Tag: educatie

  • Gratis lunches, hersenpauzes en gelukkige leraren: waarom Estland de beste scholen van Europa heeft

    Gratis lunches, hersenpauzes en gelukkige leraren: waarom Estland de beste scholen van Europa heeft

    Ondanks dat Estland een klein en relatief arm land is, is het een grootmacht op het gebied van onderwijs. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek.

    Het onderwerp van vandaag in de sciencefictionles op het staatsgymnasium Pelgulinna is Blade Runner. Op donderdag zijn er ‘vrijwillige’ lesdagen, waarop leerlingen van deze middelbare school in de hoofdstad van Estland, Tallinn, kunnen kiezen uit een reeks vakken. Andere vakken die vandaag aan bod komen zijn onder andere een cursus rechten en democratie, programmeren en creatief schrijven in het Engels. De zeven zeventienjarige leerlingen in de sciencefictionles hebben zojuist 30 minuten van de film bekeken en bereiden zich voor om erover te discussiëren. Als ik naar binnen sluip schakelen ze voor mij over op perfect Engels. ‘We hebben het gehad over jungiaanse archetypes, persona’s en het superego,’ zegt Triin, een van de leerlingen. ‘Het heeft me echt geholpen om de verschillende aspecten van het mens-zijn te begrijpen en hoe je diepere personages kunt creëren.’ Ze hebben ook Brave New World en 2001: A Space Odyssey bestudeerd. In de paar minuten dat ik er ben, hebben de leerlingen het over de Amerikaanse geschiedenis, kinderarbeid, empathie en nog veel meer. ‘Ik heb zoveel vragen,’ zegt Triin.

    Ik ook. Hoe is Estland, een klein land dat relatief arm is vergeleken met het grootste deel van de EU, een grootmacht op het gebied van onderwijs geworden? Op de ranglijst van het Programme for International Student Assessment (Pisa) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, dat de vaardigheden van vijftienjarigen meet op het gebied van wiskunde, lezen en wetenschap, staat een handvol Aziatische landen bovenaan, maar daarop volgt Estland, als de beste van Europa. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden maar ook op academisch leren en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek en kunst. Britse politici nemen hier nota van. In 2022 bracht Bridget Phillipson, de schaduwminister van Onderwijs van Labour, een bezoek om te zien hoe Estland dat doet.

    Gunda Tire, die internationale evaluaties leidt voor de onderwijs- en jeugdraad van Estland, zegt dat het succes van het land deels te danken is aan de mix van geschiedenis en geografie. ‘We hebben Zweden, Denemarken, Rusland en Duitsland hier gehad. Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn en ze begrepen dat onderwijs hen vooruit zou helpen. Hetzelfde gold toen we onder Sovjetbezetting waren.’ 

    Gelijkheid

    Een van de blijvende principes, zegt ze, is gelijkheid – dat iedereen een gratis schoollunch krijgt is zowel vanuit ideologisch als vanuit praktisch oogpunt. En bijna alle kinderen gaan naar de kleuterschool, die zwaar gesubsidieerd wordt, zodat tegen de tijd dat ze naar school gaan op de relatief late leeftijd van zeven jaar hun achterstanden niet meer zo groot zijn. Autonomie is ook fundamenteel. ‘We hebben scholen de mogelijkheid gegeven om zelf te beslissen.’

    Toen Estland het digitale tijdperk omarmde, deden ook de scholen mee. Al in 1997 lanceerde het land een initiatief met de naam Tiigrihüpe (Tijgersprong), om computers en software te verbeteren en scholen toegang tot internet te geven. ‘We trainden veel leraren, verbonden alle scholen met elkaar en gaven ze computers,’ zegt Tire. ‘Het idee is niet om een IT-klas te hebben, maar om digitale vaardigheden overal te integreren.’ Veel kinderen leren coderen en robotica, en alles, van schoolboeken tot communicatie met ouders, is digitaal. In plaats van leerlingen die de orde verstoren hardhandig te straffen, zegt Tire, hebben Estse scholen over het algemeen een meer verzorgende aanpak – het is gebruikelijk om kinderen mee naar buiten te nemen en ze in een kleine groep te onderwijzen De meeste scholen hebben een psycholoog en een counselor.

    Creatieve vakken worden net zo gewaardeerd, legt Tire uit: ‘Ze moeten allemaal kunst en muziek volgen, en “technologie”. Met andere woorden, ze leren koken, breien, dat soort dingen. We merken dat het welzijn en gevoel van voldoening bij de kinderen daardoor toeneemt. We denken niet dat dat irrelevant is. Sommige landen zeggen: “We hebben de muziekles eruit gehaald om meer wiskunde te geven.” Maar als je naar bladmuziek kijkt is dat echt niet minder ingewikkeld.’ 

    Creatieve vakken, zegt Tire, kunnen allerlei vaardigheden bevorderen, zoals teamwerk en het vermogen problemen op te lossen. Ze glimlacht als ze terugdenkt aan tienerjongens die vorig jaar op een groot festival enthousiast meededen aan de volksdansen die ze op school hadden geleerd. ‘Het is een fysieke activiteit, en een plezierige. Bovendien ben je in een groep en moet je communicatieve vaardigheden gebruiken.’

    Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen?

    Om door te stromen naar het hoger secundair onderwijs, het equivalent van het zesde jaar, leggen de leerlingen slechts drie examens af – wiskunde, Ests en een vak naar keuze. Dat is nogal een verschil met de meeste andere landen. Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen? vraag ik Cordelia Violet Paap, een zeventienjarige studente aan de Pelgulinna State. Ze kijkt geschokt en zegt: ‘Dat is veel. Dan zou ik veel meer stress hebben.’ 

    Paap vertelt dat de creativiteitsethos van haar school ‘veel leuker is dan de strikte orthodoxe manier, waarbij je alleen maar in een klaslokaal zit en luistert’. Targo Tammela (17), die net uit een les Scandinavische geschiedenis komt, zegt dat er ‘nog steeds discipline is, je moet nog steeds voor elke toets slagen’. Het veelgeprezen digitale onderwijs maakt een groot deel uit van hun leerproces, vertellen ze. Technologie is overal beschikbaar en de meeste leermiddelen en toetsen zijn online. ‘Er zijn een paar nadelen, want je kunt er lui van worden of afgeleid raken door het internet,’ zegt Tammela. ‘Maar de voordelen wegen ertegen op.’

    Harmonieus

    Het is vroeg in de middag en op het Gustav Adolf Gymnasium in het oude gedeelte van Tallinn zit de schooldag er voor veel leerlingen al op. Ik wacht bij de poort op de hoofdonderwijzer en zie jonge kinderen alleen of met vriendjes naar huis lopen. ‘Ze zijn over het algemeen erg zelfstandig,’ zegt Henrik Salum, het schoolhoofd (jonge man, gekleed in spijkerbroek).

    Achter de historische gevel is de school opnieuw ingericht, licht en ruimtelijk. In een van de ruimtes hangen boskzakken, deze wordt ook voor danslessen gebruikt. In een andere ruimte kun je tafeltennissen. In het enorme centrale atrium, waar de kinderen lunchen, staat een piano en is een podium voor optredens. Leerlingen zitten op de traptreden en maken schoolwerk of kletsen wat. De sfeer is gemoedelijk en ontspannen.

