Tag: David Grossman

  • David Grossman: ‘We zijn ver verwijderd geraakt van een opening voor dialoog, of vrede’

    David Grossman: ‘We zijn ver verwijderd geraakt van een opening voor dialoog, of vrede’

    De literaire grootheid, bekend om zijn pleidooi voor vrede in het Midden-Oosten, ziet het somber in en voorspelt dat zijn land na het conflict rechtser zal zijn en meer bevooroordeeld ten opzichte van Arabieren.

    David Grossman (Jeruzalem, 70) verwelkomt ons met een baard. Hij legt uit dat dit te maken heeft met de dood van zijn vader op 97-jarige leeftijd. Hij is nog steeds in sjlosjiem, de periode van dertig dagen na de begrafenis waarin mannen zich niet scheren, volgens de Joodse rouwtraditie. Dit lijkt niet de enige reden te zijn voor het verdriet dat hij gedurende het interview uitstraalt. Het is alsof hij ook rouwt om de ‘situatie’, zoals de Israëli’s het conflict in het Midden-Oosten noemen. Dat is een van de eufemismen die hij aan de kaak stelt in zijn nieuwe boek, ‘De prijs die we betalen’, een verzameling toespraken en opinieartikelen die zijn kijk op zijn land in de afgelopen jaren weerspiegelen.

    Hij pronkt er niet mee, maar hij is de bekendste Israëlische schrijver die nog leeft, na de dood van de twee met wie hij vredig om het podium streed: Amos Oz en A.B. Yehoshua. Zijn werk is vertaald in 42 landen en hij heeft de Man Booker International- en de Erasmusprijs gewonnen. Hij nam vorig jaar deel aan protesten tegen de justitiële hervorming van Benjamin Netanyahu, spreekt al decennialang het woord ‘bezetting’ uit, waarop nog altijd een licht taboe rust, en trok in 2015 zijn kandidatuur voor de hoogste burgerprijs van het land in uit protest tegen Netanyahu’s vermeende gemanoeuvreer met de jury. Grossman is ook essayist en columnist voor grote media.

    Innerlijke strijd

    De dag is helder en de geur van bougainville vult het pad naar zijn huis in Mevaseret Zion, gelegen in de heuvels met uitzicht op de afslag van Jeruzalem naar Tel Aviv en een van de weinige hoge plekken in een land dat wordt gedomineerd door bijbelse woestijnen. Daarvandaan kan hij het enige land observeren waar hij wil wonen en waar hij ook een Palestijnse staat wil zien. De Hebreeuwse zorgvuldigheid die hij tentoonspreidt in romans, essays en korte verhalen – waardoor zijn naam elk jaar weer klinkt als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur – verandert in twijfel als hij het over het huidige conflict heeft. Alsof de man die getraumatiseerd werd door de Hamas-aanval van 7 oktober en om de haverklap een paar clichés uitspreekt, en de welwillende en gevoelige intellectueel die in 2006 zijn zoon Uri verloor in de strijd in Libanon een interne strijd met elkaar voeren. Het was de laatste dag, er was al een staakt-het-vuren overeengekomen; een van die momenten die de zinloosheid van oorlog nog eens extra illustreren. Zoals die in Gaza, die Grossman ‘vijf of zes maanden geleden’ al had willen beëindigen. Uri kijkt op ons neer vanaf een foto op een plank in zijn woonkamer.

    El País: Ik had graag met u willen praten over literatuur of liefde, maar dat is een beetje moeilijk tegenwoordig.

    DG: Bijna onmogelijk. Elke dag ga ik naar het atelier om te schrijven, maar ik heb het gevoel dat ik dat vooral doe om mijn verstand te bewaren. En dat is niet erg. Het maakt me niet uit of er een boek uit voortkomt, want het helpt me, het geeft me een doel in het leven. Tegenwoordig ga ik ook graag naar het Israëlmuseum [in Jeruzalem], omdat ik me daar geborgen voel, alsof de cultuur me beschermt tegen de wreedheid die zo sterk aanwezig is, en zo bruut.

    Wat haalt u uit het schrijven?

    Schrijven is een poging om te verfraaien. Je kunt een gewelddadige en wrede situatie beschrijven, maar je doet het met precisie. Oorlog is een massale aangelegenheid en kunst haalt juist de stem van het individu eruit. Er wordt iemand uitgelicht via wie een groter verhaal wordt verteld, terwijl oorlog appelleert aan het algemene, het stereotype, het vooroordeel.

