Tag: elite

  • Superrijken handelen steeds egoïstischer. Wat betekent dat voor de samenleving?

    Superrijken handelen steeds egoïstischer. Wat betekent dat voor de samenleving?

    Vandaag de dag verzetten de allerrijksten zich tegen belastingverhogingen en financieringen voor hulpprogramma’s, wat historisch gezien uitzonderlijk is. Volgens econoom Guido Alfani snijdt de elite zichzelf hiermee in de vingers.

    Gedurende een groot deel van de westerse geschiedenis zijn de rijkste mensen door hun gemeenschap met scheve ogen bekeken en hebben ze geprobeerd in een gunstiger daglicht te komen door hun samenleving financieel te hulp te schieten in tijden van crisis, zoals tijdens epidemieën, hongersnoden en oorlogen. Deze symbiotische relatie bestaat niet meer. De hedendaagse rijken, die hun vermogen over het algemeen veilig door de Grote Recessie van 2008 en de recentere coronapandemie hebben geloodst, verzetten zich tegen pogingen om hun rijkdom af te romen voor de financiering van allerlei hulpprogramma’s.

    Dit is historisch gezien uitzonderlijk. Het financieel bijspringen tijdens grote crises is lange tijd de belangrijkste sociale functie van de rijken binnen de westerse cultuur geweest. Wanneer in het verleden het idee bestond dat de rijksten ongevoelig waren voor de benarde toestand waarin de massa verkeerde, en al helemaal wanneer ze een slaatje uit die toestand leken te slaan (of daar alleen maar van verdacht werden), zorgde dat voor maatschappelijke onrust, die ontaardde in rellen, opstanden en geweldpleging jegens rijken. Aangezien geschiedenis de onaangename hebbelijkheid heeft zich te herhalen, zouden we er goed aan doen de huidige ontwikkelingen, inclusief het onvermogen van wetgevers om de belasting voor rijken te verhogen, vanuit een langetermijnperspectief te bezien.

    Zondaars

    Laten we beginnen met de overweging dat westerse samenlevingen altijd moeite hebben gehad met de aanwezigheid van zeer rijke, of zelfs supperrijke individuen. Middeleeuwse theologen beschouwden rijke mensen als zondaars en vonden dat het vergaren van grote sommen geld ontmoedigd moest worden. Op zijn minst werd van de rijken verwacht dat ze het niet al te breed lieten hangen en dat ze omwille van hun zielenheil met gulle hand aan goede doelen schonken.

    Maar toen nieuwe ontwikkelingen op het gebied van handel en geldwezen mensen in staat stelden vermogens van nooit eerder vertoonde omvang op te bouwen, kon de aanwezigheid van extreem rijke individuen binnen de gemeenschap niet langer als een anomalie worden afgedaan. Vanaf de vijftiende eeuw werd, om te beginnen in de economisch meest ontwikkelde gebieden van Europa zoals Midden- en Noord-Italië, aan rijke mensen een specifieke sociale rol toebedeeld, namelijk die van particuliere geldbron waarop de gemeenschap in tijden van nood een beroep kon doen.

    Niemand bracht dit beter onder woorden dan de Toscaanse humanist Poggio Bracciolini. In zijn in 1428 voltooide traktaat ‘De avaricia’ (‘Over hebzucht’) betoogde hij dat ‘steden die er traditiegetrouw openbare graanschuren op nahouden bij wijze van voedselreserve ook in ruime mate dienen te beschikken over inhalige lieden, teneinde een soort particuliere geldschuur te vormen die eenieder van dienst kan zijn’.

    Er is historisch bewijs te over dat overal in de westerse wereld de rijken zich eeuwenlang op de meest uiteenlopende manieren van hun taak als geldschuur hebben gekweten, bijvoorbeeld door akkoord te gaan met het betalen van extra belasting in tijden van crisis of het verstrekken van leningen aan regeringen. In de vroegmoderne tijd ging het daarbij vaak om wettelijk afgedwongen leningen aan overheden, al moeten we ervoor waken deze als louter arbitrair machtsmiddel te beschouwen omdat ze niet waren voorbehouden aan absolute monarchieën maar ook, met name in oorlogstijd, werden afgedwongen door republikeinse regeringen zoals de Venetiaanse. Sterker nog, de rijke kooplieden die de belangrijkste ‘slachtoffers’ van gedwongen leningen waren, waren ook de bestuurders van patricische republieken die begrepen dat ze met particuliere middelen bijdroegen aan het algemeen nut. Zo legde de Republiek Venetië niet alleen na de verschrikkelijke plaag van 1630 gedwongen leningen op aan haar rijkste inwoners, maar werd er ook een beroep op hen gedaan om in de periode 1645-1669 een uitputtende oorlog met het Ottomaanse Rijk te financieren – al leverden vrijwillige leningen van haar patricische onderdanen de republiek een veel groter bedrag op.

    Dit verschilt al met al weinig van het patriottisme waarmee veel rijken tijdens de wereldoorlogen inschreven op noodleningen, zoals de Liberty Bonds die de Verenigde Staten in de jaren 1917-1918 uitgaven om de geallieerde oorlogsinspanningen te financieren. Deze leningen bleken een slechte investering, aangezien de reële rente vanwege hyperinflatie geneigd was negatief uit te vallen. Maar in de twintigste eeuw was de grens tussen vrije keuze en verplichting even vaag als in de zeventiende, aangezien regeringen elke kans aangrepen om de sociale druk op rijken die niet over de brug kwamen op te voeren. Soms gingen ze nog verder: in 1917 dreigde de Britse minister van Financiën expliciet met het confisqueren van bedrijfsmiddelen als er niet een bepaald minimumbedrag zou worden opgehaald voor een nieuwe ‘vrijwillige’ oorlogslening.

    De rijksten nemen niet langer de sociale rol op zich die ze eeuwenlang hebben vervuld

    Echt nieuw aan de manier waarop de rijken in de twintigste eeuw hun bijdrage aan de oorlogsinspanning moesten opvoeren was de uitbreiding van het progressieve belastingstelsel, waarbij de schijf voor de hoogste inkomens aanzienlijk werd opgehoogd (het historische maximum in de Verenigde Staten werd bereikt in de jaren 1944 en 1945, met een percentage van 94 procent voor inkomens boven de 200.000 dollar). Ook de onroerendezaak- en erfbelasting gingen drastisch omhoog. Historisch gezien vormen oorlogen natuurlijk de beste motivatie om burgers om een hogere bijdrage te vragen, of het nu in de vorm van bloed is of van geld. Maar in de twintigste eeuw werd van de rijken ook tijdens economische crises in vredestijd, met name de Grote Depressie van de jaren dertig, verwacht dat ze aanzienlijk meer bijdroegen aan de rijksbegroting dan de rest van de bevolking. Een expliciet voorbeeld is het belastingpakket dat in de Verenigde Staten werd ingevoerd als onderdeel van Franklin Roosevelts New Deal.

    De afgelopen vijftien jaar hebben we de Grote Recessie meegemaakt, die in sommige landen eveneens tot een staatsschuldencrisis leidde, gevolgd door de ergste pandemie sinds een eeuw, een aanhoudende oorlog in Oekraïne en de dreiging van een grootschalig conflict in het Midden-Oosten. Historisch gezien zou je verwachten dat er in deze periode opnieuw bij de rijken op aan was gedrongen dat ze hun traditionele rol zouden vervullen, en in veel westerse landen hebben politici dan ook voorstellen in die richting gedaan.

    Maar tot dusver hebben de discussies nog niet tot concrete actie geleid en recente belastinghervormingen lijken weinig te hebben geholpen om de rijken meer te laten bijdragen. Uit recente gegevens over de belastinghervormingen door Europese landen in het kielzog van de coronapandemie blijkt dat de hoogste schijven van de inkomstenbelasting of, voor zover die bestaat, de vermogensbelasting maar zelden zijn verhoogd, of hooguit in bescheiden mate. In de Verenigde Staten zijn voorstellen van de regering-Biden om de belasting voor de allerrijksten te verhogen, zoals een minimaal inkomstenbelastingtarief voor miljardairs, herhaaldelijk gesneuveld door gebrek aan voldoende politieke steun.

    Dit is verontrustend. Het betekent dat de rijksten dus niet langer de sociale rol op zich nemen die ze eeuwenlang hebben vervuld. Bovendien wordt hierdoor hun positie in de maatschappij enigszins onduidelijk.

    Ook moeten we ons afvragen of de uitzonderlijke veerkracht die de rijken bij recente crises aan de dag hebben gelegd de maatschappij als geheel niet minder veerkrachtig heeft gemaakt; want als de rijken hun vermogen tegen crises beschermen, betekent dat ook dat ze het tegen extra belastingen beschermen, waardoor overheden over onvoldoende middelen beschikken om de nood van de armere lagen van de bevolking, economisch of anderszins, te lenigen. Tot op zekere hoogte hebben regeringen dit gecompenseerd door de staatsschuld te verhogen, wat de vraag oproept wie die zal aflossen. Als je bedenkt dat veel westerse belastingsystemen hun rijken niet in dezelfde mate belasten als voorheen, is het waarschijnlijk dat de mate waarin de rijken zullen opdraaien voor de rekening van de covid-19-crisis extreem veel lager zal zijn dan die gedurende eerdere crises.

    Geschonden

    Hoe is zoiets mogelijk als de meerderheid van de inwoners van westerse landen (inclusief een deel van de rijken, zoals blijkt uit de In Tax We Trust-campagne) het erover eens is dat het doodnormaal is en volledig in lijn met de geschiedenis om in deze uitzonderlijke tijden een grotere bijdrage van de allerrijksten te vragen? Een andere culturele constante in de geschiedenis van het Westen is de wijdverbreide verdenking dat als de rijkste componenten van de samenleving rechtstreeks bij de politiek worden betrokken, ze buitensporig veel invloed kunnen uitoefenen op het politieke debat. Hier was men zich bijvoorbeeld goed bewust van in de middeleeuwen, toen in Europa veel republikeinse stadsbesturen probeerden te voorkomen dat de rijkste families toegang kregen tot de hoogste openbare ambten. En ook in de moderne tijd duikt die verdenking weer regelmatig op: denk aan de discussie over de toenemende concentratie van economische en financiële macht in de Verenigde Staten gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw, die bij beide politieke partijen leidde tot de vrees dat enkele superrijke individuen een doorslaggevende stem in de nationale politiek zouden kunnen krijgen.

    Maar vandaag de dag wordt de politieke betrokkenheid van de allerrijksten in veel westerse landen voor lief genomen. In sommige gevallen zijn superrijken zelfs president of premier geworden: een vroeg voorbeeld was Silvio Berlusconi, die in 1994 voor het eerst tot premier van Italië werd verkozen. Misschien zijn de recente pogingen om de rijken meer te laten bijdragen tijdens crises wel zo uitzonderlijk onsuccesvol geweest doordat de rijken zo uitzonderlijk goed in staat zijn om het beleid te beïnvloeden. Bovendien, zo zullen de superrijken als eersten bevestigen, betalen ze in absolute zin al meer belasting dan wie dan ook, een argument dat regelrecht uit de mond van een zeventiende-eeuwse Venetiaanse patriciër had kunnen komen, ware het niet dat de patriciër zich niet genoodzaakt zou hebben gevoeld een rechtvaardiging voor zijn bevoorrechte fiscale behandeling te verschaffen.

    Als de rijken actief hebben geprobeerd een hogere fiscale bijdrage te ontlopen, dan hebben ze zichzelf (en iedereen) daarmee misschien wel in de vingers gesneden. In veel westerse landen is het electorale succes van partijen die duidelijk tegen de gevestigde orde en de rijken zijn gekant vermoedelijk het gevolg van een wijdverbreide afkeer van een economische (en politieke) elite die als egocentrisch en opportunistisch wordt beschouwd. Dat de rijken een eeuwenoud sociaal contract hebben geschonden door de deuren van hun geldschuren dicht te houden, zal daarbij naar alle waarschijnlijkheid een rol spelen.

    Guido Alfani is hoogleraar economische geschiedenis aan de Bocconi-universiteit in Milaan.

  • De ‘afgeraden’ maar luxueuze vakanties van de Russische elite

    De ‘afgeraden’ maar luxueuze vakanties van de Russische elite

    Na een reeks schandalen worden Russische ambtenaren en volksvertegenwoordigers ‘aangemoedigd’ om hun vakantie niet in het buitenland door te brengen. Maar dit lijkt alleen te gelden voor bestuurders van de tweede garnituur.

    ‘Mi amigos, como estas? Mando felicidad, mando salud en año nuevo!’ De man in zwembroek, bloemetjeshemd en strohoed spreekt krakkemikkig Spaans, maar wel met de perfecte ongedwongen air van een vakantieganger. Meer op zijn gemak gaat hij verder in het Russisch: ‘Hallo broeders, gelukkig nieuwjaar! Ik wens jullie veel geld toe, veel geluk, en ik neem een kleine cocktail…’ Hij voegt de daad bij het woord en giet twee flesjes bier bij een onbekende vloeistof in een grote pul. De camera toont daarna het aanlokkelijke Mexicaanse strand waarop dit tafereel zich afspeelt.

    De eerste week van januari, van oudejaarsavond tot het orthodoxe kerstfeest, is heilig in Rusland. Het hele land is in winterslaap, bedrijven en overheidsdiensten zijn dicht. Iedereen voelt zich even vrij om te doen wat hij wil: een week lang drinken, zich tegoed doen aan een [traditionele Russische] salade Olivier, oude Sovjetfilms kijken op televisie of wandelen over de ideale stranden van de Caraïben of Thailand…

    de1bb35 1673939293424 vassilev
    Maksim Vasiljev, een parlementslid uit de regio Koersk (Rusland) op een strand in Mexico, in een video op Telegram, 7 januari 2023.

    Maar de huidige periode in Rusland is helemaal zoals anders en onze Mexicaanse cocktailliefhebber is niet zomaar iemand. Het betreft Maksim Vasiljev, afgevaardigde in het parlement voor de regio Koersk. Zijn vrouw Svetlana, die hem filmt, is gemeenteraadslid in de dezelfde stad en ook lid van de regerende partij Verenigd Rusland.

    Dergelijke luchtigheid is in deze periode van de ‘speciale operatie’ in Oekraïne niet echt welkom. Reizen in bepaalde delen van de wereld is een logistieke krachttoer geworden. De overgrote meerderheid van de Russen worstelt al een decennium met dalende koopkracht en sommige Russen slapen voornamelijk in bevroren loopgraven aan het Oekraïense front. De regio Koersk wordt bijna dagelijks beschoten.

    ‘Wraak van Wagner’

    Deze video van Vasiljev, die op 7 januari verscheen op een lokaal Telegram-kanaal, veroorzaakte tandengeknars bij de bevolking, maar leidde vooral tot felle reacties van politiek leiders. De gouverneur van Koersk eiste sancties en zei dat hij ‘extreem pissig’ was. De secretaris-generaal van Verenigd Rusland, Andrej Toertsjak, eiste zonder meer dat Vasiljev zou aftreden.

    Het publieke debat in Rusland kan bijzonder heftig verlopen. Toertsjak bedreigde parlementslid Vasiljev geheel in stijl ‘met de wraak van Wagner’, een verwijzing naar de buitengerechtelijke executies die door het huurlingenbedrijf worden gefilmd en verspreid. Even kenmerkend was de verdediging van Vasiljev. De gekozen functionaris verontschuldigde zich, maar schreef de verspreiding van de video toe aan ‘een vertegenwoordiger van West-Oekraïne’.

    Voor de Russische regering is momenteel alles schadelijk wat het idee kan versterken dat de elite het beter heeft dan het volk

    Voor de Russische regering is momenteel alles schadelijk wat het idee kan versterken dat de elite het beter heeft dan het volk. Vergelijkbare schandalen deden zich in verschillende regio’s voor. Twee leden van de lokale overheid hadden het nieuwe jaar in Thailand en Sri Lanka doorgebracht. Als reactie hierop dreigde de gouverneur van Oeljanovsk zelfs ambtenaren te verbieden op vakantie in het buitenland te gaan.

    Op 17 januari meldde dagblad Kommersant dat ambtenaren en gekozen vertegenwoordigers in meerdere regio’s een informeel verbod (een ‘dringende aanbeveling’) hebben gekregen. Officieel mogen militairen, politie, medewerkers van verschillende veiligheidsdiensten en burgers met schulden voorlopig niet naar het buitenland reizen. Het verbod treft in totaal ongeveer 10 miljoen mensen.

    Het lijkt erop dat de vakantiegangers die in deze controverse verwikkeld zijn de fout hebben gemaakt iets te luidruchtig hun geluk te verkondigen – met zelfs foto’s als bewijs. En dat terwijl ze slechts tweederangs leden van het Russische staatsapparaat zijn. Andrej Toertsjak staat dicht bij Vladimir Poetin en heeft dan ook nooit hoeven verantwoorden dat zijn familie een villa aan de Côte d’Azur bezit die nergens in officiële documenten staat vermeld.

    Dubai, Bali of Californië

    Het onderzoeksteam van Alexei Navalny signaleerde onder meer dat het privévliegtuig van de president van Tatarstan, Rustam Minnikhanov, tijdens de vakantieperiode een week op de Malediven stond. Minnikhanov had eerder een tussenstop in Dubai gemaakt voor een officiële afspraak met de Wereldraad voor Vrede en Tolerantie. Het vliegtuig van de Tsjetsjeense president Ramzan Kadyrov maakte op 31 december en 8 januari twee retourvluchten naar Dubai om niet-geïdentificeerde passagiers af te zetten en op te halen.

    Het team van Navalny had vlak voordat de vakantie aanbrak al een diepgaand onderzoek gepubliceerd naar de fabelachtig luxe levensstijl van onderminister van Defensie Timoer Ivanov. Hij is onder meer belast met de wederopbouw van de Oekraïense stad Marioepol. En daarnaast groot liefhebber van vakanties in Saint-Tropez.

    De Russische onderzoeksjournalistieke website The Insider, die nu in ballingschap opereert, besteedde begin januari aandacht aan de vakanties van de kinderen van de elite, uitgaande op wat gepubliceerd is op sociale netwerken. Foto’s die door haar metgezel werden geplaatst, onthulden dat de dochter van de minister van Defensie, Sergej Sjojgoe, het nieuwe jaar doorbracht in een luxehotel in Dubai. Ksenia Sjojgoe staat dan ook bekend als een zeer rijke zakenvrouw… vooral dankzij de toekenning van tal van overheidsopdrachten.

    Tussen andere bekende namen valt in Marokko de aanwezigheid op van de zoon van Sergej Chemezov, baas van Rostech en verantwoordelijk voor het toezicht op de productie van wapenfabrieken. De dochter van Sergej Narisjkin, directeur van de buitenlandse inlichtingendienst, nam enkele dagen de tijd om uit te rusten op Bali en daarna in Turkije – het land dat lid is van de Atlantische Alliantie en dat door haar vader vol overgave wordt beschimpt. Ook de dochter van Alexander Zhukov, vicevoorzitter van de Doema, werd op Bali gespot.

    De zoon van de zeer anti-Amerikaanse senator Vladimir Dzjabarov bracht zijn vakantie door in Californië. En de zoon van Valentina Matvijenko, voorzitter van de Federatieraad, koos voor de Malediven, waar hij verbleef in een hotel met kamerprijzen van 3000 euro. Deze Sergej Matvijenko bemachtigde in het verleden enorme stukken land in Sint-Petersburg, het bolwerk van zijn schoonmoeder, en haalde contracten ter waarde van miljarden roebels binnen voor de renovatie van de riolering in vele Russische steden.

    Lees ook:

  • Patrick J. Deneen: ‘De nieuwe aristocratie verbloemt haar bevoorrechte positie’

    Patrick J. Deneen: ‘De nieuwe aristocratie verbloemt haar bevoorrechte positie’

    De huidige elite houdt zich opzettelijk blind voor haar bevoorrechte positie en bekommert zich daarom niet meer om lagere klassen, stelt politicoloog Patrick J. Deneen. Zijn studenten geloven – net als Marx – dat lageropgeleiden vatbaarder zijn voor een ‘vals bewustzijn’.

    Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘

    ‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven? 

    Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.

    Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De derde in de reeks is Patrick J. Deneen, universitair hoofddocent Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Notre Dame.

