Tag: duurzaam

  • Raadselachtige ruïnes in Mexico zouden behoren tot ‘ecokoninkrijk’

    Raadselachtige ruïnes in Mexico zouden behoren tot ‘ecokoninkrijk’

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Backpackersparadijs Nepal wil weer rijke toeristen trekken

    » Zimbabwe: droogte bedreigt maisoogst

    Río Bec zou een duurzame Mayacultuur herbergen

    Recente opgravingen door een groep Franse archeologen hebben onthuld dat een verloren gegane nederzetting in de jungle van de Mexicaanse staat Campeche een Mayasamenleving herbergde die op ‘duurzame’ wijze voedsel verbouwde. Dit zogenaamde ‘ecorijk’ van Río Bec verdween op mysterieuze wijze rond het jaar 1000 na Christus. Dat schrijft El País.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De archeologen spreken van een samenleving zonder een politiek-religieus centrum; de inwoners leefden er samen in over het gebied verspreide groepen, zonder een duidelijk verlangen om de ander te domineren. Een ‘zeldzaam geval’, aldus de Spaanse krant, aangezien andere koninkrijken in de regio uit die tijd waren geconcentreerd rond een machtscentrum, zoals een piramide. Opgravingen in maart dit jaar laten zien dat Río Bec zich ooit ontwikkelde rond wat we vandaag de dag ‘voedselsoevereiniteit’ zouden noemen, met een uitgebreid systeem van kavels, lange kanalen die regenwater naar opvanggebieden leidden en dammen die behalve water ook vruchtbare grond vasthielden. De onderzoekers spreken daarom van een ‘duurzaam’ landbouwsysteem.

    Río Bec ontstond rond 550; de samenleving is rond het jaar 1000 op onverklaarbare wijze ingestort. De tientallen wijdverspreide nederzettingen liggen 200 tot wel 500 meter uit elkaar. Hun sociaal-politieke organisatie was al even gefragmenteerd. Elke nederzetting werd geleid door een kernfamilie, die land deelde met andere familieleden en woonde in monumentale gebouwen met gewelfde daken.

  • Waarom het zo moeilijk is om afscheid te nemen van steenkool

    Waarom het zo moeilijk is om afscheid te nemen van steenkool

    Het bonte gezelschap van financiers dat ‘de tandwielen’ van de steenkoolindustrie smeert, zal er waarschijnlijk voor zorgen dat deze lucratieve handel stand houdt, ook al is dat schadelijk voor planeet. De markt wil maar geen afscheid van de de vervuilende brandstof nemen.

    Opgestapeld onder de azuurblauwe lucht in de haven van het Australische Newcastle liggen bergen steenkool waar gigantische shovels hapjes uit nemen. Ze scheppen het spul op transportbanden, die naar vrachtschepen leiden van soms wel drie voetbalvelden lang. Jaarlijks verwerken deze terminals 200 miljoen ton van de brandstof, wat Newcastle de grootste kolenhaven ter wereld maakt. De doorvoer beleeft een indrukwekkende comeback, nadat overstromingen vorig jaar de toelevering een zware slag hadden toegebracht. 

    Aaron Johansen, die toezicht houdt op de nieuwste, volledig geautomatiseerde terminal, verwacht voor de komende zeven jaar in ieder geval geen kleinere cijfers. Rijke Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, snakken naar de hoogwaardige steenkool die de terminal passeert. En dat geldt ook steeds meer voor opkomende landen als Maleisië en Vietnam.

    Aan de andere kant van de wereld is de stemming wel anders. De afgelopen weken verstoorden activisten meermaals de jaarlijkse algemene vergadering van Europese banken en energiebedrijven, waarbij zij grote schrijvers citeerden, onder wie Shakespeare (Don’t shuffle off this mortal coil) en de Spice Girls (Stop right now), in hun oproep een einde te maken aan de steenkoolwinning. Ze geven een stem aan de breed gevoelde angst voor wat steenkool voor het klimaat kan aanrichten als grootste bron van broeikasgassen. De brandstof was goed voor ruim 40 procent van energiegerelateerde koolstofemissies in 2022. De Verenigde Naties zeggen dat de productie met 11 procent per jaar moet dalen om de opwarming van de aarde ten opzichte van pre-industriële tijden onder de 1,5 graad Celsius te houden. Het Internationaal Energieagentschap (IEA), een officiële voorspellende instantie, wil niet dat er nieuwe mijnen worden geopend, noch dat er bestaande worden uitgebreid. Klimaatexperts denken dat 80 procent van de reserves ongebruikt moet blijven.

    In 2020 meende het IEA nog dat de steenkoolconsumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt

    Dit moet dan voornamelijk gebeuren door de financiële toeleveringsketen af te knijpen. Ruim tweehonderd van ’s werelds grootste financiers, waaronder 87 banken, hebben aangekondigd dat ze investeringen in kolenmijnbouw of kolencentrales aan banden zullen leggen. Kredietverstrekkers die goed zijn voor 41 procent van de wereldwijde bankactiva hebben zich aangesloten bij de Net-Zero Banking Alliance en toegezegd hun portefeuilles tegen 2050 af te stemmen op CO2-neutrale emissies. Op de COP26-top in 2021 voorspelden de VN dat de steenkoolproductie door deze campagne verleden tijd zou worden. In 2020 meende het IEA nog dat de consumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt.

    Geoliede handelsmachine

    Toch lijkt koning Steenkool steviger op zijn troon te zitten dan ooit. In 2022 bedroeg de vraag ernaar voor het eerst meer dan 8 miljard ton. In dit artikel beschrijven we wie de tandwielen van deze ooit tot ondergang gedoemd lijkende handelsmachine smeert. Onze bevinding is dat de markt levendig, goed gefinancierd en winstgevend is. Nog opvallender is dat het bonte gezelschap van financiers er waarschijnlijk voor zal zorgen dat de handel tot ver in de jaren dertig van deze eeuw standhoudt, en dat die handel nog een aantal zakken flink zal vullen, ten nadele van de planeet.

    Het is verleidelijk om 2022 als een uitzonderlijk jaar te beschouwen. Rusland sneed de gasleidingen naar Europa af en Europa verbood de invoer van steenkool uit Rusland. Het continent verliet zich op vloeibaar aardgas (lng) dat bestemd was voor Azië en thermische steenkool uit Colombia, Zuid-Afrika en het verre Australië. Ook Aziatische landen die afhankelijk zijn van hoogwaardige Russische steenkool gingen diversifiëren. De prijzen voor topkwaliteit stegen. De armere buren van Europa werden uit de gasmarkt geprijsd en stortten zich op brandstof van mindere kwaliteit.

    De crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt

    Nu is de storm gaan liggen. Na een zachte winter hebben Europese nutsbedrijven weer behoorlijke voorraden aan gas en kolen. Maar naarmate de vraag naar stroom voor verkoelingsapparatuur in steeds warmere zomers toeneemt, zal de invoer van steenkool versnellen. De Chinese economie is het tijdperk van zerocovidbeleid te boven gekomen, India gaat als een speer. Handelaren verwachten dat het wereldwijde verbruik dit jaar met nog eens 3 tot 4 procent zal groeien.

    Steenkool blijft waarschijnlijk ook na 2023 in trek. Het klopt dat de vraag in Europa zal afnemen naarmate het aanbod van hernieuwbare energiebronnen stijgt. In de VS, met hun goedkopere schaliegas, ís de vraag al laag. Maar de crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt. Kolen zijn goedkoper en ruimer voorradig dan andere brandstoffen en – eenmaal op eenvoudige schepen geladen – overal naartoe te vervoeren. Dit in tegenstelling tot lng, waarvoor je speciale schepen en terminals voor hervergassing moet bouwen, wat jaren duurt. China wil de komende twee jaar 270 gigawatt aan nieuwe kolencentrales bouwen, meer dan welk land dan ook ter wereld vandaag de dag aan capaciteit heeft. India en een groot deel van Zuidoost-Azië volgen hetzelfde pad.

    Blijvende vraag naar steenkool

    Zelfs als het Westen steenkool snel afzweert, zal de vraag naar thermische steenkool tussen nu en 2030 met slechts 10 tot 18 procent dalen, verwacht de Boston Consulting Group. Een groot deel van de vraag komt voor rekening van de binnenlandse productie in China en India, de grootste verbruikers ter wereld. Import blijft echter cruciaal. Investeringsbanken verwachten niet dat de verhandelde volumes dit decennium snel onder de 900 miljoen ton komen, ten opzichte van 1 miljard ton vorig jaar. Eén investeringsbank, Liberum Capital, verwacht de komende vijf jaar een stijgende invoer.

    Blijft de wereldwijde kolenmarkt aan die hardnekkige vraag voldoen? Ons onderzoek lijkt te zeggen van wel. Er is genoeg geld voor drie vitale schakels in de toeleveringsketen: handel en scheepvaart, meer graven in bestaande mijnen, en nieuwe projecten.

    Handelsfinanciering is nog het eenvoudigst. Consultant Oliver Wyman berekende voor The Economist dat hoge prijzen, samen met de langere reizen als gevolg van omgeleide export, de behoefte aan werkkapitaal van kolenhandelaren in 2022 opdreven tot 20 miljard dollar, vier keer het historische gemiddelde. Ervan uitgaande dat de gemiddelde kolenprijs boven de 100 dollar per ton blijft, wat veel analisten verwachten, blijft die behoefte tot ten minste 2030 boven de 7 miljard dollar.

    Handelaren in grondstoffen blijven liquide genoeg om de aankoop van kolen te financieren. Een van hun geldbronnen bestaat uit bedrijfsleningen via meerjarige bankleningen of obligaties, waardoor bedrijven een vastgesteld bedrag naar eigen goeddunken kunnen gebruiken. Handelaren kunnen ook gebruikmaken van doorlopend krediet op korte termijn, verstrekt door groepen banken. Veel van dit soort financieringen zijn sinds begin 2022 uitgebreid – en belopen vaak enkele miljarden dollars – om handelaren te helpen sterke prijsschommelingen op te vangen. Banken die restricties opleggen en bepalen dat het geld niet mag worden gebruikt om steenkool te kopen, lopen het grote risico dat handelaren hun toevlucht zoeken tot concurrenten die wat minder strikt in de leer zijn. Dat zijn dus maar weinig banken.

