Tag: Elizabeth

  • Koningin Elizabeth II stierf aan ‘ouderdom’ volgens overlijdensakte

    Koningin Elizabeth II stierf aan ‘ouderdom’ volgens overlijdensakte

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Florida: ten minste 19 doden door orkaan Ian

    » Brazilië: Neymar spreekt steun uit voor Bolsonaro bij verkiezingen

    Ziekte niet de oorzaak van overlijden Elizabeth

    De overlijdensakte van Elizabeth II werd donderdag gepubliceerd. Daarop staat vermeld dat Elizabeth Alexandra Mary Windsor op 8 september om 15.10 uur op Balmoral Castle in Schotland is overleden aan ‘ouderdom’, iets meer dan drie uur voor de officiële aankondiging door Buckingham Palace, meldt The Guardian. In het vak ‘beroep’ schreef de griffier gewoon ‘Hare Majesteit de Koningin’.

    De Britse krant stelt dat ‘ouderdom’ een wettelijk aanvaardbare doodsoorzaak is ’indien de arts die het overlijden vaststelt de patiënt reeds lange tijd volgt, niet op de hoogte was van enige ziekte of verwonding die aan het overlijden zou kunnen hebben bijgedragen en een geleidelijke achteruitgang in de gezondheid van de overledene heeft vastgesteld’. Haar behandelend arts, Douglas James Allan Glass, was vierendertig jaar lang de lijfarts van de koningin in Schotland.

    2431 1
    © National Records of Scotland

    Lees ook:

  • Roofkunst: ook Queen Elizabeth moet kleur bekennen

    Roofkunst: ook Queen Elizabeth moet kleur bekennen

    Bezoek een willekeurig Europees museum en binnen de kortste keren sta je oog-in-oog met objecten die in het koloniale tijdperk zijn geroofd uit Afrika en elders. Al decennia woeden discussies over teruggave. Groot-Brittannië komt steeds meer onder vuur te liggen, zeker nu Duitsland en Nederland hebben besloten delen uit hun collecties terug te geven aan de landen van herkomst. 

    Enkele weken geleden gaf Monika Grütters, de Duitse minister van Cultuur, opdracht aan de voorzitter van de Pruisische Stichting Cultureel Erfgoed, om een route te ontwikkelen die erin voorziet dat roofkunst in Duits bezit wordt teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren. 

    Centraal staat een groep kunstvoorwerpen die wordt aangeduid met de naam Benin Bronzes. Die complete groep bestaat uit duizenden artefacten, waaronder koperen reliëfs, bronzen sculpturen en ivoorsnijwerk, die door Britse troepen in 1897 uit het huidige Nigeria werden geroofd tijdens een strafexpeditie. 

    Een deel van de Benin Bronzes kwam terecht in Duitsland. Inmiddels heeft een delegatie van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken Benin City in Nigeria bezocht om permanente restitutie door Duitse musea te bespreken. Naar verwachting zullen de afspraken over teruggave tegen de zomer zijn afgerond.

    Dat is niets minder dan een doorbraak, aldus Deutsche Welle. Het feit dat politici het woord restitutie gebruiken, is het begin van een enorme verandering in de mondiale geografie van kunst, zo citeert Deutsche Welle Benedicte Savoy, een historica die al vele jaren onderzoek doet naar het onderwerp roofkunst.

    ‘Het proces begon in 2016 toen Emmanuel Macron aankondigde binnen vijf jaar objecten naar Afrika terug te willen sturen’, aldus Savoy. Het duurde nog drie jaar voordat het Franse parlement in december 2019 besloot zesentwintig objecten terug te sturen, maar het bracht de bal aan het rollen en zo kwam ook Duitsland in beweging. 

    Eerste stappen

    Het is dan ook hoog tijd, want al sinds Nigeria onafhankelijk werd in 1960, pleit het land voor teruggave van de Benin Bronzes, weet Hyperallergic. De samenwerking van de Duitse delegatie met Nigeriaanse functionarissen over een gecoördineerde restitutiestrategie, betreft honderden Benin Bronzes in de collectie van het Etnologisch Museum in Berlijn.  

    Afrikaanse wetenschappers en activisten verwelkomen de Duitse stappen om de Benin Bronzes in zijn openbare collecties permanent terug te geven, schrijft The Art Newspaper. De verwachting is dat dit zal leiden tot verdere restitutie van artefacten die uit voormalige koloniën zijn geroofd en die zich nu in collecties van westerse musea bevinden.

    ‘De kwestie van teruggave van cultureel erfgoed maakt deel uit van een eerlijke benadering van de koloniale geschiedenis’, zo citeert The Art Newspaper de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas. ‘Het is een kwestie van gerechtigheid. In het geval van de Benin Bronzes werken Nigeria en Duitsland samen om een gedeelde structuur te creëren, vooral wat betreft museale samenwerking met het geplande Museum of West African Art in Benin City.’

    Souleymane Bachir Diagne, een Senegalese filosoof en directeur van het Institute of African Studies aan de Columbia University in New York, prijst het initiatief van de Duitse regering. ‘Duitsland heeft echt het voortouw genomen’, zegt hij. ‘Vooral de bronzen beelden uit Benin zijn belangrijk: het zijn waarschijnlijk de bekendste en meest geroemde kunstvoorwerpen. De terugkeer van deze oorlogsbuit heeft een bijzondere betekenis.’

    Nederland

     Volgens The Art Newspaper is ook Nederland een van de eerste landen die stappen tot restitutie heeft gezet: ‘De Nederlandse regering heeft een plan goedgekeurd om artefacten te repatriëren die uit voormalige koloniën zijn verwijderd, en heeft aanbevelingen overgenomen van een adviescommissie die oproept tot de “erkenning dat er onrecht is gedaan aan de lokale bevolking van voormalige koloniale gebieden toen cultuurgoederen tegen hun wil werden meegenomen”.

    De commissie, voorgezeten door Lilian Gonçalves-Ho Kang You, heeft vorig jaar aanbevolen dat musea niet alleen claims in overweging zouden nemen voor items waarvan bekend is dat ze zijn geplunderd, maar ook verzoeken om teruggave van items zonder volledige herkomstgegevens, vooral in gevallen waarin de objecten van “cultureel, historisch of religieus belang zijn voor het bronland”.’ 

    Volgens Jos van Beurden, auteur van een invloedrijk proefschrift uit 2016 dat in het Engels werd gepubliceerd als Treasures in Trusted Hands, staat Nederland, althans voorlopig, met het nieuwe beleid in de voorhoede van de Europese inspanningen om acquisities uit het koloniale tijdperk te repatriëren, zo schrijft The Art Newspaper.

    ‘Het zal nog even duren, maar de ontwikkeling is niet te stoppen’, meent ook Achille Mbembe, een Kameroense filosoof en professor aan de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg. ‘Er is gewoon geen enkele morele grond om Afrikaanse artefacten in westerse musea vast te blijven houden.’

    Ook de Universiteit van Aberdeen in Schotland heeft inmiddels aangekondigd een Benin-beeld terug te geven en daarmee is het een van de eerste openbare instellingen die zich tot repatriëring verplicht. Het zijn eerste stappen, maar de echte doorbraak zal pas komen als ook het British Museum in Londen zich committeert, want dat herbergt meer dan negenhonderd Benin-objecten. 