    Hebt u het gevoel dat u iets kunt schrijven dat niets te maken heeft met 7 oktober en wat er sindsdien in Gaza is gebeurd?

    Ik vind niet dat schrijvers over de politiek van hun tijd hoeven te schrijven. Ik denk dat het hun contact met de realiteit verrijkt, maar het is niet noodzakelijk. [De grootste Israëlische Nobelprijswinnaar voor literatuur, Shmuel Yosef] Agnon schreef nauwelijks over de Holocaust. Alleen soms metaforisch. Hij vond een manier om de menselijke natuur te beschrijven zonder luid uit te dragen wat zijn gedachten en overtuigingen zijn. Ik heb het gevoel dat ik een hoge prijs betaal voor mijn politieke betrokkenheid, nog los van het feit dat de helft van de mensen [in Israël] niet echt houdt van wat ik schrijf of wie ik ben. Maar de behoefte om over de situatie te schrijven, om die te begrijpen, is vermoeiend. Schrijven over de politieke realiteit in Israël stelt me in staat om meer inzicht in de mens te krijgen. Schrijven stelt je voortdurend op de proef om na te denken over je positie, over wat je denkt, hoe je je verhoudt tot de regering, het leger; of je wordt geleid door je angsten of erin slaagt je eigen visie te vinden. Het is verschrikkelijk moeilijk, vooral in oorlogstijd. Het houdt in dat je moet spreken in een andere taal.

    En wat betekent ‘spreken in een andere taal’ vandaag de dag?

    Mijn bereidheid om meer te begrijpen van mijn situatie als persoon in een realiteit die verandert en beangstigend en bedreigend wordt. En ik weet zeker dat we nog maar aan het begin staan van de verwoestingen van de oorlog. De woorden die ik zeg jagen me angst aan, maar ik voel echt dat het een heel moeilijke tijd zal worden. Nu al.

    ‘We zijn ver verwijderd geraakt van een opening voor dialoog, of vrede’

    In een tekst in het boek, gedateerd op 10 oktober, vraagt u wie de Israëli’s en de inwoners van Gaza zullen zijn als de oorlog voorbij is. Wat zijn uw gedachten daarover nu, zeven maanden later?

    Dat hangt af van de oplossing die wordt bereikt. Ik denk dat Israël veel rechtser zal zijn en dat de stereotiepe kijk op Arabieren veel groter zal worden. Angsten zullen zo hevig overheersen dat het moeilijk zal zijn om over vrede, compromissen en dialoog te praten. Alles waar ik in geloof zal ruw aan de kant worden geschoven. En ik kan niet zeggen dat ik mensen die zo denken niet begrijp. Ze zijn bang. En terecht. Op 7 oktober ontwaakten we in een nachtmerrie die zijn weerga niet kent sinds de holocaust. De eerste keer dat iemand die vergelijking maakte vond ik dat enorm overdreven, maar de gebeurtenis bevatte werkelijk holocastelementen. Mensen zullen de Palestijnen niet volledig vertrouwen. We zullen moeten slapen met een geweer onder ons kussen. Dat is wat ze zeggen en dat snap ik. We zijn ver verwijderd geraakt van een opening voor dialoog, of vrede. Misschien worden we nu gedwongen om een overeenkomst te sluiten, maar dat zal er niet voor zorgen dat we dichter bij elkaar komen. Aan de andere kant, welk alternatief hebben we? We moeten leren om zowel Athene als Sparta te zijn. Slapen met een geweer onder ons kussen, zoals Sparta, en zoals Athene proberen de vrije, creatieve en grotendeels seculiere staat te zijn die Israël was, of dacht te zijn, tot 7 oktober. Hoe doen we beide tegelijk? Ik weet het niet.

    U heeft het over ‘wij’, maar ik zou graag willen weten of u sinds 7 oktober persoonlijk ook minder gelooft in vrede.

