Tag: engagement

  • Samaritaan Stormzy

    Samaritaan Stormzy

    Van Paul McCartney moest hij zijn kop dicht houden en luisteren. De ‘goat’ – greatest of all time – leerde de Britse rapper drie akkoorden, bruikbaar bij elk willekeurig nummer. Fenomenaal. Maar Stormzy heeft veel meer in zijn mars.

    De meeste mensen die in Stormzy’s lommerrijke straat wonen, hebben geen idee dat de rapper daar ook een huis heeft. Er staat een hek omheen en hij is nogal op zichzelf. Een van de kamers wordt geheel in beslag genomen door een speciaal voor Stormzy gemaakte pokertafel. En wat nog wel het meest in het oog springt, is de glazen vitrinekast vol prijzen: van de zes Mobo’s tot de prestigieuze Ivor Novello die hij kreeg voor zijn debuutalbum, Gang Signs & Prayer. De twee Brit Awards die hij in februari in ontvangst heeft genomen, waaronder die voor beste mannelijke soloartiest, staan waarschijnlijk ergens anders.

    We nemen plaats in de lounge en zijn vriendin Maya Jama, de tv-presentatrice, laat ons alleen. Ik zie pizzadozen en ik hoor piepjes van de magnetron – hier wonen duidelijk jonge mensen. Hij is vijfentwintig, zij vierentwintig. Stormzy’s stem galmt door een kale kamer die nog ingericht moet worden en terwijl hij het geluid van MTV op de reusachtige televisie dimt, zie ik in de gauwigheid een boek over dieren, een boek over Alex Ferguson en de Bijbel.

    Stormzy [1993] is een indrukwekkende verschijning, met zijn 1 meter 96. Vandaag draagt hij streetwear, met een petje, dat hij steeds op- en afzet, en een sigaret achter zijn oor. Hij is een geweldenaar die kan terugkijken op een hectisch jaar, dat voor de helft in het teken stond van muziek en voor de helft in het teken van filantropie. Op een bepaald moment vertelt hij heel gedreven over zijn plannen om jonge zwarte Britten te helpen, terwijl op MTV twee danseressen met hun billen schudden, aan weerszijden van zijn hoofd. Het is surrealistisch, en het is de enige keer dat ik even ben afgeleid van ons gesprek.

    Want wauw, zodra Stormzy – wiens echte naam Michael Omari luidt – begint te praten, vergeet hij bijna adem te halen. De woorden vliegen je om de oren. Hij is een rapper, dus zo gek is dat natuurlijk ook weer niet. Terwijl zijn zinnen over elkaar buitelen, buigt hij steeds naar voren, is hij met zijn volle aandacht bij het gesprek. Het is intens, als een 
Mastermind-finale, maar dan eentje waarbij hij zichzelf net zoveel vragen stelt als ik.

    We beginnen met een vrolijk onderwerp: Paul McCartney. Afgelopen zomer waren we allebei aanwezig bij een gig van de Beatle in de Abbey Road Studios. ‘Sick,’ zegt hij (voor niet-ingewijden: dat betekent ‘te gek’). Toen ik Paul McCartney een dag na het optreden sprak, zei hij dat hij Stormzy piano had leren spelen. Dus ik vraag de leerling hoe de ontmoeting met de meester hem is bevallen.

    OG

    ‘Ik vond het wel wat, hoor, om advies te krijgen van een van de echt groten – ik kan nog heel wat leren van een OG [original gangster] zoals hij,’ zegt Stormzy. ‘Ik weet heel goed dat je als rapper een bepaald stigma hebt, dus heb ik gezegd dat ik songwriter ben. “Kunt u me iets leren?” Hij liep naar de piano en het enige wat ik dacht was: Kop dicht en luisteren. Wat hij me leerde was fenomenaal. Hij zei: “Gebruik deze drie akkoorden, voor willekeurig welk nummer.” En ik had iets van “Krijg 
nou wat!”’

    We kijken elkaar glimlachend aan. Het was me de gig wel. Stormzy noemt McCartney ‘goat’ – greatest of all time. Terwijl McCartney de gelederen aanvoert binnen de popmuziek is Stormzy nu al goat binnen zijn eigen domein: grime, de snelle, Britse rapstijl. Hij heeft er een vermogen mee verdiend. Maar hij ontleent zijn status niet alleen aan zijn muziek, aan het feit dat hij rap een nieuw aanzien heeft weten te geven door met behulp van r&b en gospel de grenzen van het genre open te breken; hij heeft met name veel respect vergaard doordat hij zich de laatste tijd op het pad van de filantropie begeeft.