    ‘Er zijn maar weinig voorwerpen die de geschiedenis van roofzuchtig kolonialisme beter illustreren dan de Benin Bronzes’

    Iemand die zeer uitgesproken is over de verplichting tot teruggave is de Brit Dan Hicks, Professor Hedendaagse Archeologie aan de Universiteit van Oxford. Hij publiceerde eind vorig jaar het boek The Brutish Museums (De Brute Musea, in plaats van de Britse Musea). Het boek, dat als ondertitel heeft The Benin bronzes, Colonial violence and Cultural restitution, werd onder meer besproken door The New York Review of Books en The Guardian en het werd door The New York Times opgenomen in de lijst van twintig belangrijkste kunstboeken van 2020. Volgens Hicks zijn de Benin Bronzes verspreid over meer dan honderdzestig museumcollecties wereldwijd, waaronder veel regionale museumcollecties.

    Recent was Hicks te gast in een podcast, waarin de problematiek rond de Benin Bronzes als volgt wordt geïntroduceerd: ‘Er zijn maar weinig voorwerpen die de geschiedenis van roofzuchtig kolonialisme beter illustreren dan de Benin Bronzes, een verzameling van duizenden koperen plaquettes en gebeeldhouwde ivoren slagtanden die de geschiedenis weergeven van het Koninklijke Hof van Benin in Nigeria. De verzameling werd buitgemaakt tijdens een Britse aanval in 1897 en werd overgedragen aan koningin Victoria, het British Museum en talloze privécollecties.

    Nu, meer dan honderdtwintig jaar later, vormt het verhaal van de Benin Bronzes de kern van een verhit debat over culturele restitutie, repatriëring en dekolonisatie van musea. In The Brutish Museums pleit Dan Hicks krachtig voor de spoedige teruggave van dergelijke objecten, als onderdeel van een breder project om de uitstaande schulden van het kolonialisme te vereffenen.’

    Queen Elizabeth

    Na de publicatie van zijn boek pakt Hicks stevig door, want in een opinie-artikel voor The Guardian, getiteld ‘Als de koningin niets te verbergen heeft, moet ze ons vertellen welke kunstvoorwerpen ze bezit’, eiste hij vorige week dat niet alleen musea maar ook de Britse koningin Elizabeth openheid van zaken geeft over de herkomst van haar privécollectie. Hicks schreef zijn artikel uit verbazing over het feit dat de Britse koninklijke familie, met een roemrucht verleden wat betreft de verwerving van geroofde kunstvoorwerpen, is vrijgesteld van een wet ter bescherming van cultureel erfgoed.

    ‘Als Britse musea alle gestolen spullen zouden teruggeven, zouden ze leeg zijn en zouden ze allemaal moeten sluiten.’ Hicks opent zijn artikel met dit in Groot-Brittannië vaak geopperde schrikbeeld. Maar, schrijft hij, deze gedachte verwart noodzakelijke, verlichte hervormingen met een beeldenstorm. Sinds de jaren negentig bekijken we de teruggave van door nazi’s geroofde kunstwerken en van menselijke resten van geval tot geval. Die werkwijze heeft het belang van musea niet kleiner gemaakt, maar heeft ze domweg in overeenstemming gebracht met de eisen van onze tijd.

    Eenzelfde gang van zaken is nu zichtbaar rond verzoeken om de teruggave van gestolen Afrikaans erfgoed, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de aankondiging van de Universiteit van Aberdeen om een geroofd Benin-beeld terug te geven aan Nigeria, aldus Hicks. De tijden veranderen. Er is een aardverschuiving opgetreden in wat museumbezoekers verlangen van de instellingen waar ze van houden.

    We zien een groeiend ethisch besef als het om mode en kleding gaat, en op eenzelfde manier willen mensen tegenwoordig weten waar de cultuur die ze consumeren vandaan komt. Hoe zijn die voorwerpen hier terechtgekomen? Is er iemand die om teruggave vraagt? Hicks merkt op dat er in Duitsland zelfs campagnes zijn gestart om museumarchieven online te openbaren, zodat museumbezoekers zelf de feiten van koloniale plundering kunnen onderzoeken. Kortom, het publiek eist in toenemende mate transparantie over diefstal.

    Verdrag van Den Haag

    Deze vraag naar transparantie, schrijft Hicks, komt scherp in beeld door het opmerkelijke nieuws dat de privébezittingen van Hare Majesteit zijn vrijgesteld van de Wet op Cultureel Eigendom van 2017. Deze wet kan nauwelijks omstreden zijn, want hij is ruim vijftig jaar na dato een bekrachtiging van het Verdrag van Den Haag uit 1954. De Wet op Cultureel Eigendom maakt het strafbaar om onrechtmatig geëxporteerd cultuurgoed te kopen of te ontvangen als schenking of lening, ongeacht de datum van die export

    Het idee dat de politie de koninklijke privélandgoederen Balmoral en Sandringham van de koningin zal doorzoeken naar gestolen goederen lijkt misschien onwaarschijnlijk, maar Hicks wijst er fijntjes op dat een schilderij uit de Nederlandse koninklijke collectie in 2015 werd geïdentificeerd als nazibuit. Net als musea loopt ook de Britse koninklijke familie het risico illegale oudheden, tijdens de Holocaust gestolen kunstwerken of koloniaal roofgoed als lening of geschenk te hebben ontvangen. Voor zowel musea als het koninklijk huis zijn zorgvuldigheid en transparantie een natuurlijke, ethische verantwoordelijkheid. 

    Dan is er ook nog de kwestie van de Royal Collection van de Britse koninklijke familie, de grootste particuliere kunstcollectie ter wereld. ‘Denk bijvoorbeeld aan de gouden tijgerkop met ogen van bergkristal en tanden die van de troon van Tipu Sultan van Mysore werden gerukt tijdens de bestorming van Seringapatam in 1799, waarbij de sultan werd vermoord; in 1831 door ambtenaren van de East India Company geschonken aan William IV’.

    Of, vervolgt Hicks, de ‘krobonkye’, een muts van antilopenleer met stroken van gehamerd goud in de vorm van een krokodil waarvan gezegd wordt dat hij toebehoorde aan Kofi Karikari, de koning van de Ashanti. De muts werd geroofd toen Karikari werd afgezet door Britse troepen in de Ashanti-oorlog van 1874 en Sir Garnet Wolseley toezicht hield op de plundering van de koninklijke paleizen in Kumasi. 

    Er is de gebeeldhouwde houten trommel van Emir Wad Bishara, meegenomen na zijn nederlaag bij de bloedige slag om Omdurman in 1898 waarbij Britse machinegeweren 12.000 mensen neermaaiden en nog eens 13.000 verwondden. De trommel werd als trofee aan koningin Victoria aangeboden door generaal-majoor Herbert Kitchener, de ‘Sirdar’ (opperbevelhebber) van het Egyptische leger.

    Er is een paar uitgesneden ivoren luipaarden, waarvan de vlekken in koper zijn weergegeven. Ze werden in 1897 aan koningin Victoria aangeboden door admiraal Sir Harry Rawson nadat hij op brute wijze Benin City in Nigeria had geplunderd en koning Ovonramwen Nogbaisi had afgezet en hem in ballingschap had gestuurd. 

