Tag: Dhaka-mousseline

  • Het verhaal van Mousseline: hoe de kostbaarste stof ter wereld plotseling verdween

    Het verhaal van Mousseline: hoe de kostbaarste stof ter wereld plotseling verdween

    Tweehonderd jaar geleden was Dhaka-mousseline uit de Bengalen de duurste stof ter wereld, met een schare liefhebbers, onder wie de Franse koningin Marie Antoinette en de Engelse auteur Jane Austen. Totdat ingewikkelde productietechniek in zeer korte tijd verdween.

    De keuze van editor at large Katrien Gottlieb

    ‘Mijn favoriete stuk van het jaar was “Mousseline, zo licht en zacht als de wind” uit het novembernummer. Dit BBC-artikel van Zaria Gorvett geeft lucht in deze gure dagen en spoort de verbeelding aan om terug te gaan in de tijd en het vernuft van de mens aan het werk te zien.’

    Een kleine tweehonderd jaar geleden was Dhaka-mousseline de kostbaarste stof ter wereld. Vervolgens verdween het van de aardbodem. Hoe kon dat gebeuren? En is het weer tot leven te wekken?

    Een nieuwe rage leidde aan het eind van de achttiende eeuw in Europa tot een grensoverschrijdend schandaal. Het kwam erop neer dat een complete sociale klasse ervan werd beticht zich naakt in het openbaar te vertonen.

    Aanstichter was het Dhaka-mousseline, een kostbare stof, geïmporteerd uit de gelijknamige stad in Bengalen, het tegenwoordige Bangladesh. Let wel, dat was heel ander mousseline dan we tegenwoordig kennen. Het kwam tot stand in een omslachtig proces van zestien stappen en betrof een zeldzame katoensoort die alleen langs de oevers van de heilige Meghna-rivier te vinden was. Het weefsel stond te boek als een van de grootste kostbaarheden van zijn tijd. Duizenden jaren lang genoot het wereldwijd bescherming en mocht het standbeelden van godinnen in het oude Griekenland, tal van keizers uit verre landen en generaties Aziatische Mogol-vorsten omhullen.

    Er waren veel verschillende soorten, maar de beste droegen suggestieve, door dichters aan keizerlijke hoven bedachte namen, zoals baft-hawa: ‘geweven lucht’. Dit hoogwaardige mousseline was naar verluidt zo licht en zacht als de wind, en volgens een reiziger zo extreem soepel dat je een rol van 300 voet (ruim 90 meter) door een ring kon trekken. Een ander schreef dat een stuk van 60 voet (18 meter) in een snuifdoos paste. Ook was Dhaka-mousseline nogal doorzichtig.

    Hoewel deze eersteklas stoffen van oudsher dienden om sari’s en jama’s – een soort tunieken voor mannen – te maken, herschiepen ze de kledingstijl van de Britse aristocratie ingrijpend. Gedaan was het met de gebeeldhouwde jurken uit de Georgian era (1714-1837), de tailles van anderhalve meter die nauwelijks door een deuropening konden. Ze ruimden het veld voor tere, losse ‘hemdjurkjes’. Niet alleen waren die door hun gaasachtige structuur behoorlijk pikant, ze zagen er ook uit als wat vóór die tijd werd beschouwd als ondergoed.

    ‘U hoeft zich alleen uit te kleden om volgens de laatste mode gekleed te gaan’

    In een populaire satirische prent van Isaac Cruikshank is een groepje vrouwen te zien in lange, felgekleurde mousseline jurken, waar hun billen, tepels en schaamhaar nadrukkelijk doorheen schemeren. ‘Parijse dames in hun winterjurk voor 1800’, luidt het bijschrift.

    In een al even misogyn getint satirisch stukje in een Engels damesblad helpt een kleermaker een vrouwelijke klant om zich volgens de laatste mode te kleden. ‘Zo gepiept, dame,’ verzekert hij haar, en maant haar vervolgens zich te ontdoen van haar petticoat, haar korset en haar mouwen. ‘Ziet u, het is heel eenvoudig,’ licht hij toe. ‘U hoeft zich alleen uit te kleden om volgens de laatste mode gekleed te gaan.’

