Tag: engels

  • Het Engels, de wereldtaal met een slecht geweten

    Het Engels, de wereldtaal met een slecht geweten

    Is de meest gesproken taal op aarde een geschenk uit de hemel of een veelkoppig monster? Beide opvattingen leiden af van waar het werkelijk om draait. ‘Het zijn mensen, niet talen, die domineren en onderworpen worden’, schrijft universitair docent Engelse Taal en Cultuur Mario Saraceni.

    De afgelopen vierhonderd jaar groeide het Engels uit van een kleine taal die op de Britse eilanden werd gesproken tot een taal die de wereld domineert. In het jaar 1600, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth I, spraken vier miljoen mensen Engels. Tegen 2020, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth II, was dat aantal gestegen tot bijna twee miljard. Nu is Engels de voertaal in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland en de ‘intranationale’ taal in voormalig Britse koloniën als India, Singapore, Zuid-Afrika en Nigeria. Het is de lingua franca van onze planeet.

    Sommigen zien het Engels als het grootste ‘geschenk’ dat Groot-Brittannië de wereld ooit gaf. In mei 2022 zei Suella Braverman, nu de Britse minister van Binnenlandse Zaken, in een online interview met ConservativeHome dat ze trots was op het Britse Rijk, omdat het zijn koloniën had begiftigd met infrastructuur, rechtssystemen, het ambtenarenapparaat, militairen en ‘natuurlijk de Engelse taal’.

    Hetzelfde geluid klinkt aan de andere kant van het politieke spectrum: in 2008 hield toenmalig premier Gordon Brown een toespraak waarin hij verklaarde dat hij namens ‘Groot-Brittannië een nieuw geschenk aan de wereld’ wilde geven door steun te bieden aan iedereen die buiten het Verenigd Koninkrijk Engels wilde leren. In hetzelfde jaar kondigde The Times voorstellen aan voor een nieuw museum gewijd aan de taal, om ‘het omvangrijkste geschenk van Engeland aan de wereld te vieren’. Onlangs nog beschreef Mark Robson van de British Council het Engels als ‘het grootste geschenk van het Verenigd Koninkrijk aan de wereld’. Het idee van het Engels als een Brits geschenk is zo ingeburgerd dat het haast niet opvalt.

    Bullebak

    Het Engels mag dan wel universeel zijn geworden, toch beschouwt niet iedereen de taal als een geschenk. Sterker nog, veel mensen denken er totaal anders over. In 2018 beschreef journalist Jacob Mikanowski het Engels in The Guardian als een ‘behemoth, bully, loudmouth, thief’ (boeman, bullebak, schreeuwlelijk, dief). Hij benadrukte dat de dominantie van het Engels een bedreiging vormt voor lokale culturen en talen.

    Doordat het Engels wereldwijd terrein blijft winnen, worden veel talen steeds minder gesproken of sterven ze zelfs uit. Dit heeft niet alleen gevolgen voor relatief kleine talen als het Welsh of het Iers; ook grotere talen, zoals het Yoruba in Nigeria, moeten eraan geloven. In het bedrijfsleven, de handel, het onderwijs, de media en de technologie worden ze door het Engels overschaduwd.

    Sommige sociolinguïstische wetenschappers beschouwen het Engels daarom als een dodelijke taal. Ze zien het als een monster, vergelijkbaar met de dodelijke, veelkoppige Hydra uit de Griekse mythologie. Vanuit dit perspectief bezien is de wereldwijde invloed van het Engels een vorm van taalimperialisme. Het is een systeem van verregaande ongelijkheid, waarin andere talen worden verpletterd door de vuisten van de voormalige kolonist, Groot-Brittannië, en de huidige globale supermacht, de VS.

    In The Oxford Handbook of World Englishes uit 2017 merken sociolinguïsten Robert Phillipson en Tove Skutnabb-Kangas op dat ‘het internationale prestige en de instrumentele waarde van het Engels ertoe kunnen leiden dat taalgebieden verdwijnen, wat ten koste gaat van lokale talen en van de grote democratische rol die nationale talen spelen’.

