Zo’n zevenduizend mensen zijn het eiland al ontvlucht
Op het toeristeneiland in de Cycladen-archipel in de Egeïsche Zee zijn de afgelopen drie dagen zo’n 550 bevingen geregistreerd, die hebben geleid tot een massale uittocht van de bevolking. Bewoners maken zich steeds meer zorgen over dit ongekende fenomeen, meldt de Engelstalige Griekse website eKathiremini. Om het grote aantal mensen dat vertrekt op te vangen, zetten de transportbedrijven die het eiland bedienen extra vluchten en veerdiensten in, zo melden de Griekse media.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Wetenschappers hebben gewaarschuwd dat deze ongewone seismische activiteit, die eind januari begon en sinds zaterdag is toegenomen, weken kan aanhouden. De huidige bevingen zijn het gevolg van tektonische activiteit, niet van vulkanische activiteit, aldus de autoriteiten.
Op Bozcaada, een eiland in het noordoosten van de Egeïsche Zee, verbouwden Turken druiven die door Grieken geoogst werden. Die saamhorigheid dreigt verloren te gaan onder invloed van het toerisme, schrijft de kleindochter van een oorspronkelijke bewoner.
De laatste veerboot van de dag vertrekt uit de haven van het stadje Geyikli. Sommige passagiers zijn deze aprilavond op het nippertje aan boord gegaan, onderweg naar hun huis op het eiland Bozcaada. Met iedere kilometer die we dichterbij komen, tekent het silhouet aan de horizon zich duidelijker af. Eerst zie je het hoogste punt, de Göztepe-heuvel, dan het machtige fort, waar vóór de Ottomanen al Perzen, Romeinen, Byzantijnen, Genuezen en Venetianen hebben geregeerd, en even later kijk je uit over de huisjes, die achter de haven met de vissersboten oplichten in het roze licht van de ondergaande zon.
Mijn opa moet twaalf zijn geweest toen hij voor het eerst op het eiland kwam. Het was begin jaren zestig. Veerboten waren er nog niet. Een kapitein die op het eiland woonde voer de lokale bevolking met zijn motorboot in weer en wind heen en weer tussen hun huis en het vasteland. Op dit kleine Turkse eiland in het noordoosten van de Egeïsche Zee, 7 kilometer van het vasteland van de provincie Çanakkale, zag je haast nooit vreemdelingen.
Denemarken
De exquise eentonigheid van het bestaan
Een groot aantal Denen heeft moeite om Omo aan te wijzen op de kaart. Dit eiland van 4,5 vierkante kilometer, dat 152 inwoners telt, ligt in het zuidwesten van Seeland, de regio waartoe ook Kopenhagen behoort. Het kost vijftig minuten varen om er te komen, een tocht die journalist Alexander Vissing van dagblad Politiken onderneemt om vroegere buren te bezoeken die uit de hoofdstad zijn vertrokken. Na hun pensionering zijn Hannah en Steffen Glismann ‘gevallen voor de charme van Omo, net als ik’, bekent Vissing.
Op zoek naar een rustiger leven raakte het stel op slag verliefd op een huis dat samen met een klein café-restaurant, Loen genaamd, te koop stond. Zodoende zijn ze nu horecaondernemers. Wat bevalt deze ex-arts en zijn vrouw hier zo goed? ‘De gastvrijheid, de onderlinge betrokkenheid en de hulpvaardigheid.’ En zoals een toevallig passerende buurman opmerkt: ‘Hier maak je niets mee, want er gebeurt niets. Je bereikt gewoon een staat van weldadige rust.’
Tegenwoordig is dat wel anders. Sinds het eiland via Instagram bekendheid heeft gekregen als een ver van het massatoerisme gelegen vakantiebestemming, waar je aan ongerepte turquoise baaien je verlangen naar rust en vrijheid kunt stillen, wil opeens iedereen naar Bozcaada. Wat mijn opa ervan zou hebben gevonden? Ik kan het hem niet meer vragen. Zijn vader stuurde hem er ooit naartoe omdat hij een lastig ventje was en bij zijn familie daar wel tot inkeer zou komen. Van de schoonheid van het eiland is hij zich altijd bewust gebleven en daar had hij alle reden toe: Bozcaada is een stukje grond van nog geen 37 vierkante kilometer, niet ver van de Dardanellen, grotendeels bedekt met wijngaarden, omringd door de zee en tegelijkertijd een plek van mythen en sagen. Vanaf de Göztepe kun je in noordoostelijke richting op het vasteland vaag de heuvel Hisarlık zien liggen – de plaats waar ooit Troje zou hebben gelegen. Volgens Homerus verstopten de Griekse krijgers zich op Tenedos – de mythologische, Griekse naam van het eiland – nadat ze het houten paard voor de poorten van Troje hadden neergezet. Als de Trojaanse oorlog ooit heeft plaatsgevonden, moet je hiervandaan hebben kunnen zien hoe de stad tot de grond toe afbrandde.
Christenen en moslims
Zoals altijd als ik op Bozcaada ben, slenter ik door de steegjes in het centrum van het eiland, beklim ik de talloze trappen en laat ik mijn blik over het stadje dwalen. Tussen de huizen verrijzen aan de ene kant twee minaretten en aan de andere kant een kerktoren. Al honderden jaren wonen christenen en moslims hier bijeen. Dat is bijzonder, omdat Grieks-orthodoxe mensen die woonachtig waren op het grondgebied dat nu Turks is, na de Grieks-Turkse Oorlog gedwongen werden te verhuizen, net zoals de moslims die in Griekenland woonden. Na 1923 werden meer dan 1,6 miljoen mensen van hun geboortegrond verdreven. Slechts een paar steden bleef deze zogeheten bevolkingsuitwisseling bespaard, waaronder Bozcaada, dat bij het Verdrag van Lausanne aan Turkije werd toegewezen.
Als je wilt kun je hier de kunst van het onthaasten leren
Hier bleven de twee bevolkingsgroepen dus naast elkaar leven, al zijn er op het eiland nog maar weinig christenen. Op het grote plein in het centrum, waar jong en oud onder de grote plataan koffie drinkt en een praatje maakt, hoor je overwegend Turks met af en toe een Griekse zin ertussen. Als je wilt kun je hier de kunst van het onthaasten leren. ‘Er is hier eigenlijk niemand die snel loopt,’ zegt Günay Yurdakul lachend. En de paar bewoners die dat wel doen, staan daar op het hele eiland om bekend.
Yurdakul is wijnboer. Op Bozcaada worden al drieduizend jaar druiven verbouwd. Toen moslims en christenen wel naast elkaar woonden maar toch veelal onder elkaar bleven, was wijn de verbindende factor. In die tijd waren het de Turken die de druiven verbouwden en oogstten en de Grieken die er wijn van maakten. Die arbeidsdeling was een ongeschreven wet, waarmee Haşim Yunatcı in 1925 brak toen hij het bedrijf van een Griekse wijnproducent opkocht en de eerste Turkse wijnmaker op het eiland werd.
Mijn opa zat in de jaren zestig met Yunatcı’s achterkleinzoon op school. Alles wat ik over de jeugd van mijn opa weet, heb ik van Haşim amca: oom Haşim. Op lange zomeravonden, onder het genot van vele glazen wijn, vertelde hij me niet alleen hoe het er vroeger op het eiland toeging, maar ook hoe ze af en toe een fles wijn uit de fabriek achteroverdrukten en zich stiekem bedronken op de vestingmuur. In de afgelopen twaalf jaar heb ik niet alleen het eiland, maar ook mijn grootvader, die ik al jong verloor, opnieuw leren kennen. Zijn eiland werd ook het mijne.
Ook Haşim amca leeft niet meer. Maar Çamlıbağ, zijn levenswerk, is nog altijd een kleine wijnmakerij, die vijf generaties later door de 33-jarige Yurdakul draaiende wordt gehouden. Ik zoek hem op in de fabriek, waar hij wijn aan het bottelen is. In de nazomer, na de oogst, trekt de zoetzure geur van geperste druiven door de steegjes. Wat Bozcaada tot wijneiland maakt? ‘Gods geschenk,’ zegt Yurdakul eerst. Dan legt hij uit dat de bodem en het klimaat op het eiland buitengewoon geschikt zijn voor de wijnbouw. Ook Tenes, een kleinzoon van Poseidon en de man die het eiland Tenedos zijn naam gaf, moet zich dat gerealiseerd hebben toen hij – zoals het verhaal wil – de eerste Kuntra-stokken op het eiland plantte. Kuntra is de oudste lokale druivensoort van Bozcaada en Yurdakuls favoriet. Hij maakt er een rode wijn van die nergens anders bestaat. De wind, die hier eigenlijk altijd waait, noemt hij een zegen omdat deze de wijnstokken beschermt tegen ziektes.
Noordenwind
Poyraz, de noordenwind, heeft het hier meestal voor het zeggen. Verkiest hij te razen, dan blijft de veerboot in de haven. Je hebt dan maar te accepteren dat je de overtocht naar je werk, de universiteit of de dokter kunt vergeten. Wie hier woont heeft de wind tot vriend gemaakt en laat zich er graag door in slaap sussen.
De reis
Heenreis
Vlucht naar Istanbul of Izmir. Vandaar per bus of huurauto naar de haven van Geyikli, Çanakkale (+/- 4 uur). Overtocht per veerboot naar Bozcaada (+/- 30 min).
Overnachten
Aliki, klein en schappelijk geprijsd familiepension in de Griekse wijk. Boekingen per e-mail: aliki@hotmail.com.tr
Wijn
Wijnproeverij van Çamlıbağ-wijnen in Tenedion Winehouse in het centrum.
Yurdakul neemt me mee naar de plaats waar hij het liefst is: de wijngaarden buiten het centrum van het eiland. Vanaf de helling werpt hij een blik op de zee en zegt: ‘Onze wijn kan alleen maar groeien en bloeien vanwege dit prachtige uitzicht.’ Behoud van de wijncultuur op Bozcaada vindt hij belangrijk, ook al loont het werk waar hij zijn ziel en zaligheid in legt al lang niet meer. Veel eigenaren verkopen daarom hun wijngaarden en openen in plaats daarvan een hotel waarmee ze in twee zomermaanden zo veel verdienen dat ze er de rest van het jaar van kunnen leven. ‘Door het toerisme zijn de mensen luier geworden,’ zegt Yurdakul.
‘Het eiland is een drug, het is moeilijk om ervan af te komen’
Ooit was Bozcaada onder kampeerders en natuurliefhebbers een tip voor insiders. Ze hebben niet veel nodig, geen drukte, geen feesten. Maar sinds een paar jaar neemt het toerisme op het eiland steeds meer toe. In het hoogseizoen, juli en augustus, komen er boven op de drieduizend inwoners algauw vijftienduizend vakantiegangers. Te veel voor dit kleine eiland. Omdat het al lang mijn tweede thuis is, vrees ik voor Bozcaada. Ik vrees voor de druk die het veel te grote aantal toeristen op het eiland legt. Ik kom jonge eilandbewoners tegen die me vertellen dat hier wonen vaak minder eenvoudig is dan wordt gedacht. Dat het ook rauw en eenzaam kan zijn. Dat mensen het huis dat al eeuwen in de familie is, moeten verkopen omdat het leven op het eiland steeds duurder wordt; die huizen worden dan meestal omgebouwd tot hotels. Ze vertellen dat steeds meer jonge mensen wegtrekken en alleen nog ’s zomers terugkomen. Een vriendin die nog niet zover is, zei: ‘Het eiland is een drug, het is moeilijk om ervan af te komen.’
Het eiland is ook bezig een deel van zijn identiteit te verliezen. Er wonen nog maar zo’n vijftien Grieks-orthodoxen. Toch opent de Papaz – zoals een priester hier heet – elke zondagochtend de kerkdeuren en roept hij de mensen op voor het gebed. Soms komt er niemand, maar hij is er altijd. Een van deze laatst overgeblevenen is Dimitri Mukata. In zijn tuin aan de oostkust van het eiland steekt hij een sigaret op. ‘Ik ben hier op mijn zeventiende weggegaan,’ zegt hij. Dat was midden jaren zeventig. In die tijd veranderde er iets op het eiland. Het conflict tussen Turken en Grieken op Cyprus bereikte ook Bozcaada. ‘In de taverne van Vasil, waar Turken en Rum altijd bij elkaar zaten, werden we door sommige mensen opeens niet meer gegroet.’
