Tag: Dirty Division

  • Majoor Salam: de schrik van IS

    Majoor Salam: de schrik van IS

    Hij drinkt twaalf blikjes Red Bull per dag, rookt als een ketter, en heeft zich door zijn dappere optreden in de strijd tegen IS een heldenstatus verworven in eigen land. Maak kennis met de Iraakse majoor Salam Jassem Hoessein.

    Een bomauto explodeert tegen de tank die voorop rijdt in de geblindeerde colonne van de eerste divisie van de Iraqi Special Operations Forces (ISOF-1). Majoor Salam Jassem Hoessein, wiens zwarte Humvee geparkeerd staat tussen de begraafplaats bij de Al-Karamamoskee en de grote antenne van het radio- en televisiestation Al-Mawsil, is voor het vallen van de avond de jihadisten komen jennen bij de oostelijke toegangsweg tot Mosoel.

    De schade is miniem. De ogen van de bataljonscommandant fonkelen en onder zijn dunne snor breekt een glimlachje door, half olijk, half zegevierend. Hij is trots op het offensief dat zojuist is afgerond op deze eerste november in de wijk Gogjali. Hij is de eerste die voet zet in het Iraakse domein van de jihadisten. Toch lijkt hij minder opgetogen over deze krachttoer dan over het succes van zijn tactiek. In plaats van frontaal aan te vallen heeft hij de wijk stukje bij beetje omsingeld en her en der een inval gedaan om de jihadisten in de war te brengen. Hoewel de bevelhebbers klaagden over de traagheid van het offensief, heeft hij tegen zijn mannen gezegd: ‘We hebben geen haast, ik wil geen verliezen.’ Uiteindelijk is hij de tweede divisie te snel af geweest en hier als eerste gearriveerd, waarmee hij het respect van zijn superieuren heeft afgedwongen.

    ‘Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’

    Binnen de Gouden Divisie zul je niet snel kritiek op hem horen, noch van gewone soldaten, noch van officieren. De bevelhebbers waarderen deze vrijbuiter, die geen blad voor de mond neemt en over een gestaald karakter beschikt. ‘Salam is uniek. Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’ erkent kolonel Arkan, die het offensief van de internationale coalitie tegen IS leidt. De commandant van de Counter Terrorism Service (CTS), Taleb Al-Chigati, noemde hem voor de camera’s een keer ‘mijn zesde zoon’. ‘Majoor Salam heeft de mentaliteit, de kracht en de passie,’ vertelt de 36-jarige Mohanad. Op zijn telefoon laat de ordonnans een foto zien van zijn zoon van vijftien maanden, die hij heeft vernoemd naar… Salam.


    Met zijn 37 jaar is Salam Jassem Hoessein, die bekendstaat om zijn menselijke benadering zonder daar een religieus etiket op te plakken, de belichaming geworden van de strijd tegen IS, maar ook van de hoop van een verscheurd Irak. Dankzij zijn militaire kunststukjes kreeg hij in juni 2015 de leiding over de grondoperaties, beginnend met de herovering van Ramadi, de hoofdstad van de soennitische provincie Anbar. Toch zal de majoor niet de held van de bevrijding van Mosoel zijn. Eind december 2016 vloog hij naar de Verenigde Staten om in rang te worden bevorderd. ‘Dat ik een voet in Mosoel heb gezet is me genoeg,’ verzekert hij. Voor de speciale eenheden, die ernstig door de jihadisten op de proef werden gesteld, zou een nederlaag een gevoelige klap zijn geweest.

    Salam Jassem Hoessein is het sprekende voorbeeld van de mentaliteit die de Amerikanen de speciale eenheden, die ze in 2003 tijdens de invasie van Irak in het leven hebben geroepen, hebben ingeprent. Op zijn 24ste werd hij na vier maanden opleiding in Jordanië opgenomen in een keurcorps van zestig rekruten. Hij had niets tegen zijn familie gezegd en liet twee jaar niets van zich horen. Hij wilde niet het risico lopen dat zijn vader hem terugriep. De vader van Salam, een oud-militair die was getekend door de Iraaks-Iraanse oorlog (1980-1988), had hem eerder al verboden het leger te gaan. De jongeman ging Engels en Hebreeuws studeren in de hoop de belangstelling van de inlichtingendiensten te wekken.

    De nieuwe elite-eenheid, ICTF (Iraqi Counter-Terrorism Forces) gedoopt, die de Amerikanen vergezelt tijdens speciale missies, verenigt Arabieren en Koerden, soennieten, sjiieten en christenen onder een zelfde vlag. ‘Met ons weten de Amerikanen zich verzekerd dat er, als ze uit Irak vertrekken, jongens achterblijven die bij hen zijn opgegroeid en naar hun model zijn gevormd,’ legt majoor Salam uit. ‘Militair gezien, maar ook door de manier waarop we verbroederen en contact leggen met de burgerbevolking.’