    In het vredeskamp in Israël, waar ik onderdeel van uitmaak, geloofden we te veel in logica en te weinig in de kracht van religieus fanatisme. En onze relatie met het Palestijnse volk gaat niet over logica. Er komt haat bij kijken, onbeantwoorde liefde, verraad, een verlangen naar wraak… Dit conflict is erg emotioneel en psychologisch van aard. Als de Palestijnen geen thuis en geen thuisgevoel hebben, hebben wij dat ook niet. Als meer en meer Palestijnen zouden inzien dat we hier zijn om te blijven, dat we geen kruisvaarders zijn, geen kolonialisten, maar dat we in Israël geboren zijn als een volk met een cultuur, een religie, een taal, dan zou dat helpen. We zijn geen vreemdelingen. We zijn hier gekomen omdat we hier vandaan komen. Als ze dit accepteren, kunnen de eerste stappen richting vrede worden gezet. Ik weet niet of dit binnen een jaar, binnen dertig jaar of nooit zal gebeuren. Ik weet alleen dat het bereiken van vrede nu in het belang van Israël is, want zolang het niet gebeurt worden we blootgesteld aan rampen zoals die het afgelopen jaar plaatsvonden. Israël is in zijn eentje niet in staat om het van de hele Arabische wereld te winnen. Dat is moeilijk te accepteren, want we dachten onoverwinnelijk te zijn. We keken neer op de Palestijnen en daarvoor voor de Egyptenaren, de Syriërs, de Jordaniërs… Tot we [in de Jom Kipoeroorlog van 1973] ontdekten dat zij geen slechtere strijders zijn dan wij. En Hamas onder onze neus een strijd voorbereidde zonder dat wij het doorhadden.

    En denkt u dat, zoals gebeurde toen na de Jom Kipoeroorlog vrede werd gesloten met Egypte, dit er op de lange termijn toe kan leiden dat mensen inzien dat het niet langer zo door kan gaan?

    Vroeger zou ik enthousiast hebben geantwoord: ‘Ja, dat gaat zeker gebeuren.’ Nu minder snel. Niet omdat ik geen enkele hoop meer heb op vrede. Dat kan ik me niet veroorloven. Ik heb hier twee kinderen, nichtjes en neefjes, dierbaren… Ook Israël is me heel dierbaar. Ik kan nergens anders wonen. Het is mijn thuis. Het is waar ik wil zijn.

    U bent niet moedeloos, maar…

    Ik denk dat we veel voorzichtiger moeten zijn, zelfs in een staat van vrede. Het trauma van zeven maanden geleden zal zo sterk zijn dat het ons zal blijven beïnvloeden. Als de Gazanen in 2005, toen Israël zich terugtrok uit Gaza, die prachtige kans hadden aangegrepen om de wereld te laten zien dat de Palestijnen een vreedzame situatie konden creëren na decennia van oorlog met Israël, dan zou Israëls bereidheid hun ook de Westelijke Jordaanoever te geven enorm zijn gegroeid. In plaats daarvan lanceerde Hamas in de eerste paar jaar 4500 raketten. Geen enkel normaal land zou dat accepteren van een buur. Zou Spanje niet reageren op twintig raketten? Zou het niet vinden dat het daar het volste recht toe heeft?

    Zonder hierover in discussie te willen gaan, denk ik dat u wel weet dat dit een scheve vergelijking is, omdat er geen sprake is van een algemene bezetting door Spanje van zijn buurland.

    Ik kan maar niet begrijpen hoe wij, goede en morele mensen, een heel volk 56 jaar lang onder de plak hebben gehouden. Hoe we gewend raakten aan de situatie en er vervolgens aan gingen hechten. Maar feit blijf dat Gaza die kans heeft gemist. En soms willen we kansen missen zodat er een realiteit wordt gecreëerd die ons geweld kan rechtvaardigen.

    ‘Ik hou mezelf voor dat ik doe wat ik kan om deze situatie te veranderen, al vele jaren’

    Wat vindt u van de 35.000 doden in Gaza, die in uw naam zijn gevallen?

    Verschrikkelijk. De eerste week van de Israëlische reactie, na de gruweldaden van Hamas, vind ik volkomen begrijpelijk. Je loopt op straat en iemand geeft je een enorme klap. Geef je diegene dan geen klap terug? Het is instinct. Wat me verbaast is wat er daarna gebeurde. Ik begrijp onze wens om Yahia Sinwar en de Hamasmensen gevangen te nemen, en we hebben het volste recht om dat te doen. De vraag is op welk punt de staat wraakzuchtig wordt. Of verslaafd raakt aan wraak en geen onderscheid meer maakt tussen criminelen en terroristen en mensen die ‘er niet bij betrokken zijn’. En nu zijn er 35.000 doden omdat we op zoek waren naar een paar honderd personen… Ik kan die realiteit niet verdragen. Ik hou mezelf voor dat ik doe wat ik kan om deze situatie te veranderen, al vele jaren.

    Wanneer had u het gevoel dat u zich distantieerde, dat die grens overschreden werd?

    Toen ik voor het eerst de verwoeste huizen zag. De wil om wraak te nemen. Ik neem het niet voor Hamas op. Het is een vreselijke vijand. De eerste week voelde ik niet alleen dat ik niet in zo’n conflict wilde leven, maar ook dat ik niet in een wereld wilde leven die zulke wreedheden toestaat.

    In de teksten van het boek bespeur ik een verandering in uw toon. Tijdens de periode van de gerechtelijke hervorming: bezorgdheid, boodschap tegen Netanyahu. Net na 7 oktober, zoals ik al zei, is te lezen dat u niet meer wilde bestaan. In de laatste teksten bespeur ik meer angst vanwege het antisemitisme, de studentenprotesten…

    In het algemeen is het zoals je het beschrijft, ja. In het begin, met het protest, waren er honderdduizenden mensen die door de straten marcheerden. Een euforische opwinding. En toen begon de oorlog. Maar wacht, u noemde antisemitisme. Maakt u zich daar geen zorgen over?

    Als mens, natuurlijk. Maar als niet-Jood zal ik het niet op dezelfde manier ervaren als u, omdat ik niet het doelwit ben.

    Je kunt je daarin inleven, ook al ben je niet Joods. Omdat je een mens bent. Daarom komt het zo hard binnen als ik demonstraties zie tegen de Joden, of tegen het bestaan van Israël… Dat je kritisch bent over Israël dat mag, dat ben ik ook. Maar om te willen dat Israël totaal niet bestaat, ‘from the river to the sea’… Dat niet. Ik ben niet suïcidaal. Israël is het enige land waarvan je kunt zeggen dat het dreigt te verdwijnen. Alleen al het feit dat presidenten van de VS in al hun toespraken zeggen dat ze zich inzetten voor het bestaan van de staat Israël… Kun je je zo’n zin voorstellen als het gaat over Spanje? Dat zou klinken op een grap.

    Vergeef me dat ik terugkom op de actualiteit, maar het openbaar ministerie van het Internationaal Strafhof heeft net om de arrestatie van Netanyahu en [minister van Defensie Yoav] Gallant gevraagd.

    Als je het slachtoffer en de dader op één lijn stelt, verlies je je geloofwaardigheid. Zoals al het gepraat over genocide is dit perverse onzin. Het is niet zo dat Israël in juni 1967 eens even rustig ging denken over de vraag: Hoe ga ik het Palestijnse volk vernietigen? Degenen die uit waren op genocide, waren de Palestijnen. De Israëli’s bevonden zich in een situatie van bezetting en ontdekten gaandeweg dat deze voordelen had. Het Joodse volk bezat gedurende het grootste deel van zijn bestaan geen wapens, en plotseling heeft het die nu wel. En grondgebied, een fort…

    ‘Michal [zijn vrouw] en ik kijken elkaar aan en we weten wat een lange weg ze nog te wachten staat’

    Herinnert u zich dat u toen euforie voelde?

    Ik denk niet dat er meer dan drie mensen waren die het niet voelden. Toen, in oktober, was het niet zo dat we gingen slapen en dachten: Hoe kunnen we als we wakker worden Hamas uitroeien? We hebben domme en misdadige daden begaan, maar zonder enige intentie of wil om zoiets gruwelijks te doen.

    Is dat niet aan het tribunaal in Den Haag om te beoordelen?

    Ik ben geen rechter. Voor mij is het duidelijk dat wij verantwoordelijk zijn voor de moord op zoveel mensen, kinderen… ik kan het niet verdragen. Maar genocide hangt af van de intentie. Ik wil niet ingaan op juridische vragen. Afschuwelijk is afschuwelijk en ik had gewild dat deze oorlog zou eindigen, niet nu, maar vijf of zes maanden geleden.

    Hoe verschilt de collectieve rouw in Israël waar u het over had van uw individuele rouw om de dood van uw zoon?

    Er is niets zo pijnlijk als dat [stilte]. Het is moeilijk voor mij om over hem te praten. Elke ochtend hoor ik op de radio dat er een soldaat is overleden en dan denk ik aan de nabestaanden, die zich in de euforie van het verdriet bevinden. Dat bestaat echt, het is alsof je via de dood de eeuwigheid aanraakt… Michal [zijn vrouw] en ik kijken elkaar aan en we weten wat een lange weg ze nog te wachten staat. We hebben het trouwens nog niet gehad over de gijzelaars [in Gaza], ik laat u niet weggaan zonder het daarover te hebben gehad. Het is een vorm van marteling die ik tot nu toe niet kende. Als ik denk aan wat ze moeten doorstaan, roept dat bij mij het beeld op van een schroevendraaier in een stopcontact. Ik begrijp niet waarom we niet tot een overeenkomst zijn gekomen om hen vrij te laten.