    Looty (‘Plundertje’)

    Koningin Victoria ging zelfs zo ver dat ze een speciale tentoonstelling liet maken voor dergelijke objecten die waren gestolen bij gewelddadige onttroningen van rivaliserende vorsten. Op vrijdag 18 juni 1897 begon de tiendaagse ‘Koninginneweek’ ter gelegenheid van Victoria’s diamanten jubileum met de opening van een permanente tentoonstelling van gestolen voorwerpen. In de Grand Vestibule van Windsor Castle werden tien elektrisch verlichte vitrines van eikenhout geïnstalleerd, voor wat destijds werd aangekondigd als ‘een museum met relikwieën van voormalige vorsten’. 

    Voorwerpen die waren geroofd van afgezette koningen, emirs en sultans, van India tot Ghana, van Soedan tot Nigeria en elders in het Britse rijk, werden uit de opslag gehaald en geïnstalleerd in het deel van de staatsappartementen dat werd gebruikt om internationale bezoekers te ontvangen. Victoria kreeg zelfs een hondje genaamd Looty (‘Plundertje’), een pekinees die bij de vernietiging van het Zomerpaleis van Peking in 1860 van keizerin-weduwe Cixi werd weggenomen en naar Balmoral werd verscheept.

    De vitrines in de Grand Vestibule zijn er nog steeds. En ook de koninklijke collecties groeien nog steeds, schrijft Hicks. ‘Een voorbeeld in mijn boek The Brutish Museums illustreert het belang van transparantie, aangezien geschenken aan de vorst zo vaak een complexe geschiedenis hebben. Het betreft een bronzen kop van Benin die werd geroofd tijdens de aanval van 1897 en daarna op een veiling werd gekocht door Nigeria voor het nationale museum in Lagos in de jaren vijftig.

    Vervolgens keerde het object volledig legaal terug naar Londen, als geschenk aan de koningin door generaal Yakubu Gowon tijdens een staatsbezoek in 1973. Moet deze koninklijke schat nu voor een tweede keer naar Nigeria worden teruggebracht? Het antwoord is in ieder geval niet te vinden op de website van Royal Collection Trust, waar de uitstallingen van Windsor nog steeds eufemistisch worden beschreven als een illustratie van “de complexe manieren waarop Britse monarchen contact hebben gehad met volkeren over de hele wereld”.’

    Waar het om gaat is hoe we soevereiniteit definiëren in het derde decennium van de eenentwintigste eeuw

    Hoe verbinden we de netelige kwestie van kolonialisme in de victoriaanse musea met de netelige kwestie van aanhoudend feodalisme, die in de vorm van een monarchie nog steeds aanwezig is in het laatkapitalisme? In beide anachronistische domeinen verdient het publiek in ieder geval te weten of cultureel eigendom afkomstig is van diefstal. Want, aldus Hicks, waar het om gaat is hoe we soevereiniteit definiëren in het derde decennium van de eenentwintigste eeuw.

    In het koloniale tijdperk beschouwde de Britse koninklijke macht onteigening als legitiem. In de volstrekt andere wereld van vandaag vereist culturele legitimiteit dat stelen niet triomfantelijk wordt getoond, noch verborgen wordt of toegedekt, maar zichtbaar wordt gemaakt zodat mensen zelf kunnen oordelen.

    De Egyptische schrijfster Ahdaf Soueif stapte in 2019 op als bestuurslid van het British Museum. Soueif besloot daartoe vanwege sponsoring door BP én vanwege de houding van het museum te aanzien van repatriëring van geroofde kunstvoorwerpen. Hicks noemt die stap ‘een indicatie dat eisen over de terugkeer van koloniaal roofgoed, net zoals protesten over sponsoring door oliebedrijven van theaters, musea en kunsthuizen, deel uitmaken van een bredere, groeiende overtuiging dat sociale rechtvaardigheid en klimaatrechtvaardigheid hand in hand moeten gaan met “culturele rechtvaardigheid”.

    Politiek van transparantie moet ook een politiek van inclusiviteit zijn. Hoe kunnen we breken met eenzijdige processen die worden gedicteerd door degenen die gestolen goederen in bezit hebben? Hoe geven we eisers een respectvolle plaats? Van de inventarislijsten van onze nationale musea tot wat het ook is dat aan de muren van Sandringham House hangt: het Britse publiek en de wereld verdienen openheid als het gaat om kwesties van diefstal.’

  • De Queen, de erfgename en het belastingparadijs

    De Queen, de erfgename en het belastingparadijs


    In haar landhuis op Kanaaleiland Jersey vindt een Amerikaanse duizenden documenten. De vondst maakt duidelijk dat het familiekapitaal waarop ze hoopte verdwenen is, en legt grootschalige corruptie en schimmigheid op Jersey bloot. Een verhaal over fraude, belangenverstrengeling, belastingontwijking, machtsmisbruik en een belastingparadijs waarvan onduidelijk is wie het eigenlijk bestuurt.

    ‘In 2012 ontdekten de Amerikaanse Tanya Dick-Stock en haar man een enorme hoeveelheid documenten toen ze ruimte wilden maken voor hun aanstaande bruiloft, die overdadig beloofde te worden.’ Zo begint Leah McGrath Goodman haar reconstructie voor Institutional Investor.

    In een afgesloten, overdekte squashbaan van St. John’s Manor, Tanya’s paleisachtige landhuis van 23 hectare groot op het eiland Jersey voor de Franse kust, ontdekten ze honderden dozen die waren gevuld met meer dan 350.000 vertrouwelijke papieren afkomstig uit het offshore trustkantoor van haar vader. 

    ‘We liepen naar binnen en dachten “Wat is dit?”’, aldus Dick-Stock. ‘Die dossiers lagen er al jaren en niemand had ze ooit aangeraakt. We hadden geen idee waar we op gestuit waren.’ 

    Na verloop van tijd begon het paar de documenten te doorzoeken en geleidelijk werd de omvang duidelijk van wat ze in handen hadden. ‘Als je zag wat er in de documenten stond, zou je ze nooit bewaren’, zegt Darrin Stock, de echtgenoot van Tanya. ‘Het was explosief. Dit trustbedrijf was niets meer of minder dan een enorme fraudemachine.’

    Wat volgde was nog verrassender. Het echtpaar deed samen met de vader van Dick-Stock, de 83-jarige Canadese miljonair John Dick, aangifte bij de politie van Jersey, van wat zij omschreven als ‘decennia van financiële fraude gepleegd door een offshore trustbedrijf genaamd La Hougue’. Die naam is afgeleid van het oud Jersey-Franse woord voor heuvel of hoop, die verwijst naar de lange geschiedenis van heidense grafheuvels op het eiland. 

    Operation Scarlet

    Drie jaar na de ontdekking, in maart 2015, arriveerde de politie bij St. John’s Manor, dat ooit dienstdeed als het weelderige hoofdkantoor van La Hougue, om de documenten in beslag te nemen. Er was een vrachtwagen nodig om de 333 dozen met documenten te vervoeren. Een onderzoek, door de politie van Jersey Operation Scarlet genoemd, zou het brein achter La Hougue en de omvang van wereldwijde financiële malversaties bloot moeten leggen.