    Financieel directeuren bij handelsfirma’s zeggen dat banken in landen waar handel de voornaamste bron van inkomsten is, waaronder DBS in Singapore en UBS in Zwitserland, nog steeds steenkoolaankopen financieren. Zwitserse regionale geldschieters helpen graag. Hetzelfde geldt voor banken in consumerende landen, zoals China en Japan, evenals voor de Britse bankengroep Standard Chartered, die zich richt op Aziatische bedrijven (DBS en Standard Chartered melden allebei dat ze hun belang in thermische steenkool aan het verminderen zijn). Alleen Europese kredietverstrekkers, vooral Franse, hebben zich teruggetrokken. De opengevallen plaatsen zijn ingenomen door banken uit producerende landen, zoals Australië, Indonesië en Zuid-Afrika. 

    Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool

    Kleinere, uitsluitend op kolenhandel gerichte bedrijven (de zogeheten ‘pure players’) voelen wel een grotere druk. Banken die toch al nooit veel geld aan hen hebben verdiend, kunnen nauwelijks volhouden dat ze niet weten hoe het geleende geld wordt gebruikt. Vorig jaar werden sommige handelaren gedwongen geld te lenen van private fondsen, vaak gedekt door vermogende individuen, tegen jaarlijkse tarieven van bijna 25 procent – ongeveer vijf keer de standaardkosten. Maar na maanden van bloeiende handel hebben velen geen externe financiering meer nodig. Eén bankier zegt dat sommige van zijn in kolen handelende klanten de winst in 2022 hebben zien vertienvoudigen. Een van hen, gevestigd in Londen, zag zijn totale vermogen stijgen van 50 miljoen pond in 2021 naar 700 miljoen in 2023.

    Om het product vervolgens naar kopers te verschepen, hebben handelaren vaak een door een gerenommeerde bank afgegeven garantie nodig dat ze op tijd worden betaald. Steeds minder leners willen dergelijke ‘kredietbrieven’ verstrekken, maar er zijn ook manieren om dit te omzeilen. Sommige handelaren brengen hun klanten meer in rekening om het tegenpartijrisico te dekken. Het helpt dat de investering beperkt is. Met de huidige prijzen kan een vracht steenkool niet meer dan 4 tot 5 miljoen dollar waard zijn. Een olietanker daarentegen kan voor 200 miljoen dollar aan ruwe olie vervoeren. Anderen maken gebruik van vertrouwde tussenpersonen, of vragen grotere garanties op andere goederen die de klant koopt. Sommige overheden in ontvangende landen geven de garantie zelf af of betalen zelfs vooruit.

    Transport

    Buiten Zuid-Afrika, waar spoorwegstakingen het transport hebben lamgelegd, biedt het vasteland voldoende infrastructuur om steenkool te vervoeren. Die infrastructuur zal zich alleen maar uitbreiden. Global Energy Monitor, een Amerikaanse ngo, verwacht dat India van plan is zijn kolenterminals meer dan te verdubbelen tot 1400 (momenteel zijn er wereldwijd 6300). De logistiek over zee is beperkter: onder druk van groene aandeelhouders mijden sommige verladers steenkool inmiddels. Maar kleinere transporteurs, vaak Chinezen of Grieken, hebben het stokje overgenomen. Handelaren melden geen problemen bij het verzekeren van de vracht. Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool en gebruikt dezelfde mix van obscure handelaren en scheepvaartmaatschappijen, uit Hongkong of de Golf, die het gebruikt om zijn olie naar Azië te verschepen.

    Financiering van meer graafwerkzaamheden in bestaande mijnen – de tweede schakel in de toeleveringsketen – is ook geen probleem. Vorig jaar steeg de steenkoolproductie tot een record van 8 miljard ton. Maar helemaal business as usual is het niet. Sinds 2018 hebben veel ‘majors’ in de mijnbouw (gediversifieerde conglomeraten die op openbare markten opereren) hun steenkoolactiva geheel of gedeeltelijk verkocht. Maar in plaats van te worden ontmanteld, zijn afgestoten activa opgepikt door particuliere mijnbouwers, concurrenten in opkomende markten en investeringsfirma’s. Nieuwe eigenaren hebben er geen moeite mee om mijnen volledig te benutten. In 2021 verzelfstandigde Anglo American, een in Londen gevestigde major, zijn Zuid-Afrikaanse mijnen in een nieuw bedrijf dat onmiddellijk beloofde de productie op te voeren.

    Net als handelaren zitten de mijnbouwondernemingen op dit moment goed in de slappe was. De drie grootste ‘pure-play’-steenkoolproducenten van Australië gingen van een nettoschuld van 1 miljard dollar in 2021 naar 6 miljard dollar aan nettocontanten vorig jaar. Ze hebben het grootste deel van hun langlopende leningen afgelost, dus op dat gebied zijn er geen belangrijke deadlines. ‘Tegenwoordig gaat het niet meer om de vraag “Hoe herfinancier ik mijn schuld?” maar om “Wat doe ik met mijn extra geld?”,’ zegt een financieel directeur van een van hen.

    Inconsequent beleid

    Steenkoolmijnbouwondernemingen kunnen nog steeds geld lenen wanneer dat nodig is. Uit gegevens die de ngo Urgewald verzamelde, blijkt dat ze in de periode 2019-2021 in totaal 62 miljard dollar aan bankleningen hebben verkregen. Japanse bedrijven (SMBC, Sumitomo, Mitsubishi) waren de grootste geldschieters, gevolgd door Bank of China en JP Morgan Chase en Citigroup uit de Verenigde Staten. Europese banken stonden ook in de top-15. In deze periode slaagden mijnbouwbedrijven, voornamelijk uit China, er ook in om voor 150 miljard dollar aan obligaties en aandelen te verkopen, waarvoor Chinese banken vaak borg stonden. En de liquiditeit houdt aan. Urgewald heeft berekend dat in 2022 zestig grote banken in totaal 13 miljard dollar naar de dertig grootste steenkoolproducenten ter wereld hebben gesluisd.

    Dit is mogelijk doordat het beleid van financiële ondernemingen dat steenkool uitsluit verre van consequent is. Vaak treedt dat beleid pas in 2025 in werking. In sommige gevallen geldt het alleen voor nieuwe klanten. In andere is financiering van projecten wel verboden, maar geldt dat niet voor algemene bedrijfsleningen die mijnbouwers kunnen gebruiken om naar steenkool te graven. Beleid dat dergelijke leningen beperkt, geldt vaak alleen voor mijnbouwers die veel van hun inkomsten uit steenkool halen, meestal 25 of 50 procent. Veel grote bedrijven, waaronder Glencore, een Zwitserse grondstoffengigant die 110 miljoen ton per jaar produceert, zitten onder deze percentages.

    Sommige beleidsregels zijn bewust vaag geformuleerd om vrijstellingen mogelijk te maken. Hoewel Goldman Sachs heeft beloofd ‘binnen een redelijk tijdsbestek’ te zullen stoppen met het financieren van thermische steenkoolmijnbouwbedrijven zonder diversificatiestrategie, schijnt de bank leningen te blijven verstrekken aan Peabody, een gigantisch Australisch mijnbouwbedrijf dat vorig jaar 78 procent van zijn inkomsten betrok uit de verkoop van steenkool (wellicht hielp het dat het bedrijf onlangs een bescheiden dochteronderneming op het gebied van zonne-energie heeft opgericht). Van de 426 grote banken, investeerders en verzekeraars die werden beoordeeld door Reclaim Finance, een andere ngo, kan van slechts 26 worden vastgesteld dat ze een beleid voeren dat overeenstemt met een nettonulscenario in 2050. Nog minder van die bedrijven hebben gezegd steenkool volledig te zullen afzweren. De meeste Chinese en Indiase staatsbanken hullen zich op dat gebied in stilzwijgen.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels

    Kortom, weinig banken zijn bereid om hun omzet of de voorraden van hun land te schaden. Volgens analisten helpt dit de bestaande mijnen om tot begin 2030 aan de vraag te voldoen. Pas dan kan er sprake zijn van een crisis in de steenkoolsector. Westerse banken, die hun beleid vaak om de zoveel tijd evalueren, zullen de duimschroeven langzaam maar zeker aandraaien. Het huidige gebrek aan nieuwe projecten – de derde schakel in de keten – betekent dat er mogelijk niet genoeg nieuwe voorraad is wanneer oude mijnen stoppen met produceren.

    Hoewel het steeds moeilijker is om nieuwe projecten gefinancierd te krijgen, is er nog altijd geld beschikbaar. Westerse banken trekken zich terug, maar andere spelers dringen zich op de voorgrond. Westerse mijnbouwers zijn al jaren zuinig met kapitaalinvesteringen. Nadat ze in het eerste decennium van deze eeuw een hoop hadden uitgegeven, leden velen onder de prijsdalingen halverwege de jaren tien. En al boeken ze nu weer flinke winsten, dan nog kopen de grote jongens liever concurrenten op, heropenen ze oude mijnen of geven ze kapitaal terug aan aandeelhouders dan dat ze nieuwe ondernemingen in het leven roepen. Het investeringsklimaat is het schraalst in de steenkoolsector. Een mijn vanaf de grond opbouwen kan meer dan tien jaar duren. En ook het verkrijgen van vergunningen, die in het Westen steeds vaker worden geweigerd, is een uiterst tijdrovende zaak.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels. Vorig jaar moest Adani Group, een Indiaas bedrijf dat het beheer voert over Carmichael, een enorme kolenmijn in aanbouw in Queensland, uit eigen zak 500 miljoen dollar aan obligaties herfinancieren die het voor het project had uitgegeven. Sommige opportunistische fondsen zullen blijven mikken op sappige winsten, vooral in geval van prijsstijgingen. De eerste diepe steenkoolmijn die in decennia in Groot-Brittannië is gegraven, is uiteindelijk eigendom van EMR Capital, een investeringsfirma die is opgericht op de Kaaimaneilanden. Peter Ryan van Goba Capital, een soortgelijk bedrijf in Miami, verwacht dat de kolenactiva van zijn bedrijf tegen 2030 verachtvoudigd zullen zijn.