    Dekolonisatie is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied

    De term ‘taalimperialisme’ laat zien dat de dominantie van het Engels het gevolg is van vier eeuwen Britse overheersing. Dat drukt zwaar op het geweten van de taal. Het Engels verspreidde zich tussen het einde van de zestiende eeuw en de tweede helft van de twintigste eeuw over het Britse imperium. Die imperialistische expansie ging gepaard met landroof, genocide, slavernij, hongersnood, onderwerping, plundering en uitbuiting.

    Deze geschiedenis zou centraal moeten staan in elke discussie over het Engels als wereldtaal. Niet alleen omdat het historisch correct is, maar ook omdat het Engels, zoals de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe in 1965 schreef, ‘onderdeel was van een reeks dubieuze transacties, waaronder de regelrechte gruwel van raciale arrogantie en andere vooroordelen’.

    Waarom staat in debatten over dekolonisatie het Engels dan niet centraal? Dekolonisatie werd in het begin van de eenentwintigste eeuw vooral besproken in de context van musea of bejubelde historische figuren die banden hadden met het Britse imperium. Maar net als het British Museum of het standbeeld van Cecil Rhodes op een Oxford-gebouw, is het wereldwijde bereik van het Engels een uitvloeisel van het imperium.

    Wat bedoel ik precies met ‘dekolonisatie’? Ik heb het hier niet over het politieke proces waarmee koloniën in de tweede helft van de twintigste eeuw onafhankelijk werden. Dekolonisatie geldt tegenwoordig voornamelijk als alternatief voor een kennissysteem dat kolonisten in de tijd van het kolonialisme invoerden en systematisch afdwongen.

    Die manier van denken maakte een morele rechtvaardiging van het kolonisatieproces mogelijk en draaide om één centraal principe: aangezien de kolonist superieur was aan de gekoloniseerde, was overheersing niet alleen geoorloofd, maar zelfs moreel verantwoord. Op basis van dit principe werden de kolonist en de gekoloniseerde aan tegenovergestelde uiteinden van het beschavingsspectrum geplaatst:

    kolonist < – – – > gekoloniseerde

    beschaafd < – – – – > primitief

    religie < – – – > bijgeloof

    democratie < – – – – > absolute heerschappij

    naties < – – – > stammen

    literatuur < – – – > mondelinge overlevering

    talen < – – – – > dialecten

    In de twintigste eeuw vond politieke dekolonisatie plaats: koloniën werden onafhankelijk. Maar hiermee was het kennissysteem waarop kolonisatie was gebaseerd, zowel op het noordelijk als zuidelijk halfrond, niet automatisch verdwenen. Die mentaliteit heeft een erfenis achtergelaten en bepaalt nog steeds deels de manier waarop we de wereld zien en begrijpen. Hedendaagse dekolonisatie draait dus om wat de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o in 1986 ‘dekolonisatie van de geest’ noemde.

    Allereerst moeten we ons bewust worden van het nog levende kennissysteem van de kolonist en dat verwerpen. Vervolgens moeten we het vervangen door evenwichtige, diverse, complexe en lokaal relevante inzichten in menselijke samenlevingen en hun onderlinge relaties. En ten slotte moeten we op basis van die inzichten ons gedrag veranderen. Dit is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied.

    Vorm van censuur

    De Engelse taal, het British Museum en Cecil Rhodes delen een problematische koloniale erfenis. Ze staan voortdurend ter discussie, waarbij het de vraag is of ze ‘geschenken’ of ‘monsters’ zijn. In het British Museum worden de bronzen beelden uit Benin tentoongesteld: meer dan negenhonderd decoratieve sculpturen uit het Koninkrijk Benin in het huidige Zuid-Nigeria. Ze bieden mensen weliswaar de gelegenheid om historische kunstwerken te bewonderen, maar zijn ook een tastbaar bewijs van de systematische plundering die in de koloniale tijd plaatsvond.

    Het standbeeld van Rhodes dat op de Oxfordcampus staat mag dan een eerbetoon zijn vanwege de hoeveelheid geld die de politicus de universiteit heeft geschonken, het is ook een uitermate controversieel beeld van een staatsman die tijdens de Britse overheersing in Zuid-Afrika handelde vanuit de stellige overtuiging dat de ‘witten’ het ‘opperras’ waren.