    Deze mentaliteit heeft zich allengs verspreid toen de antiterrorisme-eenheden zich vanaf 2006 met andere eenheden versterkten. Aan het hoofd van de ICTF, die alleen maar een bataljon van de ISOF is, zet majoor Salam deze traditie voort. Majoor Salam heeft een bijnaam overgehouden uit de tijd waarin de elitesoldaten hun identiteit geheimhielden, om represailles te vermijden van de sjiitische milities van het leger van Mahdi, dat van 2004 tot 2008 oorlog voerde tegen de Amerikaanse bezetting en de soennieten, of van de soennitische jihadisten van Al-Qaida in Irak; zijn dienstnummer ‘vijftig’. Tegenwoordig is zijn naam ook aan de andere kant van de frontlinie bekend. Toen hij op 9 juni gewond raakte in Falluja juichten de IS-strijders. ‘Op hun radio hoorden we dat ze elkaar feliciteerden omdat ze hem hadden gedood. We moesten foto’s van hem nemen in het ziekenhuis om te laten zien dat hij nog leefde,’ vertelt soldaat Thaer Bidan (39). Kolonel Arkan kan zich die dag nog goed herinneren: ‘Hij was op ongedekt terrein. Ik had hem gezegd dat hij zich niet moest verroeren, maar hij wilde met alle geweld die schutters uitschakelen. Het scheelde maar zes centimeter of hij was dood geweest…’

    ‘De pijn, het bloed en de dood waren zo dichtbij,’ herinnert majoor Salam zich, die voortaan met een aantal metaalscherven in zijn schedel door het leven moet. ‘Het stemde me treurig dat de vijand sneller was dan ik.’ Half grappend verzekert hij dat de Red Bull hem heeft gered, door te voorkomen dat hij bewusteloos raakte. Hij drinkt meer dan een dozijn blikjes energiedrank per dag. De dag na de operatie liet hij een voorraad in het ziekenhuis bezorgen, samen met een slof Dunhill, waarvan hij de ene met de andere aansteekt. Drie weken later zwoer hij dat hij naar Mosoel zou gaan, tot groot verdriet van zijn vrouw en zijn zoon van tien.

    Hoewel zijn roem al gevestigd was, groeide hij na het ongeluk in de ogen van veel Irakezen uit tot een icoon. Op de sociale netwerken verschijnen duizenden berichten en fotomontages om de batal (het Arabisch woord voor ‘held’) te eren. Zowel op straat als aan het front wordt hij staande gehouden voor een selfie. Majoor Salam ondergaat het allemaal met ongeveinsd plezier, gevoelig als hij is voor zijn imago en de weerklank van zijn heldendaden. Hij kan geen nee zeggen tegen de menigte Iraakse en buitenlandse journalisten die de wapenfeiten willen optekenen van degene die ze tot het boegbeeld van de strijd tegen het terrorisme hebben verheven. De Iraakse militairen en politici zien hem als een sterke troef: deze moderne ridder past bij het beeld dat de door religieuze en politieke twisten verdeelde staat zich wil aanmeten om het hart van de bevolking te herwinnen.

    ‘We pakken de vijand op een smerige manier aan. We moeten wel. Je gaat niet op de deur van de vijand kloppen’

    De sjiitische majoor Salam bewaart aan zijn jeugd onder het regime van Saddam Hoessein de geïdealiseerde herinnering aan een multireligieus Irak, waarin soennieten en sjiieten elkaar niet naar het leven stonden. Hij verbiedt dat de voertuigen van zijn bataljon de vlag van de sjiitische imam Hoessein voeren. Maar onder zijn 450 manschappen heeft hij deze geloofsvermenging niet kunnen realiseren. Ze zijn bijna allemaal sjiitisch. ‘De soennieten willen niet komen,’ legt hij uit. ‘Voor een soenniet is het moeilijk om tegen zijn eigen volk te vechten. In Ramadi noemden de mensen ons Iraniërs! Het is ook hun eigen schuld. De islamitische partij heeft hen opdracht gegeven het leger te boycotten.’

    Het is een mooie rol voor Salam en zijn mannen om in de voorste linie te staan bij de herovering van Mosoel en de soennitische gebieden die onder IS hebben geleden. Bij elke missie, bij elk contact met burgers straalt de officier respect en welwillendheid uit. ‘De mensen doen een beroep op me, vragen me hun huis te beschermen of hun verwanten te zoeken. Dat doen we,’ zegt hij. Al erkent hij dat het soms wat schizofreen is. ‘Het is een strijd tussen goed en kwaad op zichzelf. Eerst verwoest je moskeeën en huizen, daarna red je mensen en bevrijd je een stad.’ Nog niet zo lang geleden nam Salam zelfs deel aan een klopjacht op soennieten die was georkestreerd door de voormalige premier Nouri Al-Maliki, tijdens de laatste twee jaar van diens mandaat (2012-2014). ‘Dat was fout,’ erkent hij. ‘Maar het was ons werk!’

    En daarvan accepteert hij zowel de goede als de kwade kanten. Zoals dat de Gouden Divisie de bijnaam ‘Dirty Division’ kreeg na de jarenlange klopjacht op de sjiitische militie van het leger van Mahdi, een militie die in 2003 was opgericht door de sjiitische bevelhebber Moqtada Al-Sadr om tegen de Amerikaanse bezetter te vechten. ‘Mooie naam vind ik dat wel, “Dirty Division”,’ zegt hij, alsof hij een lange neus trekt. ‘We pakken de vijand op een smerige manier aan. We moeten wel. Je gaat niet op de deur van de vijand kloppen. Als we iemand niet gevangen kunnen nemen, hebben we het recht hem te doden. We kennen geen grenzen. En als we op het verkeerde doel mikken, is dat de schuld van de informant.’

    Majoor Salam heeft het nooit over wraak, zelfs niet op zijn nieuwe vijand. Daarover praat hij eerder op een zowel respectvolle als uitdagende toon. Hij zegt dat hij hun soldaten wil begrijpen om hen beter te kunnen bestrijden. Dat hij wil begrijpen hoe het komt dat zo veel mannen bereid zijn zichzelf op te blazen. ‘De strijders van IS geloven heilig in wat ze doen, en ze werken er hard voor,’ analyseert hij. ‘Die methodes van hen, de aankondiging van het kalifaat: ze hebben alles mooi op een rijtje gezet voor de mensen. Ze hebben hen laten geloven in wat ze zeiden.’ Salam verzekert dat hij hen niet tot elke prijs wil onderwerpen. Hij herinnert eraan dat er tijdens de gevechten in Ramadi en Falluja ‘onderhandse akkoorden zijn gesloten’ om de jihadisten te laten vluchten. ‘Ik accepteer alles wat het leven van mijn soldaten en de burgers kan redden. Daarvoor zou ik zelfs bereid zijn contact met de vijand op te nemen,’ zegt hij.

    Kritiek op politici

    De oplossing, zo weet hij zeker, zal niet van het leger komen. ‘Wij vechten om niets. Als we zo doorgaan, hebben we geen enkele toekomst.’ Hij zit vol kritiek op de politici die verantwoordelijk zijn voor het verval van Irak: ‘Ik vecht voor een land waarvan de leiders stelen. Velen van hen zijn verantwoordelijk voor de komst van IS, Maliki in het bijzonder. Hij is een vader die zijn gezin heeft verlaten. Het was zijn verantwoordelijkheid het Iraakse volk te beschermen.’ Hij hekelt de koppigheid van de sjiitische autoriteiten in Bagdad, die nog altijd niet begrijpen dat je de soennieten een opleiding en werk moet geven om ze niet in de armen van IS te laten vallen. En voor de vijandigheid tussen degenen die IS steunen dan wel verwerpen heeft hij ook geen goed woord over. ‘De families van IS-strijders worden uitgestoten zodra er een naar het front vertrekt. De regering moet de anderen beschermen, zodat er geen nieuwe IS ontstaat.’

    Heeft de held nog andere ambities? Wil hij ermee stoppen? Hij verzekert van niet en zegt dat hij, zodra hij terug is uit de Verenigde Staten, terug wil naar het slagveld. ‘Ik speel graag met bulldozers!’ zegt hij lachend bij de herinnering aan de tijd dat hij deze via zijn radio naar plekken dirigeerde waar bomauto’s moesten worden tegengehouden. Binnenkort zal IS waarschijnlijk uit zijn land zijn verjaagd. Maar tegen welke prijs? ‘Deze oorlog heeft ons nog niet verwoest, maar ons trainingsniveau is afgenomen en we hebben veel manschappen verloren omdat er mensen zijn die niet begrijpen waarvoor deze elite-eenheden bedoeld zijn.’ Salam Jassem Hoessein is ondanks alles klaar voor de volgende strijd. ‘Die zal,’ voorspelt hij, ‘gericht zijn tegen bepaalde milities die criminele en religieuze activiteiten ondernemen.’

    Auteur: Hélène Sallon
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.