Tag: dokter

  • Het Jeruzalemsyndroom. De vloek van de verdeelde stad

    Het Jeruzalemsyndroom. De vloek van de verdeelde stad

    In geen enkele stad ter wereld draait het dagelijks leven zo om religie als in Jeruzalem. ‘De Stad van de Vrede’ – die ironisch genoeg nooit vrede heeft gekend – herbergt zelfs burgers met het zogenoemde Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.

    Keuze uit ons archief

    Al eeuwenlang is Jeruzalem een stad die betwist wordt door christenen, moslims en joden. Ook nu zwelt het conflict tussen Israël (joods) en Palestijnse groeperingen (islamitsch) weer aan na hard optreden van de Israëlische politie tegen Palestijnse betogers bij de Al-Aqsamoskee op de Tempelberg – belangrijke heiligdommen van beide religies –, waarop Hamas reageerde met een spervuur aan raketten. Wat is toch die speciale kracht van Jeruzalem die het hart en hoofd van vele gelovigen op hol brengt, zelfs in zo’n mate dat er een syndroom naar is vernoemd? Dimitrij Kapitelman – atheïst, maar van joodse origine – zocht het uit.

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 138, april 2018.

    In de waarschijnlijk meest gloedvol beschreven stad aller tijden is het deze decemberavond rustig. Bedeesd bijna. In elk geval binnen de majestueuze muren van de Oude Stad. Niet dat er een sacrale stilte hangt, eerder een geconcentreerd zwijgen. Zodra de handelaren hun souvenirshops op slot doen, raken de dicht opeen gelegen, heuvelachtige steegjes tussen de hoge muren van Jeruzalem leeg. Uit de portofoons van de Israëlische soldaten die overal tussen de rijen huizen in groepjes op wacht staan, knetteren korte mededelingen. Het is 18 december 2017.

    Twaalf dagen eerder heeft de Amerikaanse politieke komediant Donald Trump aangekondigd dat hij het gedeelde Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent. In het Joodse West-Jeruzalem is de zevende kaars van de chanoekia [de negenarmige kandelaar die met Chanoeka wordt gebruikt] ontbrand, in het oosten de woede van de Palestijnen over dit goddeloze paternalisme. De zogeheten Arabische wereld heeft Dagen van Woede afgekondigd. Jeruzalem heeft koorts. En als Jeruzalem koorts heeft, loopt de temperatuur van de hele mensheid op. Van Bali tot Berlijn klinken brandende redevoeringen, worden dure eden gezworen en wapperen de vlaggen. En dooft het levenslicht.

    Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt?

    Ondertussen stinkt de Via Dolorosa, de lijdensweg waar Jezus ooit zijn kruis overheen sleepte, naar de pis van de krolse katers die je overal in de steegjes van de Oude Stad hoort krijsen. Tegenover het geboortehuis van de Maagd Maria staan twee lege diepvrieskisten met reclame van Ola. Iets verderop verwisselen Arabischsprekende bouwvakkers putdeksels.

    Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt? Waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam voor hij tijdelijk overleed om vervolgens in de Kerk van het Heilig Graf te worden opgebaard? Waar de profeet Mohammed opsteeg naar het hemelrijk met achterlating van de Rotskoepel? Waar de tempel van de joden heeft gestaan en waar ze aan de laatst overgebleven muur daarvan, de Klaagmuur, nog altijd bidden? En waar ze zelf in 2004 een heel grote en veel beklaagde muur hebben gebouwd om zich hermetisch af te sluiten?

    Lees ook:

    Heiligdomhoppen

    Door een beetje heiligdomhoppen kun je de symbolen van de drie wereldgodsdiensten in een kwartier aflopen. En door slechts één keer in deze stad te verblijven kun je je verstand kwijtraken. Of God vinden. Of je verstand kwijtraken én God vinden. Of God en dus pas eigenlijk je verstand vinden. Of toekijken hoe God zijn verstand verliest. De wisselwerking tussen deze vondstverlies-verliesvondsten is in Jeruzalem omstreden. Maar dat ze bestaan, valt niet te bestrijden.

    Er is een officieel erkende psychose die alleen in deze stad optreedt: het Jeruzalemsyndroom. Overweldigd door de alomtegenwoordigheid van het hemelse gaan sommige toeristen − het maakt niet uit van welke religie − denken dat ze een heilige zijn. Een engel, een apostel, soms zelfs de op dat moment wedergeboren messias. Eerst stoppen ze met slapen, dan met lichaamsverzorging en ten slotte met hun gehele burgerbestaan tot dan toe. Gehuld in beddenlakens zwerven ze door de stad en verkondigen psalmen, hun eigen wedergeboorte, soms het naderende einde.

    Uit de vakliteratuur komt niet naar voren of de alomtegenwoordigheid van de hemel in deze stad echt de ziekteverwekker is, of juist het blijkbaar teleurstellende ontbreken daarvan: de onbeheerde Ola-diepvrieskisten, het onderhoudswerk aan putdeksels. Hoe dan ook, meestal laten de zelfverklaarde verlossers zich met klinische zorg en kalmeringsmiddelen van gemiddelde sterkte weer tot individuen terugverplegen.

    De ‘Stad van de Vrede’ heeft de facto nooit vrede gekend

    Toch lijkt het nog krankzinniger dat uitgerekend de voor miljoenen gelovigen wereldwijd heiligste plaats op aarde, Yerushalayim − etymologisch: ‘Fundament van God’ of ook ‘Stad van de Vrede’ − de facto nooit vrede heeft gekend. Dit feit is bij wijze van spreken een nog kolossaler Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.

    Het gaat dus om gezond mensenverstand en het begrijpen van God in Jeruzalem. Om vermijdbare misvattingen en openbaringen, krampen en verlossingen, wonderen en niet-wonderen die hier elke dag opnieuw worden vastgesteld, alsof ze even natuurlijk zijn geschapen als de mens zelf.

    Op een bepaalde manier wordt de grootste psychiatrische kliniek van Jeruzalem, Kfar Shaul, omringd door geestelijke blijmoedigheid. Ertegenover staan twee synagogen en twee joods-orthodoxe godsdienstscholen, waar ook iedere dag en even onverstoorbaar wereldbeschouwingen worden ingestudeerd. Maar als je de leerlingen van de jesjiva naar de kliniek vraagt die een paar meter verderop staat, maken ze een wegwerpgebaar, alsof het een onwelkome indringer van wereldse verdwazing is.

    Achter de goed bewaakte ingang ligt geen knots van een kliniek maar een voormalig dorp, met verspreide huisjes en binnenweggetjes. Het Israëlische leger heeft de voorheen Arabische nederzetting in 1948 bezet. Nou ja, eigenlijk ligt er voor de ingang nog, naast een palm, een man met zijn gezicht in de modder van het grasveld. Naar zijn vuile kleding te oordelen ligt hij er al een hele tijd. Vlak daarnaast zit een groepje sombere patiënten op een houten bank naar droevige muziek te luisteren, het klinkt als een vooroorlogse crooner, maar dan op zijn Hebreeuws.

    ‘Het leven in de kliniek heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen’

    Een paar meter verder klinkt uit de kliniek martiaal geschreeuw: de kleine fitnessruimte. Een kamer verder, in het zogeheten resocialiseringscentrum, zit een man met een volle baard en roodomrande ogen in zijn eentje achter de computer en bekijkt aanbiedingen voor cruises in de Cariben. Dr. Gregory Katz is de hoofdarts van Kfar Shaul. Als overtuigd zionist emigreerde hij in 1989 vanuit Moskou naar Jeruzalem, vertelt hij. Hij is mager, begin vijftig en praat vermoeid maar geconcentreerd. Hij was er ook van overtuigd dat het Joodse volk op de berg Sion, de oorsprong van hun geloof, thuishoort. Maar van die overtuiging is nog maar weinig over en godsdienstig is hij überhaupt nooit geweest. ‘Destijds in Rusland leken joden me bijzonder, op een of andere manier verlichter, voor iets voorbestemd. Maar het leven hier heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen. En dat een idee altijd alleen een idee blijft.’

    Katz heeft het Jeruzalemsyndroom niet direct ontdekt (de eerste teksten waarin van een dergelijk syndroom sprake is dateren al uit de zestiende eeuw) maar wel in toonaangevende medische tijdschriften beschreven. En hij heeft meer patiënten met het Jeruzalemsyndroom behandeld dan enig ander. Hoewel ook dat aantal overzichtelijk blijft: vroeger waren het ongeveer vijf tot zes gevallen per jaar. De zuivere vorm, waarbij een tot dan toe psychisch onopvallende persoon in Jeruzalem manisch wordt, komt toch al extreem weinig voor. In de regel is het type B: mensen met een bestaand ziektebeeld dat in Jeruzalem heviger wordt.

    ‘Alles bij elkaar is het een ziektebeeld dat verdwijnt. Pelgrims kunnen de Oude Stad op Google Street View tot in detail bekijken. Daarom blijft de shock na aankomst uit. Bovendien reizen mensen meer, zijn ze beter opgeleid er geloven ze niet meer zo direct in religie en wonderen’, vertelt Katz

    De laatste keer dat hij een patiënt behandelde, was een halfjaar geleden. Een wat oudere Engelse toeriste, protestants, die dacht dat ze een heilige was en die een eind wilde maken aan het conflict in het Midden-Oosten. ‘Een ernstig geval, omdat ze leed aan eeen bipolaire stoornis en er rotsvast van overtuigd was dat ze een directe verbinding met God had.’

    ‘Maar hoe kun je iemand op een geloofwaardige manier, met argumenten uitleggen dat hij geen rechtstreekse verbinding met God heeft?’

    ‘Dat is ook onmogelijk. Als ze een aanval krijgen, geven we ze medicijnen.’

    ‘Wat geeft u de zekerheid dat medicijnen een goede uitleg kunnen vervangen?’

    ‘Je kunt dit probleem niet filosofisch oplossen. In individuele gevallen zijn medicijnen veel praktischer. Zeker, een religieus iemand gelooft dat God alles ziet en dat hij onder Zijn hoede staat. Na het bidden ervaart hij een zekere extase, een zekere band met God. Daar is bidden tenslotte ook voor. Maar als iemand stemmen hoort die van God komen en die hem concrete opdrachten geven, bijvoorbeeld om zich uit te kleden, dan zijn dat hallucinaties.’

    ‘Denkt u dat de meeste mensen in Jeruzalem een gezonde verhouding tot het geloof hebben?’

    ‘U kunt zich niet voorstellen hoe verschillend mensen zijn. We kunnen ze niet over één kam scheren. Iemand die in een ultra-orthodox gezin is opgegroeid kijkt op een bepaalde manier naar de wereld. Goed of niet goed: het is een andere wereld. Ja, de joodse godsdienst kent heel veel concrete voorschriften. Dat kan de basis vormen voor een manie. Maar uit onderzoek blijkt dat godsdienstige mensen minder vaak aan psychische ziektes lijden. Dat ze minder vaak zelfmoord plegen, meer motivatie hebben, na lichamelijke kwalen sneller weer gezond zijn.’

    ‘Anderzijds heeft religie er aantoonbaar toe bijgedragen dat de Stad van de Vrede altijd omstreden is gebleven, en nu gedeeld is. Het heeft geleid tot zelfmoordaanslagen en een schijnbaar onoplosbaar conflict.’

    ‘Ja, maar dat is het principiële probleem van ideeën. Groepsideeën als religie of nationalisme leiden altijd tot felle discussies. Wie aan een bepaalde god gelooft en daarnaar leeft, zal altijd in conflict komen met andersdenkenden. Natuurlijk, je kunt cynisch worden en nergens in geloven. Dan wordt het makkelijker en heb je geen last van tegenspraak. Maar kan een mens überhaupt zonder ideeën leven? Ik betwijfel het.’ Na een korte denkpauze voegt Katz eraan toe: ‘Zo ambivalent is de mens nu eenmaal.’

    ‘En uw eigen idee? U bent een niet-gelovige Jood, en een cynicus lijkt u me ook niet.’

    ‘Ik teer op de resten van mijn humanisme.’

    ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab’

    Omdat humanisme goed is, maar metaalscanners beter, staat er altijd een tiental securitymannen bij de ingang van het hoofdbusstation van Jeruzalem. Een paar dagen eerder stak een jonge Palestijn een van deze mannen een mes in de borst. Misschien het begin van de gevreesde Derde Intifada. Of alleen maar een van de gebruikelijke, als alledaagse angst geïnternaliseerde basisgruwelen in deze verscheurde stad.

    En toch komt ook het gelukkige, domweg onbezorgde Jeruzalem steeds opnieuw te voorschijn. De vader met lange lokken voor zijn oren die zich bij het verkeerslicht omdraait naar zijn kinderen op het achterzitje om een liedje te zingen of met ze te praten. De monnik die op een biscuitje staat te kauwen. De rabbi die, moge het Gode welgevallig zijn, naar een van de vele over de hele stad verspreide lottokantoortjes loopt om een kraslot te kopen. De kleine Ali die in een van de uitgestorven maar zeer steile straatjes in de Oude Stad op zijn brandweerwagen naar beneden suist, aangevuurd door zijn twee zusjes die in koor scanderen: ‘Ali, Ali!’

    Hemelsbreed vijftig meter van de onverschrokken Ali de brandweerman staat de Verlosserskerk, omringd door louter handelaren die van hun religieuze relikwieën af willen: kruisjes, iconen, beschilderde houten eieren, sieraden. Allemaal schelden ze op Trump, die uitgerekend in de kersttijd de toeristen heeft afgeschrikt.

    Kafr Aqab

    En dan is er nog de onbeschrijfelijke wijk die niemand wil hebben. Toen in het stadhuis van Jeruzalem voor de laatste keer over Kafr Aqab werd gesproken, was dat om te bezien of de wijk niet afgescheiden moest worden en overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit, die daar ook al niet buitengewoon happig op was. Tot 2004 was Kafr Aqab een onopvallende burgerlijke nederzetting met twaalfduizend voornamelijk islamitische inwoners. Officieel hoorde ze bij Jeruzalem, waaraan ook belasting werd betaald. Toen bouwde Israël de grensmuur en lag Kafr Aqab opeens op de Westelijke Jordaanoever. Dit leidde ertoe dat het stadsbestuur zich nauwelijks meer om de verwilderde wijk bekommerde, waarna die er een bouwboom inzette die het inwonertal deed vervijfvoudigen.

    Door de hoofdstraat van deze onbeschrijflijke wijk, Ramallah Road, persen zich vergeefs toeterende en God noch gebod erkennende auto’s. Hoog in de lucht stapelen bouwkranen nog meer flats op elkaar. Het kleurrijkst in deze troosteloze berg beton zijn de talloze kinderen en de enorme hoeveelheid vuilnis langs de straten. ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab. Niemand die vraagt wie u bent of waar u vandaan komt. Hier bestaan geen verkeersregels, geen politie, geen justitie,’ zegt de 69-jarige Munir Zagheir. Het buurtcomité heeft hem gekozen als hun vertegenwoordiger. Als de pseudoburgemeester van Jeruzalems onbeschrijflijke wijk in woede ontsteekt − over huizen die op instorten staan, de marginale drinkwatervoorziening, de leeggeroofde scholen of de drugsdealers − vormen zich in zijn mondhoeken speekselresten zo groot als een kwartje. Die hij even vastberaden wegslikt als zijn voortdurende hoest.

    Een van Zagheirs grootste professionele successen is dat hij voor een Israëlische administratieve rechtbank een bodemsanering van Kafr Aqab heeft bevochten. ‘Ik heb de rechtbank duidelijk gemaakt dat ik wel honden en katten bij de vuilnishopen kan weghouden, maar vogels niet, die vervolgens met hun bacillen over de apartheidsmuur naar West-Jeruzalem vliegen.’

    ‘Het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt’

    In de ontvangstruimte van zijn huis hangen aan de muur portretten van zijn oudste zoon en van sjeik Ahmad Yassin, een van de oprichters van Hamas. Zagheirs positie is even duidelijk, maar helemaal onverzoenlijk is hij niet. De grenzen van 1967, Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de soevereine staat Palestina, en dan vrede. Soms vertelt hij met zijn stralend groene ogen dat alleen wie bloemen zaait, bloemen kan oogsten. Dan weer spreekt hij met kleurloze ogen over soldaten, tegen de bezetting en gasmaskers. Toen het Israëlische parlement een paar weken geleden beraadslaagde over de afscheiding van zijn wijk, werd Zagheir uitgenodigd. ‘Ik heb gezegd: nooit van mijn leven. Want ze willen het leven in Kafr Aqab helemaal niet verbeteren. Het is alleen een demografische truc om het kiezersbestand te verschuiven ten guste van de orthodoxe joden in Jeruzalem.’

    ‘Is de ellende in Kafr Aqab het resultaat van religieuze conflicten?’

    ‘Nee, het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt. Wij moslims weten heel goed dat Jeruzalem voor alle drie de godsdiensten even belangrijk is. Waarom zouden wij dan de stad alleen voor onszelf willen? Ons aller leraar Jezus Christus predikte de wereld al: behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelden.’

    Schooluniforms

    Zagheir laat foto’s van de wijk zien: zonder vergunning neergezette gebouwen die de stad Jeruzalem inmiddels zelf moet huren voor privéscholen en klinieken. Vijf van deze wolkenkrabbers moeten worden afgebroken. Wanneer Zagheir de verslaggever door zijn wijk leidt, wordt hij onderweg door waanzinnig veel mensen gegroet. Hij kent ze allemaal, de schoolkinderen, shoarmaverkopers, sigarettenhandelaren en invaliden. ‘Salam Abu’, ‘Salam aleikum’, klinkt het uit de openstaande ramen. Een geliefd man in een liefdeloos oord. Wie wil, kan in Zagheir een profeet zien.

    Aan de met sloop bedreigde huizen wordt intussen stug doorgebouwd. Blok na blok. Of ze blijven, weten noch de bouwvakkers, noch de meubelverkopers op de hoek die de eveneens speculerende inwoners ijverig van lederen sofa’s voorzien. Op een paar balkons hangt al was te drogen, op de zevende verdieping hangen twee vogelkooitjes.

    ‘Als u me wilt verontschuldigen, ik moet nog iets zakelijks doen,’ zegt Zagheir na een kleine rondgang.

    ‘Mag ik vragen wat?’

    ‘Ik moet naar een naaiatelier.’

    ‘Een naaiatelier?’

    ‘Ja. Ontwerpen voor schooluniformen bekijken. Ik ben eigenlijk ontwerper.’

    De aanhanger van Hamas en vertegenwoordiger van de rechten van 58.000 mensen is twintig minuten later een schooluniforminspecteur geworden. Nauwkeurig bestudeert hij in het nabijgelegen Aram de op de Amerikaanse honkbalstijl gebaseerde jacks. Vierhonderd stuks voor de laatste klas van de Rhashadiaschool. Omringd door de al even geconcentreerde jacks evaluerende mannen van het atelier. De vrouwen blijven in de achterruimte achter hun naaimachines zitten, in een sober, geheel door videocamera’s bewaakt atelier. Uiteindelijk geeft Zagheir opdracht de rode kragen beter vast te zetten.

    Op de terugweg gaat de pseudoburgemeester binnendoor, door het vluchtelingenkamp Kalandia. Een kamp dat al meer dan dertig jaar bestaat en intussen qua infrastructuur wel een stad lijkt. Voor veel Palestijnen is het daarom het symbool geworden voor de nakba, de Verdrijving.

    Weer wordt Zagheir allerhartelijkst begroet.

    ‘Ze willen graag dat ik ook hier de boss word,’ geeft hij als reden voor zijn populariteit.

    ‘En wordt u dat?’

    Zagheir zwijgt even. Hoest. Onderdrukt zijn hoest weer.

    ‘Misschien. Maar het stelt hoge eisen aan je als je geliefd bent bij de mensen.

    ‘O ja, hoe dan?’

    ‘Je moet oprecht zijn. Van de mensen houden als van jezelf. Eerlijk en waarachtig blijven. Maar als je dat ter harte neemt, heb je ook succes.’

    ‘En beschikt u over al die deugden?’

    ‘Die heeft mijn godsdienst me geleerd.’

    Zagheir komt bij een kruispunt zo smal als een potlooddoosje. Drie vrachtwagens uit drie richtingen, zijn eigen gammele Toyota uit de vierde. Geen verkeersborden, geen regels. Met gebaren maken ze elkaar duidelijk wat ze willen en ze manoeuvreren langs elkaar terwijl het middaggebed van de muezzin over het onbeschrijflijke gebied schalt.

    Twee uur later zal er op Ramallah Road van begrip geen sprake zijn. Eerst is er extase, wanneer vijfduizend mensen met Palestijnse vlaggen naar de gehate grensovergang marcheren. Voor de Dag van Woede, met borden waarop staat dat Jeruzalem voor eeuwig bij Palestina hoort. Om dat mee te maken komen de burgers van Kafr Aqab trots uit hun tapijtenwinkels en garages, en staan ze op hun ongeautoriseerde en instortingsgevaarlijke balkons. Ze filmen met hun mobieltjes en zingen luidkeels. Al snel staan er barricades in brand en gooien schreeuwende jongeren uit Kafr Aqab stenen naar de soldaten. Totdat ze Israëlisch traangas inademen uit de lucht die even eerder vol was van enthousiasme.

    De nieuwe messias

    Omri Szmulewicz zit achter zijn MacBook in café HaMiffal in West-Jeruzalem, dat niets heeft meegekregen van de Dag van Woede die zich een paar kilometer daarvandaan afspeelt. HaMiffal was tot voor kort een leegstaand gebouw, nu is het superhip als verblijf voor kunstenaars uit de hele wereld. Op dit moment presenteert een Ierse kunstenares er werk dat ze, gezichten van haar onbekende mensen aftastend, met haar ogen dicht heeft getekend. Szmulewicz organiseert in HaMiffal alles wat met muziek te maken heeft. Hij zorgt voor het geluid en bespeelt zelf een groot aantal instrumenten. Daarnaast organiseert hij de fundraising voor een biomedische start-up. Maar zijn eigenlijke roeping, de reden waarom Szmulewicz überhaupt naar Jeruzalem is gekomen, heeft niets met biomedisch werk te maken. Eerder met psychologie. Hij wil de nieuwe messias worden. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik sinds mijn openbaring niet het gevoel heb dat ik de Ene ben,’ zegt hij. ‘Een stem in mijn hoofd zegt steeds opnieuw: jij hebt de gave, jij moet de boodschap verkondigen.’

    Szmulewicz is een uit de kluiten gewassen, modern geklede man van begin dertig met lang zwart haar en de aanstekelijke open grijns van een echte schelm. Hij beschikt over een aanmerkelijke tegenwoordigheid van geest, een bombastische welbespraaktheid en zelfspot. Het tegendeel dus van een in beddenlakens wandelende manische Jeruzalemsyndroomzwamneus, zou je denken. Zijn openbaring, of ‘opwekking tot de psycho magic’ zoals hij het zelf noemt, heeft ook niet plaatsgevonden op een heilige plaats, maar in een psychotherapeutische praktijk waar hij therapie volgde.

    Eigenlijk komt hij uit een welgesteld voorstadje van Tel Aviv. Met weldenkende ouders, een huis met kasten vol filosofieboeken en een frequent bespeelde concertvleugel in een woonkamer met glazen pui. ‘Waar ik weinig liefde heb ervaren en ben opgevoed tot scepticus.’ Daarom ook heeft hij in therapie geprobeerd het klaarblijkelijk nutteloze, naar contact snakkende kind in zichzelf te vermoorden. ‘Het zit op de punt van een driehoek. En wat ik ook probeer, ik slaag er niet in het te bereiken. Ik weet dat ik zal sterven als ik val. Ik zit gevangen tussen twee werelden. Ik word gruwelijk depressief, ga zitten, probeer een sigaret te draaien en val omlaag. Maar op dat moment verschijnen er engelen boven me die me opvangen. Ik haal drie keer diep adem, de drie beste ademteugen in mijn leven. Ik realiseer me dat ik het kan. Begin weer op te stijgen, langzaam, beetje bij beetje. Nu om het kind in mezelf te omarmen. En ik begrijp: dit is het dilemma van de mensheid. De top en de afgrond, het gewicht en de gewichtloosheid, het tijdrovende scheppen en het ellendig snelle verwoesten.’

    ‘God is precies de idee die je van de onverdraaglijkheid van de wereld redt, die met open ogen doet dromen’

    Sindsdien begrijpt Szmulewicz het leven als een magische droom die iedereen door liefde kan vormgeven. Daarbij ziet hij heel goed dat veel om ons heen een voorliefde heeft voor het doden: ‘Rationeel beschouwd is de wereld onverdraaglijk. En dat altijd geweest. Maar God is precies de idee die je van deze onverdraaglijkheid redt, die met open ogen doet dromen.’

    Szmulewicz wil een avondwandeling maken in de Oude Stad. Op weg daarheen zien we op veel gebouwen affiches hangen met het opschrift ‘God bless Trump’. De achtste kaars van de chanoekia is aangestoken, en de Mamilla Mall die naar de Oude Stad loopt, met zijn luxe winkels, is vol kleurige rijen lampjes en dikke portemonnees. ‘So, so you think you can tell heaven from hell?’ covert een grijze, orthodoxe man Pink Floyd op zijn gitaar. Zonder haast slaat Szmulewicz een van de stille zijstraatjes in. Toevallig lopen we tegen het kerkje van de Arameeërs aan, de eerste leerlingen van Jezus. Voor de onverlichte toeschouwer toevallig, maar voor Szmulewicz een teken.

    ‘Toeval bestaat niet. Vandaag moest ik deze plaats zien. Eraan herinnerd worden dat ook de grote godsdiensten een paar duizend jaar geleden zijn gevestigd door mensen met openbaringen. En dat geen van hen in zijn tijd erg geliefd was. Abraham heeft zijn familie verlaten om de epische weg naar het beloofde Land op te gaan. Jezus was een jood vol pretenties die iedereen tegensprak. Daarom is hij vermoord. Zelfs Boeddha kwam uit een streng religieus milieu en verklaarde ooit: u kletst allemaal maar wat. Religies hebben behoefte aan iemand die van tijd tot tijd de decadent geworden orthodoxie overwint.’

    Smalle treden leiden naar een dak waar je de gouden Rotskoepel bijna kunt aanraken. Eigenlijk is het een aaneengesloten areaal van daken, en ze zeggen dat je over deze daken de Oude Stad helemaal kunt doorkruisen. Achter de al-Aqsamoskee strekt zich de Tempelberg uit, daarboven schitteren zachtgouden sterren. Op een moment als dit is er misschien wel geen plaats op de wereld die wereldser is dan Jeruzalem.

    ‘We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten’

    Szmulewicz gaat zitten om te mediteren. Na ongeveer twintig minuten gaat hij verder: ‘Ik heb de laatste maanden zo veel tekens gekregen en gezien. Soms moet ik ergens aan denken, dan sla ik de kabbala op een willekeurige plaats open, en precies datgene waaraan ik dacht staat daar geschreven. Altijd als ik duistere gedachten krijg, klop ik driemaal op hout om ze te verdrijven. Zo doen wij joden dat. Toen ik het onlangs in de kelder van mijn ouders deed, vormde zich uit deze punten opeens een driedimensionale davidster om me heen.’

    Syndroomsteden

    Jeruzalem is niet de enige stad waaraan een bepaald syndroom is toegerekend.

    Heel ‘betoverend’ bijvoorbeeld is het Florencesyndroom. Dit al in het begin van de negentiende eeuw door de Franse schrijver Stendhal beschreven syndroom zou vooral kunstenaars overkomen die zich in Florence tegenover de alomtegenwoordige kunst opeens bewust worden van hun eigen onbeduidendheid. En als gevolg daarvan symptomen als ademhalingsproblemen en hartritmestoornissen ontwikkelen.

    Bekender is het zogenoemde Stockholmsyndroom, waarbij een gijzelaar tijdens een gijzeling sympathie voor zijn gijzelnemer ontwikkelt. Het omgekeerde bestaat ook: een gijzelnemer ontwikkelt positieve gevoelens voor zijn gijzelaar; in zo’n geval spreekt men van het Limasyndroom. Minder extravagant, maar niet minder ernstig is het New Yorksyndroom, dat paradoxaal genoeg niet het verlies van realiteitszin, maar juist het verkrijgen daarvan beschrijft. Achter een bedrukte stemming zitten existentiële angsten en depressies verborgen die zich voordoen bij jonge mensen die hopend op de American dream en een succesvol leven naar New York komen. Om dan te concluderen dat hun droom niet zo eenvoudig te realiseren is.

    ‘Bent u weleens bang dat u de controle verliest? Dat u uzelf van louter verlichting niet meer herkent?’

    ‘Ik ben al heel erg veranderd. En dat maakt me een beetje bang. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook de zin van bekering. Natuurlijk is God in de mensen en natuurlijk bezoekt de messias ons af en toe.’

    ‘En nu bent u de messias?’

    ‘Misschien. Maar te geloven dat je “de Ene” bent, is tegelijk infantiel. Ik heb de gave, niet mijn ego. En zolang ik mijn ego niet heb overwonnen, ben ik terughoudend. We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten.’

    Op donderdag, een dag voor de sabbat, zijn de nachten in de meest bezongen stad van de wereld het levendigst. De Ben-Yehudastraat staat vol gouden keeltjes, breakdancers, trommelaars en jongleurs en de uitpuilende cafés doen een wedstrijdje wiens installatie het hardst kan. Opgedoft, vrolijk van de wodka, opgewonden van de drugs: het kan er hier bijna carnavalesk uitzien. Ook al heeft de stad steeds minder seculiere inwoners.

    Zowel de orthodox-joodse als de moslimmoeders in Jeruzalem krijgen gemiddeld 6,5 kind, en die gaan op donderdagen echt niet feestvieren. Ze krijgen in de eerste plaats zo veel kinderen omdat hun God hun voorschrijft dat ze vruchtbaar moeten zijn. In de tweede plaats omdat met de grootte van hun groep ook hun macht bij de verkiezingen toeneemt. Daar komt nog bij dat veel orthodoxe joden van een wereldlijke broodwinning afzien om zich helemaal aan de studie van de Heilige Schrift te wijden. Mede daardoor is de beroemdste stad van de wereld ook de armste stad in het Heilig Land. Hoe dan ook, op donderdag feesten degenen die overdag werken en doorgaans voorbehoedmiddelen gebruiken.

    1. Christenen op weg naar Via Dolorosa en de Kerk van de wederopstanding; 2. Nonnen bereiden kerst voor; 3. Zwaaien met kip als Joodse voorbereiding op Jom Kippoer, grote verzoendag; 4. Ultra-orthodoxe Jood speelt viool voor Chanoeka. – © Oded Balility
    Christenen op weg naar Via Dolorosa en de Kerk van de wederopstanding. – © Oded Balility / HH

    Een stukje bij deze levensader vandaan, aan een achterafpleintje met regenboogvlaggetjes, ligt de Videobar, de enige bar − zo niet de enige plek − in Jeruzalem voor homo’s. Opzettelijk in de buurt van een politiebureau, voor het geval er weer met molotovcocktails wordt gegooid. Af en toe komen er nachtvlinders naar de deur van de Videobar, blijven even staan en gaan weer weg. Om later terug te komen, iets dichterbij, en opnieuw haastig om te keren. Een paar van deze donderdagavondklanten vatten pas bij hun derde aanloop voldoende moed om echt naar binnen te gaan.

    Tegen een van de muren staan Batman en Robin te vrijen, het achterste gedeelte heeft een kleine dansvloer. Britney Spears zingt over de ‘taste of a poison paradise’. Arabisch en Hebreeuws klinken zo uitgelaten door elkaar als in deze stad maar zelden voorkomt. Waarom ook niet? Het is moeilijk voor te stellen dat de door alle religies uitgestotenen elkaar in de Videobar in de lange haren van hun toupetjes vliegen over de toegang tot de al-Aqsamoskee.

    ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop’

    Alona, vandaag meer vrouw dan man, met luipaardjas, rode lippenstift en hoge hakken, voorkomt dat homo’s die door hun familie zijn verstoten zelfmoord plegen. Dat zegt ze in elk geval, terwijl ze staat te roken op de veranda. ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop. Geloof me, er zitten verdomd veel verkapte flikkers onder de orthodoxen.’

    ‘En hoe leer je die kennen?’

    ‘Dat hoeft niet. Zij kennen mij en komen naar me toe. Heel verlegen, overdag of bij het boodschappen doen op de Mahane Yehuda-markt.’

    ‘En dan?’

    ‘Dan geef ik ze waar ze zo hevig naar verlangen. Ik vind ze sexy in hun zwart-witte pakjes. Met hun maagdelijkheid.’

    ‘Het klinkt alsof je hier in Jeruzalem als queer een nogal vrij leven leidt, Alona.’

    ‘Ik kan met iedereen goed overweg, ook in Jeruzalem. Ik ben gewoon ik, ik heb geen andere keus.’

    ‘Zo,’ moppert Joat, Alona’s metgezellin − eveneens flink opgemaakt, meer vrouw dan man, en met een volumineuze paarse sjaal gedrapeerd om haar gouden jurk, die op zijn beurt strak om haar tamelijk dikke lichaam zit. ‘Als jij zo vrij bent, waarom ga je dan niet in deze outfit naar je werk? Of op zijn minst opgemaakt?’

    ‘Dat mag niet,’ antwoordt Alona, die als veiligheidsbeambte in een openbaar gebouw in Jeruzalem werkt.

    De dansvloer is inmiddels propvol en het aantal seksuele toespelingen per nummer benadert het Jeruzalemse religieuze vruchtbaarheidscijfer.

    Mea Shearim

    Of een van de dansers bij het aanbreken van de dag terug zal sluipen naar Mea Shearim, de oudste ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem? Heel ver liggen beide werelden niet uit elkaar, te voet misschien tien minuten. Maar wie over de drempel stapt, ziet een Joods leven dat nauwelijks door de moderne tijd is beroerd, tussen bouwvallige huisjes, met een oerwoud van stroomdraden en vreselijk vervuilde straten waar desondanks orde heerst. Een leven in liefdevolle, nauwe dorpsstraatjes, waar de buitenwereld niet binnenkomt. Waar kinderen, kinderen en nog eens kinderen hand in hand over straat lopen en sommige moeders zich geheel bedekken. Ze dragen een sluier over hun hoofd en ook van hun lichaam is niets te zien.

    Hier kent iedereen iedereen, een donderdags uitje zal hier niet lang verborgen blijven, ook al is het vlak voor sabbat heel erg druk. Iedereen moet zijn vrijdagse vis en zijn pretzels nog in huis halen. Ingewikkelde consumentenverlangens moet je hier niet hebben, Britney Spears’ ‘Toxic’ of een tv-toestel zijn in Mea Shearim niet te vinden. Om drie uur ’s middags klinken overal in de wijk de luidsprekers. Melancholieke Hebreeuwse muziek schalt door Mea Shearim en kondigt het begin van de sabbat aan. De wijk wordt dan afgesloten, om een dag lang nog ongestoorder met God, met zichzelf en met nietsdoen bezig te zijn. Hoe mooi moet die muziek niet klinken als die je je leven lang het wonderschone, strikt voorgeschreven dolce far niente heeft verkondigd? Hoe moeilijk moet het niet zijn om hier weg te gaan en deze muziek nooit meer te horen, om niet alleen op donderdagavond stiekem een vrije zondaar te zijn?

    ‘Deze stad rukt iedereen zijn masker af. Ze duldt geen veinzerij,’ bevestigt pater Nikodemus Schnabel, priester en hoofd van de Dormitio-abdij, een benedictijnenklooster op de berg Sion. Hij woont sinds zestien jaar in Jeruzalem, is in 1978 in Stuttgart geboren en volgens zijn gelofte tot het eind van zijn leven aan zijn orde in het Nabije Oosten gebonden. En hier wilde pater Nikodemus ook precies naartoe. Zijn abdij staat op de plaats waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam. Een plaats van diepe contemplatie, hoog verheven boven het alledaagse lawaai van de Heilige Stad. ‘Om vijf uur in de ochtend, tijdens het eerste gebed bij zonsopgang, is Jeruzalem juist door die diepe godsvrucht om verliefd op te worden. Dan heeft Jeruzalem geen syndroom en al helemaal geen behoefte aan therapie.’

    ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden’

    Als er geen aanslagen met brandbommen op zijn klooster werden gepleegd. Of als er niet op de voorgevel werd gekalkt dat alle christenen dood moeten. Vlakbij liggen de nederzettingen van de radicaal-religieuze Heuveljoden. Vanwege hen moest er een permanente politiepost voor zijn deur worden neergezet. ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden. Op gewone dagen word ik, als ik het klooster uitga, bespuugd, beledigd en geschopt. De radicale religieuzen roepen graag: “Oprotten naar Rome!” Hier is niets hetzelfde, iedereen is hier naakt. Ik ook.’

    Als je pater Nikodemus ziet, is hij een open, zachtaardige en levenslustige man met rode wangen. Je kunt je de pas 39-jarige pater makkelijk voorstellen als gangmaker in het café, terwijl hij met zijn diepe joviale lach handen schudt en moppen vertelt. Een indruk die meteen vervliegt als de pater op de empathische toon van een zielzorger spreekt.

    ‘En welk gezicht zag u in de spiegel toen Jeruzalem u ontmaskerde?’

    ‘Ik zag en ik zie mijn valkuilen. Soms wil ik degenen die me bespuwen gewoon op hun bek slaan. Maar als ik mijn zoektocht naar God serieus neem, met de gedachte dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, dan is zoeken naar God ook zoeken naar de mens. Wie ben ik, als ik me van iemand afmaak? Als ik iemand in een la stop?’

    ‘Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’

    Ook van degenen die in de spiegel plotseling een godheid ontwaren en bij dr. Katz terechtkomen, wil de pater zich niet afmaken. ‘Die hebben we hier altijd. Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’ Het zou in elk geval een probleem worden als deze zwaarbelaste mensen troost vinden in de tuin van het klooster en daar helemaal niet meer weg willen. Over een paar uur zal pater Nikodemus de nachtmis lezen. Waarschijnlijk als enige katholiek op de wereld preekt hij voor een gehoor dat voor het grootste deel joods is.

    Bethlehem

    Ondertussen is in Bethlehem, de geboorteplaats van Christus, het feest al aan de gang. Eigenlijk maar negen kilometer, maar ook een omweg om een hele lange grensmuur heen verder. Op de markt waar de Geboortekerk en de Omarmoskee oog in oog staan, is een parade. Een bigband in militair ogende uniformen speelt ‘Jingle Bells’ met een Arabisch accent. Maar het Palestijnse Bethlehem lijkt op dit moment niet zo ontvankelijk voor kerstliedjes uit Trumpistan. Een affiche met een in het paars geklede Sinterklaas wenst ons Merry Christmas, een nog groter affiche dat eroverheen geplakt is herinnert ons eraan dat Jeruzalem voor eeuwig de hoofdstad van Palestina blijft.

    De bewoners van de stad volgen de parade met een merkwaardige mengeling van plichtsbewustzijn, kijklust en ergernis. Tussen de rijen door dringen minderjarige kauwgom- en parapluverkopers naar voren. Eromheen cirkelen geconcentreerde Palestijnse soldaten en een groot aantal internationale cameraploegen. En om iedereen heen jaagt een akelige wind die maling heeft aan het milde winterzonnetje. En hoe verder je van de theoretisch zo feestelijke markt af komt, in de richting van Jeruzalem, in de richting van de gemilitariseerde scheidingsmuur, des te voelbaarder het wordt dat Bethlehem weinig zin heeft om feest te vieren.

    De wind die over het feest joeg heeft tegen de avond dankzij de talloze regenbuien een zee van plassen in de Oude Stad veroorzaakt. Desondanks is de Dormitio-abdij voor de nachtmis van pater Nikodemus tot de laatste plaats bezet. Ook Omri Szmulewicz, die zich in staat acht de erfgenaam van de jarige te zijn, is gekomen. Hij luistert met gesloten ogen, een steentje dat zijn derde oog moet symboliseren tegen zijn voorhoofd gedrukt. Soms glimlacht hij enthousiast, dan weer kijkt hij een beetje mistroostig.

    ‘Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij’

    Pater Nikodemus weet het verrassend jonge joodse publiek snel voor zich te winnen. In een wit met gouden kazuifel schertst hij vanaf de preekstoel: ‘Ik ben hier niet om u te bekeren. Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij.’ De pater verklaart dat God niet alleen een over ons wakende en wraakzuchtige God is. ‘Maar vol liefde en hartstocht. Almachtig, zeker, maar een God van vrede, van licht en van vergeving.’

    Szmulewicz vergeeft de pater na afloop snel dat de mis ‘te mainstream’ was. En ook wil hij wel door de vingers zien dat het publiek zijn aandacht niet voldoende bij de dienst hield en dat ze ondertussen foto’s maakten met hun mobieltjes. ‘Maar misschien is het alleen mijn ego dat kritiek heeft. Waar moet de pater anders over preken dan over liefde en vergeving? Religie moet niet te ingewikkeld zijn.’

    Een paar kilometer verderop staan de straten van de onbeschrijflijke wijk Kfar Aqab een halve meter onder water. De Dagen van Woede gaan verder. Dr. Gregory Katz moet over een paar uur met zijn restje humanisme in een dokterstas naar zijn werk. In de meest aanbeden stad ter wereld is het vandaag geen feestdag.

    Life of Brian

    Nooit is het Jeruzalemsyndroom zo prachtig en komisch ad absurdum gevoerd als in de klassieker Monty Python’s Life of Brian: in deze satirische film uit 1979 wordt de jonge Brian tegen zijn zin tot messias uitgeroepen, terwijl hij alleen de mooie Judith voor zich wil winnen. Verder wil hij met rust gelaten worden. Aan het bittere slot van de film klinkt de song ‘Always Look on the Bright Side of Life’, terwijl Brian en een tiental andere veroordeelden aan kruisen bungelen. De song werd even beroemd als de film: de laatste werd door het British Film Institute ondanks veel controverse gekozen als een van de honderd beste Engelse films.

    De auteur

    Dmitrij Kapitelman (31) heeft Jeruzalem in zijn leven tot nu toe drie keer bezocht, en de stad als ‘waanzinnig vermoeiend’ ervaren. Maar ook als een bijzondere plaats. ‘Het is moeilijk in woorden uit te drukken,’ zegt hij, ‘maar je voelt daar veel directer dan elders hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn.’ Kapitelman is zelf van joodse origine, maar noemt zichzelf een ‘Hebreeuws gevormde atheïst’.

  • Namibië verwelkomt eerste lichting lokaal opgeleide artsen

    Namibië verwelkomt eerste lichting lokaal opgeleide artsen

    Tot voor kort kende Namibië geen eigen artsenopleiding. Maar de aidsepidemie van begin deze eeuw onderstreepte het belang van lokaal opgeleide dokters. Onlangs studeerden de eersten van hen af.

    Na een reis van drie uur, eerst met twee taxi’s en het laatste stuk hotsend en botsend in de laadbak van een oude pick-uptruck, kwam Simon Antindi aan bij het staatsziekenhuis waar zijn vader was opgenomen. De elfjarige jongen kon zijn ogen nauwelijks geloven. Het ziekenhuis in Oshakati, in het uiterste noorden van Namibië, was het grootste bouwwerk dat hij ooit had gezien: een verzameling lage groene en blauwe gebouwen die naar alle kanten uitwaaierden. Eenmaal binnen dwaalde hij door een doolhof van gangen en ziekenzalen vol patiënten en bezorgde bezoekers. Artsen fluisterden met elkaar in vreemde talen en er hing een zurige geur – een mengeling van schoonmaakmiddel en braaksel.

    En dan zijn vader. Nog nooit had die er zo hulpeloos bij gelegen. ‘Op dat moment wist ik dat ik dokter wilde worden,’ zegt Antindi, inmiddels 31 jaar oud. Maar de gedachte was nog niet in hem opgekomen of hij schoof haar alweer terzijde. ‘Niemand in mijn dorp, of zelfs daarbuiten, werd dokter.’ Terwijl Antindi om zich heen keek naar de Cubanen, Russen en Zuid-Afrikanen die zich over de patiënten ontfermden, dacht hij ontmoedigd: misschien doen Namibiërs dit soort werk niet. Misschien kunnen wij dit niet. In een oogwenk was zijn droom weer vervlogen.

    De landen bezuiden de Sahara dragen 25 procent van de wereldwijde ziektelast, maar tellen slechts 3,5 procent van het totale aantal gezondheidswerkers en maar 1,7 procent van alle artsen

    Zo’n 700 kilometer zuidwaarts, in de hoofdstad Windhoek, bogen veel topmedici zich op een ander niveau over deze kwestie. Het was eind jaren negentig, bijna tien jaar nadat Namibië zich van Zuid-Afrika had losgemaakt, en nog altijd had het land geen medische faculteit. Alle artsen waren ofwel in het buitenland opgeleid – in Zuid-Afrika, Finland of Rusland, waar ze een studie volgden die veelal nauwelijks aansloot op de situatie in hun geboorteland – of voor veel geld aangetrokken uit het buitenland. ‘Het was hoog tijd dat we zelf artsen gingen opleiden die voeling hadden met de lokale praktijk en bereid waren op die plekken te werken waar de nood het hoogst was,’ zegt prof. dr. Filemon Amaambo, destijds in overheidsdienst maar inmiddels voorzitter van de universiteitsraad van de Universiteit van Namibië (UNAM).

    Het probleem beperkte zich niet alleen tot Namibië. De landen bezuiden de Sahara dragen 25 procent van de wereldwijde ziektelast, maar tellen slechts 3,5 procent van het totale aantal gezondheidswerkers en maar 1,7 procent van alle artsen, volgens een artikel uit 2012 in het gratis toegankelijke onlinetijdschrift Human Resources for Health. Aan de universiteiten in de regio de zware taak om die leemte te vullen. Er zijn welgeteld 175 medische faculteiten in zwart Afrika, op een totaal van 1 miljard inwoners, tegenover 488 medische faculteiten voor 743 miljoen Europeanen. Zes Afrikaanse landen (Kaapverdië, Djibouti, Equatoriaal-Guinea, Lesotho, Sao Tomé en Principe en Swaziland) hebben helemaal geen medische faculteit, blijkt uit gegevens die zijn verstrekt door de Wereldgezondheidsorganisatie.

    Volgens Amaambo was het dus niet verbazingwekkend dat academici en overheidsfunctionarissen na de pas verworven onafhankelijkheid wilden onderzoeken of het haalbaar was om op eigen bodem een medische faculteit te openen. De kosten bleken echter te hoog voor het piepjonge land en het project werd op de lange baan geschoven. Maar terwijl het debat nog gaande was, werd Namibië opgeschud door een ernstige gezondheidscrisis. Toen Simon Antindi zijn vader in het ziekenhuis van Oshakati bezocht, waarde in zijn geboortedorp Ondjamba en talloze andere dorpen in de regio een onbekende ziekte rond. ‘Mensen zagen eruit als wandelende geraamtes,’ vertelt Antindi. Vrienden en buren bezweken. ‘Ze kwijnden voor onze ogen weg, zonder dat iemand wist wat er aan de hand was. We waren doodsbang.’

    De grootste schok was nog wel dat zelfs medici klaarblijkelijk machteloos stonden. Zieken verlieten het dorp voor een behandeling in het ziekenhuis, herinnert Antindi zich, en keerden terug om te sterven. Tegen de tijd dat aidsremmers in het eerste decennium van deze eeuw beschikbaar kwamen in Namibië, was hiv doodsoorzaak nummer 1. De aidsepidemie onderstreepte de noodzaak om juist mensen uit lokale gemeenschappen, met name in de uithoeken van het land, tot arts op te leiden, meende Amaambo.

    Een student krijgt uitleg in het ziekenhuis van Windhoek. – © Ryan Leonora Brown
    Een student krijgt uitleg in het ziekenhuis van Windhoek. – © Ryan Leonora Brown

    Gesteund door de regering en met hulp van de uit Kenia afkomstige dr. Peter Nyarang’o, expert op het gebied van volksgezondheid, maakte de Universiteit van Namibië een opzet voor ’s lands eerste medische faculteit. De UNAM startte om te beginnen met een tweejarig voorprogramma voor studenten Geneeskunde in spe. Uitblinkers zouden een beurs ontvangen om aan een buitenlandse universiteit verder te studeren. Toen het programma in 2003 van start ging, had Simon Antindi toevallig net zijn eindexamen achter de rug. Bij het invullen van het aanmeldingsformulier voor de UNAM aarzelde hij bij het aangeven van de gewenste studierichting. ‘Destijds had ik nog nooit een Namibische arts gezien,’ vertelt hij, ‘dus het ontbrak me aan zelfvertrouwen.’ Toch besloot hij het erop te wagen.

    Hij werd afgewezen.

    En zo vertrok Antindi naar Windhoek om Algemene Wetenschappen te studeren, zijn tweede keus, en liet hij zijn droom om arts te worden varen. Totdat hij in 2009, zojuist afgestudeerd, op de campus een wervingsposter zag voor het allereerste studiejaar Geneeskunde en zijn oude wens opnieuw werd aangewakkerd. ‘Ik dacht weer terug aan die dag dat ik machteloos aan het bed van mijn vader stond.’ Hij schreef zich in, en zes jaar later was het zover: in een hotel in Windhoek betrad hij het podium om samen met de andere afgestudeerden – de allereerste lichting artsen van de Universiteit van Namibië – zijn bul in ontvangst te nemen.

    Hoewel dit succes alom werd bejubeld, is de impact op het gezondheidszorgsysteem vooralsnog vrij beperkt: 35 nieuwe artsen in een land dat maar liefst vijfduizend artsen nodig heeft. ‘In dit tempo hebben we meer dan honderd jaar nodig om de achterstand in te halen,’ merkt Amaambo op.

    Inmiddels een jaar verder is een tweede lichting artsen afgestudeerd, is de instroom van nieuwe studenten verdriedubbeld, en volgend jaar vindt de aftrap van de studie Tandheelkunde plaats. Voor veel van de pas afgestudeerde artsen is dit het begin van een leven waarvan ze nooit hadden durven dromen. ‘Voor bijna ieder van ons geldt dat we de eerste dokter in de familie zijn,’ zegt Llewellyn Titus, een laatstejaars student Geneeskunde. Zijn ouders runnen een geiten- en schapenboerderij in de binnenlanden van Namibië.

    Een van hen

    Voor Antindi betekende het afronden van zijn studie maar één ding: hij pakte zijn diploma samen met de rest van zijn spullen in en koerste met zijn oude Corolla noordwaarts, naar Ondjamba. ‘Ik wist al die tijd dat ik naar mijn dorp zou terugkeren,’ zegt hij. ‘Je gaat naar Windhoek om te studeren, maar daarna kom je terug. Je bent het verplicht aan je eigen gemeenschap.’ Dat is precies wat het land nodig heeft: artsen die in afgelegen gebieden willen werken.

    Net als in Zuid-Afrika kent de gezondheidszorg in Namibië een enorme, groeiende ongelijkheid. Splinternieuwe privéklinieken voor de rijken schieten als paddenstoelen uit de grond, terwijl de staatsziekenhuizen kraken in hun voegen. Een ander knelpunt, ook voor de omringende landen, is de braindrain. Meer dan eenvijfde van de lokaal opgeleide artsen verlaat binnen vijf jaar na afstuderen het continent en slechts 8,6 procent is werkzaam voor overheidsklinieken op het platteland, zo bleek uit een onderzoek uit 2010 naar medische opleidingen in landen bezuiden de Sahara. Wellicht kan dit tij inderdaad het beste worden gekeerd door artsen op te leiden die afkomstig zijn uit gemeenschappen waar de roep om gezondheidszorg het grootst is.

    Antindi heeft de afgelopen achttien maanden zijn co-schappen gelopen in het ziekenhuis waar hij als elfjarige zijn vader kwam bezoeken. Nu wandelt hij in een smetteloos witte doktersjas met een zeker overwicht door de gangen, iets wat hij als kind niet voor mogelijk had gehouden. En als een van de weinige artsen op de ziekenhuisvloer kan hij zijn patiënten in hun eigen taal aanspreken. Veel artsen moeten verpleegsters inschakelen om te tolken, wat de afstand tot de toch al geïntimideerde patiënt verder vergroot. ‘Ik voel me iedere dag thuis als ik naar mijn werk ga,’ zegt Antindi. ‘Het maakt niet uit of ik met een collega praat, met een patiënt of met een schoonmaker – ik ben een van hen. Hier ben ik op mijn plek.’

    Na het afronden van zijn co-schappen, aan het einde van het jaar, wil hij het liefst in de regio blijven. Een definitieve keuze voor een specialisatierichting heeft hij nog niet gemaakt, maar hij neigt naar verloskunde en gynaecologie. ‘Ik weet uit ervaring hoeveel vrouwen en baby’s in dit deel van het land in het kraambed sterven. Dat raakt me diep. Maar nog belangrijker: van alles wat ik tot nu toe in de praktijk heb meegemaakt, is er niets mooiers dan het horen van het eerste geluid van een pasgeborene. Om als eerste te mogen zeggen: “Dag baby, welkom op de wereld.”’

    Auteur: Ryan Lenora Brown

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.

  • De wonderdokter van Grozny

    De wonderdokter van Grozny

    De arts Hasan Baijev opereerde aan de lopende band in de twee Tjetsjeense oorlogen die tienduizenden levens kostten. Berucht werd Bajev – tegen wil en dank – omdat hij een terrorist ‘voor de poort van de dood wegsleepte.’ In 2007 haalde hij Operation Smile naar zijn geboorteland. Wat hij verdient aan welgestelden, besteedt hij aan arme kinderen met een hazenlip.  Een pelgrimstocht. 

    De hazenlip, ook wel ‘wolvenbek’, is een brede spleet in het gezicht bij de bovenlip. Normaal eten lukt daarmee niet, het voedsel komt er via de neus weer uit. Ook spreken gaat niet. De ademfuncties zijn verstoord doordat de lucht slecht gefilterd wordt.


    Alleen een chirurg is in staat om het gehemelte te herstellen. En dat is een kunst. Eerst wordt het slijmvlies losgeknipt en opnieuw gehecht, daarna worden de spraakorganen hersteld. Van de kwaliteit van dit karwei hangt af hoe het kind later zal articuleren. Een heel belangrijk detail is het hechten van de gespleten huig. Daarna wordt alles afgesloten met het mondslijmvlies, dat in kleine lapjes aan elkaar wordt genaaid. Bij voorkeur gebeurt dit op zo jong mogelijke leeftijd. Na de operatie volgen jaren van oefening met logopedisten en een orthodontist. De operatie is lastig en duurt ongeveer twee uur; het moet heel precies, overdoen is bijna onmogelijk. De spiertjes in de bovenlip worden doorgeknipt en gehecht, de anatomie van de neusvleugels hersteld, het slijmvlies dichtgenaaid.

    Bijzonder nauwkeurig werk is ook het herstellen van de lipgrens. Een van de weinige experts op dit gebied is chirurg Hasan Baijev. Tijdens de twee Tsjetsjeense oorlogen [tegen Rusland, tussen 1996 en 1999, die resulteerde in de onafhankelijkheid van Tsjetsjenië, gevolgd door een burgeroorlog tussen 1999 en 2010] redde hij het ene na het andere leven, maar vanwege een groeiend aantal vijanden zag hij zich gedwongen te emigreren. In 2000 kreeg hij samen met zijn gezin asiel in Amerika, maar hij keerde terug naar Tsjetsjenië om kinderen te helpen.

    Een acht maanden oud meisje wordt door Hasan Baijev en zijn team van Operation Smile geopereerd aan haar hazenlip. Het is voor kinderen het beste om de operatie op zo jong mogelijke leeftijd te ondergaan. 
© Dmitri Beliakov
    Een acht maanden oud meisje wordt door Hasan Baijev en zijn team van Operation Smile geopereerd aan haar hazenlip. Het is voor kinderen het beste om de operatie op zo jong mogelijke leeftijd te ondergaan. 
© Dmitri Beliakov

    Een begraven leven

    We rijden met de auto van de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny naar het dorpje Alchan-Kala. Op de radio horen we de rechtse parlementariër Zjirinovski zeggen dat het ‘Kaukasiërs’ verboden zou moeten worden zoveel kinderen te baren. Hasan Baijev zet geërgerd de radio uit en zegt: ‘Qua geboortecijfer staat Tsjetsjenië in Rusland inderdaad op de eerste plaats. Maar we staan ook op de eerste plaats wat betreft kindersterfte. De afgelopen maanden zijn hier meer dan zeventig kinderen gestorven. Als arts ken ik de cijfers. Maar wie kent de statistieken van kinderen die met afwijkingen worden geboren? Wie weet hoeveel kinderen worden geboren met tumoren, of met een hazenlip? En hoeveel kinderen konden vanwege de oorlog niet geopereerd worden? Ik ken een meisje in een van de dorpen dat nooit naar buiten gaat vanwege een ernstige afwijking bij de geboorte. Wat betekent dat voor het gezin?

    Voor het meisje zelf? Een begraven leven, dat is het!’ De meeste kinderen met een ‘wolvenbek’ worden in Tsjetsjenië geboren. ‘Niemand die bijhield hoeveel hete oliedampen hun ouders tijdens de oorlogen hebben ingeademd. Nie-mand die nadacht over het gif dat de aarde heeft doordrenkt tijdens de bombardementen. Niemand die heeft gemeten hoeveel stress de mensen doormaakten. In 2007, net na mijn terugkeer naar Tsjetsjenië, raakte ik betrokken bij het Amerikaanse hulpprogramma Operation Smile, dat kinderen met een hazenlip opereert. Ik bracht het programma naar Taganrog, in het zuiden van Rusland. Ik regelde een bus en bracht er twintig kinderen heen uit de armste gezinnen uit afgelegen bergdorpen. Mijn eerste patiënten waren een broer en zus uit het bergdorp Gorno-Sjatoj.

    De jongen was negen, het meisje tien. Beiden hadden een hazenlip. Ik opereerde toen in de stad Tsjernoretsjije. Ellendig was dat… een piepkleine operatiekamer, oude en loodzware operatietafels met een handpedaal, ook de lamp was oud en onhandig en kwam nog uit de Sovjettijd. Je kon er onmogelijk iets fatsoenlijk mee uitlichten. De instrumenten kwamen uit de jaren tachtig, eigenlijk was alles versleten. Ik moest denken aan mijn tijd in Amerika en huilde van woede. Het was een slijtageslag, een ongelooflijke pelgrimstocht. Pas op dat moment realiseerde ik me de volle omvang van onze problemen.’

    De meeste kinderen met een ‘wolvenbek’ worden in Tsjetsjenië geboren

    Luipaardlegging

    In de wachtkamer van Baijev zit een nerveus en zwaar opgemaakt meisje van een jaar of vijfentwintig. Ze spreekt niet, ze mompelt. Ze praat zo zachtjes dat ik er niets van kan verstaan. Hasans bulderende stem daarentegen is duidelijk hoorbaar. ‘Degene die deze troep in je lippen heeft gespoten, moet het er ook maar weer uithalen! Ik heb geen zin om andermans fouten te corrigeren! En nee, uw geld interesseert me niet!’ Het meisje, bijna in tranen, gooit haar handen in de lucht: ‘Maar wat moet ik dan doen?’


    Dokter Baijev haalt zijn schouders op. De deur slaat dicht. Hij veegt de gemorste koffie van tafel en moppert: ‘Ik haat het om andermans fouten te moeten herstellen. Die veeartsen doen de-duivel-weet-wat en daarna komen hun patiënten naar mij toe gerend: “Hasan, doe alsjeblieft mijn neus, mijn oren!”’ Op een stoel zit een ander meisje te draaien. Ze draagt een luipaardlegging en een korte, felroze jurk. Ze heeft onnatuurlijk uitpuilende ogen en enigszins gezwollen jukbeenderen.


    ‘Hasan, toe, kijk toch eens naar me…’


    ‘Ik heb al gekeken.’ De chirurg werpt de patiënte een vluchtige blik toe.


    ‘Maar zie je dan helemaal niets?’


    ‘Nee. Ik zie geen enkele reden voor een operatie.’


    ‘Ach, je wordt nog mijn dood…’


    ‘Ik raad je aan om naar huis te gaan. Aan jou hoeft niets veranderd te worden. Je bent helemaal normaal.’


    ‘Nee hoor, dat wordt mijn dood!’ zegt het meisje en ze haalt haar neus op. ‘Kijk nou toch eens naar mijn neus!’


    ‘Ja, ik kijk, maar jouw neus is normaal.’


    Onwillig loopt het meisje naar de deur. Ik kijk naar de Lexus die bij de deur staat geparkeerd, bezaaid met kleine Swarovski-steentjes. In gedachten raad ik wat de ‘upgrade’ van de limousine ongeveer gekost moet hebben. Hasan gniffelt. ‘Ik heb een ooglidcorrectie bij haar uitgevoerd, maar nu blijft ze aandringen dat ik haar neus korter moet maken. Met moeite heb ik haar afgewimpeld. Ze zijn lastig, maar godzijdank zijn ze er! Zonder hen zou ik mijn zaak niet draaiende kunnen houden.’

    Vaak is me gevraagd of ik spijt heb dat ik een moordenaar heb gered. Een domme vraag

    De eed

    Zijn ‘zaak’, zo noemt Baijev de operaties die hij uitvoert bij de kinderen. De kinderen opereert hij gratis, maar gezonde mensen die aan hun uiterlijk willen sleutelen, moeten betalen. Zo ziet zijn businessmodel eruit. Wat hij verdient aan welgestelde cliënten besteedt hij aan materieel en aan de organisatie van projecten. Zelf leeft Baijev er ook van. In zes jaar tijd heeft hij drie keer zijn huis moeten herbouwen dat door de oorlog geheel verwoest werd. Daarnaast gaf hij financiële steun aan zijn familie, die krom had gelegen om zijn opleiding tot chirurg te bekostigen. ‘Terwijl ik in Amerika woonde, vertelden mijn ouders en zus over de razzia’s waar ook zij slachtoffer van werden. Ze zeiden: “Jij bent weggegaan, maar wij zijn achtergebleven.” Ze werden onophoudelijk achtervolgd, beroofd en bedreigd. Sommigen van hen leven niet meer. Ik, Hasan Baijev, moet die last dragen. Maar ik heb geen spijt van mijn keuze. Ik heb zoveel levens kunnen redden. Ik maakte geen onderscheid, daar verplichtten de eed van Hippocrates en mijn geloof in God me toe.’ Daar wordt hij eigenlijk niet graag aan herinnerd. ‘Waarom niet? Tja, omdat de mensen zich van alle tienduizend patiënten die ik in twee oorlogen heb geopereerd, alleen deze twee terroristen willen herinneren: Salman Radoejev en Sjamil Basajev [twee beruchte krijgsheren die tijdens de Tsjetsjeense oorlogen de opstand tegen Rusland leidden]. Alsof er geen anderen waren…’


    ‘Basajev groeide op in de Dzerzjinski-straat, in mijn dorp Alchan-Kala. We gingen naar dezelfde school. Sjamil was een jaar jonger dan ik. Hij was niet groot, een stille jongen, zwijgzaam, iemand die niet graag praat en altijd in zijn eigen hoofd zit. Ik trainde iedere dag voor judo maar Basajev toonde geen enkele interesse voor sport. Een paar keer renden we samen achter een bal aan op het schoolplein. We hadden geen gezamenlijke interesses en werden geen vrienden. We waren gewoon dorpsgenoten… Later, na de gijzelactie van de opstandelingen in Boedjonnovsk, toen zijn gewelddadige ster rijzende was, herinnerde ik me alleen dat we in hetzelfde dorp hadden gewoond, een kilometer bij elkaar vandaan, en dat we naar dezelfde school gingen. Wat is daar verkeerd aan? Onze wegen kruisten elkaar niet, tot die bewuste nacht van 30 op 31 januari 2000. Op de 30ste had ik, zoals gebruikelijk, staan opereren. Er was ontzettend veel werk, twee dagen achtereen was er een stroom gewonden geweest. Vooral burgers: de een was op een mijn gestapt, de ander vanuit een helikopter beschoten, weer een ander door artillerievuur geraakt of onder puin bedolven bij een instorting. Ze werden vanuit allerlei dorpen naar ons toe gebracht. En opeens… werd het stil.’

    De operatie moet bijzonder nauwkeurig worden uitgevoerd, overdoen is vrijwel onmogelijk. – © Dmitri Beliakov
    De operatie moet bijzonder nauwkeurig worden uitgevoerd, overdoen is vrijwel onmogelijk. – © Dmitri Beliakov

    Niet bang om te sterven

    ‘In die tijd had ik het zo geregeld dat ik een paar weken achtereen in onze dorpskliniek woonde om geen tijd te verliezen met reizen van en naar huis en om geen onnodige risico’s te nemen. Je wist tenslotte nooit met al dat artillerievuur. Als ik naar huis ging om mijn moeder te zien, werd ik vergezeld door tien tot vijftien dorpsbewoners. Ik werd in die tijd met de dood bedreigd, omdat ik ongelovigen hielp. En toen was het dus opeens een halve dag stil. Ik dacht: Ik ga naar huis om mijn moeder te zien en om even te slapen. Ik sliep in die tijd twee tot drie uur per etmaal. Om vijf uur in de ochtend kwam mijn assistent Noeradi aangerend, die bijna altijd bij me in de buurt was en hielp met de gewonden. Ik hoefde hem maar in de ogen te kijken om te zien dat er iets ernstigs gebeurd was. Onderweg vertelde Noeradi wat er was gebeurd. Er was een enorme stroom gewonden van een mijnexplosie. Ze waren uit Grozny gekomen en op een mijnenveld gestuit. Tientallen mensen waren ter plekke overleden. Wie gered kon worden, was eruit gesleept. Ik weigerde te geloven dat Basajev, een van de meest ervaren strijders van Tsjetsjenië, zelf op een mijn was gestapt. Ik geloofde het pas toen ik hem zag. Mijn voormalige dorpsgenoot, de meest gezochte terrorist van Rusland, lag op de eerste verdieping van onze bescheiden dorpskliniek. Hij lag in de verste hoek van de gang, op een rode gewatteerde deken die helemaal doordrenkt was met bloed. Basajev was bij bewustzijn. Zijn hele gezicht was een zwart-rode schil. De huid zat onder een poederachtig roet en was bedekt met schaafwonden. Zijn lippen kleefden aan elkaar van het bloed en hij fluisterde: “Hasan… Verspil geen tijd aan mij. Red de anderen… de jong-e-ren.” Het laatste woord sprak hij uit in lettergrepen. Ik zag dat het geen theater was, Sjamil Basajev was absoluut niet bang om te sterven.


    Ik bekeek hem. Hij had ernstige bevriezingsverschijnselen en droeg geen wanten of handschoenen. Zijn handen waren bedekt met vodden. Hij bewoog opnieuw zijn lippen en fluisterde: “Ik ben bevroren. Als het kan… als er een mogelijkheid is om een beetje op te warmen… Is dat daar een kachel?” Zijn voet was er net onder de enkel afgeblazen. Zijn hartslag was traag, zijn pupillen groot en hij zag spierwit. Zijn pols was nauwelijks voelbaar en ik begreep dat hij niet lang meer te leven had. Vaak is me gevraagd of ik spijt heb dat ik in die koude januari-nacht een terrorist en een moordenaar het leven heb gered. Een domme vraag is het, want had ik dan een keus? Regelmatig werden in onze kliniek mensen binnengebracht die al dood bleken, gedrenkt in bloed en met zorg in een warme deken gewikkeld. Basajev was ook zo’n geval, althans… bijna. Ik nam een mes, sneed zijn broek aan stukken en legde net boven de knie een knelverband aan. Waarom hadden de moedjahedien dat zelf niet gedaan? Waarschijnlijk hadden ze er in hun verwarring niet aan gedacht. Stel je de situatie maar eens voor: nacht, explosies, geschreeuw, paniek, overal vallen mensen dood naast je neer. Nacht, dood, explosies. Nacht, kou, dood. Afschuwelijk… Een chaos.’

    Je moet vluchten, je wordt gezocht!

    Sanatorium voor bandieten

    ‘Terwijl de instrumenten werden klaargemaakt, begon ik aan zijn gezicht. Ik maakte het schoon en deed er jodium op. Ik verwijderde de vodden, bekeek zijn handen en verbond ze. Ik bracht een infuus aan waardoor zijn bloeddruk omhoog ging en hij weer wat kleur kreeg. En zo redde ik hem. We deden alle operaties met plaatselijke verdoving, een andere optie hadden we niet. Ik verdoofde de wond en sneed met een gewoon metalen mesje net erboven, in de gezonde huid, om een gangreenbesmetting te voorkomen. Basajev voelde geen pijn maar begreep dat zijn onderbeen werd geamputeerd. Hij zweeg gedurende de hele operatie die al met al dertig minuten duurde. Meteen daarna werd hij door zijn kameraden weggedragen, waarheen kan ik alleen maar raden. Waarschijnlijk naar de bergen. Ze wilden me vermoorden. De Tsjetsjeense rebellen omdat ik een “ziekenhuis voor Russische honden” had geopend, de Russische soldaten omdat ik een “sanatorium voor bandieten” runde. Ik heb altijd hetzelfde principe aangehouden: dit ongelukkige ziekenhuis is een neutrale zone waar niet wordt gevochten, maar gelegen. Ik liet niet toe dat de Russische soldaten die op mij af werden gestuurd, vermoord zouden worden. Maar zoals de speciale troepen in de kelder van het ziekenhuis omsprongen met gewonde Tsjetsjenen… De razzia’s waren overal, maar ik bleef opereren. De federale troepen hadden het ziekenhuis nog niet bereikt. Ik werd gered door Gantamirov, de ex-burgemeester van Grozny. Of preciezer, niet door hemzelf, maar door zijn voorstel om te onderhandelen over de ruil van wapens tegen medische hulp aan alle gewonden. Hij beloofde dat er niet geschoten zou worden en dus ging ik op weg om hem te ontmoeten.


    Onze ontmoeting ging niet door omdat Gantamirov boos was dat we geen wapens van de strijders hadden meegebracht. We hadden bussen volgeladen met gewonden en waren naar de rand van het dorp gereden, maar daar werden we tegengehouden. Vanwege die wapens. We misten de afspraak omdat we bezig waren wapens in het dorp te verzamelen. Uiteindelijk zijn we vertrokken, ieder zijn weegs. Dat heeft me het leven gered, want terug naar mijn dorp durfde ik niet meer. Ik verstopte me bij vrienden in Krasnopartizansk en wachtte daar op het einde van de razzia’s. De volgende dag keerde ik terug en vond een stapel lijken in de kelder onder de binnenplaats van het ziekenhuis. Het was zo’n afschuwelijk gezicht dat ik moest overgeven. In de kelder vond ik een oude Russische vrouw.

    Ze heette Koeznetsova, haar voornaam kan ik me niet herinneren. Ze kwam uit Grozny. De Russische speciale politie had haar samen met de gewonden afgeleverd bij het ziekenhuis. Ze was er slecht aan toe, een sniper had haar neergeschoten in haar woning, waar ze nog een paar dagen had gelegen. Haar linkerschouder lag eraf, het was een wonder dat ze nog leefde. Ze werd gevonden door de speciale eenheden die medelijden kregen en haar naar ons toe brachten. Na de operatie ging het veel beter met haar. We praatten, het was een goed mens, een doodgewone Russische vrouw. We wachtten, als alles voorbij zou zijn, zou ze naar haar zoon in Sint-Petersburg kunnen gaan.
    Ik vond haar later in de kelder van het ziekenhuis met een kogel in het hoofd, samen met de lichamen van de rebellen die ik had geopereerd. De Russische soldaten hadden er toen niets van begrepen… Ze was geen moslim dus begroeven we haar op het kerkhof, op de plek waar ook de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog lagen. Ik werd gezocht. Het dorp zat vol met verklikkers van de Russen en ook werd ik nog altijd bedreigd door de terroristen. Toen ik op een dag iemand in een keuken stond te opereren, werd er op de deur gebonsd. ‘‘Je moet vluchten, je wordt gezocht!’’ Diezelfde dag ben ik naar Ingoesjetië gevlucht en vandaar naar Moskou. Na een maand kreeg ik een Amerikaans visum en kon ik weg uit Rusland. Pas zeven jaar later keerde ik terug.


    Tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog heb ik 4600 mensen geopereerd. In de tweede oorlog wel twee keer zo veel, omdat er veel meer gewonden waren en mijn ziekenhuis het enige was in de wijde omtrek. Het waren vooral vreedzame burgers. Er zaten ook soldaten tussen van het Russische leger, sommigen van hen moest ik beschermen tegen de wraakgevoelens van de Tsjetsjenen. En dan waren er de Tsjetsjeense rebellen. Mij maakte het allemaal niet uit, maar niemand heeft het daar nog over. Ik zal voor altijd herinnerd worden als de arts die de terroristenleider heeft gered. Ik word bespot door mensen die zeggen dat ik alles heb gedaan om het leven van een terrorist te redden, dat het de moeilijkste operatie uit mijn carrière was. Daar is niets van waar! Het was een doodnormale operatie. Ja, ik heb hem voor de poorten van de dood weggesleept. Maar ook de volgende twee etmalen opereerde ik: meer dan zeventig amputaties en zeven doorboorde schedels. 104 operaties in 48 uur. Vier van hen stierven de volgende ochtend.’

     

    Zwart-wit

    Hasan Baijev was in die tijd heel gefocust. ‘Ik sprak mezelf voortdurend toe: “Niet verzwakken, niet verzwakken!” Ik wilde de zwakte niet toelaten. Ik sliep niet en verloor tot twee keer toe het bewustzijn. Ik werd de straat opgesleept en met sneeuw ingewreven. Achter me stond altijd een man die ervoor zorgde dat ik niet in elkaar zou storten. Ik overdrijf niet, het is de waarheid.’ En toch, als je Baijev op internet opzoekt, kom je maar één ding te weten: ‘Hij is de arts die terroristen het leven redde.’ Het is de harde ironie van de media: een Russische arts, een getalenteerd hersenchirurg die tijdens de oorlog in het inferno belandde en duizenden en duizenden het leven redde, van vreedzame burgers tot rebellen en soldaten. Van al die feiten blijft er maar eentje over. Zonder de operatie op Sjamil Basajev had waarschijnlijk niemand ooit van hem gehoord. Zelden nemen we grijstinten waar, voor de meeste mensen is het leven zwart-wit. Maar het leven is grijs en bevat niets dan tegenstrijdigheden en dubbelzinnigheden. Toentertijd hoopten velen vurig op Basajevs dood: de medewerkers van de geheime dienst noemden chirurg Baijev een ‘helper van de terroristen’, de terroristen wilden hem dood omdat hij de jihad schade zou hebben toegebracht. Zijn verhaal is inmiddels verworden tot een populair onderwerp voor televisieshows en glossy’s.


    In de spreekkamer van dokter Baijev in het ziekenhuis van Grozny ligt op tafel een dik tijdschrift met dokter Hasan op de cover. De foto, in schitterend studiolicht, is overduidelijk geshopt en in een hoek hangt een lange rij glamoureuze kledingstukken die Baijev heeft aangepast. Hij leest de lettergrepen hardop: ‘Er-me-ne-gil-do-Ze-gna… Jongens, dat ken ik niet hoor, zoiets draag ik toch niet.’ In de nauwe gang zitten wel honderd mensen. Vaders en moeders, opa’s en oma’s. Ze staan, bezweet en bezorgd, met hun kinderen op de arm. Iedereen kijkt in dezelfde richting, naar een al niet meer zo jonge verpleegster met bruine ogen en een flegmatisch gezicht. Ze draagt een witte muts en witte jas.

    Ze houdt de sleutel vast als een talisman, de sleutel die de deur opent naar de afdeling voor plastische chirurgie. Achter die deur is de werkkamer van dokter Hasan. ‘Tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog hoorde ik voor het eerst over Operation Smile van westerse journalisten. Toen ik naar Amerika vertrok, ontmoette ik zelf de chirurgen die actief waren voor dit liefdadigheidsproject.

    Het is een ware chirurgenmarathon, een mini-industrie die wordt ondersteund en gesponsord door Hollywoodsterren. Het is dé kans voor arme kinderen op gratis medische hulp. Geen wonder dat ik op het idee kwam om Operation Smile naar Tsjetsjenië te halen. Ik wilde zó graag dat hier, in mijn kleine landje, de beste artsen ter wereld zouden komen om de jonge Tsjetsjeense kinderen in de afgelegen bergdorpen te helpen. Voor die eenvoudige bergbewoners is zelfs een reisje naar zee al een gebeurtenis. Stel je dan eens voor dat ze bezoek zouden krijgen van beroemde geneeskundigen uit Harvard, Zürich, Berlijn en Tokio!

    Met zorgen omringd

    Zelf had ik me gespecialiseerd in dergelijke operaties. Ik ontving een stipendium om stage te lopen in verschillende landen. Met succes behaalde ik mijn internationale diploma’s waarmee ik over de hele wereld mee zou mogen werken in projecten van Operation Smile. Of dit jaar de chirurgen van Operation Smile weer zullen komen? Veel hangt af van hoe de oorlog in Oekraïne zich ontwikkelt. En in hoeverre de al belabberde relaties tussen het Kremlin en Washington nog verder zullen verslechteren. Niet lang geleden werden dertig gewonde kinderen uit de provincies Loegansk en Donetsk hiernaartoe gebracht om te herstellen. Wat kun je daarvan zeggen? Ze worden met zorgen omringd, gevoed in de beste restaurants van Grozny en rondgereden in Mercedessen. Ze krijgen van iedereen medische hulp, een aantal kreeg een plaatsje in de sanatoria van Sernovodsk. Ik keek naar ze, en naar hun ouders, ik zag hun gescheurde kleding, hun hongerige ogen waarin nog altijd de angst stond te lezen. Ik hoefde niets meer uitgelegd te krijgen, voor me zag ik mensen die gevlucht waren voor een oorlog, en ik herinnerde me in één klap weer alles wat ikzelf had meegemaakt, hier in Tsjetsjenië.

    Dmitri Beljakov

    Hasan Baijev werd voor zijn werk met verschillende mensenrechtenprijzen beloond.

    Roesski Reporter

    Rusland, weekblad, oplage 168.000
    Nieuwsmagazine, onderdeel van de Kommersant-groep die ook de grote Russische bladen Expert en Kommersant (beide gericht op ondernemers) uitgeven. Deze publicatie heeft als doelgroep de middenklasse en besteedt extra aandacht aan fotografie