    Kunstwerken en standbeelden van historische figuren zijn onderwerp geworden van een verhit debat omdat ze de problematische koloniale erfenis vertegenwoordigen. Musea worden steeds meer onder druk gezet om artefacten terug te sturen naar hun land van herkomst, vooral als die artefacten in kwestie aantoonbaar ‘verworven’ zijn met koloniale plundering. In dat opzicht zou het teruggeven van de geroofde bronzen beelden van Benin aan Nigeria niet alleen een fout rechtzetten. Het zou ook symbool komen te staan voor de bestrijding van het koloniale geloofssysteem dat de beeldenroof ooit mogelijk maakte. Met andere woorden: het zou een vorm van dekolonisatie zijn.

    Op eenzelfde manier vinden veel mensen het belangrijk dat het standbeeld van Rhodes verwijderd wordt. Alleen dan kunnen we in hun ogen ons wereldbeeld rechtzetten – een wereldbeeld dat lange tijd scheef is geweest door kolonisatie en haar voortdurende ideologische erfenis.

    Natuurlijk is er ook veel weerstand tegen dit idee. Mensen die sceptisch zijn over dekolonisatie interpreteren het voorvoegsel ‘de-’ veelal als een vorm van censuur. In hun ogen zou dekolonisatie elke band met het koloniale verleden uitwissen. In juni 2020 twitterde de toenmalige Britse premier Boris Johnson over het omverwerpen van het standbeeld van slavenhandelaar Edward Colston in Bristol: ‘We moeten niet proberen ons verleden te bewerken of te censureren.’

    Naar aanleiding van het voorstel om het Victoria and Albert Museum te dekoloniseren, zei directeur Tristram Hunt in februari 2020 iets vergelijkbaars: ‘De oorsprong van het Victoria and Albert Museum is ingebed in Britse imperiale en koloniale verhalen.’ Daarom ‘heeft het in veel opzichten geen zin om het V&A te dekoloniseren, het is simpelweg niet mogelijk’.

    Als dekolonisatie gezien wordt als uitwissen, lijkt het al snel een onmogelijke of zelfs onwenselijke opgave. Maar deze interpretatie gaat totaal voorbij aan wat dekolonisatie nu echt betekent. Zoals ik hierboven heb uitgelegd, houdt dekolonisatie in de eerste plaats een diepgaand en kritisch engagement met het koloniale verleden in. Dat is iets heel anders dan het verleden uitwissen.

    We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn

    Hoe zit dat met de Engelse taal? Hoe zou dekolonisatie van het Engels eruitzien? Er zijn wat dat betreft twee belangrijke denkstromingen geweest. De ene beschouwt het Engels als een ‘ongewenst geschenk’: omdat het nu eenmaal een wereldtaal is, kan het uit pragmatische overwegingen maar met tegenzin worden aanvaard – zolang het wordt aangepast, omgesmeed en in nieuwe vormen gebogen. Het Engels zou dan ‘gede-angliseerd’ worden en veranderen in een Afrikaanse en Aziatische taal. Het is niet langer het exclusieve eigendom van de Britten en de Amerikanen maar wordt op andere plekken in de wereld eigen gemaakt.

    Verschillende Afrikaanse en Aziatische schrijvers hebben zich fervent voorstander van dit idee getoond: van Achebe in de jaren zestig tot Salman Rushdie in de jaren tachtig en, recenter nog, Chimamanda Ngozi Adichi. Het standpunt krijgt echter ook kritiek. Het zou te optimistisch zijn en alleen relevant voor een beperkte en nogal bevoorrechte elite, waartoe de internationaal bekende Engelstalige romanschrijvers behoren. Volgens critici is het de-angliseren en toe-eigenen van het Engels een privilege voor slechts een paar mensen. Alle anderen blijven lijden aan de erosie van hun taal, cultuur en identiteit.

    De tweede stroming is radicaler. Vanuit dit perspectief is het Engels als wereldtaal niet alleen maar het toevallige resultaat van het kolonialisme, maar blijft het een inherent en onvermijdelijk imperialistische taal. Het toe-eigenen van de taal is volgens aanhangers hiervan slechts een illusie die afleidt van het echte probleem: dat het Engels het leven van honderden miljoenen mensen blijft beïnvloeden, hun samenleving binnendringt en lokale talen uit het onderwijs, de media en de algemene cultuur verdrijft. Dekolonisatie zou moeten betekenen dat er een groter en gezonder evenwicht tussen het Engels en lokale talen ontstaat. Lokale talen komen weer tot bloei en krijgen de status en rol terug die ze door het Engelse monster zijn kwijtgeraakt.

