Tag: Essay

  • ‘De vrijheid die ik in Engeland had ervaren, kwam in het gedrang toen ik schrijver werd’

    ‘De vrijheid die ik in Engeland had ervaren, kwam in het gedrang toen ik schrijver werd’

    De vrijheid die Suleiman Addonia op zijn eerste dag in Engeland ervoer, kwam jaren later onder druk te staan toen zijn schrijverschap botste met de verwachtingen van zowel zijn familie als de westerse uitgeefwereld. ‘Als niet-witte schrijver genoot ik niet de vrijheid om te schrijven wat ik wilde.’

    Freedom Lecture: Sulaiman Addonia

    Sulaiman Addonia schrijft provocerende fictie die de veelkleurige realiteit van vluchtelingen toont — verhalen die niet alleen over trauma gaan, maar ook over liefde, seksualiteit en autonomie.

    Op donderdag 4 december gaat Arnon Grunberg met hem in gesprek tijdens een Freedom Lecture in De Balie in Amsterdam.

    4 december / 20:00 / De Balie, Amsterdam

    Ik herinner me de ochtend in 1990 dat ik op Kilburn High Road stond, een dag nadat ik vanuit Jeddah naar Londen was gekomen. De mist van angst die ik in het vliegtuig had gevoeld wilde maar niet optrekken. Het geroezemoes op straat, vol onbekende talen, was overweldigend. Maar toen ik verder liep, voelde ik me thuis, voelde ik me ogenblikkelijk verbonden met de stad en haar inwoners. Ik voelde me op slag Brit.

    Ik begrijp dat mensen zo en nu en dan verbaasd opkijken als ik dat zeg. Saoedi-Arabië, waar ik de vormende periode van mijn jeugd heb doorgebracht, was in vrijwel alle opzichten het tegenovergestelde van het Verenigd-Koninkrijk, en ik sprak nog geen Engels. Maar toch, toen ik daar zo liep – in een straat die om de honderd meter van naam veranderde, een straat met een tempel, een synagoge, een kerk en een moskee – voelde ik me op een bepaalde manier thuis. De verdraagzaamheid die de stad uitstraalde deed me denken aan de sfeer in het Soedanese vluchtelingenkamp waar ik had gezeten. Mijn wandeling voerde me naar de Speakers’ Corner in Hyde Park, waar ik mensen hartstochtelijk zag debatteren. Een zwarte man, wiens woorden door een vriend voor me werden vertaald, sprak over de onderdrukking van zwarte mensen in het Westen. Een Aziatisch-Caribische spreker vertelde dat zijn mensen het pittige eten naar het VK hadden gebracht, evenals inventieve manieren om de liefde te bedrijven. En vervolgens hekelde iemand de koningin, terwijl er een agent vlak voor zijn neus stond. Die agent was er niet om hem in te rekenen, maar om zijn vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Ik kon mijn ogen niet geloven, ik vergaapte me aan dit toonbeeld van vrijheid. Ik had het ministerie van Binnenlandse Zaken helemaal niet nodig om mijn asielaanvraag goed te keuren of om me het Britse staatsburgerschap te verlenen. Op dat moment voelde ik me al volkomen Brits.

    Die agent was er niet om hem in te rekenen, maar om zijn vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Ik kon mijn ogen niet geloven

    Maar dat gevoel van vrijheid dat ik die eerste dag in Engeland had ervaren, kwam in het gedrang toen ik jaren later schrijver werd. Hoewel de keuze voor het schrijverschap niet echt voor de hand had gelegen, had ik mijn ras, klasse of vluchtelingenachtergrond nooit gezien als hindernissen binnen de literaire wereld, waar dat in andere delen van de samenleving wel het geval was. Sterker nog, ik verkeerde in de overtuiging dat Europa alle zielen verwelkomde, zelfs die van mensen zoals ik, mensen die aanvankelijk veiligheid hadden gezocht maar inmiddels bereid waren artistieke grenzen op te zoeken.

    Tot mijn verbazing stuitte ik echter op de ene na de andere hindernis op mijn pad richting de ‘ware kunst’ – hindernissen die zowel werden opgeworpen door mijn land in Afrika als door mijn nieuwe thuis in Europa. Het begon allemaal op het moment dat ik ging schrijven over de liefde en het seksleven van ontheemden.

    Om te beginnen mijn moeder

    ‘Wil je me dan helemaal nooit meer zien?’ zei mijn moeder tegen me aan de telefoon, ergens eind 2008. Ze zat in Eritrea. Het was een paar maanden na het uitkomen van mijn debuutroman, Als gevolg van liefde, over liefde in de gender-gesegregeerde samenleving van Saoedi-Arabië. Een familielid uit Europa had haar net gebeld, volkomen in shock over de expliciete seksscènes buiten het huwelijk in het heilige land. Hij had erop aangedrongen dat zij me tot de orde zou roepen.

    Ik zat in Londen te schrijven en had geen moment stilgestaan bij de gevolgen van mijn woorden voor mijn familie thuis. ‘Ik ben nu Brits en kan schrijven wat ik wil,’ zei ik tegen mijn moeder, waarmee ik mijn onafhankelijkheid benadrukte, en het feit dat ik onderdeel was van een Europees land dat heel anders was dan haar land. Het leven van zowel mijn moeder als dat van mij was doordesemd van afscheid, al vanaf de tijd dat ik drie was en zij me achterliet bij haar ouders in een Soedanees vluchtelingenkamp, om te kunnen gaan werken in Saoedi-Arabië. Zeven jaar later werden we herenigd in Jeddah, om vijf jaar later weer van elkaar te worden gescheiden toen ze mij samen met mijn zeventienjarige broer naar Londen stuurde, uit angst dat we door haar werkgever, een Saoedische prinses, zouden worden teruggestuurd naar oorlogsgebied.

    HOR Eritrea compressed edited
    Vluchtelingen uit Eritrea in het opvangkamp Wad Sharifey, Soedan, vlak bij de grens met Eritrea. – © Getty Images

    Maar nu dreef mijn schrijverschap een wig tussen ons, zoals dat eerder was gebeurd door de oorlog en alles wat had geleid tot ons afscheid. Dezelfde pen die ik scherpte om mijn proza te perfectioneren dreigde nu de band door te snijden die me verbond met mijn moeder. En waarvoor? Vrienden brachten me keer op keer in herinnering dat de mensen die de scepter zwaaien in de Britse uitgeefwereld nooit het werk zouden waarderen of accepteren van iemand zoals ik, iemand die schreef in zijn tweede taal, iemand die een vluchteling was, en zwart.

    Toen begon me te dagen dat ik, door te schrijven in een taal die niet de mijne was, een buitenstaander was binnen de literaire wereld, zoals ik ook een buitenstaander was geweest in alle landen waar ik had gewoond sinds we op mijn tweede waren gevlucht. Ik gaf het schrijven eraan en zocht een baan voor academici. Maar ik hield het niet lang vol, want ik herinnerde me welke rol verhalen hebben gespeeld in mijn leven.

    Er waren geen bibliotheken of boekhandels in het vluchtelingenkamp waar ik van mijn tweede tot mijn tiende heb gezeten. In Saoedi-Arabië, waar ik als tiener woonde, was literatuur praktisch verboden, zodat mijn broer en ik op zoek moesten gaan naar zeldzame, gesmokkelde exemplaren, met alle risico’s van dien. Toen mijn broer en ik als alleenreizende minderjarige asielzoekers naar Londen kwamen, kreeg ik zeventien pond per week van de Engelse overheid, niet eens voldoende om eten van te kunnen kopen, laat staan boeken.

    Door te schrijven in een taal die niet de mijne was, was ik een buitenstaander binnen de literaire wereld

    Als ik terugkijk op mijn reis door letterenland, realiseer ik me dat het altijd een strijd is geweest, dat het nooit een geëffend pad was. Deze strijd heeft me uitgeput, maar ook duidelijk gemaakt welke cruciale rol verhalen hebben gespeeld in het humaniseren van mijn bestaan, terwijl het asielwezen me van mijn waardigheid beroofde. Zonder verhalen zou ik mijn moeder zijn kwijtgeraakt in mijn verbeelding, zoals dat in de werkelijkheid gebeurde toen ze ons achterliet in het vluchtelingenkamp, ik nog een kind.

    Omdat ze niet kon schrijven, sprak mijn moeder haar brieven in op cassettebandjes en stuurde die, evenals een cassettespeler, van Saoedi-Arabië naar Soedan. Op die bandjes beschreef ze haar leven als bediende in het paleis. Door haar beschrijvende manier van vertellen kon ik me een beeld vormen van haar wereld en zo voelde ik me dichter bij haar. Het waren haar woorden die de liefde voor verhalen in me aanwakkerden.

    Dus zette ik me weer aan het schrijven, maar dit keer met de belofte dat ik het anders zou aanpakken in mijn volgende roman. Het deel van mij dat hunkerde naar ouderlijke liefde, hoe abstract ook, beteugelde mijn verlangen naar vrijheid. Ik koos thema’s waarvan ik dacht dat de Eritrese overheid er geen aanstoot aan zou nemen, om niet te worden verbannen uit het land waar ik mijn moeder zou kunnen bezoeken. Ik schreef verhalen die onze cultuur thuis respecteerden.

    Ik koos thema’s waarvan ik dacht dat de Eritrese overheid er geen aanstoot aan zou nemen

    Ik volgde dit behoedzame pad totdat ik op bezoek ging bij iemand in Parijs, niet lang na het gesprek met mijn moeder. In een museumwinkel kocht ik een boek over Degas en zijn serie van een vrouw die naakt baadt met een emmer. Die emmer deed me eraan denken hoe we in vluchtelingenkampen een bad hadden genomen. Het schilderij gaf me een ingeving: een roman schrijven waarin ik met woorden een vrouw in een vluchtelingenkamp zou schilderen. Naaktheid en liefde zouden de kern vormen van mijn nieuwe boek, dat uiteindelijk als titel zou krijgen: Stilte is mijn moedertaal

    Maar ik was nog niet aan het boek begonnen of ik werd overmand door schuldgevoelens. Mijn moeder doemde voor me op, haar woorden galmden in mijn oren: mijn boek zou veel mensen thuis en in de diaspora van streek maken. Mijn moeder ging symbool staan voor censuur. Ik probeerde de vrijheidsinstincten van mijn personages te beteugelen, hun drijfveren politiek correct te maken, een muur op te trekken tussen hun verlangens en mijn pen. Ze werden gevangenen van mijn geweten. In mij voltrok zich een strijd tussen de schrijver en de zoon.

    Overweldigd door dit alles schoof ik mijn roman aan de kant. En toen verhuisde ik in 2009 naar Brussel om daar te gaan samenwonen met mijn Belgische vriendin.

    Mijn vriendin vond een fulltime baan, haalde de banden aan met oude vrienden en maakte nieuwe vrienden op haar werk, en ik voelde me alleen. Ik zocht het gezelschap van dode kunstenaars die doorleefden in mijn boekenkast, kunstenaars die kunst maakten om te provoceren omdat provocatie hun manier was om naar de wereld te kijken, en tevens de manier waarop de wereld naar hén keek. Het leek erop dat ik me voorbereidde op een nieuwe strijd, een nieuwe migratie, dit keer naar een land dat was opgebouwd door kunstenaars en schrijvers in de wolken. De woorden van dode dichters die ik las tijdens mijn slapeloze nachten overspoelden me en ik klampte me eraan vast, als een touw waarlangs ik hun wereld binnen kon klimmen. Illusie ging deel uitmaken van een realiteit waarin mijn verbeelding gedijde. En mijn verbeelding stuurde de roman die was gesitueerd in een Soedanees vluchtelingenkamp in een verontrustende richting. Om hem te kunnen schrijven moest ik de wereld betreden van mijn personages, een wereld zonder de waarden die ik me had eigengemaakt.

    Illusie ging deel uitmaken van een realiteit waarin mijn verbeelding gedijde

    Na afloop van een schrijfsessie ontleende ik geen vreugde aan mijn woorden, vond ik geen voldoening in de zinnen en personages die ik het licht had doen zien. Het was alsof ik misbruik maakte van de mensen thuis wanneer ik in mijn werk bepaalde ideeën uitwerkte. Mijn roman was als een tweesnijdend zwaard, zowel gericht tegen de tradities van mijn eigen mensen omdat ze de waarheid over mijn personages ontkenden, als tegen mezelf omdat ik leugens verkondigde en die presenteerde als de waarheid.

    Maar het schrijven werd een baken, op de manier waarop ons vluchtelingenkamp dat ooit was geweest. Elk woord op de pagina ankerde me, en met elk hoofdstuk kreeg ik meer houvast. Ik had mijn hut gebouwd te midden van mijn personages. Hier was ik geen vluchteling, noch een schandvlek van Europeanen. Hier was ik gewoon een schrijver.

    Schrijvers jagen voortdurend personages de dood in. Ik ben gewend aan bloedeloze afrekeningen met de personages die ik in me draag. Mijn gemoed is een overvol kerkhof. Maar afrekenen met een moeder die artistieke integriteit najaagt is een ander verhaal. Toch zou ik moeten kiezen of ik een zoon wilde zijn of een schrijver. Het kon niet allebei. Niet met dit boek.

    Ik herinner me de nacht waarin ik in mijn verbeelding mijn moeder doodde. In de rouwstoet kreeg ik gezelschap van Tayeb Salih, Pina Bausch, Georges Bataille, Namio Harukawa, Anne Desclos, Zora Neale Hurston en Nawal El Saadawi, die me na afloop naar mijn bureau leidden, waarachter ik naakt plaatsnam, nadat ik alles afgelegd: normen en waarden, oordelen, taboes, gender. Ik werd even androgyn als Hermaphroditus.

    Ten tweede: westerse uitgevers en westerse lezers.

    In Brussel, omgeven door de avant-gardekunstenaars die op mijn boekenplanken prijkten, zette ik me aan het werk. Het ging vloeiend. De woorden bleven maar stromen. Ik was als Pina Bausch die danste in die kleine ruimte van Café Müller, te midden van tafels en stoelen, en hoewel ik tegen al die obstakels op botste en me nu en dan bezeerde, voltooide ik mijn boek. Gebutst maar niet gebroken: geen enkel misdrijf blijft zonder gevolgen, al is het zo surrealistisch als het in gedachten vermoorden van je eigen moeder om de weg vrij te maken voor de verbeelding.

    Toen mijn roman dan eindelijk het licht zag, werd ik geconfronteerd met een andere vorm van censuur – geworteld in de westerse verbeelding. Mijn vrienden hadden gelijk gehad: als niet-witte schrijver genoot ik niet de vrijheid om te schrijven wat ik wilde.