Rum
Rum is de Turkse benaming voor Grieks-orthodoxen die in Turkije wonen. Ze beschouwen zich niet echt als Grieken in de huidige betekenis van het woord. Ze spreken Grieks, maar ze komen niet uit het huidige Griekenland en hebben altijd al hier gewoond. Na 1974 – ‘vanwege Cyprus’, zoals Mukata zegt – zijn veel gezinnen naar Griekenland geëmigreerd.
Duitsland
‘Het is hier geen Disneyland’
Op Norderney heeft iedereen de mond vol van het plan voor een vijfsterrenhotel dat ‘alleen nog maar meer klanten met kapsones zal trekken’. Volgens weekblad Der Spiegel probeert dit Oost-Friese Waddeneiland in het noordwesten van Duitsland om niet in dezelfde val te lopen als Sylt, het eiland voor ultrarijken. ‘Het begon allemaal met een ontmoeting, een verhaal even oud als de wereld zelf.’ In de jaren zestig van de vorige eeuw vestigde de jonge architect Ewald Brune zich om amoureuze redenen op Norderney en renoveerde hij samen met zijn echtgenote Birgit het oude hotel Haus am Meer tot ‘een verbazingwekkende chique gelegenheid’.
Sindsdien zijn er nog ‘decadentere’ oorden verrezen, die zich richten op een welvarende stedelijke clientèle. In 2020 heeft de plaatselijke toeristensector besloten paal en perk te stellen aan deze ontwikkeling. ‘Het is hier geen Disneyland, we willen geen hordes toeristen ten koste van de plaatselijke bevolking.’ Maar het plan voor een luxehotel, gedreven door de familie Brune, zou de kaarten weleens opnieuw kunnen schudden. De verwachte opening is in 2027.
Mukata kwam pas in 2011 terug naar het eiland. Hij heeft het tweehonderd jaar oude familiehuis omgebouwd tot pension, maar het ziet er nog steeds uit als zíjn huis. Naast de toegangsdeur hangt een geschilderd portret van zijn ouders en daarnaast een van hemzelf. Daartussenin hangt een schoenlepel.
Mijn opa moest na zijn schooltijd afscheid nemen van Bozcaada en is er, in tegenstelling tot Mukata, nooit meer teruggekomen. Maar het verlangen naar zijn eiland heeft hij altijd met zich meegedragen. Of hij het eiland nog zou herkennen? Zeker weten. En ondanks alle veranderingen zou hij er nog steeds van houden, maar vermoedelijk zou hij ook zeggen: vroeger was het nog mooier.
De op het Kroatische eiland Vis woonachtige Senko Karuza is niet alleen schrijver en dichter, maar ook landbouwer, visser en restauranteigenaar. Hij staat stil bij het lot van de eilandbewoner en de tegenstrijdigheden van overmatig toerisme in de Adriatische Zee.
In zijn laatste dichtbundel, waarvan de titel in vertaling ‘Verdwijnen’ luidt en die bekroond is met de Kroatische poëzieprijs 2023, spreekt Senko Karuza over een man die door elkaar wordt geschud door de rukwinden en de sirocco die het eiland teisteren, een man die gekozen heeft voor een leven ver van de andere mensen, die hij vreselijk mist, een man die ‘droomt van een wereld die niets te maken heeft met die welke hem omringt’ en die gelooft in wat niet bestaat, in de hoop degene te worden die hij altijd heeft willen zijn.
Toch is ‘Verdwijnen’ geen nieuwe ‘Eilandgids’, zoals de titel van een van zijn vorige werken luidt. In deze bundel komt evenveel land voor als zee, is er sprake van vreemde steden en landen, van bekende en onbekende ervaringen, van universele emoties en momenten die niets te maken hebben met het landschap van de Middellandse Zee.
Waarom bent u vanuit Zagreb teruggekomen naar Vis, dat zo afgelegen is en zo slecht verbonden? Wat brengt een eiland een mens, en waar berooft het hem van?
Ik ben bij toeval teruggekomen, zonder een groot plan. Het was niet omdat ik teleurgesteld was in de stad, en zeker niet omdat ik een bijzondere fascinatie voor het eilandleven zou hebben. Ook nu heb ik af en toe het idee dat ik naar het eiland ben gekomen om vakantie te vieren, een wat langere vakantie, en dat het zo langzamerhand tijd wordt om weer naar huis te gaan. En daarna realiseer ik me dat ik mijn hele leven maar in twee huizen heb gewoond en dat die allebei bij me horen, het een niet meer dan het ander. Wat dat afgelegene en dat gebrek aan verbinding betreft, ik heb de indruk dat het continent slecht verbonden is met mijn eiland en niet andersom. Het vasteland is een wereld die van ons afgezonderd is en ook de mensen op het vasteland hebben ongetwijfeld moeite met hun isolement. Zo bezien is ons op een merkwaardige manier hetzelfde lot beschoren.
In hoeverre is het vredige en solitaire leven op het eiland Vis beïnvloed door corona?
Als ik zou zeggen dat ik in mijn baai en op mijn afgelegen eiland corona niet zo heb beleefd als andere mensen, omdat ik tot een geïsoleerd bestaan ben veroordeeld, dan zou ik liegen alsof het gedrukt stond, waarschijnlijk om te benadrukken hoe anders ik ben. Dat is typerend voor eilandbewoners, omdat ze zich nogal onzichtbaar en ver van alles verwijderd voelen, een pijnlijke gewaarwording die tot illusies en mythevorming leidt.
Verenigde Staten
Zandbank bij springtij
‘De mensen blijven maar komen. Eerst waren we de enigen, nu zijn we met meer dan twintig’, berekent de journalist van de lokale nieuwswebsite SFGate. Op 350 meter van de aanlegsteiger, in de Baai van San Francisco, laat het springtij enkele keren per jaar een smalle zandbank ontstaan. ‘Daar organiseren we dan een feest. We maken een vuur, we drinken wat. Niemand weet precies wat er komen gaat. En als na drie uur duidelijk wordt dat het water stijgt en dat het kortstondige eiland slinkt, gaat iedereen weer op huis aan, met zijn boot of zijn kajak.’
De onzekerheden die met de pandemie gepaard gingen, joegen mij evenveel angst aan als andere mensen. Misschien was mijn angst nog wel groter vanwege het enorme aantal vastelanders dat het eiland overspoelde omdat ze zich, ver van de rest van de wereld, beschermd waanden tegen de ziekte. Daarmee hebben ze de ziekte naar ons overgebracht, maar die zou ons toch wel op de een of andere manier hebben weten te vinden.
Verlaat u uw eiland af en toe? Is het belangrijk om soms weg te gaan, en wanneer en waarom dan?
Gezien de meedogenloze aanslag van het toerisme op ons leven ben ik daarvan de nederige dienaar geworden. Ik heb me voor die boosaardige meester leren buigen en me overgeleverd aan zijn wetten. ’s Zomers is het uitgesloten dat ik het eiland verlaat [Karuza drijft een restaurantje in een baai van Vis]. ’s Winters is het een bijzondere ervaring om op het eiland te leven, omdat je bevangen raakt door een langdurige lethargie. Jongeren kunnen er beter mee omgaan dan wij, zij beklagen zich minder en verlaten het eiland in de winter. Momenteel is het eiland belangrijker voor mij dan de stad, vooral in de winter, maar ik zou ook niet buiten de stad kunnen. Ik verzin allerlei smoezen en leugentjes om er af en toe een tijdje naartoe te gaan. Ik ben eigenlijk wel blij met deze evenwichtsoefening die de grote leegten in mijn leven vult, waarvoor ik me niet schaam zolang ze maar diep en pijnlijk genoeg zijn en zich moeilijk laten ontkennen.
Hoe ziet het eilandleven er ’s winters uit?
Tijdens de wintermaanden kabbelen de dagen vredig voort, zonder enige ophef. Van buitenaf bezien lijkt alles bijna verlaten. Daarom is het eiland niet voor iedereen geschikt. Voor de meeste mensen is het een gevangenis waar niets gebeurt, zelfs niet op de binnenplaatsen van huizen. Het is alsof de tijd stilstaat, alsof het leven stationair draait, tot rust komt, zodat we oog krijgen voor de dingen om ons heen. Natuurlijk moet je je best doen om een aangename woonomgeving te creëren, het gevaar dat je versombert van verveling ligt voortdurend op de loer, maar de eilandbewoners weten dat goed de kop in te drukken.
Verenigd Koninkrijk
Miljoenen vogels op eiland Looe
‘Aan de reacties van de vogels kun je zien wanneer er een mens aan wal stapt.’ Claire Louis en haar partner John Ros, sinds een jaar of twintig beschermers en enige bewoners van Looe Island, vallen bijna niet op in het decor. Ze hebben zich geheel aangepast aan deze kleine rots, op anderhalve kilometer van Cornwall in Zuidwest-Engeland. Het eiland, lange tijd eigendom van twee teruggetrokken levende zusters, is in 2004 overgedragen aan de plaatselijke milieuorganisatie, met maar één opdracht: dat flora en fauna met rust worden gelaten.
Als baken van verzet tegen de teloorgang van de biodiversiteit, juicht The Guardian, herbergt dit natuurreservaat miljoenen exemplaren, van Europese scholeksters tot boomblauwtjes. ‘We proberen het eiland zodanig te laten gedijen dat elke soort zich ten volle kan ontwikkelen,’ zegt Claire Louis. Het stel, dat zich voedt met de oogst van hun moestuin, flirt met het idee zelfvoorzienend te zijn. ‘Er ontbreekt misschien alleen een pub,’ glimlacht John Ros.
In hoeverre voelt u zich eenzaam op het eiland?
Ik denk dat ik net zo eenzaam ben als wie dan ook op de wereld die zich door eenzaamheid laat opslokken. Eenzaamheid is een kijk op de wereld, een kijk op het leven. Veel mensen willen vandaag de dag hun horizon oneindig ver verbreden, omdat ze denken dat die hen zal beschermen, hen zal behoeden voor de zware last van reflectie, van inspanning, van werk, van creatie, van communicatie, van het spel. Eenzaamheid, of die nu op een eiland of in een stad wordt ervaren, is een gelegenheid die je moet aangrijpen om je nog meer en op een andere manier aan jezelf en aan anderen te wijden, het is een weg waarop iedereen alleen is. Niet iedereen houdt daarvan. Wat mijzelf betreft, mij bevalt eenzaamheid wel.
Het toerisme heeft de eilanden geld opgeleverd, maar het kan niet voorkomen dat ze ontvolken. De mensen verlaten de eilanden. Waarom?
Dat is duidelijk een mondiaal verschijnsel, overal op de wereld worden dorpen verlaten. De sociale netwerken hebben de illusie gecreëerd dat alles binnen handbereik ligt, en de inwoners van dorpen en kleine steden zijn de eersten die in deze val trappen. De eilanden lopen sneller leeg dan ooit in de geschiedenis. Het toppunt van absurditeit is nog wel dat ze worden verlaten op het moment dat ze welvarend worden.
Is het op het eiland belangrijker om te kunnen zwijgen dan om te praten?
In het gedrag van de eilandbewoners zijn tal van ongeschreven wetten verankerd waarop ze ook zelf vaak de vinger niet kunnen leggen. Vrijheid is een goed bewaard geheim op het eiland, en elke ondoordachte openbaring van dat geheim kan tot een tragedie leiden, soms onschuldig, soms ernstig, want we moeten het ons hele leven met ons meedragen als een zichtbaar en openlijk litteken. Vrijheid heeft op een eiland een heel andere dimensie, die voor de meeste mensen ondoorgrondelijk is. Bijna alles is onderworpen aan routine en simpele herhaling, met dit verschil dat het in een sneller tempo gebeurt en dat men eeuwig het idee heeft achter te lopen op de stad. Op het eiland kent iedereen elkaar, de mensen gaan dagelijks met elkaar om, iemand bedriegen is taboe want je kunt ten overstaan van iedereen aan de kaak worden gesteld. Degenen die van buiten komen begrijpen niets van dit ragfijne sociale weefsel en kunnen het niet laten om daarover te oordelen, er de spot mee te drijven of er hun ‘deskundige mening’ over te geven.
Het Caraïbisch gebied
Wie vertelt de geschiedenis van Bonaire?
Op het eerste gezicht is Bonaire een oase van geluk in het Caraïbisch gebied. Reizigers van over de hele wereld komen er de koralen bewonderen en kitesurfers zijn altijd zeker van een constante wind. Van dichterbij bezien blijkt dit kleine eiland zeer gevoelig voor de gevolgen van klimaatverandering en verkeert de infrastructuur in erbarmelijke staat. Bovendien leeft 40 procent van de 22.000 inwoners onder de armoedegrens. De meeste Bonairianen hebben het te druk met de problemen van dit moment om zich met kwesties uit het verleden bezig te houden. Toch zijn de sporen van dit verleden overal aanwezig.