    Toch was en bleef Dhaka-mousseline zeer gewild, althans bij degenen die het zich konden veroorloven. Het was de duurste stof van die tijd, met een schare devote liefhebbers, onder wie de Franse koningin Marie Antoinette, de Franse keizerin Joséphine Bonaparte en de Engelse schrijfster Jane Austen. Maar zo snel als dit wonderbaarlijke weefsel het Europa van de Verlichting veroverde, zo snel verdween het ook weer.

    Aan het begin van de twintigste eeuw was het mousseline van Dhaka nergens ter wereld meer verkrijgbaar. De enige overgebleven monsters waren veilig weggestopt in peperdure privécollecties en in musea. De ingewikkelde productietechniek raakte in de vergetelheid en het enige type katoen dat kon worden gebruikt, Gossypium arboreum var. neglecta – plaatselijk phuti karpas genoemd – stierf in zeer korte tijd uit. Hoe kon dit gebeuren? En kon het worden teruggedraaid?

    Phuti karpas

    De oorsprong van Dhaka-mousseline schuilt in een gewas dat groeide op de oevers van de Meghna, een van de drie rivieren die de grootste delta ter wereld vormen, de immense Ganges-delta. Elk voorjaar ontsproten de esdoornachtige bladeren van de phuti karpas aan de grauwe, slibrijke grond, om tot wilde wasdom te komen. Eenmaal volgroeid produceerden ze twee keer per jaar een enkele bloem, geel als een narcis, die plaatsmaakte voor een sneeuwbloem van katoenvezels.

    Dit waren geen gewone vezels. Anders dan de lange, slanke draden van zijn Midden-Amerikaanse neef Gossypium hirsutum, die tegenwoordig 90 procent van het mondiale katoen uitmaakt, bracht phuti karpas draden voort die stomp waren en gemakkelijk rafelden. Dit klinkt misschien als een gemankeerd plantje, maar het hangt ervan af wat je ermee wilt.

    De korte vezels van de uitgestorven struik waren nutteloos voor de productie van goedkope katoenen stoffen met industriële machines. Ze waren weerbarstig om mee te werken en konden gemakkelijk breken als je ze mechanisch tot garen probeerde te draaien. In plaats daarvan temde de lokale bevolking de dwarse draden met een reeks ingenieuze technieken die in de loop van vele duizenden jaren waren ontwikkeld.

    Het volledige proces omvatte zestien stadia, die zo specialistisch waren dat elk ervan werd uitgevoerd door een ander dorp rond Dhaka, dat destijds deel uitmaakte van Bengalen. Sommige van die dorpen lagen in wat nu Bangladesh is, andere in de tegenwoordige Indiase staat West-Bengalen. Het was een ware gemeenschapsinspanning, waaraan jong en oud en mannen en vrouwen meededen.

    ‘De handel is opgebouwd en vernietigd door de Britse Oost-Indische Compagnie’

    Eerst werden de bolletjes katoen schoongemaakt met de kleine, graatachtige tanden op het kaakbot van de wallago attu, een kannibalistische meerval die de meren en rivieren in de regio onveilig maakte. Vervolgens kwam het spinnen. De korte katoenvezels vereisten een hoge vochtigheidsgraad om ze te kunnen uitrekken, dus dat werd gedaan op boten, door vakbekwame groepen jonge vrouwen, in de vroege ochtend en late namiddag, de vochtigste uren van de dag. Ouderen spinden het garen meestal niet, omdat ze de draden eenvoudigweg niet konden zien.

    ‘Je kreeg piep- en piepkleine naadjes tussen de katoenvezels, waar ze met elkaar verbonden waren,’ zegt Sonia Ashmore, een designhistorica die in 2012 een boek over mousseline schreef. ‘Dat maakte het oppervlak een beetje ruw, wat heel plezierig aanvoelde.’