    Op de zin die ik schreef in Stilte is mijn moedertaal, over Saba die masturbeerde op de eerste ochtend nadat ze in het vluchtelingenkamp was aangekomen, werd geschokt gereageerd. Men vroeg zich af waarom iemand die de oorlog is ontvlucht op de eerste ochtend in een kamp zoiets zou doen. Men vond mijn obsessie met lichamelijke intimiteit in een kamp ongeloofwaardig: waar waren de beelden van honger, armoede? Afrikanen mochten niet zo vrij worden afgeschilderd als in mijn boeken, die vol stonden met scènes van masturbatie, orale seks waarbij vrouwen op het gezicht van de ander zaten, omkeringen van genderrollen en travestie. Iemand stelde zelfs voor dat allemaal te schrappen en in plaats daarvan een wit personage ten tonele te voeren, iemand die zowel Saba als haar broer zou redden, in plaats van dat Saba zichzelf zou redden.

    Ik verdedigde mijn recht op dezelfde vrijheid die witte auteurs genoten. Naast het feit dat ik schrijver was, moest ik ook jurist worden. Om kunst met Afrikaanse personages te maken en te publiceren, moest ik een voetsoldaat worden van mijn verbeelding. Het deed pijn om in militaire termen over kunst te denken – maar ik had geen keus als ik mijn verbeelding tot het vrijste land op aarde wilde maken. De grootste vrijheid voor mij als schrijver is dat mijn personages zichzelf kunnen zijn, en dat heb ik ook gezegd tegen de mensen in de uitgeverswereld.

    Het deed pijn om in militaire termen over kunst te denken

    Hun standpunt was duidelijk. Als ik mijn tweede roman wilde verkopen, moest die beantwoorden aan de verwachtingen van een westers lezerspubliek: verwarrende, pijnlijke thema’s dienden te worden geschuwd. Ik moest de setting – een vluchtelingenkamp – afzwakken zodat hij paste bij het beeld van deze lezer. Ik had het gevoel dat mijn verbeelding was geketend aan de verwachtingen van deze denkbeeldige westerse lezer, en dat mijn vrijheid werd ingeperkt door het beeld dat de uitgeverswereld had van die lezer. Ik wist voldoende van echte lezers om te beseffen dat dit een al te eenvoudige voorstelling van zaken was. Was ik niet zelf ook een Europeaan, een westerling?

    Ik benijdde Henry Miller, die een heel boek had geschreven over het seksleven van een witte man in Parijs, en die erom was bejubeld. En evenzeer benijdde ik Pasolini, wiens Italië dat van mij had gekoloniseerd, maar toen hij films maakte met Eritrese acteurs in seksscènes werd hij geprezen, terwijl mij te verstaan werd gegeven dat ik dat voortaan moest laten.

    ‘Onze ideeën vallen evenmin goed in onze eigen cultuur als in Europa,’ zei mijn broer, die ook schrijver is, een keer tegen me. ‘Beide kanten richten hun pijlen op ons.’

    Ik moest denken aan zijn woorden, en aan alle strijd die ik had geleverd sinds ik was gaan schrijven, bij het voltooien van De zieners, een boek geïnspireerd op avantgardistische kunstenaars, een boek dat ik in drie weken had geschreven, terwijl ik vier jaar nodig had om een Engelse uitgever te vinden. Toch liet ik me niet ontmoedigen door de strijd die ik keer op keer moest leveren. Sterker nog, het sterkte me in mijn vastberadenheid om een bijdrage te leveren aan de opkomst van een nieuwe Afrikaans-Europeaanse avant-garde, waarin ieders vrijheid centraal staat, dus ook die van ontheemden die worden gedreven door een hunkering naar liefde en lust. 

    HO Addonia compressed
    Sulaiman Addonia is de zoon van een Ethiopische vader en een Eritrese moeder. De familie Addonia ontvluchtte het oorlogsgeweld in Eritrea na de moord op zijn vader. Ze belandden in 1977 in een vluchtelingenkamp in Soedan en verhuisden later, in 1984, naar Saoedi- Arabië. In 1990 migreerde hij naar Londen, waar hij asiel kreeg. – © De Balie
  • Byung-Chul Han: ‘De woorden die in mijn boeken staan zijn wijzer dan ik’

    Byung-Chul Han: ‘De woorden die in mijn boeken staan zijn wijzer dan ik’

    De onafhankelijke Koreaanse filosoof Byung-Chul Han schrijft weinig, maar publiceert veel over het karakter van deze tijd. Met het essay De vermoeide samenleving bereikte hij meer dan honderdduizend lezers. De meeste tijd besteedt hij aan zijn tuin, of aan de muziek. Aan het trage leven.

    Professor Byung-Chul Han is een 64-jarige man die het leven omgekeerd leeft. Hij is wakker als mensen slapen en gaat naar bed als anderen aan het werk gaan. Hij is er trots op een luie denker te zijn en schrijft slechts drie zinnen per dag. De meeste tijd besteedt hij aan het verzorgen van zijn planten en het spelen van stukken van Bach en Schumann op zijn Steinway. Dat zijn de dingen die er voor hem echt toe doen in het leven.

    Han is geboren in Zuid-Korea, maar woont al 42 jaar in Duitsland. Hij is een ster van de hedendaagse filosofie en werd vooral bekend met een boek dat het karakter van onze tijd schetst: De vermoeide samenleving. Hierin ontleedt hij een maatschappij die totaal opgebrand is, vol uitgeputte mensen die roofbouw op zichzelf plegen en hun vrije tijd benutten met het wegduiken in hun mobiele telefoon.

    Han, toegewijd aan het trage leven, is een ietwat excentrieke man. Hij doet wat hij wil omdat hij dat kan (hij is erg succesvol) en omdat hij deze benadering van het bestaan als politieke daad ziet. De wereld heeft de verkeerde weg gekozen en daarom gaat hij de andere kant op.

    ‘De mens leeft omgekeerd; hij gaat de andere kant op. Dat zegt Simone Weil [de Franse filosoof en auteur van Wachten op God]. Mensen zijn gewelddadig, ze vernietigen het milieu. Geen enkel dier is gewelddadig tegenover de natuur, behalve de mens. Hij verstoort datgene waaraan hij zijn leven te danken heeft. Hoe kun je ontsnappen aan dit leven dat op zijn kop staat? Door omgekeerd te leven.’

    Reclame

    Han heeft ingestemd met een ontmoeting. Het is een regenachtige middag in Berlijn, eind augustus.

    De filosoof heeft net Die Krise der Narration (‘De crisis van het verhaal’) gepubliceerd, een boek waarin hij betoogt dat verhalen tegenwoordig niet meer te onderscheiden zijn van reclame: mensen en politici vermarkten hun leven op sociale media. Het draait allemaal om reclame en zelfpromotie. Hij vergelijkt storytelling met storyselling: communiceren via verhalen versus verkopen via verhalen. Kwaliteit lijkt er niet meer toe te doen, het belangrijkste is het verkopen wat je te bieden hebt. Dat geldt voor iedereen: politici, journalisten, socialemediagebruikers… en het resulteert in veel kleine flarden zonder diepgang. Vandaar de crisis van het verhaal.

    Kwaliteit lijkt er niet meer toe te doen, het belangrijkste is het verkopen wat je te bieden hebt

    Han is een nogal solitaire man. Hij leeft in zijn zelfgecreëerde bubbel en verdeelt zijn tijd over twee huizen: een appartement in het zuidwesten van Berlijn en een huis met een tuin, tussen een meer en een bos. Hij heeft een smartphone – zijn gruwel – die hij nauwelijks gebruikt. Hij neemt zelden op als iemand belt. Hij gebruikt hem, zegt hij, om de planten in zijn tuin correct mee te kunnen classificeren. Hij begeeft zich niet graag onder de mensen en geeft dan ook heel weinig interviews. De laatste keer dat El País hem persoonlijk sprak vóór dit gesprek was in 2014.

    GettyImages 541026699 2
    Grafzerken van de gebroeders Grimm op het Alter St. Matthäus-kerkhof in Berlijn. – © Getty Images

    De ontmoeting met Han vindt plaats op het Alter St. Matthäus-kerkhof, een plek waar Berlijners graag wandelen. Het is een rustige, groene ruimte met eeuwenoude bomen, lange zwarte asfaltpaden en paarse bloemen. De gebroeders Grimm liggen hier begraven. De begraafplaats ligt dicht bij het appartement van Han.

    Zelf kiezen

    Han arriveert ruim een kwartier te laat, in nogal verfomfaaide staat. Hij parkeert zijn zwarte fiets op de parkeerplaats van de begraafplaats, zijn gegroefde voorhoofd bedekt met fijne regendruppels. Zodra hij ons heeft begroet – er is ook een tolk aanwezig, omdat Han liever Duits spreekt – bepaalt hij zonder aarzelen waar het interview zal plaatsvinden: op het terras van het kleine café op de begraafplaats.

    Het begint iets harder te regenen. Een klein, nat tafeltje, een paar veelkleurige stoelen en een wankel regenscherm dat amper de ruimte bestrijkt waar we zitten. We worden allemaal nat, maar het lijkt Han niet te deren.

    Hij bestelt een koffie, steekt een dunne sigaar op en wacht met verbeten uitdrukking op zijn gezicht tot het interview begint. Hij draagt een zwart overhemd, een beige riem en zwarte schoenen. Hij staat met zijn hakken op de achterrand van zijn schoenen, waardoor die in een soort sloffen veranderen. Hij maakt al direct duidelijk dat hij geen zin heeft om vragen over zijn boeken of zijn ideeën te beantwoorden. Zijn boeken spreken voor zich, daarom heeft hij ze geschreven. Ze zijn bedoeld om gelezen te worden, het is niet de bedoeling dat hij er vragen over krijgt.

    Hij zegt dat hij niet onderbroken wil worden; hij wil zijn gedachtengang niet kwijtraken

    Hij voelt zich ongemakkelijk bij de klassieke vorm van vraag en antwoord en neemt de vrijheid om zelf te kiezen waarover hij wil spreken. Hij begint met het geval van grensoverschrijdend gedrag dat Spanje de afgelopen tijd in zijn greep hield: stervoetballer Jenni Hermoso werd tegen haar wil gekust door de voorzitter van de Spaanse voetbalbond, na de winst in de finale van het WK voetbal voor vrouwen.

    ‘Als ik in filosofische zin nadenk over een kus, dan was dat geen kus… want hij [voorzitter Rubiales, die inmiddels is opgestapt] kuste haar en zij kuste hem niet. Dat is geweld. De hele #MeToo-beweging was goed. Terugvechten tegen seksueel geweld is goed. Maar nu is deze beweging tegen seksueel geweld zelf veranderd in geweld. Ze heeft eros vernietigd, ze heeft de verleiding vernietigd. Ik ken veel heel zelfstandige actrices – en ook veel feministen – die de #MeToo-beweging nu afwijzen, omdat die de verleiding vernietigt.’

    Hij zegt dat hij niet onderbroken wil worden; hij wil zijn gedachtengang niet kwijtraken. Dan begint hij over zijn piano’s. Hij vertelt dat hij er drie heeft: een in zijn appartement – de Steinway – en twee Blüthners in het andere huis. Daar tuiniert hij terwijl hij naar Bach luistert – hij is gefascineerd door de Goldbergvariatiaties, waarmee hij zichzelf piano heeft leren spelen – en naar Schumann. Hij houdt van diens Kinderscènes. ‘Ik moet elke dag spelen, anders word ik ziek,’ verzucht hij. ‘Ook als ik reis. Daarom reis ik niet zo veel.’

    Schoorvoetend stemt hij in met het beantwoorden van een vraag over onze samenleving, die het geduld om te luisteren en te vertellen is kwijtgeraakt. ‘Mensen lopen nu met hun oren dicht. Omdat ik geen goede ruimtelijke oriëntatie heb, vraag ik mensen als ik ergens heen ga waar een bepaalde straat is, maar dan blijken hun oren te zijn geblokkeerd door koptelefoons. Ze horen het niet. Dat betekent dat ze afgesloten zijn van de wereld, van de ander. Ze horen alleen zichzelf praten.’

    Sluwheid van het kapitaal

    Volgens Han is het verkeerd om geobsedeerd te zijn door de vrijheid van het individu. ‘Marx zei al: individuele vrijheid is de sluwheid van het kapitaal. We geloven dat we vrij zijn, maar diep van binnen produceren we alleen maar en vergroten we het kapitaal: het kapitaal gebruikt de individuele vrijheid om zich te vermenigvuldigen. Dat betekent dat wij, met onze individuele vrijheid, de voortplantingsorganen van het kapitaal zijn.’ 

    ‘Meer produceren, meer presteren en mezelf optimaliseren tot aan mijn dood… dat is geen vrijheid’

    Dan brengt hij een van zijn belangrijkste ideeën naar voren. ‘Onder prestatie- en productiedwang is vrijheid niet mogelijk. Als ik mezelf dwing om meer te produceren, meer te presteren en mezelf optimaliseer tot aan mijn dood… dan is dat geen vrijheid.’

    Hij zegt dat hij weinig schrijft. ‘Ik ben ontzettend lui. Ik werk meestal in de tuin en speel piano. Daarna zit ik dan misschien een uurtje achter mijn bureau. Misschien schrijf ik drie zinnen per dag, die dan resulteren in een boek. Maar nee, ik probeer niet te schrijven. Ik laat gedachten binnenkomen.’ Hij wacht tot de woorden tot hem komen. ‘De woorden in mijn boeken zijn niet van mij. Ik laat de woorden die mij bezoeken binnen en ik neem ze over. Ik claim geen auteurschap van mijn boeken; daarom zijn de woorden die erin staan ook wijzer dan ik. Daarom zouden mijn boeken geïnterviewd moeten worden, niet ik. Ik ben maar een idioot.’

    Korte zinnen

    Hoewel Byung-Chul Han weinig schrijft, zoals hij zelf zegt, kun je wel vaststellen dat hij veel publiceert. Gemiddeld komt er bijna één boek per jaar van hem uit (in het Duits en in vertaling). Wel gaat het om dunne pamfletten, van negentig tot honderdtwintig pagina’s, die zijn opgebouwd uit zeer korte zinnen. ‘Hij beheerst het genre van het korte essay als geen ander, hij heeft het zelf uitgevonden,’ zegt Raimund Herder, zijn uitgever in Spanje. De in Duitsland geboren uitgever, die nu in Barcelona woont, ontdekte Han in 2010 op de Frankfurter Buchmesse, waar hij een exemplaar van De vermoeide samenleving op de kop tikte. Terwijl van zijn eerdere boeken slechts een paar honderd exemplaren werden verkocht, waren dat er van dit essay meer dan honderdduizend in Latijns-Amerika, Zuid-Korea, Spanje en Italië. In Duitsland, Frankrijk en de Engelstalige wereld was de verkoop evenwel veel lager.

    Grappig genoeg had Raimund Herder Han al eerder ontmoet: in 1988, toen hij filosofie studeerde aan de Universiteit van Freiburg. Hij herinnert zich hem nog goed, tijdens de lessen van professor Gerold Prauss: Han was de Koreaan in de klas ‘die opgewonden sprak’ en veel vragen stelde.