    Om te beginnen heeft hij laten weten dat hij zwarte studenten gaat steunen om een studie aan Cambridge te voltooien. Ten tweede heeft hij #Merky Books opgezet, een imprint van Penguin, om op zoek te gaan naar nieuw schrijftalent, voornamelijk jong en zwart. Zijn autobiografische Rise Up zal de eerste titel van Merky zijn. Stormzy’s belangstelling voor de uitgeefwereld is ingegeven door het feit dat hij in zijn jeugd geen zwarte schrijvers kende, behalve Malorie Blackman en Benjamin Zephaniah.

    Een paar jaar geleden ontmoette hij Jude Yawson, van wie hij online enkele essays had gelezen. Yawson, die uit hetzelfde deel van Zuid-Londen komt als Stormzy, maakte een verpletterende indruk op hem. Maar op de vraag of hij zijn passie als werk beschouwde, antwoordde Yawson dat dat voor mensen zoals hij niet gebruikelijk was. ‘Het was alsof de bliksem insloeg,’ zegt Stormzy. Hij vroeg Yawson mee te schrijven aan Rise Up. ‘Waarom zou je geen schrijver kunnen zijn die wordt uitgegeven? Waarom zou dat zo raar zijn? Overal in Engeland worden heel veel jonge zwarten geconfronteerd met een structurele, psychologische valse noot – ik noem het een valse noot omdat het een valstrik is.’

    Wie heeft die valstrik dan gezet, wil ik weten. ‘De wereld. Door alles wat er over ons wordt uitgestort, krijgen zwarte jongeren het idee dat er geen einddoel is. Velen weten niet dat je premier kan worden, of ingenieur. Dat is mensen echt niet duidelijk, want ze zien geen zwarten op die posities. Maar er is zonder meer een verandering gaande. Daar spelen acteurs duidelijk een rol bij – John Boyega, Daniel Kaluuya, Letitia Wright. Die vonk is ongekend krachtig, als je kijkt naar wat dat betekent voor de gemeenschap. Misschien realiseren mensen zich nog niet helemaal hoe sterk dat doorwerkt.’

    Alles grijpt in elkaar. Stormzy en Corbyn; Stormzy en May. Stormzy bij Labour Live

    Bestaat het gevaar dat mensen zullen proberen hem te imiteren? ‘Entertainment is maar één ding. We kunnen ook ingenieur worden, of arts – er is een 
heel spectrum. Dat moeten we allemaal uitdragen. We moeten het beeld zien te keren.’ Kunnen er dan ook #Merky-scholen komen? ‘Zeker weten.’ #Merky-ruimtevaart? ‘Ja! Het kan allemaal. Het lijkt me geweldig als mensen #Merky als platform gaan gebruiken. Echt sick.

    Waar ik trots op ben, ook qua muziek, zijn de dingen die ik voor vrienden of familie heb gedaan, dus stel je voor dat over drie jaar, na de Stormzy-beurzen, zo’n jongere doorpakt en een Nobelprijs voor de vrede krijgt. Dat is sicker dan alle shit die andere mensen doen.’ Hij lacht breed, met stralend witte tanden, eentje zilver. Hij is enthousiast, opgetogen. Het werkt aanstekelijk. Heeft hij zelf een rolmodel gehad? Hij denkt even na, zegt dingen als: ‘Nee, gek genoeg, nee.’ Hij glimlacht, laat vele antwoorden door zijn drukke hoofd gaan.

