte aan verschillende standpunten en betrouwbare gegevens.’ 

    Zoals Holly Dunsworth zelf benadrukt, is het maar een hypothese, maar het simpele feit dat ze het woord van Darwin in twijfel trekt wordt al als een rebelse daad beschouwd, waaraan een ‘feministisch’ tintje kleeft, de term die Michel Raymond gebruikte om Dunsworths artikel te omschrijven. ‘Zo veel wetenschappers houden vast aan de theorie volgens welke seksuele selectie de enige verklaring is,’ zegt Dunsworth spijtig.

    Louise Barrett van haar kant is van mening dat ‘zodra men de manier bestudeert waarop mannen en vrouwen van elkaar verschillen, het politiek wordt’. Volgens haar gaan de simplistische verklaringen voor de evolutie ‘uit van de hersenschim van de orde der dingen. We zouden geprogrammeerd zijn om zo te worden.’

    Aldus redenerend verval je algauw in de gebruikelijke clichés: ‘Vrouwen zijn attenter, dus willen ze verpleegkundige worden. En het is niet erg als een vrouwelijke IT’er minder verdient dan een mannelijke. Dan heeft ze gewoon het verkeerde vak gekozen.’

    In een wetenschappelijke wereld die nog grotendeels wordt gedomineerd door mannen ‘wint het vrouwelijke perspectief terrein, zij het langzaam en onder sterk verzet van mannen en, helaas, ook bepaalde vrouwen’, zegt Marcia Ponce de León. ‘Als vrouwelijke wetenschapper moet je echt knokken om de bestaande gewoonten te veranderen en nieuwe manieren te introduceren om vragen te stellen.’ 

  • ‘Op een vraag over de evolutie is nooit maar één antwoord’

    ‘Op een vraag over de evolutie is nooit maar één antwoord’

    Over de verschillen tussen mannen en vrouwen is al heel wat gefilosofeerd. Toch blijft de seksuele-selectietheorie van Darwin dominant. Voor veel wetenschappers is dat de enige verklaring. Er is behoefte aan verschillend en liefst wetenschappelijk bewijs.

    Als kind deed Holly Dunsworth aan basketbal en droomde ze ervan zo groot te worden dat ze moeiteloos naar de basket zou kunnen springen. ‘Ik was al een flink eind op weg,’ vertelt ze. ‘En toen werd ik ongesteld. Ik zag jongens doorgroeien terwijl mijn eigen groei stopte.’

    De jeugdige basketballer, die hoogleraar biologische antropologie zou worden aan de Amerikaanse Universiteit van Rhode Island, kon niet vermoeden dat ze enkele decennia later een artikel zou publiceren waarin ze biologische redenen aanvoerde voor haar te geringe groei en vraagtekens zette bij de al anderhalve eeuw vigerende theorie van seksuele selectie op grond waarvan het verschil in grootte tussen mannen en vrouwen werd verklaard.

    Deze theorie, in 1871 geïntroduceerd door de Britse natuuronderzoeker Charles Darwin in zijn boek De afstamming van de mens, wordt ook nu nog het meest gehanteerd als verklaring voor seksuele dimorfie [dat wat mannen mannelijk maakt en vrouwen vrouwelijk].

    ‘De verschillen tussen mannen en vrouwen worden verklaard op grond van de seksuele selectie, waarin twee belangrijke mechanismen werkzaam zijn:
    de competitie tussen de mannetjes en de keus van de vrouwtjes,’ bevestigt Michel Raymond, hoogleraar menselijke evolutiebiologie aan de Universiteit van Montpellier.

    Zodoende zouden de grootste, sterkste en strijdbaarste mannetjes zich kunnen laten gelden tegenover hun zwakkere soortgenoten om met de vrouwtjes ‘aan de haal te gaan’, terwijl de vrouwtjes een natuurlijke aantrekkingskracht zouden uitoefenen op de mannetjes die groter zijn dan zijzelf. Door de combinatie van deze twee elementen zouden de kleinste mannen zijn geofferd op het altaar van de evolutie.

    Maar is deze verklaring afdoende? Louise Barrett, als antropoloog verbonden aan de Universiteit van Lethbridge in Canada en auteur van diverse artikelen over seksuele dimorfie, meent dat er ‘overtuigender bewijs nodig is om met een evolutietheorie te komen die is gebaseerd op de selectie van mannetjes aan de hand van hun specifieke gedragingen en karaktertrekken. Maar in wat ik tot nu toe gelezen heb zijn de argumenten dikwijls zwak. Dat wil niet zeggen dat we de seksuele selectie volledig uit de evolutie moeten schrappen, maar bewijs is er momenteel nog niet voor.’