    Maar bijna tien jaar later is er door de autoriteiten van Jersey nog steeds geen strafrechtelijke vervolging ingesteld, zijn er geen sancties opgelegd en worden vragen over het onderzoek met vijandigheid, zwijgzaamheid of zelfs dreigementen beantwoord. Sterker nog, de meeste van de 350.000 documenten die centraal staan in Operatie Scarlet zijn door de politie overgedragen aan advocatenkantoor Garfield-Bennett in Jersey, dat op het moment van het onderzoek in 2015 nog John Dick vertegenwoordigde. Het kantoor, dat weigert te verklaren waarom het de documenten vasthoudt, bevestigt dat ze voor onbepaalde tijd in een kluis zijn weggeborgen, ontkent ooit een relatie met La Hougue te hebben gehad en zegt geen contact meer te hebben met Dick.

    De ontdekking van de documenten heeft een storm teweeggebracht. Na het lezen van de La Hougue-bestanden, zegt Dick-Stock dat ze is gaan geloven dat haar vader de leiding had over de fraude. Ze klaagt hem nu aan voor het plunderen van bezittingen, resulterend in een enorme vermindering van het familiekapitaal, dat ooit werd geschat op 500 miljoen dollar (420 miljoen euro). De aantijgingen zijn terug te vinden in de zaak die Dick-Stock heeft aangespannen tegen haar vader bij een districtsrechtbank in Colorado, waar ze oorspronkelijk vandaan komt. De rechtszaak staat gepland voor augustus.

    Frustratie

    ‘We hebben dit voorgelegd aan Amerikaanse rechtbanken en rechtbanken in Jersey’, zegt Stock. ‘We hebben eerdere zaken in de VS herhaaldelijk gewonnen, maar in Jersey weigeren ze er zelfs maar naar te kijken. In plaats van onderzoek te plegen, vallen ze ons aan. Rechters hebben Tanya een boete van meer dan een miljoen dollar aan gerechtskosten opgelegd en een van hen zei tegen haar: “Ik heb de macht om je in de gevangenis te gooien.” Het enige wat ze willen is dat dit weggaat. ’

    Uit frustratie begon het paar de documenten, die ze hadden gescand voordat ze alles overdroegen aan de politie, te delen met de internationale pers, waaronder het in Duitsland gevestigde European Investigative Collaborations-netwerk en een tiental andere mediakanalen. De documenten van La Hougue, die een periode beslaan van de jaren tachtig tot ongeveer 2010, tonen het binnenwerk van de schimmige wereld van offshorefinanciën, die vermogende klanten uit de VS, het VK en Europa aanwenden om hun belastingen te minimaliseren, gebruikmakend van mazen in de wet, neprekeningen, opgeklopte schulden, valse klantnamen en zorgvuldig vervaardigde vervalsingen; een specialiteit van La Hougue.

    De dozen bevatten privé-informatie van honderden mensen en ook geheimen over het leven van Dick-Stock zelf, inclusief verschillende strategieën die door La Hougue zouden zijn gebruikt om het familiebezit te plunderen. Tanya’s vader weigert commentaar te geven op dit verhaal, maar zijn woordvoerder, Julian Pike, noemt hem slachtoffer van fraude en verklaart dat Dick ‘geen toezicht had op of betrokken was bij de dagelijkse activiteiten van La Hougue’ en dat hij juridische stappen zal ondernemen.

    Dubieuze karakters

    De documenten van La Hougue leggen een netwerk bloot van dubieuze karakters, waaronder voormalige zakenpartners van Dick, de Amerikaanse pornokoning Eddie Wedelstedt, die in 2006 werd veroordeeld voor belastingfraude en obsceniteit; de Israëlische kunsthandelaar Ronald Führer, die in verband wordt gebracht met de verdwijning van het schilderij Madonna met kind uit 1485 van Sandro Botticelli, dat een geschatte waarde heeft van 10 miljoen dollar en dat sinds zes jaar spoorloos is; en een aantal personen waarvan wordt vermoed dat ze achter de offshoresmokkel van meer dan 100 miljoen dollar zaten tijdens de Amerikaanse spaar- en kredietcrisis van de jaren tachtig. 

    Jersey is een zogenoemd ‘bijzonder bezit’ van de Britse kroon en gedraagt zich in veel opzichten als een autonoom land

    Andere grote namen die op de klantenlijst van La Hougue voorkomen, zijn onder meer het voormalige hoofd van Glencore in Rusland, Igor Vishnevskiy; de Britse miljonair en vastgoedmagnaat Elliott Bernerd en Alexander Zhukov, voormalig schoonvader van de Russisch-Israëlische miljardair Roman Abramovich. ‘Namen op de klantenlijsten zijn gecodeerd’, aldus Dick-Stock, ‘en we leren nog steeds nieuwe namen tijdens het decoderen.’

    La Hougue is al lang niet meer gevestigd in St. John’s Manor, dat vorig jaar voor ruim 16 miljoen euro werd verkocht. Het bedrijf verhuisde in 2008 naar Panama, volgens een verklaring van Dick, waar het is omgedoopt tot Pantrust International. Daar werd hun vergunning in 2015 ingetrokken. Eerder dit jaar was La Hougue Trustees naar verluidt actief op de Britse Maagdeneilanden, maar het eigendom van het bedrijf valt onder niet-openbare informatie, dus de eigenaren zijn onbekend.

    Stock zegt dat hij en zijn vrouw, in tegenstelling tot bij eerder gelekte offshoredocumenten, zoals de Panama Papers en de Paradise Papers, niet langer anoniem willen blijven, aangezien dat niet helpt ‘als je echt verandering wilt bewerkstelligen’. Die beslissing is niet altijd makkelijk. Volgens Stock hebben internationale journalisten meerdere keren Stocks doopceel gelicht om zijn eigen verleden bloot te leggen, waarin eveneens beschuldigingen van fraude voorkomen evenals een gevecht om een onbetaalde Amerikaanse belastingaanslag.

    Gebrand op privacy

    Het eilandje van circa acht bij vijftien kilometer waar de documenten werden gevonden, speelt een cruciale rol in het verhaal. Als grootste van de Kanaaleilanden is Jersey een op privacy gebrand belastingparadijs met zo’n honderdduizend inwoners en het is een wereld op zichzelf. De wortels van het eiland gaan terug tot de neolithische tijd, en de stamboom van sommige families gaat duizenden jaren terug. Jersey is een zogenoemd ‘bijzonder bezit’ van de Britse kroon en gedraagt zich in veel opzichten als een autonoom land. Het heeft een eigen parlement, eigen rechterlijke macht, eigen financiën en eigen geld waarop het gezicht van de Britse koningin prijkt en dat is gekoppeld aan het Britse pond. Jersey heeft grondwettelijke rechten die losstaan van het Verenigd Koninkrijk en die dateren uit het jaar 1204 en het valt niet onder het gezag van het Verenigd Koninkrijk maar van de koningin.

