Tag: Dave Eggers

  • Het echte Hollister

    Het echte Hollister

    Hollister? Dat zijn toch die hoodies van Abercrombie&Fitch? In 587 winkels te koop, verspreid over de hele wereld, met een omzet van meer dan 2 miljard dollar? Klopt. Maar Hollister is in de eerste plaats een stadje in Californië – zonder ook maar één Hollisterwinkel. De zeer succesvolle branding is gebaseerd op een groot verzinsel. Bestsellerauteur Dave Eggers vertelt de werkelijke geschiedenis van Hollister, die van zijn betovergrootvader, T. S Hawkins.

    De naam wordt tegenwoordig overal ter wereld geassocieerd met goede smaak en een zekere status. In het jaar dat ik drieënveertig zou worden, werd ik op een goede ochtend wakker met de gedachte dat ik eens een bezoekje moest brengen aan Hollister. Ik zag overal van die hoodies en ik moest geregeld aan het plaatsje denken. In mijn garage diepte ik een oude atlas op, bestudeerde de kaart van Californië om er zeker van te zijn dat ik nog wist hoe ik er moest komen, en ging op pad. Niemand verwachtte me en ik had geen verwachtingen. Het was echt zo’n uitstapje voor een man van middelbare leeftijd, van wie de kinderen naar een partijtje zijn.

    Het is twee uur rijden vanuit de San Francisco Bay Area, in zuidelijke richting over de Interstate 280 naar de 85, vervolgens naar de 101 en tot slot naar de 25. Langs de Interstate 280 zie je tientallen hectaren dichtbegroeid heuvellandschap, met in het midden het Crystal Springs Reservoir. Het is een beschermd natuurgebied van onschatbare waarde. Uiteindelijk wordt het landschap wat vlakker en het klimaat droger. De groene hellingen kleuren langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid. Al snel duiken er aan beide kanten van de snelweg boerderijen op, pompoenkraampjes, stallen en stof. Dit alles roept de sfeer op van het Wilde Westen, terwijl je je op nog geen uur rijden van San Francisco bevindt.

    Een Hollister-hoodie. Carrie Black/Flickr Creative Commons
    Een Hollister-hoodie. Carrie Black/Flickr Creative Commons

    Haarnetjes

    Hollister doemt in alle rust op. Keurige rijen uien, kersenbomen en paprikaplanten maken plaats voor wat kleine fabriekjes – een groepje vrouwen met haarnetjes gaat net even pauzeren voor de Marich-banketbakkerij als ik voorbij rijd – en vervolgens zie je eettentjes en tankstations en uiteindelijk een stadscentrum dat iets tijdloos heeft zonder echt ouderwets aan te doen. Er staat een prachtige kerk van rode baksteen, de Hollister United Methodist-kerk, en op loopafstand daarvan staan vele goed onderhouden Victoriaanse huizen. Maar je ziet er ook winkels die zijn gesloten en verlaten kantoorpanden. Op de hoofdweg, San Benito Street, kom ik langs een pand met een bordje voor het raam:
    DIT GEBOUW STAAT NIET LEEG.
    HET ZIT VOL MOGELIJKHEDEN.

    Niet veel verderop staat een groepje vrouwen op een straathoek, met een bordje in de hand: ‘Bid om een einde te maken aan abortus.’ Achter hen is een lommerd, iets verderop in de straat een winkel in tweedehandsspullen en een motel dat luistert naar de naam Cinderella – niet te verwarren met de nabijgelegen quinceañera en de bruidsboetiek, met kleding voor zowel novias als princesas. Het stadje gaat aan beide kanten geleidelijk over in landbouwgebied en achter de boerderijen liggen de heuvels, nauwelijks ontsierd door bebouwing.

    Het is een merkwaardig compleet plaatsje, haast iets uit een kinderboek van Richard Scarry. Je hebt er fabrieken, boerderijen, scholen, wegen, paarden, schapen, geiten en schuren. Je hebt er mannen met cowboyhoed, die in een pick-up rijden. Er is een winkeltje waar ze honkbalplaatjes verkopen. Op een groot bord staat het eindfeest van de middelbare school aangekondigd: Disney-bal.

    Ik ben twee keer in Hollister geweest sinds ik drieëntwintig jaar geleden van de westkust naar Illinois ben verhuisd. Beide keren heb ik heel bewust een bezoek gebracht aan het Hazel Hawkins Memorial Hospital. Ook nu weer herinner ik me dat het niet ver uit het centrum ligt, en inderdaad, ik heb het al snel gevonden. Maar er lijkt iets veranderd. Op een bord voor de deur staat: ‘Bidden is de beste manier om in de hemel te komen – maar inbreken gaat sneller.’ Dan ineens zie ik, op de hoek van Hawkins en Monterey, een groot bord met ‘Te huur’. Dat is nieuw voor me – wat ooit een gezichtsbepalend gebouw in het centrum was, een schitterend pand in Spaans-koloniale stijl, met Italiaans aandoende versieringen, is nu kennelijk opgedeeld in kantoorunits. Ik zet mijn auto neer en ga een kijkje nemen.

    Gezien het feit dat dit oorspronkelijk een ziekenhuis is geweest, en dat het een van de oudste gebouwen van de stad is, ga ik ervan uit dat er non-profitorganisaties in zullen zitten – sportclubs, erfgoedinstellingen, vrouwenverenigingen. Dus loop ik over de witte trap die iets naar links helt. Het valt me op dat de stenen cherubijntjes bij de ingang tamelijk liefdeloos in de verf zijn gezet. Rechts van de voordeur zie ik een bordje in de erker: ‘Eerste maand huur gratis. Hoge kortingen.’ Achter het raam zie ik een bureau, met daarop een computer uit de jaren negentig die de eerste tekenen van verval vertoont. Het contrast tussen de rococo-buitenkant en de armoedige binnenkant is schokkend.