    Oestrogeen

    Holly Dunsworth zegt een betere verklaring te hebben gevonden. Haar onderzoek, waarvan de uitkomst afgelopen mei is gepubliceerd in het tijdschrift Evolutionary Anthropology, spitst zich toe op de ontwikkeling van de botten en die van oestrogeen, een geslachtshormoon dat onder andere door de eierstokken wordt geproduceerd en, in mindere mate, door de testikels. Oestrogeen is van beslissende invloed op de botgroei.

    Tijdens de kinderjaren groeien jongens en meisjes door de bank genomen even snel. Maar in de puberteit verandert alles: de eierstokken voeren de oestrogeenproductie aanzienlijk op om de eerste menstruatie voor te bereiden, wat gepaard gaat met een hogere ontwikkeling van het groeikraakbeen en een versnelde verlenging van de botten, reden waaro meisjes in het begin van de puberteit meestal groter zijn dan jongens.

    Maar omdat het zeer hoge hormoonniveau ook de botvorming vanuit het kraakbeen versnelt, is de groeispurt bij de meisjes maar van korte duur, terwijl de jongens hun oestrogeen in een regelmatig tempo blijven produceren, en dus nog een aantal jaren doorgroeien. Dit verklaart het verschil in grootte op volwassen leeftijd.

    Michel Raymond is niet overtuigd door de argumenten van Dunsworth: ‘Ze legt goed uit hoe de hormonen de grootte beïnvloeden, maar op geen enkele manier waarom dat zo is.’ Volgens hem kan, evolutionair gesproken, ‘het verschil in grootte niet los van het geslacht worden gezien. In iedere populatie is de man groter dan de vrouw, dus daar moet een reden voor zijn.’

    Marcia Ponce de León, paleoantropoloog aan de Universiteit van Zürich, deelt die mening niet. ‘Onderzoekers hebben nog wel eens de neiging hypotheses die veel voorkomen als “dit of dat dier is om deze of gene reden geëvolueerd” te accepteren vanwege hun schijnbare eenvoud, in plaats van echt wetenschappelijk bewijs te eisen,’ zegt ze. ‘Op een vraag over de evolutie is nooit maar één antwoord te geven. We hebben echt behoefte aan verschillende standpunten en betrouwbare gegevens.’

    Zoals Holly Dunsworth zelf benadrukt, is het maar een hypothese, maar het simpele feit dat ze het woord van Darwin in twijfel trekt wordt al als een rebelse daad beschouwd, waaraan een ‘feministisch’ tintje kleeft, de term die Michel Raymond gebruikte om Dunsworths artikel te omschrijven. ‘Zo veel wetenschappers houden vast aan de theorie volgens welke seksuele selectie de enige verklaring is,’ zegt Dunsworth spijtig.

    Louise Barrett van haar kant is van mening dat ‘zodra men de manier bestudeert waarop mannen en vrouwen van elkaar verschillen, het politiek wordt’. Volgens haar gaan de simplistische verklaringen voor de evolutie ‘uit van de hersenschim van de orde der dingen. We zouden geprogrammeerd zijn om zo te worden.’ Aldus redenerend verval je al gauw in de gebruikelijke clichés: ‘Vrouwen zijn attenter, dus willen ze verpleegkundige worden. En het is niet erg als een vrouwelijke IT’er minder verdient dan een mannelijke. Dan heeft ze gewoon het verkeerde vak gekozen.’

    In een wetenschappelijke wereld die nog grotendeels wordt gedomineerd door mannen ‘wint het vrouwelijke perspectief terrein, zij het langzaam en onder sterk verzet van mannen en, helaas, ook bepaalde vrouwen’, zegt Marcia Ponce de León. ‘Als vrouwelijke wetenschapper moet je echt knokken om de bestaande gewoonten te veranderen en nieuwe manieren te introduceren om vragen te stellen.’

    Romain Raynaldy

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Le Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • Op zoek naar de kietelplek

    Op zoek naar de kietelplek

    Waarom zijn we eigenlijk zo gevoelig voor kietelen? Die vraag stelt de knapste koppen al duizenden jaren voor raadsels. Twee Duitse onderzoekers lijken door tests met ratten het begin van het antwoord te hebben gevonden.