    Zijn er gedragsproblemen? ‘Natuurlijk,’ zegt Salum. ‘Elke dag is er wel een incident waarbij je leerlingen moet duidelijk maken dat ze anderen moeten respecteren en hoe ze zich moeten gedragen. We hebben bepaalde leerlingen die we beter in de gaten moeten houden en we hebben veel contact met de ouders. Maar over het algemeen merk ik dat de leerlingen het naar hun zin hebben.’ Het ziet er in ieder geval behoorlijk harmonieus uit. In een van de brede gangen zijn twee kinderen aan het schaken en overal liggen keurige stapels kussens voor als je wil socializen of voor als een van de leraren besluit in een andere omgeving dan zijn lokaal les te geven.

    In een klas waar Ests wordt gegeven is het stil. Een groep acht- en negenjarigen werkt aan een samenvatting van een boek dat ze net hebben gelezen en dat op het grote scherm te zien is. In een andere klas werken twaalf- en dertienjarigen aan hun Engelse woordenschat. Er zitten maar zestien kinderen in deze klas. De klassen tellen meestal achtentwintig leerlingen, maar vreemde talen worden in kleinere groepen onderwezen, zodat iedereen de kans krijgt om te spreken en mee te doen.

    In Maria Tooms klas van tien- en elfjarigen zijn enkele kinderen blijven zitten om met me te praten – allemaal in uitstekend Engels. Wat herinneren ze zich van de kleuterschool? Het was leuk, zeggen ze. ‘We hadden slaappauzes,’ vertelt een meisje, Laura. Hier krijgen ze in plaats daarvan hersenpauzes – verschillende keren in een les geeft hun lerares, die bij haar voornaam wordt aangesproken, hun een pauze om wat te bewegen of om een spelletje te spelen.

    ‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben,’ zegt Salum. Er zijn normen waaraan ze moeten voldoen, maar hoe ze dat doen is aan hen. Toom heeft toegang tot tablets en laptops voor de kinderen, maar ze geeft net zo lief een les buiten, of op het dakterras, met papier en potlood – niet om de natuur te bestuderen (wat ze ook doen), maar omdat het fijn is om buiten te leren rekenen. ‘Ik denk dat het een gevoel van vrijheid geeft en het leert kinderen de flexibiliteit bij om waar dan ook te leren.’

    Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren

    Terwijl we door de school lopen, zegt elke leerling ‘tere’ (hallo) tegen Salum. Eén meisje komt naar hem toe en gooit haar armen om zijn middel. ‘Sommigen willen een high five,’ zegt hij. ‘Zolang de leerlingen glimlachen en hallo zeggen, is alles goed. Als ze dat niet meer doen, dan weet ik dat er iets mis is.’ Toen Salum er nog op school zat, was de sfeer traditioneler, maar hij merkt dat de leerlingen een minder hiërarchische sfeer op prijs stellen. ‘We zien onze leerlingen als collega’s, dus we werken samen en betrekken hen overal bij.’ Veel van de docenten van de school zijn oud-leerlingen; ook dat staat hem aan.

    Het grootste probleem voor Salum, en veel andere schoolhoofden, is het gebrek aan leraren. Ondanks de positieve kanten van het systeem zijn er nog steeds problemen met de werkdruk. Waarom zouden afgestudeerden met een masterdiploma genoegen nemen met een relatief laag salaris als ze een veel beter betaalde baan kunnen krijgen, bijvoorbeeld in de florerende digitale industrie van Estland? Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren.

    Het salaris van leraren ‘is overal ter wereld een probleem’, zegt Kristina Kallas, de Estse minister van Onderwijs, als ik haar in haar kantoor ontmoet. ‘Het onderwijssysteem staat altijd onder druk.’ Op dit moment zijn er twee belangrijke problemen, zegt ze. ‘Het ene is de economische recessie en het andere is dat elk begrotingsoverschot naar defensie gaat, omdat we ons in een zeer precaire situatie bevinden.’ Alle ogen zijn gericht op buurland Rusland en de situatie in Oekraïne.

    Kallas denkt dat de kracht van het Estse onderwijssysteem ligt in het feit dat ‘het van onderaf is opgebouwd, niet wordt geleid door [de centrale overheid], en dat ook nooit is geweest. Het onderwijssysteem is ouder dan de staat.’ Zijn er politici die er meer controle over zouden willen hebben? ‘Verrassend genoeg niet,’ zegt Kallas. ‘Iedereen laat het [onderwijs] over aan de experts. Docenten en universiteiten debatteren erover, soms in het openbaar, en hebben soms verschillende manieren voor ogen. Maar de politici bemoeien zich er niet mee.’

    Er zijn zaken waar Kallas haar blik op gericht houdt. Tijdens de pandemie deden Estse kinderen het niet zo slecht omdat ze al goed voorbereid waren op digitaal leren, maar sindsdien is er een zorgwekkend aantal tienerjongens dat afhaakt. En hoewel er geen elitair privéschoolsysteem is, verhuizen families met hogere salarissen vaak om in de buurt van de beste scholen te wonen, waardoor anderen buiten de boot vallen. ‘Dit is een trend die me zorgen baart omdat hij ingaat tegen de redenen waarom ons onderwijssysteem zo sterk is – gelijkheid is belangrijk,’ zegt Kallas.

    Klik

    Pelgulinna State Gymnasium is duidelijk een van de betere scholen. Hij is pas afgelopen herfst geopend, als een van de dertien nieuwe middelbare scholen die de staat de afgelopen vijf jaar heeft gebouwd. Een prachtig gebouw, met de nadruk op ruimte, licht en natuurlijke materialen, vooral hout. Eén ruimte bevat rijen grote schermen; hier kunnen leerlingen in kleine groepen werken en presentaties geven, en er zijn comfortabele hoekjes gebouwd, voorzien van stopcontacten, waar leerlingen zich kunnen terugtrekken. Er zijn ook driehonderd fietsenstallingen, roze badkamers, bomen die binnen groeien en een comfortabele bibliotheek. Een kleine verstoring van deze idylle vormde de les die vanochtend werd gegeven in de collegezaal, waar verschillende legerofficieren ‘defensieonderwijs’ geven. Ook ‘communicatie’ en ‘zorg voor de buren’ zijn vorig jaar geïntroduceerd op Estse middelbare scholen. 

    De leraren gebruiken een mix van oefeningen, zegt Agne Kosk, hoofd talen, die de sciencefictionles onderwees. ‘Deze generatie wil haar mening geven, ze wil betrokken worden in het gesprek, ze wil alle kanten van de zaak kennen. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer.’ Ze zegt dat een goede relatie met haar studenten ‘op de eerste plaats komt. Als het niet klikt met de studenten, kan je nog zo je best doen, maar dan werkt het niet’. Op die klik lijkt het Estse onderwijssysteem inderdaad te zijn gericht.