    Op een laag tafeltje in de hal liggen keurige stapeltjes folders en visitekaartjes van taxiondernemingen, kerken, gebedsgenezers en mensen die borg kunnen regelen. Links van me bevindt zich de New Light Embassy, die zichzelf afficheert als een ‘Holistisch centrum voor hersentraining & hypnotherapie… verrijkt, ontwikkelt en versterkt het menselijk potentieel.’ Het grootste deel van de rechtervleugel van het gebouw wordt in beslag genomen door het NewLife Worship Center.

    Binnen is echter geen mens te bekennen. Noch in de New Light Embassy, noch in het NewLife Worship Center. ‘Wist u dat Jezus een kerkganger was?’ staat te lezen op een groen foldertje. ‘Daar horen we niet vaak over, maar het is wel zo.’ En dan hoor ik, in de drukkende stilte van het uitgestorven pand, een geluid. Een ritmisch geluid. Ik loop het geluid achterna door de gang, tot ik voor een deur sta. Er ligt een mat voor de deur, met als tekst: ‘Eli’s Chop Shop’. Ernaast staat een driekleurige, gestreepte paal, zoals je die bij kapperszaken ziet. Ik hoor hiphop-muziek en vang ook wat stemmen op, en heel even ben ik zo blij dat ik niet de enige in dit gebouw ben dat ik met de gedachte speel naar binnen te gaan. Maar ik doe het niet en keer om.

    Downtown Hollister doet denken aan een boek van Richard Scarry. – © Getty
    Downtown Hollister doet denken aan een boek van Richard Scarry. – © Getty

    Hoody

    In de tuin voor het gebouw blijf ik staan onder een oude wilg en weet niet goed wat te doen. Aan de overkant van de straat zie ik een man het gras maaien. Ik ervaar diverse emoties en kom tot een aantal conclusies. Het bedrukt me dat het gebouw zo is vervallen. Van binnen ziet het er allemaal even deprimerend uit, en de huurders zijn slechts tijdelijk en ze lijken zich weinig aan te trekken van de vervallen staat van het gebouw. Maar waarom trek ik het me zo aan?

    Vijftien jaar terug zei het woord ‘Hollister’ vrijwel niemand iets. Tegenwoordig kom je in vrijwel elke stad, van Melbourne tot Montreal tot Mumbai, wel iemand tegen die het op zijn T-shirt of hoody heeft staan. Abercrombie&Fitch, dat Hollister in 2000 in de markt heeft gezet, heeft binnen korte tijd met dit merk de wereld weten te veroveren. In 2013 waren er 587 Hollister-winkels verspreid over de wereld, en het merk genereerde een omzet van meer dan 2 miljard dollar.

    Een rij consumenten voor een reclamebord van Abercrombie & Fitch.  © Simon Dawson / Getty
    Een rij consumenten voor een reclamebord van Abercrombie & Fitch. © Simon Dawson / Getty

    Vrijetijdskleding

    De kleren zelf zitten gewoonlijk in het segment van de sweaters en de joggingbroeken – ze vertonen griezelig veel overeenkomst met de vrijetijdskleding die je kunt kopen bij Target of Walmart. Maar een Hanes-hoody bij Target kost 13 dollar, terwijl een Hollister-hoody 44,95 dollar kost. Dat moet dus wel betekenen dat de term ‘Hollister’ ergens voor staat en een toegevoegde waarde heeft.

    Al vele jaren krijgt het personeel in de Hollister-winkels tijdens de inwerkperiode het Hollister-verhaal te horen, en dat gaat ongeveer zo: John M. Hollister is geboren aan het einde van de negentiende eeuw en als kind bracht hij zijn zomers door in Maine. John hield van avontuur en hij vond het heerlijk om te zwemmen in het heldere, koele water. In 1915 haalde hij zijn bul aan Yale. In een poging te ontsnappen aan het comfortabele leventje in Manhattan dat al voor hem was uitgestippeld, zette hij koers naar Nederlands-Indië en kocht daar in 1917 een rubberplantage. Hij werd verliefd op een vrouw, Meta, en hij kocht een schoener van vijftien meter. Samen met Meta zeilde hij over de Stille Zuidzee en ze verzamelden schatten van ‘de kunstenaars die daar leven’. Uiteindelijk gingen ze in 1919 in Los Angeles wonen. Ze kregen een kind, John junior, en openden een winkeltje in Laguna Beach, waar ze allerlei spullen uit de Zuid-Pacific verkochten – meubels, sieraden, stoffen en kunstvoorwerpen. Toen John junior op latere leeftijd de zaak overnam, voegde hij daar surfkleding en surfuitrusting aan toe. (Hij kon zelf geweldig goed surfen.) Zijn surfwinkel, die zijn naam droeg, kreeg steeds meer bekendheid en groeide uit tot een wereldwijd merk. Het Hollister-verhaal draait om ‘hartstocht, jeugd en een liefde voor het water’ en roept een beeld op van ‘de harmonie van romantiek, schoonheid en avontuur’.

    Het is volledig bezijden de waarheid. De meeste merken van Abercrombie&Fitch – waaronder het inmiddels uit de markt genomen Gilly Hicks en Ruehl No. 925 – steunen op verzonnen verhalen die zijn bedacht door Mike Jeffries, de voormalige CEO van het bedrijf. Abercrombie&Fitch heeft de Los Angeles Times verteld dat de naam Hollister is verzonnen en dat elke relatie tussen het merk en het stadje dan ook op toeval berust. Maar toch kunnen we de betrekkingen tussen het bedrijf en het stadje Hollister in Californië, met een inwonertal van zesendertigduizend, niet bepaald neutraal of ontspannen noemen.

    In 2006 zette een ondernemer uit Hollister de tekst ‘Rag City Blues: Hollister’ op een spijkerbroek en ze besloot zich in te schrijven in het internationale merkenregister. Vervolgens ontving ze dreigementen van juristen die waren ingeschakeld door Abercrombie&Fitch. Ze was verbijsterd. De juristen hadden min of meer gezegd dat ze haar voor het gerecht zouden slepen als ze de naam van haar woonplaats op haar kleding zou zetten – het handelsmerk dat aan het merk was verbonden, oversteeg de rechten van de stad. (Volgens het bedrijf gaat het hier zuiver om een merkenkwestie en doet het niet ter zake dat de onderneemster afkomstig is uit Hollister.) Volgens de L.A. Times vreesden de leerlingen van een plaatselijke middelbare school dat er ook juridische stappen genomen zouden worden tegen hun sporttenue. In een poging de gemoederen tot bedaren te brengen, stelde het stadsbestuur Abercrombie voor om een outlet te openen in Hollister. Het leek een logische stap – een Hollister-winkel in Hollister – maar het bedrijf gaf te verstaan dat de inwoners van Hollister niet het geschikte publiek vormden voor dit ambitieuze merk. (Het bedrijf laat weten zich niets van dit verzoek te herinneren.)