    Als laboratoriumrat van de Humboldt-Universiteit in Berlijn heb je een heleboel lol. Dat suggereert althans een video die twee daar werkzame neurobiologen onlangs op YouTube hebben gezet. Daarin is te zien hoe ratten gekieteld worden en daarbij van plezier piepen en in de lucht springen. Grappig. Maar het is veel meer dan dat: een tweeduizend jaar oud geheim.

    Aristoteles piekerde al over de zin en onzin van het kietelen. Ook andere grote denkers hebben zich er later het hoofd over gebroken. Want hoe triviaal het fenomeen op zich ook is, het werpt een paar allesbehalve triviale vragen op.

    In vakjargon wordt kietelen sinds 1897 met twee indrukwekkende namen aangeduid: knismesis (van het Griekse knizein voor ‘krabben, prikkelen’) en gargalesis (van gargalizein: ‘kietelen’). Met het eerste wordt het lichte kriebelen op de huid bedoeld, als die slechts zachtjes wordt aangeraakt. Deze vorm van kietelen is in het dierenrijk wijd verbreid. Elke hond die een vlo op zich voelt scharrelen, kent het. Vermoedelijk is dat ook precies de zin van van knismesis: de reactie op de lichtste beroeringen moet helpen het lichaam te beschermen tegen vreemde invloeden.


    Gargalesis daarentegen roept meer vragen op. Dit is de naam voor het speelse kietelen, dat door iets meer druk meestal gegiechel uitlokt. Voordat men ook ratten op deze manier een vrolijke reactie kon ontlokken, werd gargalesis alleen bij mensen en primaten waargenomen. Charles Darwin zag daarin zelfs de oorsprong van de humor.
    Veel mensen die gekieteld worden, voelen zich daarbij helemaal niet vrolijk. Ze lachen wel, maar wie daaruit afleidt dat ze vrolijk zijn, zou ook achter iedere traan bij het uien snijden diepe treurnis moeten vermoeden. Volgens een bepaalde hypothese zou het kietelen bij kinderen misschien afweerbewegingen trainen. De vrolijke gelaatsuitdrukking van de gekietelde zet aan tot doorgaan. Bij een gekweld gezicht zou het spel, en daarmee de nuttige afweeroefening, vermoedelijk snel afgelopen zijn.

    Sommige psychologen zien in het kietelen een mogelijkheid om een band op te bouwen. Ouders zouden op deze manier al vroeg de angst voor aanraking bij hun kinderen wegnemen. Broertjes en zusjes kietelen elkaar vaak om een stevig gevecht te vermijden.

    Een goed humeur

    Maar een louter menselijk fenomeen is kietelen waarschijnlijk niet. De psychologen Christine Harris en Nicholas Christenfeld van de Universiteit van Californië denken eerder dat het een soort reflex is. Om deze hypothese te testen lieten ze hun assistente Meg Notman een apparaat bouwen dat ze ‘Mechanic Meg’ doopten. Uit Mechanic Meg stak een robotarm die, samen met de onderzoekers, de eenentwintig deelnemers aan de proef moest kietelen.

    Althans, zo werd het de proefpersonen verteld. In feite was Mechanic Meg alleen maar een kostbare afleidingsmanoeuvre. Het apparaat trilde luid als je het inschakelde. Bovendien verlieten de onderzoekers demonstratief het vertrek om de – geblinddoekte – deelnemers het gevoel te geven dat ze met de robot alleen waren. Maar in werkelijkheid zat de echte Meg de hele tijd verstopt onder een tafellaken, waar ze onder vandaan kwam om de proefpersoon nu eens ‘als mens’, en dan weer ‘als robot’ te kietelen.

    Doel van deze truc was om te vermijden dat men de uitslag van het experiment zou kunnen toeschrijven aan een slechte kietelprestatie van de robot. Op deze manier beleefden de deelnemers het kietelen elke keer met dezelfde kwaliteit. Het resultaat leek de onderzoekers te bevestigen: of nu mens of ‘machine’ aan de slag ging met de voetzolen van de proefpersonen, ze draaiden en kromden zich van het lachen. Toch stond het kietelen niet los van de stemming van de proefpersonen, meenden Harris en Christenfeld toen ze hun resultaten in 1999 presenteerden in het Psychonomic Bulletin & Review.