  • David Grossman: ‘Thuis is een plek waar ik zorgeloos kan bestaan’

    David Grossman: ‘Thuis is een plek waar ik zorgeloos kan bestaan’

    De Israëlische auteur David Grossman associeert het woord ‘thuis’ met een warm gevoel van veiligheid, beschutting en saamhorigheid, met een plek ‘waarvan de grenzen door iedereen worden erkend’. Daarmee raakt hij misschien wel de kern van het conflict tussen Israël en Palestina.

    Terwijl de ochtend van 7 oktober steeds verder in het verleden verdwijnt, lijken de verschrikkingen ervan alleen maar toe te nemen. Steeds weer vertellen wij Israëli’s onszelf datgene wat deel is gaan uitmaken van de ontstaansgeschiedenis van onze identiteit en ons lot: hoe Hamas-terroristen de huizen van Israëli’s binnenvielen, zo’n twaalfhonderd mensen vermoordden, verkrachtten en ontvoerden en huizen plunderden en in brand staken. In die nachtmerrieachtige uren, voordat het Israëlische leger uit zijn schok ontwaakte, kregen de Israëli’s een wrange en concrete glimp te zien van wat er zou kunnen gebeuren als hun land niet alleen een rake klap zou krijgen, maar ook echt zou ophouden te bestaan. Als Israël er niet langer zou zijn.

    Ik heb gesproken met Joodse mensen die buiten Israël wonen en ze vertelden me dat het tijdens die uren voelde alsof hun fysieke én mentale bestaan in gevaar waren. Sterker nog: er was iets van hun levenskracht weggenomen, voor altijd. Sommigen verbaasden zich er zelfs over hoezeer ze Israël blijkbaar nodig hadden, als idee én als een concreet feit.

    Terwijl het leger begon terug te slaan, nam de burgermaatschappij al massaal deel aan reddings- en logistieke operaties, met vele duizenden burgers die zich vrijwillig aanmeldden om te doen wat de regering had kunnen doen als ze niet in zo’n lamlendige toestand verkeerde.

    Op het moment van publicatie zijn er volgens gegevens van het door Hamas geleide Gazaanse ministerie van Volksgezondheid sinds 7 oktober meer dan 30.000 Palestijnen gedood in de Gazastrook. Onder hen zijn veel kinderen, vrouwen en burgers, van wie velen geen lid waren van Hamas en geen rol speelden in de oorlogscyclus. ‘Niet-betrokken’, zoals Israël ze noemt in het conflictese, de taal waarmee naties in oorlog zichzelf misleiden om niet geconfronteerd te worden met de gevolgen van hun daden.

    De beroemde kabbalageleerde Gershom Scholem bedacht het gezegde: ‘Al het bloed vloeit naar de wond.’ Bijna vijf maanden na het bloedbad is dat hoe Israël zich voelt. De angst, de schok, de woede, het verdriet en de vernedering en wraakzucht, de mentale energie van een hele natie – dat alles stroomt nog altijd naar die wond toe, naar de afgrond waarin we nog steeds bezig zijn te vallen.

    We blijven maar denken aan de jonge meisjes en vrouwen, en ook de mannen, naar het schijnt, die verkracht werden door aanvallers uit Gaza, moordenaars die hun eigen misdaden filmden en live uitzonden voor de families van de slachtoffers, aan de baby’s die vermoord werden, aan de gezinnen die levend werden verbrand.

    Gijzelaars

    En dan de gijzelaars. Die Israëli’s die al 146 dagen in tunnels worden vastgehouden, sommigen mogelijk in kooien. Het zijn kinderen en ouderen, vrouwen en mannen, van wie sommigen ziek zijn en misschien sterven door een tekort aan zuurstof of medicijnen, en door uitzichtloosheid. Of misschien sterven ze omdat gewone mensen die worden blootgesteld aan het absolute, demonische kwaad vaak de aangeboren wil om te leven verliezen – de wil om te leven in een wereld waarin zulk kwaad en zulke wreedheid mogelijk zijn. Waarin mensen zoals die Hamas-terroristen leven.

    De enorme omvang van de gebeurtenissen van 7 oktober wist soms onze herinneringen aan wat eraan voorafging uit. En toch kwamen er zo’n negen maanden voor het bloedbad al alarmerende barsten in de Israëlische samenleving. De regering, met Benjamin Netanyahu aan het hoofd, probeerde er een reeks wetgevende stappen door te drukken die bedoeld waren om het gezag van het Hooggerechtshof ernstig te verzwakken en op die manier een dodelijke slag toe te brengen aan het democratische karakter van Israël.