    Hij trommelt met zijn vingers op tafel. ‘Op een gekke manier – en ik ben huiverig om het 
te zeggen omdat het zo’n cliché is – voelt het alsof 
dit zo heeft moeten zijn. Het klinkt heel kumbaya en vrede op aarde en alles, maar ik weet gewoon wat voor muziek ik wil maken. Maar dan ben je heel erg met jezelf bezig. Dus ja, de volgende stap is dat je moet begrijpen waar je vandaan komt. En dat is lastiger voor mijn zwarte broeders en zusters. Dus dan gaat het erom dat ik iets doe met mijn succes, hè? 
Als het publiek iemand op een podium plaatst, dan…’

    Hij verontschuldigt zich. Zijn gedachten schieten een andere kant op, wat geregeld gebeurt – naar iets wat zijdelings met het onderwerp te maken heeft. Hij maakt zich heel druk over hoe hij overkomt. ‘Jezus man,’ zegt hij luidkeels lachend, ‘ik klink alsof ik de weldoener van het jaar wil worden. Maar als ik iemand zag met tien miljoen, dacht ik altijd al – wat ga je met dat geld dóén? Serieus, man.’

    Grime

    Grime is ontstaan in de arme delen van Londen en 
de teksten gaan over het harde bestaan op straat en over gefnuikte levens – een wereld die de rappers van binnenuit kennen. Het zijn het soort gewelddadige teksten die leiden tot makkelijke verontwaardiging over steekincidenten, zonder dat er voldoende maatregelen worden genomen om de problemen aan te pakken waaraan die lyrics zijn ontsproten. In Rise Up schrijft Yawson over een leraar die zijn leerlingen vertelt wat ze moeten doen als er iemand wordt neergestoken. ‘Ik heb moeite met de mentaliteit die wij allemaal hadden,’ schrijft hij. ‘We namen genoegen met minder.’ Stormzy heeft de keren dat hij werd neergestoken afgedaan als niet meer dan een ‘momentopname’ in zijn verhaal.

    Ja, beaam ik, er moet iets worden gedaan aan de opvatting dat het normaal zou zijn om een mes bij 
je te hebben. Stormzy knikt, en begint weer over de valse noot. Hij is het ‘honderd procent’ met me eens, zegt hij, maar hij moet erkennen dat hij zelf pas inzag dat er ook een andere manier van leven was toen hij buiten zijn gemeenschap trad om een projectmanagementopleiding te gaan volgen in de 
Midlands.

    ‘Het was in Tipton,’ zegt hij onverwacht. ‘Daar waren we naartoe gegaan om het werk te doen van de mensen die we moesten managen, lassers, en er zaten zeventien witte kinderen in het lokaal. Op een dag zetten we onze veiligheidshelm af. Ik had een litteken op mijn hoofd, en iemand zegt: “Wat is er gebeurd?” Waarop ik zeg: “O, ik ben gestoken.” Ik zal het nooit vergeten. 
Ik liet het zien: “Ik ben hier gestoken, en daar, en daar…”’ Hij wijst drie verschillende plekken op zijn lijf aan. ‘Ze keken me vol afgrijzen aan – en op dat moment begon het me te dagen. Het 
is gestoord, waar ik vandaan kom. Natuurlijk is het schokkend dat ik ben gestoken. Natuurlijk zou dat niet normaal mogen zijn.’

    Hij pakt zijn iPhone en zegt dat er elk moment een vriend kan bellen om te vertellen dat er iemand dood is. ‘We leven in een verwrongen beeld van de realiteit, en dat is niet onze schuld. 
Het is niet onze schuld,’ zegt hij, met nog meer vuur dan anders. In Rise Up schrijft hij dat de overheid het laat afweten. Hoezo? ‘Tja, hoezo?’ antwoordt hij laconiek, met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Geloof me, voor ons is die shit allemaal moeilijker. We moeten van alles en nog wat ontmantelen. Het is echt wel een strijd. Wat moet gebeuren, moet gebeuren.’

    Stormzy kreeg bekendheid in alle lagen van de bevolking toen hij rapte: ‘Theresa May, waar blijft het geld voor Grenfell?’ Dat veroorzaakte zo veel ophef dat de premier zich gedwongen zag zichzelf te verdedigen – wat duidelijk maakt hoeveel invloed Stormzy heeft. Was hij blij dat May reageerde? ‘Het liet me koud,’ zegt hij, op een toon die deels somber is en deels gelaten. ‘Het gaat om de resultaten, hè?’