    Er zijn er ook die geen relevant verband zien tussen het Engels en dekolonisatie. Gordon Brown beschrijft het Engels in zijn eerdergenoemde toespraak als ‘het medium dat wereldwijde communicatie en wereldwijde toegang tot kennis mogelijk maakt’; ‘een middel waarmee honderden miljoenen mensen uit alle landen met elkaar in contact komen’; ‘een brug tussen grenzen en culturen’ en ‘een bron van eenheid in een snel veranderende wereld’. Volgens Brown mag het Engels geen onderdeel worden van dekolonisatie.

    Het is veelzeggend dat hij de verspreiding van het Engels beschrijft als het resultaat van een ‘historische toevalligheid’. The English Effect, een publicatie van de British Council uit 2013, beschrijft de taal eveneens als een die ‘groei en internationale ontwikkeling aanstuurt’ en ‘levens verandert’. En als het Engels een ‘geschenk’ is, moet het worden gevierd en niet ter discussie gesteld.

    Metaforen

    Dekoloniseren of niet dekoloniseren? Dat is de vraag, en om daar genuanceerd op in te gaan, helpt het misschien om te weten dat beide partijen in het debat iets fundamenteels gemeen hebben. Wanneer ze over het Engels praten of nadenken, gebruiken ze metaforen. Een ‘geschenk’, een ‘monster’, ‘bullebak’, ‘medium’, ga zo maar door… Woorden die in principe niets met een taal te maken hebben. Want dat is de essentie van de metafoor: spreken over X alsof het Y is.

    Soms, zoals in de zojuist genoemde voorbeelden, is het duidelijk wanneer dit gebeurt. Maar meestal hebben we het niet eens door als taal metaforisch omschreven wordt. Dat komt doordat niet allee metaforen een duidelijke ‘X is Y’-vorm hebben – zoals bij ‘Engels is de weg naar succes’ – en doordat ze zodanig zijn ingeburgerd dat we ze vaak niet meer als metafoor of creatief taalgebruik herkennen.

    In gesprekken over taal gaat het vaak over ‘geboorte’, ‘leven’, ‘groei’, ‘ontwikkeling’ en ‘dood’ – alsof een taal een levend organisme is. Een uitdrukking als ‘taal ontwikkelt zich voortdurend’ komt niet direct over als een metafoor, omdat taal hier niet expliciet wordt beschreven als iets anders. We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

    We gebruiken voortdurend metaforen, vooral wanneer we complexe verschijnselen beschrijven met begrippen die simpeler, vertrouwder en eenvoudiger zijn. Taal is een complex, sociaal fenomeen dat onlosmakelijk met cultuur en maatschappij is verweven, en leent zich dus bij uitstek om te worden beschreven aan de hand van metaforen. Maar een metafoor is meer dan een retorisch middel dat complexe verschijnselen begrijpelijker maakt. Een metafoor beschrijft iets alsof het iets anders is en kan daardoor een krachtig ideologisch instrument zijn. Door het ‘iets anders’ in kwestie zorgvuldig uit te kiezen, kunnen we met metaforen verschillende ideologische standpunten uitdrukken.

    Wanneer we het Engels bijvoorbeeld een ‘geschenk’ noemen, impliceren we dat het uiterst waardevol is: een middel dat wereldwijde communicatie verbetert alsook de vooruitzichten van mensen. Door het te beschrijven als een ‘monster’ schilderen we de taal af als een bedreiging voor de culturele en taalkundige diversiteit: als een wapen dat de Anglo-Amerikaanse neo-imperialistische belangen dient.

    Het wordt nog interessanter als we kijken naar metaforen die sterk ingeburgerd en daarom minder zichtbaar zijn. Nogmaals, de British Council stelt dat Engels ‘groei en internationale ontwikkeling stimuleert’ en ‘levens verandert’. Om de metaforische essentie van deze stelling te ontleden, moeten we zorgvuldig letten op zowel de grammatica als de betekenis ervan.