    Hollister heeft geen winkelcentrum, en maar weinig boetiekjes of cafeetjes. Het is geen toeristenbestemming, zoals het nabijgelegen Salinas, waar John Steinbeck woonde, of Gilroy, beter bekend als ‘de knoflookhoofdstad van de wereld’. Veel oudere inwoners zijn Kaukasiërs, maar de afgelopen vijftig jaar is de bevolkingssamenstelling ingrijpend gewijzigd, waardoor vandaag de dag 67 procent van de inwoners onder de noemer latino valt. De meesten van hen werken op de boerderijen in de buurt of in de paar nabijgelegen fabrieken. Hollister is een weinig opwindend plaatsje, maar inmiddels wordt de naam overal ter wereld geassocieerd met goede smaak en een zekere status. Wat merkwaardig is, omdat de plaats zelf op geen enkele manier garen spint bij dit succes.

    Ik heb met verwondering toegekeken hoe het merk Hollister aan de weg timmerde, aangezien mijn betovergrootvader T. S. Hawkins een grote rol heeft gespeeld bij het stichten van de stad. Als kind zag ik vrijwel dagelijks zijn gezicht, met de grijs-witte baard, op een oude foto die wij in Illinois in de woonkamer hadden hangen. Circa een meter daarnaast, aan de schouw, hing zijn geweer, dat hij van Missouri naar Californië had gedragen.

    Het oude Hazel Hawkins-ziekenhuis, genoemd naar de kleindochter die aan een blindedarmontsteking overleed.
    Het oude Hazel Hawkins-ziekenhuis, genoemd naar de kleindochter die aan een blindedarmontsteking overleed.

    Sterk en zelfstandig

    Het ware verhaal van Hollister begint in 1836 in Marion County, Missouri, zo’n dertig kilometer van Hannibal, de geboorteplaats van Mark Twain. Hier komt T. S. Hawkins ter wereld, de oudste van negen kinderen, op de boerderij van zijn ouders. De familie is vanuit Ierland, Engeland en Schotland naar Virginia getrokken, als een van de eerste kolonisten.

    De familie Hawkins woonde in twee aangrenzende blokhutten, met een gedeeld dak. De jongens sliepen op zolder, onder de dakspanen, waar ze ’s zomers de regen hoorden roffelen. ‘De planken vormen een goed dak om de regen buiten te houden,’ schreef Hawkins in zijn autobiografie Some Recollections of a Busy Life, dat hij zelf in 1913 heeft uitgegeven.

    ‘Maar in de winter joeg de wind de stuifsneeuw door de kieren van de dakplanken. Het was geweldig om daar te liggen, zo heel hoog, op de ouderwetse verenmatras, met de dekens opgetrokken tot aan je oren, terwijl de wind om het huis huilde, hagel en sneeuw het dak geselden en de elementen zich roerden, totdat je uiteindelijk in slaap viel. Als we ’s ochtends wakker werden, lag er een dikke sneeuwdeken over het beddengoed en de vloer.

    Van een afstand lijkt het een zwaar leven, maar ik kan me niet herinneren dat wij het zo voelden, en in ieder geval werd je er sterk en zelfstandig van’.

    De familie ving eekhoorns en kwartels en zo nu en dan een buidelrat, en ze aten hun eigen varkens, verwerkt tot spek en ham, drie keer per dag, maanden achter elkaar. Ze maakten wollen kleren voor bijzondere gelegenheden, maar voor hun alledaagse kleren gebruikten ze schors – de schors van ‘verschillende bomen’, schrijft Hawkins, al blijf ik het lastig vinden me een beeld te vormen van die kleren. Naar ik aanneem was het in elk geval ademende kleding.

    Hawkins ging een paar maanden per jaar naar het schooltje, dat uit één lokaal bestond, totdat hij zestien was. Dat was het moment waarop zijn jongere broers zijn taken op de boerderij konden overnemen en Hawkins vrij was om zijn opleiding te vervolgen. Hij ging op weg naar Kentucky, waar hij bij zijn grootvader zou gaan wonen – een reis van dik zevenhonderd kilometer, wat voor een ‘bedeesde, onhandige plattelandsjongen’ was alsof hij ‘de vertrouwde wereld achter zich liet’. Hij beproefde zijn geluk met lesgeven, vervolgens met geneeskunde, en uiteindelijk keerde hij huiswaarts met driehonderd dollar op zak.

    ‘Ik had er geen problemen mee om een poosje te luieren, lekker in mijn kano op de Meramec te dobberen of te rusten in de schaduw van de bomen. Maar dat kon niet eeuwig duren, en na niet al te lange tijd ging ik op zoek naar een activiteit. Het dichtstbijzijnde dorp was dertig kilometer van ons huis. Her en der waren wel kleine winkeltjes, maar ook die waren minstens tien kilometer ver. Zo kwam ik op het idee om zelf een winkeltje te beginnen…’

    ‘Ik nam een timmerman in de arm en eind juli stond er een gebouw van zes bij twaalf meter, compleet met planken en een toonbank. Ik was al naar St. Louis geweest om te praten met een bedrijf dat lokale winkeltjes bevoorraadde, en omdat ik geen flauw idee had wat ik nodig zou hebben, stelden zij een inventaris samen ter waarde van 2.000 dollar. Ik gebruikte mijn 300 dollar als aanbetaling’.