    En dan kwam nog het weven. Dit onderdeel van het productieproces kon maanden in beslag nemen, aangezien klassieke jamdani-ontwerpen – meestal abstracte bloemmotieven – direct in het weefsel werden verwerkt, met dezelfde techniek waarmee de beroemde koninklijke wandtapijten in het middeleeuwse Europa werden gemaakt. Het resultaat was een buitengewoon gedetailleerd kunstwerk, gevormd door duizenden zilverachtige, zijdeachtige strengen.

    Een Aziatisch wonder

    Westerse afnemers in de regio konden moeilijk geloven dat het mousseline van Dhaka door mensenhanden was gemaakt – er gingen geruchten dat zeemeerminnen er de hand in hadden gehad, en anders feeën of zelfs geesten. Sommigen zeiden dat het wonder onder water geschiedde. ‘Die lichtheid en zachtheid: het mousseline van vandaag de dag kan daar niet aan tippen,’ zegt Ruby Ghaznavi, vicepresident van de Bangladesh National Craft Council.

    Hetzelfde weefproces vindt nog steeds plaats in de regio, maar het mousseline is van mindere kwaliteit en bestaat uit gewone katoenen draden, in plaats van uit phuti karpas. In 2013 werd de traditionele kunst van het jamdani-weven door de Unesco beschermd als immaterieel cultureel erfgoed.

    Het uitzonderlijkste aan de oude techniek zat ’m echter in de enorme draaddichtheid. Hoe meer draden, hoe zachter en slijtvaster het materiaal. Hoe meer draden je in het begin hebt, hoe meer hiervan overblijven om de stof bij elkaar te houden als een deel begint te rafelen.

    Saiful Islam, die een fotobureau runt en een project leidt om de stof nieuw leven in te blazen, zegt dat de meeste tegenwoordig gemaakte versies veertig tot tachtig draden tellen, wat betekent dat ze ongeveer dat aantal kruislings horizontaal en verticaal geweven draden per vierkante inch stof bevatten. Dhaka-mousseline daarentegen telde achthonderd tot twaalfhonderd draden, en dat is veel meer dan welk huidig katoenen weefsel ook.

    Hoewel het mousseline uit Dhaka meer dan een eeuw geleden is verdwenen, bestaan er nog steeds intacte sari’s, tunieken, sjaals en jurken van in musea. Af en toe duikt er een op bij prestigieuze veilinghuizen zoals Christie’s en Bonhams, en zo’n kledingstuk brengt dan duizenden Britse ponden op.

    ‘De handel is opgebouwd en vernietigd door de Britse Oost-Indische Compagnie,’ stelt Ashmore.

    Lang voordat aristocratische Europese vrouwen zich met Dhaka-mousseline drapeerden, werd de stof al wereldwijd verkocht. Het was populair bij de oude Grieken en Romeinen, en mousseline uit ‘India’ wordt genoemd in het boek De Periplus van de Erythreïsche Zee, dat zo’n tweeduizend jaar geleden werd geschreven door een anonieme Egyptische koopman.

    Doorzichtig

    De Romeinse auteur Petronius was misschien wel de eerste die zich stoorde aan de doorzichtigheid van de stof: ‘Of uw gemalin zich nu kleedt met een gewaad dat gemaakt is van de wind of zich naakt in het openbaar vertoont onder haar wolken van mousseline, wat is het verschil?’ De eeuwen daarop werd de stof geprezen door de beroemde veertiende-eeuwse Noord-Afrikaanse ontdekkingsreiziger Ibn Battuta, door de vijftiende-eeuwse Chinese reiziger Ma Huan en door vele anderen.

    Maar de stof beleefde waarschijnlijk zijn hoogtijdagen gedurende het Mogol-tijdperk. Dit Zuid-Aziatische rijk werd in 1526 gesticht door een stamhoofd uit een streek die nu in Oezbekistan ligt. In de achttiende eeuw besloeg het het hele Indiase subcontinent. In deze periode werd mousseline op grote schaal verhandeld door kooplieden uit Perzië, Irak, Turkije en het Midden-Oosten.