    Tijdens een van de verfoeilijkste momenten in Plato’s De Staat suggereert Socrates dat de ideale stad een stichtingsmythe nodig heeft – wat hij een ‘nobele leugen’ noemt – om zich van succes te verzekeren. De mythe bestaat uit twee delen. Volgens het eerste deel stamt iedereen in de stad af van dezelfde moeder, waarmee het geloof wordt aangemoedigd dat alle inwoners van de stad een gemeenschappelijke oorsprong hebben en familie van elkaar zijn. Volgens het tweede behoort iedereen al bij de geboorte tot een bepaalde klasse op grond van zijn of haar talenten en bekwaamheden, die worden aangeduid door een metaal dat iedere ziel bij de geboorte is toebedeeld: de heersende klasse goud; ministers, soldaten en hoge ambtenaren zilver; arbeiders brons en ijzer.

    Socrates betoogt dat om de stad succesvol te laten zijn, alle burgers beide delen van de mythe moeten geloven. De mythe probeert tegelijkertijd te verenigen en te differentiëren, te verklaren wat gemeenschappelijk en verschillend is, en ondanks aanzienlijke verschillen burgerlijk patriottisme te kweken. Het eerste deel moedigt burgerlijke betrokkenheid, gemeenschappelijke opofferingsgezindheid en het geloof in een algemeen welzijn aan. Het tweede rechtvaardigt het bestaan van ongelijkheid als een permanent kenmerk van de menselijke samenleving.

    Socrates aarzelt zelfs om hardop over de mythe te spreken, omdat hij beseft hoezeer die zijn gehoor vermoedelijk tegen de borst zal stuiten. Bovendien erkent hij dat er veel overtuigingskracht nodig zal zijn – vermoedelijk generaties lang – voordat de mythe door de stedelingen wordt geaccepteerd, en ook dan zal de heersende klasse zich er vermoedelijk niet door laten overtuigen. Als er één bevolkingsgroep is die de mythe waarschijnlijk zal accepteren, oppert hij, dan is het de ongeschoolde werkende klasse.

    Bedrog

    Wanneer ik de nobele leugen tijdens mijn colleges aan mijn studenten voorleg, valt hij niet in goede aarde, zoals Socrates al had voorspeld. Zij hebben moeite met het idee dat een rechtvaardig bestel op bedrog moet zijn gegrondvest. Maar wat hun nog meer ergert is de suggestie dat de rechtvaardige stad op ongelijkheid moet zijn gegrondvest. Als goede progressieve democratische burgers verafschuwen ze de suggestie dat ongelijkheid kan worden bestendigd als een geboorterecht, en ze vereenzelvigen zich met het onrecht dat de zwaksten in de samenleving wordt aangedaan. Van de twintig jaar die ik college gaf aan Princeton, Georgetown en Notre Dame kan ik me geen enkele student herinneren die geen moeite met de mythe had. De meesten vonden hem ronduit weerzinwekkend.

    Op de vraag waarom het moeilijker zal zijn de heersende klasse van de waarheid van de nobele leugen te overtuigen, zeggen de meeste studenten te geloven dat de heersende klasse door haar hogere opleiding en grotere intelligentie beter bestand is tegen propaganda, terwijl de eenvoudige werkende klasse vermoedelijk ten prooi valt aan bedrog omdat ze haar eigen belangen onvoldoende onderkent. Door te geloven dat lageropgeleiden vatbaarder zijn voor een ‘vals bewustzijn’ kiezen mijn studenten impliciet de kant van Marx.

    Lees ook het artikel van een van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:

    Plato wil dat wij de mythe anders begrijpen. Anders dan Marx geloofde hij niet dat de leden van de lagere klasse vermoedelijk hun eigen belangen niet zouden onderkennen. De lagere klasse zal de mythe vermoedelijk accepteren omdat ze beseft dat die in haar voordeel werkt. Haar leden zijn zich er scherp van bewust dat er ongelijkheid bestaat. Dat deel van de ‘leugen’ komt hun nauwelijks als onwaar voor. Wat nieuw is, en wat in hun voordeel werkt, is het idee dat zowel de lagere als de heersende klasse gebaat is bij ongelijkheid. Dat wil zeggen, het werk van leden met edele metalen in hun ziel moet ten goede komen aan iedereen, ook aan degenen wier ziel het met onedele metalen moet stellen. Leden van de heersende klasse daarentegen zullen de mythe vermoedelijk niet geloven uit eigenbelang. Zij schrikken terug voor de bewering dat iedereen, ongeacht rang of stand, tot dezelfde familie behoort. Ze willen niet dat de voordelen die wellicht alleen hun klasse ten goede zullen komen ten bate van het geheel zullen worden aangewend.

    Alleen als iedere groep ieder deel van de ‘leugen’ accepteert, legt Socrates uit, komt er een soort sociaal contract tot stand

    Alleen als iedere groep ieder deel van de ‘leugen’ accepteert, legt Socrates uit, komt er een soort sociaal contract tot stand. Zowel de elite als de gewone man accepteert het deel van de mythe dat hun niet aanspreekt omwille van het deel dat dat wel doet. De elite geniet aanzien in een samenleving die ongelijkheid rechtvaardigt; de gewone man is het beste af in een samenleving die afdwingt dat de elite zich in dienst stelt van het geheel. In plaats van te werk te gaan als strijdende partijen, zetten beide kanten zich in voor het algemeen nut.

    Zo’n compromis is moeilijk te bereiken. Een groot deel van de rest van De Staat gaat over de vraag hoe de heersende klasse kan worden overreed, of zelfs gedwongen, haar lot aan de rest van de stad te verbinden, in plaats van de anderen simpelweg te domineren of te negeren. Omdat ongelijkheid een onmiskenbaar feit is, ziet Plato het als een grote uitdaging voor de politiek om de bevoordeelden ervan te overtuigen dat zij zichzelf als deel van het geheel moeten beschouwen.

    Vergelijk de reactie op deze ‘nobele leugen’ die Socrates van de heersende klasse verwachtte eens met de typische reactie van studenten aan elite-universiteiten. De huidige elitestudenten vinden de mythe vooral verwerpelijk omdat deze uitgaat van eeuwige ongelijkheid door de generaties heen. De onderlinge verwantschap lijkt weinig problematisch en zelfs oninteressant. Wat verklaart dat de heersende klasse van onze tijd kennelijk heel andere dingen als schandalig ervaart en zich daartegen verzet?

    Activisme

    Campussen van elite-universiteiten zijn broeinesten van activisme tegen ongelijkheid, vooral op het gebied van huidskleur, geslacht, invaliditeit en seksuele geaardheid. De afgelopen jaren hebben studenten van UC Berkeley tot Reed College geprotesteerd tegen voorbeelden van vermeende vooringenomenheid, maar weinig incidenten hebben zoveel opzien gebaard als het protest waaronder de socioloog Charles Murray op 2 maart 2017 werd bedolven op Middlebury College in Vermont. Voordat hij een woord had kunnen uitbrengen werd Murray getrakteerd op twintig minuten boegeroep van honderden studenten in zijn gehoor. Om het geplande gesprek toch nog te kunnen voeren moesten hij en zijn gastheer, professor Allison Stanger, de collegezaal verruilen voor een privévertrek. Studenten volgden hen en sloegen op de muren en ramen. Toen ze ten slotte naar buiten kwamen, ging de menigte Murray en Stanger te lijf, waarbij Stanger nekletsel en een hersenschudding opliep.

    Murray was uitgenodigd om over zijn boek Coming Apart te komen praten, een studie over de toenemende ongelijkheid tussen rijke en arme witte Amerikanen tussen 1960 en 2010. Murrays boek concentreert zich op twee fenomenen. Ten eerste wijst hij erop dat Amerikanen in afzonderlijke geografische enclaves zijn opgedeeld op grond van rijkdom, klasse en opleiding. Ten tweede wijst hij op de ongekend hoge sociale problematiek bij arme en laagopgeleide Amerikanen, zoals echtscheidingen, buitenechtelijke kinderen, misdaad, drugsverslaving, werkloosheid, faillissementen, isolatie en wetteloosheid.

    De studenten die Murray het spreken beletten komen voornamelijk uit wat Murray de ‘HPY-bubbel’ noemt, Harvard, Princeton en Yale, universiteiten waar een opmerkelijke ideologische, economische en sociale homogeniteit heerst. Een diploma van een opleiding als Middlebury College is het paspoort om in de HPY-bubbel te geraken. Je komt er niet zomaar binnen. Volgens het U.S. News and World Report bezet Middlebury samen met Pomona College de zesde plaats op de ranglijst van Amerikaanse alfa-colleges, na Williams, Amherst, Bowdoin, Swarthmore en Wellesley. In 2017 werd maar zeventien procent van de aanmeldingen geaccepteerd. Studenten moeten een gemiddelde studiepuntenscore van 1450 van de 1600 hebben. De kosten van onderwijs plus kost en inwoning bedragen ruim 64.000 dollar per jaar.

    Het gevolg was dat de elitestudenten zelfvoldaan konden volharden in hun demonstratieve steun aan het gelijkheidsbeginsel

    Je zou denken dat studenten van zo’n opleiding zeer geïnteresseerd zouden zijn in een lezing over de grondslagen en implicaties van economische en klassenverschillen in het huidige Amerika. Je zou zelfs verwachten dat als de studenten aanstoot namen aan ongelijkheid, ze zich door Murray zouden hebben laten inspireren om hun onlustgevoelens op Middlebury College bot te vieren als bestendiger van klassenverschillen of zelfs op zichzelf als gewillige deelnemers aan die bestendiging. Je zou op zijn minst hebben gedacht dat ze geïnteresseerd zouden zijn in een analyse van de rol die opleidingsinstituten spelen bij het creëren en handhaven van ongelijkheid. In plaats daarvan joelden ze, uit naam van de ongelijkheid zelf, de man uit die met hen kwam spreken over hun rol bij de bestendiging van die ongelijkheid.

    Natuurlijk was het niet het onderwerp van Murrays lezing waartegen werd geprotesteerd, maar het feit dat hij in zijn boek The Bell Curve uit 1994 statistische IQ-verschillen tussen verschillende etniciteiten ter sprake had gebracht. Maar het belangrijkste thema van dat boek was de zorg dat sociale selectie de klassenverschillen in Amerika zou vergroten, precies het soort selectie dat door eliteopleidingen als Middlebury wordt bevorderd. Het prettige gevolg van de heftige protesten tegen Murray was dat er geen verder onderzoek hoefde te worden gedaan naar de wijdverbreide klassenverschillen in het huidige Amerika, en dat de elitestudenten van de eliteopleiding Middlebury zelfvoldaan konden volharden in hun demonstratieve steun aan het gelijkheidsbeginsel.

    Eigenbelang

    Zoals veel demonstraties tegen ongelijkheid op campussen van elite-universiteiten was het protest tegen Murray een echo van het verzet van de heersende klasse tegen de nobele leugen. De heersende klasse ontkent dat ze eigenlijk een zichzelf bestendigende elite is die niet alleen bepaalde vooroordelen heeft geërfd maar die ook wil doorgeven. Om dat te maskeren omschrijven ze zichzelf als de voorhoede van het streven naar gelijkheid, waarbij ze hun hogere status in feite ontkennen, evenals het feit dat ze door het handhaven van de klassenscheiding hun minder fortuinlijke landgenoten in een erbarmelijke en gevaarlijke situatie brengen. Je komt zelfs in de verleiding te concluderen dat hun hardnekkige verdediging van het gelijkheidsbeginsel een manier is om zich te ontdoen van werkelijke verplichtingen tegenover de lagere klasse die steeds verder uit hun geografische zicht en hun denkwereld verdwijnt. Omdat ze ongelijkheid verfoeien, hoeven ze zichzelf niet bewust als een heersende klasse te beschouwen. Door te ontkennen dat het zeer in hun eigenbelang is om hun elitepositie te handhaven, gaan ze er moeiteloos vanuit dat ze in onderlinge verwantschap geloven, zolang dat hun positie maar niet bedreigt. Het deel van de nobele leugen dat de elite ooit de stuipen op het lijf zou hebben gejaagd, namelijk de aanspraak op onderlinge verwantschap, is inmiddels irrelevant; in plaats daarvan verzetten ze zich tegen het niet-egalitaire deel van de mythe dat destijds, net als nu, voor zowel de elite als de lagere klasse vanzelfsprekend zou zijn geweest. De huidige lagere klasse zal haar ongelijkheid vermoedelijk evenzeer herkennen als die van Plato. Het is de elite die vatbaar lijkt voor een ‘vals bewustzijn’.

    ‘Wanneer de kloof tussen ideaal en realiteit te groot wordt, bezwijkt het systeem’

    Het domein van de nieuwe elite is al lange tijd voorspeld en het meest overtuigend besproken door maatschappijcritici als Michael Young, C. Wright Mills en Christopher Lasch. Tot de kundigste chroniqueurs van de nieuwe elite behoort columnist David Brooks van de New York Times, die in april 2001 een essay publiceerde, ‘The Organization Kid’ getiteld, waarin hij beschreef hoe de witte Amerikaanse aristocratie werd vervangen door een meritocratie. Nadat hij verscheidene weken onder studenten op de campus van Princeton had verkeerd, concludeerde Brooks dat er aan deze regimeverandering bepaalde voordelen kleefden maar beslist ook nadelen. Een nadeel was in zijn ogen de teloorgang van het ‘noblesse oblige’, de zorg van de heersende klasse voor mensen die minder fortuinlijk waren omdat ze het minder getroffen hadden met hun geboorte en afkomst. Brooks stelde dit tegenover het oude ideaal van de witte aristocratie dat op burgerlijke, militaire en protestantse waarden was gebaseerd: ‘Het Princeton uit die dagen had tot doel geprivilegieerde mannen uit hun prominente familie te halen en hen weerbaar te maken, hun een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid bij te brengen dat was gebaseerd op de code van de gentleman en noblesse oblige. Kortom, het had tot doel hun ridderlijkheid bij te brengen.’ Noblesse oblige verschafte de oude aristocratische orde een zekere mate van legitimiteit. Het stelde de heersende klasse in staat te beweren dat hun handelen niet uitsluitend door eigenbelang werd ingegeven, maar de hele gemeenschap ten goede kwam, vooral de amen en machtelozen. Het beeld van de dolende ridder die de jonkvrouw in nood te hulp schiet was een romantische en dramatische weergave van een veel bredere ethiek, namelijk die van de sterke die de zwakke beschermt. Het ancien régime, gebaseerd op bestuur door een erfelijke aristocratie die het belang van de hele gemeenschap voor ogen had, werd omvergeworpen omdat de meeste mensen niet langer in het idee ervan geloofden. Het vleiende zelfportret dat het régime schilderde van een paternalistische en zorgzame bovenklasse werd steeds meer gezien als een door eigenbelang ingegeven rationalisering en een vorm van maatschappelijk zelfbedrog ten dienste van de status quo. Barbara Tuchman beschreef de legitimiteitscrisis van de riddercode in haar boek A Distant Mirror:

    ‘Het ideaal was handhaving van de orde door de strijdende klasse naar het voorbeeld van de Ronde Tafel, de volmaaktste vorm in de natuur. De ridders van koning Arthur namen het op tegen draken, tovenaars en goddelozen om orde te scheppen in een woeste wereld. Dus hun levende tegenhangers werden in theorie geacht te fungeren als verdedigers van het geloof, handhavers van het recht en beschermers van de onderdrukten. In werkelijkheid waren zijzelf de onderdrukkers, en in de veertiende eeuw waren geweld en de wetteloosheid van de mannen van het zwaard een belangrijke oorzaak voor wanorde geworden. Wanneer de kloof tussen ideaal en realiteit te groot wordt, bezwijkt het systeem. Uit de legendes en verhalen blijkt dit keer op keer: in de Arthurromans wordt de Ronde Tafel van binnenuit vernietigd.’

    We kunnen het er snel over eens zijn dat er een kloof bestond tussen de zelfverklaarde ethiek van het noblesse oblige en de feitelijke daden van de adelstand van het ancien régime. Maar net als degenen die het politieke bestel gedurende de middeleeuwen veelal als een vanzelfsprekend natuurlijk gegeven beschouwden, beziet de huidige elite haar meritocratische rechtvaardiging van haar status en positie maar zelden met een sceptische blik.

    Oogkleppen

    Waar de elite zich wellicht opzettelijk blind houdt voor de aard van haar positie, ziet de rest van de samenleving duidelijk waar ze mee bezig is. De opstand van de arbeidersklasse overal in het ontwikkelde Westen komt voort uit een idee van onrechtmatigheid, van een kloof tussen de aanspraken van de heersende klasse en de realiteit die wordt ervaren door degenen over wie wordt geheerst. Het is geen toeval dat het socialistisch links en autoritair rechts zijn die in opstand komen, twee stromingen die zich nu beide verzetten tegen staatskapitalisme, een heersende klasse van managers, de financialisering van de economie en globalisering. De populistische opstand daagt de liberale orde zelf uit.

    Onze heersende klasse heeft grotere oogkleppen op dan die van het ancien régime. Anders dan de oude aristocraten houden ze vol dat hun exclusieve instellingen uitsluitend door voorstanders van gelijkheid worden bevolkt. Ze gaan luidkeels prat op hun eigen deugdzaamheid en zetten zich dubbel zo hard in voor diversiteit en inclusie. Ze schilderen fanatieke ultraconservatieven af als de grote belemmering voor volstrekte gelijkheid, en niet de elite-instellingen waarvan zijzelf profiteren. De instellingen die verantwoordelijk zijn voor het scheiden van de sociale en economische winnaars van de verliezers zijn grotendeels doof voor kritiek en lopen te koop met hun onafgebroken inzet voor het gelijkheidsbeginsel. De meritocratische ideologie verbloemt de rol die de heersende klasse zelf speelt bij het laten voortbestaan van de ongelijkheid en cultiveert zelfs een bredere sociale ecologie waarbinnen degenen die niet tot de heersende klasse behoren te kampen hebben met tal van sociale en economische kwalen die steeds kenmerkender worden voor de Amerikaanse lagere klasse. Om de realiteit onder ogen te zien zouden er dringende vragen moeten worden gesteld over de agenda die aan de inzet voor ‘diversiteit en inclusie’ ten grondslag ligt. Dat is wel het minste wat je van onze zelfverklaarde toewijding aan ‘kritisch denken’ zou mogen verwachten, maar de kans is groot dat zulke vragen zullen worden weggewimpeld, soms op een gewelddadige manier, op de hedendaagse campussen.

    Lees ook het artikel van een van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:

    Uit gelijkheidscampagnes die zich eerder op de inclusie van identiteitsgroepen richten dan op een onderzoek naar de klassenscheiding blijkt een ontstellend gebrek aan nieuwsgierigheid naar de medeplichtigheid aan een systeem dat de status van de elite generaties lang heeft veiliggesteld. Aandacht voor diversiteit en inclusie op grond van ‘ascriptieve’ kenmerken als ras, geslacht, invaliditeit of seksuele geaardheid stelt de heersende klasse in staat de klassenverschillen over het hoofd te zien en zich te concentreren op ongekozen vormen van identiteit. Diversiteit en inclusie passen keurig in de meritocratische structuur en houden de structuur van de nieuwe aristocratische orde stevig in het zadel.

    Harvard heeft mooi praten met haar verzet tegen uitsluiting: in 2017 werd maar vijf procent van de aanmeldingen gehonoreerd

    Dit verklaart mede de merkwaardige en vaak hysterische nadruk die de meeste elitaire en exclusieve instellingen in de VS op het gelijkheidsbeginsel leggen. Het meest recente absurde voorbeeld was de officiële poging van Harvard University om, in de woorden van haar bestuursvoorzitter, gezelligheidsverenigingen op te heffen vanwege hun rol ‘in het handhaven van vormen van bevoorrechting en uitsluiting die strijdig zijn met onze diepste waarden’. Harvard heeft mooi praten met haar verzet tegen uitsluiting: in 2017 werd vijf procent van de aanmeldingen (2056 van de 40.000) door de universiteit gehonoreerd. Het ontkennen van bevoorrechting en uitsluiting lijkt gelijke tred te houden met de exclusiviteit van de instelling.

    De veelgeprezen inzet voor gelijkheid, inclusie en diversiteit is niet alleen een denkmantel voor institutioneel elitarisme. Hij impliceert ook dat iedereen die desondanks buiten de boot valt zijn lagere status verdient. Als de elite haar sociale status, rijkdom en positie voornamelijk als het resultaat van haar eigen inspanning en werk beschouwt (en zeker niet van geboorte of erfenis), dan hebben zij die in de lagere klasse blijven hangen daar volgens diezelfde logica zelf voor gekozen. Dit geringschattende standpunt wordt ingenomen door prominente stemmen aan zowel de rechter- als de linkerzijde van het politieke spectrum. Zo zei James Stimson, hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de University of North Carolina, onlangs tegen de New York Times:

    ‘Als we kijken naar het gedrag van mensen die in behoeftige buurten wonen, dan zien we niet het effect van economische achteruitgang op de arbeidersklasse, we zien een uiterst selectieve groep mensen die met economische tegenspoed is geconfronteerd en ervoor heeft gekozen thuis te blijven en die te accepteren, terwijl anderen elders hun heil hebben gezocht en gevonden. (…) Degenen die angstig zijn, conservatief in maatschappelijke zin, en ambitie ontberen, blijven waar ze zijn en accepteren de achteruitgang.’

    Om een samenleving te laten functioneren moeten er tegelijkertijd twee schijnbaar tegenstrijdige overtuigingen worden gehuldigd: wij zijn radicaal verschillend en radicaal gelijk

    Met andere woorden, het is hun eigen schuld. Ze verdienen het om te verliezen, zoals de meritocraten van Harvard het verdienen om te winnen.

    Dat de heersende klasse van tegenwoordig eerder geneigd is ongelijkheid te veroordelen vanaf haar gemanicuurde campus dan dat ze naar buiten treedt om haar geloof in een gemeenschappelijk burgerbestaan uit te dragen is geen teken van grotere verlichting en vooruitgang, maar toont aan dat er een nieuwe aristocratie is ontstaan die zich niet bewust is van haar eigen positie en de verantwoordelijkheden die daarbij horen. Ze laat zich misleiden door een geüpdatete ‘nobele’ leugen.

    Nu, bijna vijfentwintighonderd jaar later, lijkt Plato’s nobele leugen toch zo onwaar nog niet. Om een samenleving te laten functioneren moeten er tegelijkertijd twee schijnbaar tegenstrijdige overtuigingen worden gehuldigd: wij zijn radicaal verschillend en radicaal gelijk. We zijn uiterst gedifferentieerd maar met elkaar verbonden. We zijn vaak tot radicaal verschillende taken geroepen, maar die taken zijn bedoeld om het geheel ten goede te komen. Plato dacht dat mensen het ‘feitelijke verschil’ gemakkelijk zouden kunnen onderkennen, omdat het zo vanzelfsprekend is voor onze zintuigen, zij het niet altijd gemakkelijk te accepteren voor mensen met een lagere status. De uitdaging was het kweken van een geloof in een gemeenschappelijke oorsprong en onderlinge verwantschap. De Staat van Plato was één poging om deze uitdaging te beantwoorden, zij het een nogal absurde en ongeloofwaardige (zoals Socrates meteen toegaf). Vandaag de dag hebben we twee mogelijke antwoorden.

    Liberale samenleving

    Zolang Amerika als natie bestaat, is het Amerikaanse credo altijd aan verwarde en uiteenlopende invloeden onderhevig geweest. De eerste was die van het politiek liberalisme. Dat legt de nadruk op individuele rechten en vrijheden en belooft dat als we ons gezamenlijk inzetten voor de totstandkoming van een liberale samenleving, onze uitgesproken en vaak onverzoenlijke verschillen beschermd zullen worden. Het liberalisme propageert politieke eenheid als een manier om onze persoonlijke verschillen veilig te stellen.

    De andere invloed was die van het christendom. Dat benadert de vraag vanuit het tegenovergestelde perspectief, met begrip voor onze verschillen om een sterkere eenheid te kweken. Dit is de krachtige boodschap van Paulus in 1 Korintiërs 12 en 13, waarin hij de kibbelende christenen van Korinthe vraagt te begrijpen dat hun gaven niet ter meerdere glorie van een bepaalde persoon of een bepaald slag mensen zijn, maar van het lichaam als geheel. John Winthrop herhaalde deze leerstelling in zijn zelden gelezen, vaak verkeerd geciteerde preek ‘A Model of Christian Charity’, die hij hield aan boord van de Arbella. Winthrop begint met de vaststelling dat mensen overal en altijd in lagere en hogere standen worden geboren; de armen zijn altijd onder ons, zoals Christus opmerkte. Dit onderscheid werd echter niet toegestaan om de eersten af te vallen en de tweeden te prijzen, maar ter meerdere glorie van God, opdat allen weten dat zij elkaar nodig hebben en verantwoordelijk zijn voor het delen van bepaalde gaven tot nut van het algemeen. Verschillen in talent en omstandigheden bestaan om een sterkere eenheid te bevorderen.

    Een samenleving die alleen is gebaseerd op een gemeenschappelijk geloof in individuele verschillen zal uitlopen op een totale oorlog

    Zolang het liberalisme niet volledig zichzelf was, zolang het werd gecorrigeerd en zelfs gestuurd door het christendom, was een werkend sociaal contract mogelijk. In het christendom wordt verschil tot eenheid geordend. In het liberalisme wordt eenheid gewaardeerd zolang het verschil bevordert. Het Amerikaanse experiment vermengde en verwarde deze twee begrippen, maar alleen net genoeg om er een blijvende bron van zorg van te maken. De balans was nooit perfect omdat er altijd te veel ontbrak, slingerde altijd heen en weer tussen een quasi-theologische verkondiging van eenheid en ontworteld individualisme. Maar er bleek bijna tweehonderdvijftig jaar lang mee te leven. De recente sterke afname van gelovigheid en christelijke morele normen wordt door velen als een triomf van het liberalisme beschouwd, en dat is het in zekere zin ook. Tegenwoordig wordt onze eenheid vrijwel volledig in het licht van onze verschillen gezien. We komen bijeen… om diversiteit te vieren. En tegenwoordig fungeert de viering van diversiteit ten slotte altijd als masker voor macht en ongelijkheid.

    In deze opzet vigeert de taal van het recht. Maar zoals Simone Weil decennia geleden al opmerkte, is de taal van het recht uiteindelijk niet in staat een gemeenschappelijk leven op te bouwen, of zelfs maar in stand te houden:

    ‘Als je tegen iemand met oren om te horen zegt: “Wat je me aandoet is onjuist,” dan wakker je aandacht en liefde aan in hun meest oorspronkelijke vorm. Maar dat geldt niet voor woorden als “ik heb het recht…” of “jij hebt het recht niet om…”. Die lokken een latente oorlog uit en wakkeren tweespalt aan. Door van het rechtenidee het middelpunt van sociale conflicten te maken wordt beide kanten iedere aandrang tot naastenliefde ontnomen.’

    Weil voorspelde wat we nu meemaken. Na meer dan twee eeuwen kunnen we niet langer stellen dat christendom en liberalisme met elkaar verenigbaar zijn. Het liberalisme is in opkomst, maar het zal een pyrrusoverwinning behalen. Een samenleving die alleen is gebaseerd op een gemeenschappelijk geloof in individuele verschillen zal uitlopen op een totale oorlog. De natuurlijke staat ligt niet in een denkbeeldig verleden; hij is duidelijk zichtbaar in een nabije en maar al te reële toekomst.

    De nieuwe aristocraten denken dat we de behoefte aan het christendom, dat ze als een even leugenachtige mythe beschouwen als de nobele leugen van Plato, zijn ontstegen. Ze geloven dat ze door het verwerpen van de oude mythen de voorhoede van een nog gelijkwaardiger samenleving kunnen worden. Ze hebben geen oog voor het feit dat deze aanspraak een vorm van statushandhaving is, zodat ze een sterkere gemeenschappelijke band met degenen die ze als achterlijk beschouwen kunnen ontkennen. De elite verfoeit populisten maar ontkent dat zijzelf een klassenoorlog heeft ontketend. Ze hekelt de afstotelijkheid van Donald Trump en is zich totaal niet bewust van haar medeplichtigheid aan zijn opkomst.

    We bevinden ons in een gebied dat nog niet in kaart is gebracht. Het liberalisme heeft gedurende zijn hele geschiedenis gecoëxisteerd met het christendom, waarbij het christendom de harde kantjes van de heersende politieke filosofie afschaafde en de elite verplichtte haar bevoorrechte positie te erkennen, evenals de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden en verplichtingen jegens de minder fortuinlijken. De volstrekte minachting van de hedendaagse elite voor de arbeidersklasse is een weerspiegeling van onze pas ontdekte ‘verlichting’, zoals de overtuiging van de lagere klasse dat alleen een sterke en even minachtende leider de elite in bedwang zal kunnen houden dat ook is. Het liberalisme is erin geslaagd de oude goden van het openbare plein te verwijderen, zodat het een onguur strijdperk is geworden voor ongelijken die niets gemeenschappelijks meer bij elkaar herkennen. Of dat plein weer gevuld kan worden met opnieuw vertelde oude verhalen over een gemeenschappelijke oorsprong en bestemming, of dat het gewoon gedomineerd moet worden door degene die de sterkste blijkt, is de uitdaging voor ons tijdperk.

    Patrick J. Deneen

    Patrick J. Deneen is een internationaal gerenommeerd politiek denker en universitair hoofddocent Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Notre Dame. Hij publiceerde over democratie, Amerikaanse politieke filosofie, politieke theologie, religie en Amerikaans liberalisme, en literatuur en politiek.

    Deneen schreef meerdere boeken, waaronder Why Liberalism Failed (2018), dat werd vertaald in vijftien talen. Het boek werd een veelbesproken titel en heeft nog steeds grote invloed op het denken over liberalisme. President Barack Obama liet zich lovend uit over Deneens boek en schreef dat ‘het de lezer dieper inzicht verschaft in het verlies van gemeenschapszin die velen in het Westen voelen, en de onderkenning van de waarde ervan in liberale democratieën’.

  • ‘Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten’. De arrogantie van de elite

    ‘Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten’. De arrogantie van de elite

    Jarenlang keek de progressieve elite stiekem neer op de mensen onder aan de maatschappelijke ladder. Die mensen zijn nu afgehaakt en stemmen overal ter wereld op de populisten. Eigen schuld, dikke bult, zegt Elisabeth Raether.

    Keuze uit het archief

    Vijf jaar geleden, september 2016, publiceerden wij een dossier genaamd: ‘Hé elite, kijk eens in de spiegel!’ In dit artikel daaruit fileert een jonge Duitse journaliste vlijmscherp de kronkels in de gedachten van wat meestal de linkse elite wordt genoemd. Hun stelregel lijkt te zijn: zolang je zelf alles volgens de – door hen zelf bepaalde – regels doet, is het geen probleem om op anderen neer te kijken.

    Na maanden van voorverkiezingsstrijd heeft onze verontwaardiging over Donald Trump iets overbodigs gekregen: hij zegt iets onbeschofts en wij grijpen geschrokken naar onze parelketting, als burgerdames die iemand aan tafel uit een vingerkommetje zien drinken. Maar de verrassing is er nu wel af. En vooral: Trump kwam niet uit het niets. Waarschuwingssignalen genoeg. We hebben lang gedacht dat het voldoende was iemand als hij met scherpzinnige spot en minachting op zijn plaats te zetten.

    Maar of het nu satirische stukjes of afkeurende hoofdartikelen waren, of dat we hem gewoon voor gek zetten om zijn haar: niets hielp. Eigenlijk hebben we steeds gedacht dat alleen dat kapsel al genoeg was om erger te voorkomen. Maar Trump en andere autoritaire leiders kregen steeds meer succes en werden steeds zelfbewuster.

    Het zou aan ons kunnen liggen. Want uit alle aanwijzingen, die we niet alleen over het hoofd hebben gezien maar bewust hebben genegeerd, blijkt dat wij − ook als Europeanen − een onaangename waarheid onder ogen moeten zien: wij leven in een klassenmaatschappij, waar de ene groep leidt en de andere volgt. En als we om Trump en Melania lachen, ontmaskeren we niet hén, maar onszelf.

    Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden

    Wie zijn wij? Wij zijn de leiders. Wij zijn de nieuwe liberale elite. Wij zijn degenen die met tranen in de ogen luisteren naar Michelle Obama’s toespraak op de democratische conventie. Wij zijn het soort mensen dat niet bang is om een moderne en toch elegante outfit te dragen die vermoedelijk is ontworpen door een jonge designer uit New York wiens naam de meeste Amerikanen niet eens kunnen uitspreken. Wij zijn de mensen die überhaupt niet zo snel bang zijn, niet voor de onbegrijpelijke soevereiniteit waarmee de First Lady spreekt, noch voor de mengeling van macht en morele volmaaktheid die ze belichaamt als ze zegt: ‘Ik word iedere dag wakker in een huis dat is gebouwd door slaven.’ Michelle Obama is mooi, rijk, intelligent, elegant en heel, heel machtig. Maar ze is ook zwart, zodat ze zonder een zweempje schaamte mag genieten van al haar voorrechten, de schaamte die lange tijd de prijs is geweest van leven in de bovenlaag van de samenleving.

    Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is, wat hoort en wat niet hoort, en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden. We zoeken het gezelschap van ‘ons soort mensen’. Maar net als een regime dat door revolutie aan de macht is gekomen, staan we boven alle verwijten, want wij, althans de generaties voor ons, hebben voor die plaats moeten vechten.

    We hebben de tolerantie bij wijze van spreken uitgevonden, en we definiëren dus ook wat dat is

     Het resultaat is de onaantastbare macht van het juiste, onze macht dus. En inderdaad, we hebben veel goeds teweeggebracht wat we de wereld nalaten: vrijheid en rechten voor vrouwen, migranten, gehandicapten, homoseksuelen. Maar de klassen hebben we niet afgeschaft. We hebben ons in de top van de klassenmaatschappij genesteld, en hebben nu het gevoel dat alle remmen los zijn.

    Van onderaf zou dat er wel eens heel anders uit kunnen zien.

    Michelle en Melania

    Hillary Clinton heeft dochter Chelsea ‘perfect’ opgevoed, zei Michelle Obama in haar toespraak. Dat zal niet iedere Amerikaanse moeder van haar kinderen durven zeggen; in ieder geval niet de moeders van de dikzakken en de spijbelaars, gedetineerden, tienermoeders en drugsverslaafden. Maar die moeders kunnen de First Lady niet verwijten dat ze arrogant is, tenzij hun voorouders op zijn minst ook slaven waren.

    Na Michelle Obama was er een toespraak van een jonge transvrouw, Sarah McBride. Dankzij zorgvuldige medische ingrepen ziet ze er zo fantastisch uit als iedere vijfentwintigjarige zich zou wensen. McBride was stagiaire in het Witte Huis en werkt nu bij een ngo. Haar verhaal gaat er niet alleen over dat álle mensen gelijk zijn, ze vertelt ook over haar echtgenoot, een transman, die op zijn achtentwintigste aan kanker overleed en zich tot zijn dood heeft ingezet voor LBGTQA-mensen in de VS.

    Er zijn niet veel vijfentwintigjarigen die op de conventie mogen spreken, en nog minder die zo hoogstaand en onzelfzuchtig overkomen. Maar hoe zit het met die anderen? Die niet zwart of hoogbegaafd, niet stijlvol of transgender, geen stralende jonge weduwe en wellicht niet eens vrouw zijn? Wat is hun heldenverhaal?

    Op de conventie van de Republikeinen, kort daarvoor, stond Melania Trump op het podium. Ook zij is aan haar gezicht geopereerd, maar om andere redenen. Smalle ogen, volle lippen, geföhnd haar. Ze leest van de autocue, waar ze zich kennelijk erg voor moet concentreren. Ze heeft een zwaar Balkanaccent en een monotone stem. Haar gelaatsuitdrukking past niet bij wat ze zegt: ze praat over liefde, het gezin en kindness, maar ze kijkt als een roofdier, cool, sexy, alsof ze bezig is iemand te verleiden, alsof ze alleen maar zo kan kijken.

    Veel van wat bij een toespraak mis kan gaan, gaat ook mis. Dat is al duidelijk vóórdat iemand ontdekt dat hele passages ervan zijn overgeschreven uit een toespraak van Michelle Obama in 2008. Een paar dagen later onthult een tijdschrift in New York dat het designdiploma dat Melania Trump zou hebben in het postcommunistische Slovenië van de jaren tachtig helemaal niet bestond. Vanaf dat moment kent het leedvermaak geen grenzen meer. Als ze dan al een universitair diploma verzint, waarom dan niet een bestaand? Melania, een vrouw net zo nep als haar borsten.

    Maar hoe zit het met de fakeborsten van de jonge transvrouw? Waarom zijn sommige borsten progressief en andere reactionair? Als iemand zijn biologische geslacht niet wil accepteren, mag hij zich laten opereren tot zelfs zijn moeder hem niet meer herkent. En als iemand er mooier of jonger uit wil zien dan hij is, dan zou dat niet mogen? Hoe moet je dat uitleggen aan iemand buiten de liberale kliek?

    Je kunt ook anders naar het optreden van Melania Trump kijken. Een verkiezingsteam had het niet beter in scène kunnen zetten: de hoon waar Trumps vrouw tegenaan loopt, is dezelfde die bij zijn kiezers tomeloze woede-uitbarstingen veroorzaakt. Zij worden opnieuw bevestigd in hun wrok. Zwarte mannen en vrouwen in de VS zijn slachtoffer van politiegeweld, arm, en moeten zich tegen ontelbare vooroordelen verdedigen. Maar er is nog een groep die buitengesloten wordt. Want ook over mensen die de vooruitgang niet zo snel kunnen bijbenen, mogen we − ook in tijden van sekseneutrale taal − allerlei denigrerende dingen zeggen; de mensen die onzeker zijn, geen talenten hebben, bang zijn: de witte mannen. Hun verlangens, hun behoeften, hun angsten, hun levensverhalen: één grote grap. Je kunt ze white trash noemen, of arbeiders, werklozen, ongeschoolden. Hoe dan ook, populair zijn ze niet, wereldwijs evenmin en zelfspot kennen ze niet. Zij zijn degenen die gekwetst zijn.

    Het kan op het eerste gezicht misplaatst lijken dat juist degenen die zijn afgehaakt zich identificeren met het echtpaar Trump, dat tenslotte fabelachtig rijk is. Melania Trump post selfies vanuit haar gouden woonkamer en heeft een assistente die boodschappen voor haar doet. De tegenstrijdigheid dat uitgerekend miljardairs de uitgeslotenen weten te bereiken, verdwijnt snel: want ze zijn niet alleen economisch uitgesloten, maar vooral cultureel.

    Lees ook:

    De leidster van het Front National, Marine Le Pen, had een bevoorrechte jeugd in een rijke voorstad van Parijs, maar mensen die zich aan de kant gezet voelen, zijn dol op haar. Terwijl de welgestelden een lompe vrouw met prefascistische opvattingen zien, koesteren de gepijnigde zielen zich in haar warmte. Want zij voelen hoe de liberale elite op hen neerkijkt. Le Pen heeft jarenlang haar uiterste best gedaan om toegelaten te worden in de Parijse televisiestudio’s waar haar vader een ongewenste gast was. Nu vecht ze voor het presidentschap met een hartstocht alsof het niet om politiek, maar om het vereffenen van een rekening gaat.

    Dat is het heldenverhaal van de veronachtzaamden: jullie zogenaamd tolerante veelverdieners hebben ons jarenlang genegeerd. We mochten optreden in realityshows op tv, zodat jullie je, met je eeuwige ironie, konden amuseren. Maar nu is het ernst. Nu willen we de macht, en die zullen we krijgen ook. Jullie vonden het toch altijd zo erg dat we niet gingen stemmen? Nou, dat is precies wat we gaan doen.

    Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen

    ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.

    Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.

    Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet

    Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen. Hoewel, bijvoorbeeld: niet alle tegenstanders van genetische modificatie kunnen je vertellen waarom ze daar zo tegen zijn, want het is ook gewoon een gevoel. Je wilt nou eenmaal graag dat wat je eet op een of andere manier waarde heeft en puur is.

    Ook kunnen niet alle pleitbezorgers van de EU uitleggen wat daar nou zo goed aan is, want het gaat uiteraard ook om onze identiteit, een vaag gevoel dat zich zo moeilijk laat beschrijven. Het is in ieder geval makkelijker om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet waar van die uitstekende, maar ongelooflijk goedkope wijnen op de kaart staan.

    Lees ook:

    Wereldwijde woede, vooral onder jongeren

    Iedereen heeft altijd meer begrip voor zijn eigen domheid dan voor die van de ander. Maar wie bepaalt wat dom is? Wie beslist wat de juiste problemen zijn en wat de verkeerde? Afgezien daarvan: Wat kan er nou dom aan zijn om iemand in het Witte Huis of het Elysée te kiezen waarmee je je kunt identificeren?

    Superioriteit

    ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.

    Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.

    Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet

    Op het moment dat ze zo woedend werden, waren de uitgeslotenen allang van het politieke toneel verdwenen. De Franse socioloog Didier Eribon zegt dat de communistische arbeidersklasse vroeger ook al homofoob en racistisch was, maar dat ze nu vooral op het Front National stemmen omdat de socialistische regeringspartij niets meer met hen te maken wil hebben. De PS onder François Hollande wil het ‘nieuwe links’ zijn, vertegenwoordigd door vlerken als premier Manuel Valls en minister van economische zaken Emmanuel Macron, die geen idee hebben van de strijd die de afhakers tegen ‘die daar boven’ voeren. Onverholen hautain zei Valls laatst over degenen die tegen een geliberaliseerde arbeidsmarkt demonstreerden: Dat is het oude links. De Franse socialisten, de Duitse SPD, de Democraten in de VS, allemaal hebben ze hun groezelige komaf achter zich gelaten en zich geconcentreerd op de veel deftiger culturele vraagstukken.

    Dat de achterblijvers pas door autoritaire leiders en racisten weer een stem hebben gekregen, is een drama. Want natuurlijk hebben ook arbeiders en werklozen transgenderkinderen en homoseksuele zonen en dochters voor wie ze het allerbeste willen, en natuurlijk zullen vooral degenen die geïsoleerd zijn geraakt het meest te lijden hebben van de gevolgen van klimaatveranderingen. Maar wij hebben onze internationale attitude tot ons handelsmerk gemaakt. We hebben geen enkele mogelijkheid voorbij laten gaan om onze superioriteit te demonstreren: wij zijn zo veel intelligenter, humoristischer en hebben zo’n heldere kijk op de zaken. Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten. Het mag dan slechts een ondertoon zijn, die onze arrogantie verraadt, we moeten er wel naar gaan luisteren. Bij de afhakers is de boodschap namelijk al lang aangekomen, en voor de autoritaire leiders was het vervolgens gemakkelijk om het nadenken over vrijheid en het verantwoordelijkheidsgevoel af te serveren als een luxe die maar weinigen zich kunnen permitteren. Zij beweren dat tolerantie de ideologie van de macht is. Dat mag onjuist en manipulatief zijn, het laat wel zien wat onze grootste zwakte is.

  • In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    Journalist, professor en schrijfster Margo Jefferson (1947) vertelt in haar onlangs vertaalde autobiografie Negroland hoe het was om op te groeien in de elite van de zwarte gemeenschap in Chicago. Een fragment.

    Ik heb geleerd me niet op de voorgrond te dringen. Ik heb geleerd me te onderscheiden door declameren, niet proclameren, uit te blinken door prestaties en manieren, niet door me op de voorgrond te dringen. Maar is elke autobiografie niet een manier om je op de voorgrond te dringen?
 In het Negroland van mijn jeugd was dat een gevaarlijke bezigheid. Negroland is mijn naam voor het deel van zwart Amerika waar de inwoners zich tot op zekere hoogte beschermd wisten door voorrechten en welvaart. De kinderen in Negroland werden gewaarschuwd dat weinig negers deze voorrechten en welvaart ten deel viel en dat de meeste blanken hen het liefst weer behoeftig, eerbiedig en onderdanig zagen. De kinderen werd geleerd dat andere negers een voorbeeld aan ons moesten nemen, maar dat velen van hen (uit afgunst of onwetendheid) de vooroordelen juist bevestigden.

    Te veel negers, zo werd gezegd, vielen op door de verkeerde dingen: hun luide stemmen, hun vrijpostige en opvallende manier van doen, hun talent voor populaire muziek en dans, voor sport meer dan voor de letteren en de wetenschap. De meeste blanken, zo werd ons verteld, waren gespitst op deze, in hun ogen, fundamentele raskenmerken. Maar de meeste blanken waren ook gespitst op al te zichtbare successen op hún terrein, op ons aandeel in hún voorrechten 
en welvaart, in wat zij als hún raskenmerken zagen. Je moest je in hun gezelschap altijd waardig gedragen, en opzichtigheid werd niet op prijs gesteld. Op 
de voorgrond treden was toegestaan, werd zelfs aangemoedigd, maar alleen als dat je hele familie ten goede kwam, en hun vrienden, en alle gemeenschappelijke voorouders.

    Het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen

    En dus sta ik bij een talentenshow van Jack and Jill 
of America, vier jaar oud, achter de coulissen in een auditorium, samen met andere opgewonden deelnemers. Terwijl we met zachte en harde hand tot stilte worden gemaand, glip ik weg en stap het toneel op. Mijn vriendinnetje van vijf is halverwege haar voordracht. Ik ga voor haar staan, draai me om, en zeg tegen de man achter de piano: ‘Speel maar door.’ Hij gehoorzaamt; ik draai me weer naar het publiek en doe een paar minuten lang wat ik denk dat een dans is. Ik hoor de aansporingen en gulle lach van de volwassenen. Ik heb ze betoverd, want ze kennen mij als slim en spontaan; zelfs de moeder van mijn vriendinnetje laat me begaan. Ik herinner me niet hoe mijn vriendinnetje reageerde – en waarom zou ik ook? Ik was erop uit haar weg te blazen.

    Soms deed ik een te groot beroep op de toegeeflijkheid van de volwassenen, en mijn verlangen om te schitteren maakte dat ik vergat wat de gelegenheid van mij vroeg. Tijdens een etentje niet lang daarna, waar de volwassenen weinig oog hadden voor de kinderen, wachtte ik een moment van stilte af en verklaarde toen: ‘Soms vergeet ik mijn billen af te vegen.’

    De lach kwam, maar pas na een korte stilte, en ik zag hoe de gasten blikken wisselden voordat ze zich naar mij richtten. Ik besefte dat ze me eerder tolereerden dan vertederd waren, en het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen.

    Dus ontwikkelde ik me. En terwijl ik me ontwikkelde, leerde ik dat mijn fouten – slechte manieren, slechte smaak, een overmaat aan enthousiasme – buiten onze vertrouwde kring een probleem vormden voor mij, mijn ouders en mijn mensen.

    Levenslang secundair

    Allemaal konden we zomaar, en voor altijd, bestempeld worden als vulgair, grof en minderwaardig.

    Slim van mij om recensent te worden. Wij recensenten keuren en dringen ons op de voorgrond voor een hoger doel. Voor een gemeenschappelijk belang. Onze manieren, onze smaak en onze proclamaties worden verwelkomd.

    Levenslang superieur. Behalve wanneer we dat niet zijn. Behalve wanneer we worden weggewuifd of voor afgunstig en kleinzielig worden uitgemaakt; voor onecht en inherent parasitair. Levenslang secundair.

    Dat is het verhaal in grote lijnen. Hier is de toegespitste versie: het verhaal van een meisje uit het Midden-Westen halverwege de vorige eeuw, een van twee kinderen van een aantrekkelijk echtpaar dat zich gelukkig prees met hun leven en prestaties, dat het beste wilde voor hun kinderen en dat wilde dat hun kinderen tot de besten zouden behoren.

    Bloed des blancs

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras, ergens tussen het gros van de negers en de blanken van alle klassen in. Net als het Derde Oog beschikte het Derde Ras over wijsheid, intuïtie en verlichte kennis die bij de andere twee rassen ontbrak. De leden waren goed opgeleid, ambitieus, 
ontwikkeld en hadden de verbale vingervlugheid 
tot kunstvorm verheven.

    Als, zoals zo vaak werd gezegd, te velen van ons ernaar hunkerden, verlangden, streefden om Blank 
te zijn zijn zijn, Blank Blank Blank Blank blank…

    Als (zoals zo vaak werd gezegd) velen van ons te zeer opschepten over het bloed des blancs dat door de eeuwen heen openlijk of heimelijker zijn weg naar onze aderen en bloedvaten had gevonden en daar 
nu futloos stroomde (arteria cerebri, aorta, renalis, femoralis, jugularis, subclavia, en de mesenterica superior) …

    Als we te veel waarde hechtten aan het uiterlijk, de manieren en moraal die het geboorterecht vormden van de mensen van Angelsaksische afkomst…

    Blanke mensen wilden net zo graag blank zijn als wij. Ze deden er net zozeer hun best voor. Ze mislukten net zo vaak. Ze mislukten vaker. Toch doorstonden ze altijd de test, en dus was er niemand die protesteerde.

    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur
    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur

    Denise en Margo dragen allebei een wollen mantel met een kraag van Perzisch lammerenbont. Ze stoppen hun handen diep weg in een mof van Perzisch lammerenbont. Ze zijn betoverd door hun eigen bekoorlijkheid. Ze dragen bijna nooit dezelfde kleren, maar dit keer doen ze dat met een doel. Denise en Margo zijn een setje en een tableau. Hun outfit is de beloning voor een onberispelijke kindertijd: jurken van taf en fluweel met kragen van kant, petticoats, enkellinten, handtasjes en zakdoekjes met initialen, handschoentjes, passend bij het seizoen, van katoen en geitenleer, dezelfde mantels en moffen. Strooien hoeden en hoofdbanden met bloemen. Niet slechts één bloem, als bij een corsage, maar een ovale rij, als in een prieel.

    Het prieel van de kindertijd. We praten of lachen niet hard in het openbaar. We zakken niet onderuit. We spreken goed gearticuleerd en zonder accent. Wanneer onze tante Ruby, onderwijzeres op een basisschool, 
op bezoek komt vanuit Californië, dwingt ze me een penny in een spaarpot te doen voor elke keer dat ik ‘jee’ zeg. Ik vind het fijn. Ik vind het fijn om onberispelijk te zijn.

    De schoonheidsidealen voor meisjes zijn dwingend in het Negroland van de jaren vijftig. Negermeisjes moeten alert zijn op hun vermeende gebreken. Meedogenloos. Catalogiseer en compenseer.

    Platte voeten in plaats van een hoge voetboog.

    Een opzichtig achterwerk dat weigert stilletjes in nauwsluitende jurken te schuiven, te slinken en te blijven zitten.

    ‘Asachtige huid.’ Wit sediment op het oppervlak van een bruine huid die te lang niet is ingesmeerd. Knieën en ellebogen moeten goed worden verzorgd. ‘Een goed geoliede machine’ is geen metafoor.

    Huidskleur
    Ivoor, crème, beige, graan, leer, mocassin, kalfsleer, café au lait en de blekere tinten van honing, amber en brons zijn het best. Siena, chocolade, zadelbruin, omber (gebrand of rauw) en mahonie werken het best met fatsoenlijk-tot-goed haar en gelijkmatige-tot-scherpe gelaatstrekken. In deze gevallen moet 
de vrouw kiezen voor kleding in ingetogen kleuren. Felle kleuren maken de indruk dat ze met zichzelf te koop loopt. In het algemeen geldt voor vrouwen dat de donkere huidskleuren, zoals walnoot, chocoladebruin, zwart en zwart met blauwe ondertonen niet zijn toegestaan. Een donkere huid geeft een indruk van agressieve en algehele seksuele bereidheid. Op zijn minst vestigt het de aandacht op je ras en kan zo ongunstige associaties oproepen.

    Soorten haar
    1. Supersteil haar kan gedragen worden in lange, dikke vlechten die tot halverwege de rug reiken, of zelfs tot aan de taille.
    2. Glanzend haar dat golft en krult: dit roept associaties op met het Moorse Spanje en Mexico.
    3. Dichter opeengepakte golven met minder glans: dit haar kan geborsteld worden tot het bijna steil is, maar moet wel behandeld worden met een dunne haarcrème voor licht haar. Een hoge vochtigheidsgraad (de keuken) kan het stug maken in de nek en kroezig rond het gezicht. Ga er herhaaldelijk snel doorheen met een hete kam.
    4. Pluizig haar, stadium 1. Vereist dagelijks een dikke haarcrème en frequent gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet tot voorbij de schouders.
    5. Pluizig haar, stadium 2. Vereist steeds nieuwe lagen haarcrème en constant gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet verder dan halverwege de nek.

    De meisjes Jefferson
    Een plat achterste moet vermeden worden, maar 
dat van hen is mooi van vorm en niet overdreven 
volumineus. Geen van de twee meisjes Jefferson heeft een van de drie topsoorten haar. Hun moeder bewerkt het met de hete kam en de krultang. Dagelijks brengt ze olie aan; blootgesteld aan regen of hoge luchtvochtigheid neemt negerhaar een borstelige, pluizige of kroezige vorm aan. ‘Borstelig’ is het woord dat het meest wordt gebruikt; ‘pluizig’ en ‘kroezig’ zijn scherpere en grovere woorden. Denises haar is een paar graden erger dan dat van Margo. Maar Margo was weer dom genoeg om te geloven, toen ze nog klein was, dat haar haar blond zou worden als haar moeder het waste. Gelukkig sprak ze haar overtuiging uit, zodat deze een genadige en snelle dood kon sterven. Haarolie kan vlekken maken op linten en op de bloemen op hoofdbanden en op de stoffen binnenkant van bleke strooien hoeden die naar de kerk gedragen worden en naar gelegenheden waar nette kleding vereist is, als je er niet voor zorgt dat je handen schoon zijn wanneer je ze opdoet en weer afneemt.

    Mevrouw Jefferson heeft een opvallende Romeinse neus. Denise heeft een kleine, goedgevormde neus; meer decoratief dan sierlijk. Hoewel Margo’s neusgaten wijken, wijken ze niet zo dat de onwelwillende toeschouwer er aanstoot aan kan nemen.

    Beide meisjes hebben volle maar niet overdreven volle lippen. Ze zouden liever kleinere, smallere lippen hebben, maar de basisvorm is goed.

    Niemand kan hen ervan beschuldigen dat ze dikke lippen hebben.

    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar
    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar

    We woonden in Bronzeville tot ik drie was 
en Denise zes; toen verhuisden we naar Park Manor. Bronzeville was de op een na grootste gekleurde stad in Amerika, en onze grootmoeder bezat er twee gebouwen. We woonden comfortabel in een daarvan, toen op een dag in 1949, zo leert de geschiedenis, ‘een poging van twee zwarte gezinnen om twee huizen te betrekken aan de zuidkant van Park Manor resulteerde in een menigte van tweeduizend blanken 
die scandeerden: “Wij willen vuur, wij willen bloed”, 
terwijl blanke politiemannen zwijgend toekeken.’ Wat zouden blanke politiemannen anders moeten? Ze handhaafden vijfentwintig jaar oude wetten en meer dan honderd jaar oude gebruiken. Ze beschermden het bezit van hun collega’s, die ook in Park Manor woonden.

    Op een avond, een paar jaar later, wanneer we ons zonder probleem in Park Manor hebben gevestigd, houdt een politieauto papa aan.

    ‘Wat doet u hier?’

    ‘Ik woon hier.’

    ‘Wat zit er in die zwarte tas? Drugs?’

    ‘Ik ben arts.’

    De inhoud van de tas bevestigt dat. Gelukkig was hij kinderarts, geen anesthesioloog.

    ‘Er woonde een blank gezin pal naast ons. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden’

    We hebben hier bijna een heel huis. Drie van de vier verdiepingen zijn van ons. De vierde verhuren we aan een gescheiden vrouw, mevrouw Collins (negerin), die hoeden maakt en door haar appartement loopt in felgekleurde robes die zo uit 
de film lijken te komen, met aan haar voeten muiltjes die zijn afgezet met een randje ganzendons. Ze rookt, en ze slikt met een hese precisie haar klanken in. Zoals Peggy Lee die ‘Black Coffee’ zingt.

    Links van ons woont de vriendelijke dokter Hall (neger), met zijn ronde gezicht, waarboven hij in de winter een bruinvilten gleufhoed draagt en in de zomer een bleekgele strohoed. Ik zou zijn huidskleur ‘donkere tabak’ willen noemen. Jesse Owens (bekend negeratleet) woont een tijdje aan het eind van onze huizenrij, maar zijn kinderen hebben een andere kinderarts. In het huis van lichte baksteen aan de andere kant wonen meneer en mevrouw Hull. Ze hebben een licht zuidelijk accent. Meneer Hull is taxichauffeur. Mevrouw Hull is verpleegster; ze heeft een volle pony en donkere krullen die tot op haar schouders vallen. Hun dochter Shirley is van mijn leeftijd; we spelen vaak samen, in hun tuin of de onze.

    Niet langer worden hier kruizen verbrand, en niemand trekt lelijke grimassen of schreeuwt. Wij komen, en de buurt gaat eraan. Brrring rinkelt de telefoon overal om ons heen. ‘Hallo, wij zijn slimme blanke makelaars en u bent een boze blanke huiseigenaar. Laat ons uw huis verkopen aan de negers, en voor prijzen die veel hoger liggen dan u of welke andere blanke er ooit voor zou betalen. U zult uw geluk niet op kunnen. Laat hen betalen om de buurt te verzieken, als ze dat dan zo graag willen.’

    ‘Moeder, waren er ooit blanke gezinnen in onze straat?’ vraag ik twintig jaar later.

    ‘O ja, kind, die waren er. Er woonde een gezin pal naast ons, voordat de Hulls er kwamen wonen. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden.’

    Een zomerdag in 1952…

    Mevrouw Jefferson legde Denise en Margo in bed voor hun middagslaapje, en ging toen naar de eetkamer. Ze ging aan tafel zitten en schonk zichzelf koffie in. Ze was van plan te dagdromen. De jaloezieën boden een doorkijk naar de tuin. De viooltjes stonden in hun borders, de rozen tegen hun latwerk. Het was een moment van leeuwerik-in-de-lucht en slak-op-de-doorn, tot het moment dat ze de twee blanke buurkinderen het tuinhek zag openen, onze tuin 
zag binnenstappen, recht op onze vrolijk gekleurde schommels af zag lopen en hun achterwerkjes erop zag neerdalen.

    Nog een vertelling uit de crypte van een negerjeugd. Ik vraag haar hoe ze eruitzagen.

    ‘Als twee blanke kinderen. Niets bijzonders. Vaal blond haar.’

    ‘Waren het meisjes?’ (zucht) ‘Ik geloof van wel.’

    Mevrouw Jefferson zag hoe de schommels in beweging kwamen, stond toen op en trok haar schouders naar achteren. Was dit zo ongeveer wat ze dacht?

    De duizend verwondingen door blanken had ik zo goed als ik kon verdragen, maar toen ze het domein van de belediging betraden zon ik op wraak. Jij, die mijn ziel zo goed kent, hoeft er natuurlijk niet van uit te gaan dat ik dreigende woorden heb gesproken…

    Toen ze de veranda op stapte verraadde niets in haar ook maar het minste gevoel van urgentie of irritatie. ‘Meisjes,’ zei ze kalm maar duidelijk, ‘Margo en Denise slapen. Ze komen niet spelen, dus jullie kunnen beter naar huis gaan.’

    En ze gaan. Maar de volgende week keren ze terug. En de week erna. Elke keer stapt mevrouw Jefferson op de veranda en spreekt dezelfde woorden. Elke keer vertrekken ze zonder iets te zeggen. Na de derde keer komen ze niet meer terug. En binnen het jaar zijn ze voorgoed verdwenen.

    Een onrecht is niet gewraakt wanneer vergelding de wreker treft. Een onrecht is evenmin gewraakt wanneer de wreker zich niet als zodanig bekend weet te maken aan degene die haar het onrecht aandeed.

    Nu, zoveel jaar later, slaat mevrouw Jefferson haar ogen neer, dempt haar stem en eindigt haar verhaal als volgt: ‘Ik was te geïntimideerd om hun moeder erop aan te spreken.’

    Ik vind het ondraaglijk om aan haar te denken als geïntimideerd. ‘Natuurlijk was je dat,’ zeg ik snel. ‘Die politiemensen uit de buurt patrouilleerden waarschijnlijk nog steeds, alleen nu in hun vrije tijd.’

    Stilte.

    Ze zwijgt, dus ik probeer een slavernijgrapje. ‘Je moest altijd uitkijken voor de ontsnapteslavenpatrouille van Park Manor.’ Het is flauw en het produceert een plichtmatig pre-lachgeluidje. Ik moet beter mijn best doen.

    ‘Moeder, het enige wat mij dwarszit is dat die mensen verhuisd waren voordat ik mijn badmintonset kreeg. Ze zouden erin gebleven zijn.’ Ze gunt me een blik waarin ik lees dat ze mijn poging waardeert, of in elk geval mijn goede bedoeling.

    Dan staat ze op en beëindigt het gesprek, nog immer vervuld van schaamte.

    Margo Jefferson is op 4 november te gast in het 
Humanity House in Den Haag in het kader van 
het Crossing Border Festival. Aanvang 20:45 uur. 
www.crossingborder.nl

    Auteur: Margo Jefferson

    Dit is een fragment uit 
Margo Jeffersons Negroland, 
dat onlangs verscheen bij 
De Arbeiderspers 
(vertaling: Pauline Slot).

  • Opkomst en ondergang van de Europese meritocratie

    Opkomst en ondergang van de Europese meritocratie

    Waarom botert het zo slecht tussen de Europese elite en een groot deel van de kiezers? Omdat ze weinig of niets meer met elkaar gemeen hebben, schrijft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.

    Als je niet begrijpt waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen, kun je jezelf er maar beter van overtuigen dat mensen niet weten wat ze doen. Dat hebben de leiders van de Europese politiek, zakenwereld en nieuwsmedia gedaan als reactie op de populistische golf die het oude continent overspoelt. Ze zijn geschokt dat zo veel landgenoten op onverantwoordelijke demagogen stemmen. Ze kunnen de oorzaak van de woede jegens de meritocratische elites, waarvan de goed opgeleide, competente ambtenaren in Brussel het meest sprekende symbool zijn, maar moeilijk begrijpen.

    Waarom staan mensen met een goede opleiding in zo’n kwaad daglicht in een tijd waarin de complexiteit van de wereld erop duidt dat die het hardste nodig zijn? Waarom weigeren mensen die hard werken om hun kinderen te laten afstuderen aan de beste universiteiten ter wereld mensen te vertrouwen die al aan deze universiteiten zijn afgestudeerd? Hoe kan iemand het eens zijn met Michael Gove, de pro-Brexit-politicus, die zei dat mensen ‘genoeg hebben van deskundigen’?

    Het zou duidelijk moeten zijn dat meritocratie – een systeem waarin de meest getalenteerde en capabele, best opgeleide mensen die het hoogste scoren bij examens – beter is dan plutocratie, gerontocratie, aristocratie en misschien zelfs de macht van de meerderheid, democratie.

    Maar de meritocratische elites van Europa worden niet alleen gehaat vanwege de onverdraagzame stompzinnigheid van populisten of de verwarring van de gewone man.

    Michael Young, de Britse socioloog die halverwege de vorige eeuw de term ‘meritocratie’ muntte, zou niet verbaasd zijn over deze ommekeer. Hij legde als eerste uit dat hoewel ‘meritocratie’ de meeste mensen misschien goed in de oren klinkt, een meritocratische maatschappij een ramp zou zijn. Dat zou een maatschappij zijn van egoïstische en arrogante winnaars, en boze en wanhopige verliezers. De triomf van de meritocratie, zo begreep Young, zou ten koste gaan van de politieke gemeenschapszin.

    Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden

    Wat meritocraten zo onverdraaglijk maakt voor hun critici is niet zozeer hun succes als wel hun aanspraak dat ze zijn geslaagd omdat ze harder hebben gewerkt dan anderen, omdat ze nu eenmaal beter gekwalificeerd zijn dan anderen en omdat ze voor de examens zijn geslaagd waarvoor anderen zijn gezakt.

    De paradox van de huidige politieke crisis in Europa is geworteld in het feit dat de Brusselse elites precies de schuld krijgen van datgene waarop ze zich laten voorstaan: hun kosmopolitisme, hun weerstand tegen publieke druk en hun mobiliteit.

    In Europa is de meritocratische elite een elite van huurlingen die niet veel verschilt van de manier waarop de beste voetballers overal op het continent aan de succesvolste clubs worden verhandeld. Succesvolle Nederlandse bankiers verhuizen naar Londen; competente Duitse bureaucraten verhuizen naar Brussel. Europese instellingen en banken geven, net als voetbalclubs, gigantische hoeveelheden geld uit om de beste ‘spelers’ binnen te halen. Meestal zorgt dit systeem voor overwinningen op het veld of in de bestuurskamer van de centrale bank.

    Maar wat gebeurt er als deze teams beginnen te verliezen of wanneer de economie hapert? Dan laten hun supporters hen in de steek. Dat komt doordat er geen andere relatie tussen de ‘spelers’ en hun supporters is dan het vieren van overwinningen. Ze komen niet uit dezelfde buurt. Ze hebben geen gemeenschappelijke vrienden of herinneringen. Veel spelers komen zelfs niet uit hetzelfde land als hun team. Je kunt de ingehuurde ‘sterren’ bewonderen, maar je hebt geen reden om medelijden met hen te hebben.

    In de ogen van de meritocratische elites is hun succes buiten hun vaderland een bewijs van hun talent, maar in de ogen van veel mensen is deze zelfde mobiliteit een reden om hen niet te vertrouwen.

    Loyaliteit

    Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden. Paradoxaal genoeg zijn het de uitwisselbare competenties van de huidige elites, het feit dat ze even goed een bank kunnen leiden in Bulgarije als in Bangladesh of even goed les kunnen geven in Athene als in Tokio, waardoor mensen hen zo wantrouwen. Ze zijn bang dat de meritocraten er in moeilijke tijden vandoor zullen gaan in plaats van de kosten van het blijven te delen.

    Het wekt dan ook geen verbazing dat loyaliteit – namelijk de onvoorwaardelijke loyaliteit aan etnische, religieuze of sociale groepen – de kern vormt van de aantrekkingskracht van het nieuwe Europese populisme. Populisten beloven de mensen dat ze hen niet alleen op hun merites zullen beoordelen. Ze beloven solidariteit, maar niet per se rechtvaardigheid.

    Anders dan een eeuw geleden zijn populaire leiders vandaag de dag niet geïnteresseerd in het nationaliseren van industrieën. In plaats daarvan beloven ze de elites te nationaliseren. Ze beloven niet dat ze de mensen zullen redden, maar dat ze bij hen zullen blijven. Ze beloven dat ze de nationale en ideologische beperkingen weer zullen invoeren die door de globalisering zijn afgeschaft. Kortom, wat populisten hun kiezers beloven is niet competentie, maar innige verbondenheid. Ze beloven dat ze de band zullen herstellen tussen ‘de elites’ en ‘het volk’. En velen in het huidige Europa vinden dat een aantrekkelijke belofte.

    De Amerikaanse filosoof John Rawls sprak namens veel liberalen toen hij betoogde dat het minder pijnlijk was om een verliezer te zijn in een meritocratische samenleving dan in een openlijk onrechtvaardige samenleving. Naar zijn idee zou de eerlijkheid van het spel mensen verzoenen met hun mislukking. Nu lijkt het erop dat de grote filosoof het bij het verkeerde eind had.

    Auteur: Ivan Krastev
    Vertaler: Peter Bergsma

    Ivan Krastev is voorzitter het Center for Liberal Strategies in Sofia, fellow bij het Institute for Human Sciences in Wenen, en columnist van The New York Times.

    Ivan Krastev neemt op 16 februari deel aan een rondetafelconferentie over Oekraïne.
    Castrum Peregrini in Amsterdam | Aanvang 20 uur, entree 7,50 euro | Castrumperegrini.org

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • 5. De schuldige? Ons economische model

    5. De schuldige? Ons economische model

    Wie Vladimir Poetin de schuld geeft van nepnieuws snapt het niet, aldus internet­ scepticus Evgeny Morozov. Het zijn onze eigen democratieën die volwassen moeten worden.

    Beweringen dat Rusland achter de politieke aardverschuivingen van 2016 zit, gaan voorbij aan de ondermijnende invloed van digitaal kapitalisme.

    De democratie komt om in nepnieuws. Zo luidt de nieuwste, geruststellende conclusie van de mensen die in 2016 aan het kortste eind hebben getrokken, bij de Brexit, de Amerikaanse verkiezingen of het Italiaanse referendum. Kennelijk delven al die serieuze, eerlijke en ouderwets verstandige volwassenen het onderspit bij verkiezingen dankzij een gevaarlijke epidemie van nepnieuws, internetmemes en grappige YouTube-filmpjes.

    Dat verklaart de recente golf van aangedragen oplossingen: het verbieden van internetmemes (een voorstel van de regerende partij in Spanje); commissies van experts in het leven roepen om het waarheidsgehalte van nieuws te beoordelen (een oplossing die is aangedragen door de Italiaan die de leiding heeft over de antitrustmaatregelen); centra opzetten om nepnieuws tegen te gaan, en ondertussen media als Twitter en Facebook beboeten voor het verspreiden ervan (een aanpak die is voorgesteld door de Duitse overheid).

    Deze laatste maatregel zal Facebook aangrijpen om zich krachtig uit te spreken vóór de vrijheid van meningsuiting – hetzelfde Facebook dat onlangs een foto heeft verwijderd van het standbeeld van een naakte Neptunus in Bologna, omdat het aanstootgevend zou zijn! Luidt de nepnieuwscrisis de ondergang in van de democratie? Of is het domweg het gevolg van een diepere, meer structurele malaise die al veel langer speelt?

    Beleidsmakers komen met nog meer maatregelen van het soort waarmee men de kiezers in eerste instantie van zich heeft vervreemd: meer expertise, meer centralisatie, meer regulatie

    Het valt nauwelijks te ontkennen dat er sprake is van een crisis, maar of die crisis het gevolg is van nepnieuws of van iets heel anders is een vraag die elke democratie zich zou moeten stellen. Onze elites willen er niet aan. Hun nepnieuwsverhaal is zelf nep: het is een oppervlakkige verklaring voor een complex, structureel probleem, waarvan zij het bestaan hardnekkig blijven ontkennen. Het gemak waarmee mainstream instituties, van regerende partijen tot denktanks tot media, hebben besloten dat ‘nepnieuws’ het perspectief vormt van waaruit ze de om zich heen grijpende crisis willen beschouwen, zegt veel over hun rigide wereldbeeld.

    De grootste dreiging voor de westerse samenleving van vandaag de dag is niet zozeer de opkomst van onverdraagzame democratieën in het buitenland als wel de hardnekkige onvolwassenheid van de democratie in eigen land. Deze onvolwassenheid, waarvan de elite vrijwel dagelijks getuigt, manifesteert zich in twee vormen van ontkenning: het ontkennen van het feit dat de meeste problemen waarmee we momenteel kampen een economische achtergrond hebben, en het ontkennen van het feit dat de professionele expertise ernstig is uitgehold.

    Morele paniek

    De eerste vorm manifesteert zich wanneer een fenomeen als de Brexit of de overwinning van Trump voornamelijk wordt toegeschreven aan culturele factoren als racisme of de onwetendheid van de kiezers. De tweede vorm gaat voorbij aan het feit dat de diepe frustratie van velen over de bestaande instituties niet zozeer voortkomt uit onwetendheid over hoe die functioneren, maar juist uit het feit dat men daar maar al te zeer vertrouwd mee is.

    Beleidsmakers zijn verblind door deze twee vormen van ontkenning en komen met nog meer maatregelen van het soort waarmee men de kiezers in eerste instantie van zich heeft vervreemd: meer expertise, meer centralisatie, meer regulatie. Maar omdat men niet in staat blijkt te denken in termen van politieke economie, zullen onvermijdelijk de verkeerde dingen worden gereguleerd.

    De morele paniek over nepnieuws laat zien hoe deze twee vormen van ontkenning de politiek veroordelen tot een eeuwige onvolwassenheid. Door de weigering te onderkennen dat de crisis rondom nepnieuws economische wortels heeft, richt iedereen zijn pijlen maar wat graag op het Kremlin – en niet op het businessmodel van het digitale kapitalisme, dat domweg niet levensvatbaar is.

    Maar het lijkt toch zonneklaar dat buitenlandse inmenging – of Rusland er nou achter zit of een andere regering – onmogelijk op een dergelijke schaal viraal nieuws kan verspreiden? Er zijn altijd al merkwaardige bewegingen geweest die nepnieuws hebben verspreid. Wat zij ontbeerden om hun waanzinnige theorieën te doen postvatten, was niet de politieke en financiële rugdekking van Rusland, maar de krachtige digitale infrastructuur van onze moderne tijd, die ruimhartig wordt gefinancierd door onlineadvertising.


    Het probleem schuilt niet in nepnieuws, maar in de snelheid en het gemak waarmee dat wordt verspreid. Het dankt zijn bestaan goeddeels aan het hedendaagse digitale kapitalisme, waardoor het ongekend winstgevend is om onware maar klikwaardige verhalen te verzinnen en in omloop te brengen. Om de nepnieuwscrisis echt aan te pakken zou het establishment een van de bovengenoemde vormen van ontkenning moeten afzweren en zich moeten mengen in de politieke economie van communicatie. Maar wie is bereid om onder ogen zien te dat het de afgelopen dertig jaar uitgerekend de politieke partijen zijn geweest, zowel centrumlinks als centrumrechts, die Silicon Valley hebben gekoesterd, die de telecommunicatie hebben geprivatiseerd en die zich betrekkelijk afwachtend hebben opgesteld waar het de antitrustwetgeving betreft?

    We moeten zorgen dat onlineadvertising – met zijn perverse klik-en-deelmechanisme – een minder centrale rol gaat spelen in onze manier van leven, werken en communiceren

    De enige oplossing voor het probleem van nepnieuws, waarbij het probleem op waarde wordt geschat en de elite niet te veel macht in handen krijgt, is een volledige herbezinning op de grondvesten van het digitale kapitalisme. We moeten zorgen dat onlineadvertising – met zijn perverse klik-en-deelmechanisme – een minder centrale rol gaat spelen in onze manier van leven, werken en communiceren. Tegelijkertijd moeten we meer beslissingsbevoegdheid overhevelen naar de burgers – en het weghalen bij ondernemingen en experts die eenvoudig zijn te corrumperen.

    Dat betekent dat we een wereld moeten construeren waarin Facebook en Google niet al te veel macht kunnen uitoefenen en waarin ze geen monopolie hebben op het ontwikkelen van oplossingen. Een ontzagwekkende taak die om volwassen democratieën vraagt. Helaas geven de bestaande democratieën, die gevangenzitten in verschillende vormen van ontkenning, er de voorkeur aan de schuld bij anderen te leggen en de problemen meer en meer af te wentelen op Silicon Valley.

    Auteur: Evgeny Morozov
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • 2. Dus als het over Trump gaat mag het wel

    2. Dus als het over Trump gaat mag het wel

    Een journalist van de Engelse website Spiked ergert zich dood aan de dubbele standaard van media als Buzzfeed. Steen en been klagen over nepnieuws, maar tegelijk zelf onzinverhalen over Trump naar buiten brengen.

    Als er een prijs bestond voor met twee maten meten, zou de Trumpvrezende, Brexit-hatende babbelklasse die met gemak winnen. Deze mensen maken zich nu al maanden druk over ‘nepnieuws’, waarschuwen dat we in een ‘post-waarheid’-tijdperk leven en kijken neer op de gewone man, omdat die in de leugens trapt van elke demagoog die hem een simpeler leven met minder immigranten belooft. En toch hebben diezelfde mensen nu een document gepubliceerd en gedeeld dat totaal ongeverifieerd is, uit onbekende bron komt en vol onbewezen beweringen en onwaarschijnlijke verhalen staat. Maar deze geruchten mag je gewoon verspreiden, want ze zijn gericht tegen Trump en we hebben allemaal de pest aan Trump.

    Buzzfeed, het jeugdige, min of meer hippe doorgeefluik van elk liberaal cliché, doet al maanden zorgelijk over de westerse wereld die afglijdt in de ‘post-waarheid’. In december wierp de site het Amerikaanse Congres nog voor de voeten dat het niet optrad tegen ‘nepnieuws’ en niets deed tegen ‘de vele complottheorieën die tijdens de presidentsverkiezingen zo breed waren gedeeld’ en tegen alle ‘desinformatie en propaganda’ over Hillary. En toch publiceerde datzelfde Buzzfeed afgelopen maand iets wat je gerust ‘desinformatie’ of ‘propaganda’ of in ieder geval ‘uiterst ongefundeerde beweringen’ mag noemen: het document waaruit zou blijken dat Trump tot over zijn oren in de Russische contacten zit en prostituees heeft betaald om op een bed te plassen waarin de Obama’s ooit hadden geslapen.

    “Doe wat wij zeggen en sloop Amerika voor ons, of anders onthullen we jouw anti-Obama-hoerenpiesfeestje.” Als je dat gelooft, geloof je alles

    Ja, ik heb het over het dossier met informatie die verzameld zou zijn door een voormalige Britse geheim agent – en Britse geheim agenten liegen immers nooit –, waarin wordt beweerd dat Trump ‘geheime banden’ heeft met Rusland. Vooral één verhaal ging de hele wereld over: Trump zou de Obama’s zo hevig haten dat hij naar een hotel in Moskou ging waar zij ooit hadden gelogeerd en daar prostituees inhuurde om op het bed te plassen waarin zij ooit hadden geslapen. En al doende werden ze gefilmd door de Russische geheime dienst, die camera’s in de kamer had geplaatst en vervolgens Trump chanteerde: ‘Doe wat wij zeggen en sloop Amerika voor ons, of anders onthullen we jouw anti-Obama-hoerenpiesfeestje.’ Als je dat gelooft, geloof je alles.

    Dit gerucht past prachtig in de steeds verder uitdijende complottheorie van liberaal links dat Trump eigenlijk een manchurian candidate is, een mol, een marionet van Poetin die doet wat zijn meester beveelt. Nu weten we dus waarom de president zo ijverig bezig is Amerika te vergiftigen ten bate van het Boze Rusland: op zijn minst voor een deel omdat Rusland de anti-Obama-pisprostitutiefilm bezit. Zo erg is de pro-Hillary-, pro-EU-kliek nu de weg kwijt, zo losgeslagen zijn deze mensen dat ze nu met een linkse versie van het mccarthyisme uit de jaren vijftig het idee verspreiden dat de Russen Trump in hun macht hebben. Ze zijn blij met elk dossier, hoe ongefundeerd ook, waarin ze bevestigd zien dat ze níét verloren hebben, dat de EU níét mislukt is of dat Hillary wél deugde, maar dat boze chanteurs achter de Zwarte Zee onze computers, ons hoofd en ons hart zijn binnengedrongen en alles hebben bedorven.

    donald

    Natuurlijk moet bediscussieerd worden of en zo ja waarom Rusland de e-mails van de Democratische Partij heeft gehackt. Maar inmiddels zijn we al vele stappen verder en zijn we verzand in het klassieke complotdenken waarin je a) ervan overtuigd raakt dat een boosaardige, angstaanjagende buitenlandse macht de controle heeft over jouw politiek, jouw samenleving en jouw medeburgers (maar niet over jou, want jij bent superslim); en b) je wanhopig vastklampt aan elke bewering en elk verhaal dat jouw totaal van lotje getikte mening ondersteunt.

    Vijftien jaar geleden waren mensen van de media verontwaardigd over het ‘obscure’ dossier van Tony Blair voorafgaand aan de inval in Irak. Ze zagen het als een verzameling onverifieerbare feiten, uit naamloze of onbetrouwbare bronnen. Nu, in 2017, vinden delen van de media het prima om zelf obscure dossiers te publiceren. Ze laten elke scepsis varen, verwaarlozen hun taak om te verifiëren, zetten objectiviteit opzij, verspreiden geruchten en voeden roddelpraat. Buzzfeed heeft zich niet gedragen als een serieus journalistiek medium, maar als al die andere premoderne geruchtenmachines die verhalen vertelden of documenten verspreidden over onwelgevallige personen – heksen, bisschoppen, Joden – om de haat tegen hen aan te jagen. En al hebben de mainstream media de beweringen uit het dossier niet zelf gepubliceerd, toch gaan ook zij niet vrijuit: vele zijn nu stiekem blij dat Buzzfeed gedaan heeft wat zij van hun nog steeds bestaande richtlijnen voor objectiviteit niet mochten doen, want nu kunnen ze de verhalen herhalen en meedeinen op de geruchtenstroom.

    Als dit geen “post-waarheid”, of op zijn minst post-objectiviteit, post-journalistiek en pre-verificatie is, dan weet ik het niet meer

    Als dit geen ‘post-waarheid’, of op zijn minst post-objectiviteit, post-journalistiek en pre-verificatie is, dan weet ik het niet meer. We zijn nu zover dat mainstream media Facebook oproepen om mensen te straffen die likes posten naar verhalen als ‘Hillary’s adviseurs runden een pedofielennetwerk in een pizzeria’, en tegelijkertijd zelf verhalen verspreiden als ‘Trump reisde naar Moskou om prostituees op het kussen van Michelle Obama te laten piesen’. Maar het is natuurlijk alleen ‘nepnieuws’ als ánderen het doen.

    Dit is echt ernstig. De objectiviteit heeft het afgelegd, waarheid en feitelijkheid komen nu op de tweede plaats, ver na partijdigheid. Aan alle kanten. Velen laten hun haat tegenover Trump nu de overhand krijgen en verzaken zo hun plicht om feiten te verzamelen en sceptisch te staan tegenover geheime diensten die de politieke agenda willen bepalen – zie de eis dat FBI / CIA meer doen om Trumps zogenaamde Russische banden bloot te leggen. In hun steeds wanhopiger pogingen om te voorkomen dat Trump de westerse liberale waarden ondergraaft, verwoesten westerse liberalen die helemaal zelf.

    Auteur: Brendan O’Neill
    Vertaler: Annemie de Vries

    Spiked
    Verenigd Koninkrijk | spiked-online.com

    Deze onafhankelijke website werd in 2000 opgericht door vrijwilligers en wordt gefinancierd door donateurs – en een beetje reclame. De site heeft als doel om inhoud van hoge kwaliteit te bieden, en doet dat in rubrieken als Hot Topics, Free Speech, British news, etc.

  • Alle ogen op het machtsmisbruik van Trump

    Alle ogen op het machtsmisbruik van Trump

    Volgens New Yorker -auteur George Packer is er maar één weg om het aangekondigde machtsmisbruik van Donald Trump het hoofd te bieden; een vanaf het fundament opnieuw opgebouwde Democratische Partij, die echt luistert en de vinger gaat leggen op het onafwendbare verraad van de president.

    Vier decennia geleden liet het Watergateschandaal zien hoe een president zijn macht op grote schaal kan misbruiken. Watergate maakte ook duidelijk dat een sterke democratie de ergste ziekte kan overwinnen die haar lichaam aantast. Toen Richard Nixon overheidsinstrumenten inzette om politieke tegenstanders uit te schakelen, financieel wanbeleid weg te moffelen en het publiek om de tuin te leiden over de Vietnamoorlog, kwam hij er bijna mee weg.

    Democratische instituties maakten een einde aan de reeks misdaden. Allereerst was er de pers, die vanaf de inbraak tot helemaal in het Oval Office boven op de zaak zat. Daarnaast waren er de rechtbanken, die de omvang van de criminaliteit aan het licht brachten en later een onpartijdig oordeel velden over Nixons bewering dat hij recht op geheimhouding genoot. En ten slotte was er het Congres, dat onthullende verhoren hield en waarvan de juridische commissie stemde voor afzetting van de president, met steun van beide partijen.

    Medewerkers van belangrijke organen in Nixons eigen regering bestreden de infectie van binnenuit, waaronder de FBI (met adjunct-directeur Mark Felt oftewel Deep Throat, de belangrijkste bron van The Washington Post). Geen van deze instituties had kunnen functioneren zonder de bezielende kracht van de publieke opinie. Binnen enkele maanden nadat de Amerikanen Nixon met de grootste marge uit de geschiedenis hadden herkozen, waren ze het erover eens dat hij een schurk was die maar beter kon opkrassen.

    Alles wat machtsmisbruik mogelijk maakt staat klaar, en het zou snel kunnen gaan

    President Donald Trump moet elke kans krijgen om de belofte uit zijn campagne te breken dat hij als een autocraat zal regeren. Maar tot nu is nog niemand tot het ambt beroepen die zwoer dat hij het recht aan zijn laars zou lappen en zijn tegenstander in de gevangenis zou smijten. Trump heeft het temperament van een leider die geen onderscheid maakt tussen het publieke belang en zijn eigen verlangens en demonen. Als hij zich aan zijn woord houdt, zal hij de grondwet negeren door zowel immigranten als burgers een religieuze toets te laten afleggen. Hij zal zijn critici in de pers vervolgen, al dan niet op grond van laster. Hij zal zijn ondergeschikten dwingen het militaire recht te schenden door terrorismeverdachten te martelen en hun naaste familie te doden. Hij zal federale aanklagers, politie en zelfs – als het hem lukt – rechters gebruiken als instrument om zich te wreken en zijn ongenoegen te uiten.

    Alles wat machtsmisbruik mogelijk maakt staat klaar, en het zou snel kunnen gaan. Er zijn maar weinig controlemechanismen. Trumps partij heeft, anders dan die van Nixon, de wetgevende en de uitvoerende macht in handen, heeft twee derde van de gouverneurs en twee derde van het Senaat en het Huis van Afgevaardigden. Trumps adviseurs, onder wie Newt Gingrich, zweren dat ze ambtenarenbond op de korrel zullen nemen. Is die eenmaal kapotgemaakt, dan beschikt de president over de macht om met de bureaucratie te doen wat hij wil. Het Hooggerechtshof heeft binnenkort een conservatieve meerderheid. Hoewel sommige federale rechtbanken flagrante grondwettelijke schendingen zullen blokkeren, zou het Congres kunnen proberen onafhankelijk opererende rechters af te zetten en ze door getrouwen te vervangen.

    Twee naties

    Maar los van deze partijvoordelen werkt er iets op een dieper niveau in het voordeel van Trump, iets wat hij sluw tijdens zijn campagne heeft ingezien en gebruikt. De democratische instituties die Nixon verantwoordelijk hielden hebben sinds de jaren zeventig aan belang ingeboet: ze zijn van binnenuit door wanbeleid en moedeloosheid vermolmd en van buitenaf ondermijnd door publieke achterdocht. Eendrachtige samenwerking door de beide partijen in het Congres, in het belang van de publieke zaak, klinkt even ouderwets als antenne-tv. De pers wordt beschimpt, zit financieel aan de grond en maakt een geloofscrisis door als het gaat om de effectiviteit van feitenonderzoek. En de publieke opinie? Strikt genomen bestaat die niet meer. ‘We zijn inderdaad twee naties,’ schreef John Dos Passos in zijn ‘U.S.A.’-trilogie.

    De politieke partijen behoren eveneens tot de instituties die in verval zijn. Ook dat proces voelde Trump haarfijn aan en bespoedigde hij. Hij maakte achtereenvolgens een einde aan het establishment van de beide partijen en aan twee dynastieën. De Democratische partij wordt door de helft van het land gesteund, maar de kern is uitgehold. Hillary Clinton was de zesde Democratische presidentskandidaat in de afgelopen zeven verkiezingen die de stem van het volk kreeg. Tijdens het presidentschap van Barack Obama verloor de partij echter de beide kamers van het Congres, veertien gouverneurschappen en dertig wetgevende lichamen op staatsniveau, bij elkaar meer dan negenhonderd zetels. De partijleiders zijn allemaal boven de pensioengerechtigde leeftijd en ouder dan Obama, die heeft geregeerd als charismatisch, verlicht hoofd op een wegterend lichaam. Zagen de Democraten het niet aankomen? Meer nog dan de Republikeinen komen ze pas opdraven als ze geïnspireerd worden. De partij heeft persoonlijkheid en demografie de plaats laten innemen van een solide politieke organisatie.

    Op de lange termijn heeft de Democratische partij twee keuzes. Ze kan nog verder uiteenvallen tot ze verandert in zoiets als de Whigs uit de negentiende eeuw

    Een regelrecht obstakel voor Trump zijn senator Charles Schumer van New York en de andere zevenenveertig Democratische afgevaardigden. Tijdens Obama’s presidentschap pasten Republikeinse senatoren oude tactieken toe om dwars te liggen. Filibusters en interrupties werden standaardmethoden om budgetten te gijzelen en benoemingen tegen te houden. Democratische senatoren kunnen onderdelen van de Republikeinse plannen vertragen – maar niet torpederen – als ze de moed hebben zich te gedragen als hun nihilistische opponenten, waarmee ze deze institutie nog verder beschadigen voor winst op korte termijn. Het zou vuil speI zijn, maar het alternatief is telkens verliezen als gevolg van doorgestoken kaart.

    Op de lange termijn heeft de Democratische partij twee keuzes. Ze kan nog verder uiteenvallen tot ze verandert in zoiets als de Whigs uit de negentiende eeuw, de voorlopers van de Republikeinse partij. Of ze kan zichzelf vanaf haar fundament opnieuw opbouwen: niet elke vier jaar, maar permanent; niet met financiële steun van beroemdheden, maar in schoolcommissies en gemeenteraden; niet door nog meer virtuele eigen parochies te stichten, maar door weer met andere Amerikanen in gesprek te gaan en naar ze te luisteren, vooral diegenen die op Trump hebben gestemd omdat ze zich genegeerd en in de steek gelaten voelden. President Trump zal hen bijna zeker verraden. Het land heeft een oppositie nodig die daar de vinger op kan leggen.

    Auteur: George Packer
    Vertaler: Nico Groen

    George Packer is schrijver en redacteur van T_he New Yorker_. Hij werd in Nederland bekend met zijn boek De ontluistering van Amerika, (The Unwinding), dat de basis vormde voor de VPRO-serie Droomland Amerika, gepresenteerd door Eelco Bosch van Rosenthal. Packer kreeg voor zijn boek een National Book Award.

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Hét New Yorkse tijdschrift, met als handelsmerk cartoons en geïllustreerde covers, parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie, essayistiek en rigoureuze factchecking.

  • Superelitair

    Superelitair

    Eigenlijk dachten we dat alleen zijn oranje gezicht en gele windhooskapsel al genoeg waren om zijn presidentiële 
ambities in de kiem te smoren. Want, wie liket dat nou? Maar volgens het dossier in deze editie zou dit een zeldzaam arrogante aanname zijn. Typisch iets voor de elite.

    Het blijft nogal onduidelijk over welke elite het gaat en of het wel zo is dat die elite pal tegenover de niet-elite, het volk, staat. Maar laten we voor de duidelijkheid aannemen dat 
we het over hoogopgeleiden aan de ene kant hebben en de werkende of niet-werkende klasse die complexe en moeilijk beheersbare kwesties graag teruggebracht ziet tot simpele frases aan de andere.

    Bas Heijne las er Freud nog eens op na voor de serie Nieuw Licht van Ambo|Anthos. Volgens de baanbrekende denker (Freud dus, Heijne is z’n sporen aan het verdienen) komt ‘het onbehagen in de cultuur’ voort uit twee grote verlangens van de mens: de wereld weer simpel en overzichtelijk krijgen, en de burger de illusie van zelfbeschikking teruggeven. Precies de gevoelige snaar waarop de populisten, van Trump tot en met Wilders, hun fanfare baseerden.

    Dat hun brutale versimpeling een illusie is die met de werkelijkheid aan de haal gaat, vormt uiteindelijk een gevaar voor alle klassen. Je kan tot op zekere hoogte misschien je eigen wereld naar de hand zetten, maar het idee dat die hand ook globale reikwijdte heeft, 
leidt tot overschatte begrippen als ‘mijn land‘, en ‘mijn recht’. Een bezitsvordering die direct impliceert dat het niet zomaar ook jouw land is en jouw recht. Sterker nog, wie die illusie dwarsboomt, wordt bekogeld met woede en frustratie.

    schermafbeelding 2016 09 21 om 19 27 51

    Geholpen door de populistische leiders voor wie de hoeveelheid stemmen blijkbaar belangrijker is dan de kwaliteit van een homogene sa-men-leving, is een zondebok dan snel en makkelijk aan te wijzen; iedereen die het niet met je eens is, of welke nuance dan ook wil aanbrengen. De elite dus, hoeders van het ‘juiste’ en de goede smaak, die ook nog eens aanschurkt tegen immigranten. Straatdichter Laser schreef het op een steigermuur in Amsterdam: Don’t blame Trump. Blame yourself.

    Elisabeth Raether van Die Zeit beweert hetzelfde: het is – ik zeg gemakshalve maar even – onze schuld en juist niet die van het volk dat we met Trump en co opgescheept zitten. We hebben het populisme over onszelf afgeroepen. Hadden we onze arrogantie maar niet tot 
handelsmerk moeten maken, hadden we maar niet zo prat moeten gaan op onze superioriteit, onze intelligentie, onze humor. En hadden we maar ‘de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal in de democratische en ontwikkelde 
landen niet moeten omdraaien ten gunste van het kapitaal’ (Boris Kagarlitski). Zou het? Of is het superelitair om je dat af te vragen?

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • 3. Trap niet in de antidemocratische val

    3. Trap niet in de antidemocratische val

    Sinds de opmars van Donald Trump ontstaat onder de Amerikaanse elite steeds meer minachting voor de stem van het volk. Maar dat is exact de verkeerde reactie, betoogt filmmaker en activiste Astra Taylor.

    Nog niet zo lang geleden leek iedereen de onstuimige herrijzenis van de democratie toe te juichen. De sociale media werden geroemd omdat ze de mensen dichter bij de politiek betrokken. Opiniemakers prezen ‘de wijsheid van de massa’ en de creativiteit van ‘de volksgeest’. De opkomst van de Occupybeweging en de Tea Party bracht van links tot rechts een opleving van politieke protesten op gang, die Amerika tientallen jaren niet had meegemaakt. We betraden een fascinerende, maar ook chaotische, nieuwe periode van politieke strijd – van demonstranten, hackers, klokkenluiders, relschoppers en radicale veranderingen in zowel de Republikeinse en Democratische politiek.

    Maar in de afgelopen maanden blijkt het enthousiasme voor het oplaaien van het democratische vuur tanende. De massa krijgt al snel weer zijn vroegere plek terug: dat van het plebs. En zowel door links als rechts wordt de volksgeest steeds meer juist als een bedreiging van de democratie gezien.

    Degenen die geen bezit hebben, geen man zijn, en niet blank, hebben er allemaal voor moeten vechten om bij de politiek te worden betrokken

    De toenemende ongerustheid begon bij het verschrikkelijke vooruitzicht van Trump als president. Het idee van een racistisch, gedementeerd personage uit een reality-tv-serie dat ’s lands hoogste ambt bekleedt zorgde ervoor dat een toenemend aantal mensen – links, rechts en midden – de beslissingsbekwaamheid van de massa in twijfel trok. In mei uitte Andrew Sullivan in een veelgelezen coverstory in New York Magazine zijn bange vermoeden dat Amerika last had van te veel democratie. De opkomst van Trump, zo waarschuwde hij, laat zien dat Amerika ‘rijp is voor de dictatuur’. Zwaar leunend op Plato, een van scherpste critici van de democratie, betoogde Sullivan dat in een ‘hyperdemocratische’ maatschappij de belangrijke ‘schotten tussen de wil van het volk en de uitoefening van de macht’ langzaam worden afgebroken.

    Toen kwam de Brexit. Met één referendum trok de Britse kiezer die belangrijke schotten om door het Verenigd koninkrijk uit de Europese Unie te gooien. De economische chaos en de opvlammende xenofobie leken een weerspiegeling van het opkomende etno-nationalisme in Amerika. Trump had zelfs een dubbelganger met hetzelfde oranje gezicht en gele haar: de vroegere Londense burgemeester (en huidige minister van buitenlandse zaken) Boris Johnson. Impulsieve, Sullivan-achtige paniek volgde.

    Een nogal hypocriet essay van James Traub in Foreign Policy circuleerde op de social media: ‘It’s Time for the Elites to Rise Up Against the Ignorant Masses’. Op vergelijkbare wijze betreurde Felix Salmon in Fusion het ‘kapen van de technocraten door het volk’ in zowel het Verenigd Koninkrijk als de Verenigde Staten.

    Het is nogal vergezocht om de ‘onwetende massa’ de schuld te geven van de Brexit. Het volk heeft niet gevraagd om een referendum: de elite heeft dat georganiseerd in een volkomen onjuist ingeschat machtsspel door premier David Cameron en zijn medestanders, die er abusievelijk van uitgingen dat er zeker vóór de EU zou worden gestemd en dat daardoor Camerons positie als leider der Conservatieven versterkt zou worden. Maar hoe fout de stem voor de Brexit ook mag zijn geweest en hoe beangstigend Trumps populariteit ook blijft, om aan de hand van die recente gebeurtenissen miljoenen mensen weg te zetten als idioten en de democratie ter discussie te stellen is niet alleen een overdreven, maar zelfs een gevaarlijke reactie. Het is namelijk precies de verkeerde conclusie. Het werkelijke probleem waarmee de democratie tegenwoordig worstelt is niet een overmaat aan macht voor het volk, maar juist het ontbreken daarvan.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    De walgelijke campagne van Trump legt iets bloot wat net zo weerzinwekkend is maar veel verraderlijker: de minachting die sommigen in de elite voelen bij het vooruitzicht de macht te moeten delen met gewone mensen. Die minachting is natuurlijk niet nieuw, maar het is frappant dat het plotseling geaccepteerd is om dergelijke antidemocratische meningen in beschaafd gezelschap te verkondigen. Net zoals Trump uitingen van onverdraagzaamheid en xenofobie omfloerst met een laagje ‘fatsoen’, laat hij oproepen om de democratie aan banden te leggen in de oren van velen als een redelijke reactie klinken.

    De elite laat zich in de kaart kijken als ze Bernie Sanders en zijn aanhang bestempelen als een kopie van de Trump-aanhang – net zo’n onbeheersbare en misleide mensenmassa, hopeloos onvolwassen en irreëel over het functioneren van het politieke bestel.

    Het argument dat Trump, Sanders en hun respectievelijke achterban twee kanten van dezelfde achterlijke medaille vormen vond deels ingang omdat de elite buiten schot blijft. Het is een manier om zich nog vaster te klampen aan een desastreuze oligarchische status quo – weg met de democratie. Maar ook hier is het de verkeerde conclusie. Protesten en populistische politieke bewegingen zijn tenslotte signalen dat het volk buiten de machtsstructuren wordt gehouden, niet dat ze succesvol het systeem hebben ‘gekaapt’. De elite pleit voor meer gezond verstand in de politiek – en wie kan daar nu tegen zijn?

    “De ontevredenheid van de massa is een ‘virus’ dat in quarantaine geplaatst moet worden” – Jonathan Rauch

    Maar hun positie is niet helemaal rationeel. In een op de social media populaire coverstory in The Atlantic riep Jonathan Rauch op om gezamenlijk de machthebbers te beschermen. ‘Ons nijpendste politieke probleem tegenwoordig is dat het land afstand heeft genomen van het establishment, niet andersom,’ klaagde hij. ‘Neurotische haat jegens de politieke klasse is de laatste toegestane vorm van onverdraagzaamheid.’ De ontevredenheid van de massa, luidde zijn conclusie, is een ‘virus’ dat in quarantaine geplaatst moet worden.

    Maar de ontevredenheid van de massa zit al in quarantaine. Daarom hebben kiezers ter linker- en ter rechterzijde er zo de pest in. De werkelijke uitdaging waar Amerika tegenwoordig voor staat is dat er in het leven van de burger bijna geen democratische kanalen zijn die verder gaan dan het sporadische bezoek aan het stemhokje of de vluchtige euforie van een demonstratie.


    Voor deze misstand bestaat geen snelle oplossing. Als Hillary Clinton wint in november, is het heel verleidelijk om de afwijzing door de kiezer van het trumpisme te zien als het herstel van het gezonde politieke verstand. Maar het presidentschap van Clinton zal niet wezenlijk de omstandigheden veranderen die miljoenen Amerikanen ertoe hebben gebracht om zich tot Trump of Sanders te wenden. Er bestaat alleen een drastische oplossing: met geduld democratische mogelijkheden creëren voor veranderingen van onderaf.

    Maar bovenal moeten we, ondanks de meldingen van politieke chaos – en ja, ook van politieke stompzinnigheid – die dagelijks via de social media bij ons binnenkomen, de oproep van de elite en de verleidingen van de antidemocratische impulsen weerstaan. De makkelijke minachting voor de democratie – het wegzetten van diegenen met wie we het oneens zijn als idioot, als incapabel of het vertrouwen van de burger en de verantwoordelijkheid onwaardig – kent een lange nare historie in dit land, waar de Founding Fathers bijna net zo wars van de democratie waren als Plato, en zeker vijandiger jegens het vooruitzicht de welvaart te moeten delen. Degenen die geen bezit hebben, geen man zijn, en niet blank, hebben er allemaal voor moeten vechten om bij de politiek te worden betrokken – en dan ook met werkelijke politieke macht –, waarbij ze even hard moesten opboksen tegen reactionaire conservatieven als tegen angstige Liberals. Aan ons is nu de taak om die democratische opmars voort te zetten in plaats van ons uit angst terug te trekken. Voordat we de democratie afschrijven, moeten we hem eerst werkelijk hebben geprobeerd.

    Auteur: Astra Taylor
    Vertaler: Paul Bruijn

    Astra Taylor is een Canadees-Amerikaanse documentairemaakster, schrijfster, activiste en muzikante. Ze schreef voor onder meer The Nation, Salon en The London Review of Books en was nauw betrokken bij de Occupybeweging.

    New Republic
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 65.000

    Links-liberaal tijdschrift voor politiek en cultuur, met een focus op de VS zelf. Becommentarieert al vanaf de oprichting in 1914 de grote sociale en economische verschuivingen in de Amerikaanse samenleving en pleit voor een liberalisme met meer betrokkenheid van de overheid.

  • 2. Hoe het volk verraden werd

    2. Hoe het volk verraden werd

    Met de val van de Sovjet-Unie bezweek de laatste dijk die de vloedgolf van de neoliberale globalisering tegenhield. Sindsdien zijn de midden- en arbeidersklasse overal in de steek gelaten door de sociaaldemocraten en de radicale intellectuelen, en opnieuw het ‘lijdend voorwerp’ van de geschiedenis geworden. De analyse van een linkse Russische politicoloog.

    In de moderne sociologie is bestudering van de elite meer in de mode dan die van het volk. In feite heeft het politieke leven van de afgelopen kwart eeuw geprivilegieerde groepen in de kaart gespeeld die over macht en rijkdom beschikten en controle hadden over de informatiestromen, ten koste van andere sociale lagen die aan de zijlijn bleven staan. Waar de conservatieve Spaanse filosoof Ortega y Gasset aan het begin van de twintigste eeuw geïrriteerd over de ‘opstand der horden’ sprak, had de Amerikaanse denker Christopher Lasch het aan het eind van diezelfde eeuw over de ‘opstand van de elite’.

    De verwerping van de politiek door het gewone volk is inmiddels bijna een wereldwijd fenomeen en manifesteert zich met wisselende heftigheid in de meest uiteenlopende regio’s. Natuurlijk zijn de volksmassa’s niet van het scherm verdwenen: ze blijven stembiljetten in bussen stoppen, nemen deel aan betogingen, komen soms zelfs in opstand en zoeken de confrontatie met de politie. Maar hun belangen, hun problemen, hun ideeën zijn niet meer aan de orde van de dag. Aan de ene kant heeft een deel van de elite het ontevreden (of juist loyale) volk gebruikt voor hun eigen doelstellingen en als stemvee. Aan de andere kant zijn de pogingen van volksbewegingen om zich in de ‘echte politiek’ te storten en de leidende klassen te verplichten over hun problemen te debatteren en rekening te houden met hun meningen, over het algemeen vergeefs gebleken.

    Amusante fantasie

    Beslissingen die voorheen onderwerp waren van publiek debat werden opeens als ‘technisch’ gekwalificeerd en gereserveerd voor deskundigen. De mening van de man in de straat was hooguit nog een amusante fantasie. De overtuiging dat ‘impopulaire hervormingen objectief gezien onvermijdelijk’ waren en ondanks de publieke opinie moesten worden doorgedrukt, is de richtlijn geworden voor alle regeringen, een enkele uitzondering daargelaten. Het verschil tussen links en rechts is teruggebracht tot nauwelijks waarneembare culturele nuances die het volk niet meer interesseren. Tegelijkertijd zijn kwesties die niet meer dan enkele procenten van de bevolking aangaan, in welk land dan ook (zoals het homohuwelijk), tot de kern van het nationale (en soms internationale) publieke debat doorgedrongen en in een machtsstrijd ontaard. En dat alleen maar omdat deze kwesties op geen enkele manier verband houden met de echte problemen van de meeste mensen.

    Waar tussen het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de politieke evolutie de volksmassa’s van lijdend voorwerp tot historisch en politiek onderwerp had verheven, is dit proces honderd jaar later omgekeerd. Wanneer heeft deze breuk zich voorgedaan? Waardoor is hij veroorzaakt en waarom heeft hij zulke proporties aangenomen?

    Zeker is dat in het Westen de breuk is opgetreden doordat de twee grote sociale bewegingen van de jaren tachtig de vakbonden monddood hebben gemaakt. Toen Margaret Thatcher de opstand van de Britse mijnwerkers neersloeg en Ronald Reagan korte metten maakte met de staking van de Amerikaanse luchtverkeersleiders, zijn de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal in de democratische en ontwikkelde landen op een duidelijke en onverbiddelijke manier omgedraaid ten gunste van het kapitaal. De klassenstrijd was niet langer het parool van het proletariaat, maar het levensprincipe van de bourgeoisie. De sociale verworvenheden van de voorgaande decennia werden in toenemende mate beperkt of zelfs afgeschaft.

    De ontmanteling van het Oostblok in 1989 was de volgende etappe van dit proces. Niet alleen namen de landen die tot dan toe communistisch waren geweest een voor een het kapitalistische model over, waarbij ze zo snel mogelijk en tegen elke prijs in de wereldeconomie wilden integreren, ze stuitten daarbij op geen enkele tegenstand omdat de voormalige communisten met verbazingwekkend gemak de volstrekt liberale, nationalistische, sociaaldemocratische of zelfs conservatieve praktijken hadden omarmd.

    Voor alle ideologieën en alle symbolen liep men warm, behalve voor de systemen die door de leidende klassen van het oude systeem werden gepropageerd. Overigens waren de vertegenwoordigers van de voormalige communistische elite niet de enigen die als een blad aan een boom omdraaiden, ook veel tot dan toe sociaaldemocratische en links-liberale dissidenten hebben zich razendsnel tot het conservatisme of nationalisme bekeerd.

    Boris Kagarlitski.
    Boris Kagarlitski.

    De val van de Sovjet-Unie betekende de genadeklap. Niemand betwist inmiddels meer dat de leidende klassen in het Westen, die niets meer van de Sovjets te vrezen hadden, elke vorm van sociaal compromis in hun eigen land op de schroothoop hebben gegooid. Tijdens de Koude Oorlog waren de twee kampen verplicht naar de meerderheid van hun burgers te luisteren en hun rekenschap te verschaffen. De formele steun van het volk was niet voldoende. De ervaring in de Oost-Europese landen, waar het systeem toch stabiel was maar in 1989 binnen enkele weken te gronde ging toen de vrees voor de ‘grote broer’ was verdwenen, is het bewijs van het tegendeel.

    In het Westen daarentegen zat de democratie zodanig in elkaar dat elke poging tot destabilisering van buitenaf uiteindelijk niet alleen op verzet van de politiek of de inlichtingendiensten stuitte, maar ook van het volk zelf, dat het plaatselijke systeem accepteerde en steunde. De arbeidersklasse kon door op de sociaaldemocraten of zelfs de communisten te stemmen uitdrukking geven aan haar verzet tegen het kapitaal, waarmee ze voortdurend in conflict was, maar de twee kampen hadden dezelfde wens om de spelregels en de instellingen te behouden, uit vrees voor chaos en een radicale confrontatie. De arbeiders wilden geen revolutie die hen van burgerlijke vrijheden zou beroven, zoals in de Sovjet-Unie. Het kapitaal had de politieke steun van de arbeiders nodig om de liberale democratie te verdedigen.

    De ontwikkelingslanden en Oost-Europa waren de eerste slachtoffers van de globalisering

    Door het verdwijnen van de Sovjet-Unie is de situatie veranderd. En ook al is het neoliberalisme heel wat eerder ten tonele verschenen (deels als reactie op de kosten van de verzorgingsstaat en de keynesiaanse regulering, maar ook door het besef dat het Sovjetsysteem onvermijdelijk ten dode was opgeschreven), het is juist na 1991 hard, agressief, compromisloos en mondiaal geworden. De communistische partijen waren op dat moment niet de enigen die instortten, uiteenvielen en van etiquette veranderden. Ook met de sociaaldemocratie ging het rap bergafwaarts. Omdat die was ontstaan onder de comfortabele omstandigheden van het naoorlogse mondiale evenwicht, was ze niet in staat het hoofd te bieden aan een plotseling verhevigde klassenstrijd.

    De meesters in het onderhandelen en de virtuozen van het compromis stuitten plotseling op de bourgeoisie, die in enkele jaren, of zelfs enkele maanden, van een vreedzame ‘sociale partner’ in een onverzoenlijke vijand was veranderd. Na enkele vernederende tegenvallers, zoals vakbonden die van koers veranderden tijdens verkiezingen, maar ook als gevolg van stakingsacties en openbare debatten, hebben de sociaaldemocraten zich uiteindelijk aan de kant van de overwinnaars geschaard. Terwijl ze, anders dan de communisten, hun naam en hun symbolen behielden, zijn ze van ideologie en programma veranderd. Door hun loyaliteit aan de winnende bourgeoisie te betuigen waren ze ervan verzekerd dat hun kiezers, al waren ze keer op keer verraden, op hen zouden blijven stemmen, bij gebrek aan beter.

    Promotie

    Deze tactiek heeft haar vruchten afgeworpen: de sociaaldemocratische partijen zijn weer aan de macht gekomen, niet als hervormers maar als eenvoudige handhavers van het systeem, die niet eens hun mening meer durfden te geven. Daarmee hebben ze zich aangesloten bij de politieke klasse van de bourgeoisie en zijn ze daar definitief in opgegaan.

    Tegelijkertijd heeft een analoge, hoewel autonome beweging tot de integratie van de linkse intellectuelen in de academische elite en de bourgeoiscultuur geleid. Dat manifesteerde zich erin dat links-radicalen, die voordien als marginalen en rebellen werden beschouwd, plotseling op hoge posten bij de media, de universiteiten en tal van andere openbare instellingen werden benoemd. Maar deze promotie had niets te maken met het terugwinnen van politieke of ideologische invloed door links. Integendeel, ze was omgekeerd evenredig aan de stijgende macht van de antikapitalistische bewegingen.

    Deze paradox laat zich verklaren door het feit dat de rebellen van gisteren het systeem hebben omarmd om te slagen. Ze hebben niet de macht gegrepen in de instellingen (zoals de ‘nieuw-linkse’ denker Rudi Dutschke eind jaren zestig voorspelde), ze zijn erdoor geabsorbeerd. De ‘linkse’ intellectuelen ontlenen hun legitimiteit en hun invloed niet meer aan de steun van de arbeidersklasse, maar aan de erkenning van de liberale elite die hen als gelijken behandelt in de academische, culturele en ideologische instellingen.

    Deze integratie van de intellectuelen heeft het ‘radicale discours’ (feminisme, minderhedencultus, homohuwelijk et cetera) tot officiële ideologische norm verheven, tot in de hoogste kringen van de staat, waarbij de ‘subversieve’ en antiburgerlijke ideeën, formules en slogans verloren gingen. Zo heeft het kapitaal het feminisme en de strijd voor gelijke rechten van seksuele minderheden geïncorporeerd, zonder ze het recht op radicale retoriek te ontnemen waarmee ze zichzelf konden legitimeren.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    De derdewereldlanden hebben een soortgelijke evolutie doorgemaakt. Na de val van de Sovjet-Unie waren de op Moskou georiënteerde regimes verzwakt en gedemoraliseerd. De Sovjethulp stopte, en daarmee het ontwikkelingsmodel dat hen aan de overwinning moest helpen. Toen ze eenmaal alleen stonden tegenover het Westen en zijn mondiale instituties, schudden de vroegere revolutionairen hun ideologische veren af en trokken in allerijl kapitaal aan, onder welke voorwaarden dan ook.

    Met hun scherpe markteconomische draai schoeiden ze hun respectievelijke economieën (althans op papier) op een nog liberalere leest dan de landen die het westerse model hanteren. Door deze radicale verandering werden deze landen niet alleen afhankelijk van buitenlands kapitaal, maar ook van internationale experts en technocraten, die in toenemende mate werden vervangen door in het Westen of naar westers model opgeleide jongeren uit eigen land. Zo drong de nieuwe technocratische elite de oude steeds meer naar de achtergrond. En hoe meer de kapitalistische markt geglobaliseerd werd, des te effectiever deze nieuwe school bleek en hoe verder ze haar invloed kon uitbreiden.

    Helaas stuitten de technocraten op een probleem: niet de hele economie en niet alle sociale lagen konden deelnemen aan het liberaliseringsproces van de wereldmarkten. Erger nog, naarmate het neoliberale kapitalistische model zich verder over de wereld verspreidde, werden zijn contradicties en zijn disproportionele karakter steeds zichtbaarder, te beginnen met de toename van de materiële ongelijkheid, die verantwoordelijk was voor de dalende marktvraag.

    De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden

    Toch leken deze problemen anekdotisch zolang de wereld over een continue groeimachine beschikte, namelijk de Chinese economie. Uitgerekend China, dat zijn rode vlaggen en zijn communistische ideologie had behouden, speelde aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw de rol van belangrijkste stabilisator van het liberale kapitalisme. Omdat het de wereldmarkten kon overspoelen met goedkope producten – waardoor de arbeiders in andere landen met lagere lonen genoegen moesten nemen – slokte dat land tegelijkertijd enorme hoeveelheden kapitaal, informatietechnologie en geavanceerde apparatuur op en ondersteunde daarmee bepaalde relatief welvarende sectoren van de westerse economieën. Resultaat: de loyaliteit van een deel van de arbeiders en de zakenwereld was gegarandeerd, terwijl die onder andere omstandigheden bereid zouden geweest tegen het systeem in opstand te komen.

    De culturele transformatie van de bureaucratie en de politieke en culturele elite van China heeft zich op dezelfde manier voltrokken als die in de voormalige landen van het Sovjetblok en hun ‘niet-kapitalistische’ bondgenoten, met dien verstande dat het langzamer, gecontroleerder en dus minder verwoestend verliep. Demografisch, sociologisch en cultuur-evolutionistisch gezien verwachtte niemand dat zich in China een crisis zou voltrekken zoals in 1989-1991 in Rusland. Maar door de instabiliteit van het mondiale systeem zien de Chinese machthebbers zich met absoluut nieuwe uitdagingen geconfronteerd, waarbij het risico bestaat dat China niet langer een stabiele maar een onzekere factor zal zijn voor de wereldeconomie.

    De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden. De overwinning die de technocraten halverwege de jaren negentig bijna overal op de populisten hadden behaald zorgde ervoor dat de plaatselijke valuta’s werden gestabiliseerd, dat er buitenlands kapitaal kon worden aangetrokken, dat de export kon worden opgevoerd en dat er een nieuwe middenklasse ontstond naar Europees model.

    Maar aan het begin van deze eeuw vertrokken het kapitaal en de productie naar Azië, met name naar China. Er wordt altijd gezegd dat de globalisering funest is geweest voor de werkgelegenheid in de Verenigde Staten en West-Europa. In werkelijkheid waren de ontwikkelingslanden en Oost-Europa de eerste slachtoffers. De westerse landen hebben hun industrie precies zo groot laten blijven als hun elite wilde. Groot-Brittannië heeft bewust een de-industrialiseringsbeleid gevoerd, anders dan Duitsland, dat zijn industrie door modernisering juist heeft versterkt. Dit alles in tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse landen en de meest ontwikkelde Arabische landen – Egypte, Tunesië en Algerije – die de kapitaalbewegingen niet hebben kunnen beïnvloeden.

    Links front

    De explosieve groei en de sociale crisis die volgde, en die gepaard ging met een reeks financiële crises en economische stagnatie, heeft in Zuid-Amerika tot een ware opstand tegen het systeem geleid. Deze opstand heeft het volk en de ondernemers die op de binnenlandse markt actief waren verenigd, evenals een flink deel van de ambtenaren die woedend waren op de technocraten met een commerciële westerse opleiding. Zo ontstond het beroemde Zuid-Amerikaanse ‘linkse front’. Helaas zijn de linkse regeringen niet in staat gebleken het ontwikkelingstraject in hun land om te buigen. De Zuid-Amerikaanse opstand tegen het neoliberalisme heeft het afgelegd tegen de wereldwijde economische crisis. Een crisis die heeft bewezen dat het onontkoombaar is om de prioriteiten van de mondiale ontwikkeling te verleggen.

    In feite heeft deze crisis aangetoond dat de liberale elite maar in beperkte mate in staat is om de situatie te beheersen, terwijl hun bronnen opdrogen. Het sinds de jaren tachtig en negentig toegenomen risico dat dit economische model uit elkaar klapt maakt een politieke en culturele crisis onvermijdelijk, en vooral onoverkomelijk. Omdat de neoliberale verandering de dialoog en de communicatie met het volk heeft vervangen door manipulatie, die steeds minder effectief wordt, zit de elite momenteel in een soort sociaal vacuüm en is ze gestrest en gedesoriënteerd.

    Paradoxaal genoeg blokkeren het conservatisme van de elite en het gebrek aan communicatie tussen haar en het volk alle gebruikelijke hefbomen om de hervormingsmechanismen in de maatschappij zonder al te veel schade in gang te zetten. De protestbewegingen, die verstoken zijn van de gebruikelijke dialoog met de politieke klasse en de progressieve intelligentsia, laven zich aan nationalistische, traditionalistische en religieuze bronnen, die een vruchtbare voedingsbodem zijn voor populisten, zowel van links als van rechts. Toch zullen deze bewegingen na heel wat beproevingen uiteindelijk aan de wieg staan van een nieuwe democratische cultuur, die de kwalijke gevolgen van de ‘opstand van de elite’ te boven zal komen.

    Auteur: Boris Kagarlitski
    Vertaler: Peter Bergsma

    Journalist en politicoloog Boris Kagarlitski (1958) staat aan het hoofd van het Instituut voor globalisering en sociale bewegingen (IGSO), een onafhankelijk onderzoekscentrum in Moskou. Hij leidt ook het onlinemagazine Rabkor. Kagarlitski is een kenner van de Europese sociaaldemocratie en de Europese vakbeweging, en tevens een van de weinige voormalige Russische dissidenten die hun links-democratische opvattingen zijn trouw gebleven na het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Hij heeft tal van publicaties op zijn naam staat, waaronder Neoliberalisme en revolutie (Uitgeverij Poligraf, 2013).

    Ekspert
    Rusland | weekblad | oplage 90.000

    Ekspert is een Russisch zakenweekblad dat in 1995 werd opgericht door een groep journalisten afkomstig van het financiële dagblad Kommersant. Het blad heeft een oplage van 90.000 en de redactie heeft een meerderheidsbelang in de onderneming. Zij wordt sinds 1998 geleid door Valery Fadejev, die overigens ook zitting heeft in het bestuur van de politieke partij Verenigd Rusland, de ‘partij van Poetin’.

    Maar het blad is niet eenkennig. Het kiest, in navolging van het Amerikaanse Time, een ‘Persoon van het Jaar’ (tot dusver steeds mannen). In 2003 was dat de oligarch Michaïl Chodorkovski, die kort daarop in ongenade viel, jaren in de gevangenis zat en in 2013 gratie kreeg (hij woont nu in Zwitserland, zijn fortuin nog grotendeels intact). In 2007 riep het blad Chodorkovski’s tegenstander Vladimir Poetin uit tot ‘Man van het Jaar’.

    Tot de Ekspert-groep behoort ook het weekblad Roesski Reporter, dat voornamelijk reportages bevat.

  • 1. Wat maakt Trump, Le Pen en Wilders zo sterk? Onze arrogantie

    1. Wat maakt Trump, Le Pen en Wilders zo sterk? Onze arrogantie

    Jarenlang keek de progressieve elite stiekem neer op de mensen onder aan de maatschappelijke ladder. Die mensen zijn nu afgehaakt en stemmen op Trump en co. Eigen schuld, dikke bult.

    Na maanden van voorverkiezingsstrijd heeft onze verontwaardiging over Donald Trump iets overbodigs gekregen: hij zegt iets onbeschofts en wij grijpen geschrokken naar onze parelketting, als burgerdames die iemand aan tafel uit een vingerkommetje zien drinken. Maar de verrassing is er nu wel af. En vooral: Trump kwam niet uit het niets. Waarschuwingssignalen genoeg. We hebben lang gedacht dat het voldoende was iemand als hij met scherpzinnige spot en minachting op zijn plaats te zetten.

    Maar of het nu satirische stukjes of afkeurende hoofdartikelen waren, of dat we hem gewoon voor gek zetten om zijn haar: niets hielp. Eigenlijk hebben we steeds gedacht dat alleen dat kapsel al genoeg was om erger te voorkomen. Maar Trump en andere autoritaire leiders kregen steeds meer succes en werden steeds zelfbewuster.

    Het zou aan ons kunnen liggen. Want uit alle aanwijzingen, die we niet alleen over het hoofd hebben gezien maar bewust hebben genegeerd, blijkt dat wij − ook als Europeanen − een onaangename waarheid onder ogen moeten zien: wij leven in een klassenmaatschappij, waar de ene groep leidt en de andere volgt. En als we om Trump en Melania lachen, ontmaskeren we niet hén, maar onszelf.

    Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden

    Wie zijn wij? Wij zijn de leiders. Wij zijn de nieuwe liberale elite. Wij zijn degenen die met tranen in de ogen luisteren naar Michelle Obama’s toespraak op de democratische conventie. Wij zijn het soort mensen dat niet bang is om een moderne en toch elegante outfit te dragen die vermoedelijk is ontworpen door een jonge designer uit New York wiens naam de meeste Amerikanen niet eens kunnen uitspreken. Wij zijn de mensen die überhaupt niet zo snel bang zijn, niet voor de onbegrijpelijke soevereiniteit waarmee de First Lady spreekt, noch voor de mengeling van macht en morele volmaaktheid die ze belichaamt als ze zegt: ‘Ik word iedere dag wakker in een huis dat is gebouwd door slaven.’ Michelle Obama is mooi, rijk, intelligent, elegant en heel, heel machtig. Maar ze is ook zwart, zodat ze zonder een zweempje schaamte mag genieten van al haar voorrechten, de schaamte die lange tijd de prijs is geweest van leven in de bovenlaag van de samenleving.

    Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is, wat hoort en wat niet hoort, en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden. We zoeken het gezelschap van ‘ons soort mensen’. Maar net als een regime dat door revolutie aan de macht is gekomen, staan we boven alle verwijten, want wij, althans de generaties voor ons, hebben voor die plaats moeten vechten.

    We hebben de tolerantie bij wijze van spreken uitgevonden, en we definiëren dus ook wat dat is. Het resultaat is de onaantastbare macht van het juiste, onze macht dus. En inderdaad, we hebben veel goeds teweeggebracht wat we de wereld nalaten: vrijheid en rechten voor vrouwen, migranten, gehandicapten, homoseksuelen. Maar de klassen hebben we niet afgeschaft. We hebben ons in de top van de klassenmaatschappij genesteld, en hebben nu het gevoel dat alle remmen los zijn.

    Van onderaf zou dat er wel eens heel anders uit kunnen zien.

    Michelle en Melania

    Hillary Clinton heeft dochter Chelsea ‘perfect’ opgevoed, zei Michelle Obama in haar toespraak. Dat zal niet iedere Amerikaanse moeder van haar kinderen durven zeggen; in ieder geval niet de moeders van de dikzakken en de spijbelaars, gedetineerden, tienermoeders en drugsverslaafden. Maar die moeders kunnen de First Lady niet verwijten dat ze arrogant is, tenzij hun voorouders op zijn minst ook slaven waren.

    Na Michelle Obama was er een toespraak van een jonge transvrouw, Sarah McBride. Dankzij zorgvuldige medische ingrepen ziet ze er zo fantastisch uit als iedere vijfentwintigjarige zich zou wensen. McBride was stagiaire in het Witte Huis en werkt nu bij een ngo. Haar verhaal gaat er niet alleen over dat álle mensen gelijk zijn, ze vertelt ook over haar echtgenoot, een transman, die op zijn achtentwintigste aan kanker overleed en zich tot zijn dood heeft ingezet voor LBGTQA-mensen in de VS.


    Er zijn niet veel vijfentwintigjarigen die op de conventie mogen spreken, en nog minder die zo hoogstaand en onzelfzuchtig overkomen. Maar hoe zit het met die anderen? Die niet zwart of hoogbegaafd, niet stijlvol of transgender, geen stralende jonge weduwe en wellicht niet eens vrouw zijn? Wat is hun heldenverhaal?

    Op de conventie van de Republikeinen, kort daarvoor, stond Melania Trump op het podium. Ook zij is aan haar gezicht geopereerd, maar om andere redenen. Smalle ogen, volle lippen, geföhnd haar. Ze leest van de autocue, waar ze zich kennelijk erg voor moet concentreren. Ze heeft een zwaar Balkanaccent en een monotone stem. Haar gelaatsuitdrukking past niet bij wat ze zegt: ze praat over liefde, het gezin en kindness, maar ze kijkt als een roofdier, cool, sexy, alsof ze bezig is iemand te verleiden, alsof ze alleen maar zo kan kijken.

    Veel van wat bij een toespraak mis kan gaan, gaat ook mis. Dat is al duidelijk vóórdat iemand ontdekt dat hele passages ervan zijn overgeschreven uit een toespraak van Michelle Obama in 2008. Een paar dagen later onthult een tijdschrift in New York dat het designdiploma dat Melania Trump zou hebben in het postcommunistische Slovenië van de jaren tachtig helemaal niet bestond. Vanaf dat moment kent het leedvermaak geen grenzen meer. Als ze dan al een universitair diploma verzint, waarom dan niet een bestaand? Melania, een vrouw net zo nep als haar borsten.

    Maar hoe zit het met de fakeborsten van de jonge transvrouw? Waarom zijn sommige borsten progressief en andere reactionair? Als iemand zijn biologische geslacht niet wil accepteren, mag hij zich laten opereren tot zelfs zijn moeder hem niet meer herkent. En als iemand er mooier of jonger uit wil zien dan hij is, dan zou dat niet mogen? Hoe moet je dat uitleggen aan iemand buiten de liberale kliek?


    Je kunt ook anders naar het optreden van Melania Trump kijken. Een verkiezingsteam had het niet beter in scène kunnen zetten: de hoon waar Trumps vrouw tegenaan loopt, is dezelfde die bij zijn kiezers tomeloze woede-uitbarstingen veroorzaakt. Zij worden opnieuw bevestigd in hun wrok. Zwarte mannen en vrouwen in de VS zijn slachtoffer van politiegeweld, arm, en moeten zich tegen ontelbare vooroordelen verdedigen. Maar er is nog een groep die buitengesloten wordt. Want ook over mensen die de vooruitgang niet zo snel kunnen bijbenen, mogen we − ook in tijden van sekseneutrale taal − allerlei denigrerende dingen zeggen; de mensen die onzeker zijn, geen talenten hebben, bang zijn: de witte mannen. Hun verlangens, hun behoeften, hun angsten, hun levensverhalen: één grote grap. Je kunt ze white trash noemen, of arbeiders, werklozen, ongeschoolden. Hoe dan ook, populair zijn ze niet, wereldwijs evenmin en zelfspot kennen ze niet. Zij zijn degenen die gekwetst zijn.

    Het kan op het eerste gezicht misplaatst lijken dat juist degenen die zijn afgehaakt zich identificeren met het echtpaar Trump, dat tenslotte fabelachtig rijk is. Melania Trump post selfies vanuit haar gouden woonkamer en heeft een assistente die boodschappen voor haar doet. De tegenstrijdigheid dat uitgerekend miljardairs de uitgeslotenen weten te bereiken, verdwijnt snel: want ze zijn niet alleen economisch uitgesloten, maar vooral cultureel.

    De leidster van het Front National, Marine Le Pen, had een bevoorrechte jeugd in een rijke voorstad van Parijs, maar mensen die zich aan de kant gezet voelen, zijn dol op haar. Terwijl de welgestelden een lompe vrouw met prefascistische opvattingen zien, koesteren de gepijnigde zielen zich in haar warmte. Want zij voelen hoe de liberale elite op hen neerkijkt. Le Pen heeft jarenlang haar uiterste best gedaan om toegelaten te worden in de Parijse televisiestudio’s waar haar vader een ongewenste gast was. Nu vecht ze voor het presidentschap met een hartstocht alsof het niet om politiek, maar om het vereffenen van een rekening gaat.

    Dat is het heldenverhaal van de veronachtzaamden: jullie zogenaamd tolerante veelverdieners hebben ons jarenlang genegeerd. We mochten optreden in realityshows op tv, zodat jullie je, met je eeuwige ironie, konden amuseren. Maar nu is het ernst. Nu willen we de macht, en die zullen we krijgen ook. Jullie vonden het toch altijd zo erg dat we niet gingen stemmen? Nou, dat is precies wat we gaan doen.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.

    Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.

    Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet

    Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen. Hoewel, bijvoorbeeld: niet alle tegenstanders van genetische modificatie kunnen je vertellen waarom ze daar zo tegen zijn, want het is ook gewoon een gevoel. Je wilt nou eenmaal graag dat wat je eet op een of andere manier waarde heeft en puur is.

    Ook kunnen niet alle pleitbezorgers van de EU uitleggen wat daar nou zo goed aan is, want het gaat uiteraard ook om onze identiteit, een vaag gevoel dat zich zo moeilijk laat beschrijven. Het is in ieder geval makkelijker om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet waar van die uitstekende, maar ongelooflijk goedkope wijnen op de kaart staan.

    Iedereen heeft altijd meer begrip voor zijn eigen domheid dan voor die van de ander. Maar wie bepaalt wat dom is? Wie beslist wat de juiste problemen zijn en wat de verkeerde? Afgezien daarvan: Wat kan er nou dom aan zijn om iemand in het Witte Huis of het Elysée te kiezen waarmee je je kunt identificeren?

    Superioriteit

    Op het moment dat ze zo woedend werden, waren de uitgeslotenen allang van het politieke toneel verdwenen. De Franse socioloog Didier Eribon zegt dat de communistische arbeidersklasse vroeger ook al homofoob en racistisch was, maar dat ze nu vooral op het Front National stemmen omdat de socialistische regeringspartij niets meer met hen te maken wil hebben. De PS onder François Hollande wil het ‘nieuwe links’ zijn, vertegenwoordigd door vlerken als premier Manuel Valls en minister van economische zaken Emmanuel Macron, die geen idee hebben van de strijd die de afhakers tegen ‘die daar boven’ voeren. Onverholen hautain zei Valls laatst over degenen die tegen een geliberaliseerde arbeidsmarkt demonstreerden: Dat is het oude links. De Franse socialisten, de Duitse SPD, de Democraten in de VS, allemaal hebben ze hun groezelige komaf achter zich gelaten en zich geconcentreerd op de veel deftiger culturele vraagstukken.

    Dat de achterblijvers pas door autoritaire leiders en racisten weer een stem hebben gekregen, is een drama. Want natuurlijk hebben ook arbeiders en werklozen transgenderkinderen en homoseksuele zonen en dochters voor wie ze het allerbeste willen, en natuurlijk zullen vooral degenen die geïsoleerd zijn geraakt het meest te lijden hebben van de gevolgen van klimaatveranderingen. Maar wij hebben onze internationale attitude tot ons handelsmerk gemaakt. We hebben geen enkele mogelijkheid voorbij laten gaan om onze superioriteit te demonstreren: wij zijn zo veel intelligenter, humoristischer en hebben zo’n heldere kijk op de zaken. Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten. Het mag dan slechts een ondertoon zijn, die onze arrogantie verraadt, we moeten er wel naar gaan luisteren. Bij de afhakers is de boodschap namelijk al lang aangekomen, en voor de autoritaire leiders was het vervolgens gemakkelijk om het nadenken over vrijheid en het
    verantwoordelijkheidsgevoel af te serveren als een luxe die maar weinigen zich kunnen permitteren. Zij beweren dat tolerantie de ideologie van de macht is. Dat mag onjuist en manipulatief zijn, het laat wel zien wat onze grootste zwakte is.

    Auteur: Elisabeth Raether m.m.v. Bernd Ulrich
    Vertaler: Izaak Hilhorst

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • De waarheid over de vernietiging van Irak

    De waarheid over de vernietiging van Irak

    Voor de chaos in Irak dragen de Amerikanen dragen een zware verantwoordelijkheid. Maar volgens de politiek hoofdredacteur van Al-Hayat heeft de Iraakse elite net zoveel schuld.

    Eind 2014 zond de Saoedische tv-zender Al-Arabiya een reeks interviews uit met Paul Bremer, die in mei 2003 als speciaal gezant van president Bush in Irak was om het land weer op te bouwen en humanitaire hulp te verlenen. Bremer stond in de Arabische wereld bekend als de man die de de-Baathisering van Irak – het uit de macht zetten van alle aan de Baath-partij van Saddam Hoessein gelieerde personen – in gang had gezet en het Iraakse leger had ontmanteld, twee beslissingen waarvoor hij persoonlijk had getekend. Nu weten we dat deze twee maatregelen, na de buitengewoon gewelddadige executie van Saddam Hoessein in december 2013, een hoofdrol hebben gespeeld bij het uitbreken van een godsdiensttwist in Irak, en daarmee bij de opkomst van IS.

    Tijdens een van deze interviews legde Bremer uit dat vóór het uitbreken van de oorlog een honderdtal leden van de Iraakse oppositie aan Washington had gevraagd hun land te bevrijden, niet alleen van Saddam Hoessein maar 
ook van de Baath-partij. Maar, voegde Bremer eraan toe, de Amerikanen 
hadden toen een de-Baathisering voor ogen die alleen tegen de hoogste leiders gericht zou zijn, oftewel 1 procent van de partij. De uitvoering van het decreet berustte echter bij de nieuwe Iraakse leiders, die allemaal het 
sjiitische geloof aanhingen en de de-Baathisering hebben laten ontaarden in een jacht op de soennieten in Irak, en de gehele soennitische gemeenschap in het land uit het raderwerk 
van de macht hebben gestoten. De naam van de in 2015 gestorven Ahmed Chalabi, lid van de sjiitische oppositie tegen Saddam Hoessein en vriend van de Amerikaanse neoconservatieven, wordt vaak met deze beslissing in 
verband gebracht; hij werd uiteindelijk de zondebok, waardoor talrijke andere Iraakse leiders die verantwoordelijk waren voor deze geschiedenis vrijuit gingen.


    Tijdens een ander interview deed Bremer een nog belangrijkere mededeling, namelijk dat de Koerdische en sjiitische leiders met afscheiding 
hadden gedreigd als de Amerikanen het Iraakse leger niet wilden ontmantelen. Geen enkele politicus in Bagdad heeft de woorden van Bremer weersproken. Desondanks overheerst de indruk dat het de Amerikaanse gezant was die deze beslissing helemaal alleen heeft genomen, alsof de Irakezen zichzelf niets te verwijten hebben als het gaat om het bloedbad dat sindsdien in hun land is aangericht.

    De executie van Saddam Hoessein, voltrokken op de eerste dag van het Offerfeest in Al-Karada, op maar enkele meters van de plek waar de toenmalige premier, de sjiiet Nouri al-Maliki, de bruiloft van zijn zoon vierde, blijft de enige religieuze geweldpleging die niet op het conto van de Amerikanen is geschreven.

    Maar in elk geval zijn het Irakezen 
die op dit moment hun land regeren. Nog maar enkele dagen geleden heeft de Kamer van Afgevaardigden een wet aangenomen die niet alleen de Baath-partij verbiedt, maar ook elke poging bestraft om er campagne voor te voeren. Deze wet voorziet zelfs in een ‘speciaal tribunaal’ dat over de ‘misdaad’ van overtreders moet oordelen.

    De 
grootste fout van Amerika is dat ze op de Iraakse elite hebben vertrouwd

    Wat het Iraakse leger betreft, dat is in werkelijkheid niet ontmanteld maar heeft een herstructurering ondergaan waarvan de rampzalige gevolgen zichtbaar werden toen IS in 2014 zonder slag of stoot Mosul kon binnenvallen, omdat het leger zich had teruggetrokken en geen enkel verzet bood. En heel onlangs heeft de huidige Iraakse premier, de sjiiet Haider al-Abadi, besloten het leger officieel te laten fuseren met de zogeheten milities ‘van de volksbeweging’, die in feite confessionele sjiitische milities zijn. Deze 42 
milities tellen zo’n 150.000 sjiitische strijders en vallen grotendeels onder het gezag van de Iraanse generaal Qassem Suleimani, die belast is met het Midden-Oosten. Deze beslissing bewijst dat de Iraakse regering een leger wil dat honderd procent sjiitisch is. Om dat te bereiken moest korte metten worden gemaakt met het leger van Saddam Hoessein, dat door soennieten werd geleid.

    Toch bleven veel mensen de illusie koesteren dat alles beter zou gaan 
in Irak, tot de funeste dag dat de Amerikanen arriveerden en allerlei onheil over het land afriepen, met inbegrip van de allesoverheersende invloed van het geloof, waaraan de bevolking niet gewend was. De Amerikanen dragen onmiskenbaar een enorme verantwoordelijkheid voor wat er van het land geworden is, door de handelsblokkade die ze Irak al in 1991, voordat de oorlog begon, hebben opgelegd, door de oorlog zelf en door een gebrek aan visie op wat er na de oorlog moest gebeuren – om nog maar te zwijgen van het schandaal van de Abu Ghraib-gevangenis, waar Irakezen gemarteld werden. Maar hun 
grootste fout is dat ze op de Iraakse elite hebben vertrouwd, dat ze die hebben gerespecteerd en naar hun adviezen hebben geluisterd. Terwijl allang bewezen was dat die uit een bende bloeddorstige en corrupte misdadigers bestond.

    Auteur: Hazem Saghieh
    Vartaler: Peter Bergsma

    Beeld bovenaan: De Amerikaanse speciaal gezant Paul Bremer met sjiitische leiders. © Saeed Khan / Getty

    Al-Hayat
    Saoedi-Arabië | dagblad | oplage 110.000

    ‘Het Leven’ is ongetwijfeld de meest toonaangevende krant van de Arabische diaspora en het favoriete podium voor liberale Arabieren die een groot publiek willen bereiken. De krant neigt naar pro-westerse en pro-Saoedische berichtgeving, maar staat ook open voor andere meningen.

    CONTEXT: Corruptie in de hoogste kringen van de staat

    Met 142 tegen 102 stemmen heeft het Iraakse parlement op 24 augustus jl. het vertrouwen opgezegd in minister van Defensie Khaled al-Obeidi, en hem 
daarmee gedwongen om af te treden. Op 3 juli, na de aanslag die de wijk Karrada in Bagdad in een bloedbad veranderde waarbij 324 doden en honderden gewonden vielen, werd minister van Binnenlandse Zaken Mohammed al-Ghabban al de laan uitgestuurd. ‘Twee belangrijke ministersposten zijn vacant op het moment dat men een groot offensief voorbereidt tegen Mosul, de hoofdstad van Islamitische Staat’, schrijft The Washington Post. Volgens de Amerikaanse krant zijn deze twee ontslagen het bewijs van de ernstige politieke instabiliteit van dit land, dat geacht wordt grote stukken van zijn territorium te bevrijden.

    De regering en haar twee afgedankte ministers 
beschuldigen elkaar wederzijds van corruptie. Volgens de regering was het tweetal in talloze omkoopaffaires verwikkeld; volgens de ex-ministers zelf zijn ze ontslagen omdat ze de illegale zelfverrijking van andere ministers aan de kaak stelden.