    Darwin en Aristoteles hielden zich al bezig met kietelen bij mensen, onderzoekers uit Berlijn ontdekten onlangs dat ook ratten er plezier aan beleven.
    Darwin en Aristoteles hielden zich al bezig met kietelen bij mensen, onderzoekers uit Berlijn ontdekten onlangs dat ook ratten er plezier aan beleven.

    Dit vermoeden wordt nu bevestigd door het experiment van de Berlijnse biologen Michael Brecht en Shimpei Ishiyama. Alleen ratten die zich goed voelden, reageerden vrolijk piepend op het kietelen. Wanneer de onderzoekers de dieren op een verhoogd platform of onder een felle belichting plaatsten, waren ze angstig en vertoonden ze geen tekenen van vreugde. Charles Darwin beschouwde een goed humeur al als voorwaarde om door kietelen aan het lachen gemaakt te kunnen worden.

    Een andere grote natuurvorser, de Engelsman Francis Bacon, die in de zeventiende eeuw de basis legde voor de moderne natuurwetenschap, was overtuigd van het tegendeel. Hij geloofde dat gekietelden zelfs wanneer ze zich niet goed voelden moesten lachen, of ze wilden of niet. Hoe pijnlijk dat kan worden, demonstreren verschillende overgeleverde martelmethoden. In de Dertigjarige Oorlog zou bijvoorbeeld het zogenaamde geitenlikken als marteling toegepast zijn. De voeten van het slachtoffer zouden daarbij in zout water gedompeld en aansluitend vastgebonden zijn, zodat geiten er het zout af konden likken. Menig slachtoffer werd naar verluidt zelfs doodgekieteld. Of kietelen werkelijk dodelijk kan zijn, is onduidelijk. Maar één ding is zeker: jezelf kietelen gaat niet – althans niet in de zin van de gargalesis die lachen uitlokt.

    Alleen aan schizofrenie lijdende mensen kunnen zichzelf soms door kietelen aan het lachen maken. Bij gezonde mensen ontbreekt waarschijnlijk het verrassingselement

    Alleen aan schizofrenie lijdende mensen kunnen zichzelf soms door kietelen aan het lachen maken. Bij gezonde mensen ontbreekt waarschijnlijk het verrassingselement. De kleine hersenen schijnen in het moment tussen het besluit jezelf te kietelen en de daadwerkelijke actie een signaal door te geven aan de somatosensorische cortex. Daar worden de tastgewaarwordingen verwerkt. Als dit hersengebied van tevoren gewaarschuwd wordt, kan de waarneming van het kietelen eenvoudig uitgeschakeld worden. Op die manier wordt een overprikkeling voorkomen.

    Maar een andere diersoort kun je met een kietelaanval volledig in verwarring brengen: bij haaien is het genoeg om hun snuit te kietelen om ze in trance te brengen. Zelfbenoemde haaienfluisteraars passen deze techniek toe en maken op die manier zelfs grote exemplaren van de witte haai rustig. Vermoedelijk vervallen de dieren in een verstijving omdat in hun snuit bijzonder veel zenuwen samenkomen, die de prikkeling niet eenduidig kunnen interpreteren.

    Minder verward reageerden de Berlijnse laboratoriumratten. Als men ze over de rug of de buik streek, piepten ze in ultrasonore frequenties. Als de kietelende hand zich verwijderde, huppelden de dieren er zelfs vrolijk achteraan. In de somatosensorische cortex werden intussen dezelfde cellen geactiveerd die ook bij het spelen werden geprikkeld. Dezelfde reactie kon ook worden opgewekt zonder kietelen, door elektrische stimulatie van die cellen.

    ‘Het lijkt erop dat we de kietelplek in de hersenen hebben gevonden’, schrijft Brecht. ‘De manier waarop de cellen reageren bij het kietelen lijkt erg op die bij het spelen. Misschien is het de functie van het kietelen om individuen tot samen spelen te bewegen, en krijgt het daardoor meer betekenis voor het sociale leven.’
    De wetenschappers willen de nieuwe inzichten benutten om verdere vragen over de neuronale verwerking van het kietelen te onderzoeken. Want ook na meer dan tweeduizend jaar zijn nog lang niet alle raadsels rond deze eigenaardige gewaarwording opgelost.

    Auteur: Rebecca Hahn

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.