    Het weefsel stond in hoog aanzien bij Mogol-keizers en hun gaden, die zelden met iets anders aan werden vereeuwigd. Ze namen zelfs de beste wevers rechtstreeks onder hun hoede en verboden hun de allerbeste stoffen aan anderen te verkopen. Het verhaal wil evenwel dat keizer Aurangzeb ook al problemen had met die doorzichtigheid. Hij gaf zijn dochter de wind van voren omdat ze zich naakt in het openbaar zou hebben vertoond; nochtans had ze zichzelf in zeven lagen omwikkeld. 

    Dhaka-mousseline was voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk te bewonderen tijdens de zogeheten Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations in 1851. Dit spectaculaire evenement was het geesteskind van prins Albert, de echtgenoot van koningin Victoria. Het was bedoeld om de wonderen van het Britse Rijk aan den volke te tonen. Ongeveer honderdduizend objecten uit de verste uithoeken van de wereld waren bijeengebracht in het Crystal Palace, een glinsterende glazen hal van 564 meter lang en 39 meter hoog.

    ‘De Britten namen de productie in een wurggreep en gingen de hele handel beheersen’

    Volgens Islam bracht een yard (ruim 90 centimeter) Dhaka-mousseline destijds zo’n 50 tot 400 Britse pond op, wat overeenkomt met 7000 tot 56.000 Britse pond vandaag de dag. Zelfs de beste zijde was soms wel 26 keer goedkoper.

    Maar terwijl de victoriaanse Londenaren met de stof dweepten, werden de producenten ervan naar de financiële bliksem geholpen. Zoals te lezen valt in het boek Goods from the East, 1600-1800 van Maxine Berg en Felicia Gottmann, begon de Britse Oost-Indische Compagnie zich aan het eind van de achttiende eeuw te bemoeien met het delicate productieproces van Dhaka-mousseline. De gevolgen waren noodlottig.

    De traditionele afnemers in de regio moesten wijken voor een Britse clientèle. ‘De Britten namen de productie in een wurggreep en gingen de hele handel beheersen,’ zegt Ashmore. Ze pakten de industrie hard aan: wevers moesten grotere volumes van de stof produceren tegen lagere prijzen.

    ‘Je had zo veel bijzondere ambachtelijke kennis nodig om phuti karpas in textiel te veranderen,’ zegt Islam. ‘Het is een heel moeizaam, kostbaar proces, en uiteindelijk krijg je maar ongeveer 8 gram fijne mousseline voor 1 kilo katoen.’

    De wevers hadden moeite om aan deze eisen te voldoen en werkten zich in de schulden, aldus Ashmore. Ze kregen vooraf betaald voor de stof. Het kon tot een jaar duren voordat deze af was. Maar als er niet aan de eisen was voldaan, moesten ze alles terugbetalen. ‘Ze konden deze aflossingen onmogelijk opbrengen,’ zegt ze.

    Concurrentie betekende de genadeslag. Koloniale ondernemingen zoals de Britse Oost-Indische Compagnie waren al jaren bezig met het nauwgezet documenteren van de industrieën waarop ze terugvielen, en mousseline was geen uitzondering. Elke stap van het productieproces werd tot in de kleinste details vastgelegd.

    Naarmate de Europese hang naar verfijnde stoffen toenam, rezen ook de prikkels om goedkopere versies dichter bij huis te maken. In het graafschap Lancashire, in het noordwesten van Engeland, paarde textielbaron Samuel Oldknow de voorkennis van het Britse Rijk aan de modernste technologie – het spinnewiel – om de Londenaren van enorme hoeveelheden te voorzien. In 1784 had hij duizenden wevers in dienst.

    Hoewel het Britse mousseline niet kon tippen aan het origineel – het was gemaakt van gewoon katoen en telde aanzienlijk minder draden – betekenden tientallen jaren maltraitering én een plotselinge afname van de behoefte aan geïmporteerd textiel het definitieve einde van het Dhakaanse mousseline.