    Een paar jaar eerder had Stormzy gezegd dat hij een bewonderaar was van Jeremy Corbyn, wat leidde tot de tenenkrommende #Grime4Corbyn hashtag en een handvol ongemakkelijke fotomomenten. Maar in Rise Up zegt Akua Agyemfra, de manager van de band: ‘Waarom zou Stormzy het gezicht moeten worden van een politieke beweging?’ Dat brengt mij er weer toe hem te vragen waarom hij dat níét zou willen. Wat volgt zijn met zorg gekozen woorden.

    ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’ Een citaat uit Jeremia 29:11 hangt naast de wc van Michael Omari  (Stormzy). – © HH
    ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’ Een citaat uit Jeremia 29:11 hangt naast de wc van Michael Omari (Stormzy). – © HH

    ‘Weet je wat het is met al dat gedoe?’ begint hij. Corbyn, May enzovoort? ‘Yeah. Weet je, black culture is een heel ernstige zaak, dus ik moet verstandig zijn, want mijn woorden kunnen invloed hebben. Wat ik zeg en hoe 
dat wordt gebruikt – daar heb ik geen invloed op. Alles grijpt in elkaar. Stormzy en Corbyn; Stormzy en May. Stormzy bij Labour Live. Weet je wat er is gebeurd? Ik ben heus niet zo stoer dat ik niet zou durven toegeven dat ik op het gebied van politiek misschien soms wat naïef ben.’

    Is hij nu voorzichtiger? ‘Reken maar.’ Maar in Rise Up schrijft hij dat hij het als zijn verantwoordelijkheid ziet om zich uit te spreken. Met welk doel? Zou hij zich, bijvoorbeeld, moeten uitspreken over de brexit? Daar geeft hij niet direct antwoord op. In plaats daarvan zegt hij, heel stellig: ‘Als ik heel eerlijk ben, zijn er veel dingen die me geen fuck interesseren.’ Dan dwaalt hij af, volgen zijn gedachten een zijspoor, om even later weer bij het onderwerp zelf uit te komen, af te dwalen, weer terug te keren.

    Politiek krachtenveld

    ‘Goed,’ zegt hij plompverloren, alsof het een toverwoord is om zijn onstuimige hoofd tot rust te brengen. ‘Ik kijk er op verschillende manieren tegen aan. Maar ik begrijp inmiddels ook wel dat als je op het podium staat, je er niet aan ontkomt te worden meegetrokken in een politiek krachtenveld. Je kunt niet ‘Corbyn’ scanderen en dan verbaasd zijn dat je met hem in verband wordt gebracht. Dat is naïef, Stormz. Maar goed, aan de andere kant, als ik eerlijk ben – en het klinkt misschien kinderachtig – kan het me niets schelen hoe mensen het interpreteren.

    Dus als ik zeg: ‘Yo, waar blijft het geld voor Grenfell?’, dan kan het me niet schelen wat jullie daar allemaal van maken, zoals “Stormzy vs. May” of zo. Het zal allemaal wel. Jullie doen maar. Het gaat mij om dat ene, en dat mogen mensen naïef vinden, maar nu geldt meer dan ooit dat ik het net zozeer mijn taak vind om me bepaalde dingen aan te trekken, als om me er geen reet van aan te trekken.’

    We zitten nu al meer dan een uur te praten, over de meest uiteenlopende zaken, zoals de vraag of hij gestopt is met Twitter vanwege de negatieve pers die Jama kreeg door zijn oude tweets (‘Nee, ik heb mijn account gedeactiveerd om me op mijn muziek te richten’), en over die andere belangrijke aanwezigheid in zijn leven: God. ‘God is me genadig geweest,’ zegt hij. Voelt hij zich uitverkoren? ‘Nee. We zijn allemaal uitverkoren.’

    Ondertussen zegt hij over zijn nieuwe album, de opvolger van Gang Signs & Prayer, dat gepland staat voor 2019, dat het een ‘krankzinnige mengeling van van alles en nog wat’ wordt. Naarmate de uren wegtikken en het buiten begint te schemeren, geeft de rapper, die in zichzelf gelooft zonder zelfingenomen te zijn, zich iets meer bloot. Hij wordt introspectief. Ineens lijkt hij misschien niet echt angstig, maar dan toch op zijn minst bezorgd. Het is het enige moment waarop hij lijkt samen te vallen met zijn absurd jonge leeftijd – iemand die meedoet aan een dictee en als de dood is om in de fout te gaan.

