Tag: digitalisering

  • Estland loopt voorop in de digitalisering van overheidsdiensten

    Estland loopt voorop in de digitalisering van overheidsdiensten

    Met een robuuste e-identiteit, e-bestuur en e-gezondheidszorg is Estland een pionier op het gebied van digitalisering. Wat kunnen we leren van de Baltische staat?

    Toekomstvisies staan bol van de geïmplanteerde microchips, robots op nanoschaal en cryogene vrieskisten waarin mensen hun levens kunnen verlengen. Maar de werkelijkheid is nog beter: de toekomst is een lege mailbox.

    In het Estland van vandaag leven de mensen al in die toekomst. De kleine Baltische staat met slechts 1,3 miljoen inwoners wordt beschouwd als pionier op het gebied van digitalisering. Volgens de EU-commissie is Estland wereldleider, met name in de digitalisering van overheidsdiensten.  Overheden communiceren vrijwel uitsluitend online met burgers, net als particuliere bedrijven. Dit is mogelijk dankzij het digitale identiteitssysteem dat met e-ID werkt: een identiteitskaart met een chip en een persoonlijk nummer, die sinds 2002 verplicht is.

    Hoe ziet die digitalisering eruit in het dagelijks leven? Drie voorbeelden illustreren wat de rest van Europa van hen kan leren.

    1. Belastingaangifte

    Neemt het invullen van een aangiftebiljet vaak uren in beslag, Estlanders hebben er gemiddeld 3 minuten voor nodig. Belastingaangifte was de eerste dienst die online werd aangeboden, in 1999. Tegenwoordig geeft 98 procent van de bevolking zijn inkomen online op.

    Om de website van de belastingdienst te gebruiken moeten inwoners eerst hun identiteit digitaal verifiëren. In de virtuele wereld functioneert identificatie overal op dezelfde manier, ongeacht of iemand wil inloggen bij een belastingkantoor of bank, een factuur wil inzien op de website van een telefoonaanbieder of wil nagaan hoeveel punten hij heeft gespaard bij de supermarkt. Er zijn drie opties waaruit de inwoners kunnen kiezen.

    Gebruikers kunnen zichzelf identificeren met een fysieke identiteitskaart door een kaartlezer met de computer te verbinden en gebruik te maken van speciale software. De identificatie kan ook worden gedaan middels de mobiele ID-technologie, een speciale simkaart die bij telefoonmaatschappijen verkrijgbaar is, of met een app, smart ID geheten. Voor alle drie de varianten moet je een pincode invoeren.

    De reden dat de aangifte zo snel gaat is dat Estlanders feitelijk niets hoeven in te vullen. Estland hanteert het ‘éénmalig’-principe. Dit betekent dat informatie over een persoon slechts door één overheidsinstantie mag worden verzameld. Bijvoorbeeld: alleen de lokale gemeentelijke overheid mag een adres vragen, de belastingdienst moet deze informatie opvragen bij het register van de burgerlijke stand. Dit voorkomt verdubbeling van data-opslag en onnodige bureaucratie. En het bespaart een heleboel tijd.

    Maar hoe worden data uit een individueel register dan overgebracht naar een belastingaangifte? En is die data-uitwisseling echt veilig? 

    Belastingontduiking is vrijwel onmogelijk in Estland

    Erika Piirmets is consultant voor digitale transformatie bij E-Estonia, een informatiecentrum van de overheid. ‘Er is geen superdatabase waarin alle informatie is opgeslagen,’ legt ze uit. ‘In plaats daarvan slaat elke dienst de data die het verzamelt op in een eigen register.’ Decentrale opslag maakt het hackers moeilijker om in het systeem in te breken. Maar de overdracht van data houdt ook risico’s in, omdat overheden moeten garanderen dat onbevoegde personen onderweg geen inzage kunnen hebben in de informatie of die kunnen wijzigen.

    Sinds 2001 gebruikt het land een in Estland ontwikkeld platform dat X-road heet, en dat informatie in versleutelde vorm overbrengt voor het dataverkeer tussen de registers. De belastingdienst heeft via X-road toegang tot de registers van de burgerlijke stand, van bedrijven en van arbeidsbureaus. Er zit geen ambtenaar voor een computerscherm belastingaangiftes in te vullen; data zoals de naam, het adres en het salaris worden automatisch ingevoerd in het formulier. Via X-road worden jaarlijks twee biljoen transacties uitgevoerd. Estland gaat er prat op dat X-road de burgers elk jaar 1,345 jaar werktijd bespaart. Het is moeilijk te checken of dit waar is, maar dat het systeem voordelen heeft moge duidelijk zijn.

    Bovendien is belastingontduiking vrijwel onmogelijk in Estland. Ook wordt belastingaftrek automatisch berekend. ‘Het enige wat ik nog zelf moet invoeren zijn privé-investeringen, omdat de belastingdienst natuurlijk geen inzage heeft in mijn bankrekening,’ zegt Piirmets.

    2. Bezoek aan de dokter

    Je hebt al een paar dagen koorts, je bent benauwd en je hoofd klopt. Wat je in deze situatie niet wilt horen is: ‘Een ogenblikje geduld alstublieft. Al onze medewerkers zijn in gesprek.’ Toch komt in veel landen anno 2024 wie een dokter zoekt, automatisch in de wachtrij terecht.

    Online afspraken regelen is standaard in Estland. Inwoners kunnen inloggen bij de kliniek of de website van de dokter met hun identiteitskaart, hun mobiele ID of smart-ID, zoals eerder beschreven. Als ze in de praktijk aankomen hoeven ze geen formulieren in te vullen. Telefoonnummers, adressen en gegevens van de verzekering zitten al in het systeem. De dokter kent ook alle relevante gegevens – behalve de huidige gezondheidstoestand van de patiënt, die uiteraard onderzocht moet worden. Patiëntendossiers zijn sinds 2008 elektronisch.

    Door in te loggen in het gezondheidsportaal kunnen patiënten bovendien door hun eigen medische geschiedenis scrollen, waarin alle doktersbezoeken en diagnoses worden bijgehouden. Ook de doktersrecepten zijn hier opgeslagen. Inwoners hoeven in om het even welke Estse apotheek alleen hun identiteitskaart te overleggen om de voorgeschreven medicatie te krijgen. 

    Elke digitale transactie laat een spoor achter. Dit betekent dat niemand ongemerkt kan bespioneren

    Gegevens over gezondheid behoren tot de gevoeligste privé-informatie. Hoe kunnen Esten zo veel vertrouwen hebben in de staat en de mensen van de gezondheidszorg?

    ‘Het is geen kwestie van vertrouwen, maar van transparantie,’ zegt Piirmets. Ter illustratie logt ze in bij het burgerdashboard. Data, namen en links naar registers verschijnen in een lijst. Via dit platform kunnen inwoners alle data bekijken die over hen zijn opgeslagen. En, nog belangrijker, ze kunnen zien wie er toegang toe heeft gehad. Elke digitale transactie laat een spoor achter. Dit betekent dat niemand ongemerkt kan bespioneren – een risico dat altijd bestaat bij fysieke databestanden.

    Bij wijze van voorbeeld haalt Piirmets het geval aan van Michael Schumacher. Toen deze voormalig autocoureur behandeld werd in een ziekenhuis in Zwitserland, lekte iemand zijn medische dossier naar de media. De schuldige werd nooit gevonden omdat het onmogelijk bleek te achterhalen wie toegang had gehad tot de informatie. ‘Wij hadden hier in Estland een paar jaar geleden een soortgelijk geval. Het verschil was dat het, dankzij de datatracker, onmiddellijk duidelijk was wie het dossier had ingezien,’ zegt Piirmets. ‘Die persoon werd ontslagen en kreeg een levenslang verbod om in de gezondheidszorg te werken.’

    3. Een rampdag

    Digitale diensten zijn standaard in Estland, maar niemand wordt gedwongen om online met de autoriteiten om te gaan. Ruim 80 procent van de 16- tot 64-jarigen doet het vrijwillig. De digitalisering is in alle gebieden van het leven doorgedrongen. Contracten worden digitaal getekend, parkeergeld wordt per app betaald en tijdens festivals werkt het inleversysteem voor bierglazen via QR-codes.

    Waarom nu juist Estland zo snel heeft gedigitaliseerd is tenminste deels te verklaren vanuit de geschiedenis van het land. Toen Estland in 1991 uit de Sovjet-Unie stapte, moest de staat van de grond af aan opnieuw worden opgebouwd. Er was niet genoeg geld of personeel om traditionele bureaucratische structuren te herstarten. ‘En we moesten de corruptie uitroeien,’ zegt Piirmets.

    Het grootste gevaar in de digitalisering komt niet per se van hackers, maar van de gebruikers zelf

    De digitalisering heeft de transparantie verhoogd, maar brengt ook risico’s met zich mee. Op 27 april 2007 vielen Russische hackers Estland aan – met beperkt succes. De cyberaanval legde de websites van verschillende banken twee uur lang plat, en om redenen van staatsveiligheid haalde de regering haar online diensten offline. Er werden geen data gestolen, maar de gebeurtenis had wel een schokeffect. Sindsdien is er veel geïnvesteerd in cybersecurity. In 2017 openden Estland een data-ambassade in Luxemburg De belangrijkste data en systemen zijn daar gestald als back-up voor het geval servers in Estland worden vernietigd.

    Maar het grootste gevaar in de digitalisering komt niet per se van hackers, maar van de gebruikers zelf. ‘Het digitale identiteitssysteem is nooit gehackt,’ zegt Piirmets. Maar er zijn wel een paar gevallen geweest van pincodes die in verkeerde handen vielen, voegt ze eraan toe. ‘Mensen zijn uiteindelijk de zwakste schakel.’

    Lessen

    Volgens berekeningen van de Wereldbank bespaart het gebruik van digitale handtekeningen de Estlanders vijf dagen per jaar. Ook dit is moeilijk te verifiëren. Maar het is een feit dat digitalisering het dagelijks leven vergemakkelijkt en de bureaucratie vermindert – en het is zeker goedkoper.

    De belangrijkste reden dat digitalisering op deze schaal maar moeizaam op gang is gekomen, is een gebrek aan begrip. De angst voor datadiefstal domineert het mediadebat. Toch is een analoge staat niet veiliger dan een digitale. Papieren archieven kunnen worden bekeken, gekopieerd en gedistribueerd zonder dat iemand het merkt. In de virtuele ruimte laat elke inzage en elke actie sporen achter. Misbruik kan niet worden voorkomen, maar wel worden bestraft. Dankzij digitalisering krijgen de burgers weer controle over hun data.

    Transparantie is de belangrijkste factor in het succes van Estlands digitale diensten. Geen enkel systeem is volkomen veilig voor hackers, maar in Estland informeren de autoriteiten de bevolking preventief over mogelijke gevaren. Dit was bijvoorbeeld het geval in 2017, toen er kwetsbaarheden werden ontdekt in de beveiliging van de nieuwste ID-kaarten. Maar noch deze problemen, noch de aanval van Russische hackers in 2007 zorgde voor een ondermijning van het publieke vertrouwen in het systeem.

    Den digitale samenleving behoeft niet alleen technische oplossingen, maar vooral burgers die bereid zijn om ze te gebruiken

    Het tempo van de digitalisering in verschillende landen wordt vergeleken door uiteenlopende indicatoren te gebruiken die van studie tot studie verschillen. Volgens de EU-commissie maken Denemarken, Finland en Zweden goede vorderingen. Als het gaat om zaken als menselijk kapitaal (human resources) en connectiviteit lopen ze zelfs voor op de Baltische staten. Duitsland blijft achter, vooral wat betreft de digitalisering van overheidsdiensten, maar is nog altijd een stuk verder dan landen als Roemenië, Bulgarije of Griekenland, die op alle gebieden achterlopen.

    Deze landen zullen niet in staat zijn de achterstand snel in te halen. Dat moeten ze ook niet proberen. De geschiedenis van Estland leert ons namelijk dat een digitale samenleving niet alleen technische oplossingen behoeft, maar eerst en vooral burgers die bereid zijn om ze te gebruiken. Om dat te bereiken moeten ze een zeker minimumniveau van digitale kennis bezitten en de voordelen voor zichzelf inzien – zoals in drie minuten klaar zijn met je belastingaangifte.

  • Datacenters Duitse overheid moeten duurzamer worden

    Datacenters Duitse overheid moeten duurzamer worden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Lula wordt opnieuw president van Brazilië ‘dat niet meer hetzelfde is’

    » VS: grootschalige fraude met corona-uitkeringen

    Nog niet een op de drie datacenters draait op duurzame energie

    Klimaatbescherming en digitalisering zijn twee centrale doelstellingen van de federale regering in Duitsland. Maar de huidige coalitie worstelt met de combinatie van die twee. Zo worden de datacentra van de federale overheid op een veel minder milieuvriendelijke manier beheerd dan de faciliteiten van internetgiganten als Google, Microsoft of Amazon. Dat blijkt uit antwoorden van de regering op vragen in de Bondsdag door leden van Die Linke, aldus Freie Presse.

    Nog niet een op de drie datacenters van de federale overheid draait op elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Ter vergelijking: wereldwijd gebruikt zo’n 66 procent van de datacentra van Google hernieuwbare energie. In Duitsland behaalde het bedrijf sinds begin 2022 zelfs een aandeel van 80 procent. 

    In haar antwoord op de vragen belooft de Duitse regering dat het gebruik van duurzame energie binnen afzienbare tijd sterk zal verbeteren. Zo zal de elektriciteit voor federale instanties eind 2024 volledig moeten worden gedekt door hernieuwbare energie, ook in de datacentra.

    Lees ook:

  • Waarom we niet langer in de val van techniek moeten trappen

    Waarom we niet langer in de val van techniek moeten trappen

    Het antwoord op de schadelijke bijwerkingen van ons digitaliseringsenthousiasme is keer op keer: méér technologie. Het is hoog tijd voor een nieuw beeld van onszelf en van de natuur.

    De mens is een dier, en dus kwetsbaar. Als dieren maken we deel uit van natuurprocessen waaraan we ons moeten aanpassen. Die processen kunnen we weliswaar door wetenschap en techniek beïnvloeden, maar de gedachte dat we ze volledig zouden kunnen doorgronden en zelfs controleren is een gevaarlijke illusie. Zo heeft de pijlsnelle natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang sinds de industrialisering er mede aan bijgedragen dat we in dit tijdperk van de klimaatcatastrofe onze hoop al te letterlijk zien wegspoelen.

    De technologisering van onze leefwereld heeft niet alleen een verbetering van onze leefomstandigheden tot gevolg, maar grijpt ook diep in in natuurprocessen, zonder dat we de gevolgen kunnen overzien. Steeds opnieuw worden we door deze gevolgen overrompeld, waarna we de ongewenste schadelijke bijwerkingen van de moderniteit besluiten te compenseren door de technologisering nog eens te versnellen. Kortom: we zitten vast in een vicieuze cirkel waar we uit moeten zien te raken.

    Surrogaatwerkelijkheden

    In de afgelopen decennia zijn onzichtbaar smeulende brandhaarden veranderd in rampscenario’s die ons dagelijks leven op angstaanjagende wijze vormgeven. De algemene infrastructuurcrisis, die zich op allerlei manieren over heel Duitsland verspreidt, is – in combinatie met de merkbare effecten van klimaatverandering – uitgegroeid tot een tragische overstromingsramp [afgelopen zomer] die ook nog eens samenvalt met een pandemie die nog lang niet voorbij is. En zo komen de verschillende crisisfenomenen die zich de afgelopen decennia hebben opgehoopt tot een complexe meervoudige crisis in botsing met onze illusies over de werkelijkheid. De meest fundamentele illusie is de misvatting dat wij de gigantische problemen waarmee we als kwetsbare dieren te maken hebben door middel van technologie zouden kunnen verhelpen.           

    De vlucht in digitale surrogaatwerkelijkheden is deel van het probleem en brengt juist catastrofale gebeurtenissen voort. Wie meent het luchtalarm te kunnen vervangen door waarschuwingsappjes, of van een corona-app verwacht dat die een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het beëindigen van de pandemie, is slachtoffer van deze wereldvreemde vergissing. 

    Like na like, klik na klik, tweet na tweet dragen we bij aan de klimaatcatastrofe

    Like na like, klik na klik, tweet na tweet dragen we bovendien bij aan de klimaatcatastrofe omdat ook data CO2 uitstoten, om maar te zwijgen van de hardware van smartphones en tablets die voor ontelbare onlinemeetings en als tijdverdrijf worden ingezet en vandaag al het elektronisch afval van morgen vormen.

    Het is daarom hoog tijd om ons natuur- en mensbeeld radicaal te herzien. Een eerste stap in de juiste richting is de erkenning dat natuurwetenschappelijke modellen nooit toereikend zullen zijn om de werking van de natuur in en buiten ons helemaal te begrijpen.

    Bescheidener

    Het gevaarlijke idee dat we de huidige smeulende crisishaarden technocratisch zouden kunnen uitdoven, verergert de crises. ‘Technocratie’ staat voor de gedachte dat de wetenschap (een term waarmee ten onrechte meestal slechts naar een paar natuur- en technische wetenschappen wordt verwezen) aanbevelingen doet aan de politiek, die deze dan implementeert in haar beleidsterreinen. Maar wat de wetenschap ontdekt over de manier waarop de natuur functioneert, is nooit voldoende om politieke of zelfs ethische beslissingen op te baseren.  

    We staan in de eenentwintigste eeuw allang op een keerpunt in de moderne tijd. Het komt er nu op aan ons begrip van de verhouding tussen mens en natuur radicaal te herzien. De manier waarop we over de natuur denken moet bescheidener worden. De grote menselijke bijdrage aan de klimaatverandering is het resultaat van onze dwangmatige pogingen tot onderwerping van de natuur; de brute sociaaleconomische ongelijkheid op onze planeet is de uitkomst van een meedogenloze industrialisering en een puur economisch georganiseerde globalisering; de veelgeprezen digitalisering bevordert de klimaatverandering en zorgt bovendien voor een crisis van de democratie, omdat ze nieuwe vormen van verval van de openbaarheid veroorzaakt – zoals nepnieuws en sociale netwerken –, die dankzij de heersende aandachtseconomie het democratische zelfbestuur aantasten. Dat zien we niet alleen in de VS, maar ook in Duitsland.

    Het beeld dat ik hier schets is geen cultuurpessimisme; het gaat om een veranderbare stand van zaken

    Natuurlijk is er op zichzelf niets tegen natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang. Integendeel, we hebben er onder meer alternatieve vormen van energie en vaccins aan te danken. Maar wanneer de energietransitie halfslachtig wordt uitgevoerd en vaccins niet globaal op de juiste manier – dus ethisch doordacht – verdeeld worden, verslechtert opnieuw juist die situatie die we door snelle vooruitgang onder controle probeerden te krijgen.

    Transformatie

    Het beeld dat ik hier schets is geen cultuurpessimisme; het gaat om een veranderbare stand van zaken. Dat we inzetten op technocratie in plaats van op ethisch doordachte eigen verantwoordelijkheid van de mensen op alle niveaus van de samenleving (individu, familie, gemeenschap, bondsland et cetera) is een misstand die is ontstaan door een gebrek aan inzicht en kan worden verholpen.

    Wat wij nodig hebben is niets minder dan een volledige transformatie van onze samenleving. Deze moet niet langer door wetenschap en techniek worden bestuurd, maar vanuit de ethisch-filosofische reflectie over wie wij als mensen zijn en in de toekomst willen zijn. Dat veronderstelt dat we ons bewust worden van ons dier-zijn. Nooit zullen we in staat zijn alle ziekten en levensrisico’s te elimineren; nooit zullen we een infrastructuur en een maatschappijvorm kunnen realiseren die tegen alles bestand is. Op elk moment in ons leven is vrijwel alles in beweging zodat de stand van zaken steeds opnieuw moet worden bekeken, doordacht en aangepast om overeind te blijven. Wij kunnen alleen overleven als we ons bestaan voortdurend reorganiseren. 

    Wij zijn en blijven zolang we als soort bestaan gebonden aan de analoge werkelijkheid

    Dat in Duitsland de infrastructuur al enkele decennia op instorten staat onder druk van een versnelde moderniteit, is niet op te lossen met de kreet ‘digitalisering’. De verwoeste spoorwegen, bruggen en straten in het Ahrdal, de snelwegen, het railsysteem en, niet te vergeten, de geruïneerde schoolgebouwen waarin we onze kinderen op onverantwoordelijke wijze opleiden voor een leven vol verantwoordelijkheden – daar is een tablet niet tegen opgewassen. Het leven laat zich niet digitaliseren, wij zijn en blijven zolang we als soort bestaan gebonden aan de analoge werkelijkheid.

    Toekomstproject

    Daarom is duurzaamheid en niet digitalisering het toekomstproject waaraan we met z’n allen moeten werken. Analogisering in plaats van digitalisering. Concreet betekent dit dat we onze doelstelling – zowel individueel als collectief – moeten richten op dat wat bestaat, en hoe we vanaf daar uit kunnen breiden. In plaats van permanente revolutie vereist dit doordachte renovatie en voortdurende evaluatie, waarbij we afgaan op de natuurlijke omstandigheden zoals die in de loop van miljoenen jaren op onze planeet zijn ontstaan. De infrastructuur van onze steden en onze bewegingspatronen moeten zich aanpassen aan de reële behoeften van de mens als dier, wiens habitat (waartoe niet alleen de aarde zelf behoort, maar evengoed de in de loop van vele miljoenen jaren ontstane atmosfeer) we eenvoudigweg niet onder controle hebben.

    De destructieve hoge snelheid van de moderne tijd moet worden vervangen door een consequent onthaaste levensvorm, die niet van bovenaf wordt opgelegd, maar van onderaf ontstaat. Daartoe hebben we een nieuwe Verlichting nodig, die voor iedereen toegankelijk is.

    Om ware duurzaamheid te bereiken, moeten we werken aan onze kwaliteit van leven.  Onze maatstaven moeten veranderen. In plaats van kwantitatieve, meetbare, economische criteria moet kwaliteit van leven in onze democratische zelforganisatie centraal komen te staan. Wat we nodig hebben is een plek waar we goed en graag leven, in plaats van een land waarvan de infrastructuur en bureaucratie ons dagelijks bedreigen, overbelasten en deprimeren. De staat mag geen controleapparaat zijn dat buiten onze zelfbeschikking om opereert, maar moet door iedereen worden ervaren als iets wat we met onze kleine en grote beslissingen mede vormgeven, ook buiten verkiezingstijd om. Democratische zelfwerkzaamheid moet dagelijks gepraktiseerd worden. Binnen een democratie is politiek geen zaak van politici, maar van de soevereiniteit die ons allemaal op elk moment van ons leven toebehoort.

    De nieuwe Verlichting kan alleen plaatsvinden als het tijdperk van het leven aanbreekt, zoals filosoof Corine Pelluchon dat noemde [‘Les Lumières à l’âge du vivant’]. Het leven is onberekenbaar, maar het is mooi. De schoonheid van het leven is de bron van de zin, die in het leven zelf verscholen ligt. Wij ervaren die als de kwaliteit van leven, die onlosmakelijk verbonden is met onze dierlijke natuur. Daarom is het nu tijd om een politiek gericht op levenskwaliteit na te streven, waarin mens als dier centraal staat.

    Lees ook:

  • De toekomst van werk in een veranderende arbeidsmarkt

    De toekomst van werk in een veranderende arbeidsmarkt

    Niet alleen de pandemie heeft de manier waarop mensen denken over hun baan verandert. Ook andere ontwikkelingen, zoals voortschrijdende digitalisering en het groeiende aantal burn-outs, maken dat werk en de arbeidsmarkt aan een grondige herziening toe zijn.

    Heeft het kantoor nog de toekomst?

    In de afgelopen decennia veranderde het uiterlijk van veel kantoren drastisch.

    Aparte ruimtes en hokjes verdwenen en toepassingen uit de technologie werden geïntegreerd in open kantoorruimtes die geschikt waren voor werk in teamverband. Tegelijkertijd maakte digitalisering met e-mail, Google Docs, videoconferenties en Slack de aanwezigheid van werknemers in die kantoren minder essentieel. De pandemie maakte duidelijk dat veel werk ook elders verricht kan worden en wierp de vraag op waar het kantoor eigenlijk voor is: een plek voor nieuwelingen om te leren van ervaren collega’s? Een vorm om luiwammesen in de gaten te houden? Een ruimte voor samenwerking en sociaal contact?

    Een groot deel van Amerikaanse werknemers wil verhuizen uit de grote stad of heeft dat al gedaan

    Volgens Upwork, een platform voor freelancers, werkt 27 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking dit jaar op afstand en willen zo’n twintig miljoen werknemers verhuizen, of hebben dat al gedaan, velen van hen uit de grote steden. Leegstand in kantoren blijft stijgen. CBRE, ’s werelds grootste vastgoedadviesbureau, schat de leegstand van kantoren in San Francisco op ruim 16 procent, hoger dan ooit. Grote vastgoedbedrijven die voorheen recessiebestendig waren vanwege langlopende commerciële huurcontracten, hebben het afgelopen jaar ruim een derde van hun beurswaarde verloren. Kortom, er zal een nieuw evenwicht moeten worden gevonden.


    De ‘digitalenvaardighedenkloof’

    Digitalisering dwingt bedrijven om voortdurend hun bedrijfsmodellen en -processen aan te passen.

    Ondertussen merken werknemers dat ze, om mee te kunnen blijven gaan met die veranderingen, bereid moeten zijn om levenslang te leren. Maar uit onderzoek van Initiative21, een Duitse ngo die onderzoek doet naar de maatschappelijke uitdagingen van het digitale tijdperk, blijkt dat de ‘digitalevaardighedenkloof’ in Duitsland nog groot is. Zo is 59 procent van de internetgebruikers anderhalf jaar na het uitbreken van de pandemie nog steeds niet in staat een videoconferentie op te zetten. Slechts 20 procent van de mensen met een kantoorbaan beheerst een programmeertaal. Die hebben ze momenteel waarschijnlijk nog niet nodig, maar dat kan snel veranderen. De samenleving heeft behoefte aan ‘een beter begrip van onderlinge verbanden in tijden van digitalisering’, aldus Hannes Schwaderer, voorzitter van het D21-initiatief. ‘Een leven lang leren moet routine worden.’

    Sommige bedrijven in Duitsland hebben eigen opleidingen, maar dat is nog een zeldzaamheid. Experts verwachten dat dat in de toekomst gaat veranderen, omdat het opleiden van werknemers in alle sectoren steeds belangrijker wordt. Want hoe verder de digitalisering vordert, des te specialistischer de banen worden. Daardoor zal het voor bedrijven zonder eigen opleiding steeds moeilijker worden om geschikte medewerkers te vinden. (Focus, München)


    Meer dan alleen werk

    In aanloop naar zijn boek The End of Burnout: Why Work Drains Us and How to Build Better Lives, dat in januari verschijnt, publiceerde Jonathan Malesic onlangs een opinieartikel in The New York Times.

    Na bijna twee jaar massale werkloosheid en thuiswerken keren miljoenen mensen nu terug naar het ritme van de veertigurige werkweek en de droom van opwaartse mobiliteit, schrijft Malesic, ook al leidden die vóór de pandemie tot wijdverbreide ontevredenheid en burn-outs. Veel mensen zien werk niet alleen als een manier om de kost te verdienen, maar als cruciaal voor zelfontplooiing.

    De algemene gedachte is dat werk betekenis, zingeving en waardigheid verschaft en recht geeft op deelname aan de samenleving. Maar, aldus Malesic, je baan, of het ontbreken ervan, is niet bepalend voor je menselijke waarde. ‘We zouden moeten beginnen met het idee dat ieder van ons waardigheid heeft, of we nu werken of niet.’ De pandemie bewees dat: miljoenen verloren plotseling hun baan, maar niet hun waardigheid. Volgens Malesic is dit hét moment om te bedenken hoe we werk kunnen inpassen in ons leven: ‘De pandemie heeft ons eraan herinnerd dat we bestaan om meer te doen dan alleen maar werken.’ Zijn advies: zoek naar zingeving in dingen buiten je baan en pas je werk daarop aan, in plaats van andersom.

  • Vestagers plan voor een beter Europa

    Vestagers plan voor een beter Europa

    Volgens eurocommissaris Margrethe Vestager moeten alle lidstaten toegang hebben tot wetenschappelijk onderzoek van het hoogste niveau. En daarvoor moet iedereen toegang hebben tot digitaal onderwijs.

    ‘De belangrijkste les van de coronacrisis is dat digitaal onderwijs niet langer als een afzonderlijk eiland moet worden beschouwd, maar als een integraal onderdeel van elke vorm van onderwijs en opleiding.’ Dat zijn niet mijn woorden; ze zijn afkomstig van een docent die feedback gaf tijdens een stakeholdersvergadering. Volgens mij wordt een wezenlijk punt hiermee heel goed verwoord: digitaal onderwijs is inmiddels een integraal onderdeel van onze toekomst. Een uiterst belangrijke zaak.

    GettyImages 1229605958 2
    Twee leerlingen in Turijn volgen onlinelessen op de stoep van hun school uit protest tegen de lockdown in Italië. – © Nicolò Campo / Getty

    Daarom hebben wij voorgesteld om 20 procent van het Europees herstelfonds te investeren in de digitale transformatie. En twee van de zeven vlaggenschepen die we als prioriteiten in het herstel hebben bestempeld, zijn het bijscholen en omscholen van mensen en de modernisering van openbare onderwijsvoorzieningen.

    De eerste prioriteit richt zich op de factoren die digitaal onderwijs mogelijk maken. Wat moeten we doen om een digitaal onderwijssysteem te creëren dat goede resultaten boekt en voor iedereen werkt? 

    Zoals bij de meeste uitdagingen op onderwijsgebied moeten we jong beginnen. Daarom dienen we er allereerst voor te zorgen dat onze scholen voldoende zijn toegerust voor hun digitale transformatie. Er zal specifieke begeleiding worden ontwikkeld om ze in dit proces bij te staan. Daarbij zullen alle aspecten onder de loep worden genomen, van basale technologische apparatuur tot bijscholing van docenten op het gebied van innovatieve leermethoden.

    Momenteel heeft meer dan een op de vijf jongeren onvoldoende digitale basisvaardigheden

    Modernisering van het onderwijs gaat ook over het aanpassen van lesstof en leermethoden aan een compleet nieuwe technologische realiteit. We zullen een raamwerk ontwikkelen voor de inhoud van het digitaal onderwijs en met richtlijnen komen voor het gebruik van kunstmatige intelligentie en data bij het doceren en leren. Zo zorgen we ervoor dat we bij het doceren en leren het best en het veiligst gebruik kunnen maken van technologie.

    Onze tweede strategische prioriteit behelst het versterken van digitale vaardigheden en competenties. Momenteel heeft meer dan een op de vijf jongeren onvoldoende digitale basisvaardigheden. Mensen toegang geven tot bij- en omscholing is een absolute noodzaak. Om dat te bereiken moeten we er natuurlijk eerst voor zorgen dat docenten zelf zeker zijn van hun zaak en in staat zijn de juiste vaardigheden te verwerven. Daartoe zullen we onze huidige competentieprogramma’s uitbreiden. Tegelijkertijd zal er een nieuw certificaat worden gecreëerd dat als een soort ‘paspoort’ zal dienen, waarmee alle Europeanen hun digitale bekwaamheidsniveau kunnen aangeven. Een beetje zoals wat we nu al voor talen hebben, met allerlei verschillende scores waaruit je eventuele toekomstige werkgever kan opmaken hoe goed je Frans, Engels of Roemeens is.

    Net als bij ons onderwijsstelsel zal er geen digitale en groene transitie mogelijk zijn zonder een goed functionerend onderzoekssysteem. Een onderzoekssysteem dat voor baanbrekende en verkoopbare innovatie kan zorgen. En daarom is het tweede onderwerp waarover ik het wil hebben een nieuwe Europese Onderzoeksruimte.

    Onderzoek en vernieuwing

    Een vernieuwde Europese Onderzoeksruimte kan alleen tot bloei komen als we excellentie vooropstellen. De reusachtige verschillen die er momenteel in Europa bestaan qua investeringen in – en kwaliteit van – onderzoek leiden tot verloren kansen en verloren mogelijkheden. Alle lidstaten moeten daarom in staat worden gesteld wetenschappelijk onderzoek van het hoogste niveau op te zetten. Wij stellen voor dat lidstaten die nu onder het EU-gemiddelde zitten de komende vijf jaar hun totale investering in onderzoek en ontwikkeling (O&O) met 50 procent verhogen. Om hun onderzoekssystemen te hervormen en hun ambitie te vergroten, kunnen ze een beroep doen op EU-steun en dit onderdeel maken van hun herstelplan.

    We moeten ervoor zorgen dat de economie sneller baat heeft bij onderzoek en vernieuwing.

    Daarnaast stellen wij voor dat alle lidstaten boven op de doelstelling van 3 procent van het bnp, afkomstig van zowel private als publieke investeringen, hun publieke O&O-investeringen verhogen van de huidige 0,81 procent van het bnp tot 1,25 procent in 2030; ook willen we dat ze zich erop vastleggen om 5 procent van dit bedrag te bestemmen voor gemeenschappelijke programma’s en partnerschappen.

    Niet in de laatste plaats moeten we zorgen dat de economie sneller baat heeft bij onderzoek en vernieuwing. De excellentie van Europese onderzoekers wordt tastbaar en zichtbaar wanneer hun innovaties deel gaan uitmaken van ons dagelijks leven. Dit gebeurt gewoonlijk wanneer het hele onderzoekssysteem – of het nu gaat om universiteiten, industrie of openbare instellingen – samenwerkt om nieuwe inzichten de lange weg van initieel onderzoek naar vermarkting te laten afleggen.

    Dit is gebeurd met een van onze projecten, het Grafeen Vlaggenschip. In 2013 staken academische en industriële onderzoekers de koppen bij elkaar en beloofden ze grafeen gezamenlijk vanuit de laboratoria op de Europese markt te brengen. Tien jaar later spreekt het resultaat voor zich. We gebruiken grafeen in batterijen met een hoge capaciteit, in vliegtuigonderdelen en in motorhelmen, om maar een paar toepassingen te noemen. We hebben meer van zulke succesverhalen nodig.

    Ten slotte moeten we Europa helpen talenten aan te trekken en te behouden. Dit begint met de ontwikkeling van een toolkit om onderzoekers te ondersteunen. Daarbij zal naar alle aspecten van hun carrière worden gekeken, van mobiliteit tussen industrie en universiteit tot gerichte opleidingen. En dit zal als een pijplijn voor talent fungeren.

    Afsluitend kunnen we zeggen dat het Actieplan voor digitaal onderwijs en 
    de nieuwe Europese Onderzoeksruimte één en hetzelfde doel dienen: behalve dat ze ons voorbereiden op toekomstigeuitdagingen die vergelijkbaar zijn met die waarmee we ons momenteel geconfronteerd zien, moeten ze zodanige omstandigheden creëren dat Europa optimaal kan profiteren van zijn gezamenlijke digitale en groene transitie. Want die twee zijn momenteel harder nodig dan ooit.