    Het heeft een geschiedenis van invasies door Vikingen en door Duitsers, is bekend om zijn victoriaanse kastelen, Jersey-koeien, Jersey-room en Jersey-aardappelen, en werd de afgelopen halve eeuw het speelveld voor een compleet alfabet aan topbanken, financiële instellingen en hedgefondsen waarin naar schatting zo’n 2 biljoen dollar van ’s werelds rijkdom rondgaat. Bijna elke grote financiële instelling heeft er een kantoor, van ABN AMRO tot UBS, met kantoren aan het strand in Havre des Pas, een deel van de bruisende hoofdstad St. Helier.

    Daarnaast heeft Jersey een filiaal van Coutts Crown Dependencies, een wereldwijde offshore vermogensbeheerder en de privébankier van de Queen. Zij werd ontmaskerd door de Paradise Papers, waaruit bleek dat ze deelnam aan offshore-investeringen via haar privébezit, het hertogdom Lancaster. De vertegenwoordigers van de monarch moesten in 2017 toegeven dat ze niet alleen investeerde in offshore financiële vehikels, maar zich daar ook terdege van bewust was.

    Bijna twee decennia geleden verlaagde Jersey zijn vennootschapsbelasting van twintig procent naar nul

    Bijna twee decennia geleden verlaagde Jersey zijn vennootschapsbelasting van twintig procent naar nul, met uitzondering van de financiële sector, die tien procent betaalt. Daardoor werd het eiland een prettige plek voor klanten die op zoek zijn naar lagere belastingtarieven. Enkele van de belangrijkste bedrijven op het eiland zijn de Zwitserse handelsfirma Glencore, opgericht door wijlen Marc Rich; Brevan Howard Asset Management, een van Europa’s meest succesvolle hedgefondsen; de Zwitserse handelsmaatschappij voor energie en grondstoffen Vitol; en Goldman Sachs, dat de zogenoemde Abacus-deal regelde die hedgefondsmanager John Paulson miljarden opleverde en die ertoe leidde dat Goldman voor een half miljard dollar moest schikken met de Securities and Exchange Commission, de Amerikaanse tegenhanger van de Autoriteit Financiële Markten. 

    Met de publicatie van de Paradise Papers in 2017 kwam ook Apple in de schijnwerpers te staan toen bleek dat het bedrijf stilletjes een groot deel van zijn honderden miljarden onbelaste offshore-dollars naar het eiland had verplaatst.

    ‘Het was een natuurlijke stap voor Jersey om een belastingparadijs te worden, want de machtigste families van het eiland zijn vaak betrokken bij wetgeving of financiën’

    ‘Men praat over de Kaaimaneilanden, Panama en de Britse Maagdeneilanden, maar Jersey is een van de belangrijkste belastingparadijzen ter wereld’, zegt Stuart Syvret, een voormalig senator van Jersey, die met pensioen is en nog steeds op het eiland woont. ‘Het was een natuurlijke stap voor Jersey om een belastingparadijs te worden, want de machtigste families van het eiland zijn vaak betrokken bij wetgeving of financiën en hun geld wordt doorgegeven van generatie op generatie.’ 

    Syvret, die twintig jaar in het parlement van Jersey zat, zegt dat hij tijdens zijn ambtsperiode heeft geleerd dat het eiland twee kanten heeft. ‘Vanwege de hoeveelheid geld die op het spel staat in Jersey, heb je te maken met een dwingend systeem van zowel straf als beloning’, zegt hij. ‘Je ziet dat mensen heel goede banen krijgen, veel geld hebben, promotie maken, een buitenhuis aanschaffen, naar de prachtigste feesten gaan en een geweldig leven leiden. Maar als ze zich uitspreken over corruptie, wordt het leven hun zwaar gemaakt. Het is gemakkelijk om verkeerde dingen te doen en juist erg moeilijk om het juiste te doen.’

    Financiële vloek

    Dat iemand die bezwaar maakt tegen het systeem van geavanceerde offshore financiële centra persoonlijk risico loopt of wordt buitengesloten lijkt misschien vergezocht, maar er zijn genoeg mensen op het eiland die dit bevestigen. Gesteund door goedbetaalde legers van advocaten, lobbyisten en accountants, worden deze offshore-ecosystemen vaak zo winstgevend en raken ze zo diep verankerd in de kleine eilanden waar ze bestaan, dat het bijna onmogelijk is om ze te veranderen, zegt John Christensen, hoofd van het Londense Tax Justice Network, dat zich in 2013 afsplitste van de voor een Nobelprijs genomineerde Global Alliance for Tax Justice. Als forensisch auditor en onderzoeker was Christensen economisch adviseur van Jersey van 1987 tot 1998. 

    ‘Gedurende mijn tijd op Jersey werd de financiële sector enorm groot. Een te grote financiële sector kan de rest van de economie om zeep helpen. Dat zagen we aan de huizenprijzen en inflatie op Jersey. Het is een proces dat de “financiële vloek” wordt genoemd.’

    Christensen groeide op in een herenhuis op Jersey, op slechts anderhalve kilometer van het landgoed van Dick-Stock. In zijn periode als economisch adviseur van het eiland voelde hij een verpletterende druk om zich te voegen naar de wil van de gevestigde orde van het eiland, vooral als het erom ging een uitzonderlijk rooskleurig beeld van Jersey aan de wereld te presenteren. 

    Omertà

    Deel van zijn werk was toezicht houden op de data- en statistiekafdeling van het eiland en zijn superieuren zetten hem onder druk om de stijgende prijzen op het eiland te bagatelliseren. ‘Het is zorgwekkend als regeringen proberen hun data aan te passen’, zegt hij. ‘Het ondermijnt het vertrouwen van het publiek in feiten, onderzoek, statistieken en alle andere dingen die ons in staat stellen een mening te vormen op basis van accurate informatie.’ 

    In zijn werk waren bezwaren en discussies niet welkom. ‘Het doorbreken van de omertà deed de temperatuur tot oncomfortabele hoogte stijgen.’ Christensen zegt dat hij het eiland verliet om aan belastingrechtvaardigheid te gaan werken nadat hij zich realiseerde dat hij ‘door langer te blijven, als onderdeel van het probleem zou worden gezien.’ 

    ‘Op een klein eiland kun je niet strijden tegen het establishment, en zeker niet tegen hooggeplaatste politici, zonder te vertrekken’

    Het achterlaten van zijn thuis en zich uitspreken tegen de corruptie waarvan hij getuige was, was ‘hartverscheurend’, maar hij voelde dat hij geen keus had. ‘Op een klein eiland kun je niet strijden tegen het establishment, en zeker niet tegen hooggeplaatste politici, zonder te vertrekken. Blijf je, dan wordt de sfeer onmiddellijk giftig voor je werk, je gezin en kinderen.’

    Een groot probleem voor Jersey is dat het werkt als een gesloten circuit, waar eventuele problemen snel kunnen worden weggenomen door een hechte groep van niet-gekozen kroonofficieren, aangesteld door de koningin, die feitelijk de machtsinstrumenten van het eiland bedienen. Jersey heeft niet dezelfde scheiding der machten als de meeste andere democratieën: de bailiff, benoemd door de koningin, leidt het parlement, de rechterlijke macht en het hof van beroep, terwijl het parlement van het eiland uit één kamer bestaat waarin politieke partijen, oppositie en dissidenten snel kunnen worden geneutraliseerd.