    Toen oorlog, armoede en aardbevingen de regio troffen, schakelden sommige wevers over op de productie van kwaliteitsarmere stoffen; anderen gingen fulltime boeren. Uiteindelijk stortte de hele industrie in.

    ‘Het is belangrijk te beseffen dat het eigenlijk een familieberoep was. Vaak worden de wevers geroemd, maar op de achtergrond had je de vrouwen, die het spinnen voor hun rekening namen,’ zegt Hameeda Hossain, een mensenrechtenactiviste die een boek schreef over de mousseline-industrie in Bengalen. ‘Er waren dus veel mensen bij de industrie betrokken.’

    In de loop van generaties ging de kennis van het ambacht verloren. Nu er niemand meer was om zijn zijdeachtige draden te spinnen, zonk de phuti karpas weg in de anonimiteit van de wildernis. De plant was altijd al moeilijk te telen geweest, niemand had hem kunnen weglokken van de oevers van de Meghna. De legende was niet meer.

    In ere herstelt

    Islam werd geboren in Bangladesh en verhuisde zo’n twintig jaar geleden naar Londen. Hij maakte in 2013 voor het eerst kennis met Dhaka-mousseline, toen het bedrijf waarvoor hij werkt, fotobureau Drik, werd benaderd om een Britse tentoonstelling over het materiaal geschikt te maken voor een Bengaals publiek. Het bureau vond dat het de expositie ontbrak aan bijzonderheden, en ging zelf op onderzoek uit.

    Het jaar daarop ontmoetten Islam en zijn collega’s mensen uit de lokale ambachtelijke industrie, verkenden ze de regio waar het weefsel was geproduceerd en zochten ze naar tastbare voorbeelden van Dhaka-mousseline in musea in Europa. ‘Het Victoria and Albert Museum in Londen heeft een prachtige collectie met honderden stukken,’ zegt hij. ‘En als je naar de English Heritage Trust gaat, die hebben tweeduizend stukken. Maar Bangladesh had niets.’

    Het team stelde uiteindelijk een aantal tentoonstellingen over het onderwerp samen, gaf opdracht tot een film en publiceerde een door Islam geschreven boek. Op zeker moment kwam de gedachte op dat het misschien, heel misschien, mogelijk was de legendarische stof weer in ere te herstellen. Daartoe zag het samenwerkingsverband Bengal Muslin het levenslicht.

    De eerste taak was om een geschikte plant te vinden. Tegenwoordig zijn er geen collecties meer met phuti karpas-zaden, maar men stuitte in de beroemde koninklijke botanische Kew Gardens wel op een mooi boekje van gedroogde, geconserveerde bladeren, uit de negentiende eeuw. Het bleek mogelijk hieraan dna te onttrekken.

    Gewapend met de genetische geheimen van hun uitverkoren gewas gingen de teamleden terug naar Bangladesh. Ze bestudeerden historische kaarten van de Meghna en vergeleken deze met moderne satellietbeelden, om te zien hoe de loop van de rivier de afgelopen tweehonderd jaar was veranderd, teneinde de beste potentiële plekken voor phuti karpas-planten te vinden. Daarna huurden ze een boot en speurden de rivier af in zijn immense breedte – op sommige plaatsen wel 12 kilometer – op zoek naar wilde planten die gelijkenis vertoonden met wat ze op oude tekeningen hadden gezien. Alle veelbelovende exemplaren werden ‘gesequencet’ en met het origineel vergeleken. Uiteindelijk vonden ze een overeenkomst van 70 procent in een verwilderde struik die mogelijk phuti karpas-voorouders had.

    ‘Toen ik ze vertelde dat ik sari’s met driehonderd draden wilde maken, zeiden ze dat dit gestoord was’

    Ze besloten de struik eerst te telen op een eilandje in het midden van de Meghna, 30 kilometer ten noorden van Dhaka. ‘Een ideale plek, met een bodem gevormd door ophoping van riviersedimenten en dus zeer vruchtbaar,’ aldus Islam. Daar plantten ze in 2015 enkele testzaden. Al snel verschenen er, voor het eerst in ruim een eeuw, keurige rijen phuti karpas-planten tussen stroken droge aarde.