    Wie zegt dat het Engels groei stimuleert en levens verandert, beschouwt het als een entiteit, die zelf in staat is om handelingen te verrichten. Hier is sprake van een grammaticale en semantische verschuiving: van het Engels als een object dat door mensen wordt geleerd, gesproken en gebruikt, naar het Engels als een doener die andere dingen of mensen zelfstandig kan beïnvloeden. De formule ‘X is Y’ is hier dus impliciet, maar kan wel degelijk worden ontleed. In dit geval impliceert ‘Engels verandert levens’ dat het Engels ‘een doener’ is. En als het Engels autonomie heeft, kan het zelfstandig handelen, onafhankelijk van mensen. Deze gedachtegang kan een groot ideologisch effect hebben.

    Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit

    De tweede editie van English as a Global Language werd gepubliceerd in 2003 en geldt nog steeds als een van de populairste beschrijvingen van het Engels als wereldtaal. Het boek is geschreven door de Britse taalkundige David Crystal, een van de bekendste anglicisten. In het boek staat een voorbeeld dat perfect illustreert wat voor ideologische implicaties een metafoor kan hebben. Crystal schrijft dat ‘een terugkerende opvallendheid die kan helpen om de opmerkelijke groei van deze taal te begrijpen’ is dat ze ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’. Op het eerste gezicht lijkt zo’n uitspraak misschien nietszeggend, maar er zit een complete ideologie in verscholen.

    Allereerst impliceert het woord ‘groei’ hier natuurlijk de metafoor van het ‘levend organisme’. Afgezien daarvan lijkt het Engels hier net een reiziger die tijdens zijn wereldreis compleet bij toeval op bepaalde plaatsen belandde. De metafoor van de reiziger schetst het Engels bovendien als iemand met mensachtige kwaliteiten en een eigen wil. Dit suggereert dat de taal zich wereldwijd heeft verspreid middels handelingen die het Engels op verschillende momenten in zijn ‘leven’ heeft ondernomen. Volgens de logica van deze metafoor werd het Engels verspreid door het Engels zelf, niet door het kolonialisme. Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit. Hoe kon het Engels zo groot worden? Gewoon, door ‘een historische toevalligheid’, aldus Brown.

    Wie het imperialisme buiten beschouwing laat, maakt de wereldwijde verspreiding van het Engels als het ware onschadelijk. Zo komt de nadruk te liggen op hoe bijzonder de expansie was, hoe heilzaam de wereldwijde aanwezigheid van het Engels is, enzovoort. Met andere woorden, het Engels kan als een ‘geschenk’ aan de wereld worden omschreven, waarbij de ongemakkelijke implicaties van dat geschenk achterwege worden gelaten. Critici als Robert Phillipson noemen Crystals beschrijving van het Engels als een wereldtaal die ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’ dan ook ‘eurocentrisch’ en ‘triomfalistisch’. Met andere woorden: een beschrijving die moet worden gedekoloniseerd.

    Aan de andere kant van het debat wordt het Engels eveneens beschreven met een metafoor. Een voorbeeld is de essaybundel English Language as Hydra uit 2012, die gaat over ‘de immense macht die het Engels wereldwijd uitoefent’. In deze bundel is het Engels geen geschenk, maar een dief, een bullebak, een monster, enzovoort. In de inleiding schrijven redacteuren Vaughan Rapatahana en Pauline Bunce:

    ‘Bepaalde structuren en vormen van discours zijn inherent aan het Engels. De taal neemt die overal waar ze opdruikt met zich mee, en op een schijnbaar heilzame manier. Zo worden de mensen die de taal leren opgescheept met een hele reeks aan inherente controles, verwachtingen, houdingen en overtuigingen die vaak tegengesteld zijn aan die van henzelf.

    Ook schrijven ze dat: ‘(…) de Hydra van het hedendaagse Engels erin is geslaagd haar geografische bereik uit te breiden tot de hele planeet. Het Engels heeft zich aangepast aan een breed scala van omgevingen door op verschillende plaatsen verschillende koppen te ontwikkelen en soms verschillende koppen op dezelfde plaats. De taal heeft specifieke, symbiotische relaties ontwikkeld met samenlevingen, bedrijven, regeringen en onderwijssystemen.’

