Tag: dromen

  • Waarom we over schapen dromen

    Waarom we over schapen dromen

    Dieren spelen de hoofdrol in onze psychische aandoeningen, hallucinaties en dromen, maar ook in kunst, verhalen en de mentale wereld van kinderen. Ze betreden de psyche op spectaculaire en soms verontrustende manieren.

    Een paar jaar geleden liep een drieënvijftigjarige man een ziekenhuis in Mumbai binnen en zei dat een kakkerlak in zijn rechteroor was gekropen en zich in zijn hoofd had gevestigd. Hij vertelde dat het insect eitjes had gelegd en dat de larven door zijn hersenen kropen. Na zes weken piekeren en slecht slapen ging hij naar het ziekenhuis om een keel-, neus- en oorarts te raadplegen. In plaats daarvan werd hij echter doorgestuurd naar een psychiater.

    De psychiater diagnosticeerde hem met parasietenwaan: het misplaatste geloof dat parasieten het lichaam hebben geïnfiltreerd. Ongeveer een op de honderdduizend mensen gelooft door deze aandoening dat er mieren, wormen, teken, mijten of andere beestjes onder hun huid kruipen. Het is, zoals de naam suggereert, een waanbeeld dat vaak samenhangt met schizofrenie of dementie. Wanneer de waan toeslaat, kan niets of niemand de patiënt ervan overtuigen dat de insecten niet echt zijn.

    Parasietenwaan is relatief zeldzaam, maar duidt op een wijdverspreid fenomeen: de aanwezigheid van dieren bij psychische stoornissen. In de medische literatuur zijn tienduizenden gevallen beschreven waarin dieren, of voorstellingen daarvan, een significante rol spelen bij mentale klachten.

    Sociogene ziekte

    In plaats van de eerdergenoemde voorbeelden had het ook kunnen gaan over een slachtoffer van seksueel kindermisbruik die opgroeide met een obsessie voor ratten; een psychotische dierenliefhebber die zich tijdens tics als een hond gedraagt; een west-Afrikaanse moeder die uit een droom ontwaakte en ervan overtuigd was dat ze door een baviaan was bezwangerd; een jonge vrouw die geloofde dat ze door haar kat werd behekst; of, dichterbij, het kind van een vriend van mij dat tijdens de coronapandemie begon te huilen als een wolf.

    Ook kunnen we een blik werpen op de lange geschiedenis van sociogene ziekte, oftewel ‘massavorming’, waarbij schijnbaar onschuldig gedrag – vaak de imitatie van dieren – zich snel en zonder duidelijke oorzaak verspreidt door een school, een religieuze gemeenschap of een andere hechte instelling. Middeleeuwse bronnen uit Frankrijk en Spanje beschrijven hoe groepen nonnen blaffend door de velden renden, de hele dag miauwden als katten of schaapachtig blaatten terwijl ze in de kerk stuiptrekkend hun sluiers verscheurden.

    Het dier is alles wat een mens niet is, de ultieme ‘ander’

    In de afgelopen eeuwen zijn wilde dieren uiteraard bijna volledig uit het dagelijks leven verdwenen. We beschouwen ze vaak als inferieur: minder bewust, minder intelligent, minder zelfrelativerend, minder rationeel. Het dier is alles wat een mens niet is, de ultieme ‘ander’. Toch spelen ze de hoofdrol in onze psychische aandoeningen, hallucinaties en dromen, maar ook in kunst, verhalen en de mentale wereld van kinderen. Ze betreden de psyche op spectaculaire en soms verontrustende manieren.

    Dat geldt vooral voor mensen met medische aandoeningen zoals blindheid, dementie of schizofrenie. Hun hallucinaties kunnen bijzonder levendig zijn. In 2019 meldden verschillende psychosepatiënten tijdens een medisch onderzoek dat ze slangen uit hun armen zagen groeien, een neushoorn de straat zagen oversteken of een koe ontwaarden die midden in een schoolgang stond.

    Dergelijke gefantaseerde dieren kunnen ook gemakkelijk verschijnen onder invloed van psychedelica als LSD of psilocybine – de werkzame stof in paddo’s. Tijdens zulke ervaringen maken dieren bijna altijd deel van de beleving. Tijdens mijn eerste – en waarschijnlijk laatste – ervaring met psilocybine bevond ik me in een wereld vol reptielachtige en parasitische narigheid, waarin slangen, hagedissen, wormen en andere pootloze wezens door een plantenrek kropen en gleden. Ze daagden me uit met groteske gezichten die deden denken aan waterspuwers van een gotische kathedraal. Het klinkt angstaanjagend, maar het wekte bij mij vooral een oprechte nieuwsgierigheid op.