    Datzelfde jaar oogstte het team zijn eerste katoen. Hoewel er nog niet genoeg van de herrezen planten waren vergaard om volledig authentieke Dhaka-mousseline te maken, werkten de teamleden samen met Indiase spinners om gewoon katoen en phuti karpas-katoen te combineren tot een hybride draad. Vervolgens was het de beurt aan het weven – wat lastiger bleek dan verwacht.

    Aangezien er in Bangladesh nog steeds wevers zijn die jamdani-mousseline maken (ook al zijn dat grovere versies met een lagere draaddichtheid), hoopte Islam dat het gewoon een kwestie was van hun vaardigheden verbeteren en hun te leren hoe ze een product van hogere kwaliteit konden produceren.

    ‘Het bleek dat geen van hen hieraan wilde meewerken,’ zegt Islam. ‘Toen ik ze vertelde dat ik sari’s met driehonderd draden wilde maken, zeiden ze allemaal dat dit gestoord was. Ze vonden het allemaal heel mooie verhalen over erfgoed en zo, maar bedankten toch voor de eer.’ Van de 25 mensen die Islam benaderde, ging er uiteindelijk één akkoord.

    De meeste wevers in de streek zijn arm en werken in eenvoudige hutten. Al Amin, tegenwoordig de weefmeester, stemde ermee in om temperatuurregelaars en luchtbevochtigers in zijn atelier te laten plaatsen, teneinde de specifieke voorwaarden te creëren voor het maken van deze lastige stof. Ondertussen was een aantal van de ongeveer vijftig benodigde gereedschappen niet langer voorhanden, dus maakte het team die zelf. Zoals de shana, een stuk bamboe waaruit duizenden tandjes worden gesneden die nodig zijn om de draad tijdens de bewerking op zijn plaats te houden.

    Zes slopende maanden, nog veel meer aanpassingen en heel wat afgebroken draden later had Amin een sari van driehonderd draden gemaakt. Dat kwam nog niet in de buurt van de originele Dhaka-mousseline-standaard, maar was wel aanzienlijk meer dan enige wever gedurende generaties voor elkaar had gekregen. ‘Hij had het geduld en de volharding die nodig waren om met ons samen te werken,’ zegt Islam. ‘Wij deden 40 procent van het werk, hij deed de rest.’

    Anno 2021 heeft het team inmiddels meerdere sari’s gemaakt van hybride mousseline, die wereldwijd zijn tentoongesteld. Sommige zijn voor duizenden ponden verkocht, en Islam meent dat de respons bewijst dat de stof toekomst heeft. ‘In deze tijd van massaproductie is het altijd interessant om iets bijzonders te hebben. Het “merk” is nog steeds krachtig,’ zegt hij.

    Het team waakt tegenwoordig over een permanente teelt, hoewel het oude terrein moest worden verlaten vanwege overstromingsproblemen. Nu kweken de initiatiefnemers de in oude luister herrezen phuti karpas-planten op een nabijgelegen rivieroever, wat het extra voordeel heeft dat ze zonder boot bereikbaar zijn. Islam hoopt dat zijn team op een dag in staat zal zijn een pure Dhaka-mousseline sari te produceren, dus een met nog meer draden.

    Laat de Bengaalse regering, die het project steunt, dat nu inmiddels ook doen. ‘Een kwestie van nationaal prestige,’ zegt Islam, die zelf ook graag het imago van het land wil verbeteren. ‘Het is belangrijk dat we niet langer bekendstaan als een arme kledingproducent, maar veeleer als de bakermat van het beste textiel dat ooit heeft bestaan,’ zegt hij.

    Wie weet draagt binnenkort een nieuwe generatie deze oude stof – en levert de ietwat gewaagde doorzichtigheid weer stof tot discussie.