    Honderdduizenden burgers gingen al die maanden elke week de straat op om te protesteren tegen het plan van de regering. De rechtervleugel van Israël steunde de regering. De natie raakte steeds verder gepolariseerd. Wat ooit een legitiem ideologisch argument was tussen rechts en links, was verworden tot een spektakel van diepe haat tussen de verschillende kampen. Het openbare debat was gewelddadig en giftig geworden. Er werd gesproken over een opsplitsing van het land in twee afzonderlijke volkeren. En de Israëli’s hadden het gevoel dat hun natie – hun thuis – schudde op haar grondvesten en dreigde in te storten.

    Voor wie in een land woont waar het concept ‘thuis’ vanzelfsprekend is, moet ik uitleggen dat ik, met mijn Israëlische bril, het woord ‘thuis’ associeer met een warm gevoel van veiligheid, beschutting en saamhorigheid. Thuis is een plek waar ik zorgeloos kan bestaan. En het is een plek waarvan de grenzen door iedereen worden erkend – in het bijzonder door mijn buren.

    Het land heeft nog geen idee hoe het een echte vesting moet zijn

    Maar dit alles wordt voor mij nog steeds overschaduwd door een verlangen naar iets wat nooit volledig is verwezenlijkt. Is ben ik bang. Het biedt veiligheid noch een zorgeloos bestaan en mijn buren koesteren vele twijfels omtrent en maken aanspraak op de kamers en de muren, en ze betwisten, in sommige gevallen zelfs het bestaan ervan. Op die vreselijke zwarte zaterdag bleek dat Israël niet alleen nog lang geen thuis is in de ware zin van het woord, het land heeft ook nog geen idee hoe het een echte vesting moet zijn.

    Toch zijn de Israëli’s terecht trots op de snelle en efficiënte manier waarop ze samenkomen om steun te bieden wanneer het land wordt bedreigd, of het nu gaat om een pandemie of een oorlog. Over de hele wereld stapten reservisten in het vliegtuig om zich bij hun collega’s te voegen die al waren opgeroepen. Ze gingen ‘ons thuis beschermen’, zoals ze vaak zeiden in interviews. Dit unieke verhaal had iets ontroerends: deze jonge mannen en vrouwen haastten zich uit alle hoeken van de wereld naar het front om hun ouders en grootouders te beschermen. En ze waren bereid om hun leven te geven. Net zo ontroerend was de eensgezindheid die heerste in de tenten van de soldaten, waar politieke meningen er niet toe deden. Het enige wat telde, was solidariteit en kameraadschap.

    Maar Israëli’s van mijn generatie, die al veel oorlogen hebben meegemaakt, vragen zich nu al af, zoals we altijd doen na een oorlog: waarom ontstaat deze eenheid alleen in tijden van crisis? Hoe komt het dat alleen bedreigingen en gevaren ons verbinden en het beste in ons naar boven brengen, en ons bovendien bevrijden van onze vreemde hang naar zelfvernietiging – naar het vernietigen van ons eigen thuis?

    Deze vragen leggen een pijnlijk inzicht bloot: de diepe wanhoop die de meeste Israëli’s na het bloedbad voelden, is misschien wel het gevolg van de toestand waarin de Joden opnieuw terecht zijn gekomen. Het is de toestand van een vervolgde, onbeschermde natie. Een natie die, ondanks haar enorme prestaties op zoveel gebieden, diep van binnen nog steeds een natie van vluchtelingen is die constant leven met het vooruitzicht dat ze zullen worden ontworteld, zelfs na bijna 76 jaar soevereiniteit. Het is nu duidelijker dan ooit dat we altijd zullen moeten waken over deze inneembare vesting, dit kwetsbare thuis. Wat ook duidelijk is geworden, is hoe diepgeworteld de haat jegens deze natie is.

    Mededogen

    Hieruit volgt nog een overweging aangaande deze twee gekwelde volkeren: het ontheemdingstrauma is fundamenteel en oeroud voor zowel Israëli’s als Palestijnen, en toch is geen van beide partijen in staat om de tragedie van de ander met een greintje begrip – laat staan mededogen – te bekijken.

    Als gevolg van de oorlog is er nog een beschamend fenomeen aan het licht gekomen: Israël is het enige land ter wereld waarvan men openlijk gezegd heeft dat het moet worden vernietigd.