De ontbossing van het eiland komt doordat de Nederlanders, die het eiland in 1636 op de Spanjaarden veroverden, het grondgebied in vijf percelen hebben verdeeld: elke eigenaar begon vervolgens met ontbossing om gewassen te kunnen planten. Bijna iedereen op het eiland spreekt Papiamento, maar Nederlands is de enige officiële taal. De enige geleerden die daar onderzoek naar doen, komen uit het buitenland, want op Bonaire is geen universiteit. En de scholen gebruiken geschiedenisboeken die in Nederland zijn geschreven. De kolonisator bepaalt nog altijd wat de inwoners van Bonaire over zichzelf weten.
Vier boten per jaar doen de Britse archipel Tristan da Cunha aan, een confetti van eilandjes midden in de Atlantische Oceaan, waar tachtig families leven van kreeftenvisserij en landbouw.
In deze wereld waar iedereen continu meer met elkaar verbonden raakt (…) droom ik maar van één ding: een plek die de conventies van het moderne reizen tart, een plek die authentiek is en echt, letterlijk, ver van alles verwijderd.’ Deze journalist van The Daily Telegraph steekt zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken wanneer hij zich naar het zelfbenoemde ‘meest afgelegen bewoonde eiland ter wereld’ begeeft. Tristan da Cunha, in 1506 ontdekt door een Portugese ontdekkingsreiziger en vanaf de negentiende eeuw bevolkt door Britse kolonisten, is het grootste eiland van een kleine archipel die verloren midden in het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan ligt. Dit grondgebied, dat op 2400 kilometer van Sint-Helena ligt en op 2700 kilometer van Kaap de Goede Hoop, valt onder Britse soevereiniteit en is alleen per boot bereikbaar, na een zeereis van vijf à zes dagen.
Geen voet meer aan wal
En die boten doen het eiland maar zelden aan: ongeveer vier keer per jaar. ‘De pandemie heeft de isolatie nog verergerd. Geen buitenlander had meer voet aan wal gezet op Tristan da Cunha tot maart 2023, toen de SH Vega, een schip van de Britse cruisemaatschappij Swan Hellenic, er twee dagen aanlegde op de terugweg van Antarctica. Ik was aan boord.’ De journalist beschrijft het grandioze landschap dat hij bij aankomst waarneemt: de top van de vulkaan die boven Tristan da Cunha uitsteekt gaat schuil in de wolken en de weerschijn van de zon op deze lichte nevel creëert een onwerkelijk lichtspel. De nadering van Edinburgh of the Seven Seas wordt enigszins bemoeilijkt door de woeste golfslag.
Zoals de Spaanse krant El Periódico uitlegt, telt het gehucht 250 zielen, verdeeld over tachtig huishoudens, en acht familienamen. Tot de infrastructuur behoren een cafetaria, een school, een postkantoor, een ziekenhuis en een bar. ‘De bar is vanzelfsprekend de belangrijkste ontmoetingsplaats en het centrum van het sociale leven. Maar pas op, er wordt niet alleen maar gedronken: muziek is een andere geliefde hobby van de eilandbewoners.’
Beste kreeft
De meeste bewoners zijn visser of landbouwer. In 2021 schreef The Times over een zelfvoorzienende economie die drijft op kreeftenvisserij en aardappelteelt. Wie mocht denken dat de eilandbewoners ‘niet altijd openstaan voor moderniteit’, moet bedenken dat ze zich hebben uitgesproken voor een betere milieubescherming en biodiversiteit. Sinds 2020 is het water rond de archipel beschermd zeegebied. In een interview verklaarde James Glass, voorzitter van het eilandbestuur: ‘Hoe klein ze ook is, onze gemeenschap heeft altijd erg veel waarde gehecht aan de bescherming van het milieu. Wij weten als geen ander dat de zee van levensbelang is, van levensbelang voor onze economie, dus voor het bestaan en het welzijn van alle eilandbewoners.’
Ierland
Dertig bewoonde eilanden
‘In een appartement in Dublin blijven zitten had geen enkele zin. Hier kan ik tussen twaalf en twee uur ’s middags naar het strand gaan om mijn hoofd leeg te maken.’ Peadar Rogers had genoeg van de Ierse hoofdstad en besloot terug te keren naar Arranmore, het eiland waar hij geboren is. ‘De pandemie gaf de doorslag’, schrijft The Irish Times. ‘Wanneer de uitslag van de volkstelling van 2022 bekend wordt, zal blijken dat de bevolking van vijfhonderd zielen die als confetti is verspreid over het graafschap Donegal in aantal is toegekomen.’
Dat het eilandleven weer in zwang is, mede doordat telewerken zo’n hoge vlucht heeft genomen, noemt de Irish Examiner van groot belang. Ierland telt een kleine dertig eilanden die permanent worden bewoond, voornamelijk aan de Atlantische kant, en jaarlijks door zo’n driehonderdduizend mensen worden bezocht. Een flink aantal ervan is belangrijk voor het voortbestaan van de Keltische taal. En de centrumrechtse regering lijkt nu eindelijk maatregelen te nemen: voor het eerst in bijna drie decennia heeft Dublin op 7 juni jongstleden een groot plan gepresenteerd voor de revitalisering van de eilanden.
Eerste stap op de weg naar vernieuwing is de introductie, met ingang van 1 juli, van een uitzonderlijk duwtje in de rug voor woningrenovatie. ‘De subsidie bedraagt 60.000 euro voor leegstaande woningen, en tot wel 84.000 voor bouwvallen’, preciseert The Irish Times. Maar omdat het gaat om slechts tachtig gevallen verspreid over tien jaar, is er ook de nodige scepsis. Zal dit voldoende zijn, vraagt de pers zich af, om jongeren van vertrek te weerhouden en de demografische achteruitgang te keren die met de grote hongersnood van 1845-1850 is ingezet?
Blijft het feit dat er bepaalde bevoorradingsproblemen zijn. ‘Al kun je hier de beste kreeft van de wereld eten,’ bekent een eilandbewoonster, ‘theezakjes die die naam waardig zijn kun je nergens krijgen.’
Een gefortuneerde zakenman die het kasteel in Kinloch wilde kopen, moest de aftocht blazen omdat hij niet wilde garanderen tot elke prijs het erfgoed te zullen beschermen.
Het kasteel van Kinloch, rond het begin van de twintigste eeuw opgetrokken voor rekening van George Bullough, een rijke industrieel uit Manchester, is een merkwaardig bouwwerk van rode baksteen met gekanteelde torentjes. De fabrikant van katoenspinmachines kwam naar het Schotse eiland om te jagen, aldus het weekblad Scotland on Sunday uit Edinburgh.
Het kasteel werd in 1957 aan een Schotse organisatie voor erfgoedbehoud verkocht, tot monument verklaard en omgebouwd tot herberg.
Na sluiting van de herberg in 2013 stond het kasteel te verkommeren: de ramen klapperden, de vloerbedekking vergeelde. De overheid, die de afgelopen vijf jaar driehonderdduizend pond had uitgegeven aan diverse reparaties, ging wanhopig op zoek naar een koper voor dit schip van bijleg.
Brexiteer
Op de symbolische vraagprijs van twee pond sterling kwam lange tijd nauwelijks iemand af. Tot aan de zomer van 2022. Jeremy Hosking, een rijke Engelsman, bood aan tien miljoen pond (11,7 miljoen euro) te investeren in de volledige renovatie van het gebouw. ‘Hij tekende een contract met de Schotse regering, had een ontmoeting met omwonenden, tegenover wie hij zich bij voorbaat excuseerde voor de overlast van de bouwwerkzaamheden, en dacht dat de zaak beklonken was’, aldus de zondagseditie van The Scotsman. In de lente van 2023 kwam er een onverwachte wending: Hosking trok zich terug. ‘Ik had niet verwacht dat de plaatselijke bevolking alles zou torpederen,’ zegt hij verontwaardigd tegen het dagblad.
Orkneyeilanden
Het Vikingbloed kruipt waar het niet gaan kan
‘Toen ik zag dat de Orkneyeilanden weer Noors wilden worden, dacht ik dat het een grap was,’ bekent David Leask, journalist van dagblad The Herald. Maar het is waar. De plaatselijke afgevaardigden van de Schotse archipel, die geografisch dichter bij Oslo ligt dan bij Londen, hebben afgelopen 4 juli met vijftien stemmen tegen zes vóór ‘onderzoek naar nieuwe bestuursvormen’ gestemd, waaronder terugkeer in de Scandinavische moederschoot, 550 jaar nadat die was verlaten.
‘Het initiatief is een uiting van toenemende frustratie’, analyseert dagblad The Scotsman, ‘omdat de Orkneyeilanden met 22.500 zielen minder subsidie per inwoner krijgen dan andere vergelijkbare Schotse eilanden.’ Downing Street heeft ‘iedere versoepeling van de banden’ tussen de archipel en het Verenigd Koninkrijk onmiddellijk afgewezen.
Het kasteel staat namelijk op het eiland Rum voor de kust van Schotland, dat onder particulier beheer valt: de meeste grond rond het grootste dorp Kinloch is gemeenschappelijk bezit van een veertigtal inwoners. ‘Een deel van deze inwoners vindt dat er voor het gebouw en waar het voor staat geen plaats meer is op het eiland Rum’, aldus Scotland on Sunday.
‘Het waren sombere tijden’, beaamt Fliss Fraser, inwoonster van Kinloch, in een artikel in het dagblad The National uit Glasgow. ‘De bevolking stond ten dienste van het huis, in plaats van andersom.’ De komst van een rijke zakenman, die ervan wordt verdacht van het victoriaanse gebouw een luxehotel te willen maken, roept bij sommigen geesten uit het verleden op. Volgens het bestuur van de vereniging van grondeigenaren zijn de miljoenen die aan Kinloch worden beloofd onverenigbaar met de plannen voor de bouw van een alternatief bouwwerk. ‘Het kasteel ligt precies midden in het dorp en deelt de gemeenschap in tweeën,’ licht Fliss Fraser toe. ‘Wanneer een gefortuneerde eigenaar er zijn intrek neemt wordt de inspraak van de plaatselijke bevolking geweld aangedaan.’
Jeremy Hosking verzekert dat hij op de steun van twaalf van de tweeëntwintig volwassenen op het eiland kon rekenen; zij zouden openstaan voor nieuwe economische perspectieven. ‘Rum heeft het aantal toeristen met vijftig procent zien afnemen sinds de sluiting van de herberg,’ aldus de Scotland on Sunday. ‘In het wilde weg praten met een paar mensen kun je geen referendum noemen,’ werpt Steve Robertson tegen, die binnen de vereniging van grondeigenaren is belast met de ontwikkeling van het eiland. ‘Wij zijn er niet tegen dat het gebouw in handen komt van een privépersoon, maar ons ontwikkelingsmodel impliceert dat er door middel van collectieve beslissingen nauwlettend rekening wordt gehouden met het algehele evenwicht en de belangen van alle ingezetenen.’
Vetorecht
Het verzet van deze ‘invloedrijke bewoners’, zoals Scotland on Sunday hen bestempelt, heeft Jeremy Hosking uiteindelijk de aftocht doen blazen. ‘Ze zijn zich gaan beklagen bij de Schotse regering, die hun een vetorecht heeft gegeven,’ tiert de durfinvesteerder, die overigens donateur is van de door euroscepticus Nigel Farage opgerichte partij Reform UK. ‘Eerst dacht ik dat het probleem zou zijn dat ik Engelsman ben en voorstander van Brexit, maar nee.’
De plannen van Jeremy Hosking stuitten op maar één obstakel: de onwil om tot elke prijs erfgoed te beschermen, hoeveel dat ook zou kosten. En de wens om een historisch gebouw ten dienste van de gemeenschap te stellen, hoelang het ook zou duren om een alternatief plan te realiseren. ‘Ondertussen,’ waarschuwt Scotland on Sunday, ‘blijft het aan weer en wind blootgestelde kasteel stilletjes aftakelen.’ Bij gebrek aan een renovatieplan, bevestigt het dagblad The Press and Journal uit Aberdeen, ‘zal het definitief tot een ruïne vervallen’.