    Hallucinaties

    Daarin sta ik niet alleen: psycholoog Benny Shanon, die honderden keren ayahuasca dronk als onderzoek naar het boek dat hij over de effecten ervan schreef, kwam tijdens zijn hallucinaties vooral dieren tegen. Hij kwam hagedissen en krokodillen tegen, vissen en bijen, vlinders en jaguars. Ook in dromen verschijnen regelmatig zowel gewone als mythische dieren. En hoewel het verleidelijk is om betekenis achter zulke visioenen te zoeken, zeggen ze waarschijnlijk meer over onze verhouding tot dieren dan over de dieren zelf.

    Dichter Alisan Hawthorne Deming, die in haar dromen vaak door dieren wordt bezocht, beschrijft hoe ze zelfbewust en ongebreideld haar bewustzijn binnendringen. Na een droom waarin een paard de praktijk van Sigmund Freud binnenkwam voor een behandeling, concludeerde ze dat het ‘een boodschapper uit het dierenrijk was, die ons vertelde dat wij hen gek maken – en dat zij zelf geen wetenschap hebben om zichzelf te behandelen.’

    Het blijft een mysterie waarom zulke realistische dierlijke beelden in het onbewuste blijven opduiken. Een mogelijke verklaring is dat het brein, bij gebrek aan normale prikkels, inkomende informatie ordent door er een hypothese of een eigen verhaal aan te verbinden, of door het zogeheten defaultnetwerk te activeren, een groep hersengebieden die dagdromen en introspectie mogelijk maken. Dat we eerder dieren oproepen dan levenloze objecten, kan samenhangen met het feit dat het menselijke visuele systeem is geëvolueerd om zeer gevoelig te zijn voor levende wezens.

    Hij kwam tijdens zijn hallucinaties vooral dieren tegen: hagedissen en krokodillen, vissen en bijen, vlinders en jaguars

    Tijdens de honderdduizenden jaren waarin Homo sapiens en zijn voorouders als jagers en verzamelaars leefden, hadden individuen die sneller dieren konden ontwaren in het landschap een grotere kans om te overleven en zich voort te planten. Zo werd deze vaardigheid geleidelijk geselecteerd, totdat ze een universeel geërfd kenmerk werd van het menselijk brein. We ontwikkelden, om een nieuw spreekwoord leven in te blazen, een ‘dierenverstand’: we raakten betrokken bij de omstandigheden van onze medewezens en zeer afgestemd op hun anatomische vorm en hun bewegingen.

    Archeoloog Derek Hodgson, wiens expertise ook neurowetenschap en psychologie bedraagt, oppert dat dit mechanisme waarschijnlijk bij onze voorouders is geëvolueerd als reactie op de dreiging van carnivoren en de voortdurende strijd om voedsel. Een intuïtieve emotionele reactie op de geringste mogelijkheid dat er een dier in de buurt is, vergrootte de overlevingskans aanzienlijk. ‘Ze concurreerden met roofdieren die niet alleen op hen jaagden, maar ook op de dieren die ze zelf achterna zaten,’ aldus Hodgson. ‘Als ze een fout maakten en niet reageerden, zouden ze diep in de problemen zitten. Ze moesten extreem alert zijn op dieren die zich camoufleerden, anders zouden ze achterblijven in het eindeloze verstopspel.’

    Het moderne brein draagt dit mechanisme nog altijd met zich mee. Neurowetenschappers hebben een specifiek neuraal pad gevonden dat het visuele deel van het brein (de visuele cortex) aan het emotionele deel verbindt (de amygdala). Deze ‘ventrale stroom’ roept bij het zien van een dier een onmiddellijke emotionele reactie op, waardoor we de positie ervan al opmerken voordat we ons daar actief van bewust zijn. Net als onze voorouders uit de ijstijd, blijven we dus hypergevoelig voor levende wezens.