    Op papier is het een charmant antiek systeem, met allerlei gebruiken en rituelen, maar in praktijk is het hopeloos als er verantwoording moet worden afgelegd. Dat is wat eilandbewoners bedoelen als ze het hebben over de ‘Jersey Way’.

    Zwarte lijst

    Door brexit wordt Jersey nu geconfronteerd met toenemende tegenwind en zal niet alleen de archaïsche regeringsvorm, maar ook het belastingregime moeten worden hervormd. Samen met een aantal andere zogenaamde ‘geheimhoudingsjurisdicties’ voegde het Europees Parlement Jersey eind januari toe aan een zwarte lijst van belastingparadijzen die een belastingregime van nul procent hanteren. De voorzitter van de subcommissie belastingzaken, de Nederlandse Europarlementariër Paul Tang, noemde de EU-lijst met belastingparadijzen ‘verwarrend en inefficiënt’. Hij zei dat de lijst een goed hulpmiddel was, maar dat ‘de lidstaten iets vergaten bij het samenstellen ervan, namelijk: de echte belastingparadijzen’. 

    Trailer van Laundromat, the Netflixfilm over de Panama Papers.

    Jersey ontkent in alle toonaarden dat het een belastingparadijs is, en zal krachtig pleiten voor zijn belastingregime via het Channel Islands Office in Brussel en in Amsterdam, zegt Joe Moynihan, CEO van Jersey Finance, de groep die de financiële sector op het eiland vertegenwoordigt. ‘Omdat Jersey niet in de EU zit, kunnen we ons gemakkelijk aanpassen aan de marktomstandigheden en zullen we goed kunnen samenwerken met zowel de City of London als de EU-lidstaten’, denkt hij.

    Jersey begon aan zelfonderzoek nadat een Britse rechter het eiland had aanbevolen de ‘Jersey Way’ onder de loep te nemen. Hoewel de financiële sector al langer werd bekritiseerd, wist het eiland onder de radar te blijven tot 2008. Toen bracht de politie getuigenissen bijeen van bijna 200 mensen over de hele wereld die zichzelf identificeerden als slachtoffers van kindermisbruik op het eiland. Meer dan 150 verdachten werden genoemd, waaronder mensen uit de elite van Jersey, maar slechts een handjevol werd veroordeeld, hetgeen leidde tot wijdverbreide verontwaardiging. Na een onderzoek van drie jaar concludeerde rechter Frances Mary Oldham in 2017 dat kinderen op het eiland mogelijk nog steeds gevaar lopen, en ze verwees specifiek naar de Jersey Way, die ze omschreef als ‘het falen om een cultuur van openheid en transparantie tot stand te brengen, op zijn minst leidend tot de perceptie van heimelijkheid en doofpot.’

    Leugens

    De 55-jarige Tanya Dick-Stock, geboren in Denver, herinnert zich dat ze haar vroege jaren doorbracht in een benauwd kelderappartement ‘dat raar rook en bijtende beestjes’ huisvestte, totdat haar ouders, die investeerden in onroerendgoeddeals in Colorado, een fortuin opbouwden dat zou uitgroeien tot enkele honderden miljoenen dollars, die werden ondergebracht in een trustfonds voor haar en andere familieleden. Tegen de tijd dat ze negen jaar oud was, zocht haar vader, een succesvolle advocaat, een tweede huis waar hij offshore trusts kon opzetten. ‘We bezochten verschillende huizen op Bermuda en de Bahama’s’, zegt ze. ‘Mijn familie vroeg: “Wat is de gouden standaard voor trusts?” En we kregen te horen: Jersey. Dus gingen we daarheen.’

    Pas toen ze de documenten van La Hougue vonden, leerden zij en haar man de omvang van de zaken kennen. ‘Tanya en ik sloten onszelf in feite vier maanden op in een kamer en verlieten het huis amper, totdat we alle dossiers hadden doorgenomen’, vertelt Stock. ‘We voerden duizenden gegevens in op een tijdlijn en realiseerden ons uiteindelijk dat deze hele operatie op leugens is gebaseerd.’ 

    In politierapporten van Operatie Scarlet beweert John Dick dat directeuren en het personeel van La Hougue schuldig zijn aan fraude die door het trustfonds is gepleegd. Maar Dick-Stock en haar man zeggen dat de La Hougue-documenten bewijzen dat John Dick uiteindelijk de begunstigde was en bepaalde wat er gebeurde. 

    Via zijn woordvoerder ontkent Dick de aantijgingen stellig. In meerdere lopende rechtszaken in de VS en Jersey, die in 2015 begonnen, wordt geprobeerd te ontrafelen wat er precies is gebeurd en wie schuldig is. ‘La Hougue beheerde de trustfondsen van de familie’, zegt Stock, ‘en heeft ze leeggetrokken.’ 

    Dick-Stock en haar vader praten niet meer met elkaar. Dick is onafhankelijk bestuurder bij het Londense telecommunicatiebedrijf Liberty Global en woont nu in Newport Beach, Californië. De moeder van Dick-Stock, Mary Dick, die in 1981 scheidde van John Dick, stierf in 1997.

    Vervalste documenten

    Terugkijkend zegt Dick-Stock dat ze opmerkelijke dingen in het landhuis zag. De kluis van haar vaders kantoor bevatte geen contanten, maar een merkwaardige verzameling verouderde kantoorapparatuur, gelabeld en gedateerd per jaar. ‘Er was een inloopkluis met een grote metalen deur en ik herinner me dat ik als tiener al die stoffige typemachines, faxmachines, oude pennen en oud papier op de planken zag staan’, zegt ze. ‘Een keer pakte ik er wat oud papier en toen trok mijn vader mijn hoofd er bijna af.’

    Nu weet ze waarom de inhoud van de kluis nooit mocht worden aangeraakt. Volgens een uitgelekt memorandum tussen de directeuren van La Hougue die met haar vader werkten, moesten documenten zorgvuldig worden vervalst door met behulp van drukmateriaal en tijdstempels een vermeende herkomstdatum te creëren. ‘Denk aan het papier dat werd gebruikt, de machine die de documenten heeft gemaakt, de datum van de inkt die is gebruikt om de documenten op te stellen en te ondertekenen’, zo staat in het memorandum. ‘Wees voorzichtig met floppydisks en harde schijven, ik ben van mening dat ze niets anders dan fotokopieën moeten bevatten.’ Originele kopieën mochten niet worden bewaard. 

    Bestuurders gaven later in een rechtbank in Denver toe dat ze bij La Hougue tientallen documenten hadden geantedateerd en vervalst die miljoenen dollars aan nepschuld vertegenwoordigden. De rechtbank in Denver bestrafte hen voor meineed en noemde hun handelen ‘werkelijk schandalig’. Maar toen dezelfde bestuurders bij een gerechtelijke procedure in Jersey probeerden de nepdocumenten te gebruiken, nam de rechtbank er geen aanstoot aan en besloot de frauduleuze documenten eenvoudigweg buiten de zaak te houden, ook al zijn dergelijke fraudepogingen wel degelijk een misdrijf volgens de wet van Jersey.