    Entiteit

    Hoewel ik begrip heb voor het sentiment dat aan deze stelling ten grondslag ligt, denk ik dat deze weergave van het Engels niet volledig recht doet aan ons doel: de manier waarop we over het Engels praten dekoloniseren. Het Engels wordt nog steeds beschreven als een entiteit die in staat is zijn eigen beslissingen te nemen en onafhankelijk van mensen te handelen.

    In de bovenstaande citaten lijkt het Engels een reiziger en een soort bovennatuurlijk, verraderlijk wezen dat de hele wereld over gaat door zich op fenomenale wijze te transformeren. Net als de reiziger van Crystal, die toevallig op het juiste moment op de juiste plaats was, leidt deze weergave de aandacht af van het fundamentele probleem: een wereldorde die is gevormd en nog steeds sterk wordt bepaald door vierhonderd jaar Europees imperialisme.

    De metafoor van het geschenk is machtig. Maar als we dit idee proberen te bestrijden met monstermetaforen, belanden we in een retorische strijd waarvan de spelregels nog steeds door de tegenstander worden bepaald. Deze strategie kan hoogstens leiden tot een afgezaagde conclusie: dat de werkelijkheid complex is. Binnen dit referentiekader is het Engels noch geheel ‘slecht’ noch geheel ‘goed’. Maar het ideaal – dat het Engels een minder dominante rol krijgt en andere talen verloren terrein terugwinnen – blijft zo niets meer dan een theoretische wens zonder een geloofwaardig en uitvoerbaar actieplan.

    We moeten de dekolonisatie van het Engels radicaler aanpakken, door op een nieuwe manier over de taal na te denken en te praten. Taal is geen object of ding, zoals een artefact in een museum of een standbeeld in een stad. En het is al helemaal geen levend wezen dat in staat is ‘deuren te openen’, ‘levens te veranderen’ of ‘andere talen te doden’. Taal is onlosmakelijk verbonden met ons sociale gedrag: we gebruiken allemaal taal in ons dagelijks leven – vaak zelfs meerdere talen.

    ‘Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort’

    Geen enkele taal, ook het Engels niet, is inherent ‘goed’ of ‘slecht’, ‘rijk’, ‘machtig’ of ‘arrogant’. Geen enkele taal, ook het Engels niet, ‘doet’ iets. Ze breidt zich niet uit, past zich niet aan, evolueert niet, domineert niet. Die formuleringen zijn allemaal manieren om de relaties tussen mens en taal verdoezelen.

    Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort. Het zijn mensen, niet talen, die hun invloed uitbreiden, zich aanpassen aan situaties, hun gewoonten veranderen (inclusief hun taalgebruik), domineren, onderworpen worden, enzovoort.

    De wereldwijde ‘dominantie’ van het Engels en het daarmee gepaard gaande verlies van andere talen, identiteiten en culturen zijn directe gevolgen van de enorme ongelijkheid die er in de wereld nog altijd is. Die ongelijkheid is een rechtstreeks gevolg van de kolonisatie en de langdurige gevolgen die eruit voortkwamen. Het Engelse ‘monster’ is een symptoom van een ernstige ziekte, niet de oorzaak.

    De dekolonisatie van het Engels houdt niet in dat een object wordt weggenomen of teruggegeven. Dekolonisatie betekent dat we op een nieuwe manier gaan nadenken over wat het Engels is en, belangrijker nog, wat het niet is.

    Lees ook:

  • Stop het gepreek aan de universiteit

    Stop het gepreek aan de universiteit

    De kwaliteit van de studie politicologie in Libanon is beneden alle peil, klaagt een journalist van het dagblad As Safir. Dat komt doordat docenten hun colleges doorspekken met religieuze opvattingen. ‘Sommigen weigeren zelfs Marx en Engels te behandelen omdat ze atheïsten waren.’

    Veel Libanese jongeren kiezen voor een studie politicologie. Helaas slaagt het merendeel voor zijn tentamens zonder over de vereiste kennis te beschikken of ook maar iets af te weten van methodologie. Hoe worden deze jonge mensen opgeleid die op een dag werkzaam zullen zijn als politicus, universitair onderzoeker of op het gebied van internationale betrekkingen?

    Geconstateerd moet worden dat de politieke wetenschappen steeds meer politiek op zijn Libanees zijn geworden. Sommige docenten laten opzettelijk informatie achterwege die niet strookt met hun politieke overtuiging. Soms doorspekken ze hun colleges met religieuze opvattingen, zonder dat daar enige kritiek op komt.

    Deze docenten vragen hun studenten bijvoorbeeld teksten te lezen waarin wordt uitgelegd dat ‘het economische project van de Europese Unie is mislukt omdat het niet het islamitische economische model heeft gevolgd’ of dat ‘de oplossing voor de wereldeconomie ligt in het overnemen van de economische regels van de gouden eeuw van de islam’.

    ‘Studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’’

    Alle historische feiten worden op die manier verpulverd. De studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’. Dit alles wekt de indruk dat men colleges volgt over de persoonlijke opvattingen van deze of gene religieuze persoonlijkheid, waarbij een preek tot een verhandeling over economische theorie kan worden verheven. Daarmee wordt de studierichting politicologie een manier om het idee te verspreiden dat de islam een totaalsysteem is dat alle terreinen bestrijkt, niet in de laatste plaats dat van de politiek.

    Omdat religie op de eerste plaats komt, worden de politieke theorieën van grote intellectuelen onder de mat geveegd. De studenten studeren vaak af zonder dat ze ooit van Marx en Engels hebben gehoord. Er zijn zelfs docenten die over deze twee filosofen weigeren te spreken omdat ze atheïsten waren. Een hoogleraar aan de Libanese universiteit weigerde college over Marx te geven omdat hij een ‘utopist’ zou zijn en achtte het voldoende als zijn studenten Deugdzame stad van Al-Farabi zouden lezen om het marxisme te doorgronden. Daarmee wordt Deugdzame stad het enige boek aan de hand waarvan de student geacht wordt de strekking van het communisme, de klassenstrijd en de kapitalistische uitbuiting te begrijpen.

    Een Libanese studente beschrijft wat zij graag zou willen voor haar land. – © Jamal Saidi / Reuters
    Een Libanese studente beschrijft wat zij graag zou willen voor haar land. – © Jamal Saidi / Reuters

    Ook het politieke gedachtegoed van Michel Foucault wordt op een karikaturale manier samengevat en uiteindelijk aan onontkoombare morele opvattingen getoetst. Zelfs onderwerpen als de aanwezigheid van olie en aardgas in Libanon worden vanuit een bijzondere insteek behandeld. Als je sommige teksten mag geloven die op de universiteit circuleren, kunnen die alleen worden verdedigd [tegen veronderstelde Israëlische agressie] door de wapens van Hezbollah in te zetten.

    Evenzeer kan men zich verbazen over leerstof waarin de ins en outs van de Libanese diaspora, met name in Afrika, tot racistische oprispingen leiden. Zo leren de studenten niet alleen dat de inwoners van Ivoorkust niet van de Libanezen houden die zich daar hebben gevestigd omdat ze hun banen inpikken, maar ook dat Libanese meisjes er de straat niet op durven uit vrees door jonge Ivorianen te worden lastiggevallen.

    Persoonlijke opvattingen

    Ten slotte zijn tijdens de tentamens de persoonlijke opvattingen van de docent van invloed op de antwoorden die de studenten geven. Ze zorgen er uitdrukkelijk voor dat ze de naam vermelden van de partij die hun docent aanhangt. En als ze het over leugenachtigheid in de Libanese politiek moeten hebben, zullen ze als voorbeeld een Libanese politicus gebruiken die tot het kamp van de tegenstanders van hun examinator behoort.

    Het valt te betreuren dat op de Libanese universiteit het onderwijs in een belangrijk vak als politicologie zo weinig te maken heeft met wetenschap, en zelfs met politiek in de nobele zin van het woord, maar ontaardt in godsdienstlessen met een flinke vleug racisme en partijdigheid.

    Auteur: Maher El-Khochen
    Vertaler: Peter Bergsma

    As Safir
    Libanon | dagblad | 20.000

    ‘De Ambassadeur’ is het tweede dagblad in Libanon. Linksgezind. Pro-Arabisch en pro-Hezbollah.