    Dierenbrein

    Hoewel we ons ‘dierenbrein’ in het dagelijks leven niet vaak op de proef kunnen stellen, wordt het volledig geactiveerd als onze psyche wordt verstoord: tijdens psychoses, neuroses, waanbeelden, fobieën en obsessies, maar ook tijdens dromen en hallucinaties. De dieren die ons in zulke toestanden bezoeken, zijn wellicht tekenend voor de tegenstrijdige manieren waarop we over hen denken – en onze wankele gevoelens over de vraag of wij zelf ook dieren zijn.

    De Amerikaanse antropoloog Ernest Becker, prominent in het midden van de twintigste eeuw, geloofde dat onze houding tegenover dieren – en een groot deel ons gedrag en denkproces – voortkomt uit het besef dat we sterfelijk zijn. De angst om ooit tot stof te vergaan motiveert ons om gezinnen te stichten, normen en waarden te cultiveren, religies te omarmen en dingen op te bouwen die ons zullen overleven. Dieren, die we veelal zien als verkeersslachtoffer of als voedsel, herinneren ons aan onze lichamelijke, sterfelijke aard. Door ons van ze af te zonderen, proberen we een vorm van symbolische onsterfelijkheid te bereiken.

    Beckers ideeën helpen verklaren waarom we ons zo wanhopig vastklampen aan het idee dat de mens een uitzonderingsgeval is, ondanks het toenemende bewijs dat we de ervaringen en vermogens van onze medewezens ernstig onderschatten. De meeste biologen zijn het er inmiddels over eens dat alle gewervelde en veel ongewervelde dieren over een bepaald bewustzijn beschikken, en dat hun emoties net zo complex kunnen zijn als die van mensen. Onze opzettelijke uitsluiting – een geloof dat te herleiden is naar de oude Grieken – is desastreus geweest voor diersoorten. Het heeft ons toegestaan ze straffeloos te doden en hun leed op afstand te houden. En het heeft ons toegestaan om de cognitieve dissonantie te omzeilen waarbij we moeten erkennen dat we zijn wat we eten: vlees en botten.

    Het idee dat de mens een uitzonderingsgeval is, is makkelijk te koesteren als we volledig bewust zijn. Maar als we slapen, cognitief kwetsbaar zijn, onder invloed verkeren of op een andere manier uit balans zijn, worden dieren ineens onze gelijken. Wat doen deze dieren hier? Daar is moeilijk achter te komen. Ze herinneren ons er in elk geval aan dat onze relatie ouder en intiemer is dan we vaak willen erkennen.

  • Ontspannen de nacht doorkomen? Regisseer je eigen dromen

    Ontspannen de nacht doorkomen? Regisseer je eigen dromen

    Steeds meer mensen proberen hun dromen te sturen om nachtmerries te kunnen bestrijden of om in hun slaap iets leuks te beleven. Psycholoog en droom­expert Michael Schredl legt uit hoe dat werkt.

    U bent een van ’s werelds meest gerenommeerde wetenschappers die zich met droomonderzoek bezighouden. Hoe weet ik zeker dat dit videointerview geen droom is? 

    Schredl: Iets zeker weten is altijd een kwestie van perspectief. Dromen kun je relatief gemakkelijk onderscheiden van de realiteit, omdat je in een droom dingen kunt doen die niet passen binnen de natuurkundige wetten van die werkelijkheid. We noemen dat lucide dromen. 

    Wat verstaat u daaronder? 

    In zulke dromen weet je dat je droomt en kun je beslissen wat je doet. Geoefende lucide dromers kunnen in hun droom bijvoorbeeld opstijgen en vliegen. Mijn favoriete activiteit was door muren heen te lopen, dat vond ik het leukst.

    Als je zeker wilt weten dat je niet droomt, helpt het dan om jezelf te knijpen?

    Jezelf knijpen is geen goede realitycheck. Dat is uitgezocht door een groep Amerikaanse onderzoekers. Als je jezelf in een lucide droom knijpt, kan het zijn dat je verwacht dat het pijn doet. En dan doet het inderdaad pijn. 

    Kan iedereen lucide dromen? 

    Hoe vaak lucide dromen voorkomen, varieert nogal. Uit een representatief onderzoek in Duitsland blijkt dat ongeveer de helft van de mensen minstens één keer een lucide droom heeft gehad. Weinig mensen maken dat vaker mee. Er bestaan verschillende technieken om lucide dromen op te wekken. De eenvoudigste techniek is een reality check: vraag jezelf overdag meermaals af of je droomt of wakker bent. 