    Hardnekkige grondstof

    In Azië is de situatie anders. Banken blijven behulpzaam. Beleggers zijn begonnen nieuwe mijnen in eigen land te steunen. Familiefondsen, die zijn opgericht om het fortuin van de rijken te beleggen, zijn geïnteresseerd. Elke zakelijke dynastie in Indonesië, waar mijnbouw de ruggegraat van de economie vormt, moet steenkool bezitten, zegt een handelaar. In India doen obscure vastgoedfirma’s biedingen op land waar steenkool valt te winnen. Uiteindelijk zouden bedrijven uit deze landen mijnen kunnen aanleggen in het buitenland, gevolgd door banken, maar Chinese uitstapjes in het Westen zullen zeldzaam blijven; Indiase en Indonesische bedrijven, die al een samenstel van steenkoolactiva in Australië bezitten, zullen hun voetafdruk echter ongetwijfeld vergroten.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren

    En dus zal de steenkolenmarkt er in de jaren dertig heel anders uitzien. ‘Van eigendom en exploitatie tot financiering en consumptie: steenkool wordt een grondstof voor opkomende markten,’ zegt een mijnbouwondernemer. De prijzen blijven hoog door aanvoerbeperkingen, maar de groep exporteurs die hieraan goud geld verdient, zal krimpen. Colombia en Zuid-Afrika, die Europa bedienen, verliezen hun afzetmarkt. Rusland zal het moeilijker krijgen om naar China te verschepen. Alle drie zullen ze minder steenkool exporteren voor minder geld. Australië zal critici sussen door zich te concentreren op de efficiëntste steenkool; dan kan het land minder exporteren maar hogere prijzen berekenen. Indonesië zou de toonaangevende exporteur kunnen worden, zoals Saoedi-Arabië dat nu is voor olie. Het zal meer van zijn basissteenkool verkopen, vaak voor meer geld.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren. Rond de jaren veertig kan de vraag voorgoed uitdoven, ten gunste van hernieuwbare energiebronnen. Maar zelfs dan houden sommige landen hun opties open. Stel dat er nog eens een energiecrisis komt. ‘Dan zal steenkool, die grondstof die niemand wil, de grondstof zijn die we wel weer moeten gebruiken,’ zegt een grote handelaar die Azië bedient. ‘Dat zou weleens een eeuwigdurend kenmerk van steenkool kunnen zijn.’

    Lees ook:

  • Het bruine goud: mensenmest

    Het bruine goud: mensenmest

    Als we bereid zijn die diepgewortelde afkeer van onze uitwerpselen te overwinnen, beschikken we over een verbijsterend grote berg hernieuwbare en duurzame mest. Reken maar eens uit wat 7 miljard mensen 365 dagen per jaar produceren.

    Als in het najaar de grijze lucht boven Kazan bezwangerd raakte met donkere, zware wolken die zo vol water zaten dat de regen pas ophield wanneer deze in sneeuw veranderde, maakte mijn grootvader onze kleine familieboerderij gereed voor de lange Sovjetwinter. Hij trok zijn stevige overall, zware handschoenen en grote laarzen aan en begaf zich naar de tank die het hele jaar door het afvalwater van ons huishouden opving en zuiverde. Hij tilde het zware deksel op, bond twee oude emmers aan stevige touwen en bracht de inhoud van de tank naar ons stuk land. Dat kostte hem uren. Als ik thuiskwam van school wist ik op anderhalve kilometer afstand dat opa bezig was met ons jaarlijkse sanitaire onderhoud. Het was van ver te ruiken, en die geur vermengde zich met andere herfstaroma’s – zoals rottende bladeren, natte honden en verkoold varkensvet dat voor de winter werd gerookt.

    Het was een geur die, hoe doordringend ook, geen walging bij mij opriep

    Het was een geur die, hoe doordringend ook, geen walging bij mij opriep. Integendeel, het hele proces fascineerde me. Het vond maar één keer per jaar plaats en was dus heel bijzonder, zoals Oudjaarsavond, mijn favoriete feest. Slechts één keer per jaar mocht de put worden geopend, als een groot verjaardagscadeau, en mijn opa was steeds de uitverkorene. Ik mocht niet in de buurt komen, omdat mijn oma bang was dat ik erin zou vallen.

    Steeds als ik mij door doornstruiken en brandnetels een weg naar de tank wilde banen, verscheen ze als een duveltje uit een doosje op de veranda en schreeuwde dat ik onmiddellijk terug moest komen.  Ach, wat had ik er veel voor gegeven om het geheimzinnige darmenstelsel van onze waterzuivering te mogen aanschouwen. Ik zou er een moord voor hebben gepleegd om die met bakstenen beklede ingewanden vol bruine smurrie te mogen zien. Maar het was me enkel toegestaan die magische wereld van mijn grootvader van een afstand te bekijken.

    Opa ging niet over één nacht ijs. Zo hanteerde hij een systeem van slibverdeling. Hij vulde de emmers nooit helemaal, zodat de klotsende drek bij het dragen niet op zijn laarzen morste. Soms droeg hij de emmers met de hand, soms hield hij ze in evenwicht op een koromyslo – een gebogen houten paal die overdwars op de schouders rustte om de last gelijkmatig te verdelen. Hij prikte gaatjes in de tomatenbeddingen waar de uitgedroogde planten geen vrucht droegen die door het rioolwater verontreinigd kon worden – goot er de smurrie in en bedekte de gaten met aarde. Hij besprenkelde de grond rond de wortels van de appel- en kersenbomen en harkte er wat bladeren overheen, zodat wij er, als wij daar rondliepen, onze voetzolen niet mee zouden besmeuren. En hij gooide ook wat drek op het organisch afval in een van de composteringsputten. Putten waar Moeder Natuur haar zwarte goud smeedde. 

    Borneo 2
    Kuching Sarawak, Borneo, 1908. Een man in traditionele Chinese kleding giet menselijke fecaliën op zijn groentetuin.  © A.R. Wellington.

    Put van dienst

    En ook hier was sprake van een systeem. De drie composteringsputten werden per toerbeurt gebruikt. Tijdens het groeiseizoen verdween al ons organische afval – verwelkte bloemen, onkruid, verschrompelde stengels van komkommerranken – in de put van dienst. Ook ons keukenafval, zoals aardappelschillen en beschimmeld brood, vond er zijn eindbestemming. Aan het einde van het seizoen mengde opa het slib erdoor en sloot hij de put voor een paar jaar af. Zo kon het ontbindings- en afbreekproces ongestoord zijn beslag krijgen. Wanneer hij twee jaar later, in het voorjaar, het deksel weer lichtte, was al het dode en stinkende spul weg en zat de put vol zachte, rijke en vruchtbare aarde die rook naar natuur, lente en de belofte van een mooie aanstaande oogst. Die verse aarde was rul en luchtig als zwarte poedersuiker.

    De wortels van de planten waren er dol op, en ik ook. Het was een weldaad dat zachte spul in mijn handpalmen te voelen, een voorrecht om er de kleine groene tomatenscheuten in te steken. Scheuten die nu al een vaag aroma afgaven, de voorbode van zoet, karmozijnrood fruit. 

    We namen van de aarde, dus we moesten haar ook iets teruggeven

    ‘Je moet de aarde voeden zoals je mensen voedt,’ zei mijn grootvader altijd. Ik vond dat een prachtige uitspraak, waaruit de wijsheid van de natuur sprak. We namen van de aarde, dus we moesten haar ook iets teruggeven. De zomers waren hier kort en vaak koel en regenachtig, maar in grootvaders boomgaard begonnen aardbeien in juni rood te kleuren en rijpten tomaten tot in september. Onze appel- en kersenbomen bloeiden en droegen elk jaar vrucht. Het geurde in de lente en smaakte heerlijk in de herfst. Voor mij was dit de omloop van het leven, en onze uitwerpselen waren daar net zo’n onlosmakelijk deel van als wij mensen een onlosmakelijk deel waren van de natuur. Het was geen afstotelijke viezigheid, maar krachtige mest die we in ons meedroegen.

    Dat blijkt opmerkelijk genoeg ook uit onze taal. In het Russisch is het woord voor mest udobrenie, een afgeleide van dobró, dat ‘goed’ of ‘rijk’ betekent. Poepgrappen draaiden ook om die begrippen. Toen mijn neefjes en nichtjes zindelijk werden, zeiden we, als ze op de pot zaten, dat ze hun dobró of bogatstvo – rijkdommen – afgaven. Ik wist dat mensen die in grote appartementencomplexen woonden geen tanks hadden, maar ging er voetstoots van uit dat ook hun zogeheten rijkdommen op de een of andere manier naar de bodem terugkeerden. Die mensen moesten toch ook eten? De aarde kon niet eeuwig produceren als ze niet werd gevoed – dan werd ze onvruchtbaar. Ik dacht dat iedereen naar dit principe leefde.

    Prostitutes LR
    In China reden fenfu met karren langs de huizen en leegden de emmers van de bewoners in houten containers waar zo’n 30 kilo aan uitwerpselen in kon. In Zwitserland werden prostituees voor straf ingeschakeld om de strontkar te trekken. © Gravure van Warren, 1790.