Het gaat om de dodelijkste bosbranden op het eiland in jaren
De zeer hevige bosbranden op het Hawaïaanse eiland Maui hebben aan zeker vijfenvijftig mensen het leven gekost. Dat blijkt uit de laatste cijfers van CNN. De branden braken eerder deze week uit en verspreidden zich razendsnel door de hevige orkaanwinden op het eiland. Autoriteiten verwachten dat het dodental nog hard zal stijgen, omdat veel mensen niet op tijd geëvacueerd konden worden.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Op het eiland Maui ligt de badplaats Lahaina, dat vroeger de hoofdstad was van koninkrijk Hawaï en tegenwoordig een populaire trekpleister voor toeristen is. Volgens de gouverneur van Hawaï, Josh Green, is 80 procent van de stad, waaronder veel historische gebouwen en kerken, verwoest bij de bosbranden.
Duizenden mensen ontvluchtten de branden, onder meer door de zee in te rennen. Het zijn de dodelijkste branden in de Verenigde Staten sinds de branden in Californië in 2018, toen ruim tachtig mensen omkwamen. Dat de branden op Hawaï dit jaar zo fel zijn, heeft te maken met een combinatie van harde wind en een zomer met zeer weinig regen.
Helpt het om samen te zingen, rechts te zijn of in Bhutan te wonen? Of alle drie? Een bewust eclectische keuze uit de recepten van de buitenlandse pers voor een gelukkiger leven.
Op naar Bhutan?
Door in 2008 een ‘nationale geluksindex’ in zijn grondwet op te nemen die de economische ontwikkeling en het welbevinden van de bevolking meet, heeft dit dwergstaatje in de Himalaya de reputatie van ‘gelukskoninkrijk’ verworven. Bovendien heeft het land een negatieve CO2-voetafdruk, schrijft het Japanse dagblad Nihon Keizai Shimbun.
Door in te zetten op duurzame energie en door ontbossing voor commerciële doeleinden te verbieden slaagt het land erin meer broeikasgas op te nemen dan het uitstoot. Ook is er een belasting voor buitenlandse bezoekers ingevoerd om massatoerisme te voorkomen. Hoewel Bhutan een voorbeeld is op milieugebied en een bron van inspiratie voor mensen met milieuangst, leeft bijna een kwart van de bevolking er onder de armoedegrens. Ook hebben bepaalde minderheden het zwaar te verduren, vooral Nepalese vluchtelingen. Een nuancering is dus op zijn plaats: het is niet alleen maar rozengeur en maneschijn in dit geluksland…
‘Laten we het maar toegeven: wij zijn primaten die samen dansen en zingen’, schrijft het Australische blad The Monthly. Dansen en zingen behoorden overigens tot de eerste reacties op de coronapandemie, met ‘de Italianen die zongen op hun balkon en de zorgverleners die in hun beschermende kleding choreografietjes uitvoerden op de spoedeisende hulp’. Niet verwonderlijk dat het isolement deze behoefte heeft aangewakkerd, constateert Frederic Kiernan, lid van de studiegroep creativiteit en welzijn van de Universiteit van Melbourne: ‘Naar muziek luisteren, zingen en dansen zijn de drie doeltreffendste manieren om je beter te voelen.’
Onze stemmen samen laten klinken, de mysterieuze ‘akoestische harmonie’, hoort bij de menselijke natuur. ‘Onze borst zwelt op van vreugde en al onze zorgen verdwijnen. Ons hart gaat sneller kloppen, we halen dieper adem, onze synaptische circuits lichten op als een discobal.’ Al duizenden jaren een beproefde manier om ‘uiting te geven aan onze vreugde over een geboorte’ en ‘ons verdriet te delen na een overlijden’, of om gewoon de tijd te doden ‘door tijdens een lange autorit oude liedjes te zingen waarvan we de woorden proberen terug te vinden in een hoekje van ons brein’. Zodat we het gevoel hebben ‘volop in het leven’ te staan.
In Stutz, een atypische documentaire die te zien is op Netflix, schildert de Amerikaanse acteur en regisseur Jonah Hill een portret van zijn psychiater en laat hij zien hoe diens werkwijze hem door diverse moeilijke periodes in zijn leven heen heeft geholpen. Een film vol humor, meent de Amerikaanse site IndieWire, die een beeld geeft van ‘de manier waarop mensen personen en dingen die hun leven hebben gered plegen te verheerlijken’. Al is het schrijven van zo’n liefdesbrief ook weer niet nodig, je om je geestelijke gezondheid bekommeren kan nooit kwaad.
Luieren op een eiland
In de kolommen van The Daily Telegraph uit Londen laat Mark Easton er geen twijfel over bestaan: het beste recept voor geluk is tijd op een eiland doorbrengen. Als auteur van een boek over dit onderwerp legt hij uit dat het eilandleven ons fysieke mogelijkheden voor geluk verschaft. Aan de ene kant impliceert het vertrek naar een eiland een zekere verwijdering. Deze ‘geografie van het isolement’ helpt om alles los te laten, zoals ‘feesteilanden’ als Ibiza die in de jaren zeventig in de mode raakten bewijzen. Zelfs in het Verenigd Koninkrijk toont onderzoek aan dat mensen die het meest tevreden zijn over hun leven op de meest afgelegen eilanden wonen, zoals de Buiten-Hebriden en de Orkney-eilanden.
Bovendien verkleint het uitzicht op de uitgestrekte blauwe zee en de horizon volgens ‘tal van wetenschappelijke artikelen’ de kans op depressie en stresshormonen. Wetenschappers verklaren dit fenomeen aan de hand van evolutionaire logica: ‘Nadat hij uit de bomen was afgedaald en zijn voedsel op de savanne was begonnen te verzamelen, bereikte de primitieve mens uiteindelijk de kust, waar hij een keur aan vis en schaaldieren ontdekte die rijk waren aan gezonde oliën en vetten.’ Onderzoek heeft aangetoond ‘dat rechtstreeks fysiek contact met het aardoppervlak een positieve invloed heeft op de menselijke gezondheid’. Conclusie: aarzel niet, ga naar een eiland, kijk naar de zee, eet vis, loop over het zand en wees gelukkig.
De Britse site UnHerd legt aan de hand van grafieken uit dat progressieve mensen minder gelukkig zijn dan conservatieve. Dat is de conclusie van de editie 2022 van de American Family Survey, die sinds 2015 door een peilingbureau wordt uitgevoerd voor de site Deseret News in de conservatieve staat Utah. Linkse mensen zouden 15 procent minder gelukkig zijn dan rechtse, en het verschil tussen de twee groepen valt vooral op bij vrouwen. Volgens de studie, die soms met een korreltje zout moet worden genomen, ‘is er bij conservatieven van tussen de 18 en 55 een 20 procent grotere kans dat ze getrouwd zijn, en een 18 procent grotere kans dat ze gelukkig zijn met hun gezin. Daaruit valt een duidelijke les te trekken: huwelijk en gezin zijn een belangrijke voorwaarde voor geluk en geestelijke gezondheid.’ Lekker dan voor vrouwen die blij zijn dat ze vrijgezel zijn en/of geen kinderen hebben.
De aaneenschakeling van feestmalen aan het eind van het jaar is het ideale moment om je te verdiepen in het plezier dat voedsel ons verschaft. Meer dan door de kwaliteit van de gerechten wordt dat plezier veroorzaakt door ‘herinneringen die we eraan hebben’, meldt The New York Times. ‘Met Thanksgiving,’ schrijft de journalist, ‘kan ik niet zonder de geprakte aardappels met room van mijn moeder’, een gerecht dat ‘een jaarlijkse portie pure vreugde’ verschaft. Dit alles stoelt op een wetenschappelijke basis: studies tonen aan dat wij een voorliefde hebben voor gerechten die ons als kind zijn voorgezet door degenen die voor ons zorgden. Soms is alleen de geur al voldoende om ons serotoninegehalte te doen toenemen. Proust heeft de wetenschap niet afgewacht. Voor hem had eenvoudig hapje in thee gedoopte madeleine ‘de wisselvalligheden, de rampen en de kortheid van het leven op slag onverschillig, ongevaarlijk en illusoir gemaakt, op dezelfde manier als de liefde te werk gaat’.*
*Uit Swanns kant op, vertaling Martin de Haan en Rokus Hofstede.
Hoeveel vrienden heb je nodig om gelukkig te zijn?
Volgens antropoloog Robin Dunbar, geciteerd door The Telegraph, zijn echte vrienden op de vingers van één hand te tellen.
Gemiddeld aantal vrienden:
– Van 18 tot 24 jaar: 7,6
– 55 jaar en ouder: 4,8
Waar ontmoet je je vrienden?
– Op school: 41%
– Op het werk: 44%
Hoelang duurt het voordat:
– een kennis een vriend wordt: 34 uur
– die vriend een goede vriend wordt: 90 uur
Dromen van een toekomst zonder patriarchaat
Joanna Russ was een sciencefictionauteur en een bekend literair recensent. Ze merkte op dat vrouwelijke sciencefictionauteurs ‘net als hun politieke evenknieën werden verbonden door gemeenschappelijke doelstellingen en hun kunst gebruikten om de grenzen van de patriarchale cultuur bloot te leggen en gelijkwaardigere oplossingen voor te stellen voor iedereen’. Deze vrouwelijke auteurs stelden zich graag een toekomst voor die was bevrijd van het patriarchaat.
De site Literary Hub heeft precies de goede pagina’s overgenomen van de bloemlezing over vrouwelijke sciencefictionauteurs die is samengesteld door Lisa Yaszek. Die legt daarin uit dat vrouwen vanaf de jaren zeventig zichtbaarder en talrijker zijn geworden in dit literaire genre. In die tijd ‘begonnen vrouwen zich voor het eerst als een politiek en esthetisch coherente groep te presenteren door het creëren van een nieuwe speculatieve kunstvorm die weldra bekend zou worden als feministische sciencefiction’. Een postpatriarchale of antipatriarchale wereld in de vorm van een literaire utopie en een politiek project waarvan iedereen, man of vrouw, gelukkiger wordt.
In de Beringzee, halverwege tussen Alaska en Siberië, ligt een eiland gehuld in mist: St. Matthew. Sarah Gilman van Hakai Magazine bezocht het afgelegen oord en vertelt de barre geschiedenis van het eiland. ‘Ik was benieuwd hoe het zou voelen om op een plek te zijn die zich zo sterk verzet tegen de aanwezigheid van de mens.’
St. Matthew Island is naar verluidt een van de meest verlaten plekken van Alaska. Het eiland ligt in de Beringzee, halverwege richting Siberië, en is meer dan driehonderd kilometer lang. Het is zo’n vierentwintig uur varen vanaf de dichtstbijzijnde menselijke nederzetting. Het eiland biedt een gepast grimmige aanblik, als een zwarte vleugel die opdoemt uit een deken van mist. Gekromde, boomloze bergen sieren deze strook land, met steile kliffen die in de golven verdwijnen. Ten noorden van St. Matthew ligt het kleinere, nog onherbergzamere eiland Hall. Een spitse bergtop, Pinnacle genaamd, houdt als een rotskasteel de wacht over de zuidelijke flank van St. Matthew. Wie voet zet op dit stukje land dat aan alle kanten is omgeven door eindeloze oceaan, heeft het gevoel te worden opgeslokt door het niets in het midden van een verdronken kompasroos.
Mijn hoofd tolt een beetje als ik in een ondiepe kuil kijk op de noordwestpunt van St. Matthew. Het is eind juli 2019 en de lucht zindert van het geluid van de endemische Alaskawoelmuis. De toendra die is ontstaan in de kuil waar ik naast sta, is begroeid met wilde bloemen en wolgras, maar zo’n vierhonderd jaar geleden was dit een huis, deels ingegraven om de elementen te trotseren. Het is het oudste teken van menselijke bewoning op het eiland, het enige prehistorische huis dat hier ooit is aangetroffen. Een met korstmos begroeid walviskaakbeen wijst in de richting van de zee, de kompasnaald die het noorden aangeeft.
Onherbergzame plek
In vergelijking met de meer beschutte baaien en stranden aan de oostkant van het eiland, moet dit een betrekkelijk onherbergzame plek zijn geweest om een huis neer te zetten. Met enige regelmaat wordt deze kust geteisterd door stormen, die met de volle kracht van de lege oceaan op het land inbeuken. Er overwinterden hier maar liefst driehonderd ijsberen, voordat ze eind negentiende eeuw werden verjaagd door de Russen en de Amerikanen. Uit verschillende vondsten valt op te maken dat de bewoners van het kuilhuis dit niet langer dan een seizoen gebruikten, zegt Dennis Griffin, een archeoloog die zich sinds 2002 met de archipel bezighoudt. Opgravingen hebben voldoende materiaal opgeleverd om duidelijk te maken dat het huis is gebouwd door leden van de Thule-stam – voorgangers van de Inuit en de Joepiks, die nu aan de noordwestelijke kusten van Alaska wonen. Maar Griffin heeft nergens restanten aangetroffen van een haard, en ook niet meer dan een dunne laag artefacten.
De Ungangan, of Aleoeten, afkomstig van een de Aleoeten- en Pribilofeilanden in het zuiden, vertellen over de zoon van een stamhoofd, die de destijds onbewoonde Pribilofeilanden ontdekte toen hij uit koers was geraakt. Hij overwinterde op het eiland en ging pas het voorjaar erna terug naar huis, met een kajak. De Joepiks, van St Lawrence Island in het noorden, hebben een soortgelijk verhaal, over jagers die op een onbekend eiland verzeild raakten, waar ze wachtten op een gelegenheid om over het zee-ijs naar huis te lopen. Griffin vermoedt dat de mensen die ooit dit huis hebben gegraven, iets soortgelijks was overkomen en dat ze wachtten op het moment dat ze weer konden vertrekken. Misschien hebben ze het gered, zal hij later tegen me zeggen. Maar misschien ook niet. ‘Het kan zijn dat een ijsbeer ze te pakken heeft gekregen.’
Het leven keert hier terug, het overwoekert, doet vergeten. Niet onoverwinnelijk veerkrachtig, maar vastberaden en zelfverzekerd
Onder wildernis verstaan de meeste Noord-Amerikanen een plek die nauwelijks is aangetast door de mens; in de wetten van de Verenigde Staten wordt die definitie ook gehanteerd. Die opvatting is een construct uit het recente koloniale verleden. Vóór de Europese invasie werd het grootste deel van het ongerepte land op het continent bewoond door de inheemse bevolking, die er jaagde en het land beheerde. De archipel van St. Matthew, in 1970 officieel bestempeld tot ongerept natuurgebied, en in 1980 tot deel van het Alaska Maritime National Wildlife Refuge, had veel te bieden: zoetwatermeren vol vis, veel van de planten die ook op het vasteland werden gegeten, grote hoeveelheden zeevogels en zeezoogdieren om op te jagen. Maar toch, omdat St. Matthew zo afgelegen is, lijken de overblijfselen van het kuilhuis erop te wijzen dat zelfs de inheemse volkeren van Alaska, die zulke bedreven zeevaarders waren, hier slechts bij toeval verzeild waren geraakt. Andere mensen, die later volgden, werden geholpen door een stevige infrastructuur, of door instellingen. Niemand is lang op het eiland gebleven.
Ik ben naar deze archipel gekomen aan boord van de Tiĝlax̂ [TEKH-lah], een schip vol wetenschappers die de zeevogels bestuderen die broeden op de kliffen van de archipel. Ik was benieuwd hoe het zou voelen om op een plek te zijn die zich zo sterk verzet tegen de aanwezigheid van de mens.
Het is alweer de laatste dag van onze expeditie en de wetenschappers zijn naar de andere kant van het eiland gegaan, om nog wat data te verzamelen. Het kuilhuis lijkt de ideale plek om te mijmeren. Ik laat mezelf in de ondiepte zakken, laat mijn blik over zee glijden, zie op deze ongewoon heldere dag banen zonlicht op de toendra flakkeren. Ik stel me voor dat ik wacht op het moment dat het zee-ijs komt. Ik stel me voor dat ik op de uitkijk zit voor ijsberen, in de hoop dat die juist niet komen. Je weet maar nooit, heeft een gepensioneerde bioloog tegen me gezegd voordat ik aan boord ging van de Tiĝlax̂. ‘Ik zou maar goed uitkijken. Als je daar iets groots en wits ziet, kijk dan nog maar eens goed.’
De bereneilanden
Ooit waren deze eilanden bergen, plekken op de Beringlandbrug die Noord-Amerika en Azië met elkaar verbond. Toen verzwolg de oceaan het land rondom de bergtoppen, hulde ze in dikke mistdekens, isoleerde ze. Zonder mensen die lang genoeg bleven om iets van een geschiedenis vast te leggen, groeiden de eilanden uit tot plekken die tot in het oneindige ‘ontdekt’ konden worden. Luitenant Ivan Synd van de Russische marine, die geen weet had van het kuilhuis, meende in 1766 als eerste het grote eiland te hebben ontdekt. Hij vernoemde het naar de christelijke apostel Matteüs. In 1778 meende kapitein James Cook dat hij het had ontdekt, en hij noemde het eiland Gore. De walvisvaarders die later op de archipel stuitten, hadden het eenvoudigweg over ‘De bereneilanden.’
Ergens rond de winter van 1809-1810 sloeg een groep Russen en Ungangan er hun kamp op, om op beren te jagen voor de pels. Al naar gelang de bronnen die je raadpleegt zijn veel van de Russen gestorven aan scheurbeuk terwijl de Ungangan het overleefden, óf zijn enkele of de meeste leden van de groep omgekomen toen de zeezoogdieren waarvan ze afhankelijk waren om te overleven, zich terugtrokken tot buiten hun bereik, óf maakten de ijsberen hun het leven zo zuur dat ze wel móésten vertrekken. Dat laatste lijkt niet onwaarschijnlijk, want toen naturalist Henry Elliott in 1874 de eilanden aandeed, wemelde het er van de beren. ‘Stelt u zich onze verbazing voor bij de aanblik van honderden grote ijsberen… die loom in met gras begroeide kuilen lagen, of gras en andere wortels opgroeven, wroetend als zwijnen,’ schreef Elliott, al leek hij de dieren eerder interessant en smakelijk te vinden dan angstaanjagend. Nadat ze er een paar hadden gedood, schreef hij dat het vlees ‘voortreffelijk’ was.
‘We zijn er goed in om wonderbaarlijke dingen te maken. Waar we heel slecht in zijn, is ze weer afbreken en de rotzooi opruimen’
Maar ook na het vertrek van de beren was de archipel een onherbergzame plek voor de mens. De mist was eindeloos, het weer een gesel, de eenzaamheid ongekend. In 1916 raakte de arctische schoener Great Bear in de mist uit koers en leed schipbreuk op Pinnacle. De bemanning maakte gebruik van de walvissloepen om zo’n twintig ton aan voorraden op St. Matthew in veiligheid te brengen. Ze sloegen er hun kamp op en wachtten op hulp. Ene N. H. Bokum wist een soort zender in elkaar te knutselen en hij klom elke avond op een hoge klif om SOS-signalen uit te zenden. Maar toen hij tot de conclusie kwam dat de vochtige lucht de werking van zijn apparaat verstoorde, verloor hij de moed. Naarmate de weken verstreken werden de mannen onrustiger, totdat er zelfs messen werden getrokken op het moment dat de kok het vlees wilde rantsoeneren. Als ze niet na achttien dagen zouden zijn gered, was die wanhoop slechts een mild voorproefje geweest van wat de winter nog voor hen in petto had, zou John Borden, de eigenaar van Great Bear, later opmerken.
Amerikaanse militairen die tijdens de Tweede Wereldoorlog op St. Matthew waren gestationeerd zouden het nog veel zwaarder te verduren krijgen in de barre winter op het eiland. In 1943 bouwde de Amerikaanse Coast Guard een long-range navigation site (Loran) op de zuidwestkust van het eiland, als onderdeel van een netwerk dat gevechtsvliegtuigen en oorlogsschepen helpt om met behulp van vaste radiogolven de positie te bepalen op de Stille Oceaan. Soms lag er wel acht meter sneeuw rond het Loran-station en ‘de sneeuwstormen met orkaankracht’ hielden gemiddeld tien dagen aan. Zo’n zeven maanden per jaar werd het eiland ingesloten door zee-ijs. Als een vliegtuig in de koudste maanden van het jaar de post een paar kilometer verderop afwierp, moesten de mannen drie ploegen maken en elkaar afwisselen om die post te gaan halen – een slee met overlevingsmiddelen achter zich aan trekkend.
In de andere seizoenen was het eiland niet echt veel gastvrijer. Op een dag verdwenen er, ondanks de kalme zee, vijf mannen die met een boot op pad waren gegaan voor een of ander klusje. Het eiland werd een groot deel van de tijd gegeseld door regen en wind, waardoor de toendra veranderde in een ‘modderzee’. Er waren meer dan zeshonderd zakken cement nodig om de fundering te leggen voor de barakken van het station.
Een waaier aan puin
De kustwacht, die zich zorgen maakte hoe de mannen zich onder dergelijke omstandigheden moesten redden als ze verstoken waren van nieuwe voorraden, bracht in 1944 een kudde rendieren naar St. Matthew, bij wijze van voedselvoorraad. Uiteindelijk kwam er een einde aan de oorlog en vertrokken de mannen. De rendierpopulatie nam exponentieel toe, bij gebrek aan natuurlijke vijand. In 1963 waren er zesduizend rendieren. In 1964 waren ze bijna allemaal verdwenen.
Allemaal ten prooi gevallen aan de winter.
Tegenwoordig is het Loran-station niet veel meer dan een hoge mast die met metaalkabels is verankerd aan een steile rots bij het strand, omgeven door een waaier aan puin.
Op de vijfde dag van onze expeditie-week, lopen we met een paar mensen over de ingezakte restanten van een oude weg naar de plek van het Loran-station. Niet ver van de mast die nog overeind staat, ligt een tweede, omgevallen, mast, en een derde, en een vierde. Ik zie de vierkante, betonnen palen van de funderingen van de barakken. Op een heuveltje ligt een verlaten wc-pot, weggedraaid van zee. Ik blijf even staan kijken naar Aaron Christ, een biometricus, die foto’s maakt van een verzameling roestige olievaten waar een sterke dieselwalm vanaf slaat. ‘We zijn er goed in om wonderbaarlijke dingen te maken,’ zegt hij na een poosje. ‘Waar we heel slecht in zijn, is ze weer afbreken en de rotzooi opruimen.’
Maar toch, de toendra lijkt het meeste puin langzaam op te nemen. De weg is overwoekerd met monnikskap en kruidwilg. Mos en korstmos kruipen over kapot metaal en gebarsten multiplex, trekken alles naar beneden.
Op andere plekken waar sprake is geweest van kortstondige bewoning is het niet anders. De aarde verteert de balken van de ingestorte hutjes die de vossenjagers hebben opgetrokken, vermoedelijk ergens voor de crisis van de jaren dertig. De zee heeft een hut weggespoeld die wetenschappers in de jaren vijftig van de vorige eeuw hebben gebouwd, toen ze een tijdje op het eiland verbleven. Toen de kustwacht in 1916 de bemanning van de Great Bear redde, lieten ze alles achter. Griffin, de archeoloog, vond weinig meer dan wat verspreide kolen toen hij in 2018 de plek van het kamp bezocht. Het kan zijn dat vissers en militairen veel spullen hebben weggehaald, maar alles wat niet meer de moeite waard was omdat het kapot was – misschien een grammofoon, camera’s, flessen champagne – lijkt te zijn weggespoeld of te zijn verzonken in de aarde. De laatste van de uitgezette rendieren, een eenzaam, kreupel vrouwtje, is in de jaren tachtig aan haar einde gekomen. Heel lang lagen overal op het eiland rendierskeletten. Ook die zijn inmiddels vrijwel allemaal verdwenen. Van de paar die ik nog kan vinden, steekt alleen het puntje van hun gewei nog boven de aarde uit, alsof ze zijn verzwolgen door opkomend groen water.
Het leven keert hier terug, het overwoekert, doet vergeten. Niet onoverwinnelijk veerkrachtig, maar vastberaden en zelfverzekerd. Op Hall Island zie ik een zangvogel in een nest van stokoude batterijen. En de vossen, die de inheemse poolvos goeddeels van St. Matthew hebben verdreven nadat ze de oversteek hadden gemaakt over een dichtgevroren zee, hebben holen gegraven onder de het voormalige Loran-station, of onder stukken puin. En overal hoor je de Alaskawoelmuis.
Het eiland behoort hun toe.
Het eiland behoort zichzelf toe.
Grens tussen water en land
De volgende ochtend een schemerige zonsopkomst, licht en wolken sepiakleurig door de rook van de vele branden die in verre bossen woeden. Als ik over de vlakke, zuidelijke flap van St. Matthew loop zie ik iets groots en wits en ik verstijf, knijp mijn ogen tot spleetjes. Het wit begint te bewegen. Te rennen, zelfs. Geen beer, zoals de gepensioneerde bioloog had geopperd, maar twee zwanen op het droge. In hun kielzog waggelen drie jonkies. Ze komen mijn kant op, en dan zie ik achter hen in het gras een schicht gevlekt oranje: een vos.
De jonkies lijken zich niet bewust van de aanwezigheid van hun belager, maar hun belager is zich wel bewust van mijn aanwezigheid. Hij staakt de achtervolging en gaat een paar meter verderop staan – haveloos, goudgele ogen, en mottig als de korstmossen op de rotsen. Hij laat zich op zijn zij vallen en wrijft een paar minuten lekker tegen een kei, sprint dan weg in een jachtige zigzaglijn, laat mij lachend achter. Als hij weg is, laat ik me op mijn hurken zakken en snuffel aan de kei. Hij ruikt naar aarde. Ik wrijf er met mijn eigen haren langs, alleen om even ‘dag’ te zeggen.
Ik loop door en het valt me op dat voorwerpen in de verte vaak iets líjken te zijn, maar uiteindelijk iets anders blijken. Hopen drijfhout blijken walvisbotten. Een vergaan walvisskelet blijkt een door de golven geteisterd wortelstelsel van een boom. Onverwachte voorwerpen zonder verhaal – een ladder, een metalen ponton – steken her en der uit de grond, naar ik aanneem ooit het land op gespoeld tijdens een storm. Als ik mijn ogen sluit, heb ik het vage gevoel dat er golven door mijn lichaam deinen. ‘Dock rock,’ zal iemand dat later noemen: het gevoel dat je, na lange tijd op een boot te hebben gezeten, de zee mee aan land hebt genomen, het land onder je voeten dat de fantoombeweging van water maakt.
En dan wordt de mist nóg dichter, totdat ook ik verdwijn – volkomen uitgevaagd
Ik bedenk dat je, om echt aan te komen op St. Matthew, alles moet loslaten zodat de grens tussen water en land kan vervagen. Ik ben mijn houvast kwijt en ervaar het landschap als iets vloeibaars, het neemt een andere gedaante aan, net als het wortelstelsel en de walvisbotten – het is iets wat zichzelf creëert, wat eilanden maakt uit bergen, wat alle tekenen van hen die hier eerder zijn geweest, verspreidt en verzwelgt.
Ik kijk naar de eroderende randen van het eiland. Sommige kliffen die op oude foto’s staan, zijn in zee gestort of uiteengevallen in brandingspilaren. Ik kijk naar de paar banen zonlicht die op het heldere water vallen, het sepiakleurige licht dat de donkere kelpmatten op de grond van de Beringzee beroert. Hele werelden zijn onder water verdwenen of verpulverd tot kiezels, zand, slib. Land dat afkalft in zee, de herverdeling van aarde in onkenbare toekomsten. Een uitgelezen plek om je te bedenken dat we hier maar zo kort zijn. Dat de grond onder onze voeten altijd onvast zal zijn.
De wind rukt plukken haar uit mijn capuchon en zwiept ze in mijn ogen, en ik druk mijn handpalmen tegen de vloer van het kuilhuis. Dat voelt stevig genoeg, voorlopig. Het stelt me gerust dat het na een paar eeuwen nog altijd zichtbaar is – een klein anker tegen alle krachtige stromen die je op deze plek dreigen mee te sleuren. Maar uiteindelijk krijg ik het koud en klauter naar buiten. Ik moet terug naar mijn kamp, niet ver van de plek waar de Tiĝlax̂ voor anker ligt; morgenochtend varen we weer over de Beringzee naar het zuiden, naar andere eilanden en vliegvelden. Maar eerst loop ik nog over het land in de richting van een hoge, grauwe, zacht glooiende heuvel een paar kilometer verderop, die me al op het schip, meteen al bij aankomst, was opgevallen.
Het zonlicht dat vanochtend in banen over de heuvels viel, sterft weg. Er daalt een middagmist neer terwijl ik over het heldergroene gras loop en dan, hand voor hand, over een lint van steile kammen klauter. Ik eindig in het niets. Een van de biologen had me gewaarschuwd, toen we het er voor het eerst over hadden dat ik alleen op pad zou gaan, dat je onverhoeds kan worden ingesloten door de mist; dat ik, als dat zou gebeuren, een gps nodig zou hebben om de weg terug te vinden. Mijn gps doet het niet goed, dus ik ga verder op de tast, zorg dat ik de steile helling van de kam aan mijn linkerkant hou. Ik verbaas me over vlakten en toppen die ik me niet kan herinneren van beneden af te hebben gezien. Ik begin me langzaam af te vragen of ik misschien per ongeluk langs de zacht glooiende achterkant van de kam ben afgedaald, in plaats van naar boven te zijn geklommen. De mist wordt steeds dichter, tot ik nog maar iets van twee meter zicht heb. En dan wordt hij nóg dichter, totdat ook ik verdwijn – volkomen uitgevaagd, net zoals dat over niet al te lange tijd zal gelden voor de donkere schim van het pad dat ik beneden in het gras heb achtergelaten.
Dan ineens trekt de mist en op wordt het pad naar beneden zichtbaar. Opgelucht baan ik me een weg terug door de heuvels en op de top van de laatste heuvel zie ik in de kalme baai in de diepte de Tiĝlax̂ liggen. Dan klinkt de misthoorn van het schip, als een langgerekt saluut, en ik reik met een hand naar de hemel.
De Chileen is geen racist, aldus chroniqueur Óscar Contardo. Hij is zich alleen hyperbewust van wat de hoeveelheid pigment in zijn huid, de vorm van zijn hoofd, de stand van zijn jukbeenderen en de structuur van zijn haar betekenen voor zijn status.
De Chileen is geen racist, hij is creatief. Hij heeft zo zijn eigen fantasieën over zijn plek in de wereld en vindt zichzelf net zo westers als een Belg of een Zweed, en in het diepst van zijn wezen rekent hij zichzelf tot het blanke ras, gewoon, omdat hij zich geen indiaan voelt en nog minder een zwarte. Zo eenvoudig is het. Van het woord ‘mesties’ wordt de Chileen onrustig, want als hij dat zou gebruiken, zou hij toegeven dat hij van gemengd bloed is. En daar wordt hij ongemakkelijk van. Bovendien weet hij niet hoeveel indiaans bloed hij heeft, want geen Chileen neemt de moeite om zijn stamboom na te pluizen op Picunche-oma’s of Diaguita-opa’s of nakomelingen van de Maule-stam. Waarschijnlijk heeft niemand dat ooit geregistreerd. Waarom zouden ze ook? Wat heeft het voor nut?
Daar komt bij dat de Chileen goede redenen heeft om te vermoeden dat zo’n verleden armoede en geweld heeft gekend, een zwarte periode die slecht combineert met zijn eigen ambities en de bewondering waarop hij kan rekenen als afstammeling van een blank geslacht. Zijn denkraam zal altijd Europees zijn: een dorpje in Extremadura waar zijn achternaam op rijmt, een Italiaans gehucht, een Baskisch dorp of – dat zou heel mooi zijn, hier kruist de Chileen hoopvol zijn vingers – een drupje Brits bloed dat aanleiding is om te kunnen opscheppen over een opa die zijn plek aan het hof inruilde voor avontuurlijke reizen naar het einde van de wereld. Want het is niet zo dat de Chileen racistisch is, hij is pragmatisch. Hij weet donders goed dat zijn indiaanse genen hem niets zullen opleveren, want in onze samenleving zijn je status en je positie afhankelijk van de afkomst die aan je uiterlijk is af te lezen. Welke kleur hebben zakenmannen en ministers? Hoe zien nieuwslezers eruit? En de actrices en acteurs die de hoofdrollen vertolken in televisie- series? Fotomodellen voor bekende kledinglijnen? Lijken zij op de mensen die op een doordeweekse dag rondlopen op het Centraal Station of in een bus zitten naar de buitenwijken? Nee.
Wij Chilenen zeggen liever dat we een lichtbruine of koffiekleurige huid hebben dan een donkere huid.
De Chileen is niet wreed, hij is solidair. Probleem is wel dat solidariteit zo ongeveer wordt aangezien voor liefdadigheid die met neerbuigende vriendelijkheid gepaard gaat
De Chileen is geen racist, hij is zich alleen hyperbewust van wat zijn huidskleur, de vorm van zijn hoofd, de stand van zijn jukbeenderen en de structuur van zijn haar betekenen voor zijn status. Hij laat dit blijken zonder dit met zoveel woorden te zeggen. Hij gebruikt met een ogenschijnlijk humoristische ondertoon een complex geheel van uitdrukkingen op basis van uiterlijke kenmerken: er zijn er met de uitstraling van hangjongeren (trainingspak, petje) en jongeren met het nette voorkomen van een kakker (polootje, kraagje). Je hebt er die eruitzien als kruimeldieven en als leden van de toekomstige elite. Wij verkneukelen ons graag om iemand met indiaanse trekken en dik, zwart haar en bewonderen de slanke meisjes met glanzend lang haar die de sociale media bevolken. Achter elk van deze creatieve taaluitingen schuilen niet alleen verschillen in uiterlijk maar ook in status en positie. Iemand met indiaanse trekken of een foute kop – om maar een greep te doen uit de o zo verfijnde beeldspraak die we gebruiken om een inheemse Chileen te typeren die de sociale ladder beklimt en te dicht bij de top komt – zal alles wat aan zijn afkomst herinnert onherroepelijk moeten wegmoffelen, alsof hij zich daarvoor zou moeten schamen of iets verkeerds zou hebben gedaan. Als een politicus aangepakt moet worden, dan doen we dat niet omdat hij fouten heeft gemaakt, niet consequent is of omdat we hem simpelweg niet mogen, nee, we richten ons op hoe hij zich presenteert, hoe hij eruitziet, vooral als hij een donkere huid heeft.
De Chileen is niet wreed, hij is solidair. Probleem is wel dat solidariteit zo ongeveer wordt aangezien voor liefdadigheid die met neerbuigende vriendelijkheid gepaard gaat. Een jaarlijks of maandelijks ritueel waarmee we onszelf eraan herinneren hoe gul we zijn voor mensen die in armoede leven of in de kou staan. Medelijden vinden we belangrijker dan respect.
Hoe reageert de weldenkende Chileen op de ordinaire en domme hysterie die de komst van Haïtianen bij een aantal opgewonden nationalisten heeft opgewekt, en op de slechte behandeling die de nieuwelingen zich dagelijks moeten laten welgevallen in de wijken waar ze rondzwerven op zoek naar werk en een dak boven hun hoofd? Hij slingert een hashtag op Twitter en herinnert ons eraan dat hij het achterachterkleinkind is van een Oekraïner en dat zijn oma uit België komt, voorwaar een schokkende onthulling waarover wij niet lichtzinnig moeten doen. Verwijzend naar zijn Europese roots maakt de progressieve Chileen ons duidelijk dat hij goed kan navoelen wat de huidige Latijns-Amerikaanse immigranten doormaken. En passant laat hij ons weten dat de Haïtianen meer dan welkom zijn en als onze hermanos behandeld moeten worden, alsof dit alles niet meer om het lijf heeft dan een weekendje weg naar zee. Zo denkt de linkse Chileen en dat tikt hij op in een goedbedoelde maar belerende tweet vol culturele vooroordelen, die hun fundament hebben in de geschiedenis van ontheemding en segregatie die de meeste Chilenen die met die immigranten moeten samenleven met elkaar gemeen hebben. De weldenkende Chilenen beseffen niet dat deze bevolkingsgroep het doelwit is van het politieke discours dat een zwakkere groep in de samenleving nodig had waarop de eigen frustraties geprojecteerd kunnen worden. De weldenkende Chilenen zouden intussen moeten weten dat de feiten – het werkelijke aantal immigranten, wat hun komst betekent voor de werkgelegenheid, dat ze de staatskas spekken omdat ze geld uitgeven – de angst waar politici gebruik van maken voor electoraal gewin of om hun positie te behouden niet zal wegnemen. Het gaat hier om politiek en niet om good vibes.
Soort eilandbewoner
De Chileen, ten slotte, is geen vreemdelingenhater, maar een soort van eilandbewoner die hoogst gevoelig is voor de hoeveelheid pigment in zijn huid. De immigranten uit Haïti schudden die karaktertrek op en maken het beest wakker dat daar altijd heeft liggen slapen, maar dat we eeuwenlang hebben geprobeerd te negeren om de vieze adem die uit zijn ingewanden opborrelt niet te ruiken en de pijn van zijn beet niet te voelen.
Populaire krant, opgericht in 1950, die voornamelijk gelezen wordt door de middenklasse in Chili. Op zondag worden er nog eens 63.000 extra exemplaren verkocht.
Óscar Contardo (1974) is journalist en auteur van verschillende boeken over het sociale leven in Chili. Hij wordt gelauwerd voor zijn columns en kronieken, en kreeg de Altazor-debuutprijs voor het boek Raro (Vreemd).
Op 9 april kondigde de Chileense president Sebastián Piñera een hervorming van de immigratiewetten aan. Op Twitter vertolkte hij zijn filosofie achter het vraagstuk: ‘Een nieuwe wet die onze deuren opent voor diegenen die op legale wijze Chili binnenkomen en zulks doen om bij te dragen aan de ontwikkeling van ons land. En die de deuren sluit voor diegenen die proberen op illegale wijze binnen te komen […]’
Chili heeft te maken met een ongekende immigratiegolf, sinds 2016 met name vanuit Venezuela, waar een scherpe crisis heeft toegeslagen, en vanuit Haïti, waar de diepe armoede voortduurt. In vier jaar tijd is het aantal immigranten verdubbeld tot momenteel één miljoen, oftewel 5,5 procent van de totale bevolking van Chili.
Eenderde van de immigranten komt illegaal de grens over, bericht de digitale krant El Mostrador. De nieuwe wet voorziet in het legaliseren van de situatie van 300.000 illegalen, maar het komt er uiteindelijk op neer dat een toeristenvisum wordt omgezet in een tijdelijk visum dat toegang biedt tot de arbeidsmarkt. Volgens de wet moet vervolgens vanuit het land van herkomst een werkvergunning worden aangevraagd.
Sinds 16 april krijgen Venezolanen een speciaal visum dat een jaar geldig is, eenmaal kan worden verlengd en waaraan het recht verbonden is om een permanente verblijfsvergunning aan te vragen. Voor Haïtianen daarentegen geldt dat zij het land slechts kunnen binnenkomen op een toeristenvisum dat een maand geldig is en eenmaal kan worden verlengd voor een periode van negentig dagen, ‘zonder de mogelijkheid om te immigreren, te verblijven of betaalde activiteiten te ontplooien’, zo staat te lezen op de officiële website van het Chileense ministerie van Arbeid.
Op BBC Mundo, de Spaanstalige tak van de BBC, zegt een Haïtiaan die in Chili verblijft dat de bevolking daar ‘niet gewend is aan zwarte immigranten en zich afvraagt of al die Haïtianen eigenlijk niet van plan zijn om van land te wisselen’.
In het Britse Gibraltar heeft de naderende Brexit de altijd sluimerende angst voor Spanje weer aangewakkerd. Maar één ding is zeker: ‘We zijn en blijven Brits. We zullen overleven.’
Op het menubord van het café om de hoek van het regeringsgebouw van Gibraltar staan niet alleen dagschotels – onder meer gebakken kaas-en-chorizoballetjes en Schotse egg-and-chips – maar ook adviezen: ‘Keep calm en eet Britse fish-and-chips’, lezen we op een bord bij de deur. ‘Keep calm en drink tinto de verano’, raadt een ander aan.
Er werden veel comfort food-schotels en wijnspritzers besteld toen de zon op 24 juni 2016 boven de Rots opkwam. Maar de vreugde en opluchting waarmee het nieuws werd begroet dat 96 procent van de kiezers in Gibraltar zich had uitgesproken voor het EU-lidmaatschap, zakten in naarmate de referendumnacht langer duurde. ‘Het werd langzaam duidelijk dat het elders niet dezelfde kant uitging,’ herinnert vicepremier dr. Joseph Garcia zich met gevoel voor understatement. ‘We zitten in een positie waarin we niet willen zitten,’ aldus Garcia. ‘Wij vertrekken ook [uit de EU], en we willen nu een zo goed mogelijke deal sluiten.’
Gibraltar liet er geen gras over groeien: eind 2016 presenteerde het een rapport over de economische effecten van het vertrek uit de EU, en recentelijk sloot het een overeenkomst met de Britse regering over de toegang tot de Britse markt voor zijn sectoren ‘financiële diensten’ en ‘onlinekansspelen’.
Omdat naar schatting twintig procent van de autoverzekeringen in het VK wordt verkocht door verzekeraars in Gibraltar, en zestig procent van alle inzetten op onlinekansspelen wordt afgesloten bij bedrijven op de Rots, heeft de overeenkomst de belangrijkste Brexit-angsten wat getemperd.
‘Het is een geruststelling dat alles nu is uitgekristalliseerd, en dat we onze klanten kunnen vertellen dat alles gewoon doorgaat,’ zegt Christian Hernandez, voorzitter van de Kamer van Koophandel van Gibraltar.
Minder zeker is wat er met de grens gaat gebeuren. De grensovergang werd in 1969 op bevel van Franco gesloten en werd pas weer geopend in 1985, toen Spanje zich voorbereidde op toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap.
Enkele uren nadat de resultaten van het Brexit-referendum bekend werden, stelde de toenmalige Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, José Manuel García-Margallo, dat Spanje een hard standpunt zou innemen in de Brexit-onderhandelingen. Volgens hem had de uitslag het vooruitzicht om de Spaanse vlag te zien wapperen boven het lang betwiste gebied dichterbij gebracht.
‘Wij zullen nooit een soevereiniteitsprijs betalen voor toegang tot een markt,’ reageerde de premier van Gibraltar, Fabian Picardo. ‘Gibraltar zal nooit Spaans zijn, noch in zijn geheel, noch gedeeltelijk.’
‘Onze angst is dat Spanje, zodra we niet meer worden beschermd door het EU-recht, gebruik zou kunnen maken van de grens en erg lastig zou kunnen doen’
Margallo is intussen vertrokken en vervangen door een gewiekstere carrièrediplomaat, Alfonso Dastis. Die heeft uitgesloten dat de grens wordt gesloten. Onlangs zei Dastis dat Spanje hoopte vóór oktober met Groot-Brittannië een bilaterale overeenkomst over Gibraltar te sluiten om een overgangsovereenkomst over de Brexit niet in de weg te staan.
‘We willen de besprekingen tussen de Europese Unie en het VK niet gijzelen,’ zei hij tegen Reuters.
Maar toch blijven mensen zich zorgen maken. ‘Onze angst is dat Spanje, zodra we niet meer worden beschermd door het EU-recht – als EU-burgers vallen we onder het vrij personenverkeer –, gebruik zou kunnen maken van de grens en erg lastig zou kunnen doen,’ aldus Garcia. ‘We weten niet welke mate van doorstroming er zal zijn aan de grens. Wij willen een frictieloze grens, of eentje die zo frictieloos mogelijk is.’
De regering van Gibraltar hamert erop dat handhaving van de huidige situatie het best zou zijn voor de mensen aan weerszijden van de grens. Garcia wees erop dat dertienduizend mensen – onder wie achtduizend Spanjaarden – dagelijks de grens met Gibraltar passeren om er te werken.
En, wat nog belangrijker is, al het bouwmateriaal komt uit Spanje. Deze factoren, samen met de uitgave van jaarlijks 500 miljoen euro aan Spaanse goederen en diensten, maken Gibraltar tot de op een na grootste werkgever in het naburige Andalusië, na de regionale overheid.
Altijd Brits
Garcia en Picardo hebben bijeenkomsten gehad met Spaanse politici, vakbonden en Kamers van Koophandel om het belang van een zachte grens te benadrukken, evenals van ‘een verstandige, ordelijke en zorgvuldig gemanagede Brexit’.
Maar als de huidige goede betrekkingen verzuren en als Spanje zijn veto gebruikt om Gibraltar uit te sluiten van een Brexit-deal tussen de EU en het VK, sluit de regering [van Gibraltar] niet uit dat de rechten en privileges van de Spanjaarden en andere EU-burgers die in het gebied wonen en werken worden herroepen.
Een ‘harde’ grens en een scherpe controle van grensarbeiders zou desastreus zijn voor de Spaanse stad La Línea de la Concepción, die is opgeleefd door de handel met Gibraltar. ‘La Línea is een tafel met maar drie poten,’ zegt Juan José Uceda van de vereniging van Spaanse werknemers in Gibraltar. ‘Twee ervan vormen samen de economie van Gibraltar, met de handel en de banen. Als die afbreken, stort de tafel in elkaar.’
De grens ‘is altijd mikpunt geweest van de woede van de Spaanse regering over Gibraltar,’ voegt hij eraan toe. ‘In La Línea maken de mensen zich nu zorgen dat de stad weer in het slop zou raken zoals toen Franco de grens sloot. Dan zouden we weer in 1969 zitten en daar is iedereen bang voor. Er is geen ander werk hier, voor niemand, jong of oud.’
Anderen zijn minder ongerust over de komende maanden en jaren. ‘Als je de grenzen dichtgooit, komen er rellen,’ aldus Alex Park, eigenaar van de Victoria Tavern in de hoofdstraat. ‘Natuurlijk zou één man ervoor kunnen zorgen dat Gibraltar vastloopt, als ze iedere auto gaan controleren. Maar de afgelopen maanden ging het prima.’
Park geeft toe dat er onzekerheid is – ‘what will be, will be’ – en plaatst vraagtekens bij de toezeggingen van Madrid aan Andalusië: ‘Het is altijd een lastige regio geweest.’
Maar over één ding is hij kristalhelder: ‘Over onze soevereiniteit wordt niet onderhandeld. We zijn Brits en we zullen altijd Brits blijven. Die vlag zal nooit worden gestreken. We zijn Britser dan de Britten en we zijn echte overlevers.’
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 146.766
Onafhankelijk kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Online een van de grootste kranten ter wereld.
Vroeger hadden de Ieren een harde grens met Engeland toegejuicht. Maar nu de Brexit nadert vinden ze het jammer, schrijft de Ierse columnist Fintan O’Toole. ‘De tijd dat Iers-zijn het tegenovergestelde was van Engels-zijn is voorbij.’
Die zomer hing in Londen een soort hitte die ik in Ierland nog nooit had gevoeld, zo drukkend en benauwd als je alleen in heel grote steden meemaakt. Het was 1969, ik was elf en dit was mijn eerste dag in Engeland. Samen met mijn vader en mijn broer was ik met de boot van Dublin naar Liverpool gekomen. Met de bus waren we door de Midlands gereden, een intens onbekend landschap van autowegen, benzinestations en reusachtige energiecentrales. Mijn vaders neef Vincent had ons opgewacht bij het busstation en een volgende bus bracht ons naar East End, waar we logeerden bij mijn moeders zus Brigid. Brigid was een non, dus eigenlijk logeerden we in een katholiek klooster.
Vanwege de hitte en het vooruitzicht van drie dagen achter de kloostermuren besloot mijn vader dat hij wel een biertje kon gebruiken. Dus mijn vader en Vincent lieten mijn broer en mij met een flesje Fanta achter op een laag muurtje en verdwenen zelf de kroeg in. Ik weet nog dat ik op dat muurtje hard op mijn rietje zat te zuigen om de paniek te onderdrukken. We waren alleen in Engeland, van iedereen verlaten, op een wezensvreemde plek. ‘Engeland’ was een angstaanjagend begrip voor me.
Uit de geschiedenislessen op school wist ik dat de Engelsen alleen maar slechte dingen tegen de Ieren hadden gedaan. En ik wist dat de kern van al die slechtigheid het protestantisme was. Er was maar één waar geloof en dat dat was natuurlijk het katholicisme, dus Engeland was in principe al abnormaal. Je wist nooit wat je van zulke mensen kon verwachten – alleen dat ze niet aardig waren.
De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen
Toen kwam er over de weg een enorm grote man aan in een wapperend wit gewaad, en zijn lengte werd nog geaccentueerd door een hoge muts van luipaardbont. Hij had een gevolg van vijf of zes mannen, ook in het wit, zij het minder flamboyant. Hij was kennelijk een soort hoogwaardigheidsbekleder, een koning of een stamhoofd. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag me kijken en op zijn gezicht verscheen een grote glimlach. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en zei in een voor mij onbekende taal iets tegen zijn kompanen. Hij vroeg: ‘Geniet je van je fles prik?’ ‘Prik’ was een woord dat we in Ierland niet gebruikten voor frisdrank, maar ik wist wat het betekende. Ik kende het woord uit de Britse stripverhalen die we verslonden. Het verbaasde me dat hij mijn broer en mij voor Engelsen hield. Ik wilde hem uitleggen dat hij zich vergiste, dat wij net als hij buitenlanders waren. Maar ik was te perplex om iets te kunnen zeggen en hij vervolgde majestueus zijn weg.
Soms vraag ik me af wat ik als elfjarige tegen dat koninklijke personage zou hebben gezegd als ik in staat was geweest om mijn gevoelens uit te spreken. Stel dat hij mijn protest had weggewuifd: ‘Ik vind jou er Engels uitzien, dus wat is het probleem?’ Stel dat hij had gevraagd wat we daar überhaupt deden. Dan had ik moeten uitleggen dat mijn oom Vincent die in het café achter ons zat, uit het arbeidersmilieu in Dublin was weggegaan en erin geslaagd was om af te studeren op de universiteit van Oxford. En dat we logeerden bij mijn tante, de non, die als verpleegster in East End werkte. En dat we daarna in Maidstone zouden logeren bij mijn vaders broer Kevin die foerier was in het Britse leger en op de Tories stemde. En dat we daarna zouden logeren bij mijn moeders broer Pete en zijn vrouw in Manchester; hij was buschauffeur en zij stemden Labour.
En dat al hun kinderen – de neven en nichten die Engels met het plaatselijke accent spraken – net zo waren als ik: we speelden dezelfde spelletjes, keken naar dezelfde tv-programma’s, luisterden naar dezelfde popmuziek en we konden meteen goed met elkaar opschieten omdat we familie waren.
Ik weet niet of hij ervan overtuigd zou zijn dat mijn Iers-zijn iets meer was dan een kleine lokale variatie op het Engels-zijn. Het was natuurlijk veel meer – en dat is het nog steeds. Het Iers-zijn is niet iets wat je hoeft te bewijzen. Maar het ligt ook weer niet zo simpel en het is zeker niet wat ik als jongetje dacht dat het was: het tegenovergestelde van Engels-zijn.
Meerduidig en complex
Relaties binnen wat we nu ‘de eilanden’ noemen zijn meerduidig en complex. Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland en de Ierse Republiek vormen een soort matrix, maar die verschuift voortdurend en is nooit stabiel. De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen. Engeland was industrieel, dus Ierland moest zijn onderontwikkelde en gedeïndustrialiseerde economie tot deugd verheffen. Engeland was urbaan, dus Ierland moest een exclusief rustiek imago van zichzelf creëren. De Engelsen waren wetenschappelijke rationalisten, dus wij moesten als Ieren de mystieke dromers van dromen zijn. Zij waren Angelsaksen, dus wij waren Keltisch. Zij hadden een monarchie, dus wij een republiek. Zij ontwikkelden een welvaartstaat, dus wij vertrouwden op de genade van de liefdadigheid.
Maar zo simpel was het leven niet. Mijn tantes en ooms waren dolblij met hun werk in de fabriek en de dienstverlening in Engelse steden. Ze emigreerden niet zozeer naar Engeland als wel naar de welvaartsstaat. De Ieren hielpen de National Health Service opbouwen en genoten van de voordelen ervan. Ze maakten gebruik van de onderwijsmogelijkheden die de Britse sociale democratie hun bood. En hoewel ze zeker wel racistische trekjes hadden, genoten ze van het leven in een multi-etnische samenleving.
Hoewel het katholicisme een belangrijk punt van onderscheid was, gaven veel Ieren er de voorkeur aan om in Engeland te wonen omdat ze dan verlost waren van seksuele vooroordelen. Zes jaar na mijn eerste bezoek werkte ik als zeventienjarige in de zomervakantie in een bioscoop in Piccadilly Circus. Daar werd me voor het eerst gevraagd: ‘Ben je homo of hetero?’ Me bijna verontschuldigend mompelde ik dat ik hetero was – verontschuldigend omdat ik me meteen realiseerde dat bijna iedereen die daar werkte homo was. De manager was homo en hij nam homo’s in dienst om van het bedrijf een soort veilige haven te maken. Ik had de baan gekregen op basis van een verkeerde inschatting, maar ik werd getolereerd. Het was voor mij een belangrijke, zij het wat vreemde ervaring: ik kon even meemaken hoe het was om tot een seksuele minderheid te behoren.
Op verschillende manieren betekende Engeland dat voor veel Ieren: het land leerde ons dat ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ willekeurige typeringen waren. In Ierland maakten de meesten van ons deel uit van een meerderheidscultuur; in Engeland moesten we leren wat het was om tot de weinigen te behoren in plaats van tot de velen. Dus we hadden twee verschillende ideeën over Engeland: als het tegenovergestelde van Ons en als een plek waar Wij iets veel ruimers betekende.
Maar de opvatting dat Ierland en Engeland elkaars tegenovergestelde zijn is allang achterhaald. Ierland is veel minder katholiek en Engeland veel minder protestants; in elk geval speelt religie een veel minder belangrijke rol in de identiteit van beide landen dan vroeger. De historische vijandigheid heeft plaatsgemaakt voor intense samenwerking en een gedeeld belang in vrede. En wellicht het belangrijkste: Engeland en Ierland zijn niet langer de tegenovergestelde nationaliteitspolen op de ‘eilanden’ – Wales en in het bijzonder het zelfstandigere Schotland zijn veel assertievere delen van de matrix.
Het wegvallen van deze simplistische tegenstelling is alleen maar goed. Maar de andere, positievere, kant van de oude tegenstelling is ook aan het verdwijnen, deels omdat Ierland is veranderd. De tijd is allang voorbij, bijvoorbeeld, dat Ieren de zee moesten oversteken om het leven in een multi-etnische samenleving te ervaren – de sinds de jaren negentig snel toenemende immigratie heeft ertoe geleid dat ze dat ook in hun eigen land kunnen ervaren. De strijd is ook voorbij dat LHBT-ers het gevoel hadden dat ze naar Engeland moesten om een tolerantere cultuur te vinden. Ierse vrouwen gaan nog steeds wel naar Engeland voor een abortus die ze in hun eigen land niet kunnen krijgen, maar die tijd zal ook langzaam voorbijgaan nu Ierland op het punt staat de strenge abortuswet te veranderen. Als Engeland in mindere mate een toevluchtsoord is voor Ieren, komt dat deels doordat er minder is om voor te vluchten.
Paradox
Als de tegenstellingen waar we aan gewend waren verdwenen zijn, blijft voor ons de paradox over: de Ierse Zee heeft nog nooit zo smal geleken en de twee kanten zijn nog nooit zo gelijk geweest. Toch zullen Ierland en Engeland binnenkort wellicht meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er dan een EU-grens tussen ligt. Er was natuurlijk een tijd dat veel Ieren van zo’n situatie zouden hebben gedroomd, dat nationalisten niets liever wilden dan dat de hoogst mogelijke barrières tussen Ierland en Engeland werden opgeworpen.
Maar nu kom je bijna geen Ier meer tegen die het niet diep betreurt. Dat zegt op zichzelf al veel. Onder al dat politieke gedoe heeft alles zich heel fatsoenlijk geschikt, in een over het algemeen tevreden nabuurschap. Na zo veel eeuwen van verbittering is dat geen sinecure. De Engelsen en de Ieren hebben onderling geen problemen meer. En juist het feit dat er geen problemen meer zijn is nu een big deal.
In 1859 opgericht door protestanten. Tegenwoordig staat de krant onder controle van een groep ‘trustees’, die de politieke en religieuze onafhankelijkheid bewaakt. The Irish Times heeft nog altijd een groot correspondentennetwerk en vele prominente ‘pennen’.
Wetenschappers zijn verrukt over de vervijftigvoudiging van het aantal diersoorten op een eilandje
in West-Bengalen. Als toerist mag je er voorlopig niet heen.
Tot 1990 was het nieuw ontstane eiland Nayachar in de monding van de Hooghly-rivier in West-Bengalen helemaal kaal, er leefden nauwelijks planten of dieren. Het is ontstaan door aangroeiend rivierslijk en lag aanvankelijk grotendeels onder water, al kwamen de overstroomde gedeeltes bij lage waterstanden af en toe droog te staan.
In oktober 2017 publiceerde de Zoological Survey of India(ZSI) echter een onderzoek getiteld ‘Studies on the succession and faunal diversity and ecosystem dynamics on Nayachar island, Indian Sundarban delta’ [Onderzoek naar de successie en faunadiversiteit en ecosysteemdynamiek op het eiland Nayachar, de Indiase delta van Sundarban]. Daarin worden 151 op het eiland levende diersoorten beschreven, wat Nayachar tot een zeldzaam ecologisch gebied maakt.
Niet alleen zag het eiland het aantal diersoorten dramatisch toenemen, ook groeide het de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk in oppervlakte
‘Deze unieke publicatie laat zien hoe een nieuw ontstane landmassa stukje bij beetje aan diverse groepen organismen een habitat kan bieden’, vertelt ZSI -directeur Kailash Chandra. Vóór hem hield A.K. Hazra zich al sinds 1989 met het onderzoek bezig. Ook deze laatste noemt de studie het eerste onderzoek in zijn soort in India. ‘De bedoeling is om inzicht te krijgen in de stabilisering van de bodem op een nieuw ontstaan eiland, en in de successie van levende organismen in een nieuwe habitat. Toen wij het eiland in 1989 voor het eerst in kaart brachten, vonden we maar drie soorten ongewervelde bodemdieren. Twee jaar later was dit aantal verdubbeld en eind jaren negentig telden we 76 ongewervelde diersoorten, zowel ondergrondse als bovengrondse. Momenteel leven er al 151 soorten, en niet alleen ongewervelden.’
Een andere wetenschapper van het ZSI, specialist in ongewervelde bodemdieren Gurupada Mandal, vertelt dat kort na het verschijnen van protisten (eencellige organismen) op het eiland, wetenschappers ook zoutminnende microfauna vonden uit de geslachten acarina [spinachtigen, zoals mijten en teken] en collembola [springstaarten; de zespotigen], die onder de grond leven.
‘Nayachar is een mangrove-ecosysteem; we zagen hier een unieke successie van diersoorten. Tot dusver vonden we twintig soorten microfauna, acht acarina- en zes collembolasoorten’, aldus Mandal.
Niet alleen zag het eiland het aantal diersoorten dramatisch toenemen, ook groeide het de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk in oppervlakte. Uit satellietdata blijkt dat het eiland tussen 1967 en 2015 van 18 vierkante kilometer groeide tot ruim 46 vierkante kilometer.
In elke groep nam het aantal diersoorten toe. Het artikel noemt bijvoorbeeld 27 vissoorten, terwijl dat er in 1992 nog maar 12 waren. Het aantal vogelsoorten nam sinds 1992 toe van 6 tot 37.
Zoogdieren, vooral ratten, muizen, vleermuizen en eekhoorns, namen in diezelfde periode toe van 3 tot 11. Ook biedt het eiland een thuis aan 33 soorten vlinders en motten, waar dat er in 1992 nog maar 7 waren. ‘De kolonisatie door zo veel diersoorten is interessant omdat het eiland aan alle kanten omringd wordt met water en de dichtstbijzijnde landmassa – het zinkende eiland Ghoramara – dertig kilometer verderop ligt. De natuurlijke successie van diersoorten op het eiland wordt in de hand gewerkt omdat het bij vloed overstroomt en omdat vissers aarde meebrengen van elders’, vertelt Hazra. De vissers komen van andere eilanden in de deels bewoonde Sunderban-archipel waarvan het eiland deel uitmaakt.
De onderzoekers wijzen erop dat de bodemvorming en daaropvolgende veranderingen die de aanwezigheid van 151 diersoorten op het eiland mogelijk maakten, volgens een klassiek patroon verliepen. In de grond zit materiaal afkomstig van microscopische diertjes, waaruit energie en koolstofdioxide vrijkomt. Dit trapsgewijze proces draait om microfauna als collembola en acarina, wat op termijn leidt tot nitrificatie en de vorming van een humuslaag.
Nieuw eiland
De grotere dieren op het eiland leven zowel ondergronds als in de sterk toenemende begroeiing. Insecten en vissen komen af op het beschikbare voedsel in de onderwaterhabitat en de bodemvegetatie.
‘Daardoor neemt het aantal vogelsoorten toe’, aldus het artikel. Hazra vertelt dat de naam Nayachar ‘nieuw eiland’ betekent. Doordat het zo nieuw is, is het belangrijk om alle fysieke en biologische veranderingen continu te observeren. Ook moet het eiland voorlopig gevrijwaard blijven van economische activiteit. Dr. Chandra: ‘Nayachar bood wetenschappers de zeldzame kans om de successie van diersoorten vanaf het allereerste begin te bestuderen.’
The Hindu staat bekend om zijn centrum-linkse politieke opvattingen, onafhankelijke analyses en genuanceerde standpunten.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.