    Er zijn aanwijzingen dat een positieve lucide droom de dag erna een positief effect heeft

    Hebben we ook baat bij zulke dromen als we wakker zijn? 

    Er is onderzocht of iemand in lucide dromen vaardigheden kan oefenen, een beetje zoals sporters doen met mentale trainingen terwijl ze wakker zijn. Er zijn wat data die erop wijzen dat dat mogelijk is. Sommige mensen gebruiken lucide dromen voor de behandeling van nachtmerries of gewoon voor de lol. Er zijn aanwijzingen dat een positieve lucide droom de dag erna een positief effect heeft. 

    Dus eigenlijk is het een soort droomoptimalisatie? 

    Ik vergelijk het graag met meditatie. Lucide dromen maakt bewustzijnsverruiming mogelijk zonder gebruik te maken van van buitenaf toegediende stoffen. Mensen vragen vaak of lucide dromen bijwerkingen heeft, maar tot nu toe hebben we die niet gevonden, ook niet wat de kwaliteit van de slaap betreft. In één onderzoek waren er zelfs aanwijzingen dat de deelnemers zich na een lucide droom veel beter voelden.

    Kun je door ontspanningstechnieken of een positieve basishouding je dromen in positieve zin vormgeven? 

    Er bestaat een sterke correlatie tussen een positieve dag en positieve dromen. Ook als je overdag gestrest bent, wordt dat vaak weerspiegeld in je dromen. Het is dus niet zo eenvoudig om ’s nachts bewust mooie dromen te creëren als je een stressvolle dag hebt gehad. 

    Hoe gaat u zelf met verontrustende dromen om? 

    Als volwassene heb ik wel eens wat heftigere dromen gehad. Maar echte nachtmerries zijn na mijn kindertijd niet teruggekomen. We spreken van een nachtmerrie als de negatieve emoties zo sterk zijn dat je er zelfs wakker van wordt. Sommige mensen beleven ’s nachts hele horrorfilms. Voor die mensen hebben we in ons slaaplaboratorium in Mannheim een speciaal nachtmerriespreekuur. Want akelige dromen wegduwen helpt niet. Als je probeert om iets in je hoofd weg te duwen, komt het alleen maar sterker terug.

    Droom je bijvoorbeeld dat je in een afgrond valt, stel je dan voor dat beneden de brandweer klaar staat met een vangnet

    Wat adviseert u deze mensen? 

    Er bestaat een heel eenvoudige therapie om van je demonen af te komen: imagery rehearsal therapy. Daarbij worden terwijl je wakker bent oplossingen gezocht voor de benauwende situatie in je dromen. Droom je bijvoorbeeld dat je in een afgrond valt, stel je dan voor dat beneden de brandweer klaar staat met een mooi kleurig vangnet. Vriendelijke brandweermannen helpen je er weer uit en bieden je een kop thee aan. Je voelt je meteen stukken beter. Daarna moet je veertien dagen lang elke dag vijf minuten aan die oplossing denken. Deze techniek werkt niet bij iedereen, maar wel bij zeker 80 tot 85 procent. 

    Hebben kinderen daar ook iets aan? 

    Ja, maar een kind laten we een oplossing tekenen. Het monster draagt misschien rolschaatsen, maar het blijkt er niet mee te kunnen schaatsen en valt op de grond. Heel kleine kinderen kunnen tijdens een nachtmerrie alleen mama of papa roepen. Uit onderzoek blijkt dat de frequentie van nachtmerries meestal afneemt als kinderen een jaar of tien zijn. Dan hebben ze al wat beter met hun angsten leren omgaan. 

    Welke invloed heeft socialisatie op onze dromen? 

    Meisjes kunnen zich vaker dromen herinneren dan jongens. Het zou dus kunnen dat de manier waarop we met dromen omgaan en onze belangstelling daarvoor invloed heeft op hoe vaak we ons dromen kunnen herinneren. Bovendien laten culturele verschillen zien hoe mensen met dromen omgaan. Mensen van Latijns-Amerikaanse afkomst in de Verenigde Staten praten bijvoorbeeld vaker over dromen dan Angelsaksen, omdat dromen in hun cultuur een andere betekenis heeft. Zulke verschillen bepalen niet alleen de inhoud van dromen, maar ook de manier waarop erover wordt gesproken.

    Dromen zijn er altijd. Je droomt continu, gedurende de hele slaapcyclus

    Heeft het zin om met kinderen over hun dromen te praten?

    Helaas hebben we nog geen gericht onderzoek gedaan bij kinderen, maar een studie onder getrouwde stellen suggereert dat praten over dromen hun onderlinge band kan versterken. Een open gesprek over dromen creëert meer emotionaliteit en betrokkenheid dan praten over alledaagse dingen als het weer of wat je die dag gedaan hebt.

    Zijn er fasen waarin we meer of minder dromen? 

    Dromen zijn er altijd. Je droomt continu, gedurende de hele slaapcyclus. Het grote verschil is of je je, als je wakker wordt, kunt herinneren wat je hebt beleefd. Dit vermogen om dromen te herinneren varieert sterk. De meeste studies laten echter zien dat je met relatief eenvoudige maatregelen het herinneren van dromen kunt verbeteren. Een dromendagboek bijhouden bijvoorbeeld. Het kan ook al helpen om je alleen voor te nemen je dromen te herinneren.

    Dus het zegt niets over mij als persoon of ik mijn dromen wel of niet kan onthouden?

    Inderdaad. Het onthouden van dromen correleert met bepaalde persoonlijkheidskenmerken, zoals in hoeverre je openstaat voor ervaringen. Mensen die meer geïnteresseerd zijn in alledaagse onderwerpen kunnen hun dromen over het algemeen beter onthouden. Dit is in tegenspraak met de oude ideeën over verdringing van volgelingen van Freud. Iedereen die geïnteresseerd is in dromen en wil begrijpen wat er ’s nachts gebeurt, zal dromen ook beter kunnen onthouden. 

  • Zes vragen over dromen

    Zes vragen over dromen

    Wetenschappers komen steeds meer te weten over dromen. Waarom zijn ze bijvoorbeeld zo vreemd? En dromen mannen en vrouwen anders? New Scientist zet de laatste inzichten op een rij.

    Dromen zijn zo vreemd en voor ons zo betekenisvol dat we vaak de behoefte hebben ze aan anderen te vertellen, soms op het langdradige af. Maar als je weet wat er in het brein gebeurt tijdens het dromen, begint het veel zinniger te worden, en kan het interessantere gespreksstof opleveren dan wanneer je simpelweg je hart uitstort over de avonturen die je hersenen ’s nachts meemaken. Je vrienden zullen je dankbaar zijn. Dromen zijn veel belangrijker dan je zou denken – en we lijken er steeds minder te krijgen. Laten we het dus eens hebben over een paar algemene vragen over de nachtelijke hallucinaties die we dromen noemen.

    1. Waarom zijn dromen zo vreemd?

    Er is een goede reden waarom dromen zo grillig en eigenaardig zijn. Herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen in het leven – de zogenaamde episodische herinneringen – worden opgeslagen in het deel van de hersenen dat de hippocampus heet, en tijdens de Rapid Eye Movement (REM)-slaap worden signalen uit de hippocampus stopgezet. Dat betekent dat we, als we dromen, geen toegang hebben tot specifieke herinneringen aan dingen die in het verleden hebben plaatsgevonden.

    Maar we hebben wel toegang tot algemene herinneringen aan mensen en plekken die de ruggengraat van onze dromen vormen. Tegelijkertijd wordt activiteit in hersengebieden die van doen hebben met emotionele processen geprikkeld, waardoor een overdreven emotioneel verhaal wordt gevormd dat die herinneringen aan elkaar rijgt.

    Heb wat geduld en laat me een van mijn recente dromen als voorbeeld gebruiken. Ik droomde dat het huis waarin ik ben opgegroeid omringd was door water; ik moest proberen het raam uit te vliegen om te ontsnappen, maar ik was vergeten hoe ik moest vliegen. Het overweldigende gevoel was emotie – angst en vrees over het stijgende water en mijn onmacht om te vliegen.

    Een ander deel van de hersenen, de dorsolaterale, prefrontale cortex die ons vermogen tot zowel logisch redeneren als het nemen van beslissingen regelt, is ook stilgelegd. Ik vraag me dus niet af waarom het water zo snel stijgt en ook niet waarom ik terug ben in mijn ouderlijk huis, en zelfs niet waarom naar de vrijheid vliegen een optie is.

    Dit verschil in hersenactiviteit vergeleken met die in wakende toestand, helpt de vraag te beantwoorden waarom we het gevoel hebben dat we zo weinig controle hebben over onze dromen – we zijn toeschouwers, voor de gezelligheid meegegaan – en waarom we pas als we wakker worden vreemd opkijken van al die eigenaardige dingen. In mijn dromen haal ik vaak onderwater adem, alsof dat volslagen normaal is.

    2. Dromen we alleen in de REM-slaap?

    De studie van dromen – die eeuwenlang meer een oefening in vindingrijke verklaringen was dan iets wat bij benadering ook maar wetenschap mag worden genoemd – begon pas echt in 1953, toen Eugene Aserinsky en Nathaniel Kleitman van de Universiteit van Chicago elektroden plaatsten op het hoofd van vrijwilligers en ze tijdens verschillende slaapstadia wakker maakten. Ze ontdekten de REM-slaap en het verband met dromen.

    Recente experimenten hebben aangetoond dat we tijdens onze hele slaapperiode dromen, en niet alleen in de REM-slaap. Maar we vergeten de meeste. Dromen die voorkomen in diepe slaap zijn meestal onemotioneel, niet levendig, handelen over eenvoudige dingen en zijn moeilijk te herinneren. Kortom: saai. In de REM-slaap komen de klassieke dromen voor, die met de bizarre nevenschikkingen, fysiek onmogelijke kunststukjes, schokkende, ontroerende en onbegrijpelijke ervaringen. Als de REM-slaap onderbroken wordt, vergeten we die ervaringen.

    Trouwens, veel mensen hebben zich afgevraagd of onze ogen in de REM-slaap bewegen om naar droombeelden te ‘kijken’. Sommige tekenen wijzen erop dat dit inderdaad zo is.

    3. Waarom is het moeilijk om je dromen te onthouden?

    Sommige mensen houden vol dat ze nooit dromen, maar zij hebben het mis. Dat weten we door experimenten waarin mensen tijdens de nacht in verschillende stadia wakker gemaakt worden. Iedereen droomt, maar niet iedereen herinnert zich die dromen. Dat kan verband houden met hersenactiviteit – diegenen die zich vaker dromen herinneren hebben, slapend en wakend, een grotere activiteit in twee delen van de hersenen die betrokken zijn bij het stimuleren van beelden en het opslaan van herinneringen dan mensen die zich hun dromen niet herinneren.

    Paul McCartney droomde de melodie van Yesterday en Dmitri Mendeleev de structuur van het periodiek systeem

    Het heeft ook te maken met hoe je slaapt. Tijdens de REM-slaap doen we moeite om nieuwe herinneringen te vormen, zegt Robert Stickgold van de sectie slaapmedicijnen aan Harvard Medical School. Als we tijdens of vlak na een droom wakker worden, kunnen we die ‘vastgrijpen’ voor hij wegglipt – met andere woorden, we kunnen hem coderen in onze langeretermijnopslag. Dus als je ’s nachts wakker wordt, herinner je je fragmenten van dromen. Maar als je wakker wordt door de wekker en je REM-slaap wordt onderbroken, dan kun je die herinnering hoogstwaarschijnlijk niet vasthouden. Zelfs als je midden in een droom was en niet in een diepe, droomvrije sluimerstaat, verstoort die plotselinge omschakeling – van slapen en dromen naar wakker worden en de wekker uitzetten – het herinneringsproces.

    4. Waar dienen dromen voor?

    Daar zijn veel theorieën over. Een daarvan is dat dromen een evolutionaire functie kunnen hebben, om ons op de proef te stellen in scenario’s die van belang zijn om te overleven. Dit kan verklaren waarom mensen vaak zeggen dat ze in hun dromen achterna gezeten of aangevallen worden. Omgekeerd kunnen ze juist de harde schok van een emotioneel trauma verzachten. Aan de andere kant hebben veel mensen verklaard dat dromen creatief denken kunnen stimuleren, zoals Paul McCartney die de melodie van Yesterday droomde (toen hij wakker werd, improviseerde hij er tekst bij om de melodie maar niet te vergeten) en Dmitri Mendeleev die de structuur van het periodiek systeem droomde. Dit idee wordt experimenteel ondersteund met studies die aantonen dat mensen beter scoren in creativiteitstests na een dutje waarin ze in een REM-slaap verkeerden.

    5. Hebben mijn dromen een betekenis?

    Sigmund Freud beweerde dat ‘de interpretatie van dromen de koninklijke weg is naar de kennis van de onbewuste activiteiten van de geest’. Hij dacht dat het onbewuste zich bezighield met ‘afwijkende’ gedachten, en dat dromen in de eerste plaats een middel waren om wensen te vervullen. Maar dat die ideeën binnen de wetenschap nu uit de gratie zijn, betekent niet dat droominterpretatie onmogelijk is. Waar je over droomt evenals de emotionele sfeer van de droom weerspiegelen waarschijnlijk wat je hersenen belangrijk vinden. Onderzoek toont aan dat als je de hele dag Tetris speelt, je hersenen beslissen dat je over Tetris moet dromen. Als je ergens ongerust over bent, zal je brein je vast een droom geven met ongerustheid als dominante emotie. Een grote hoeveelheid onderzoek dat ontwaakervaringen en droominhoud registreert, wijst uit dat je ervaringen overdag in overeenstemming kunnen worden gebracht met de inhoud van je dromen – maar ook veel andere, ogenschijnlijk los van elkaar staande belevingen, kunnen zich in je dromen wurmen.

    Proberen om je dromen te analyseren en interpreteren zou therapeutisch kunnen werken of inzicht kunnen geven, zegt Mark Blagrove van Swansea University in Groot-Brittannië, maar hij waarschuwt dat zulks volgens sommigen niet méér inzicht geeft dan het lezen van je horoscoop of nadenken over je dagdromen. Er zouden experimenten voor nodig zijn om te testen of uit dromen belangrijke, persoonlijke informatie valt op te maken. En zelfs dan betekent het nog niet dat dromen bedoeld zijn om die informatie over te brengen. Als de evolutie ons dromen heeft gegeven als boodschappen over onszelf, had ze het beter moeten aanpakken door te zorgen dat ze gemakkelijker te onthouden zijn.

    Sommige droomanalyses duiden erop dat vrouwen evenveel over mannen als over vrouwen dromen, terwijl mannen meer over andere mannen dromen

    6. Dromen mannen en vrouwen anders?

    Sommige droomanalyses duiden erop dat vrouwen evenveel over mannen als over vrouwen dromen, terwijl mannen meer over andere mannen dromen. Michael Schredl, van het Central Institute of Mental Health in Mannheim, Duitsland, heeft gedocumenteerde droomverslagen die aantonen dat mannen dikwijls dromen van vechten met andere mannen, terwijl vrouwen vaker dromen over vriendelijke interactie met mensen. Een paar jaar geleden schreven Christina Wong en collega’s van de University of Ottawa, Canada, een computerprogramma om te proberen onderscheid te maken tussen de dromen van mannen en vrouwen. Het programma kon in zo’n 75 procent van de gevallen correct het geslacht van de dromer aanwijzen. Het lijkt dat er genderverschillen in dromen bestaan, maar voorlopig is het nog te vroeg om te zeggen waarom.

    Auteur: Rowan Hooper

    Beeld: © Getty

    New Scientist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 125.000

    Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.

  • We slapen langer dan we denken

    We slapen langer dan we denken

    Nieuw onderzoek wijst uit dat er een nauwe relatie bestaat tussen hoe slaap ‘voelt’ en wat er fysiologisch gebeurt.

    Ik heb vaak het gevoel dat ik niet lang heb geslapen, al heb ik urenlang in bed gelegen. Dat is een ervaring die Daniel Kay, professor in de psychologie en slaaponderzoeker, vaak te horen krijgt. Uit vroegere studies blijkt volgens hem dat mensen die aan slapeloosheid lijden wel líjken te slapen – met hun ogen dicht en hun hersenen in een karakteristiek slaappatroon – maar dat er een addertje onder het gras schuilt. ‘Raad eens wat ze waarschijnlijk zeggen als je ze wekt? “Ik was wakker.”’

    Hij meent dat je je, in plaats van ‘wakker’ of ‘in slaap’ te zijn (alsof dat de enige twee mogelijkheden zijn), bewust kunt zijn van je omgeving terwijl je hersenen in een slaappatroon verkeren.

    Zijn nieuwe onderzoek, dat gepubliceerd is in het blad Sleep, zou daar een verklaring voor kunnen geven. Het toonde aan dat bepaalde processen, die van doen hebben met het afnemen van het bewustzijn, bij slapeloze mensen beschadigd kunnen zijn.

    ‘Als we de hele dag tegen onszelf zeggen dat we moe zijn, zúllen we ons ook de hele dag moe voelen’

    ‘Dat maak ik elke dag mee,’ vertelt dr. David Cunnington, slaaparts en medeoprichter van Sleep Hub. Hij zegt dat wordt aangenomen dat er een nauwe relatie is tussen hoe slaap voelt en wat er fysiologisch gebeurt. Dus als mensen (zoals ondergetekende) zich bewust zijn van geluiden of dingen om hen heen, menen ze dat ze licht slapen of dat hun slaap niet van een gezonde kwaliteit is.

    Maar hoewel we misschien denken dat totale bewusteloosheid de enige manier is van ‘goed’ slapen, is het normaal om je tijdens sommige slaapstadia bewust te zijn van zintuiglijke prikkels, zoals geluiden. Het brein slaapt niet als zelfstandig onderdeel, maar is opgebouwd uit vele verschillende systemen, legt dr. Cunnington uit. ‘Het is normaal dat sommige delen van de hersenen tijdens de slaap in een slaaptoestand verkeren, terwijl andere delen wakker blijven.’ Daarom kunnen moeders bijna onmiddellijk reageren op het gehuil van hun kind, of worden andere geluiden tijdens de nacht in onze dromen geïncorporeerd.

    Een andere reden waarom slapelozen menen dat ze slecht slapen, is omdat ze onderschatten hoe lang ze doezelen. In een reeks studies vergeleken dr. Cunningham en collega’s hoe lang iemand dacht geslapen te hebben versus objectief gemeten slaap. Lijders aan slapeloosheid bleken gemiddeld twee uur per nacht langer te slapen dan ze dachten.

    Cyclus doorbreken

    Maar een van de moeilijkste aspecten van omgaan met slapeloosheid is niet het gebrek aan slaap op zich, maar de diepe uitputting die je de volgende dag voelt. Gelukkig zijn er manieren om die vermoeidheid te verlichten, zegt dr. Cunnington. Houding speelt een centrale rol. Wie de cyclus van negatief denken over slaap weet te doorbreken, kan zich de volgende dag fitter voelen.

    Psycholoog Sharon Draper is het daarmee eens. ‘We zijn wat we denken,’ zegt ze. ‘Dus als we de hele dag tegen onszelf zeggen dat we moe zijn, zúllen we ons ook de hele dag moe voelen.’ Zij adviseert om die gedachten te vervangen door positieve, realistische ideeën over hoe je de dag doorkomt, en door te bedenken dat rust net zo essentieel is als slaap.

    Dr. Cunnington zegt dat het ook belangrijk is om je opvattingen over slaap bij te stellen: omdat je het idee hebt dat je maar vier uur hebt gesluimerd, ben je nog niet gedoemd om de volgende dag moe te zijn, dus zet dat uit je hoofd. Om die dag door te komen, zegt Draper, helpt het om je aan je gewone routine te houden en je er niet doorheen te slepen met behulp van vele kopjes koffie of dutjes overdag. Als je je minder energiek voelt, neem dan heel korte pauzes om jezelf op te peppen zonder naar suiker of cafeïne te grijpen. Haal een frisse neus, drink een glas water of ga even wandelen. En als je naar bed gaat, doorbreek dan die cirkel van negatieve gedachten over dat je vast niet kunt slapen.

    Dus vanavond zal ik mezelf geruststellen met de gedachte dat ik – hoewel ik het gevoel heb dat ik niet kan slapen – misschien al aan het indutten ben, en dat ik waarschijnlijk langer slaap dan ik aanneem. En als ik net zo in elkaar zit als de meeste lijders aan slapeloosheid, dan is de kans groot dat beide dingen waar zijn.

    Auteur: Evelyn Lewin

    Beeld: © Getty

    The Sydney Morning Herald
    Australië | dagblad |oplage 224.000

    Centrum-linkse krant, opgericht in 1813 als Sydney Herald, vooral gelezen door 35-plussers met een vrij beroep. Sinds 1849 bestaat er ook een zondagseditie, The Sun Herald, met een eerder populaire dan intellectuele toon.