    Met de leerlingen uit de sciencefictionklas heeft ze duidelijk een goede band – de studenten hebben hun eigen hashtag gemaakt, die op het whiteboard is geschreven en zich laat vertalen als ‘Agne is cool’. Kosk vraagt ze welke aantekeningen ze hebben gemaakt toen ze het eerste deel van Blade Runner keken, en er ontstaat een discussie over of ze al dan niet zouden zakken voor een empathietest (waardoor ze zouden worden aangemerkt als een van de niet-menselijke replicanten van de film), wat het betekent om mens te zijn en een beetje over filmgeschiedenis (is dit, vraagt een van de leerlingen, een van de eerste films met vliegende auto’s erin?). Het is tijd om verder te kijken. Lichten uit – de leerlingen richten hun aandacht op het scherm.

  • ‘De wereld was 
 verdeeld in gemeenschappen’

    ‘De wereld was 
 verdeeld in gemeenschappen’

    Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.

    Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’

    En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, 
stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 
39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.

    Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.

    Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door 
de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa 
alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.

    U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en 
de plek iets nader bepalen?

    ‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].

    Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’

    De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
    ‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.

    Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der 
Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’

    Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?

    ‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’

    Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
    ‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’

    *Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen 
met de hele samenleving waarin hij leefde? *
    ‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. 
Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid 
in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’

    Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
    ‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van 
cultuur.”

    Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. 
De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’

    Joshua Blau: ‘Klein onheil behoedt je soms voor groot onheil.’ – © Haaretz
    Joshua Blau: ‘Klein onheil behoedt je soms voor groot onheil.’ – © Haaretz

    Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?

    ‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.

    Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.

    Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.

    Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’

    Wie waren uw leerlingen?

    ‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’

    Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
    ‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. 
Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’

    Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
    ‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel 
van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en 
een kameel van anderhalf jaar.’

    Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
    ‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’

    Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee 
[In Exodus 15].

    ‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.

    In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. 
De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’

    En wat was uw conclusie?
    ‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’

    Kunt u een voorbeeld geven?
    ‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.

    Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van 
de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’

    Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.

    ‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’

    Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
    ‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’

    En wat hebt u ontdekt?
    ‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’

    Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
    ‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.

    Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.

    Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’

    ‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’

    Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?

    ‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’

    Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.

    Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’

    Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.

    Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’

    Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’

    ‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’

    Auteur: Smadar Reisfeld

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.

  • Vrees voor nieuwe digitale kloof tussen arm en rijk

    Vrees voor nieuwe digitale kloof tussen arm en rijk

    Amerikaanse openbare scholen promoten onderwijs met beeldscherm. In welgestelde gezinnen is persoonlijk contact juist een nieuwe luxe. Want hoe moet een kind later solliciteren als het niet geleerd heeft een normaal gesprek te voeren?

    Keuze uit het archief

    Ging een aantal decennia geleden de ‘digitale kloof’ tussen arm en rijk nog om toegang tot technologie, nu smartphones alomtegenwoordig zijn draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik. De begeleiding die kinderen ontvangen om op een verantwoordelijke manier met technologie om te gaan is volgens The New York Times in dit artikel uit 2018 namelijk nogal ongelijk verdeeld. Een probleem dat steeds groter wordt naarmate socialemediaplatforms als TikTok en Snapchat verslavender en algoritmen gewiekster worden. Helemaal nu bovendien AI-tools de verspreiding van nepnieuws makkelijker maken, is een gedegen digitale opvoeding van levensbelang voor de samenleving.

    De ouders in Overland Park waren het zat. Ze wilden hun kinderen van hun beeldscherm af krijgen, maar dat konden ze niet alleen. Ten eerste omdat je als ouder niet wilt dat jouw kind als enige dat rare buitenbeentje zonder smartphone is. En ten tweede omdat het gewoon heel, heel moeilijk is om een scholier zijn mobieltje af te nemen. ‘We begonnen onze bijeenkomsten met de constatering: dit is lastig, het is onontgonnen terrein.

    Wie kan ons hierbij helpen?’ zegt Krista Boan. Zij heeft in Kansas City de leiding over een programma genaamd START, wat staat voor ‘Stand Together And Rethink Technology’. ‘Dit is iets waarover we onze moeder niet om raad kunnen vragen.’ In Overland Park, een voorstad van Kansas City, komen zo’n honderdvijftig ouders daarom al zes maanden lang ’s avonds bijeen in schoolbibliotheken om over maar één ding te praten: hoe ze hun kinderen kunnen losweken van hun mobiel.

    Zonder beeldschermen

    Nog niet zo lang geleden was de grootste zorg dat rijke leerlingen veel vroeger in aanraking kwamen met internet, waardoor ze een technische voorsprong opbouwden die tot een digitale tweedeling zou leiden. Scholen vragen leerlingen om hun huiswerk online te doen, terwijl ongeveer eenderde van de Amerikanen thuis geen internet heeft.

    Maar nu ouders in Silicon Valley zich steeds grotere zorgen maken over de impact van technologie op hun kinderen en steeds meer streven naar een huishouden zonder beeldschermen, groeit de vrees voor een nieuwe digitale kloof. Het zou zomaar kunnen dat kinderen in arme en modale gezinnen worden 
grootgebracht met beeldschermen, terwijl het kroost van de elite in Silicon Valley juist terugvalt op houten speelgoed en de luxe van persoonlijk contact.

    Je ziet dat nu al gebeuren. In rijke wijken zijn ouderwetse, op fysiek spelen gerichte kleuterscholen in zwang. Anderzijds heeft de overheid 
in Utah juist een onlineonderwijs-
programma voor kleuters gefinancierd dat circa tienduizend kinderen bereikt. De organisatie heeft al aangekondigd dat dit digitale kleuteronderwijs in 2019 met federaal overheidsgeld wordt uitgerold naar vijf andere staten.

    Volgens onderzoek van Common 
Sense Media, een onafhankelijke mediawaakhond, besteden tieners uit armere milieus per dag gemiddeld 8 uur en 7 minuten aan beeldschermvermaak, tegen 5 uur en 42 minuten voor leeftijdgenoten uit rijkere milieus. (In dit onderzoek werd elk beeldscherm apart meegeteld: één uur append voor de tv hangen telde dus als twee uur beeldschermtijd.) In twee studies waarbij ook de etnische achtergrond werd meegenomen, bleek het beeldschermgebruik bij blanke kinderen beduidend lager dan bij kinderen uit Afro-Amerikaanse en latinogezinnen.

    En ouders constateren zelf ook een groeiende tweedeling tussen openbare en particuliere scholen binnen dezelfde wijk. Op de particuliere Waldorf School of the Peninsula, zeer in trek 
bij het hogere kader van Silicon Valley, wordt beeldschermgebruik bijvoorbeeld vermeden. Een eindje verderop adverteert de openbare Hillview Middle School juist met zijn iPad-onderwijs.

    De psycholoog Richard Freed schreef een boek over de risico’s van beeldschermgebruik voor kinderen en hoe je hen weer in contact kunt brengen met de echte wereld. Hij verdeelt zijn tijd tussen lezingen voor volle zalen in Silicon Valley en zijn praktijk met minder bemiddelde gezinnen in San Francisco. Bij die laatste is hij vaak de eerste van wie ouders horen dat beperking van het beeldschermgebruik de concentratie- en gedragsproblemen van hun kind kan helpen verminderen. ‘Ik ga van lezingen in Palo Alto [een schatrijke stad in Silicon Valley] naar consulten in Antioch [een arme gemeente die zwaar werd getroffen door de huizencrisis], waar ik de eerste ben om ze op die gevaren te wijzen’, zegt Freed.

    Wat hem vooral zorgen baart, is het werk van collega-psychologen die techbedrijven helpen hun apps zo waanzinnig verslavend te maken. Zij zijn doorkneed in de technieken van persuasive design, oftewel het bespelen van beeldschermgebruikers. Een paar voorbeelden: de autoplay-functie van YouTube, de teller met ‘likes’ op Instagram die oploopt als een fruitautomaat, het ‘snapreeks’-icoontje op Snapchat.

    Smartphones in de ban

    ‘Eerst ging de digitale kloof over gebrek aan toegang tot technologie. Nu iedereen er toegang toe heeft, draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik’, aldus Chris Anderson, oud-redacteur van het blad Wired. In het hele land maken ouders, artsen en leerkrachten zich hier sterk voor. ‘De bedrijven hebben de scholen voorgelogen en nu liegen ze de ouders voor’, zegt Natasha Burgert, een kinderarts

    in Kansas City.

    ‘We worden allemaal in het ootje genomen’, vindt ze. ‘We onderwerpen onze kinderen, de mijne ook, aan een van de grootste sociale experimenten die we in lange tijd hebben gezien. Hoe moet het straks met mijn dochter, als ze geen normaal gesprek kan voeren onder het eten? Hoe moet ze dan aan de man komen? Hoe kan ze op sollicitatie gaan?’

    Stills uit de YouTube-film The Early Show, over 
The Waldorf School in Silicon Valley die principieel werkt zonder laptops en iPads in het klaslokaal. 
© ‘The Early Show' YouTube
    Stills uit de YouTube-film The Early Show, over 
The Waldorf School in Silicon Valley die principieel werkt zonder laptops en iPads in het klaslokaal. 
© ‘The Early Show’ YouTube

    ‘Ik heb nu gezinnen die er helemaal van af willen’, zegt Burgert. ‘Die zeggen: het is welletjes, we kappen ermee.’ Zoals in huize Brownsberger. Smartphones waren daar al lang in de ban gedaan, maar nu heeft ook de tv met internetaansluiting het veld geruimd. ‘We hebben de tv van de muur gehaald en ik heb 
het kabelabonnement opgezegd’, zegt Rachael Brownsberger (34), moeder van twee zoons van elf 
en acht.

    ‘Hoe krankzinnig dat ook klinkt.’ Zij en haar man, eigenaar van een bedrijf in sierbeton, hebben hun kinderen nooit een smartphone gegeven. Maar ze merkten dat zelfs de geringste blootstelling aan beeldschermen al een slechte invloed had op hun gedrag. Haar oudste zoon, die ADHD heeft, werd vaak boos als de tv uit moest, zegt ze. Dat vond ze verontrustend. En zijn verlanglijstje voor Kerst bestond 
uit een Wii, een PlayStation, een Nintendo, een 
MacBook Pro en een iPhone. ‘Ik heb gezegd: die krijg je dus niet, jongen’, zegt Brownsberger. ‘Ja, dan ben ik de kwaaie pier.’


    Ouders maken zich steeds grotere zorgen over de impact van technologie op hun kinderen

    Maar één ding maakt het gemakkelijker: dat andere ouders in hun buurt hetzelfde doen. ‘Je moet dit met een hele gemeenschap doen’, zegt Brownsberger. 
‘Ik had het er gisteravond nog over met mijn buurvrouw: ben ik soms zo’n slechte moeder?’ Krista Boan heeft in Overland Park drie proefprojecten met elk zo’n veertig ouders die samen naar goede methoden zoeken om hun kinderen af te krijgen van mobieltjes en andere beeldschermen.

    De Kamer van Koophandel steunt het project en de gemeente wil in het komende beleidsplan ook een paragraaf opnemen over ‘digitaal welzijn’. ‘De gemeente en de Kamer van Koophandel zeiden: we zien de gevolgen voor onze stad’, zegt Boan. ‘We willen dat onze jongeren opgroeien tot zelfstandige burgers die verstandig met hun apparaten omgaan, maar daar moeten we ze wel toe in staat stellen.’

    Ook in Silicon Valley maken sommigen zich zorgen over de groeiende tweedeling wat betreft beeldschermtijd. Kirstin Stecher en haar man, die bij 
Facebook werkt, voeden hun kinderen bijna volledig beeldschermvrij op. ‘Is dat omdat we goed geïnformeerd zijn en veel van de technologie weten?’ zegt ze. ‘Of is het omdat we bevoorrecht zijn en makkelijker zonder beeldscherm kunnen?’

    ‘Er heerst een gedachte dat je kind wordt achter-
gesteld en in een andere dimensie opgroeit als het geen beeldschermtijd krijgt’, zegt Pierre Laurent, voormalig manager bij Microsoft en Intel en nu bestuursvoorzitter van de Waldorf School in Silicon Valley. ‘Maar die gedachte slaat in deze contreien niet meer zo aan’, meent hij. ‘Hier snappen de mensen dat het in die bedrijven vooral draait om 
big data, om AI, en dat is niet iets waarin je zelf heel bedreven wordt doordat je al vanaf je tiende een mobieltje hebt.’

    ‘Vaardigheden voor de toekomst’

    Al krijgen de werknemers in deze sector steeds meer bedenkingen, de markt voor beeldschermtoepassingen voor kinderen groeit intussen als kool. Apple en Google proberen om het hardst hun producten aan scholen te slijten en leerlingen zo jong mogelijk aan zich te binden, als ze merkentrouw beginnen te worden. Google heeft onderzoeksresultaten gepubliceerd van zijn project in het schooldistrict Hoover City in Alaska.

    Daar wil Google de leerlingen naar eigen zeggen ‘vaardigheden voor de toekomst’ bijbrengen. Chromebooks en Google-tools hebben volgens het bedrijf levens veranderd: ‘De leiding van het schooldistrict wil de leerlingen opleiden voor succes door ze de vaardigheden, kennis en gedragingen bij te brengen die ze nodig hebben om verantwoordelijke burgers in de wereldgemeenschap te worden.’

    Maar volgens Richard Freed wordt bij kinderen uit armere milieus te snel naar deze technologische middelen gegrepen. Hij constateert die kloof iedere dag opnieuw in zijn werk met aan technologie verslaafde kinderen van ouders met modale en lagere inkomens. ‘Veel kinderen in Antioch zitten op scholen die geen geld hebben voor naschoolse activiteiten’, zegt hij, ‘en een kinderoppas kunnen hun ouders niet betalen.’

    De kenniskloof over de gevaren van de nieuwe technologie is volgens hem enorm. Met tweehonderd andere psychologen heeft hij een open brief ondertekend waarin ze hun beroepsvereniging oproepen tot het veroordelen van de medewerking van psychologen aan persuasive design in apps gericht op kinderen. ‘Zodra die technologie eenmaal grip op een kind heeft, wordt het heel moeilijk het daar nog van te bevrijden’, zegt Freed.

  • Misselijk van voetbal

    Misselijk van voetbal

    De stoere Duitse verdediger Per Mertesacker, wereldkampioen in 2014 en tot voor kort aanvoerder van Arsenal, doet niet mee aan het komende WK. In mei hing hij na vijftien jaar profvoetbal zijn kicksen aan de wilgen. In een openhartig afscheidsinterview met Der Spiegel vertelt hij hoe meedogenloos de voetbalbusiness is.

    Vier à vijf seconden voor het fluitsignaal wordt hij iedere keer overvallen door acute misselijkheid. Als hij zijn positie op het veld heeft ingenomen, te midden van de brullende supporters. Hij weet dat hij nu weer alles moet geven, negentig minuten lang.

    De spanning, zegt hij, is dan bijna ondraaglijk. ‘Mijn maag draait zich om alsof ik moet overgeven. Ik moet dan één keer zo heftig slikken, dat de tranen me in de ogen springen.’ Hij draait zijn hoofd dan altijd opzij, met de kin naar de schouder, opdat niemand er iets van merkt: de tv-camera’s niet, de trainer niet, zijn medespelers niet. Zodat niemand ooit zal vragen wat er eigenlijk voor iedere wedstrijd met hem aan de hand is. Met Per Mertesacker, de rustige, soevereine, centrale verdediger.

    De wereldkampioen van 2014 en aanvoerder van Arsenal uit Londen zit in een Thais restaurant in het noorden van de stad. Het is een vrijdag in januari. Hij heeft het tafeltje online gereserveerd en per WhatsApp een screenshot gestuurd: 14.00 uur, twee personen, Mertesacker. ‘The big fucking German’ noemen ze hem hier in Engeland. Hoe passend die bijnaam is, laten we in het midden. Fucking big is hij zonder twijfel. Slechts één keer probeert hij zijn benen onder de tafel te vouwen.
    Per Mertesacker, 1 meter 99 lang, mager, draagt witte gymschoenen, jeans en een grijs sweatshirt. Hij bestelt spa blauw, kip met cashewnoten, geen koriander. Hij komt juist van de training.

    Diarree

    Veel aan de 33-jarige maakt een jongensachtige indruk: zijn lachen, de coolness waarmee hij achteroverleunt in zijn stoel, armen over elkaar. Of misschien wil hij nog een beetje afstand houden, voordat hij iemand dichterbij laat komen dan enige actieve voetballer van wereldklasse voor hem deed.

    In mei zet Mertesacker een punt achter zijn carrière, na 15 jaar profvoetbal, na 104 interlands, 221 wedstrijden in de Bundesliga, 155 in de Premier League en 83 in de Europa League.

    Hij is moe, uitgeput, zegt hij.

    Hij is kapot, zeggen de artsen.

    Maar Mertesacker wil er niet zomaar mee ophouden. Hij wil iets nalaten ‘voor de volgende generaties’, zegt hij.

    Dat moeten inkijkjes zijn in de meedogenloosheid van de voetbalbusiness. Hij wil afrekenen met valse veronderstellingen en in eigen persoon laten zien wat het betekent om met deze job te leven, die velen als een droombaan bestempelen: om de desastreuze druk te verdragen, om gevangen te zitten in een voortdurende dwang van training en wedstrijden spelen, en daarbij altijd alleen op je prestaties beoordeeld te worden.

    Altijd alleen maar de speler te zijn, nooit de mens in het shirt.

    Hij stelt een voorwaarde, en kijkt me strak aan. ‘Dit mag allemaal niet klagerig klinken, want natuurlijk besef ik wat een bevoorrecht leven ik heb.’ Dat er velen zijn die van zijn roem en zijn bankrekening dromen. En van wat daarmee samenhangt: villa’s, luxe auto’s, vakantie op de Seychellen, de Malediven, Mauritius. Hij wil er alleen aan toevoegen wat hij zelf veel te lang weggedrukt heeft. Dat deze gigantische voetbalbusiness niet alleen van het lichaam heel veel vergt.

    ‘De kwestie van die misselijkheid, het is voor het eerst dat ik daarover praat,’ zegt Mertesacker. Dat begint al in de nacht voor de wedstrijd. Clemens Fritz, met wie hij bij Werder Bremen een kamer deelde, had hem daar eens op attent gemaakt.

    ‘Hij vond dat hij altijd alles op alles moest zetten om eerder in slaap te vallen dan ik. Ik zou voor wedstrijden zo trillen met mijn rechtervoet, dat het hele dekbed ritselde. Daar zou hij gek van worden.’ Hemzelf was dat nooit opgevallen.

    En dan de diarree, op de ochtend van elke speeldag, terugblikkend dus op vijfhonderd dagen van zijn leven. Mertesacker richt zijn blik op zijn lange vingers, somt op: ‘Vanuit bed moet ik meteen naar het toilet, na het ontbijt naar het toilet, na het middageten weer naar het toilet, in het stadion nog eens naar het toilet.’ Al wat hij at moest er meteen weer uit.

    Zelfs met zijn vrouw, zijn familie, zijn vrienden heeft hij nooit over die misselijkheid gesproken. ‘Ik wilde dat niet dramatiseren. Het had geen effect op mijn prestaties.’

    Mertesacker pauzeert, denkt na. ‘Aan de andere kant deed ik als kind al alles alleen.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al

    Op zijn vierde stond hij voor het eerste op een voetbalveld. In Pattensen, Nedersaksen. Zijn vader Stefan was toen trainer van de dorpsvereniging. ‘Ik weet nog hoe ik met de andere jongetjes altijd voor de kleine bekers in de hal stond: O, kijk eens, misschien winnen we die, of die.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al. Al vroeg speelde hij mee met een hogere jaargang. ‘Altijd in de verdediging, altijd simpel, maar effectief. Zoals eigenlijk nog steeds.’

    Op zijn elfde ging hij naar Hannover 96. Dat hij het ooit zou schoppen ‘tot het hoogste niveau’, daar had hij nooit aan gedacht. ‘Ik wilde nooit profvoetballer worden. Voetbal was mijn hobby, en meer niet.’

    Zijn vader had meer in hem gezien, bleek toen Per vijftien was. Hij leed aan groeistoornissen, was te snel gegroeid, zijn botten moesten zich nog aanpassen. ‘Ik had zo’n pijn in mijn linkerknie dat ik een jaar lang niet kon trainen.’ Zijn vader zat er erg over in. ‘Jij redt het toch niet,’ had hij hem eens toegeroepen. ‘Maak jij eerst maar eens je school af, dan zien we verder,’ stelde zijn moeder hem gerust.

    Jij redt het toch niet. ‘In zekere zin heeft dat zinnetje me bevrijd,’ zegt Mertesacker nu. Want plotseling was de druk weg, die hij altijd had gevoeld.

    Toen hij na een jaar rust terugkeerde in de B-jeugd van 96, was er opeens de linie van vier verdedigers, met twee binnenspelers. Speel dat eens, had zijn trainer gezegd. Jij bent rustig aan de bal, en wint kopduels. Voor zijn toenmalige trainer werd hij al snel de ‘vuurtoren’ van het elftal. Na de jeugd kreeg hij een contract bij de amateurs. Hij moest maar een mobieltje kopen voor het geval ze hem nodig hadden bij de profs. ‘Dat was de eerste keer dat ik dacht: Wacht even, nu wordt het hier toch gevaarlijk,’ zegt Mertesacker.

    In 2003 tekende hij zijn eerste profcontract. Looptijd: twee jaar. Salaris: duizend euro per maand. Zijn vader vond dat hij eerst maar eens respect moest afdwingen. Op 1 november 2003 speelde hij zijn eerste wedstrijd in de Bundesliga tegen FC Köln als de jongste in Duitsland geboren speler van de Liga.

    Ongeveer twintig wedstrijden later rinkelde zijn mobieltje: Jürgen Klinsmann. ‘Hij wilde een frisse wind in het nationale elftal brengen, en mij een keer uitnodigen,’ herinnert Per Mertesacker zich. Hij lacht, schudt zijn hoofd. ‘Ik dacht alleen maar: Dat moet een 1-aprilgrap zijn.’


    Dan trekt hij een ernstig gezicht. Zijn geschiedenis tot dat moment heeft hij verteld als een entertainer, nu praat hij zachter, zoekt meer naar woorden.

    ‘Het ene hoogtepunt volgde op het andere. Bovendien was het toen al een moeilijke spagaat: ik heb m’n eindexamen gehaald, elke dag getraind en in de weekends gespeeld. Maar ik heb mezelf vaak aangemoedigd: niet nadenken, doorgaan, gewoon doorgaan.’

    Hij zwijgt even. ‘Want natuurlijk, op zeker moment besef je wel dat het allemaal behoorlijk zwaar is, lichamelijk en mentaal, dat je dat ook moet verwerken en ergens moet wegstoppen. Dat het helemaal niet meer om het plezier gaat, maar dat je moet presteren, zonder mitsen en maren. Zelfs als je geblesseerd bent.’

    Zijn eerste zware blessure had hij in 2005. Een overtreding in een interland, een schop tegen de achillespees. De blessure laten genezen was geen optie, voor Hannover 96 dreigde weer eens degradatie uit de Bundesliga, voor hemzelf ging het ook om een plaats in het nationale elftal.

    En dus speelde hij verder, een jaar lang, totdat zijn bot erdoor vervormd was. ‘Dat waren helse pijnen. Maar in dit werk moet je altijd bereid zijn je gezondheid op te offeren. Onder het motto: van lijden word je hard.’

    Het betaalde zich uit, Klinsmann riep hem op. ‘Het idee om erbij te zijn op het WK in eigen land, dat was een soort roes.’

    Per Mertesacker schuift zijn bord opzij, haalt een rood notitieboekje tevoorschijn. Hij bladert erin, zijn blik vliegt langs de trefwoorden die hij voor de ontmoeting met Der Spiegel genoteerd heeft. ‘Natuurlijk was ik ook teleurgesteld toen we tegen Italië in de halve finale uitgeschakeld werden, maar ik was vooral opgelucht. Ik weet het nog goed, alsof het gisteren was. Ik dacht alleen maar: Het is voorbij, het is voorbij. Eindelijk is het voorbij.’

    ‘Had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Zelfs één enkele wedstrijd had hij niet meer kunnen spelen, vanwege zijn hiel. ‘De spanning vrat me op. Dat voortdurende horrorscenario dat je een fout maakt, waaruit een doelpunt ontstaat.’ Hij zwijgt een moment. ‘Die angst heb je ook bij andere wedstrijden, dat je steeds weer naar de klok op het scorebord kijkt, de minuten aftelt. Maar bij het wereldkampioenschap was het onmenselijk.’ Mertesacker speelt gedachteloos met zijn servet. Rolt hem op, en weer uit, op, en uit. ‘Maar had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Voetbal is de lievelingssport van de Duitsers, de voetbalprofs zijn zoiets als nationaal bezit. Zelfs als hij na de wedstrijd volledig opgebrand was, gold: de mensen hebben recht op je, Per. Hij weet niet meer hoe vaak hij dat zinnetje heeft gehoord. Op momenten waarop hij alleen maar weg wilde, met niemand wilde praten.

    Hij keert terug naar zijn notities. Na het Wereldkampioenschap van 2006 moest zijn hielbeen in de oorspronkelijke vorm worden teruggeschaafd. Hij koos een revalidatiekliniek in Donaustauf bij het Beierse Woud. ‘Ik wilde zo ver mogelijk weg van de voetballerij, van de club, van de stadions.’ Opnieuw laat hij een stilte vallen, kiest zijn woorden zorgvuldiger. ‘Iedereen denkt dat het een drama is om uit te vallen met een blessure. Dat is niet zo. Want het is de enige manier om een gelegitimeerde time-out te krijgen, even weg uit de mallemolen.’

    De mallemolen. Altijd dezelfde opeenvolging van sponsorverplichtingen, trainingen en wedstrijden, week in week uit. De dagelijkse metingen ondergaan: hoeveel heeft hij gelopen? Hoe snel? Hoe hoog gesprongen? ‘En het interesseert feitelijk geen hond of je tien goede wedstrijden hebt gespeeld. Altijd is de laatste wedstrijd de enige die telt.’

    Voetbal is een spel waarbij liefde en haat elkaar afwisselen. ‘Als de supporters je bejubelen is dat onbeschrijfelijk. Fluiten ze je uit, ai, dan ga ik door de grond van schaamte.’

    In zijn tijd als profvoetballer ging zijn lichaam minstens een keer per jaar in staking, zegt hij. Na het seizoen 2007/2008 stond hij na drie weken weer op het veld, hij had het EK nog gespeeld. ‘Ik kwam bij de eerste training heel normaal aanlopen, toen ik een knik in mijn knie voelde. Ik viel en kon mijn knie niet meer bewegen. Gescheurde meniscus. Zomaar ineens. Peng.’ Hij klakt met zijn tong.


    © Getty
    © Getty

    Lang heeft hij zich afgevraagd waarom dat gebeurde. ‘Het antwoord is simpel: ik zat er doorheen, volledig. Mijn lichaam was niet klaar voor een nieuwe inspanning.’ Hij speelt met het leeslint van zijn notitieboekje. ‘Als ik niet meer kon, was ik geblesseerd. Zo was het altijd. Ik durf zelfs te beweren dat veel terugkerende blessures een psychische oorzaak hebben. Dat het lichaam de ziel daarmee rust bezorgt. Maar niemand vraagt daarnaar.’

    Zeven weken lang valt hij uit met zijn gescheurde meniscus, hij herstelt weer in Donaustauf. In de kliniek leert hij zijn huidige vrouw Ulrike Stange kennen. Van die relatie heeft hij enorm geprofiteerd, zegt Mertesacker. Zij is een voormalige handbalster van het nationale team, kent de druk, de verwachtingen. Het lange wakker liggen ’s nachts. Na avondwedstrijden kwam hij voor vijf uur niet in slaap. ‘Dan sta je de volgende dag volkomen uitgewoond op het trainingsveld.’

    Zijn vrouw toont tot op heden stilzwijgend begrip als hij, zoals in januari 2012, drie dagen lang ziek in bed ligt omdat hij weer eens overbelast is, en alleen maar wacht tot dat gevoel weggaat. Welk gevoel? ‘Nou ja, de uitputting, die totale uitputting.’

    Na zijn transfer van Hannover 96 naar Bremen in 2006 treft hij in de kleedkamer voor het eerst een psycholoog aan. Hij werd zo aan hem voorgesteld: als je eens iets hebt, dan kun je er altijd met hem over praten.

    Hij heeft geen gebruikgemaakt van het aanbod. ‘Als hij ons aansprak reageerde iedereen altijd in de trant van: ik heb niks, met mij gaat het goed. Blijf uit mijn buurt, ik wil niet met je praten.’ Mertesacker trekt met zijn mes lijnen in de stof van zijn servet, haalt zijn schouders op. ‘Je wilt toch ook niet dat de anderen in het team denken dat je een probleem hebt. Dat topsport misschien toch niets voor jou is.’ Op het veld zijn ze een elftal, maar uiteindelijk staan ze er allemaal alleen voor; de een wat gevoeliger dan de ander. ‘In de kleedkamer dol je wat met elkaar, met twee of drie anderen heb je misschien meer contact. Maar dat was het ook wel. Niemand laat het achterste van zijn tong zien en zegt hoe hij zich voelt.’ Maar op wedstrijddagen liepen ze allemaal naar de wc.
    Pas bij Arsenal ging hij in gesprek met een psycholoog. Die werd hem aangeprezen als een coach die hem nog duidelijker zou maken wat zijn taken als centrale verdediger waren. Het gaf hem ‘meer zelfvertrouwen’, zegt Mertesacker. Wat de stress met hem deed, hoe hij zich in bepaalde situaties voelde, daar vroeg de psycholoog nooit naar.

    Zelfmoord Robert Enke

    Hoezeer zwakheden en ziekte in het voetbal weggestopt worden, heeft vooral de dood van Robert Enke in 2009 aan het licht gebracht. Als hij spreekt over de zelfmoord van zijn vriend, destijds doelman bij Hannover 96, wellen er tranen in de ogen van Per Mertesacker. ‘Zelfs ik heb er niets van meegekregen hoe slecht het met hem ging. Dat zegt wel iets, nietwaar?’

    Foto’s van Enkes rouwplechtigheid laten een huilende Mertesacker zien. ‘Ik stond op het punt het bijltje erbij neer te gooien. Vooral omdat een week later alles weer als vanouds was.’ Het gepraat over meer menselijkheid in het voetbal, het waren alleen maar mooie woorden.

    Waarom hij dan toch was blijven spelen? De euforie na overwinningen, dat is nergens mee te vergelijken. De goede feedback van zijn trainer. De liefde voor het spel. Het deel uitmaken van een team. De mensen, vooral de kinderen, voor wie je een idool bent. De nieuwe uitdagingen, die ook steeds weer voor nieuwe motivatie zorgden; en ten slotte het aanbod van Arsenal uit Londen, de wereldclub, waarvoor hij altijd al had willen spelen.

    Ook het salaris was natuurlijk altijd een argument, ‘idioot veel geld’, zoals hij zegt. ‘Toch zou ik nooit zeggen dat ik persoonlijk overbetaald werd, of word. Ik weet wat ik daarvoor gepresteerd heb, wat die belasting met mij gedaan heeft.’

    Wat hij daarvoor heeft opgegeven – zijn jeugd, zijn privéleven, zijn vrijheid. ‘Maar nogmaals: ik stel het alleen maar vast. Ik heb er zelf voor gekozen, niemand heeft me ertoe gedwongen.’

    Vrienden zijn voor Per Mertesacker de mensen die hij kende voor hij de stervoetballer werd. Voormalige klasgenoten, jongens met wie hij als tiener bij Hannover 96 gespeeld heeft. Die het niet gehaald hebben, ook omdat ze niet om konden gaan met de druk.

    In mei speelt Per Mertesacker zijn afscheidswedstrijd. ‘En dan zal ik als dertigplusser voor het eerst van mijn leven vrij zijn,’ zegt hij. Na drie maanden rust zal hij in de zomer de jongerenopleiding van Arsenal gaan leiden. Hij heeft grote plannen. ‘Ik wil het systeem aanvallen. Wij zijn verantwoordelijk voor de jongeren die naar ons toekomen. Die mogen niet alles op de voetbalkaart zetten, en de school verwaarlozen. Tenslotte wordt maar 1 procent van hen prof. En van de 99 procent die overblijft is dan 60 procent langdurig werkloos.’

    Hij wil ook de blik van de jongeren scherpen. Dat het maar kleine splintertjes van de realiteit zijn die sommige spelers op Twitter, Instagram en Facebook posten. Dat de grote koptelefoons en donkere zonnebrillen niet zozeer coole accessoires zijn, maar bescherming tegen de buitenwereld.
Er zijn vele uren verstreken als Per Mertesacker zijn notitieboekje dichtslaat. Hij leunt achteruit in zijn stoel, strekt zijn lange benen uit. Hij had totaal geen idee waar hij aan begon toen hij prof werd, zegt hij. ‘Maar zelfs als ik voor iedere wedstrijd moest braken en twintig keer moest revalideren, zou ik het zo weer doen.’

    In 2014 voor Duitsland de wereldtitel pakken, en in Wembley staan als vijftigduizend man voor Arsenal juichen – ‘Voor die herinneringen was het het allemaal waard.’

    Auteur: Antje Windmann
    Vertaler: Piet Meeuse

    Openingsbeeld: © Hollandse Hoogte

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 840.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat tal van politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • 3. Netflix bedreigt de filmgeschiedenis

    3. Netflix bedreigt de filmgeschiedenis

    Het blad Newsweek zocht uit hoeveel oude filmklassiekers er op Netflix staan. Conclusie: bijna geen. Jammer, want zo zien jongere kijkers nooit meer films uit de oude doos.

    Netflix biedt geen enkele film uit 1960 op zijn platform aan. Toch een jaar dat rijk was aan meesterwerken: Psycho van Alfred Hitchcock, Tortilla Flat van Billy Wilder, Spartacus van Stanley Kubrick, Peeping Tom van Michael Powell… ‘Sterker nog, er is geen enkele Hitchock-film op Netflix te vinden. En ook geen klassieker van Sergio Leone of François Truffaut’, constateert Newsweek treurig. Het Amerikaanse blad kamde onlangs de catalogus van de streaminggigant uit. Het oordeel was vernietigend: ‘Het aanbod van klassieke films van Netflix is abominabel en lijkt met het jaar kleiner te worden. Er zijn maar 43 films van vóór 1970 beschikbaar, en minder dan 25 van vóór 1950 (waaronder veel documentaires die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt). Het is een catalogus die past bij een derderangsvideoclub uit de jaren negentig, niet wat je zou verwachten van een platform met wereldwijd honderd miljoen abonnees.’

    Dat is niet altijd zo geweest. Netflix, dat in 1997 werd gelanceerd, bood in zijn beginjaren online dvd’s te koop en te huur aan. In 2007 begon het bedrijf van Reed Hastings met streaming. Aanvankelijk bleef het zijn cinefiele oorsprong trouw met een uitgelezen filmselectie. Daarna, in 2010, werd de keus beperkter. ‘Het was een zware slag toen Netflix alle films uit zijn catalogus begon te weren die elders op dvd verkrijgbaar waren, met de bedoeling zijn abonnees tot het streamingmodel te bekeren,’ zegt Stephen Prince, filmdocent aan de Universiteit van Virginia, tegen Newsweek. ‘Nu zien we het gevaar van die ommezwaai: het accent wordt gelegd op grote hedendaagse publieksfilms, ten koste van de filmgeschiedenis.’

    Netflix heeft aangekondigd in 2018 tachtig films te willen produceren, tegen vijftig in 2017

    ‘Wat niet via streaming beschikbaar is bestaat gewoon niet meer,’ constateert Prince, die studenten tot zijn ontsteltenis hoort vragen waarom Cold Sweat niet op YouTube kan worden bekeken. De door Netflix gebruikte aanbevelingslogaritmen zorgen ervoor dat oude films of films uit Hollywood, die steeds minder talrijk worden, steeds minder te zien zijn. Bovendien raken die steeds meer overspoeld door eigen Netflix-producties, die niet in een bioscoopzaal te zien zijn maar uitsluitend online: Netflix heeft aangekondigd in 2018 tachtig films te willen produceren, tegen vijftig in 2017. En dankzij een jaarbudget van acht miljard dollar voor de ontwikkeling van eigen producties (zowel films als televisieseries) weet het platform grote namen aan te trekken: Angelina Jolie, Bong Joon-ho, Ava DuVernay, Martin Scorcese…

    Laten we niet overdrijven: Netflix betekent niet de dood van de filmindustrie. Maar wat het bedrijf langzaam maar zeker kapotmaakt, is een ervaring, een onderdompeling. De film die je in een donkere zaal op een groot scherm bekeek, in onbekend gezelschap. Films uit de oude doos, kortom.

    Als bewijs voert Newsweek de beslissing aan die het platform afgelopen mei nam om zijn abonnees in de gelegenheid te stellen bij bepaalde titels de intro’s en aftiteling over te slaan. Begin dit jaar had het deze mogelijkheid al voor zijn series geschapen, waar iets voor te zeggen valt als je meerdere afleveringen van een serie achter elkaar kijkt. Maar voor cinefielen zijn intro en aftiteling heilig. ‘Voor getalenteerde filmmakers is het vaak een manier om hun inventiviteit te laten zien’, constateert Newsweek.

    Met Oscars heeft Netflix nog niet veel geluk: alleen de korte documentaire The White Helmets leverde dit jaar een felbegeerd beeldje op.

  • 6. De apen die we zullen worden

    6. De apen die we zullen worden

    De hervorming van het schoolprogramma door de regering-Erdogan voorziet in meer godsdienstlessen, afschaffing van lessen over de evolutietheorie en minder aandacht voor de daden van Atatürk.

    Neem het ministerie van Onderwijs en maak er het ministerie van Islamitisch Onderwijs van. Verwijder iedere verwijzing naar de republiek uit de schoolboeken en herschrijf de geschiedenis van het moderne Turkije van A tot Z. Doof het revolutionaire vuur en neem wraak door de Ottomaanse ster te laten stralen. Steek de loftrompet over de sultans en hemel het kalifaat op. Doe natuurwetenschap en filosofie in de ban, opdat onze kinderen nooit zullen twijfelen, redeneren of vragen stellen. Opdat zij gelovig en gehoorzaam zijn. Opdat zij de deugden van het dogma kennen en niet van de rede. Opdat zij atheïsme gelijkstellen aan satanisme en ongelovigen voor dolende geesten houden. Praat onophoudelijk over de islam en zijn profeet. Bereid hen voor op de jihad en misleid hen door middel van gebed. Laat hen de vlammen van de hel vrezen en verlangen naar de beloften van het paradijs.

    Pas dan zal geen kind de vlakte van Cilicië meer verlaten om zich vol hoop in de stad te vestigen, zoals destijds de romanschrijver Yasar Kemal. Pas dan zal het nooit journalist willen worden, of schrijver, of kunstenaar, of een geëngageerd filosoof, een vrije geest die verankerd is in zijn tijd. Pas dan zal geen enkel kind zich meer laven aan deze sfeer en de Turkse taal op een dag verrijken met de mooiste teksten en de mooiste heldendichten. Pas dan zal een schrijfster als Latif Tekin nooit meer het licht zien. Pas dan zal niemand meer vertellen zoals zij, door zich op haar eigen wortels te storten met haar anarchistische verhalen die zelfs schitterend en magisch zijn wanneer ze over armoede gaan. Pas dan zal geen enkel kind zo’n jeugd meer hebben dat het een nieuwe Nuri Bilge Ceylan wordt, die vele buitenlandse prijzen heeft gekregen voor zijn films die zijn gewijd aan het ‘mooie en eenzame’ land dat Turkije is. Geen schrijver als Aziz Nesin, geen dichter als Nazim Hikmet, geen journalist als Ugur Mumcu, geen pianist als Fazil Say.

    De Fatih-universiteit in Istanboel. De universiteit is opgericht door de Gülen-beweging, die in tegenstelling tot Erdogans AKP de wetenschap hoog in het vaandel heeft staan. – © Monique Jaques / Corbis via Getty
    De Fatih-universiteit in Istanboel. De universiteit is opgericht door de Gülen-beweging, die in tegenstelling tot Erdogans AKP de wetenschap hoog in het vaandel heeft staan. – © Monique Jaques / Corbis via Getty

    Denk maar niet dat er een nieuwe Asli Erdogan zal opstaan of een nieuwe Kücük Iskender. Vergeet cartoonisten als Oguz Aral of Yigit Özgür, actrices als Gonca Vuslateri, vrouwelijke rockers als Sebnem Ferah. Vaarwel gemengde rockgroepen. Vaarwel vrouwelijke atleten die volgens internationale normen zijn gekleed. Opdat kunstacademiestudenten blozen bij het zien van hun modellen en onze kinderen, afgestompt door de school, niet eens meer in staat zijn zich een progressieve toekomst voor te stellen, zelfs als geen wet dat verbiedt. Als het zo doorgaat zullen onze kinderen een totaal andere jeugd hebben dan wijzelf. Wij zijn groot geworden met het beeld van de kleine Mustafa Kemal Atatürk met zijn hemelsblauwe ogen die de kraaien achterna zat in een veld. Maar we hebben ook kritisch genoeg leren denken om sarcastisch te doen over dit naïeve pastorale tafereel.

    De machthebbers proberen de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd in het keurslijf van hun eigen overtuigingen te dwingen. Voor rede en zelfvertrouwen is geen plaats meer, aan persoonlijke voorkeuren en een kritische geest wordt geen ruimte meer geboden. Onze kinderen zijn als vogels in een kooi, gedoemd om een beperkt repertoire te zingen en met hun vleugels te slaan zonder dat ze ooit een vrije vlucht wordt gegund. Als we de nieuwe schoolprogramma’s mogen geloven, stammen we niet af van de aap. Maar dat we er een dreigen te worden is wel zeker!

    Auteur: Mine Söğüt
    Vertaler: Peter Bergsma