    Het is belangrijk om hier enkele zaken vast te stellen. Ten eerste was er een groothandelaar die T.S. Hawkins voor 2.000 dollar aan goederen ter beschikking stelde, wat omgerekend naar onze tijd zo’n 50.000 dollar zou zijn. Ten tweede was de groothandelaar bereid het risico te nemen, zonder onderpand, terwijl Hawkins geen enkele ervaring had als winkelier. Ten derde was Hawkins nog maar éénentwintig.

    De Hawkins-stoet

    De winkel werd een succes. Hawkins was ‘winkelbediende, conciërge en boekhouder in één’. Zodra het donker werd, ging hij naar huis om te eten, maar daarna ging hij weer terug naar de winkel, waar hij een ‘veldbed onder de toonbank vandaan haalde, mijn bed opmaakte en met een wapen onder mijn kussen sliep tot de volgende ochtend. Omdat er vrij veel ongure types naar de bergen trokken, was het geen goed idee om de zaak ’s nachts onbemand te laten, aangezien het dichtstbijzijnde huis bijna een kilometer verderop stond’.

    Het jaar daarop trouwde hij met Catherine Patton, een beschaafde vrouw afkomstig uit twee zuidelijke families. Binnen een jaar kreeg ze echter problemen met haar gezondheid, en de dokter adviseerde hun naar een gematigder, droger klimaat te verhuizen. Hawkins verkocht de winkel en maakte zich klaar voor de reis naar het westen. Tegen de tijd dat alles in gereedheid was, hadden Catherine en hij een kind, een zoon, T.W. geheten. Het reisgezelschap was uitgedijd tot twintig man, onder wie Hawkins’ vader en zijn zwager, compleet met zestig stuks vee, vier huifkarren, veertien paarden en zeventien ossen.

    Dit was niet de grote trek naar de goudvelden van tien jaar eerder. De groep van Hawkins zag slechts zo heel nu en dan een andere colonne huifkarren. Men had verwacht onderweg voldoende bizons te kunnen schieten, maar dat bleek niet het geval; tijdens de hele reis wisten ze slechts twee antilopen te schieten. In plaats daarvan waren ze aangewezen op handel met indianen, andere reizigers en kolonisten. In het zuiden van Utah had kort daarvoor een bloedbad plaatsgevonden, het zogeheten Mountain Meadows Massacre, waarbij honderdtwintig mannen, vrouwen en kinderen uit Arkansas waren omgebracht door mormoonse milities die zich voordeden als indianen. De Hawkins-stoet zocht aansluiting bij een andere huifkarrenstoet die vanuit Illinois naar het westen trok. Maar de mormonen die zij tegenkwamen toen ze Salt Lake naderden, waren hun goedgezind, schrijft Hawkins.

    ‘Omdat we al zo lang leefden van bacon en gezouten vlees, zonder groente, ging ik naar een groot huis dat de indruk wekte dat er welvarende mensen woonden. Ik klopte op de voordeur, maar toen er geen reactie kwam, liep ik naar de achterkant, waar ik een grote, stevige man onder een boom zag zitten, met op elke knie een baby, terwijl er nog allemaal andere kinderen, ergens tussen de twee en de acht jaar oud, in de tuin speelden. Twee vrouwen waren bezig kleren te wassen, in dezelfde tobbe, terwijl een derde vrouw ze ophing (de kleren, niet de vrouwen) zodat ze konden drogen. Het was mijn eerste kennismaking met polygamie. De man zag er goedgevuld en gelukkig uit, net als de andere mannen die ik later ontmoette, terwijl de vrouwen moe en afgetobd waren.’

    Pas nadat ze Bear River waren overgestoken, kregen ze te maken met de drama’s en ontberingen waar alle reizigers naar het westen rekening mee hielden.

    ‘In het gezelschap uit Illinois bevond zich een echte waaghals, een jonge man, en toen al het vee de rivier in was gelopen, ging hij er op zijn paard achteraan. Hij was ongeveer halverwege de rivier op zijn sierlijk zwemmende paard, toen zowel de man als het paard plotseling verdween. Na een poosje kwam het paard even verderop weer boven, maar de jonge man hebben we nimmer meer terug gezien. We hebben ons kamp opgeslagen aan de oever en hebben met zijn allen geprobeerd het lichaam te vinden. De veerman bezwoer ons dat het zinloos was, dat Bear River nooit zijn doden prijsgaf’.

    Twee uur rijden van San Francisco ‘kleuren de groene hellingen langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid.’ © Getty
    Twee uur rijden van San Francisco ‘kleuren de groene hellingen langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid.’ © Getty

    Kinderen en dwazen

    Ze trokken door de Sierra Nevadas. Ze wisten Angels Camp en French Camp te vinden en ze trokken in zuidwestelijke richting door de Livermore Valley, naar San Francisco Bay, in de buurt van Milpitas. Uiteindelijk kwam Hawkins in 1860 in Mountain View aan.

    ‘Zo eindigde onze reis over de vlakten,’ schrijft hij. ‘Ik heb ergens gelezen dat “De Heer zich ontfermt over kinderen en dwazen.” Achteraf gezien moet ik haast wel concluderen dat wij tot een van die groepen gerekend moeten worden’.

    Aanvankelijk leek Catherine Hawkins op te knappen, maar toch overleed ze nog geen twee jaar na de tocht. In de ogen van sommigen was dat een wreed spel van een boosaardige God. Toch besloot Hawkins in Californië te blijven.

    ‘Alleen zij die de metgezel uit hun vroege jaren zijn verloren, kennen de inktzwarte duisternis die zich dan aandient, en het gevoel dat de bodem is weggeslagen onder alle hoop en ambitie, dat het allemaal geen zin meer heeft, in ieder geval waar het je eigen leven betreft. Ik realiseerde me echter dat werken, heel erg hard werken, voor mij de enige remedie was’.

    Hawkins kocht zo’n achthonderd vierkante meter grond net ten noorden van Gilroy en hij trouwde met Emma Day, de dochter van een boer. In 1864 werd hun eerste kind geboren, Charles, en in 1867 was Hawkins een welvarende boer met vier kinderen. Hoewel hij zich het boeren vrijwel geheel zelf had aangeleerd, verscheepte hij dat jaar al een kleine 40 ton tarwe naar San Francisco.

    Hawkins hoorde al snel van ene kolonel W.W. Hollister, die zo’n tachtig vierkante kilometer landbouwgrond in de buurt in bezit had. Dat land was lange tijd in handen geweest van Spaanse adel, nadat de indiaanse inwoners voor het grootste deel waren verdreven of waren ingelijfd bij de Spaanse missies. Toen Mexico zich losmaakte van Spanje werd een groot deel van het land aan Mexicaanse soldaten en kolonisten gegeven. Na de Mexicaans-Amerikaanse oorlog kocht Hollister een stuk land van Francisco Pérez Pacheo. Hollister had een zuidelijke route naar Californië gevolgd, van Ohio door New Mexico en Arizona naar Santa Barbara, en daarna naar het noorden. Hij was begonnen met acht- of negenduizend schapen, met de bedoeling de grootste kudde ooit over het continent te verplaatsen. Uiteindelijk had hij er nog maar een paar duizend over, maar toen de burgeroorlog uitbrak, verdiende Hollister een vermogen met de verkoop van wol voor de uniformen van de unionisten.

    In 1868 was Hollister zover dat hij zijn land wilde verkopen, het maakte deel uit van een ranch die bekendstond als San Justo. Hawkins wist een groep plaatselijke boeren over te halen de grond te kopen voor 370.000 dollar. Ze deelden het land op in vijftig stukken en lieten in het midden zo’n vijfhonderd vierkante meter vrij voor een stadje. Ze waren van plan het plaatsje San Justo te noemen, maar daar had een van de mannen bezwaar tegen. Moet elke plaats in Californië naar een heilige worden vernoemd? zei hij. En zo kwamen de boeren, na veel gesoebat, uit op Hollister, als eerbetoon aan ‘een van de meest edelmoedige mensen die ik ooit heb gekend’, om de woorden van Hawkins te gebruiken.

    Hawkins kreeg nog een kind en uiteindelijk gaf hij het boerenleven eraan om de Bank van Hollister op te zetten. Uiteindelijk kregen zijn vijf kinderen weer elf kinderen, die het op één na allemaal voor de wind ging. Hazel Hawkins, geboren in 1892, overleed op negenjarige leeftijd aan een blindedarmontsteking, al wordt de ziekte niet vermeld in Some Recollections. In de honderdeenenzestig pagina’s van zijn memoires lijkt Hawkins stoïcijns, om niet te zeggen luchtig, te reageren op tegenslag en verlies, maar de dood van Hazel Hawkins brak zijn hart.

    Welterusten grootvader

    ‘Ze was haar hele leventje bij ons geweest. Ik had haar voortdurend om me heen en we hielden van elkaar met een toewijding die ik niet eerder had gekend. Elke dag opnieuw zette ze zich onbaatzuchtig in voor het geluk van anderen,’ schrijft Hawkins. ‘Op vijf maart stond ik aan haar bed. Ze deed haar ogen open, keek me aan en zei met die lieve stem van haar: “Welterusten, grootvader”. Vervolgens viel ze in slaap, om weer te ontwaken in Gods Paradijs.’
    Tot op zekere hoogte weet Hawkins de dood van zijn kleindochter aan de gebrekkige hygiëne in het landelijke Hollister. Hij stortte zich op het bedenken van een oplossing en het oprichten van een monument. Hazel Hawkins Memorial Hospital, noemde hij het.

    Ik sta op de witte, stenen trap en vraag me af wat er is gebeurd. Op zoek naar informatie over de status van het gebouw ga ik naar de kamer van koophandel van Hollister. Ik moet wachten. Debbie Taylor, die er de scepter zwaait, is in gesprek met een vrouw die van alles wil weten over de plaatselijke boy scouts. Ze is nieuw in Hollister en ze is lang van stof, ze heeft grootse plannen. Terwijl ik zit te wachten, blader ik wat in de folders die op een tafel liggen. ‘Gezocht!’ staat er op een flyer. De Hollister Hills Junior Off-Highway Rangers, een groep jonge terreinwagenliefhebbers, zijn op zoek naar leden die over de goudgele hellingen in de omgeving willen scheuren.

    Wanneer ik Taylor eenmaal te spreken krijg, begin ik over de goudgele hellingen en zeg hoe goed het is dat de stad deze heuvels beschermt. Taylor weet niet of ze het wel met me eens is. Het strookt misschien niet helemaal met het officiële beleid van de kamer van koophandel, maar Taylor laat doorschemeren dat men het niet zo erg zo vinden als de hellingen zouden worden bebouwd. Men zou geen bezwaren hebben tegen economische groei, op wat voor manier ook. De recessie heeft hard toegeslagen, zegt Taylor, en wat lichtpuntjes kunnen geen kwaad. Er zijn te veel tatoeageshops, zegt Taylor, en ze betreurt het dat de karatestudio onlangs om twijfelachtige redenen de deuren heeft moeten sluiten.

    Zonder al te veel moeite komen we op Abercrombie&Fitch. Taylor vertelt over de rechtszaken waarmee het bedrijf heeft gedreigd en over het interessante gegeven dat het bedrijf weigerde een Hollister-vestiging te openen in Hollister. Maar, zegt ze, binnenkort komt er een Walgreens-vestiging in de stad en daar is iedereen erg blij mee – Debbie Taylor zelf niet op de laatste plaats.

    Klanten van Abercrombie & Fitch in Londen.  Garry Knight/Flickr Creative Commons
    Klanten van Abercrombie & Fitch in Londen. Garry Knight/Flickr Creative Commons

    Kapper

    Ze vraagt wat mij naar Hollister voert en ik vertel haar van T. S. Hawkins en mijn relatie met hem. Ze bladert door mijn exemplaar van Some Recollections. Ik laat haar de foto zien van de jonge Hazel Hawkins en leg uit wat het verband is tussen dit meisje en het ziekenhuis dat haar naam draagt.

    ‘O!’ zegt Taylor. ‘Weet je dat er vanavond om half zes een lint wordt doorgeknipt?’ Dat wist ik niet. Ik heb geen idee waar ze het over heeft. Ze legt uit dat er net een nieuwe vleugel aan het verplaatste Hazel Hawkins-ziekenhuis is gebouwd. Het betreft een gezondheidscentrum voor vrouwen, dat over een paar uur wordt geopend. Ze geeft me het adres – het is een heel eind van de oorspronkelijke locatie van het ziekenhuis – en ik vertrek weer. We zijn beiden verbaasd over de wel zeer gelukkige timing van mijn bezoek.

    Dit lijkt me een uitgelezen moment om naar de kapper te gaan.

    Ik ga terug naar het oude Hazel Hawkins Memorial Hospital en doe de deur open van Eli’s Chop Shop. Achter een kappersstoel staat een grote man, vol tatoeages, die bezig is het haar te knippen van een andere man vol tatoeages. Op een tweede kappersstoel zit een derde grote man vol tatoeages – gewoon voor de gezelligheid, lijkt het. Ze zijn stomverbaasd als ik binnenkom.

    Dan zie ik een moeder en haar puberzoon op een bank hangen, wachtend op hun beurt. Ik zie er heel anders uit dan de overige klanten en ik ben veel ouder – zelfs de moeder lijkt een jaar of tien jonger dan ik. Mijn hand rust nog op de deurkruk, ik moet de knoop doorhakken. Ik kan me nog omdraaien en ze daar rustig laten zitten, maar in plaats daarvan zeg ik: ‘Kan ik gewoon wachten?’

    ‘Yep,’ zegt de kapper.

    Ik neem plaats op de lage, uitgezakte, leren bank en kijk naar ‘SportCenter’ op de flatsceen televisie die hoog aan de muur hangt. Harde hiphop galmt door de ruimte.

    Het is duidelijk dat de drie mannen zich afvragen wat ik kom doen, maar na een tijdje zetten ze hun gesprek voort. In een poging mezelf onzichtbaar te maken en ze niet op de zenuwen te werken, kijk ik zo ingespannen naar ‘SportCenter’ dat het haast lijkt alsof ik gecodeerde boodschappen uit de ruimte probeer op te vangen.

    Er wordt wat op schouders geslagen wanneer de man in de kappersstoel opstaat, waarna de jongen zijn plaats inneemt. Ondertussen heeft de kapper de televisie op een andere zender gezet: een realityshow met als titel ‘World’s Dumbest Criminals’.

    De moeder en ik lachen om het programma, dat bij vlagen zeer geestig is, en dan ineens kijkt ze me aan en zegt: ‘Jij bent aan de beurt’. De kapper heeft een ingewikkeld geometrisch patroon in de onderste helft van het haar van de jongen geschoren. Hij heeft het gedaan met vaste hand, en de jongen is er zeer mee ingenomen. Hij vertrekt, samen met zijn moeder, en ik ga zitten. De man die net is geknipt, leunt tegen de toonbank, met daarop allerlei gels en kammen en shampoos. De man op de andere stoel slaat zijn armen over elkaar, waarmee nieuwe tatoeages zichtbaar worden. ‘Family,’ staat er op zijn ene arm. ‘First,’ op de andere. Familie voor alles.

    ‘Hoe wil je het?’ zegt de kapper.

    Hij kijkt naar mijn achterhoofd, en zijn twee vrienden kijken ook naar mij. Ik zeg dat ik tweeëntwintig jaar geleden voor het laatst naar een echte kapper ben geweest.

    ‘Dat is te zien,’ zegt de kapper. ‘Hoe dat zo?’

    Ik leg uit wat de financiële voordelen zijn van zelf je haar knippen, en ze knikken allemaal.

    ‘Ik moet één keer per week naar de kapper,’ zegt Family First. Hij draait zijn hoofd en ik zie een ingewikkeld patroon dat duidelijk veelvuldig onderhoud behoeft. Het is het werk van een kunstenaar.

    Ik zeg tegen de kapper dat hij er maar overal een stukje af moeten halen, naar eigen inzicht, en hij gaat aan het werk. Er komt nog een man binnen, gespierd en gebronsd, met een hele verzameling tatoeages op zijn armen. Hij neemt plaats onder ‘World’s Dumbest Criminals’ en praat met de kapper over het Ultimate Fighting Championship en het gevecht dat binnenkort in Sacramento plaatsvindt.

    Dan kijkt de kapper mij aan. ‘Hoe kom je aan dit adres?’ Hij zegt het met een mengeling van argwaan en achteloosheid. Het is de vraag waar zijn twee vrienden op zaten te wachten. Zelfs de man op de bank draait zich om. Ik vertel ze het verhaal van T. S. Hawkins en hoe hij dit land in bezit heeft gekregen, dat hij het voormalige ziekenhuis heeft gebouwd op de plek waar we nu zitten, dat het een eerbetoon was aan zijn kleindochter die zo jong is gestorven. De vier mannen knikken respectvol.

    Dan gebeurt er ineens iets. De televisie staat heel hard, en de muziek ook, dus mij valt niets op, maar de twee vrienden maken zich ineens heel erg druk om een bepaald geluid.

    Undercover agent

    ‘Hoorde je dat?’ zegt de man die zich net een nieuw kapsel heeft laten aanmeten.
    ‘Hoorde je het?’ zegt Family First.
    Ik heb geen idee waar ze het over hebben. De mannen zeggen iets over een piep of een of ander elektronisch geluid dat ze hebben opgevangen.
    ‘Draagt iemand een microfoontje?’ vraagt Family First. Zijn vriend lacht en beklopt snel zijn lijf, laat zijn handen over zijn borst en zijn aanzienlijke buik glijden. Nu kijken ze weer naar mij, en eindelijk begint het me te dagen: ze denken dat ik van de narcoticabrigade ben.
    ‘Ach, wat,’ zegt de kapper, over de mogelijkheid dat ik een microfoontje draag. ‘Ik ben zo het raam uit.’
    De drie mannen hebben het erover wat ze zouden doen als er ineens agenten opduiken, of misschien al binnen zitten. Ineens herinner ik me het bordje voor de deur, dat inbrekers worden neergeschoten, naar de hemel gejaagd, et cetera. De sfeer is nog altijd grappend, maar de drie vrienden voelen zich toch niet meer helemaal op hun gemak. Het is gek: ze blijven beleefd, en mijn haar wordt met de grootst mogelijke zorg geknipt, maar ondertussen hebben ze het over een mogelijke undercover agent in de zaak alsof het over iemand anders ging – niet over mij.
    Ik probeer over iets anders te beginnen en vraag Family First en zijn vrienden waar ze vandaan komen. Pas op dat moment realiseer ik me dat dit een vraag is die een normaal iemand nooit zou stellen, maar die een undercoveragent briljant zou vinden. Een van de mannen zegt dat hij uit Visalia komt. De andere geeft geen antwoord. De kapper duwt mijn hoofd iets naar voren zodat hij goed bij mijn nek kan. Als ik weer opkijk, zijn de twee vrienden verdwenen.
    De stilte is om te snijden, en ik besluit hem te doorbreken.

    De afslag naar Hollister
    De afslag naar Hollister

    Knoflookfestival

    Ik vraag de kapper hoe lang hij al in Hollister woont.
    ‘Geen idee. Niet zo heel lang,’ zegt hij.
    ‘Bevalt het?’ vraag ik.
    ‘Mwah,’ zegt hij. ‘Het is niks.’
    Hij vertelt dat hij uit Gilroy komt, waar hij het veel meer naar zijn zin had. Gilroy, dat een kleine vijfentwintig kilometer verderop ligt, is bepaald geen bruisende wereldstad – hooguit heel even, tijdens het knoflookfestival – maar het is een grotere plaats dan Hollister, en daar gaat het hem om.
    Ik vraag waarom hij ervoor heeft gekozen zijn kapperszaak te vestigen in het voormalige Hazel Hawkins Memorial Hospital. Hij haalt zijn schouders op. De huur was lekker laag, zegt hij. Ik vraag hoe hij aan voldoende klanten komt terwijl er niet eens een uithangbordje hangt. Afgezien van de deurmat wijst niets op het bestaan van zijn zaak, nu ik er goed over nadenk. Hij zegt dat hij genoeg klanten heeft door mond-tot-mondreclame. Ik zeg nog iets over de achtergrond en de uitstraling van het gebouw, maar hij vindt het gebouw ook maar niets.
    ‘Weet je dat er een lijkschouwer in de kelder zat?’ zegt hij.

    Echo van het verleden

    Dat is voor hem nog een reden om te vertrekken. Hij heeft het gevoel dat het spookt in het gebouw. Vakkundig knipt hij het haar bij mijn oren en veegt met een borsteltje mijn nek schoon. Hij haalt de kapmantel weg. Het knippen kost 15 dollar. Ik betaal en ik bedank hem – hij heeft me perfect geknipt – maar we zijn allebei een beetje van slag door wat er zojuist is voorgevallen. ‘Tot over tien jaar maar weer,’ zegt hij. Ik sta al in de deuropening als hij opgewekt zegt: ‘Al zit ik hier dan niet meer, denk ik.’
    Als zoveel plaatsen van deze grootte en maatschappelijke verhoudingen wordt Hollister geteisterd door bendes en de daarmee gepaard gaande toename van het gebruik van meth en heroïne. De gemeenteraad heeft overwogen extra agenten in dienst te nemen om de drugshandel en de bendeactiviteiten tegen te gaan. Misschien denkt de kapper dat ik een van die nieuwe agenten ben – en denkt hij dat ik er bepaalde veronderstellingen over hem en zijn vrienden op na hield. Ik speel met de gedachte terug te gaan en mijn excuses aan te bieden, maar is dat niet precies wat iemand van de narcoticabrigade zou doen?
    Bendes, echt of ingebeeld, zijn een echo van het verleden, hier in Hollister. Aan het begin van de twintigste eeuw begon de American Motorcyclist Association met de zogeheten Gypsy Tours: motorrijders werden aangespoord om wedstrijden, rally’s, shows en picknicks te organiseren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam dit allemaal stil te liggen, maar naderhand werd het weer nieuw leven ingeblazen. De sfeer was toen echter heel anders. Veel van de jonge mannen die waren teruggekeerd uit Europa en het Stille Zuidzee-gebied waren een psychisch wrak, gedesillusioneerd. Mannen die anders gewoon thuis waren gebleven, op het platteland, of die ergens in de buurt in een fabriek zouden zijn gaan werken, hadden nu de wereld gezien, waren getuige geweest van onbeschrijflijke verschrikkingen, en konden niet meer aarden in het leven van alledag. Motorrijden werd ongekend populair. De rally’s werden steeds groter en het ging er steeds wilder aan toe.
    En zo streek de Gypsy Tour ook neer in Hollister, op 4 juli 1947. Naar verluidt zou het aantal mensen in het plaatsje met een inwoneraantal van 4500, van de ene op de andere dag zijn verdubbeld door de komst van allerlei clubs – de Boozefighters, de Market Street Commandos, de Galloping Goose, de Pissed Off Bastards of Bloomington. De leden van de motorclubs reden door het plaatsje, maakten herrie, dronken bier, gooiden flessen stuk. Kortom, ze zetten het plaatsje op zijn kop. De politie had grote moeite om de mensenmassa’s in bedwang te houden.
    Verhalen over wilde motorrijders groeiden uit tot verhalen over ongeregeldheden en rellen, en zes jaar later speelde Marlon Brando een verwarde en onbegrepen man in een leren jack, die betrokken raakt bij rellen in Hollister. ‘The Wild One’ was de schrik van de brave, gezagsgetrouwe burgers, maar voor de rebellen op hun motor leek het een blauwdruk van het echte leven. Het duurde niet lang of ook de Hells Angels kregen er lucht van en organiseerden jaarlijkse bijeenkomsten, hoewel de plaatselijke bevolking verdeeld was over de vraag of deze klandizie wel zo wenselijk was. Hoe dan ook, in 1997 werd besloten dat het een goed idee zou zijn om de ‘rellen’ van 1947 te gedenken met een groots feest.

    Moderne incarnatie

    De festiviteiten zijn een terugkerend fenomeen geworden, dat slechts eens in de zoveel jaar wordt afgelast wegens gebrek aan belangstelling of te weinig draagvlak onder de bevolking. Debbie Taylor vertelt dat de rally vorig jaar is afgelast, maar voegt er meteen aan toe dat men van plan is de traditie weer op te pakken. ‘Volgend jaar zeker,’ zegt ze. (Uiteindelijk zal dat Debbie Taylors laatste rally worden. Ze neemt ontslag bij de kamer van koophandel en vertrekt uit Hollister. Ook Eli’s Chop Shop sluit de deuren.)
    Als ik bij de kamer van koophandel vandaan kom, slenter ik wat door de stad. Ik kom langs Hazel Street, Hawkins Street en Steinbeck Street, langs de middelbare school waar de leerlingen, voor het merendeel latino, de schooldag er net op hebben zitten en naar huis gaan. Het is alweer wat later op de middag en ik besluit dat het tijd wordt om op zoek te gaan naar de moderne incarnatie van het ziekenhuis. Pas dan dringt het tot me door dat ik de hele dag nog niet één iemand in een Hollister-hoody heb zien lopen. Het is een opmerkelijke omkering: vrijwel overal ter wereld zie je tussen de honderden kinderen die uit een schoolgebouw komen altijd wel iemand met ‘Hollister’ op zijn borst of op zijn petje of op zijn korte broek. Maar hier, waar je zou verwachten dat het woord meer betekenis heeft dan waar ook, zie je het nergens.
    Als ik bij het ziekenhuis kom, gaat net de zon onder, en de klap komt hard aan. Het is een groot en modern gebouw. Overal grote borden met in grote letters de naam Hazel Hawkins. Het nieuwe vrouwengezondheidscentrum is een glimmende aanbouw, met een eigen rotonde en een atrium van twee verdiepingen.
    Er staan tientallen mensen, allemaal keurig gekleed, en ik loop daar in mijn korte broek en een merkloze hoody. Ik ga naar binnen, met Some Recollections onder mijn arm – een plakkertje bij de pagina’s over Hazel en T.S. En dan, terwijl ik tussen de mannen in pak en vrouwen in mantelpakje door loop, voel ik me ineens dat prototypische malle familielid: de slechtgeklede en ongeschoren man die uit het niets opduikt, met onder zijn arm een honderd jaar oud boek waarin hij bepaalde passages heeft gemarkeerd. Alleen dankzij mijn nieuwe kapsel, aangemeten door een man die dacht dat ik bij de narcoticabrigade zit, zie ik er nog enigszins toonbaar en normaal uit.
    Ik zie Debbie Taylor staan. Zij stelt me voor aan een aantal artsen en hoogwaardigheidsbekleders – steevast als een nazaat van Hazel Hawkins. De meesten zegt de naam niets, en ze zijn al helemaal verbaasd wanneer ze horen dat Hazel Hawkins een meisje was dat al heel jong het leven heeft gelaten. Ik vertel ingekorte versies van het verhaal, waarbij ik steeds naar het boek wijs en hoop dat ik niet zo warrig overkom als ik eruitzie.

    Culturele diversiteit

    Verder is het een efficiënte, leuke en vrolijke bijeenkomst. Gloria Torres, hoofd van de kinder- en kraamafdeling, zegt dat dit nieuwe centrum precies is waar de gemeenschap behoefte aan heeft en waar de gemeenschap recht op heeft – ze noemde de vorige kinderafdeling ‘beschamend’. Gordon Machato, voorzitter van het bestuur van het San Benito Health Care District, laat weten dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door een lokale aannemer, en dat levert een stevig applaus op. Liam McCool, de manager van het project, wordt naar voren geroepen. Machado grapt dat McCool weliswaar een Ier is, maar dat hij toch elke dag op tijd op zijn werk was, zelfs de ochtend na St. Patrick’s Day. McCool zwaait even naar de aanwezigen – een mooie afspiegeling van de culturele diversiteit in het Californië van vandaag de dag. Ik zie wat oudere, blanke afgevaardigden, ik zie tweede en derde generatie latino’s, van wie de ouders gastarbeiders waren en de kinderen wellicht gaan studeren, ik zie verpleegsters en doktoren die vanuit India en China en wie weet waar naar Amerika zijn gekomen.
    Sommige mensen zijn van mening dat de Spaanssprekende bevolking de dienst zou moeten uitmaken in Californië. Andere mensen zijn van mening dat de Engelssprekenden de baas dienen te zijn, en weer anderen zeggen dat we vanuit een historisch besef, of domweg vanuit fatsoen, de oorspronkelijke inwoners van Californië de belangrijkste stem zouden moeten gunnen. Ook zijn er mensen die geen flauw benul hebben van de geschiedenis van de staat, en die het allemaal niets kan schelen.

    Maar Californië is altijd een doorgangsstaat geweest, een staat waar mensen op zoek gaan naar een tweede kans, al dan niet met goede bedoelingen. Al is het dan beneden de maat voor een Hollister-kledingvestiging, dit is het echte Hollister, een plaats met hardwerkende mensen die soms worstelen met het verleden en het heden, maar ondertussen heel doelgericht met de toekomst bezig zijn. Ze bouwen nieuwe ziekenhuizen waar nieuwe Californiërs ter wereld kunnen komen, nieuwe ziekenhuizen die zijn vernoemd naar een jong, blank kolonistenkind over wie velen in totale onwetendheid verkeren.

    Dave Eggers

    Dave Eggers © Paolo Vescia / The New York Times
    Dave Eggers © Paolo Vescia / The New York Times

    Empathie en betrokkenheid

    Dave Eggers is auteur van een hartverscheurend oeuvre van duizelingwekkende genialiteit. Hij is ook de drijvende kracht achter tijdschrift McSweeney’s en schrijversvereniging 826 Valencia. In al zijn werk snijdt Eggers op empathische wijze sociale problemen aan en toont hij betrokkenheid bij de mensen die hij ontmoet.

    360 Magazine publiceerde in editie 57 het verhaal De weg naar Riyad, over een benauwde taxirit door de woestijn van Saoedi-Arabië en de dwaasheid van het begrip nationaliteit.