    Een zware last

    Stormzy haalt zijn vingers door zijn haar. Petje op, petje af. Het enige licht lijkt afkomstig van MTV, dat nog altijd aanstaat. ‘Al die dingen waarmee ik in verband word gebracht,’ begint hij, terwijl de wereld om ons heen steeds kleiner lijkt te worden. ‘Het is een dubbel gevoel, want ik weet dat ik een bepaalde rol op me heb genomen, en ik ben er klaar voor. Maar ik moet me ook nog heel erg ontwikkelen als mens.

    Ik heb mijn tekortkomingen. En al werk ik daaraan, vijf, zes van de zeven dagen per week, er zijn ook dagen waarop je als mens ook 
niet alles kunt. Op sommige dagen denk ik fuck 
de media. Maar op andere dagen heb ik iets van: “Stormz, we leven in een rare wereld, en de mensen hebben podia nodig.” Ik weet dat dit mijn zegen en mijn kracht is, maar het is een zware last.’ Er staat een taxi voor, dus ik ga nog snel even naar de wc, waar hij een ingelijste cd heeft hangen van zijn rap op een single van Little Mix, plus een citaat uit Jeremia 29:11: ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk.’

    We huggen zo’n beetje als ik wegga, en ik moet lachen dat deze zo uitgesproken, indrukwekkende man, kan worden gekenschetst door een bezoekje aan zijn wc, waar hij een muziekaward naast een Bijbelcitaat over hoop heeft hangen. Vlak voor ik de deur uit loop, stelt hij nog een retorische vraag: ‘Weet je wat het is?’ Ik zwijg en hij gaat verder. ‘Ik weet wat me te doen staat, maar tegelijkertijd weet je dat je een mens bent, en kwetsbaar. Ik moet gewoon nog een heleboel uitzoeken, denk ik.’

    Auteur: Jonathan Dean

    The Sunday Times
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | 
oplage 1.300.000

    In 1864 opgericht en* in 1981 opgekocht door mediamagnaat Rupert Murdoch,* die o.a. ook The Times bezit. Staat bekend om zijn goede research, bijlagen en bijdragen van populaire auteurs. Schotland en Ierland kennen een eigen editie.

  • Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.

    Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het 
liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. 
De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van 
de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.

    Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een 
bijeenkomst aan Rutgers University, 
in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.

    Gevaren

    Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel 
die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.

    In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en 
kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het 
Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, 
verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat 
al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses 
bij de kop, maar ook verschillende 
politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante 
Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse 
theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.

    Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd 
op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij 
me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.

    Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement

    Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is 
privacy een groot goed. Precies om 
deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk 
opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.

    Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren 
we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.

    Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, 
en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld 
in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat 
is wat veel van de hardwerkende 
Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk 
op Trump gestemd.

    Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als 
je naar hun website kijkt, zegt Lilla. 
Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.

    Mark Lila
    Mark Lila

    Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.

    De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. 
De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet 
is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een 
destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.

    De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis 
en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en 
activistische bewegingen, en terug-
keren naar de politiek van partijen en instellingen.

    Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die 
de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later 
de obsessie, met identiteit, bracht de 
uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits-
politiek een verruiming, en geen 
vernauwing, van de sterk individualistische tendens.

    Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig

    Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets 
misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden 
dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het 
feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan 
Hispanics of dikke vrouwen. Of dat 
de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun 
volstrekt unieke zelfdefinitie.

    Daaruit volgt dat er binnen deze 
kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.

    Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in 
een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. 
Hij voerde verhitte discussies met 
zijn klasgenoten en wilde hun het 
religieuze licht laten zien.

    Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.

    Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de 
Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en 
kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig.

    Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit 
dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.

    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP
    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP

    Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen 
uit, maar bepleitten realistische, 
concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat 
er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de 
vijanden van de vijanden van de 
arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk 
veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’

    Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School 
of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.

    Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’

    En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de 
Democraten echt iets mee kunnen.

    Ontmanteling van coalities

    Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van 
Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet 
het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.

    Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van 
de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een 
paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.

    De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt 
van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was 
overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
    Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote 
deel van de hoogopgeleide Amerikanen 
verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.

    Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, 
‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’

    Auteur: Gadi Taub
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    ‘Sign of the Times: The struggle for Identity’.
    Stadsschouwburg, 2 juni, 20.30

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 
1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.