    Andere kijk

    Toen ik volwassen werd – en nadat de overheid ons had onteigend en we naar de Verenigde Staten waren geëmigreerd – kwam ik er erachter dat de meeste mensen een heel andere kijk op hun stofwisseling hadden dan ik. Het schokte me. Om te beginnen hadden ze geen idee waar hun uitwerpselen heen gingen. Ze wisten ook helemaal niets van de waarde ervan. Het beste wat je ermee kon doen, zo dachten ze, was doorspoelen en vergeten – en dat deden ze grif. Probleem is alleen dat de aarde al die stront simpelweg niet kan verwerken, en vooral niet op de manier waarop we die uitscheiden. Moeder Aarde komt om in onze poep.

    Een gemiddelde volwassene produceert ongeveer een halve kilo poep per dag. De stad New York, met zijn ruim acht miljoen inwoners, pompt dus zo‘n vier miljoen kilo aan uitwerpselen in zijn riool. Tokio overtreft die hoeveelheid met zo’n 4,15 miljoen kilo per dag. Beijing, een enorme stedelijke kluwen van 21,3 miljoen inwoners, overtreft New York en Tokio tezamen. Stel je nu eens de verbijsterende berg uitwerpselen voor die 7 miljard aardbewoners in slechts een etmaal voortbrengen. Vermenigvuldig dat nog eens met 365 dagen per jaar, en het duizelt je: holy crap!

    Ongeacht land of cultuur, we houden ons afval meestal op zo groot mogelijke afstand

    Wat doen we met al die poep? We distantiëren ons er zo veel mogelijk van. Hoe dat precies in zijn werk gaat hangt af van waar je woont. In de westerse wereld spoelen we de zaak door de wc. In armere gebieden wordt de drol achtergelaten in een latrine of onder een boom. Ongeacht land of cultuur, we houden ons afval meestal op zo groot mogelijke afstand. Onze afkeer ervan is universeel. Het zijn uitwerpselen, en die zijn per definitie vies, een belediging voor het oog en het reukorgaan. 

    Die houding is ook wel te begrijpen. Uitwerpselen zijn linke shit. Als het aan de natuur ligt, levert poep de mens direct gevaar op. De voedingsstoffen die erin zitten – stikstof, fosfor en onverteerde eiwitten – zorgen voor een enthousiaste toestroom van ziekteverwekkers. Sommigen doen zich aan die stoffen tegoed, anderen leggen er eitjes in. Komen uitwerpselen in het drinkwater terecht, dan kan dit leiden tot dodelijke uitbraken van cholera en dysenterie, en ziekten door darmwormen. Zo vreemd is het dus niet dat mensen een behoorlijk ingewikkelde relatie hebben met hun eigen afval.

    Simpeler

    Voor onze nomadische voorouders lag het allemaal wat simpeler. Zij deden hun behoefte tijdens een rustpauze en trokken onbekommerd verder. Maar toen mensen op één plek gingen wonen en zich op de landbouw stortten, konden ze hun mest niet langer achter zich laten, dus stopten ze die in kuilen of dumpten hem in rivieren. Sommige voorouders uit de steentijd konden al doorspoelen – in Skara Brae, een prehistorisch dorp in het huidige Schotland, hadden de woningen een soort hydraulisch toilet. De Romeinen bouwden gemeenschappelijke toiletten met zittingen die vergelijkbaar waren met de onze; de ongewenste substantie viel in een goot, waar stromend water deze via rioolbuizen naar buiten de stadsmuren voerde. Europese middeleeuwers bouwden latrines; de grote boodschap belandde in vaten, die werden verzegeld en ondergronds begraven.

    Zelfs nu nog sterven er jaarlijks 827.000 mensen in ontwikkelingslanden aan diarreeziekten

    Toen de mensheid zich in steden samenpakte, was de beer echter los. Het storten van afval in lokaal water bleek gevaarlijk – mensen die stroomopwaarts woonden, verontreinigden het drink- en waswater van hun buren stroomafwaarts, waardoor ziekten uitbraken. De beruchte cholerapandemieën die in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw Europa teisterden, waren te wijten aan fecale besmetting van drinkwater. Zelfs nu nog sterven er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie jaarlijks 827.000 mensen in ontwikkelingslanden aan diarreeziekten. Schattingen van de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention zijn nog somberder: dagelijks sterven er ruim tweeduizend kinderen aan diarreeziekten – meer dan aan aids, malaria en mazelen bij elkaar. In het Westen hebben we doorspoeltoiletten, ondergrondse leidingen en gigantische rioolwaterzuiveringsinstallaties gebouwd om onszelf te beschermen tegen onze kolossale bergen uitwerpselen. Ondertussen hebben deze wonderen van moderne techniek grote ecologische schade veroorzaakt. 

    Wetenschappers noemen dit verschijnsel de metabolische kloof, of de herverdeling van voedingsstoffen over de planeet. Het grijpt eigenlijk terug naar het idee van mijn grootvader dat je de aarde moet voeden. Zeker in gebieden waar een koud klimaat heerst, is het voedsel bijna altijd elders geteeld. Bananen, appels, sla, mais en rijst komen tot wasdom doordat ze voedingsstoffen aan de bodem onttrekken. Al dat fruit en al die groenten worden vervolgens per vrachtwagen vervoerd, verscheept en gevlogen naar waar we wonen, en waar we het eten en deze organische stoffen weer uitscheiden. Maar niet zoals mijn grootvader wist dat het moest: we brengen ze niet terug naar waar we ze vandaan hebben gehaald, zoals hij deed. We rijden, varen of vliegen deze organische overvloed niet terug naar het land. We spoelen die door de afvoer.

    Man
    Menselijke uitwerpselen werden in de negentiende eeuw als mest gebruikt: met een lantaarn en een schep gaat deze man op weg om het vat op zijn rug te vullen. © Aquarel van Zhou Pei Qun, ca. 1890.

    Foochow LR
    ‘Koester de nachtaarde als ware zij goud.’ Chinese vrouw met juk en emmers verzamelt ‘nachtaarde’ om de theeplantage te bemesten, even buiten Fuzhou in de provincie Fukien. – © John Thomson, 1871 / The Wellcome Library, Londen

    Echte stront

    Onze plaatselijke rioolwaterzuiveringsinstallaties halen ziekteverwekkers uit het water, maar niet de stikstof, de fosfor en het kalium waar dit afvalwater rijk aan is. Deze krachtige meststoffen stromen meestal een nabijgelegen waterlichaam in, met permanente overbelasting van meren, rivieren en zeeën tot gevolg. Giftige algen komen tot bloei, de vissensterfte neemt toe, waterlopen die biologisch niet zijn toegerust om zo veel meststoffen op te nemen raken in verval. Onze aarde zit biologisch niet zo in elkaar dat zij voedsel blijft leveren zonder dat wij haar voeden.

    Omdat we onze stront niet terugsturen naar waar het voedsel vandaan komt, gaat de herverdeling van voedingsstoffen wereldwijd door. Bodems worden minder vruchtbaar, dus gebruiken we kunstmest, die lang niet zo goed werkt als echte stront en ook erg vervuilend is. In onze pogingen onszelf te ontdoen van onze dubieuze donkere materie, schenden we essentiële regels en wetten van Moeder Natuur. Door onze poep aan de ecologische balans te onttrekken hebben we niet alleen onze landbouw ingrijpend veranderd, maar ook onze hele leefomgeving dramatisch verstoord.

    We moeten ons organische afval terugsturen naar waar ons voedsel vandaan komt

    Voor een stabiele voedselvoorziening en een gezond ecologisch systeem is het van essentieel belang dat we deze breuk herstellen. Daarvoor moeten we een manier zien te vinden om ons organische afval terug te sturen naar waar ons voedsel vandaan komt. Dat moet mogelijk zijn; per slot van rekening was mijn grootvader niet de enige die van deze noodzaak op de hoogte was. Sommige zuinigere, oude samenlevingen hadden zich deze ecologische wijsheid lang vóór ons eigen gemaakt. Feces waren ooit zeer gewild, er zijn dus goede voorbeelden voorhanden om van te leren.

    Nachtaarde

    In 1737 vaardigde een keizer van de Qing-dynastie in China een decreet uit dat al zijn onderdanen verplichtte hun uitwerpselen voor goed gebruik te bewaren. Die uitwerpselen werden ‘nachtaarde’ genoemd, omdat ze meestal in de kleine uurtjes werden ingezameld, wanneer mensen hun po hadden buitengezet. In de provincie Jiangnan in het zuiden van China waren fecaliën booming business. In het noorden van China raakte je ze juist aan de straatstenen niet kwijt. Dit schrijnende contrast bracht de keizer ertoe een verhandeling te schrijven. ‘De straten in het noorden zijn niet schoon,’ stond daarin. ‘Het land is smerig. De noorderlingen moeten het voorbeeld van Jiangnan volgen. Elk huishouden zou nachtaarde moeten verzamelen.’ Het eindoordeel, dat de titel van het decreet werd, was even duidelijk als poëtisch: ‘Koester de nachtaarde als ware zij goud’. 

    De zuiderlingen waren niet voor niets happiger op nachtelijke afvalverzameling dan hun noordelijke landgenoten. In het zuiden lagen destijds enkele van de grootste steden ter wereld. Hangzhou, een belangrijke zeehaven, had ruim 3 miljoen inwoners. Een andere reusachtige agglomeratie, Suzhou aan de Yangtze, telde 6,5 miljoen zielen. Al deze mensen moesten eten, dus waren boeren gedwongen een enorme hoeveelheid producten te verbouwen. Elk beetje mest was daarom kostbaar. En menselijke uitwerpselen waren als mest broodnodig, anders zou er nooit genoeg voedsel voor iedereen zijn geweest. Het ophalen van nachtaarde was een belangrijke en zeer respectabele broodwinning, zoals Donald Worster beschrijft in The Good Muck (2017), zijn ‘uitwerpselengeschiedenis’ van China.