    Krantenkoppen

    Hoewel deze nepdocumenten wereldwijd voor krantenkoppen zorgden, in onder meer The Guardian, The Daily Beast, The Toronto Star, Mother Jones en het in Londen gevestigde non-profit Bureau of Investigative Journalism, zeggen Dick-Stock en haar man dat het ze niet is gelukt om de enige krant van Jersey, de Jersey Evening Post, die wordt gesubsidieerd door de regering van het eiland, zover te krijgen erover te schrijven. ‘Een journalist sprak met ons’, zegt Stock, ‘maar ze durfden niet aan het verhaal te beginnen.’

    stjohnsmanor
    St. John’s Manor, het landgoed van John Dick op Jersey, van dichterbij.

    Behalve dat ze naar de pers, de rechtbanken en de politie gingen, lichtte het echtpaar ook de Jersey Financial Services Commission (JFSC) in, de enige financiële toezichthouder van het eiland. Destijds spraken ze met Barry Faudemer, hoofd handhaving van de commissie, maar ze zeggen dat hij weigerde een onderzoek in te stellen. In het verleden had de JFSC La Hougue op de lijst van instellingen met een ‘hoog risico’ gezet en bijna een vergunning geweigerd om op het eiland te opereren vanwege onorthodoxe handelspraktijken, die volgens de toezichthouder doordrenkt waren van belangenconflicten, nalevingskwesties en de handelswijze om met codenamen naar klanten te verwijzen. ‘Het lijdt geen twijfel dat uw systeem zeer ongebruikelijk is en aanzienlijk verschilt van de geaccepteerde best practices in de branche’, schreef een JFSC-functionaris na inspectie van La Hougue in 2002.

    Faudemer was op Jersey tot 2007 hoofd van de eenheid financiële misdrijven en is nu CEO van het offshore adviesbureau Baker Regulatory Services op het eiland. In een e-mail weigert hij te antwoorden op de vraag waarom de zaak niet werd vervolgd: ‘U vraagt mij een strafbaar feit te plegen door over deze zaken te spreken.’ Waarop hij verwijst naar artikel 37 van de Jersey Financial Services Law, waarin staat dat ‘specifieke informatie’ niet mag worden gegeven zonder toestemming, op straffe van een boete en maximaal twee jaar gevangenisstraf. Artikel 37 is echter niet van toepassing op informatie die al bekend is bij het publiek, zoals de dossiers in de zaak La Hougue, maar Faudemer wil geen antwoord geven op vervolgvragen.

    Spiegels in spiegels

    De JFSC zelf antwoordde ook via e-mail en noemt het onderzoek naar La Hougue een ‘burgerlijk geschil over een familietrust’ en een ‘criminele’ zaak die aan de politie moet worden overgelaten. ‘Het is niet onze taak als toezichthouder om aantijgingen van fraude te onderzoeken, want dat betreft strafbare feiten.’

    Een politieagent die met de financiële misdaadeenheid van Jersey aan Operatie Scarlet werkte, noemt de enorme hoeveelheid documenten in de zaak ‘overweldigend’, zowel in hoeveelheid als inhoudelijk. Hij herinnert zich de squashbaan te hebben gezien op de dag dat de dossiers werden weggehaald. ‘De documenten waren rondom tegen de muren opgestapeld’, zegt hij. ‘Het is een buitengewoon complexe zaak, op meerdere rechtsgebieden, met veel onbeantwoorde vragen. Het ging om spiegels in spiegels.’ 

    Hij schat dat voltooiing van Operatie Scarlet ongeveer drie jaar zou hebben gekost, zelfs met een heel team van accountants om alle onderdelen te ontrafelen. Uiteindelijk, zegt hij, heeft de procureur-generaal van Jersey besloten geen middelen aan het onderzoek te besteden. ‘Het was niet onze beslissing om de zaak te laten vallen, maar van de pg’, zegt hij. ‘Fraudeonderzoeken vragen veel investering en tijd. Als het niet in het algemeen belang is, wordt er niet op aangedrongen.’ De politieagent sprak op voorwaarde van anonimiteit, want het eiland bestraft degenen die zich uitspreken.

    Patronagesysteem

    Sinds zijn verkiezing in het parlement van Jersey in 2008, wordt Mike Higgins overspoeld met hulpverzoeken van eilanders die niet in staat zijn om gerechtigheid te zoeken. Een van de moeilijkste dingen aan het vertegenwoordigen van mensen op Jersey, zegt hij, is dat hun problemen peilloos zijn. ‘Ik zou zeggen dat de crux over het algemeen het ontbreken van rekenschap is. Het hele systeem, inclusief rechtbanken, diensten voor kinderen en de politie, laat mensen hier jammerlijk in de steek.’

    Het ontbreken van een onafhankelijke openbaar aanklager en de gewoonte om door de Queen aangestelde functionarissen een wurggreep op de macht te laten houden, waarbij velen van hen ook nog eens opereren in het parlement en de rechtbanken van Jersey, betekent dat gerechtelijke dwalingen en tekortkomingen in de democratie vaak niet worden aangepakt. ‘Het systeem is erg moeilijk te kraken’, zegt Higgins. ‘We hebben een patronagesysteem waarbij je, als je procureur-generaal wordt, kunt verwachten dat je daarna plaatsvervangend bailiff en dan bailiff wordt en uiteindelijk meestal tot ridder wordt geslagen.’

    Het gebrek aan scheiding der machten betekent dat er zorgen zijn over ernstige conflicten in de hoogste regionen van het leiderschap

    Het gebrek aan scheiding der machten betekent ook dat er zorgen zijn over ernstige conflicten in de hoogste regionen van het leiderschap. De procureur-generaal ten tijde van de politie-inval in St. John’s Manor, Timothy Le Cocq, is nu de bailiff van het eiland en hij zit rechtszaken voor die rechtstreeks verband houden met de trusts van La Hougue. Gedurende zijn lange juridische carrière verleende Le Cocq juridische diensten en advies aan La Hougue trusts, zo blijkt uit documenten die in beslag werden genomen bij Operatie Scarlet. Ook een andere rechter, Julian Clyde-Smith, heeft recht gesproken in zaken die verband houden met de trusts die door La Hougue werden beheerd, terwijl uit documenten van het bedrijf blijkt dat hij in feite een van de oprichters van La Hougue was. Beide rechters verrichtten juridisch werk voor La Hougue, en deden uitspraak in zaken rond La Hougue. Sprekend namens zowel Le Cocq als Clyde-Smith, verwerpt Steven Cartwright, hoofdofficier van de Jersey Bailiff’s Chambers, elke suggestie van belangenverstrengeling. 

    Tevreden

    Clyde-Smith beweert geen herinnering te hebben aan het oprichten van La Hougue of verwante entiteiten, aldus Cartwright, maar de rechter ‘herinnert zich dat hij abonnee was van bijna alle bedrijven’ die werden opgericht voor cliënten van zijn advocatenkantoor, Ogier & Le Cornu (nu Ogier), in de jaren tachtig tot negentig. Een abonnee is een van de eerste aandeelhouders van een bedrijf. Op Jersey zijn abonnees verplicht voor het vormen van een bedrijf en advocaten nemen deze rol vaak tijdelijk op zich voor hun klanten, aldus Cartwright. ‘Clyde-Smith was op geen enkele manier betrokken bij de activiteiten van die bedrijven’, voegde hij eraan toe, ‘en het zou verkeerd zijn iets anders te suggereren.’ Noch Clyde-Smith, noch Le Cocq beantwoordde telefoontjes of e-mails voor commentaar.