    In demonstraties met honderdduizenden deelnemers, op de campussen van de meest gerespecteerde universiteiten, op sociale media en in moskeeën over de hele wereld wordt het bestaansrecht van Israël fanatiek betwist. Verstandige politieke commentaren die rekening houden met de complexiteit van de situatie maken als het over Israël gaat regelmatig plaats voor een retoriek van haat die alleen kan worden weggenomen – als dat al kan – door de vernietiging van de staat Israël. Toen Saddam Hoessein bijvoorbeeld duizenden Koerden vermoordde met chemische wapens, waren er geen oproepen om Irak te vernietigen en het land van de aardbodem weg te vagen. Alleen als het over Israël gaat, is het acceptabel om publiekelijk de eliminatie van een staat te eisen.

    Demonstranten, invloedrijke stemmen en gezagsdragers zouden zich moeten afvragen hoe het komt dat nou juist Israël deze afkeer opwekt. Waarom is Israël, als enige van de 195 landen op aarde, voor zijn bestaan als het ware afhankelijk van de goodwill van de andere naties op de wereld?

    Het is misselijkmakend om te bedenken dat deze moordzuchtige haat gericht is tegen een volk dat minder dan een eeuw geleden in feite bijna is uitgeroeid. Er is ook iets stuitends aan het kronkelige, cynische verband tussen de Joodse existentiële angst en de wens dat Israël ophoudt te bestaan, een wens die Iran, Hezbollah, Hamas en anderen openlijk hebben geuit. Het is verder onverdraaglijk dat bepaalde partijen proberen om het Israëlisch-Palestijnse conflict in een kolonialistisch kader te dwingen, terwijl ze moedwillig en hardnekkig vergeten dat Joden geen ander land hebben, in tegenstelling tot de Europese kolonialisten waarmee ze valselijk worden vergeleken, en daarbij verdoezelen dat Joden niet in het land Israël aankwamen als veroveraars, maar op zoek naar veiligheid; dat hun krachtige affiniteit met dit land bijna vierduizend jaar oud is; dat dit de plek is waar ze een natie vormden, een religie, een cultuur en een taal.

    Men kan zich het kwaadaardige plezier voorstellen waarmee tegenstanders de Joodse natie op haar zwakste plek treffen, namelijk haar gevoel een buitenstaander te zijn, haar existentiële eenzaamheid. Op dat punt kan Israël zich niet verweren. Vanwege deze zwakke plek maakt deze natie vaak noodlottige en destructieve fouten, niet alleen ten aanzien van haar vijanden, maar ook ten aanzien van zichzelf.

    Wie zullen wij zijn – Israëli’s en Palestijnen – als deze lange, wrede oorlog ten einde komt?

    Wie zullen wij zijn – Israëli’s en Palestijnen – als deze lange, wrede oorlog ten einde komt? Niet alleen zal de herinnering aan de wreedheden die we elkaar hebben aangedaan nog vele jaren tussen ons in staan, ook zal Hamas, zoals ons allemaal duidelijk is, zodra het de kans krijgt het doel verwezenlijken dat zwart op wit in zijn oorspronkelijke handvest staat: Israël vernietigen, vanuit een religieuze plicht.

    Hoe kunnen we dan een vredesverdrag tekenen met elkaar?

    En welke keuze hebben we nog?

    De Palestijnen zullen hun eigen rekening opmaken. Als Israëliër vraag ik me af wat voor soort mensen we zullen zijn als de oorlog voorbij is. Waar zullen we ons schuldig over voelen – als we moedig genoeg zijn om die gevoelens toe te laten – voor wat we onschuldige Palestijnen hebben aangedaan? Voor de duizenden kinderen die we hebben vermoord? Voor de gezinnen die we hebben vernietigd?

    En hoe zullen we leren – zonder nog eens verrast te worden – om een volwaardig leven te leiden op het scherp van de snede? Hoeveel mensen willen hun leven leiden en hun kinderen opvoeden op de grens van een nieuw conflict? Welke prijs betalen we voor een leven in voortdurende waakzaamheid en achterdocht, in voortdurende angst? Wie van ons zal besluiten dat hij niet het leven wil – of kan – leiden van een eeuwige soldaat, een Spartaan?

    Wie zal hier in Israël blijven? Zullen dat de extremen zijn, de meest fanatiek religieuze, nationalistische, racistische mensen? Zijn we gedoemd om verlamd toe te kijken hoe de moedige, creatieve, unieke Israëlische identiteit geleidelijk opgaat in de tragische wond van het Jodendom?

    Deze vragen zullen Israël waarschijnlijk nog jaren achtervolgen. Er bestaat echter de mogelijkheid dat er een radicaal andere realiteit zal opduiken om ze het hoofd te bieden. Misschien zal de erkenning dat deze oorlog niet gewonnen kan worden en dat we de bezetting niet eeuwig kunnen volhouden, beide partijen dwingen om een tweestatenoplossing te aanvaarden, die ondanks haar nadelen en risico’s (in de eerste plaats dat Hamas Palestina zal overnemen in een democratische verkiezing) nog steeds de enige haalbare is?

    Dit is ook het moment voor de staten die invloed op de twee partijen kunnen uitoefenen om die invloed aan te wenden. Dit is niet het moment voor kleingeestige politiek en cynische diplomatie. Dit is een zeldzaam moment, een schokgolf zoals die van 7 oktober heeft het vermogen de werkelijkheid opnieuw vorm te geven. Zien de landen met een belang in het conflict niet dat Israëli’s en Palestijnen niet langer in staat zijn zichzelf te redden?

    De komende maanden zullen bepalend zijn voor het lot van twee volkeren. We zullen zien of het conflict dat al meer dan een eeuw duurt, rijp is voor een redelijke, morele, menselijke oplossing.

    Hoe tragisch dat dit, als het al gebeurt, niet zal gebeuren op grond van hoop en enthousiasme, maar noodgedwongen wegens uitputting en wanhoop. Tegelijkertijd is dat de gemoedstoestand die vijanden er vaker toe brengt zich te verzoenen, en momenteel is die uitkomst het enige waarop we kunnen hopen. En dus zullen we het ermee moeten doen. Het lijkt erop dat we door de hel moesten gaan om op de plek te belanden vanwaar je, op een uitzonderlijk heldere dag, de rand van de hemel kunt ontwaren.

    Thuis in Palestina

    Ter nagedachtenis aan alle doden die er op en na 7 oktober zijn gevallen aan beide kanten van de grens met de Gazastrook, publiceerde Al Jazeera het gedicht ‘De oorlog zal eindigen’, vijftig jaar geleden geschreven door de beroemde Palestijnse dichter Mahmoud Darwish (1941-2007).

    De oorlog zal eindigen
    […]
    Ik weet niet wie ons vaderland heeft verkocht
    Maar ik zag wie de prijs heeft betaald.

    Zijn woorden, schrijft Al Jazeera, zijn altijd relevant gebleven en gaan sinds de slachting op die zwarte dag in oktober, de extreem gewelddadige verwoesting van Gaza en de toenemende Israëlische controle over de bezette Westelijke Jordaanoever de wereld over. Darwish, die de stem van het Palestijnse volk wordt genoemd, overspoelt sociale media met zijn poëzie over verlies, verlangen en ballingschap – zijn werk werd vertaald in 39 talen.

    Darwish werd geboren in Barweh, Akka – een stad die werd ingenomen tijdens de Nakba in 1948 en waarvan de overblijfselen werden opgenomen in Israël. Zijn familie sloot zich aan bij 750.000 andere Palestijnen die gedwongen werden in ballingschap te gaan; de familie Darwish kwam terecht in een vluchtelingenkamp in het naburige Libanon. Toen ze terug konden keren, was er niets meer over van hun huis en haard.

    Op zijn veertiende zou Darwish een gedicht hebben voorgelezen op school waarin een Palestijnse jongen zich richtte tegen een joodse leeftijdsgenoot.

    Jij kunt in de zon spelen als je wilt en je speelgoed hebben, maar ik niet.
    Jij hebt een huis, en ik heb er geen.
    […]
    Waarom kunnen we niet samen spelen?

    Darwish werkte samen met de Amerikaans-Palestijnse cultuurcriticus Edward Said aan de Palestijnse Verklaring van Onafhankelijkheid uit 1988, waarin de PLO haar steun uitsprak voor een tweestatenoplossing. Later bekritiseerden beiden de Oslo-akkoorden uit 1993, omdat ze vonden dat de Palestijnen het onderspit hadden gedolven. Darwish keerde in 1996 terug naar Palestina en vestigde zich in 1996 in Ramallah. Hij becommentarieerde de politieke factiestrijd tussen Fatah en Hamas, en verklaarde dat hun onderlinge gekibbel het nog onwaarschijnlijker maakte dat er ooit een Palestijnse staat zou komen.