    De fenfu, ophalers van nachtaarde, reden met hun karren door de straten en leegden de emmers van de bewoners

    De fenfu, ophalers van nachtaarde, reden met hun karren door de straten en leegden de emmers van de bewoners in houten containers waar zo’n 30 kilo aan uitwerpselen in kon. De karren konden zes tot tien containers dragen, dus maximaal 300 kilo. Wie dit werk graag wilde doen maar geen geld had om een ​​kar te kopen, kon beginnen met emmers sjouwen aan een stok die overdwars op de schouders rustte – niet heel anders dan zoals mijn bloedeigen opa het deed. De fenfu legden dagelijks een route af waarlangs de vruchtbare drek stond opgesteld, en een route waarlangs ze die de stad uit droegen. Aldaar werden er gondels mee volgeladen, met een afdekking van stro tegen de stank, en dan was het op naar het platteland. Daar werd de metabolische opbrengst van de stad verwerkt, dat wil zeggen: verspreid, gedroogd en gesorteerd, op basis van de waarde. 

    Die waarde was namelijk niet altijd gelijk. Het aanbod van de rijken ging naar de hoogste bieder, omdat ze beter aten en dus meer voedingsstoffen afgaven. De productie van de armen bracht minder op. Rijke boeren kozen voor dure mest, die waarschijnlijk tot beter gewas leidde, dat weer tegen hogere prijzen kon worden verkocht. Mest was geld, en zo gingen de boeren er ook mee om: het spul ging achter slot en grendel in containers. 

    Goud waard

    Stront was goud waard, letterlijk. In Japan werd de waarde ervan in goud gemeten. Volgens japanoloog Susan Hanley kon je met één ryo goud genoeg graan kopen om één persoon een jaar lang te voeden. De prijs van nachtaarde die door tien huishoudens een jaar lang werd geproduceerd, was een halve ryo. De Japanse naam voor nachtaarde was kernachtig en ter zake doend: shimogoe, letterlijk ‘achterwerkmest’. In de zich snel ontwikkelende steden Osaka en Edo (het huidige Tokio) was er zo’n grote vraag naar dat bestuursorganen genoodzaakt waren om er een strikt systeem van rechten en voorschriften op na te houden. Als een gezin een huis huurde, wie had dan de rechten op de uitwerpselen – de huurders of de verhuurder? Het lijkt misschien logisch dat de huurders, die het produceerden, het eigendomsrecht mochten opeisen, maar de pre-industriële Japanse wetgevers dachten daar anders over. Ze schonken de waardevolle shimogoe-rechten aan de verhuurders, die het aan de inzamelaars verkochten, die het op hun beurt weer aan de boeren sleten. 

    In sommige gevallen stelden boeren tsuke-tsubo op, rechtstreekse contracten met stedelijke poepproducenten. De bewoners beloofden de boer alle poep die ze een jaar lang produceerden, in ruil voor een hoeveelheid rijst als aanbetaling. Dankbare boeren gaven hun contribuanten soms geschenken in de vorm van speciale rijstsnacks, ook wel ‘mestkoekjes’ genoemd.

    Welvarende boeren knoopten relaties aan met daimyo, feodale heren die grote landgoederen bezaten en veel bedienden hadden, waardoor ze veel shimogoe voortbrachten. De boeren voorzagen de landgoederen van brandhout en jonge aanplant voor moestuinen, in ruil voor het voorrecht om de hoogwaardige shimogoe van de daimyo in te zamelen. De daimyo en hun bedienden aten goed, dus was hun nachtaarde zeer voedselrijk.

    In 1724 braken tussen twee groepen dorpen poepoorlogen uit

    Het was niet ongewoon dat boeren onderling strijd voerden over het recht op shimogoe-inzameling. In de zomer van 1724 braken tussen twee groepen dorpen poepoorlogen uit. Ze vochten om de rechten nachtaarde te verzamelen uit verschillende delen van Osaka. In reactie richtten de stedelingen eigen organisaties op. Die hielden toezicht op de handel in nachtaarde en op onderhandelingen over prijzen – zo verhoogden ze in een moeite door hun eigen poeptarieven. Sommige arme boeren kwamen in grote problemen doordat ze de mest niet meer konden betalen, wat leidde tot een voor ons onbegrijpelijk vergrijp: strontdiefstal. Er stond zelfs gevangenisstraf op, maar dat weerhield de wanhopige boeren er niet van hun stinkende misdaad te plegen.

    Hoe konden deze samenlevingen zo’n andere visie op menselijke excrementen ontwikkelen? Het antwoord zit letterlijk in de grond verscholen. Anders dan Europese landen, met hun rijkdom aan bossen en groene weiden, was Japan niet ruim gezegend met een vruchtbare bodem. De arme zandgronden leenden zich van nature niet voor uitbundige teelt van gewassen. Wilde een stuk land voedsel opleveren, dan moesten boeren zich uit de naad werken om het te voeden, waarbij ze elk stukje biomassa goed konden gebruiken. ‘Een nieuw veld levert een magere oogst,’ luidt een oud Japans gezegde.

    Mensenmest was een handzame en natuurlijke hulpbron die nooit opraakte zolang er mensen waren. Dankzij de mest uit eigen achterwerk wisten de Japanners akkers tot bloei te brengen op hun ongastvrije rotsland. Ook de Chinese boeren lukte het om hun grond generaties lang vruchtbaar te houden, wat voor Europese boeren niets minder dan een wonder was. Europese en Amerikaanse akkers verwoeien vroeg of laat tot stof.

    Dit verschijnsel was zo interessant dat in 1909 de Amerikaanse landbouwwetenschapper Franklin Hiram King naar Azië reisde om de geheimen van de zogeheten ‘permanente landbouw’ te leren kennen. Eenmaal terug schreef hij het boek Farmers of Forty Centuries (1911), waarin hij een paar ideeën voor bemesting opperde; maar het ‘nachtaarde’-verhaal was waarschijnlijk te schokkend om op Amerikaanse bodem te kunnen ontkiemen. Het duurde meer dan een eeuw voordat dit alsnog gebeurde, in het nu veelbesproken concept van circulaire landbouw en het feit dat onze mensenmest de diepe metabolische kloof die we hebben gecreëerd kan herstellen, of beter gezegd: opvullen.

    42510 3x2
    18495800 401
    SOIL vidanj wisner djimi job 5 1600x900 q85 crop subsampling 2
    SOIL Prof Tony ARprop2 container vidanj team copy compressor
    ph 17164 169725 2
    © OurSoil.org

    Praktische problemen

    Onder milieuactivisten wint het idee om mensenmest terug in de bodem te stoppen zeker terrein. Toch stuit een en ander op praktische problemen. Zouden stadsbewoners hun porseleinen plee willen ruilen voor po’s die ze met hun vuilnisbakken aan de straat moeten zetten voor de dagelijkse inzameling? Zullen we het beleven dat afvalwaterzuiveringsinstallaties de stadsriolering in schepen pompen die dan naar landbouwgronden varen? Elke geografische plek vergt een eigen oplossing. Waarschijnlijk zullen uiteenlopende slib-upcyclingmethoden nodig zijn om de herverdeling van voedingsstoffen die we hebben gecreëerd te verhelpen. Het is inspirerend genoeg dat er al het een en ander gebeurt – soms als kleinschalig experiment, maar soms ook al op industriële schaal.

    Loowatt, een start-up met vestigingen in Groot-Brittannië en Madagaskar, volgt het shimogoe-scenario bijna helemaal. Het stuurt een serviceploeg om afval op te halen uit verpauperde buurten in Antananarivo, de hoofdstad van Madagaskar. De ontlasting wordt in biologisch afbreekbare zakken onder toiletten bewaard. Na de inzameling wordt ze verwarmd om ziekteverwekkers te doden en vervolgens in biovergisters geladen, waarna de microbiële dierentuin zich er tegoed aan doet, precies zoals in de afgesloten putten van mijn opa gebeurde. Het resultaat is compost. Tijdens dit hele proces boeren de microben ook biogas op, voornamelijk methaan, dat door het team van Loowatt wordt verbrand om het slib op te warmen, in een soort perpetuum mobile. 

    Dan heb je twee vliegen in één klap: de steden schoon en de aarde gevoed

    Een andere start-up, SOIL Haiti, werkt op enigszins vergelijkbare wijze. Uitgeputte en geërodeerde landbouwgrond wordt hersteld met eigentijdse shimogoe. Daar waar waterschaarste heerst, kan handmatige inzameling van poep een efficiënte en goedkope sanitaire oplossing zijn. Dan heb je twee vliegen in één klap: de steden schoon en de aarde gevoed.

    Ook in de westerse wereld zijn er manieren om de metabolische kloof te dichten. Het Canadese bedrijf Lystek gebruikt gigantische blenders om slib tot een rioolsmoothie te kloppen. Die wordt dan in vrachtwagens naar het land gebracht en in de velden gespoten – een gemechaniseerde versie van mijn opa’s methode, die de bruine smurrie in de aarde goot. DC Water, een hypermodern zuiveringsbedrijf in Washington D.C., heeft de herbestemming van poep naar een hoger niveau getild. Zodra de metabolische output van de 2,2 miljoen inwoners van Washington en omliggende gebieden arriveert, wordt deze in enorme snelkookpannen geladen. Daar suddert hij op 149 graden en zes keer de atmosferische druk, wat al het leven doodt. De resulterende stoofpot wordt aan hongerige microben gevoerd in enorme betonnen biovergistingstanks. Daarbij komt methaan vrij – nuttig voor elektriciteitsopwekking – en een zwarte, vloeibare smurrie. In verbluffende analogie met de verwerking van de nachtaarde door de fenfu wordt de smurrie gedroogd, verpakt in zakken en in lokale winkels verkocht onder de merknaam Bloom. Let wel: deze mest uit de darmen van miljoenen bewoners van Washington oogt, voelt en ruikt precies zo als de tuinaarde waarin ik samen met mijn grootvader tomaten plantte.

    Individuele biovergisters kunnen een zegen zijn voor gezinnen die niet op het elektriciteitsnet zijn aangesloten of in landen wonen met hoge energiekosten. Deze kleine vergisters, vervaardigd door het Israëlische bedrijf HomeBiogas, zijn gemaakt van stevig, duurzaam plastic en kunnen elk type organisch afval omzetten in biogas en vloeibare mest. Een andere oplossing, ontwikkeld door het in San Francisco gevestigde bedrijf Epic Cleantec, werkt voor woon- en kantoorgebouwen. Zogeheten ‘plug-inunits’ reinigen en recyclen het afvalwater van de gebouwen. In plaats van het naar het riool te laten stromen, wordt het hergebruikt om kleding te wassen, planten te bewateren en toiletten door te spoelen. De overgebleven stinkende smurrie wordt omgezet in mest.

    Waarom hebben we met al onze slimme technologie de metabolische kloof nog niet gedicht? Het probleem is dat we nog een enorme kloof in de uitwerpselenideologie moeten overbruggen – niet het metabolische, maar het mentale aspect komt daarbij om de hoek kijken. In tegenstelling tot mensen in archaïscher samenlevingen beschouwen we onze uitwerpselen nog steeds als een ultiem afvalproduct dat moet worden aangepakt. We zien het nog altijd niet als een bijzonder waardevol en veelzijdig bezit. We wijden onze krachten – en besteden ons geld – aan de verwijdering van gevaarlijk vuil, in plaats van aan het realiseren en gebruiken van een fantastisch product uit onze stofwisseling. En dat is de verandering in ons denken die we als eenentwintigste-eeuwse samenleving moeten maken om het probleem volledig op te lossen. 

    soil Haiti

    Sinds 2006 zet het Haïtiaanse bedrijf SOIL afval om in grondstoffen.

    Door het gebruik van ecologische sanitaire voorzieningen werkt SOIL aan een revolutionair sociaal bedrijfsmodel om toegang te verschaffen tot veilige, sanitaire voorzieningen die rijke, organische compost produceren als natuurlijke hulpbron voor de sterk verarmde gronden van Haïti, terwijl ze ook economische kansen creëren in een van de meest onderbedeelde gemeenschappen. 6500 mensen hebben toegang tot toiletten dankzij SOIL’s groeiende dienst voor stedelijke sanitaire voorzieningen. 510 ton afval werd vorig jaar omgezet in compost van landbouwkwaliteit, wat de groei van planten en de weerbaarheid tegen de klimaatverandering bevordert.

    Laatste barrière

    We moeten onszelf verlossen van het stigma dat op onze eigen donkere materie rust. We moeten het zien als een natuurlijke, volledig hernieuwbare en duurzame hulpbron, en onszelf gelukkig prijzen dat wijzelf daar de krachtige producenten van zijn – precies zoals de zuinigere samenlevingen vóór ons deden. We moeten ons realiseren dat je met poep goede zaken kunt doen en dat er met die shit goed geld te verdienen valt.

    Laten we ons realiseren dat er met die shit goed geld te verdienen valt

    Het ligt als het ware voor het grijpen – het is onverstandig om dan alleen je neus dicht te knijpen en afkeurend de andere kant op te kijken. Feces zijn de laatste barrière tussen ons en kringlooplandbouw, duurzame economie en een goede aanvulling van voedingsstoffen. Pas als ondernemers gaan steggelen over wie dit oudste bruto binnenlands product in handen krijgt, weten we zeker dat we onze metabolische kloof hebben gedicht.

  • Duurzaam reizen zonder schuldgevoel

    Duurzaam reizen zonder schuldgevoel

    Michael Allmaier vraagt zich af het nog kan: schaamteloos genieten van een vakantie zonder de planeet schade te berokkenen. Hij neemt de proef op de som door met advies van de wetenschap zo milieuvriendelijk en verantwoord mogelijk te reizen. ‘Hoe voelt het om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn?’

    Dossier Op reis

    De pandemie heeft het toerisme hard getroffen. De voorheen bloeiende sector was in 2019 nog goed voor 11 procent van het wereldwijde bbp. Het lijkt erop dat nu de vaccinatieprogramma’s op gang komen, vakantiereizen deze zomer weer mogelijk zijn. Maar was er niet jarenlang kritiek op het massatoerisme? Moet dat wel in ere worden hersteld?

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 164, augustus 2019.

    In de haven van Barcelona staat een 60 meter hoog standbeeld van Christoffel Columbus. Het herinnert aan de verwelkoming van de ontdekkingsreiziger bij zijn thuiskomst. De zuil is hol; je kunt een lift nemen naar boven en uitkijken over de stad. Daar sta ik nu. In gedachten stel ik de man van brons hierboven een paar vragen.

    ‘Fantastisch, Christoffel, dat je je hele trip op windkracht hebt kunnen maken. Maar het afval, heb je dat echt in zee gegooid? En waarom moest je zo ver weg? Had je niet hier in de buurt iets kunnen ontdekken?’

    Onze houding ten opzichte van reizen verandert, de laatste jaren sterker dan in de vijf eeuwen daarvoor. De drang om verre reizen te maken werd lange tijd beschouwd als iets goeds, een weg naar avonturen en het opdoen van nieuwe ideeën. Tegenwoordig hoor je vaker dat het toegeven aan die drang pijn doet, namelijk bij alle andere mensen. Cruiseschepen die giftige dampen uitstoten. Reusachtige hotels die de kust verpesten. Golfbanen en tuinen in warme landen waaraan kostbaar water wordt verspild. En natuurlijk de vliegtuigen met hun CO2-uitstoot…

    Wordt het maken van verre reizen binnenkort ook iets om je voor te schamen?

    We vinden het niet meer alleen een uitwas van het massatoerisme, maar een direct gevolg van ons verlangen overal ter wereld van onze vrijheid te genieten. Als je tegenwoordig terugkomt van een weekendje shoppen in New York of van een korte vakantie op de Seychellen, moet je oppassen aan wie je dat vertelt. Anders is het niet meer ‘Hoe was het?’ maar ‘Moest dat nou zo nodig?’

    De Cantino-wereldkaart uit 1502 is de oudste bewaard gebleven kaart waarop de ontdekte gebieden door Columbus (Centraal-Amerika), Corte-Real (Newfoundland), Gama (India) en Cabral (Brazilië) staan afgebeeld. - © Biblioteca Estense di Modena
    De Cantino-wereldkaart uit 1502 is de oudste bewaard gebleven kaart waarop de ontdekte gebieden door Columbus (Centraal-Amerika), Corte-Real (Newfoundland), Gama (India) en Cabral (Brazilië) staan afgebeeld. – © Biblioteca Estense di Modena

    Wordt het maken van verre reizen binnenkort ook iets om je voor te schamen, net zoals roken en het rijden in een SUV?

    Het is ingewikkeld. Bij dit conflict loopt de scheidslijn niet door de samenleving, maar dwars door bijna ieder individu. Ergens door je hoofd, je hart of je buik. De man die in een helikopter over de Grand Canyon vliegt, is thuis wellicht een zeer betrokken milieuactivist. Hij vindt alleen dat hij nu wel een keer de bloemetjes buiten mag zetten.

    Goede toerist

    Als je het de Duitsers vraagt, zegt meer dan de helft dat ze zo veel mogelijk milieuvriendelijk en verantwoord reizen. Maar de meerderheid doet dat helemaal niet. Waar dat aan ligt, kan ik ook zonder veldonderzoek wel vertellen. Tot een paar weken terug vond ik afzien van een verre vakantie nog paradoxaal. Net als suikervrije taart. Maar ik ga het toch proberen. Ik wil weten hoe het voelt om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn.

    Waarom dat me uitgerekend naar het overvolle Barcelona brengt, moet ik uitleggen. Want ik zag mezelf eerder langs Zweedse meren fietsen. Een cliché, ik weet het. Duurzaam toerisme bestaat al langer dan de biowinkel. Je kunt zelfs met een gerust hart naar het oog van de orkaan reizen, als je het goed aanpakt.

    Van een koud land naar een warm land gaan is al prima. Je hebt minder verwarming nodig, en dat beperkt emissie. Het is ook goed om in het laagseizoen te gaan, dat ontziet de infrastructuur. De tip van Catalonië dank ik aan Petra Thomas, de secretaris van het forum Anders Reisen. Dat is geen ngo, maar een brancheorganisatie van meer dan honderd milieubewuste reisorganisaties. Het is een invloedrijk forum, omdat het al actief was toen nog niemand het over klimaatverandering had. ‘Bij de Catalanen,’ zei ze, ‘is het leed groot. Daarom bedenken ze van alles om het toerisme beter vorm te geven.’

    Dat milieubewustzijn een prijs heeft, is ook zo’n cliché. Ik zie het bevestigd als het boeken van mijn treinreis van Hamburg naar Barcelona buitengewoon omslachtig blijkt te zijn. Het is twee keer zo duur als vliegen en duurt ook nog eens minstens zeven keer zo lang! Mijn eerste impuls is om de heenreis zo snel mogelijk achter me te hebben.

    Want zo doe je dat als je gaat vliegen. Maar dan heb je meteen de slechtst mogelijke start. Reispedagogisch gezien ben je, als je een korte vakantie neemt, een soort fastfoodjunkie. Je propt je snel vol met indrukken en krijgt even snel weer honger. Duurzaam reizen begint ermee dat je duurzame indrukken opdoet. Ik boek dus een rustige en trage verbinding door de Elzas en de Provence. ‘Maak de heenreis onderdeel van je reiservaring,’ had Petra Thomas me aangeraden.

    La durée du voyage

    ‘La durée du voyage’ gebruik ik voor het lezen van brochures vol goede adviezen. Daarvan zijn er meer dan sterren aan de hemel. En in wezen zeggen ze allemaal hetzelfde: blijf dichter bij huis, reis langzamer en langer. Maar dan wordt het verwarrend. Moet ik de man die op het strand sapjes verkoopt echt mijn waterfles geven om te laten vullen? En de buschauffeur vragen of hij zijn motor wil afzetten terwijl hij staat te wachten? Of zijn dat ‘puur symbolische duurzaamheidspraktijken’, waarmee ik wel mijn geweten, maar niet het milieu ontlast?

    Ik heb advies gevraagd bij het Instituut voor Technische Milieubescherming van de Technische Universiteit Berlijn. Annekatrin Lehmann en David Bossek werken daar aan een methode om mensen te helpen hun ecobalans te berekenen. Ze nemen de tijd om me gedurende mijn reis te coachen. Iedere avond zal ik hun verslag doen: van hoelang ik onder de douche heb gestaan tot aan het slaapmutsje uit de minibar. En dan berekenen zij hoeveel ik het milieu heb belast.

    Op de avond van de tweede dag bereik ik Barcelona. Mijn hotel is me aangeraden door de Catalaanse VVV. Het is aan alle kanten op duurzaamheid gericht. Overal wordt energie bespaard: het water uit de kraan wordt afgeknepen, shampoo en eten dat overblijft, wordt aan hulpbehoevende mensen gegeven.

    ‘Waar heeft een ecohotel een zwembad voor nodig?’

    Prima allemaal, denk ik. Maar in Berlijn zijn ze niet enthousiast. Het zwembad op het dak belast mijn milieubalans. Waterverbruik, stroom voor de pomp, materiaal- en energiekosten voor bouw… ‘Waar heeft een ecohotel een zwembad voor nodig?’

    Gaudí was een recycler avant la lettre (Park Güell, Barcelona)
    ‘Gaudí was een recycler avant la lettre’ (Park Güell, Barcelona)

    Die twee zijn alleen zo streng omdat ik het ze gevraagd heb. Het doel van hun onderzoek is immers om ervoor te zorgen dat ik in de toekomst zelf let op mijn ecologische impact, omdat je je totale uitstoot net zo makkelijk kunt meten als het aantal kilometers dat je aflegt of je bloeddruk. ‘In elk geval verwarmen ze het water niet,’ schrijf ik timide terug.

    Na een verantwoord ontbijt (jam van restfruit en biologisch brood) wandel ik naar de ontmoetingsplek voor een rondleiding door de stad. De Sagrada Familia, slechts één blok van het hotel verwijderd, neem ik voor kennisgeving aan. Voorbeeldtoeristen moeten de grootste drukte vermijden. Dat is helemaal niet meer zo erg, nu entreekaarten bijna alleen in de voorverkoop verkrijgbaar zijn en ordebewakers verdwaalde toeristen als verkeersbrigadiers de weg wijzen.

    Wat ik dan te zien krijg, is duurzaam, omdat je het niet snel vergeet

    Gaudí, dat was al een goede, zegt mijn gids Juan later: een recycler avant la lettre, die voor het bouwmateriaal voor zijn beroemde gevels gebruikmaakte van wat elders was overgebleven. Een overtuigd wandelaar en vegetariër bovendien. ‘Hij had altijd een handje pinda’s in zijn zak. Daaraan herkenden ze hem toen hij in 1926 een verkeersongeluk kreeg.’ Te laat helaas. Vanwege zijn excentrieke uiterlijk belandde Gaudí in het armenhospitaal. Drie dagen later was hij dood. ‘Als hij er niet als een zwerver bij had gelopen, zou hij absoluut langer hebben geleefd.’

    Juan mag dat zeggen: hij is zelf een hele tijd dakloos geweest. Een Duitse Spanjaard uit het Zwarte Woud. Hoe hij hier is terechtgekomen is een lang verhaal, met drugs in de hoofdrol. Nu werkt hij in een gaarkeuken en bij een touroperator die alleen bemiddelt voor stadsgidsen zoals hij, met straatervaring.

    Op een paar passen verwijderd van Instagram-Barcelona.  © Jonathan Ford / Unsplash
    Op een paar passen verwijderd van Instagram-Barcelona. © Jonathan Ford / Unsplash

    Ik wist niet wat me te wachten stond. Ik vond het voldoende te weten dat mijn geld naar hem ging en niet naar een groot toeristisch concern. Dat we te voet zouden gaan, weg van de belangrijkste attracties (daar mogen alleen gidsen met een vergunning naartoe). Wat wat ik dan te zien krijg, is duurzaam, omdat je het niet snel vergeet. Juan laat me een stad in de stad zien, vaak maar een paar passen verwijderd van Instagram-Barcelona.

    De rondleiding eindigt in het armenhospitaal waar Gaudí destijds lag. Tegenwoordig is de Catalaanse Staatsbibliotheek er ondergebracht. In de schaduw van de neogotische muren zit een groep jongeren met rugzakken en flesjes. Juan bekijkt ze eens goed. ‘Vakantiegangers en zwervers,’ zegt hij, ‘je kunt ze soms bijna niet uit elkaar houden.’

    Geïmporteerde groente, bedreigde vissoorten, rundvlees zelfs (methaan!). Vol weerzin annuleer ik. Ik moet ergens heen waar ik zonder bedenkingen kan eten en drinken.  © Jessica / Unsplash
    ‘Geïmporteerde groente, bedreigde vissoorten, rundvlees zelfs (methaan!). Vol weerzin annuleer ik. Ik moet ergens heen waar ik zonder bedenkingen kan eten en drinken.’ © Jessica / Unsplash

    Ik had me erg verheugd op de avond: er stond een menu gourmet gepland bij een topkok. Maar nu ik de kaart nog eens bekijk: geïmporteerde groente, bedreigde vissoorten, rundvlees zelfs (methaan!). En ook nog eens kaas, wat milieutechnisch niet veel beter is. Vol weerzin annuleer ik. Ik moet ergens heen waar ik zonder bedenkingen kan eten en drinken.

    Milieubewust testlaboratorium

    Het is pijnlijk in een restaurant eerst naar het afval te vragen, maar de chef van Lasal del Varador laat het graag zien. Drie emmers, nauwelijks groter dan bij mij thuis, voor het hele bedrijf. Er ligt een stuk papier tussen het vuilnis dat gerecycled kan worden: Ricard Jornet ziet het meteen. Hij pakt het en legt het in de andere emmer.

    Voor mensen die liever naar de zee dan in een vuilnisemmer kijken, is Lasal del Varador aanvankelijk niets bijzonders. Een van de vele strandtenten aan de uitlopers van Barcelona, een halfuur met het boemeltje naar het noorden. Ricard ziet het meer als een testlaboratorium: hoe milieubewust kun je koken?

    Zijn waar koopt hij zo mogelijk onverpakt. Hij schenkt zijn gasten gratis gefilterd leidingwater. Hij verwarmt met zonne-energie, koelt met ventilatoren. Vlees is bijna helemaal van de kaart verbannen; vis komt van kleine bootjes uit de omgeving. Dat moet je steunen, vind ik. Met gegrilde inktvis, gestoomde mosselen en een prima paella.

    Weten de gasten zijn inzet te waarderen? Jazeker, zegt Ricard, alleen veel meer betalen willen ze niet. ‘Maar ik heb een oplossing gevonden.’ Hij tekent zijn businessmodel op mijn servet. Op stroom bijvoorbeeld bespaart hij geld. Eco is ook economisch. Maar zonder een beetje idealisme gaat het verhaal niet op: ‘Ik wil mijn kinderen geen varkensstal nalaten.’

    Ik heb met mijn treinreis meer CO2 veroorzaakt dan het beetje biovis goedmaakt

    Ricard is geen zendelingstype. Wanneer ik over mijn treinreis vertel, knikt hij schuldbewust. ‘Vijf jaar heb ik het volgehouden.’ Vijf jaar zonder te vliegen. ‘Toen kreeg ik de kans Costa Rica te bezoeken. En ik vond het daar zo geweldig.’ Hij is in zijn oude fout vervallen. Maar het moet snel afgelopen zijn, voor altijd. Ik stel me een bijeenkomst voor van de Frequent Flyers Anonymous. Dit was toch wel een goede dag, denk ik op de terugweg.

    Berlijn zegt: ‘Een ecologisch restaurant steunen is natuurlijk prijzenswaardig en absoluut zinvol.’ Alleen heb ik met mijn treinreis meer CO2 veroorzaakt dan het beetje biovis goedmaakt. Vandaar dat het beter was geweest naar een restaurant in de buurt te gaan en daar een veganistische of vegetarische maaltijd te bestellen.

    Na drie dagen Barcelona denk ik dat ik de slag te pakken heb. Mijn ‘broeikaspotentieel’ beweegt zich tussen de 15 kilo CO2 in het begin naar ongeveer eenderde daarvan nu. Bovendien meten de onderzoekers ook mijn bijdrage aan de zomersmog en het verzuren van de zee. Ik heb geen idee wat die waarden betekenen. Maar ze zijn nu groen onderstreept, niet meer geel of rood.

    Is het leuk? Moeilijk te zeggen. Ik heb het te druk met het uit de weg gaan van alle verleidingen. © George Kedenbur / Unsplash
    ‘Is het leuk? Moeilijk te zeggen. Ik heb het te druk met het uit de weg gaan van alle verleidingen.’ © George Kedenbur / Unsplash

    Is het leuk? Moeilijk te zeggen. Ik heb het te druk met het uit de weg gaan van alle verleidingen. Het wordt vast beter als ik de grote stad verlaat en het groen in ga.

    Ik moet maar een taxi bellen, zeggen ze in het ecoresort. Geen denken aan. Trots sleep ik vanaf de bushalte mijn koffer de laatste kilometers over het stoffige weggetje. Ik heb geen rekening gehouden met de zon die in mijn nek brandt. Als ik nu zonnebrandcrème koop, bederven de olie en de kunststof natuurlijk mijn dagbalans. Berlijn begrijpt mijn dilemma: ‘Een conflict tussen gezondheid en milieubelasting.’ Het goede nieuws: er is een oplossing, als ik uit de zon blijf. Ik koop de crème en eet in plaats daarvan die avond geen kaas.

    Airco

    Mas Salagros ligt goed verborgen in de heuvels van het Parc Natural Serralada Litoral. De eigenaar van een supermarktketen heeft deze middeleeuwse hofstede gekocht om een nieuwe norm te stellen: het eerste honderd procent ecologische hotel op het Iberisch Schiereiland.

    Het is hier prachtig. Bijen zoemen in bloeiende struiken, hagedissen glippen over het met leisteen belegde pad. De piccolo brengt me naar mijn kamer. Hij laat me zien wat hier allemaal voor het milieu wordt gedaan, van warmtewerende dakbedekking tot gerecyclede toegangsdeuren. Ik sta ervan versteld hoe vaak je het woordje ‘eco’ kunt gebruiken. Dan zijn we op mijn kamer. Hij zegt: ‘Het is hier warm’, en zet eerst de airco maar eens op 18 graden.

    Ik breng de tijd door met wandelen, lezen, afval voorkomen. En natuurlijk verklap ik alles aan Berlijn. Is het consequent om ecowijn uit Chili te halen en biozeep uit China? Hoort de sales manager niet te weten of het water in het hotel wordt gezuiverd? Of ben ik degene over wie men zich moet verbazen? Ik wil een vakantieganger met verantwoordelijkheidsbesef worden, geen eco-inquisiteur. Ik besluit te relaxen.

    Daarvoor ben ik aan het juiste adres. Het hotel heeft vijf sterren, maar adverteert daar niet mee. Ik krijg een vermoeden waarom, als ik een gesprek op het terras van het restaurant afluister. Een jong stel, Nederlanders, modieus gekleed. Ze drinken cava en kijken hoe de zon ondergaat achter de heuvels. Haar telefoon rinkelt. ‘Ja, we zijn nog onderweg, in een ecoresort.’ Die twee krijgen echt geen uitbrander als ze weer thuis zijn.

    In mijn halfslaap verschijnt Greta Thunberg. Haar ogen kijken dwars door me heen

    Kan luxe duurzaam zijn? Ik betwijfel het zo langzamerhand. Niet als je luxe ziet als zoete overvloed: meer ruimte dan je nodig hebt, meer keuze dan je kunt overzien, meer kans om je te laten gaan. In Mas Salagros zijn ze trots op hun wellnesscomplex in de stijl van een Romeins badhuis. Daar maak ik het me een middag gemakkelijk zonder lang na te denken wat Berlijn ervan zal vinden. Het zwembad in Barcelona was petieterig vergeleken met de zes bassins hier. In een ervan is het water op lichaamstemperatuur en verzadigd met zout. Ik laat me er ruggelings in zakken en voel hoe hoog ik drijf. Al mijn spieren ontspannen zich. Ik ben toch zelf ook een onderdeel van het milieu, denk ik nog, ook mijn welzijn is belangrijk. In mijn halfslaap verschijnt Greta Thunberg. Haar ogen kijken dwars door me heen.

    Twee dagen later zit ik weer in de trein, het eerste deel van de terugreis. Ik kijk uit over zee en zit een beetje te piekeren. Mijn ecobalans ken ik nu tot tien cijfers achter de komma. Hij staat helaas weer in het rood, zoals altijd op dagen dat je onderweg bent. Het plezier dat ertegenover staat kan ik niet kwantificeren. En zelfs als dat wel kon: wat zou mijn vluchtige geluk wegen tegenover mijn aandeel in de klimaatramp? Berlijn kan me niet meer helpen. Berlijn is op vakantie: een conferentie in Brazilië. Eén advies hebben ze me nog meegegeven: als je wilt zwemmen, doe dat dan in zee, natuurlijker kan het niet.

    Dat ga ik nu in praktijk brengen. Mijn doel is een camping in het noorden van de Costa Brava, in natuurpark Aiguamolls de l’Empordà. Daar zou ook het probleem van luxe niet meer zo groot hoeven zijn.

    Ecokrediet

    Castell Mar is op het eerste gezicht een strandcamping als duizend andere, met tenten en caravans dicht op elkaar. Alleen wie erop let, ziet de nestkastjes aan de lantaarnpalen en de plaatsen waar hagedissen en konijnen kunnen schuilen. Tijdens het avondeten zit ik wat met de eigenaar te praten. Vanaf het terras van zijn restaurant hebben we uitzicht op zee en op de gruwelijke nieuwbouw in een naburige gemeente. ‘De klimaatverandering heeft ook iets moois,’ zegt hij. ‘Ooit spoelt dat allemaal weg en nestelen er aalscholvers in de ruïnes.’

    Jordi Sargatal is niet een typische toerismeondernemer. Hij was nog geen achttien, ‘een hippie en vogelgek’, zegt hij, toen in 1976 het moeras voor zijn deur zou worden drooggelegd. Er was een jachthaven gepland, nog groter en nog mooier, zeiden ze, dan de betonkolossen eromheen. Maar in elk geval slecht voor de zoveel duizend trekvogels die in het riet overnachten op reis naar Afrika. Met slaapzakken en spandoeken versperden Jordi en een paar vrienden de bulldozers de weg. ‘Veel moed was er niet voor nodig. Franco was net dood en de politie moest laten zien dat ze democratisch was. Ze hebben ons zelfs beschermd tegen de boeren uit het dorp die gier over ons heen wilden gooien.’

    Of hij zelf vliegt? ‘Heel vaak.’ Alleen de laatste paar maanden al naar Canada en China, om vogels te kijken. En naar Mauritanië. Daar leven monniksrobben, die hij graag hiernaartoe wil halen. ‘Ik weet wel dat al dat vliegen niet goed is.’ Hij knikt in de richting van het moeras. ‘Ik moet maar hopen dat ik genoeg krediet heb.’

    Dat was een grapje. Maar later in mijn wooncontainer houdt het me toch bezig. Kun je met je ecobalans eigenlijk ooit in de plus komen? Of gaat het er je leven lang alleen om je eigen schuld kleiner te maken? En als ik iedereen er thuis nu van weet te overtuigen dat duurzaam vakantie houden leuk is, geeft me dat dan genoeg krediet om in de herfst naar Japan te gaan?

    De Sagrada Familia, slechts één blok van het hotel verwijderd, neem ik voor kennisgeving aan. Voorbeeldtoeristen moeten de grootste drukte vermijden.   © Lucas Neves / Unsplash
    De Sagrada Familia, slechts één blok van het hotel verwijderd, neem ik voor kennisgeving aan. Voorbeeldtoeristen moeten de grootste drukte vermijden.  © Lucas Neves / Unsplash

    Het zwemmen in zee de volgende dag kan ik natuurlijk vergeten. Koud water is een van de nadelen van het laagseizoen. In plaats daarvan neemt Arnau, Jordi’s zoon, me mee op een excursie naar het natuurgebied. Hij studeert ecologie en heeft van zijn vader de liefde voor vogels geërfd. In het dorp gaan we naar Pau, die een bedrijf heeft dat ecoboten verhuurt.

    Dat is de mooiste verrassing van mijn week als goede toerist: hoeveel hartelijkheid je ontmoet

    Als je onderweg flink veel afval meeneemt, hoef je geen huur te betalen. Pau peddelt ons via het riviertje de Flavià door het moeras naar de kust. Een aardige vent, net als iedereen die ik op deze vakantie ontmoet. Dat is de mooiste verrassing van mijn week als goede toerist: hoeveel hartelijkheid je ontmoet.

    In het riet ontdekken we vogels die ik nog nooit gezien heb: bontgekleurde bijeneters, langssuizende ijsvogels, groene spechten, strandplevieren. Ook een purperreiger, die blijkbaar erg zeldzaam is: Arnau en Pau kijken elkaar stralend aan. ‘Waarom vogels?’ vraag ik ze. ‘De droom van de mens om te vliegen,’ zegt Arnau. ‘Bewondering,’ denkt Pau, ‘het zijn de koningen van de lucht.’ Ik kijk van de vogels aan de oever naar de condensstrepen in de lucht. Hebben we onze droom waargemaakt, of hebben we hem prijsgegeven?

    Ik wil weten hoe het voelt om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn. - © Amin Safaripour / Unsplash
    Ik wil weten hoe het voelt om na decennia als stratosfeerverpester een goede toerist te zijn. – © Amin Safaripour / Unsplash
  • De mijnen van het digitale tijdperk zijn helverlicht

    De mijnen van het digitale tijdperk zijn helverlicht

    De wereld in beeld.
    © Andrey Rudakov Bloomberg / Getty Images

    Ooit gingen mijnwerkers uitgerust met een hoofdlamp en een pikhouweel de donkere en gevaarlijke tunnels in op zoek naar ‘het zwarte goud’. Maar de kompels van de Russische ‘cryptomijn’ CryptoUniverse werken in helverlichte hallen vol loeiende en gloeiende servers, ingepakt in dikke gewatteerde jassen en handschoenen. Want het ‘goud’ van het digitale tijdperk, cryptovaluta zoals bitcoin, wordt gedolven door de rekenkracht van supercomputers.

    En daar is veel energie voor nodig en komt veel warmte bij vrij. En dus is er weer veel elektriciteit nodig om alle apparatuur te koelen. De hoeveelheid energie die nodig is om bitcoins te delven vertegenwoordigt zelfs 0,63 procent van het totale elektriciteitsverbruik in de wereld, volgens het Cambridge Centre for Alternative Finance. Dat is meer dan het totale energieverbruik van Zweden, en zal naar verwachting alleen maar stijgen.

  • Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.

    Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?

    Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.

    Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.

    De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt

    De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.

    Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.

    De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.

    ‘Made in Rwanda’

    President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.

    Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.

    De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.

    Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.

    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images
    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images

    De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.

    Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’

    ‘Banenverlies in VS’

    De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.

    Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.

    Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.

    Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.

    ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’

    Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.

    Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’

    Auteurs: Max Bearak en David J. Lynch
    Vertaler: Tineke Funhoff