    ‘Na twaalf jaar in het parlement weet ik soms nog steeds niet wie dit eiland nu bestuurt’

    In een nieuw vonnis eind februari 2021 stemde Clyde-Smith ermee in om Tanya Dick-Stock als begunstigde van de familietrust te verwijderen, onder verwijzing naar haar ‘onredelijke’ en ‘schadelijke’ handelen in haar pogingen om de vermeende fraude binnen de trusts aan te pakken en door documenten van La Hougue te delen met de media. Hij heeft kennisgenomen van aantijgingen in de pers over zijn vermeende belangenconflicten als rechter, maar stelt ‘tevreden’ te zijn dat er geen sprake is van belangenverstrengeling. 

    Clyde-Smith erkende dat Dick-Stock een procedure tegen haar vader had aangespannen bij de rechtbanken van Jersey ‘om verliezen te verhalen die zouden zijn ontstaan door vermeende schending van vertrouwen, fraude en andere niet-gespecificeerde acties die decennia teruggaan.’ Maar, oordeelde hij, ‘er mag geen procedure worden aangespannen.’

    Kapot systeem

    Volgens Higgins zijn dergelijke tactieken gemeengoed op het eiland. Als vertegenwoordiger van hoofdstad St. Helier zit hij in het parlement. Met andere parlementsleden maakt hij nu deel uit van een panel dat moet onderzoeken hoe Jersey zijn systemische tekortkomingen kan aanpakken zoals aanbevolen door de Britse rechter na de kindermisbruikzaak in 2017. ‘Het is duidelijk dat we een groot probleem hebben’, zegt Higgins. ‘Ons systeem is kapot. Het werkt niet voor gewone mensen. Maar dit is een zware klus, want mensen willen de Jersey Way niet echt van dichtbij bestuderen.’ Een afsluitend rapport, waarvan hij verwacht dat het voor de zomer uitkomt, zal waarschijnlijk ‘vernietigend’ zijn, zegt hij.

    Een van de lastigste dingen bij het aanpakken van de problemen is dat het eiland wordt gerund door een afwezige koningin. ‘Ik kijk vaak naar hoe Jersey bestuurd wordt en zeg dan: “Dit is gek”,’ aldus Higgins. ‘Er gebeuren hier dingen die we niet snappen en waar we geen controle over hebben. Na twaalf jaar in het parlement weet ik soms nog steeds niet wie dit eiland nu bestuurt.’

    Een brief aan de koningin

    Enkele jaren geleden schreef Christensen van het Londense Tax Justice Network een brief aan de koningin, waarin hij haar aanspoorde sterker op te treden tegen de wijd verspreide constellatie van belastingparadijzen, kroonafhankelijkheden, overzeese gebiedsdelen en rechtsgebieden met geheimhouding, die, merkte hij op, behoren tot de machtigste ter wereld. Hij was direct, maar ook zeer beleefd.

    ‘Ik verzoek u dringend,’ schreef hij, ‘als staatshoofd van al deze gebieden om alle mogelijke invloed uit te oefenen om een van de schadelijkste breuklijnen in de wereldeconomie aan te pakken.’ Hoewel hij in zijn brief erkent dat de koningin, als soeverein, niet rechtstreeks mag ingrijpen in de politiek van haar rijk, schreef Christensen dat hij hoopte dat ze haar mening over belastingparadijzen kenbaar zou maken, vanwege ‘de lang bestaande conventie die u het recht geeft uw premiers te adviseren, aan te moedigen en te waarschuwen.’

    Bijzonder genoeg schreef de koningin via een hoge ambtenaar terug. ‘De positie van de koningin als constitutionele soeverein belet haar in te grijpen in zaken als deze’, aldus de brief. ‘Bedankt dat u de tijd en moeite hebt genomen voor uw schrijven.’ 

    Christensen is niet onder de indruk. ‘Deze plekken ondermijnen de wereldeconomie, en ze kan zich niet schoonwassen van haar rol als monarch en staatshoofd van al deze belastingparadijzen’, zegt hij. En het helpt niet, voegt hij eraan toe, dat ze er zelf ook direct de vruchten van plukt. ‘Als het staatshoofd niets doet en offshoreconstructies gebruikt om haar eigen geld voor de belastingen te verbergen, slaagt ze niet voor de stankproef’, zegt hij. ‘Een vis begint te rotten vanaf de kop.’

  • Kroonkurk

    Kroonkurk

    Cyberaanvallen, Noord-Korea, Brexit, Trump, Syrië, honger, Oekraïne, klimaat, IS, vluchtelingen, Poetin, Duterte, Erdogan – de oude Egyptenaren hadden het met hun tien plagen 
toch nog zo slecht niet getroffen.

    De huidige wereld lijkt elke nieuwe dag opnieuw een tikje meer uit evenwicht te raken, terwijl de mensheid behoefte heeft aan maar één ding: een beetje stabiliteit, een beetje minder onzekerheid, houvast.

    Dan is het zo niet geruststellend dan toch bemoedigend om te weten dat er dagelijks mensen bezig zijn, discreet, bijna 
in het verborgene, om in elk geval het gesprek gaande te houden, tussen landen en partijen, stromingen en belangengroepen. Mensen die proberen het ogenschijnlijk onverzoenbare te verzoenen.

    Dat zijn mensen die werken voor organisaties als het Centre for Humanitarian Dialogue, gevestigd in Genève maar 
werkzaam op de meest onverwachte plekken in de wereld, waar zij een dialoog tot stand proberen te brengen tussen de meest onwaarschijnlijke partners over de meest schrijnende onderwerpen, met de grootst mogelijke omzichtigheid en 
de uiterste discretie. Een redacteur van Die Zeit trok een jaar lang op met twee van deze ‘mediators’, bemiddelaars van het HD Centre, die met vallen en opstaan wat stabiliteit proberen te scheppen en met groot geduld de scherpe kantjes van de onverzoenlijkheid trachten bij te slijpen.

    Een onwaarschijnlijk toonbeeld van stabiliteit in een 
onstabiele wereld is “Lilibeth”, de Britse vorstin Elizabeth de Tweede

    Een onwaarschijnlijk toonbeeld van stabiliteit in een 
onstabiele wereld is ‘Lilibeth’, de Britse vorstin Elizabeth de Tweede. Dit jaar 65 jaar in functie, vorige maand 91 jaar geworden en vooralsnog fit as a fiddle en immer in dezelfde vertrouwde plooi. Zij regeert, anderen zien (met haar 
medeweten) vooruit. Naar haar dood. Dat klinkt macaber, maar dat is het bij nadere beschouwing niet. Als Her Majesty de Kroonkurk ooit deze wereld achter zich laat, ligt er sinds mensenheugenis een strak geregisseerd draaiboek klaar waarin alles, maar dan ook echt alles, tot in de puntjes en van minuut tot minuut lijkt te zijn geregeld voor haar begrafenis. Zodat de Britten en andere liefhebbers van de monarchie der monarchieën dan weliswaar verdrietig maar gerust kunnen gaan slapen. Want evenmin als de vorstin zelf houden de Britten van verrassingen.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl