Tag: economische groei

  • Erven wordt bijna net zo belangrijk als werken

    Erven wordt bijna net zo belangrijk als werken

    De grote vermogens van babyboomers betekenen dat ze meer geld hebben om door te geven. Een groot aantal mensen in Europa kan al comfortabel leven van een erfenis en werken is zelfs niet altijd meer nodig. Dat vormt een gevaar voor het kapitalistisch systeem en het functioneren van onze samenleving.

    Als je hard werkt, zul je succes hebben, krijgen kinderen te horen. De afgelopen decennia heeft dit advies voor de getalenteerden en ijverigen onder ons goed uitgepakt. Veel mensen hebben zelf kapitaal vergaard en zitten er warmpjes bij, ongeacht de hoeveelheid geld die ze hebben geërfd. Maar tegenwoordig groeit het belang van overgeërfde rijkdom in rijke landen, en dat is problematisch. 

    In ontwikkelde landen wordt dit jaar rond de 6 biljoen dollar aan vermogen geërfd, ongeveer 10 procent van het bbp, terwijl dat halverwege de twintigste eeuw in een aantal rijke landen gemiddeld 5 procent was. Het aandeel in de nationale productie dat gevormd wordt door geldstromen afkomstig uit erfenissen is in Frankrijk sinds de jaren zestig verdubbeld, en in Duitsland sinds de jaren zeventig bijna verdrievoudigd. Of jonge mensen het zich kunnen veroorloven om een huis te kopen en in redelijke welvaart te leven wordt bijna in even grote mate bepaald door overgeërfde rijkdom als door hun carrière. Deze verandering heeft alarmerende economische en maatschappelijke gevolgen, omdat ze niet alleen het meritocratische ideaal, maar ook het kapitalisme zelf in gevaar brengt.

    Iedereen erft meer

    De erfenisexplosie is ten dele een weerspiegeling van een rijk geworden, vergrijzende samenleving. Naarmate economieën rijker werden, vergaarden ze kapitaal per werknemer: kapitaal dat iemand moet bezitten. Maar aangezien het tempo van de economische groei is afgenomen en de huizenmarkt is ontploft, is de omvang van dit vermogen ten opzichte van de inkomsten uit arbeid snel gestegen. Nergens is deze combinatie van enorme rijkdom en aanhoudende economische stagnatie zo duidelijk als in Europa, waar de productiviteitsgroei al tijden bedroevend laag is.

    Meer vermogen betekent meer geld voor babyboomers om door te geven. En aangezien vermogen veel oneerlijker verdeeld is dan inkomen uit arbeid, zien we nu een ‘erfocratie’ ontstaan.

    Kijk maar eens naar de ontwikkeling van de vermogens van de superrijken. Tijdens een groot deel van de twintigste eeuw gingen enorme familiefortuinen vaak verloren door slechte investeringen, of door oorlog en inflatie. Zo is weleens berekend dat als de rijkste Amerikaanse families in 1900 passief hadden belegd op de beurs, per jaar 2 procent van hun vermogen hadden uitgegeven en het gangbare aantal kinderen hadden gekregen, er nu ongeveer zestienduizend oudgeldmiljardairs in Amerika zouden zijn. In werkelijkheid zijn er nog geen duizend miljardairs, en de overgrote meerderheid daarvan heeft dat vermogen zelf vergaard.

    Vandaar dat je bankiers en advocaten nu tegen elkaar ziet opbieden om de huizen van overleden taxichauffeurs te kopen

    Maar deze trend wordt nu gekeerd, misschien omdat miljardairs niet alleen rijkdom vergaren, maar ook beter worden in het behouden ervan. Volgens cijfers van investeringsbank UBS werden in 2023 drieënvijftig mensen miljardair dankzij een erfenis, niet eens zo veel minder dan de vierentachtig nieuwe miljardairs die hun kapitaal zelf bij elkaar hadden verdiend. Dat komt wellicht doordat het tegenwoordig makkelijk is om je vermogen in een indexfonds onder te brengen en doordat de principes van vermogensbeheer nu beter worden begrepen. Bovendien zijn veel regeringen zo vriendelijk geweest om de erfbelasting te verlagen.

    Maar wat nog het meest opvalt aan de erfocratie, is dat het hierbij niet alleen om de superrijken gaat. De gemiddelde erfgenaam is iemand die een gewoon huis erft, of de opbrengsten uit de verkoop daarvan, niet een superjacht of een landgoed. En de waarde van woningen is de afgelopen decennia de lucht in geschoten, vooral in steden als Londen, New York en Parijs. Degenen die het geluk hadden om onroerend goed te kopen vóór de aanhoudende stijging van de huizenprijzen, hebben daar veel aan verdiend en hun erfgenamen heel wat meegegeven. Vandaar dat je bankiers en advocaten nu tegen elkaar ziet opbieden om de huizen van overleden taxichauffeurs te kopen. Nu woonruimte in steden als New York en Londen bijna niet meer te betalen is, kun je je daar met een gemiddeld inkomen geen gemiddelde levensstijl meer permitteren. Je hebt er een behoorlijk kapitaal voor nodig – of je dat nou erft of gewoon krijgt van je ouders.

    Rentenier werken niet

    Als je dit alles in ogenschouw neemt, wordt het groeiende belang van erfenissen duidelijk. In Groot-Brittannië zal naar schatting een op de zes mensen die in de jaren zestig zijn geboren een bedrag erven dat groter is dan tien jaar het gemiddelde jaarsalaris van die generatie. Bij degenen die in de jaren tachtig zijn geboren is dat aantal een op de drie. Ondertussen zijn er schrikbarend grote verschillen in de omvang van de erfenissen die mensen krijgen. Een vijfde van de 35- tot 45-jarigen zal naar verwachting minder dan 10.000 pond erven, terwijl een kwart naar verwachting meer dan 280.000 pond zal erven.

    Voor aanhangers van het vrijemarktdenken zou de opkomst van de nieuwe erfocratie zeer verontrustend moeten zijn. Om te beginnen ontstaat op deze manier een klasse van renteniers die aan een reeks negatieve drijfveren blootstaan. Een belastingsysteem vol mazen betekent dat de rijken veel tijd besteden aan het omzeilen van de regels; die tijd zouden ze beter kunnen gebruiken om hun kapitaal in te zetten voor productievere doeleinden. Om hun bezittingen te beschermen ontpoppen huiseigenaren zich als nimby’s, die de bouw van nieuwe woningen tegenhouden en woningen onbetaalbaar maken voor degenen die niet op een erfenis kunnen rekenen. In de wetenschap dat ze kunnen terugvallen op hun erfenis zullen renteniers bovendien weinig motivatie hebben om te werken of te innoveren.

    Nog grotere zorgen baart het feit dat een erfenisloze onderklasse achterblijft – en steeds ontevredener zal worden

    Nog grotere zorgen baart het feit dat een erfenisloze onderklasse steeds verder achterblijft – en steeds ontevredener zal worden. Als het almaar moeilijker wordt om een woning te kopen en een comfortabel leven te leiden, zullen jonge mensen die zich op de arbeidsmarkt begeven steeds minder gemotiveerd zijn om zich in te spannen. En als ze het gevoel krijgen dat het systeem ze geen kansen biedt, zal hun vertrouwen in politieke middenpartijen verdampen.

    Daarom moet het probleem zo snel mogelijk worden opgelost. Het zou idioot zijn om te hopen dat vermogens worden vernietigd door inflatie en oorlog, zoals in de twintigste eeuw is gebeurd. The Economist is al lange tijd van mening dat erfbelasting de beste manier is om de erfocratie mee aan te pakken. Maar er bestaat zo veel weerstand tegen deze belasting dat regeringen allerlei mazen in de wet hebben gecreëerd, de drempel waarboven de erfbelasting geldt hebben verhoogd of de belasting maar helemaal hebben afgeschaft.

    Gelukkig zijn er andere middelen voorhanden. Op de juiste plek genoeg huizen bouwen is de allerbelangrijkste actie die regeringen kunnen ondernemen om het verband tussen werk en vermogen te herstellen. Het heffen van voldoende onroerendezaakbelasting, vooral grondwaardebelasting, zou ook helpen, omdat dit tot een verlaging van de huizenprijzen zou leiden en de kloof tussen huizenprijzen en inkomen zou verkleinen. En alles wat de in Europa zo broodnodige economische groei aanzwengelt zou de verhouding tussen het vermogen en het nationale inkomen omlaag brengen. De hoogtijdagen van de meritocratie brachten sociale mobiliteit, groei en welvaart met zich mee. Met een beetje hard werken kan die tijd terugkeren.

  • Afrika’s kleine mirakel

    Afrika’s kleine mirakel

    Mauritius, ooit een Nederlandse, Franse en Britse kolonie, viert dit jaar vijftig jaar onafhankelijkheid. In die halve eeuw wist het eiland alle verwachtingen te overtreffen. Maar kan het dit succes nu ook verder uitbouwen?

    Hoe Mauritius de sombere toekomstvoorspellingen wist te logenstraffen is een verhaal dat zich graag laat vertellen. Een paar jaar voor de onafhankelijkheid in 1968 schreef econoom en Nobelprijswinnaar James Meade het eilandje in de Indische Oceaan af als een hopeloos geval. Een paar jaar na de onafhankelijkheid noemde de schrijver V.S. Naipaul het een ‘overbevolkt barakkenkamp’.

    Toch toonde Mauritius hun ongelijk aan en werd het een van Afrika’s meest geprezen landen. Het scoort van alle Afrikaanse landen vaak het hoogst 
op het gebied van politieke vrijheden, de rechtspraak en de menselijke 
ontwikkeling. Er zijn al tien eerlijke verkiezingen gehouden en er hebben zeven vreedzame machtswisselingen plaatsgevonden. Vaak wordt het land aangehaald als toonbeeld van politieke stabiliteit en cohesie, met alle verschillende etnische groeperingen – hindoes, moslims, creolen en Mauritianen van Chinese of Franse oorsprong – die in betrekkelijke harmonie samenleven.

    In 2011 bracht het succes van het eiland Joseph Stiglitz ertoe een lyrisch artikel te schrijven over wat hij ‘het mirakel van Mauritius’ noemde. De Nobelprijswinnaar deed een beroep 
op de VS en andere ontwikkelde economieën om goed naar het land te kijken en te leren van Mauritius’ politiek op het gebied van gratis onderwijs, gezondheidszorg en het sterke sociale vangnet.

    Haalbaar doel

    Nu de vijftigste verjaardag nadert [deze is inmiddels gevierd op 12 maart jl.] is de huidige regering er begrijpelijkerwijs op uit om voort te bouwen op deze reputatie en erfenis. De regeringscoalitie onder leiding van premier Pravind Jugnauth (56) wil Mauritius in de komende jaren onder meer van een land met hogere middeninkomens een land met hoge inkomens maken. Voor een dapper buitenbeentje dat altijd de verwachtingen heeft overtroffen is dit zeer waarschijnlijk een haalbaar doel. Maar na vijftig jaar onafhankelijkheid zal Mauritius een nieuwe strategie moeten ontwikkelen als het verder 
wil groeien – zowel economisch als politiek – om niet in een midlifecrisis te belanden.

    De economische groei van Mauritius bedroeg de afgelopen vijf jaar een bescheiden 3 à 4 procent. De Bank of Mauritius heeft voor 2018 een groei van 4,2 procent voorspeld. Veel landen zouden daar jaloers op zijn, maar het is een opmerkelijke achteruitgang vergeleken met de onstuimige jaren tachtig en negentig, toen de economie dankzij de suikerindustrie, het toerisme, textiel en de financiële diensten fors groeide. De huidige regering hoopt dat de 
oceaaneconomie een vergelijkbare expansie zal opleveren. De gedachte 
is dat activiteiten zoals de visvangst, 
de winning van koolwaterstof en mineralen, de maritieme biotechnologie en de opwekking van duurzame energie het bruto binnenlands product de komende jaren omhoog zal stuwen.

    Tot dusver is de visteelt de belangrijkste ontwikkeling op dit front; er worden nu producten uitgevoerd naar Europa en de VS. Maar in het algemeen is het duidelijk dat er financiële en technische expertise vanuit het 
buitenland nodig is, willen er kapitaalintensievere ondernemingen van de grond komen. Zoals de Wereldbank in 2017 al in een rapport waarschuwde, 
‘is een verdubbeling van de oceaan-economie van Mauritius mogelijk en de moeite waard, maar zal die wel enige tijd kosten’.

    De centrale markt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius. – © Jean-Pierre / Hemis
    De centrale markt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius. – © Jean-Pierre / Hemis

    Bij zijn poging om buitenlandse investeerders aan te trekken heeft het eiland zeker wel voordeel bij het feit dat 
mondiale instellingen al lange tijd Mauritius’ stabiele regering, democratische structuur en openheid ten opzichte van het bedrijfsleven prijzen. Ook heeft het eiland er voordeel bij dat het in het verleden blijk heeft gegeven van visie en flexibiliteit ten aanzien van nieuwe economische uitdagingen. Of zoals het landenrapport van de Bertelsmann Stiftung’s Transformation Index (BTI) 2018 het formuleert: ‘In het verleden hebben regeringen van Mauritius bewezen zich creatief te kunnen aanpassen aan gewijzigde geopolitieke en geo-economische omstandigheden.’

    Op sociaal gebied is Mauritius geprezen om het feit dat verschillende etnische groepen harmonieus samenleven. Het feit dat er geen inheemse bevolking is, is hierbij waarschijnlijk een belangrijke factor, omdat geen enkele bevolkingsgroep een grote claim op het eiland kan laten gelden. Een andere belangrijke factor die bijdraagt aan de goede 
onderlinge relaties is de hoge bevolkingsdichtheid – 1,3 miljoen inwoners samengeperst op 2014 vierkante 
kilometer – die de behoefte aan vriendschappelijke verhoudingen vergroot.

    Maar de derde belangrijke factor is de stilzwijgende verdeling van de politieke macht. Zo ambiëren Mauritianen van Chinese of Franse afkomst over het algemeen geen politiek ambt en laten zo het politieke speelveld over aan ambitieuze hindoes, moslims en 
creolen. Dat voorkomt bepaalde 
spanningen en rivaliteit, hoewel het politieke systeem van Mauritius 
hierdoor wel altijd gedomineerd wordt door hindoemannen uit de middenklasse, terwijl de hindoegemeenschap maar net iets meer dan de helft van de bevolking uitmaakt. Sterker nog, ondanks het feit dat er zeven machtswisselingen zijn geweest, is de echte top van de Mauritiaanse politiek nog exclusiever. Achtenveertig van de 
afgelopen vijftig jaar is het land geleid door Seewoosagur Ramgoolam en 
vervolgens Anerood Jugnauth, en daarna door hun respectieve zonen Navin en Pravind.

    ‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes’

    Hoewel dit plaatsvond tegen een 
achtergrond van grote democratische betrokkenheid en vitaliteit, zijn er ook signalen dat de Mauritianen het beu zijn dat het premierschap bijna geheel wordt gecontroleerd door slechts twee families. In januari 2017 droeg Anerood Jugnauth zonder enige inspraak van het electoraat de macht over aan zijn zoon. Omdat de grootste partij in de huidige coalitie, de Mouvement Socialiste Militant (MSM), wist hoezeer deze beslissing haar impopulair maakte en haar imago van corruptie en vriendjespolitiek versterkte, besloot de partij-leiding om niet mee te doen aan een tussentijdse verkiezing.

    Hoezeer de belangrijkste Mauritiaanse politici onderling ook mogen verschillen, over één onderwerp zijn ze het eens: de Chagoseilanden. Deze archipel had sinds 1814 deel uitgemaakt van het Mauritiaanse territorium. Maar enkele jaren voordat Mauritius onafhankelijk werd van Engeland, werden die eilanden onderdeel van het Brits Indische Oceaanterritorium (BIOT). Engeland leende het grootste eiland, Diego Garcia, aan de VS om het te gebruiken als militaire basis. Daartoe moesten vijftienhonderd eilandbewoners gedwongen verhuizen en werden ze gedumpt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius, en een klein gedeelte ook op de Seychellen.

    De Mauritiaanse politiek is er de 
afgelopen jaren niet zozeer op gericht geweest om de Amerikanen hun basis te ontnemen, als wel om de aanspraak van de Engelsen op de Chagoseilanden te betwisten en de afschuwelijke behandeling van de verbannen eilandbewoners aan de kaak te stellen. Een door Mauritius bij de VN ingediende resolutie om het Internationaal Gerechtshof een uitspraak te laten doen over de soevereiniteit van de 
Chagoseilanden werd in juni 2017 met 94 tegen 15 aangenomen. Interessant is dat de meeste Europese landen, waaronder Frankrijk, Duitsland en Italië, en ook China zich van stemming onthielden, ondanks aanzienlijke druk vanuit Engeland en de VS. Een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag wordt later dit jaar of in 2019 verwacht.


    Zoals uit de kwestie-Chagos en de economische vooruitgang en veerkracht van het land blijkt, heeft de onafhankelijkheid van Mauritius echt handen en voeten gekregen. Maar de vader-op-zoonmachtsoverdracht van vorig jaar en de vermeende betrokkenheid van de politieke elite bij corruptiepraktijken en drugsschandalen werpen een 
schaduw op de politieke toekomst 
van het land [deze maand nog trad 
president Ameenah Gurib-Fakim af vanwege een financieel schandaal].

    Hierdoor wordt het voor Mauritius steeds urgenter om het politieke leiderschap aan te passen. Zoals in het komende BTI-rapport staat: ‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes, dat zich hoogstwaarschijnlijk nog zal voortzetten.’

    Na vijftig jaar onafhankelijkheid zijn de voorspellingen van Meade en Naipaul gelogenstraft. Maar het eiland verder uitbouwen tot een land met hoge 
inkomens zal misschien een grotere uitdaging zijn dan de huidige regering bereid is toe te geven.

    Auteur: Seán Carey

    African Arguments
    VK | africanarguments.org

    Site die in 2007 werd gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.