    Han kwam naar Duitsland toen hij 22 was. In Zuid-Korea had hij metallurgie gestudeerd en hij zag zich gedwongen zijn ouders voor te liegen – ‘ze zouden me nooit toestaan filosofie te studeren’ – en te vertellen dat hij naar het buitenland ging om zijn technische studie voort te zetten. ‘Ik heb mijn ouders nooit een boek zien lezen. Ik ben een mutatie. Mijn vader was civiel ingenieur, hij bouwde dammen en metro’s in Korea.’ Duitsland trok hem enorm aan. Op een dag, toen hij zestien was, bracht zijn moeder platen van Bach mee naar huis. ‘Toen ik daarnaar luisterde, ontdekte ik dat Duitsland mijn spirituele thuis was.’

    Han wordt er weleens van beticht te productief te zijn, of steeds weer dezelfde onderwerpen te behandelen

    Hij studeerde ook filosofie in Parijs, een van zijn docenten daar was Jacques Derrida. Maar de denkers aan wie hij echt schatplichtig is, zegt Han, zijn Emmanuel Levinas, Walter Benjamin (die vaak wordt geciteerd in zijn nieuwe boek) en Simone Weil, die nu kennelijk in hem bestaat. ‘Simone Weil is onlangs bij me ingetrokken en praat de hele tijd tegen me. Dat is geen toeval, want ze stierf op 24 augustus, tachtig jaar geleden. Ze leeft nog steeds en ze praat tegen me, ik voer een interne dialoog met haar. Ik voel me de reïncarnatie van Simone Weil.’

    byung chul han 1266722
    © Byung-Chul Han 

    Han wordt er weleens van beticht te productief te zijn, of steeds weer dezelfde onderwerpen te behandelen. Wolfram Eilenberger, essayist en voormalig directeur van de Duitse editie van het tijdschrift Philosophie, zegt dat Han hem doet denken ‘aan een specht die voortdurend tegen een klein stukje van een harde, dunne stam tikt. Hij heeft een thema gevonden en beschikt over een eigen stijl, op basis van een Duits dat hij met prachtige eenvoud gebruikt. Dat gezegd hebbende denk ik dat het tijd is dat hij eens van onderwerp verandert.’

    Nogal stellig

    In een artikel voor het wetenschappelijke tijdschrift Philosophy, in juli 2022, uitte Jesús Zamora Bonilla, een Spaanse hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie, de kritiek dat Hans boeken vaak niet erg argumentatief zijn (ze zijn eerder nogal stellig) en dat ze bestaan uit ‘een opeenvolging van briljante en korte zinnen, die typerender zijn voor literatuur en poëzie dan voor filosofische essays’.

    Han is zich ervan bewust dat hij kritiek krijgt. ‘Ze zeggen dat mijn gedachten en boeken te makkelijk zijn. Maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor Todesarten. Philosophische Untersuchungen zum Tod (‘Soorten overlijden. Filosofisch onderzoek naar de dood’): als je dat leest, ontdek je een ander facet van mijn denken, met heel andere, complexe zinnen.’ Hetzelfde is het geval, zegt hij, bij zijn proefschrift Heideggers Herz (‘Heideggers hart’). ‘In het verleden schreef ik anders. Ik schreef boeken die heel moeilijk te lezen waren, zonder erover na te denken of ze wel begrijpelijk waren. Maar nu is toegankelijkheid voor mij heel belangrijk. De boeken van Slavoj Zizek zijn bijvoorbeeld volstrekt verwarrend. Die van Walter Benjamin zijn absoluut onbegrijpelijk… maar als je ze tien keer leest, begrijp je ze.’

    Na vijftig minuten kletsen begint Han ongedurig te worden. Hij informeert opnieuw naar de fotograaf, die met zijn assistent in de kapel van de begraafplaats zit te schuilen voor de regen. Hij merkt op dat hij graag over het kerkhof wandelt en dat hij dagelijks naar een kerk gaat, niet ver hiervandaan. Hij is een spiritueel man. ‘Ja, ik ben katholiek.’ Omdat hij andersom leeft, gaat hij bidden als mensen uit de mis komen. ‘Het is sneu, als ik naar de kerk ga, zijn er amper tien mensen, het is leeg.’ Hij vertelt dat hij theologie heeft gestudeerd en dat hij ooit nog priester zou kunnen worden. Op de vraag of hij dat nog steeds overweegt, haalt hij zijn schouders op. ‘Ik kan het niet uitsluiten. Ik leef mijn leven omgekeerd. Als mensen de kerk verlaten, ga ik naar binnen.’

    Grappenmaker

    Han brengt een groot deel van de fotoshoot door in gesprek met de assistent van de fotograaf. Hij wil niet poseren, maar laat zich fotograferen terwijl hij praat. We lopen naar de grafstenen van de gebroeders Grimm. Han dwaalt tussen de bomen en voelt aan de bloemen. En net als er een einde aan het interview lijkt te komen, zegt hij dat hij honger heeft. Hij stelt voor dat we gezamenlijk gaan eten in Sale e Tabacchi, een Italiaans restaurant waar hij dol op is. Het is vlak bij het legendarische Checkpoint Charlie, de grenspost tussen de twee Duitslanden tijdens de Koude Oorlog.

    Met een glas wijn in de hand – de recorder is uitgezet – komt Han warmer over. Zijn afstandelijkheid is verdwenen, hij lacht en vermaakt zich. Hij houdt niet van interviews, maar wel van een praatje. Hij is een echte grappenmaker; als er iets lolligs in hem opkomt, herhaalt hij het meerdere keren en lacht hij hoofdschuddend. Ontspannen, afwisselend in het Engels en Frans, haalt hij herinneringen op uit zijn leven. Aan het eind van het diner geeft hij ons desgevraagd toestemming om die eventueel in het artikel op te nemen.

    Terwijl hij van zijn vissoep eet – een van zijn favoriete gerechten – zegt hij dat hij niet van koken houdt en dat hij nooit rundvlees eet. Hij bestelt altijd twee voorgerechten in restaurants en vertelt dat van alle wijnen rioja gran reserva hem het best helpt om in slaap te komen. Maar veel drinkt hij niet – ‘ik ben erg gematigd’ – en hij heeft bovendien een hekel aan het woord ‘genieten’. Hij vertelt ook over zijn liefde voor Italië – hij is met behulp van cd’s Italiaans aan het leren – en zegt dat hij één keer per jaar naar Zuid-Korea reist om zijn moeder te zien. Met zijn broers heeft hij nauwelijks contact; zijn jongere zus studeert compositie.

    De avond valt over het regenachtige Berlijn. De fles raakt leeg. Han vertelt dat hij in Zuid-Korea graag de plekken uit zijn jeugd bezoekt. ‘De geuren daar geven me dat thuisgevoel – een gevoel van veiligheid. Uiteindelijk is dat mijn thuis: thuis is de plek waar je je jeugd hebt doorgebracht. Ik herontdek de geuren uit mijn kindertijd en dat maakt me gelukkig. Maar mijn spirituele thuisland is Duitsland.’

    ‘En wat is er op dit punt in je leven Duits aan jou? En wat is Koreaans?’

    ‘Als je mijn gedachten vergelijkt met een vrucht, dan zijn de schil en het vruchtvlees romantisch Duits. Maar de pit? Nee, die is van een exotische vrucht.’ 

  • Wie weet het beter: de ouder of de grootouder?

    Wie weet het beter: de ouder of de grootouder?

    Ouders en grootouders denken beide zeker te weten wat het beste is voor de (klein)kinderen. Dat leidt tot pijnlijke confrontaties, en niet zelden tot een breuk. Zeg je tegen je moeder: ‘Ik wil niet dezelfde opvoedingsfouten maken als jij vroeger maakte’? Of is het toch beter om je mond te houden?

    Een van de prettigste aspecten van het grootouderschap is dat je door je eigen volwassen kinderen wordt gevraagd om tijd door te brengen met je kleinkinderen. Maar die vraag kent een aantal voorwaarden, en zelfs in de meest liefdevolle families overtreden grootouders die regels regelmatig. Om vele redenen kunnen ze het niet helpen dat ze de grenzen overschrijden, of dat nu komt door ergernis dat hun eigen kinderen hen vertellen wat ze moeten doen, de oprechte overtuiging dat ze meer weten over kinderen opvoeden dan hun eigen kroost of, schrijnender, omdat ze zich verzetten tegen de harde realiteit dat ze te oud zijn geworden om de gekoesterde rol van beslisser in de familie te spelen. Dat kan leiden tot spanningen die een relatie kunnen maken of breken.

    ‘Het voelt steeds meer alsof mijn ouders moeite doen om onze zoon het christendom bij te brengen,’ zegt een 34-jarige redacteur die met haar twee zoontjes in Brooklyn woont. Zij en haar man zijn niet religieus, maar hun oudste zoontje van drie jaar ‘zingt vaak kerkelijke liedjes en zegt dingen als “God heeft ons gemaakt!” en “God let op ons!” als hij terugkomt van een verblijf bij zijn grootouders’.

    In het begin waren deze moeder (die anoniem wil blijven om haar ouders niet te beledigen) en haar man ‘er een beetje van geschrokken’. Maar nu zijn ze alleen lichtelijk verbaasd en soms geamuseerd. ‘Ik denk dat we het allebei wel grappig vinden dat twee agnostische ouders een kind hebben dat “Jezus houdt van mij” loopt te zingen.’

    Conflicten

    Ze wilde de kwestie eigenlijk met haar ouders bespreken, maar wist niet precies hoe ze dat moest aanpakken. ‘Mijn moeder schiet al snel in de verdediging over alles wat met de kinderen te maken heeft. Zelfs als ik probeer zo voorzichtig mogelijk ergens over te beginnen, en niet op een emotioneel moment, komt er veel gedoe van.’ Ze zegt dat dit zich telkens voordoet wanneer ze het ergens niet over eens zijn, bijvoorbeeld als oma haar kleinzoon omkoopt met snoepjes om hem nog een wortel te laten eten. ‘Ik bespreek die dingen nu zelden meer met haar, omdat de risico-batenverhouding nihil is.’

    Haar ouders zijn een heel eind verhuisd om dicht bij de twee kinderen – hun enige kleinkinderen – te kunnen zijn en ze hebben een liefdevolle verhouding met de jongens. ‘Onze levens zijn zo verstrengeld; we zien ze een paar keer per week. Om een moeilijk gesprek te voeren dat leidt tot een paar ongemakkelijke dagen waarin we genegeerd worden – dat is lastig en niet iets wat ik wil riskeren, tenzij het echt belangrijk is.’

    Conflicten tussen ouders en grootouders over wat het beste is voor een kleinkind kunnen variëren van ruzies over junkfood tot meningsverschillen over een pak slaag. Hoeveel grootouders weigeren niet zuigelingen op hun rug te laten slapen, zoals de ouders vragen, omdat baby’s in hun tijd op de buik werden gelegd? Hoeveel grootouders geven hun kleinkinderen toch nog een koekje of een half uur tv-kijken, zelfs als ze weten dat de ouders regels hebben over suiker en schermtijd?

    Vorig jaar ondervroeg de Mott Poll, een project van het C.S. Mott Children’s Hospital van de Universiteit van Michigan, families met tenminste één levende grootouder. Waren ouders en grootouders het soms oneens over wat het beste was voor de kleinkinderen? Ja, zei 43 procent van de ondervraagden, die allemaal ouders waren, geen grootouders. In die groep betroffen de twistpunten onder meer discipline (57 procent), voeding (44 procent), schermtijd (36 procent) en bedtijd (21 procent). (Verrassend genoeg, voor mij tenminste, was slechts 10 procent bezorgd over hoe vaak de grootouders foto’s van hun kleinkinderen op sociale media plaatsten.)

    Ouders denken soms dat klagen over oma’s voedingskeuze de moeite niet waard is, omdat ze zoveel te bieden heeft wat betreft liefde, aandacht, emotionele steun en gratis oppassen. Maar zelfs onuitgesproken conflicten kunnen een wig drijven tussen de twee generaties – reden waarom sommige ouders die ik voor dit verhaal sprak me smeekten om hun naam niet te vermelden, zelfs niet hun voornaam.

    ‘Er is geen goede manier om tegen je moeder te zeggen: “Ik wil niet dezelfde opvoedingsfouten maken die jij hebt gemaakt”’

    Veel ouders denken goed na over hoe ze hun kinderen opvoeden, en zien hierin ook een correctie van hoe ze zelf zijn opgevoed. Zij zien hun opvoedingsstijl als manier om de fouten van hun eigen ouders goed te maken. Dat kan het extra irritant maken als grootouders de regels van de ouders negeren.

    Diverse moeders die ik sprak, herinnerden zich bijvoorbeeld hun eigen onwillige eetgedrag als kind, wat alarmbellen deed afgaan toen ze zagen dat hun moeders dezelfde reactie vertoonden als vroeger, namelijk de kleinkinderen dwingen hun bord leeg te eten of erop aandringen meer te eten dan ze op leken te kunnen.

    ‘Vooral immigrantenmoeders denken dat hoe steviger het kind is, hoe gezonder,’ zei een 37-jarige ondernemer en moeder uit Chicago, wier ouders en familieleden allemaal uit het Midden-Oosten komen. ‘Ik moest een gesprek forceren en zeggen: “Je dwingt mijn kind meer te eten dan het wil; dat kan een ongezonde relatie met voedsel veroorzaken.”’

    Ze probeerde haar zienswijze, en die van haar kinderarts, uit te leggen aan haar moeder en schoonmoeder: dat kinderen gezond voedsel aangeboden moet worden, en dat eten dat na een half uur nog niet op was, moest worden weggehaald. ‘Dat hoorde toen ze ons opvoedden niet bij de cultuur. Ze zeiden dat ze daar nog nooit van hadden gehoord.’

    In plaats daarvan zette haar moeder haar driejarige kleindochter op de grond en voerde haar wel twee uur lang tot het bord leeg was. Dat irriteerde de moeder uit Chicago. Ze probeerde haar moeder uit te leggen waarom twee uur voeren inging tegen wat zij en haar man goed vonden voor hun twee jonge dochters, maar vermoedt dat haar moeder het nooit heeft begrepen. Ze heeft het gevoel dat ze misschien niet streng genoeg is geweest. Maar er ís ook geen goede manier om tegen je moeder te zeggen: ‘Ik wil niet dezelfde opvoedingsfouten maken die jij hebt gemaakt.’

    Karen Fingerman, die de relatie tussen ouders en hun volwassen kinderen bestudeert, is tot de conclusie gekomen dat onenigheid over de opvoeding van kleinkinderen een veelvoorkomend twistpunt is. De moeilijkste situatie is die waarin een grootouder met advies komt over hoe het kleinkind gevoed, gekleed, opgevoed of gedisciplineerd moet worden. ‘Het maakt niet uit wie je ongevraagd advies geeft, niemand vindt dat prettig,’ zei Fingerman, directeur van het Texas Aging & Longevity Center van de Universiteit van Texas, tegen me. Het is voor grootouders een moeilijke gewoonte om af te leren, zei ze. Ze zijn simpelweg gewend om hun volwassen kinderen raad te geven, en dat is al begonnen bij ‘toen de kinderen baby’s waren en je tegen ze zei “Niet aankomen, lieverd”, “Niet de straat oversteken”. Dat is je rol als ouder, je kind vertellen hoe ze iets beter kunnen doen.’

    Wat er moet gebeuren, is iets heel moeilijks – zowel vanuit het perspectief van de ouders als dat van de grootouders. De grootouders moeten leren een stap terug te doen en hun kinderen de beslissingen te laten nemen. En de ouders moeten leren het advies niet zo persoonlijk op te nemen. In het ideale geval, zei Fingerman, ‘zien ze dat hun ouders het niet altijd goed doen, en dat geeft niet’.

    ‘Tegen de tijd dat mensen op de grootouderleeftijd komen, is het heel moeilijk om de manier waarop je met kinderen omgaat te veranderen’

    Door de gesprekken met jonge moeders begon ik me af te vragen hoe ik er in de ogen van mijn dochter zelf als oma afkwam. Over het algemeen zijn we het eens over wat het beste is voor mijn twee kleindochters, van drie en bijna zes. Of dat denk ik tenminste. Maar zou mijn dochter, die 37 is, tegen een journalist gaan klagen over hoe ik altijd toegeef aan de vraag van mijn kleindochters om met hen naar de dollarwinkel in de buurt te gaan? Of dat ik moet lachen als ze een beetje druk zijn tijdens het eten – ze kúnnen heel grappig zijn – in plaats van te zeggen dat ze aan tafel moeten blijven zitten en zich moeten gedragen?

    En zou ik geklaagd hebben over mijn eigen moeder, die me naar mijn gevoel elke keer dat ik mijn baby borstvoeding gaf ondermijnde door te zeggen dat moeders in haar tijd werd verteld dat flesvoeding het beste was? En hoe wist ik trouwens dat ze genoeg melk kreeg?

    Ik heb nooit iets gezegd tegen mijn moeder, hoewel mijn dochter wel een keer tegen míj zei dat de aankopen in de dollarwinkel een beetje overdadig werden. (Ik heb geprobeerd het kalmer aan te doen, en toen kwam de pandemie en haalde ik mijn kleindochters niet meer van school en de dagopvang, waardoor de situatie irrelevant werd.)

    Maar zelfs een gesprek over dat grootouders misschien te ver gaan – als de ouders moedig genoeg zijn om het onderwerp aan te snijden – zou volgens de Mott Poll niet veel helpen. Slechts 43 procent van de respondenten van de enquête klaagde tegenover de grootouders over hun gedrag. Bijna de helft van de grootouders die dat soort gesprekken voerde, nam de bedenkingen van de ouders serieus, en zei dat ze zouden proberen meer hun best te doen – waarna ze volgens de ouders hun leven beterden.

    De andere helft deed dat niet. Ongeveer een derde van de grootouders die te horen kreeg dat ze de regels van de ouders niet volgden, zei dat ze er rekening mee zouden houden. Maar volgens de ouders veranderde er niets. Een verdere 17 procent weigerde botweg hun gedrag te veranderen. ‘Tegen de tijd dat mensen op de grootouderleeftijd komen, is het heel moeilijk om de manier waarop je met kinderen omgaat te veranderen,’ zegt Sarah Clark, mededirecteur van de Mott Poll.

    Comfort en veiligheid

    Naarmate mensen ouder worden, zullen ze waarschijnlijk meer comfort en veiligheid vinden in oude, vertrouwde gewoonten – en in de praktijk van de elementaire kinderzorg is nogal veel veranderd. Bovendien speelt als je voor een kind zorgt waarvan je heel veel houdt, de overtuiging mee dat jouw mening de enige is die telt.

    Maar hoe staat het met die andere grote groep grootouders van de Mott Poll en hun tegenhangers in het echte leven – diegenen wier kinderen wel klachten hebben over hoe ze met de kleinkinderen omgaan, maar ze nooit uitspreken? Hoe moeten de ouders van de redacteur uit Brooklyn weten dat hun dochter en schoonzoon zich ergeren aan de bijbelverhaaltjes voor het slapengaan als die dochter en schoonzoon dat nooit ter sprake brengen? Kijk er eens naar vanuit het standpunt van de grootouders: zij hebben meer ervaring met het opvoeden van kinderen dan hun volwassen kinderen, en ze denken ook dat ze het er vrij goed van afgebracht hebben, omdat ze nooit aanmerkingen hebben gehad van hun volwassen kinderen over de manier waarop ze met de kleinkinderen omgaan.

    Sommige van die kwesties gaan niet alleen over of de kinderen wel of niet televisie mogen kijken tijdens het eten, maar zijn zaken van welzijn en veiligheid waarover niet onderhandeld mag worden: een kinderzitje in de auto op de juiste manier gebruiken, buiten roken, het gebruik van een helm op de fiets. En als grootouders dat soort regels negeren, kan dat leiden tot een uitkomst die slecht is voor beide partijen: beperkte omgang met het kleinkind.

    Toegang beperken

    Dat overkwam Shannon, 32, die vorige zomer op het hoogtepunt van de pandemie in haar thuisstaat Colorado een baby kreeg. Zij en haar man wilden graag dat de grootouders van de baby op kraambezoek kwamen, maar eerst deden ze onderzoek om te bepalen wanneer dat veilig zou zijn. Het echtpaar besloot dat alle vier de grootouders twee maanden zouden moeten wachten voor ze het pasgeboren meisje konden zien, en dat ze eerst twee weken in quarantaine moesten, in een camper of een Airbnb, voor ze het huis in kwamen. Bovendien moesten de grootouders de twee vaccins krijgen die kinderartsen iedereen die vaak in contact komt met een zuigeling aanbevelen: een Tdap-injectie (tegen kinkhoest) en een griepprik.

    De grootouders van moederskant kwamen met hun camper vanuit het Noordwesten en volgden alle regels op. Maar Shannon vertelde me dat de grootouders van vaderskant “niet in de wetenschap geloven”. ‘Covid is in hun ogen geen echt risico. Ze hebben het virus genegeerd, gingen naar restaurants, ontmoetten hun vrienden. Ze weigeren in isolatie te gaan; ze zeggen dat alleen liberalen dat doen.’ Omdat ze niet in quarantaine wilden en zich ook niet lieten vaccineren, waren ze niet welkom. Ze hebben de baby, die nu negen maanden is, nog steeds niet gezien.

    Politieke verschillen met haar schoonouders leidden al voor de geboorte van het kind tot een nogal pijnlijke relatie. ‘We hadden meningsverschillen over klimaatverandering en vaccins, maar die hebben we min of meer achter ons kunnen laten.’ Ze dachten dat de relatie zou verbeteren als ze met de komst van de baby een nieuwe band konden aangaan. Maar toen de grootouders weigerden zich aan de regels van de ouders te houden, verdween iedere hoop op verbetering. En volgens Shannon heeft iedereen daaronder te lijden.

    Ze zei dat ze diepbedroefd is om haar dochter, die ‘had kunnen weten hoe het is om geliefd te worden door alle vier haar grootouders. En het komt niet door Covid; het komt door de politiek.’ En ze is ook bedroefd om haar schoonouders. ‘Ze missen deze hele fase; de baby is hun enige kleinkind en ze kennen haar niet.’ Ze vroegen al jaren om een kleinkind, maar hebben zichzelf min of meer buitengesloten uit haar leven. Nu hebben ze alleen nog een Facetime-relatie.

    De toegang tot kleinkinderen beperken is een extreme reactie, maar niet eens zo zeldzaam

    De toegang tot kleinkinderen beperken is een extreme reactie, maar niet eens zo zeldzaam. Uit de Mott Poll bleek dat, als ouders de moed opbrachten om op tafel te leggen wat hen dwarszat, de onverzettelijke grootouders soms de consequenties onder ogen moesten zien. Als grootouders zeiden dat ze hun leven zouden beteren maar niet echt hun gedrag veranderden, ging 32 procent van de ouders ertoe over om ze minder met de kleinkinderen te laten omgaan. Als grootouders ronduit zeiden dat ze zich niet aan de ouderlijke regels zouden houden, kreeg 42 procent van hen te maken met beperkte toegang.

    Maar de meerderheid van de ouders in de Mott Poll volgde hetzelfde pad als de mensen die ik sprak – het pad dat ook ik volgde toen ik me ergerde aan dingen die mijn eigen moeder zei en die ik ervoer als een scherp oordeel over mijn vaardigheid als moeder. Ze zeiden niets en beperkten ook niet de tijd die de grootouders met de kleinkinderen doorbrachten.

    ‘Het is zo mooi om te zien hoe hun band met mijn kinderen is gegroeid sinds ze hierheen zijn verhuisd,’ zei de moeder uit Brooklyn. In die context is de Jezus-kwestie gewoon ‘iets waarover we ons op het hoofd krabben, maar wat ons er ook toe brengt om dieper na te denken over ons eigen standpunt en de manier waarop we onze kinderen opvoeden’.

    Kortom, ouders vermijden om verschillende redenen conflicten. De gecompliceerde reden is dat er rekening moet worden gehouden met nieuwe gezagsrollen in de familie en gevoeligheden bij het geven van advies over ouderschap. En de simpele reden is de erkenning dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen, ook al komen er soms spanningen bij kijken, uiteindelijk een geschenk is.

  • Hoe legt Zadie Smith straks aan haar kleindochter uit wat er misging?

    Hoe legt Zadie Smith straks aan haar kleindochter uit wat er misging?

    Met hoogzwangere buik stommelde Zadie Smith tijdens Superstorm Sandy in het donker vijftien trappen af om een vriend te mailen over dit nieuwe bewijs van klimaatverandering. Hij behoort tot de ontkenners van het fenomeen; nu de effecten nog te overzien zijn, hebben we de luxe een heimelijk verlangen te koesteren naar de apocalyps. Voor generaties na ons, geldt dit niet.

    Keuze uit ons archief

    In 2014 schreef Zadie Smith deze prachtige klaagzang over klimaatverandering en de achteloze manier waarop we daarmee omgaan. Hoewel het onderwerp een stuk hoger op de agenda is beland, is haar essay nog onverminderd relevant en aangrijpend.

    Dit artikel verscheen eerder op 10 april 2014 in nummer 55 van 360 Magazine.

    Er zijn wetenschappelijke en ideologische termen om te beschrijven wat er met het klimaat gebeurt, maar er zijn nauwelijks persoonlijke woorden voor. Is dat verrassend? Mensen die in de rouw zijn nemen vaak hun toevlucht tot eufemismen, net als wanneer mensen zich schuldig voelen of zich schamen. De mistroostigste van alle eufemismen: ‘Zo gaat dat tegenwoordig.’

    Een prachtige perelaar staat half onder water, verliest zijn greep op de aarde en valt om. De spoorlijn naar Cornwall spoelt weg; zo gaat dat tegenwoordig. We kunnen maar beter vergeten hoe het vroeger ging; de manier waarop de seizoenen elkaar opvolgden, met een ingetogen charme die alleen de dichters waardeerden. ‘Vroeger’ is een pijnlijke herinnering.

    Proberen het stokje van een nog niet aangestoken vuurpijl in de koude, droge grond steken. De rijp op de besjes van de hulst bewonderen, onderweg naar school. Op tweede kerstdag een lange, verkwikkende wandeling maken in de winterse pracht. Voetbalgras dat knispert onder je voeten. Een beetje zon op Pancake Day en nog wat meer zon bij de paardenrennen van de Grand National. Koude regenbuien in april, de warmte van Wimbledon. Bruiloften in juli omdat het dan mooi weer is. De kleine kans om op het Glastonbury Festival wat zon te vangen. Nou ja, zeggen we tegen elkaar, in ieder geval is het nu in augustus nog stralend weer. En het is fijn voor de Schotten dat ze wat warmer weer krijgen als ze in september [2014; uiteindelijk stemde 55,3% tegen] onafhankelijk worden.

    De Theems is al generaties lang niet meer dichtgevroren, en de droom van een witte kerst is een dickensiaanse hersenschim

    Misschien wennen we nog wel aan dat nieuwe Engeland en vinden we het net als de jongeren en de verse immigranten vanzelfsprekend dat het in april tijd is voor de korte broek en sandalen, of dat het nieuwe jaar zich aankondigt met een Bijbelse zondvloed. Vlinders verschijnen op voor hen nieuw terrein, vogels komen eerder en vertrekken later – dat is misschien juist wel interessant, en nieuw, niet noodzakelijkerwijs slecht.

    Misschien herinneren we ons het verleden verkeerd! De Theems is al generaties lang niet meer dichtgevroren, en de droom van een witte kerst is alleen maar een collectieve dickensiaanse hersenschim. En is dit trouwens niet altijd al een nat land geweest?

    Zijwegen

    Het is verbazingwekkend hoeveel zijwegen je in kunt slaan als je de vierbaanssnelweg wilt vermijden. Engeland is nooit zo nat geweest als onze beroemde romans suggereren of onze neven in Amerika denken. Het weer is veranderd, verandert nog steeds en daarmee raken allerlei ogenschijnlijk kleine dingetjes – los van treinsporen en huizen, bestaansmiddelen en mensenlevens – verloren. Het was makkelijk om ervan uit te gaan dat er in een hoekje van een of andere Londense tuin altijd wel een egel was die we konden oppakken zodat we onze kinderen konden laten zien hoe hij zich in onze handen ontrolde – of dat we als we gingen picknicken dikke hommels over de rand van een open jampotje konden zien kruipen.

    Ieder land heeft zo zijn eigen versie van deze lokale treurnis. (En ieder land heeft zijn eigen discussie over wat de oorzaken zijn van het verlies. Klimaatverandering of auto’s? Klimaatverandering of gsm­-masten?) Maar het is niet wenselijk dat je de kleine verliezen vermeldt, ze lijken eigenlijk het vermelden niet waard – niet wanneer je ze vergelijkt met de apocalyptische visioenen van klimaatwetenschappers en filmregisseurs. En dan zijn er aan de andere kant de mensen die vinden dat er helemaal niets aan de hand is.

    Het valt niet mee om voortdurend de apocalyps in het achterhoofd te houden, vooral als je ’s morgens ook nog je bed uit wilt komen

    Hoewel er vele bittere woorden zijn gevallen over de kinderlijke reactie van het publiek op de aanstaande noodsituatie, lijkt me die reactie niet erg verrassend. Het valt niet mee om voortdurend de apocalyps in het achterhoofd te houden, vooral als je ’s morgens ook nog je bed uit wilt komen.

    Het probleem is dat er geen rekening mee wordt gehouden dat onze reactie grotendeels emotioneel bepaald is. Als dat niet zo was, zou het hele debat er anders uitzien. We kunnen ons bijvoorbeeld heel makkelijk een wereld voorstellen waarin de ontkenners geen ontkenners zijn, maar gewoon meedogenloze pragmatici, het soort mensen dat zegt: ‘Ik begrijp heel goed wat er gaat gebeuren, maar ik maak me geen zorgen om mijn kleinkinderen; ik maak me zorgen om mezelf, mijn aandeelhouders en de Chinese concurrentie.’ Er zijn inderdaad enkele mensen die zoiets zeggen, maar niet zo veel als je zou verwachten. Een andere reactie die voor de hand zou liggen is een die voortkomt uit een religieus gevoed milieubewustzijn, want van diegenen die het land als een prachtig geschenk van de Heer zien, kun je verwachten dat ze dat cadeau het fanatiekst verdedigen. Er zitten er wel een paar tussen die inderdaad zo argumenteren, maar ook daarvoor geldt dat het er minder zijn dan ik had verwacht.

    Soortschaamte

    Hoe het nu gaat is dat het bewijsmateriaal ‘geloofd’ of ‘ontkend’ wordt, alsof de wetenschappelijke artikelen lutherse geloofsstellingen zijn die aan een deur zijn vastgespijkerd. In Amerika is er zelfs een merkwaardige uitweg gevonden in de hiërarchie van Gods schepping. De redenering is dat omdat Hij mensen plaatst boven ‘dingen’ (boven dieren en planten en de zee), we met een gerust geweten al die dingen naar de verdommenis kunnen laten gaan.

    Maar volgens mij is het niet alleen uit domheid dat we van een gewetenszaak een geloofszaak hebben gemaakt. Geloof heeft gewoonlijk een emotionele component; het is verhuld verlangen. Natuurlijk komt aan de kant van onze leiders veel van de politisering voort uit kwade trouw, cynisme en economische motieven, maar wij gewone burgers worden gedreven door het verlangen naar onschuld. Want beide partijen zijn vol schuld, vol zelfhaat – wat Martin Amis ooit ‘soortschaamte’ heeft genoemd –, en die projecteren we op de buitenwereld. Daardoor wordt het vuur in onze discussies aangewakkerd.

    Tijdens de Superstorm Sandy ben ik met mijn enkele maanden zwangere lijf in het donker vijftien trappen af gelopen, alleen omdat ik dan wifi­bereik had en een klimaatverandering ontkennende kennis kon e-­mailen over dit nieuwe bewijs van zijn stupiditeit.

    Er is alleen een ‘polaire vortex’ voor nodig – een ijskoude luchtstroom die zorgt voor lagere temperaturen – om je inbox vol te krijgen met vrolijke verhalen over rechts georiënteerde familieleden – alsof het maar een spel is, waarbij het er alleen om draait of je dwaze oom in Florida ‘paniekzaaier’ dan wel ‘realist’ is. Terwijl in Jamaica, waar Sandy voor het eerst aan land kwam, de steeds vaker voorkomende tropische depressies, stormen, orkanen, aardverschuivingen en droogte voor de inwoners geen aanleiding is voor een ontologisch debat.

    Weg, weg, weg. Maar nog niet helemaal

    Zing een klaaglied voor al het weggespoelde! Voor de levenscycli, voor de zoutwatermoerassen, de huizen, de mensen – hele eilanden vol mensen. Weg, weg, weg. Maar nog niet helemaal. De apocalyps wordt voor het gemak altijd in de toekomst gesitueerd tenzij je toevallig op Mauritius, Jamaica of op een van de vele andere gevaarlijke plekken woont. Volgens recente rapporten zou, ‘als de mondiale emissie van broeikasgassen onveranderd doorgaat’, de toestand rond 2050 echt ernstig worden, vlak voor de zevende verjaardag van mijn kleindochter. (Toekomstige kleinkinderen worden er in dergelijke klaagzangen vaak bijgehaald.)

    Soms is deze zich mondiaal herhalende klaagzang zo intens triest – en zo losstaand van elke poging tot zinnig handelen – dat je in die klaagzangers een fatalistisch links bewustzijn herkent, waarin, als je goed kijkt, een even pervers verlangen naar de apocalyps schuilt als in de door ons zogenaamd zo verachte godsdienstfanaten.

    De laatste tijd zag je beide kanten iets meer oor hebben voor de optimistische argumenten van de technocraten. Op de een of andere manier praten we minder over bestrijden en omkeren en discussiëren we vaker over CO₂­afvang en ­opslag, hogere zeeweringen, zonnecollectoren op het dak en andere maatregelen tegen naderend onheil. Beide kanten vinden elkaar in het falen. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Ja, misschien hadden we enige tijd geleden het debat anders moeten voeren, maar nu is het te laat, nu moeten we roeien met de riemen die we nog hebben.’

    Kleindochter

    Dat zal mijn kleindochtertje van zeven vast heel eigenaardig vinden. Ik verwacht niet dat ze me vergeeft, maar het zou nuttig voor haar kunnen zijn om enig zicht te hebben in die manier van denken, om er iets van te kunnen begrijpen. Wat zal ik haar vertellen? Haar onderwijzers zullen haar al hebben uitgelegd dat wat er in 2014 met het weer gebeurde financieel en politiek gezien een ongemakkelijke waarheid was – maar dat is zelfs nu al overduidelijk. Als mensen mondiaal in beweging waren gekomen zou het misschien op de politieke agenda terecht zijn gekomen, ongeacht de kosten.

    Dus zal ze willen weten waarom het zo lang duurde voordat zo’n mondiale beweging van de grond kwam. Wellicht zal ik tegen haar zeggen: ‘Je moet goed begrijpen dat we net een eeuw van relativisme en deconstructie achter de rug hadden, waarin we te horen hadden gekregen dat onze dierbaarste principes ofwel twijfelachtig waren ofwel gewoonweg berusten op wensdenken, en op vele terreinen van ons leven werd al van ons gevraagd te accepteren dat niets van wezenlijk belang is en dat alles verandert. Dit had ons een beetje de vechtlust ontnomen.

    Daarbij is het ook belangrijk om te realiseren dat onze noodzakelijke levensvoorwaarden – de dingen die ons onvermijdelijk lijken – niet alleen door fysici en filosofen worden bediscussieerd, maar ook, irrationeel, bestaan in de hoofden van de rest van ons, op subintellectueel niveau misschien, maar we ervaren ze toch als vaststaande feiten.

    Het klimaat was een van die feiten. We dachten niet dat dat kon veranderen. Dat wil zeggen, we wisten altijd wel dat we onze planeet aardig wat schade konden toebrengen, maar zelfs degenen met de meeste hybris hadden niet gedacht dat we ooit in staat zouden zijn om het ritme en karakter ervan fundamenteel te kunnen beïnvloeden, zoals een kind dat de hele dag naar haar vader heeft gegild toch niet verwacht dat hij op de keukenvloer gaat liggen huilen.’

    Denkt u dat ik me daarmee vrijpleit bij mijn (ietwat irritante en kritische) toekomstige kleindochter? Ik maak me sterk.

    De verschrikkelijke waarheid is dat we ons van oudsher intens aangetrokken voelen tot de apocalyps

    Wat hebben we gedaan! Het is een Bijbelse vraag en we lijken niet in staat om te ontsnappen uit de vertrouwde – wezenlijk religieuze – cyclus van schaamte, ontkenning en zelfkastijding. Daarom (zo zal ik mijn kleindochter uitleggen) hielpen die apocalyptische scenario’s niet: de verschrikkelijke waarheid is dat we ons van oudsher intens aangetrokken voelen tot de apocalyps. Uiteindelijk kon ons denken pas echt op het juiste spoor worden gezet door het verlies van de vertrouwde dingen waar we zo van hielden.

    Zoals toen de seizoenen op ons geliefde eiland veranderden, of toen de lichten uitgingen op de vijftiende verdieping, of de dag waarop ik begin juli samen met de eigenaresse, een vrouw van over de tachtig, haar tuin in liep en bij het zien van de verschroeide gele aarde en de verwelkte rozen en het horen van wat alleen echt oude mensen durven te bekennen – ‘zoiets heb ik mijn hele leven nog niet gezien’ – eindelijk mijn klaagzangen staakte over ‘Wat hebben we gedaan?’ en overging tot het praktische ‘Wat kunnen we doen?’

  • Het zwarte lichaam. Teju Cole in de voetsporen van Baldwin

    Het zwarte lichaam. Teju Cole in de voetsporen van Baldwin

    De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt hetzelfde Zwitserse bergdorp als James Baldwin in de jaren vijftig. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun beider thuisland ook zo veel veranderd?

    Dit artikel verscheen eerder op 9 september 2016 in 360 Magazine #105.

    Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis.

    Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.

    Grappig en treurig

    James Baldwin verliet in 1951 voor het eerst Parijs om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn.

    Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht.

    ‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig wit dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.

    Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie

    Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.

    Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing’. Ze zou over een trombone kunnen zingen.

    En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.

    Geen bezienswaardigheid

    ‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.

    Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.
    (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’)

    Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’

    ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin

    Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden wit – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.

    Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren. Dit was de grootste verandering van allemaal.

    Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en omhuld door een onsterfelijk blauw.

    Genetische verwantschap

    In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’

    Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.

    Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach te voorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’

    Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.

    Sterren

    Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.

    Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen.

    In A Question of Identity (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’

    leukerbad valais alps of switzerland 6de45c 1024
    Leukerbad, Zwitserland.

    De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis.

    En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’.

    We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.

    Kwestie van afstamming

    Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.

    Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij er buiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):

    ‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’

    De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.

    Fundamentele emoties

    Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige witten, net zoals sommige witten meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de witte superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.

    Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “wit” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’

    En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft.

    Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’

    Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de witte superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van witte superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.

    Amerikaans racisme

    Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws.

    De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had.

    De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metro-treinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen.

    Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.

    Prachtig dier

    Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.

    William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’

    Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid.

    Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep.

    Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.

    Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor

    Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en witten konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel wit Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost witten een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben.

    Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?

    Dit was een voorpublicatie uit de essaybundel ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ van Teju Cole, De Bezige Bij.

  • ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk over wat haar moedertaal, het Pools, voor haar betekent. Of is het vadertaal? ‘Met het masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad.’

    De bewustwording van de eigen taal, met haar voordelen en gunsten maar ook haar beperkingen en rariteiten, lijkt op een langdurig psychoanalytisch proces. Dat is de bagage die door ons, schrijvers, wordt gedragen. Ze is niet afhankelijk van onze schuld of verdienste, maar ze spruit voort uit dezelfde bron die ons ooit tot een bepaalde plek, tijd of levensvorm heeft gebracht.

    Zo beschouwd, is de taal een literair fatum. Binnen in de taal kunnen wij slechts tot op bepaalde hoogte onszelf zijn (en ‘onszelf zijn’ schijnt een belangrijk beginsel van onze cultuur te vormen). Grotendeels zijn wij afhankelijk van iets machtigers waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen.

    Het is dus niet verwonderlijk dat filosofen uiteindelijk God, het bestaan, ‘waarom iets in plaats van niets’ achter zich hebben gelaten en zich met de taal gingen bezighouden.

    Vaak maken schrijvers de fout om de taal als een eigen territorium te beschouwen; een oeroceaan waaruit onze individuele gedachten komen zoals de eerste aminozuren. Maar het blijkt dat de meridiaan van de taal al buiten onze invloed was vastgesteld.
    In de taal is men gegooid.

    Zo ben ik in het Pools gegooid. Ik ben geboren en opgegroeid in het westen van Polen, in een mengeling van culturen en dialecten; in gebieden die pas na de Tweede Wereldoorlog bij de rest van het land zijn gaan behoren. Maar volgens linguïsten spreken wij daar in Laag-Silezië, in die smeltkroes van culturen, een voorbeeldig Pools.

    Ik spreek geen dialect en ik heb geen accent. Ik beheers geen enkele vreemde taal goed genoeg om haar voor mijn literatuur te gebruiken. Ik ben eentalig. In een andere taal schrijven, zou ik niet kunnen. Ik kan in twee buitenlandse talen communiceren, maar deze
    communicatie is vereenvoudigd en verloopt moeizaam.

    Patchworktaal

    In het Bureau International des Poids et des Mesures in Sèvres, bij Parijs, met zijn verzameling sjablonen en proto-types, zou ik kunnen fungeren als het voorbeeld van een perfect Poolssprekende. Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools. Een objectief standpunt is dat niet.

    Het Pools behoort tot de grote groep van Slavische talen en vanzelfsprekend ook tot de Indo-Europese talen. Geschreven Pools begon zich relatief laat te vormen, vanaf de twaalfde eeuw. Daarbij speelde de rooms-katholieke kerstening van Polen een belangrijke rol. Het Pools heeft het Latijnse alfabet aangenomen (in tegenstelling tot sommige andere Slavische talen zoals het Russisch of het Bulgaars, die op het Griekse alfabet zijn gebaseerd).

    Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools

    Pas in 1270, in de Księga Henrykowska, een register van kerkelijke bezittingen, nota bene opgemaakt in Laag-Silezië, werd de eerste zin in het Pools geschreven. De context is bijzonder interessant. De Latijnse tekst verhaalt over een man, een zeker Boguchwała, die – wat voor zijn tijdgenoten zeer vreemd moet zijn geweest – zijn vrouw hielp om graan te malen. Aan deze man wordt die beroemde eerste Poolse zin toegeschreven: Day ut ia pobrusa, a ti poziwai. Vertaald naar hedendaags Pools betekent dat: ‘Laat mij maar doen, en jij rust.’

    De geografische ligging van Polen, tussen sterke buren, in het hart van Europa, in de nabijheid van verschillende culturen: dat alles beïnvloedde het lexicon sterk. Het is buitengewoon, maar zeventig procent van de Poolse woorden hebben vreemde wortels.

    Het Pools is dus een samengestelde taal, een patchworktaal, melting pot en mélange. Alles wat wij met onze buren deelden – de gevoerde oorlogen, reizen, trends en fascinaties – leidde tot verdere expansie van deze vreemde talen in het Pools. Aan de Duitsers danken wij een rijke technische woordenschat. Alle nieuwigheden kwamen van deze buren uit het westen.

    Maar met hen hadden wij ook veel problemen. Duitse pioniers in Polen behoorden altijd tot een sterke, welvarende en goed georganiseerde gemeenschap. In de zestiende eeuw was tachtig procent van de burgerij in Kraków van Duitse afkomst. Om de deloyale samenzweerders te ontmaskeren, bedacht de Poolse koning een taaltest. Elke inwoner van Kraków moest zonder problemen moeilijke Poolse woordjes uitspreken zoals: soczewica, koło, miele młyn (‘linzen’, ‘wiel’, ‘de molen maalt’). Wie daarin niet slaagde, werd gestraft.

    pawel czerwinski 2k9w3bJT jk unsplash
    Een muurschildering van Luca Zamoc in de Poolse stad Swidnica, ter ere van het Punkt Zero Festival. Het kunstwerk is gebaseerd op een oude Poolse legende waarin een griffioen de inwoners van een dorpje belaagt. Zijn ogen zijn zo giftig dat één blik genoeg is om iemand te doden. De koning stuurt een gevangene bewapend met een spiegel op de griffioen af, om het beest te doden met zijn eigen reflectie.
    – © Pawel Czerwinski / Unsplash

    Leentjebuur

    Met de komst van de Italiaanse koningin Bona, de vrouw van de zestiende-eeuwse Poolse koning Zygmunt III de Oude, belandden in het Pools plots veel Italiaanse woorden, vooral uit vakgebieden zoals de architectuur, muziek, het militaire apparaat en, bovenal, uit het culinaire domein. In de zeventiende eeuw was er dan weer een invasie van het Frans. De invloed van het Russisch en de andere oosterse talen was ook niet te onderschatten. Turks en Hongaars: ook bij die talen speelden wij leentjebuur. Uit het Latijn sijpelden abstracte en religieuze woorden door.

    In de vijftiende en zestiende eeuw was het Tsjechisch een heel populaire taal in Polen. Tsjechisch spreken was een keurmerk voor een hoge sociale positie. In de negentiende eeuw verdween Polen, verdeeld als het was tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, volledig van de kaart van Europa. Er was toen sprake van intensieve en actieve germanisering en russificatie van de Poolse bevolking. En tegenwoordig kennen wij in Polen – zoals overal – een Engels offensief.

    Ik hou van die openheid van het Pools voor vreemde woorden. De puurheid van het Pools is zeker niet in gevaar – in onze bizarre mengeling worden zelfs de vreemdste woorden vermalen door de Poolse grammatica; ze krijgen eigenaardige uitgangen en worden in het keurslijf van de Poolse verbuigingen geperst. Het Pools zuigt woorden aan uit de hele wereld; het Pools is een taal met een eeuwige honger.

    In de lange jaren van leven en lijden onder drie agressors vervulde deze patchworktaal een bijzondere en paradoxale rol: zij was een erfstuk van onze nationale identiteit. De enige schatkist van de Poolse cultuur was toen de literatuur. Men streed voor het Pools, men stierf voor het Pools.

    Vertalers

    Vertalers zijn voor schrijvers zoals psychoanalytici: ze stellen de meest verbazingwekkende vragen. Het zou goed zijn om die vragen te noteren, te bewaren en uit te geven. Zo zouden lezers de zware taak van schrijver en vertaler beter leren te appreciëren en het fenomeen van de taal meer bewonderen. Dankzij vertalers ben ik zaken die voor mij vroeger vanzelfsprekend waren, totaal anders gaan bekijken. Vertalers hebben mij attent gemaakt op enkele eigenschappen van het Pools die ik hier probeer te beschrijven. Dezelfde vragen merk ik bij buitenlanders die opeens besluiten Pools te leren. Deze moedige mensen beklagen zich er vaak over dat de Poolse grammatica bijna volledig op uitzonderingen is gebouwd: elke regel staat met een groot aantal uitzonderingen machteloos in de strijd. Dat klopt.

    Pools is traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien

    Het Pools leer je beter door intuïtie, of je leert de taal gewoon uit het hoofd. Onze taal vindt het belangrijk om zo dicht mogelijk tegen tradities en historiciteit aan te schurken. Het is een taalmuseum vol fossielen dat niet gehoorzaamt aan de eenvoudige eisen van pragmatiek. De ingewikkelde vervoegen en verbuigingen werken niet alleen in op de uitgangen, maar veranderen vaak ook de stam van een woord. Ook de buitenlander die het Pools prima beheerst, wordt ontmaskerd zodra hij de verschillende varianten van de verleden tijd moet hanteren.

    De Poolse spelling kent verschillende schrijfwijzen voor een en dezelfde klank. Dat is een erfenis uit het verleden waarin ook de uitspraak van die klanken anders was. In de geschreven taal zijn die mutaties dus bewaard.
    Een angstvisioen voor elke scholier.

    Het Pools is logisch noch pragmatisch. De grammatica is veeleisend, soms gek, de schrijfwijze moeilijk. Om niet logisch verklaarbare (waarschijnlijk sentimentele) redenen houdt het Pools vast aan aloude grammaticale vormen.

    Pools is ook traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien. Het Pools is drie geslachten rijk, maar het mannelijke is het meest bevoorrecht. Mannelijke substantieven hebben andere verbuigingen dan vrouwelijke en onzijdige woorden. Wanneer het over mannen gaat, zeggen wij poszli, ‘zij gingen weg’. Over vrouwen zeggen wij poszły. Maar wanneer de groep gemengd is, hanteren wij per definitie de mannelijke versie poszli. Die regel is ook van toepassing als de groep bestaat uit, zeg maar, zestig vrouwen en één man. Zijn aanwezigheid is dus beslissend voor de hele groep.

    Wanneer wij praten of schrijven over ‘de mens’ in het algemeen, dan sluiten wij vrouwen (en kinderen) grammaticaal uit. Die patriarchale attitude wordt ook weerspiegeld in de naamgeving van beroepen. Vrouwelijke beroepsnamen klinken in het Pools dikwijls kleinerend, geven een minder professionele indruk en drukken onderwaardering uit. Kijk naar de vrouwelijke professor: profesorka. Dat klinkt als een mannelijke miniprofessor: profesorek.

    Geen ontsnappen aan

    Met dat masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad. Men kan immers het geslacht van de schrijvende niet verbergen als men in de tekst de eerste persoon wil gebruiken. Voorts is het geslacht onmiddellijk zichtbaar in werkwoorden in de verleden tijd, net zoals het steeds in de vorm van adjectieven wordt ontmaskerd. Daar is geen ontsnappen aan.

    De vertaalster van de Britse schrijfster Jeanette Winterson had echt een probleem – in de originele tekst was het geslacht van de verteller volledig verborgen, door een consequent gebruik van de eerste persoon tegenwoordige tijd. En dat was nu net de essentie van de roman. In de Poolse vertaling was een dergelijke maskering van het geslacht onmogelijk. Na een arbitraire beslissing kreeg de verteller in de Poolse vertaling het vrouwelijke geslacht. Terloops wil ik eraan toevoegen dat er in het Pools geen ‘moedertaal’ bestaat maar wel een język ojczysty – een ‘vadertaal’.

    Het grote grammaticale potentieel van het Pools (en ook van de andere Slavische talen) maakt het mogelijk om verschillende vormen van verkleinwoorden te gebruiken. Ideaal voor taalspelletjes. Voor mij zijn verkleinwoorden een bron van warmte in de woordenschat, een categorie die in taalkundige handboeken afwezig blijft. Dankzij de kunde om alles te verkleinen, werd de wereld gezelliger en veiliger. Geen enkele Pool is verbaasd over de liedjestekst over een soldaat die naar een ‘oorlogje’ gaat met zijn ‘sabeltje’ op zijn lief ‘paardje’. Er zijn talrijke manieren om namen te verkleinen – en alle voornamen, substantieven en adjectieven zijn daartoe geschikt.

    Veeltalig land

    Tot de Tweede Wereldoorlog was Polen een multicultureel en veeltalig land. Het meest creatieve Pools was te vinden op de ontmoetingsplaats tussen de verschillende talen, esthetische belevingsvormen en mentaliteiten. Het mag geen toeval heten dat de grootmeesters van de Poolse taal vaak uit de rafelige randen van het taalgebied kwamen: het fascinerende en originele proza van Bruno Schulz, dat ontstond op de grens van drie culturen: de Poolse, Joodse en Oekraïense; de beeldende en rijke poëzie van Czesław Miłosz van de regio rond het toen Poolse maar nu Litouwse Vilnius, en de absoluut sprookjesachtige en helaas onvertaalbare taal van de Joods-Poolse dichters Bolesław Leśmian en Julian Tuwim.

    Het Pools… Elastisch, beeldend, ambigu, traditioneel en grammaticaal onvoorspelbaar. Meer in dienst van de intuïtie dan van de logos, meer geschikt voor poëzie dan voor wetenschappelijke dissertaties. Ik heb de indruk dat deze taal zich niet zo goed voelt in het intellectuele discours noch in het realistische lineaire verhaal. Ze prefereert open vormen met meerduidige betekenissen. Ze is gevoelig voor het absurde en groteske en verzandt gemakkelijk in pathetiek. Het is niet verwonderlijk dat Polen prat gaat op een beroemde en bejubelde poëzie. In het Pools kan de taalgebruiker zich veel veroorloven. Deze taalimpressionist, getalenteerd in sfeerbeschrijving, emotie, associatie en beelden, geeft van de wereld veeleer een schets dan een descriptie.

    Naar het schijnt, beweerde Flaubert dat een fiasco dreigt voor een taal die zich onledig houdt met de schepping van beelden en sferen: op dat moment verliest de taal zichzelf en verglijdt ze in anachronisme. Ik ben het daar niet mee eens. De schepping van een alternatieve wereld is net het machtigste kenmerk van de taal. Als een illusionist tovert ze onvoorstelbare dingen uit de hoge hoed. Het Pools is voor mij een archaïsche taal en is een equivalent van de onverdeelde wereld van de tijd toen de hele realiteit coherent en zintuiglijk leek, toen alles meer op de intuïtie gebaseerd was en het ‘wat’ belangrijker was dan het ‘hoe’. De taal is voor mij, zoals in die Oosterse metafoor, de vinger die naar de maan wijst.

    Ik vraag mij af in welke mate mijn gevoeligheid, perceptie en denken door deze moeilijke en weinig precieze maar zeer beeldende taal vorm zijn gegeven. In mijn werk zijn elementen als aanvoelen, sfeer, verborgen onrust onder de alledaagse werkelijkheid belangrijke bouwstenen. Zou ik ze ooit kunnen beschrijven in een vreemde taal? Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn literaire fatum.

    Paradoxaal genoeg behoort het Pools tot de zogenaamde groep van de kleine talen, hoewel er zo’n vijftig miljoen mensen zijn, als je de Poolse diaspora meetelt, die Pools spreken. Pools is een lokale en marginale taal, die bovendien heel moeilijk is en daarom veel mensen afschrikt. Het voordeel van ‘kleine’ talen is – zeker als je de grote kent – de mogelijkheid van escapisme uit de communicatie naar een eigen ondoordringbaar asiel. Zo heb ik me indertijd op de grote luchthavens ter wereld dikwijls in het Pools verborgen, er zeker van zijnde dat er niemand was die ons, Poolssprekenden, kon begrijpen.

    Vandaag ligt dat anders. De Poolse exodus van de jongste jaren verspreidt het Pools overal in de wereld. Maar ik denk niet dat veel buitenlanders het Pools zullen oppikken. Veeleer zullen wij, Polen, flink Engels studeren en ons via die weg laten horen in de wereld van vreemde talen. De schattige verkleinwoorden blijven intussen als evenzovele grenspalen de contouren van Polen bepalen, met een Pools ‘koffietje’ met ‘melkje’ in een ‘restaurantje’. Of zelfs bij een vrolijk ‘ticketcontroletje’.

    Dit essay is gepubliceerd in Overeind in Babel. Talen in Europa, onder redactie van Luc Devoldere. In dit boek schrijven zestien auteurs uit Europa over hun eigen taal en alle andere talen in hun leven. Met bijdragen van Ahmet Altan, Zoran Ancevski, Bernardo Atxaga, Abdelkader Benali, Paul Binding, Adriaan van Dis, Peer Hultberg, Leena Krohn, Caroline Lamarche, Claudio Magris, Antonio Munoz Molina, Ines Pedrosa, Kornelijus Platelis, Albertina Soepboer, Olga Tokarczuk en Marint Walser.

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • Aantekeningen van een extreem lang iemand

    Aantekeningen van een extreem lang iemand

    New York Times-journalist Nicholas Kulish is voor Amerikaanse begrippen uitzonderlijk lang. In een essay voor de website Topic beschrijft hij hoe dit zijn identiteit heeft gevormd.

    Ik was altijd een beetje huiverig voor Dick de Dwerg. In mijn favoriete bar in Hongkong, The Globe, noemde iedereen hem accountant Dick als hij in de buurt was, aangezien hij de boekhouding van de bar deed, maar hij had zijn hielen nog niet gelicht of we hadden het over Dick de Dwerg omdat hij klein was. Ik was huiverig voor Dick de Dwerg omdat ik, op mijn tweeëntwintigste, net mijn volwassen lengte had bereikt: iets meer dan twee meter. Ik ging ervan uit dat hij dat pijnlijk zou vinden. Dus toen hij op de barkruk naast me kwam zitten, me van top tot teen opnam en zei: ‘Lijkt me lastig, zo lang zijn,’ dacht ik dat hij me in de maling nam. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik aarzelend. ‘Je kunt geen schoenen vinden. Je kunt geen broek vinden. Vliegen moet een nachtmerrie zijn.’ ‘Klopt,’ beaamde ik enigszins op mijn hoede. ‘Maar wat weet jij daarvan?’ ‘Ik probeer mijn problemen altijd van de andere kant te bekijken,’ lichtte hij toe. ‘De wereld is gemaakt voor mensen van gemiddelde lengte.’

    Dit gesprek vond zo’n twintig jaar geleden plaats en terugkijkend begrijp ik wel dat Dick zo aardig tegen me was. In zijn ogen was ik jong en klunzig en zat 
ik niet lekker in mijn vel. Terwijl hij zelfvertrouwen uitstraalde. Hij vertelde verhalen over zijn leven als straatartiest, over de tijd dat hij zijn geld had verdiend als clown. ‘Je kent het wel, een beetje jongleren, wat grappen en grollen,’ zoals hij het zelf formuleerde. Hij was inmiddels getrouwd en had een goede baan als accountant. Ik geneerde me voortdurend voor mijn ellebogen, mijn knieën en mijn grote voeten die alle kanten uit staken. Ik stootte geregeld mijn hoofd tegen een lage deurpost. Ik was anders 
en de mensen in Hongkong zagen er geen been in me daar voortdurend op te wijzen. In het voorbijgaan maakten ze sprongen om de bovenkant van mijn hoofd aan te raken, of ze liepen achter me aan, met hun handen in de lucht, tot grote hilariteit van hun vrienden. De vrouwen op de groentemarkt naast mijn huis wezen soms alleen maar naar me en begonnen dan te lachen. Ik geloof niet dat ik in die periode erg gelukkig was. Ik herinner me dat ik een keer een kort verhaal schreef voor mijn vrienden, waarin ik uit een raam sprong maar met mijn enorme voeten bleef haken achter een vlaggenstok, die mijn val brak voordat ik te pletter zou slaan. Mijn lichaam 
en mijn identiteit waren nog niet versmolten. Ter 
verdediging kan ik aanvoeren dat ik geen vrienden 
of familieleden had die ook zo lang waren. Daarnaast was het ook nog eens mogelijk dat ik nog niet was uitgegroeid.

    Ideale lengte

    De gemiddelde Amerikaanse man is net iets langer dan één meter vijfenzeventig. Voor vrouwen is de norm net iets onder de één meter tweeënzestig. De grafiek van de verschillende lengtes ingedeeld naar alle staten van Amerika (gebaseerd op het National Health and Nutrition Examination Survey, een onderzoek uitgevoerd in 2007 en 2008) stopt zo’n vijf centimeter voordat ik aan de beurt ben. Een lengte van één meter achtennegentig is een afrondingsfout, die in de meeste leeftijdscategorieën nog geen tiende van een procent bedraagt.

    Gevraagd naar het aandeel van de bevolking dat langer is dan twee meter, laat een woordvoerder van het National Center for Health Statistics weten: ‘Onze statistici beschikken niet over de middelen om die gegevens te achterhalen.’ Over het algemeen wordt het als indrukwekkend en imponerend gezien wanneer iemand langer is dan gemiddeld. Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat iemand die langer is dan gemiddeld meer kan verdienen en zelfs meer kans heeft om een hoge leeftijd te bereiken. Ik loop zonder enig probleem ’s nachts door onbekende steden en word zelden lastiggevallen, er worden hooguit wat opmerkingen gemaakt over mijn lengte. Maar uit veel van die studies blijkt ook dat voor mannen de voordelen van hun lengte in de hogere regionen weer afnemen: vanaf één meter negentig neemt de kans op een langer leven weer af, de kansen op een hoger salaris keren bij één meter achtennegentig. Ik heb al die lengtes gehad en ik 
kan het weten: voor een man is één meter negentig de ideale lengte. Met elke centimeter extra neemt je aantrekkelijkheid af en schuif je op richting rariteit, om te eindigen als een spreekwoordelijke kermisattractie. Anders dan bij veel zeer lange mensen, begon ik pas op latere leeftijd te groeien. Als kind was ik al lang voor mijn leeftijd maar op de middelbare school bleef ik een paar jaar steken. Mijn klasgenoten haalden me in en ik legde me erbij neer dat ik één meter tachtig zou worden, met opmerkelijk grote voeten, schoenmaat 49. Ik was een boekenwurm 
en ik werd gepest door groepjes oudere jongens op school en in de buurt. Niet geheel onterecht, want 
ik had een grote bek en ik wist niet goed waar de grenzen lagen. Ik stopte met basketballen, hoe leuk ik dat ook vond, omdat de coaches wilden dat ik point-guard zou worden in het team van de eerstejaars, terwijl ik tot dan toe alleen center had gespeeld. Mijn laatste schooljaar schoot ik pas echt de hoogte in en in mijn eerste studiejaar was ik één meter negentig. Al was ik voor mijn gevoel nog dezelfde die ik altijd was geweest, mijn omgeving reageerde anders op me. Het is lastig precies vast te stellen maar ik had het gevoel dat ik door mijn lengte meer succes had bij de meisjes en dat ik in zijn algemeenheid iets meer aanzien genoot in de klas. Mijn vrienden vielen me nog wel altijd in de rede, namen me nog steeds in de maling en behandelden me net als alle anderen, maar toch was er een geleidelijke verschuiving merkbaar.

    Ik kan me nog levendig een studentenfeestje herinneren, de bedompte lucht van vele vaten goedkoop bier, de schemerige ruimte slechts verlicht door kerstlampjes. Een medestudent liep expres tegen een kleine, nerdy vriend van mij op, telkens wanneer die zijn wegwerkbekertje kwam vullen. Ik ging naar die student toe, keek hem indringend aan – om niet te zeggen vernietigend – en liep met hem mee naar de achterdeur, waardoor hij vertrok. Ik had een pestkop geïntimideerd en het was opwindend en tegelijkertijd angstaanjagend, intimideren bleek net zo eng als geïntimideerd worden. Vervolgens boezemde ik ook onbedoeld een paar mensen angst in, zowel vrouwen als mannen, werd een paar keer voor monster uitgemaakt, werd aangezien voor Lurch uit The Addams Family en voor Lennie uit Of Mice and Men, die, als mijn geheugen me niet bedriegt, per ongeluk een vrouw wurgde, waarna zijn vriend van normale lengte hem een kogel door het hoofd schoot, als daad van barmhartigheid. En ik bleef maar groeien, ik werd langer dan wie ook in mijn familie, zowel van vaders- als van moederskant. Mijn moeder ging met me naar een endocrinoloog. Er werd bloed afgenomen en een echo gemaakt om te kijken of ik leed aan gigantisme, of aan het syndroom van Marfan, of een andere afwijking die zou kunnen verklaren waarom ik niet was opgehouden met groeien. Ik werd op alles negatief getest, maar tegen de tijd dat ik naar Hongkong ging voor mijn eerste baan, de zomer na mijn afstuderen, was het nog altijd de vraag of ik ooit zou stoppen met groeien, of ik geheel buiten de lengtestatistieken zou komen te vallen. Als je me vraagt wat ik destijds voor iemand was, dan zou ik zeggen: een lezer en een schrijver, de zoon van een immigrant, een fervent reiziger, misschien ook nog wel iemand die te veel praatte. Maar mijn lichaam kwam altijd op de eerste plaats en pas daarna volgde mijn persoonlijkheid, wat ik vanbinnen voor iemand was. Mijn lengte was een gegeven waarmee ik me niet identificeerde, het was een extern gegeven, iets wat ik domweg had meegekregen, iets wat ik pas gaandeweg leerde internaliseren. Misschien geldt dat wel altijd, als het om identiteit gaat. Maar het overkwam mij zo laat in mijn leven dat ik het me scherp bewust was.

    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty
    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty

    Vorig jaar kwam op zeker moment het nieuws naar buiten dat het toenmalige hoofd van de FBI, James Comey, die net als ik meer dan twee meter is, zich tijdens een bijeenkomst in januari 2017 achter de gordijnen van het Witte Huis had proberen te verstoppen zodat de president hem niet in het oog zou krijgen. Dit beeld van die reusachtige man die als een enorme kameleon probeert op te gaan in de plooien van de gordijnen was dermate krankzinnig, om niet te zeggen lachwekkend, dat het even iets van lucht gaf aan een land dat op de rand van een constitutionele crisis verkeerde. Maar zelf kon ik me er van alles bij voorstellen. Lange mensen proberen altijd zoveel mogelijk op te gaan in hun omgeving, we proberen 
te voorkomen dat anderen in het theater over onze enorme voeten struikelen, dat onze ellebogen op de dansvloer in iemands gezicht slaan. Een groot deel van onze tijd gaat heen met pogingen onszelf zo klein mogelijk te maken, om niet al zeer in het oog te lopen, hoewel dat haast onvermijdelijk is. Op internet gaat een meme rond van een lange man die een nieuwsgierige onbekende een visitekaartje overhandigt. ‘Ja, ik ben lang,’ staat erop te lezen. De verdere tekst is net even anders in de verschillende versies die de ronde doen. In het ene filmpje staat er: ‘Scherp gezien.’ En dan volgt er een lengte, ‘twee meter’ in het ene geval, ‘twee meter tien’ in het andere geval, gevolgd door ‘serieus, ja,’ bij de eerste lengte, en ‘Nee hoor, geintje,’ bij de tweede. Er volgen meer antwoorden op vragen die niet zijn gesteld, een soort Jeopardy, maar dan eenrichtingsverkeer. ‘Nee, ik ben geen basketballer. En ja, het is heerlijk weer, hierboven.’ De memes die ik heb gezien eindigden allemaal met een variatie op ‘Fijn dat we er even over hebben kunnen praten’. De grap van de meme zit erin dat we die vragen zo vaak hebben gepareerd dat we alle varianten kennen, elke mogelijke wending van het gesprek. Ik krijg ze geregeld opgestuurd, alsof de grap voor mij is bedoeld, terwijl hij eigenlijk juist is bedoeld voor de anderen. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik een dergelijk gesprekje voer. Meestal zijn het vragen: ‘Hoe lang ben je?’ of ‘Speel je basketbal?’ Daarnaast zijn er mensen die hun hart bij me willen uitstorten. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb ontmoet voelen de noodzaak om me te vertellen wie er binnen hun familie het langst is. Met name vrouwen vertellen graag over hun vader, hun man of hun broer, over de langste man met wie ze ooit iets hebben gehad of over hun langste collega. Vervelender zijn de discussies, wanneer bijvoorbeeld iemand me op straat staande houdt, vraagt hoe lang ik ben en vervolgens zegt dat ik het mis heb, dat ik volgens hem net even langer ben, of net even kleiner.

    In de kroeg komen de mannen van één meter negentig altijd op me af met de woorden: ‘Hé, meestal ben ik de langste.’ Het heeft iets agressiefs en tegelijkertijd iets zeurderigs, en het gebeurt ongelooflijk vaak. Tijdens het debacle van Comeys ontslag wees ik er geregeld op dat Comey meer dan twee meter was 
en dat Trump beweert één meter negentig te zijn.

    De gesprekken over lengte zijn te prefereren boven de ontmoetingen met mensen die me opnemen alsof ze amateur-antropoloog zijn: ze houden hun handen op, steken hun voeten uit, gaan met hun rug tegen mijn rug staan. Soms gaat het er echter nog grover aan toe. ‘Hoe doen jullie het?’ is me wel eens gevraagd terwijl ik met een kleinere vriendin in een kroeg stond. Maar goed, het komt natuurlijk wel vaker voor dat een of andere griezel dat soort intieme vragen stelt. Meestal zijn de vragen goedmoedig van aard. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Glimlach. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Grijns. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Prima. Het houdt domweg niet op. ‘Ik probeer mezelf keer op keer voor te houden dat deze mensen gewoon contact proberen te maken en dat dit nu eenmaal de woorden zijn die van hun lippen rollen,’ aldus de schrijfster Arianne Cohen, die één meter negentig is. In 2009 bracht ze The Tall Book uit, een gedegen verslag van de voordelen die het heeft om heel lang te zijn, en van de uitdagingen die ermee gepaard gaan. ‘De afgelopen tien jaar zijn mannen tot het inzicht gekomen dat het niet altijd gepast is om het uiterlijk van vrouwen te becommentariëren in termen van al dan niet aantrekkelijk, maar opmerkingen over iemands lengte lijken nog wel door de beugel te kunnen.’ Online dating en dating-apps hebben het liefdesleven van lange mensen makkelijker gemaakt, aldus Cohen, en dat geldt zeker voor lange vrouwen die op zoek zijn naar een man die even lang is, of langer.

    Aanvankelijk had Cohen haar ware lengte in haar profiel vermeld, waarop ze werd bedolven onder reacties van mannen ‘met een lengtefetisj, mannen die wilden weten hoeveel ik weeg en wat voor schoenmaat ik heb.’ Ze stelde het bij naar één meter tachtig en de berichtenstroom droogde op. Cohen deed er weer een schepje bovenop: één meter vijfentachtig. Ze krijgt nog wel eens een reactie van een of andere creep, maar daar kan ze 
wel mee leven. Want al zijn die constante vragen over basketballen nog zo irritant, het is wel duidelijk een verbetering. Als we Cohen mogen geloven denken de meeste mensen tegenwoordig dat uitzonderlijk lange mensen miljoenen binnenhalen als profbasketballer, terwijl vroeger werd gedacht dat we in het circus werkten, of bij een freakshow. Dat zou je een vooruitgang kunnen noemen.

    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH
    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH

    Wij, lange mensen, begeven ons in het openbare leven en krijgen ongekend veel aandacht, maar toch blijven we een mysterie. Waarom lopen we haast verend en duikend door de metrostellen in New York City, als in een merkwaardige dans? Voeren we een show op, om daarna met de pet rond te gaan? Nee, we willen gewoon ons hoofd niet stoten tegen de metalen rails waar anderen houvast bij zoeken. Bij ons dreunen ze tegen onze slaap of ons achterhoofd, als we niet oppassen. In de metrotunnels maken wij ons vermoedelijk het meeste zorgen om de roestige schroeven die uit het plafond steken en die onze schedel openhalen als we niet uitkijken. Realiseer je dat wij op regenachtige dagen extra moeten uitkijken voor de punten van jullie paraplu’s, die als wrede klauwen in onze zachte delen steken: onze ogen en oren. En in tegenstelling tot mensen van gemiddelde lengte weten wij hoe het zit met plafondventilatoren: het zijn geen helikopterbladen. Als je je hand erin steekt, loop je misschien een bult of een bloeduitstorting op, maar ze zijn niet zo gevaarlijk als je zou denken. Toch sympathiek dat je zo met ons meeleeft! Soms zijn we spionnen in jullie midden. Als jullie ons thuis uitnodigen, weten wij hoe de bovenkant van jullie koelkast eruitziet. (Die moet je nodig schoonmaken. Het is alweer een hele tijd geleden. Geloof me.) Zodra het feestje goed op gang komt, kunnen wij jullie nauwelijks meer verstaan omdat het gesprek zich zo’n dertig centimeter onder ons afspeelt en het lastig is om voortdurend voorovergebogen te staan, met gedraaid bovenlijf. Vind je dat we een rare houding hebben? Dan doen we vermoedelijk de bekkenkanteling, een extreme versie van de contraposto van Michelangelo’s David, om een paar centimeter lager te komen. We zijn ook heel handig. Het spreekt waarschijnlijk voor zich dat jullie bij een concert aan ons vragen of wij even een foto van de artiest kunnen maken, of van jullie zelf, aangezien een foto vanuit een hoger camerastandpunt flatteuzer is. Ik moet altijd grinniken als vrienden op een drukbezocht festival niet besluiten om op een bepaalde tijd bij een bepaald markeringspunt af te spreken, maar gewoon zeggen: ‘Oké, om drie uur bij Nick.’ In een menigte kun je het beste achter ons aan lopen. Wij zien de open plekken, wij zien waar de ruimte ontstaat, wij zien waar de rij voor de wc en de rij voor de drankjes samenkomen en er een menselijke opstopping ontstaat.

    Bij een rij mensen doet zich een van de merkwaardigste fenomenen voor die ik associeer met lengte. Zodra er iemand voordringt zie ik hoofden draaien, zie ik vragende blikken. Pas na enige tijd dringt tot me door dat de meeste mensen naar mij kijken, in een onbewust besluit om mij te belasten met de 
verantwoordelijkheid, en de mensen blijven me aanstaren totdat ik voldoende moed heb verzameld om te roepen: ‘Hé, de rij begint daar, hoor.’ Ik weet niet waarom het zo is, maar in anonieme situaties, waar mensen enkel op het uiterlijk kunnen afgaan, krijgen we stilzwijgend een soort autoriteit toegedicht. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb gesproken vragen me om zware dingen te verplaatsen of iets van een hoge plank te pakken, alsof ik een soort buurtkruiwagen of -ladder ben. Zelf ben ik dan nog het liefst de buurtladder omdat ik dan iets voor anderen kan doen, maar als kruiwagen ben ik niet 
zo geschikt omdat ik, zoals veel lange mensen, last van mijn rug heb. Dit is niet objectief vastgesteld, maar ik heb het idee dat mensen mij ook vaker de weg vragen. Misschien roep ik associaties op met 
een wegwijzer. Als verslaggever die is gespecialiseerd 
in buitenlandprojecten heb ik me neergelegd bij een leven in kleine hotelkamers en krappe vliegtuigstoelen. Ik heb nauw contact met de ergonoom van mijn werk, Tom. Toen ik hem achttien jaar geleden ontmoette, in mijn vorige baan, noemde hij me een ‘onafwendbare computergerelateerde ramp’. Hij legde bakstenen onder de poten van mijn werktafel. Zijn hulpmiddelen zijn inmiddels een stuk geavanceerder, zoals een mechanisch bediende zit-statafel en een reusachtige, op maat gemaakte stoel die door tenminste een van mijn collega’s is vergeleken met de IJzeren Troon van Westeros [uit de tv-serie Game 
of Thrones]. (Hij is bijna net zo groot maar helaas met een kussen van schuim in plaats van omgesmolten metalen zwaarden.) Hoewel veel New Yorkers zich verheugen in de anonimiteit die de stad biedt, bevind ik me in een veel interactievere stad. Als je wilt weten wie dé blanke basketballer van dit moment is, moet je samen met mij door Brooklyn lopen. Kreten als ‘Yo, Nowitzki!’ zijn de opmaat geweest voor nog veel zangerige hommages 
aan de nieuwe, Litouwse forward van de Knicks: 
‘Porzingis!’ Plaats een uitzonderlijk lang iemand in het centrum van de grootsteedse anonimiteit en hij wordt bedolven onder aandacht, zegt Rosemarie Garland-Thomson, hoogleraar lichaamstudies aan Emory University, in het boek van Cohen. ‘Zet zo iemand in een kleinere plaats en op de een of andere manier trekt hij minder bekijks. Er zijn enkele reuzen geweest die min of meer ongehinderd in een klein plaatsje hebben gewoond.’

    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki
    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki

    In januari ben ik van Hudson in New York, door glibberige sneeuwbui, naar Massachusetts gereden, op zoek naar Asa Palmer, de jongste van drie broers die allemaal net zo lang zijn als ik, of zelfs langer. Toen we klein waren, woonden Palmer en ik bij elkaar om de hoek, in Arlington, Virginia. Hun gezin was beroemd, de lange ouders met de drie superlange zoons die basketbalden. Toen ik tijdens de kerst tegen mijn moeder zei dat ik in het nieuwe jaar een afspraak had met Asa, haalden mijn moeder en zus herinneringen op aan de drie jongens, waarbij ze het vooral veel hadden over de middelste broer, Crawford, de All-American topsporter, drie decennia na zijn avonturen in Arlington. Asa Palmer en ik hadden op amateurniveau gespeeld. Hij begon als center voor het Optimist-basketbalteam, en ik probeerde hem te dekken voor mijn Kiwanis Club, wat steeds moeilijker werd omdat mijn groei tijdelijk tot stilstand kwam terwijl hij gewoon verder 
de hoogte in schoot. Uiteindelijk verhuisden de Palmers en verloor ik ze uit het oog, maar mijn nieuwsgierigheid dreef me er nu toe de besneeuwde wegen van New England te trotseren tijdens de snijdende winterkoude, op zoek naar de jongste zoon van het gezin. Palmer bleek boomchirurg te zijn geworden. Hij had grote, sterke handen en zijn dikke, donkere baard zat vol grijs, de eerste vorst van de middelbare leeftijd diende zich aan. Net op het moment dat ik hem bezocht was hij aan huis gekluisterd vanwege een gebroken enkel. Een deken van januarisneeuw lag over de Berkshire Hills, waar zijn huis staat; ingeklemd tussen een moeras en een begraafplaats. Tegen de lente zal hij weer in boomstronken moeten klauteren, met behulp van een elf millimeter dik nylonkoord – tenzij de boom gekapt moet worden, dan kan hij naar boven klauteren met behulp van speciale schoenen met ijzers, omdat hij zich dan geen zorgen hoeft te maken over de beschadigingen die hij veroorzaakt in de bast en de stam. Palmer en ik dronken Sierra Nevada-bier, we aten kaas en we bekeken foto’s van zijn dochtertje van vier. We lachten om de kwinkslagen die hij had bedacht om de gesprekken over zijn lengte af te kappen. Wanneer iemand vraagt hoe lang hij is, zegt Palmer: ‘Ligt aan de luchtvochtigheid’ of: ‘Ligt eraan hoe laat het is.’ We knikten instemmend, we herkenden van alles, zoals het feit dat we ’s nachts op straat met een boogje om vrouwen heen lopen omdat het overduidelijk is dat ze ons doodeng vinden, alsof het monster van Frankenstein weer tot leven is gekomen. Hij vroeg of ik ook zo verschrikkelijk veel moeite had om schoenen en broeken te kopen in deze wereld van one-size-fits-all, en hij informeerde naar het littekenweefsel boven op mijn hoofd. We deelden ons leed over het voeteneinde van veel bedden, om nog maar te zwijgen van vliegtuigstoelen. We hadden het erover dat we niet meer in de achtbaan durfden, als de dood dat de veiligheidsbeugel niet goed sluit en dat we in een bocht of tijdens een loop uit het stoeltje geslingerd worden. (Veel achtbanen werken met een maximumlengte: wie langer is dan één meter vijfennegentig mag bij Six Flags niet in de Mind Eraser en boven de twee meter mag je niet in de Batwing Coaster. Ik heb ooit in Guatemala een tokkelbaan gedaan en kwam met een bloederige streep bij mijn slaap beneden aan; ik was te lang en de kabel brandde in mijn huid terwijl ik naar beneden scheerde. Palmer herinnerde zich de vervreemding van zijn lichaam dat maar langer en langer werd, wist nog precies hoe het voelde om in de brugklas ‘een tandenstoker te zijn met voeten die uit het niets de lengte in schoten.’ Hij herinnerde zich dat hij in zijn jeugd de verwarmingen hoorde trillen wanneer zijn vader, die één meter achtennegentig was, in de kelder met het wasgoed bezig was en zijn hoofd stootte tegen de leidingen. Ook herinnerde hij zich de gesmoorde kreten van pijn. (Palmer deed het voor me na – de kreet van een vliegend reptiel uit de prehistorie.) Hij moest lachen bij de herinnering. Palmer lachte veel om de beproevingen van lange mensen en het zal niemand verbazen dat hij een diepe, resonerende lach heeft. Zo haalde hij herinneringen op aan de keer dat hij op zijn negentiende met een vriendin naar het Foxboro Stadium ging, voor een optreden van Elton John en Billy Joel. Er kwam steeds iemand van het stadium zijn kant op, en die scheen dan met een zaklamp in Palmers ogen. Hij had geen idee wat hij verkeerd deed totdat iemand riep: ‘Ga toch zitten, man!’ En dan was er nog de familievakantie naar Peru met zijn vader, die Latijns-Amerikaanse politiek doceerde. Daar zag hij hoe de plaatselijke bevolking keurig in de rij ging staan om een voor een op de foto te gaan met Walter, zijn oudste broer – enkel en alleen omdat Walter langer was dan twee meter tien.

    Walter deed precies wat iedereen denkt dat lange mensen doen: hij speelde in de NBA, een tijdje bij de Utah Jazz en de Dallas Mavericks. De middelste zoon van de Crawfords, die twee meter vijf is, sprong er al op de middelbare school uit en ging bij de Duke Blue Devils spelen. Hij zou later het Franse kampioenschap binnenhalen als een professionele, internationale speler. Ook won hij met zijn team zilver op de Olympische Spelen van 2000 in Sydney. Palmer heeft zich, anders dan ik, nooit geschaamd voor zijn lengte. Hij heeft geen idee waarom of wanneer zijn familie de hoogte in is geschoten – ze komen niet uit Zuid-Soedan of de Balkan, zoals mijn familie, het 
is gewoon een echt blank, Amerikaans allegaartje – maar naast de één meter achtennegentig van zijn vader, was zijn moeder ook al één meter zevenentachtig. ‘Ik herinner me dat ze het er een hele tijd geleden over hadden, met mijn broer, geloof ik, en zij hadden iets van: “Het is juist iets om trots op te zijn. Je moet je rug recht houden.”’ Palmer zei ook tegen me: ‘Als je over de twee meter tien bent, dan kijkt echt iedereen naar je. Walt trekt zich daar helemaal niets van aan. Bij een concert gaat hij gewoon vooraan staan omdat hij het allemaal al eens heeft meegemaakt.

    Zelfs bij mij werkt het zo, ik vind hem ook lang. Maar ik vind het heerlijk om omhoog te kijken wanneer ik met iemand praat. Dat gebeurt me echt zelden.’ Tijdens ons gesprek rende zijn dochtertje door het huis, een en al energie, nu al lang voor haar leeftijd. Ik herhaalde het grapje dat ik vaker maak, dat als ik ooit kinderen krijg, mijn dochter één meter vijfennegentig wordt en mijn zoon één meter vijfenzestig en dat ze me allebei zullen verafschuwen. Maar bij Palmer thuis speelde dat helemaal niet. ‘In deze familie zie je dan bijvoorbeeld zijn nichtjes van één meter negentig en één meter drieënnegentig, prachtige lange vrouwen die zich op geen enkele manier druk maken om hun lengte,’ zei Asa’s vrouw Wenonah. Zelf is ze één meter zeventig, net iets langer dan gemiddeld maar ruim binnen de gebruikelijke marges. ‘Het is een wonder, het is fantastisch, en ik ben er enorm blij om.’ In mijn familie is niemand zo lang als ik. Als je afwijkt, heb je mensen in je omgeving nodig die dat begrijpen, die de problemen zien maar die er ook om kunnen lachen. Zo’n voorbeeld heb ik nooit gehad, ik heb nooit een Walter gehad om me duidelijk te maken dat ‘lange mensen heel normaal zijn en dat iedereen het prima vindt en dat er echt niets raars aan is,’ zoals Asa zei. ‘Het is iets om trots op te zijn,’ hielp hij me herinneren.

    Auteur: Nicholas Kulish
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Anna Peisl / Getty Images

    Topic
    Verenigde Staten | topic.com

    In 2017 opgerichte foto-, video- en 
verhalensite van First Look Media, het mediabedrijf van journalist Glenn Greenwald en documentairemaker Laura Poitras. 
De verhalen op topic.com gaan altijd 
over één thema, dat maandelijks wisselt.

  • Jonathan Franzen: Valt de wereld nog te redden?

    Jonathan Franzen: Valt de wereld nog te redden?

    Terwijl de ijskappen afbrokkelen en Twitterpresident Trump zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, vraagt de Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen zich af wat zijn rol als schrijver kan zijn in tijden van crisis.

    Keuze uit het archief

    Recent verscheen het nieuwe boek van de toonaangevende Amerikaanse auteur Jonathan Franzen: Crossroads (Kruispunt, in vertaling van Peter Abelsen). In 2017 schreef Franzen voor The Guardian een doorwrocht essay over zijn eigen schrijverschap, de democratische crisis in de Amerikaanse samenleving, de destructieve rol van sociale media en de klimaatcrisis. Wat hij zich vooral afvroeg: wat kan een schrijver (ik) hieraan doen?

    Als we kijken naar de oorsprong van het woord essay – afkomstig van het Oudfranse essai, proef – dan gaat het om iets onderzoekends, iets voorlopigs, een tekst waarin niet het laatste woord over een kwestie wordt gesproken; een tekst op grond van de persoonlijke, subjectieve ervaringen van de auteur – misschien leven we momenteel wel in de gouden eeuw van de essayistiek. Naar welk feestje je vrijdagavond bent geweest, hoe je bent behandeld door een stewardess, hoe jij tegen de politieke waan van de dag aankijkt: social media stoelen op de gedachte dat zelfs het allerkleinste verhaal het waard is om niet alleen te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een dagboek, maar ook om te worden gedeeld met anderen. De president van de Verenigde Staten handelt ook vanuit die gedachte.

    Traditioneel nuchtere journalistiek, zoals te vinden in bijvoorbeeld The New York Times, biedt inmiddels ook volop ruimte aan het ik, met de daarbij horende stemmen en meningen en impressies, en ook literair recensenten voelen zich minder en minder genoodzaakt een zekere mate van objectiviteit te betrachten. Vroeger deed het weinig ter zake of Raskolnikov en Lily Bart sympathieke personages waren, maar de vraag of iemand sympathiek is – waarbij impliciet de gevoelens van de recensent gewicht krijgen – speelt tegenwoordig een cruciale rol binnen de literaire kritiek. Literaire fictie krijgt steeds meer weg van een essay.

    In enkele van de meest invloedrijke romans van de afgelopen jaren, van Rachel Cusk en Karl Ove Knausgard, wordt het perspectief van de ik-verteller die op zichzelf reflecteert naar een hoger plan getild. De echte fans van dit genre zullen zeggen dat verbeelding en vernieuwing niet meer van deze tijd zijn; dat het een vorm is van appropriation, om niet te zeggen kolonisering, om je de subjectiviteit toe te eigenen van een personage dat anders is dan de auteur, dat de autobiografie de enige authentieke, en politiek verantwoorde manier van vertellen is.

    Ondertussen is het persoonlijke essay – dat serieuze literaire genre waarin sprake is van oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed, in het leven geroepen door Montaigne en verder ontwikkeld door Emerson, Woolf en Baldwin – op zijn retour. Er zijn vrijwel geen grote Amerikaanse tijdschriften waarin nog echte, onversneden essays worden gepubliceerd. Het essay houdt voornamelijk stand in kleine publicaties die meestal minder lezers hebben dan Margaret Atwood volgers heeft op Twitter. Moeten we rouwig zijn om het uitsterven van het essay? Of moeten we blij zijn dat het essay de cultuur in bredere zin heeft veroverd?

    Essayistiek

    Een persoonlijk en subjectief microverhaal: de paar dingen die ik heb geleerd over het schrijven van essays zijn allemaal lessen geweest van mijn redacteur bij The New Yorker, Henry Finder. Ik klopte bij Henry aan in 1994, als aanstormend journalist in geldnood. Het was deels een kwestie van geluk dat ik een publicabel artikel kon leveren over de US Postal Service. Later schreef ik, door narratieve onkunde, een stuk over de Sierra Club dat niet voor publicatie geschikt was. Dat was het moment waarop Henry zei dat ik misschien wel enige aanleg had voor de essayistiek. Wat ik vooral in zijn woorden hoorde was: ‘omdat je duidelijk een journalist van niks bent’. Ik weerlegde zijn opmerking dat ik aanleg zou hebben voor essayistiek. Ik was opgegroeid in het Midwesten, waar je vooral niet te veel over je zelf moet ouwehoeren, en daarnaast had ik bepaalde vooroordelen, ingegeven door bepaalde misvattingen over romans. Ik was van mening dat je de dingen beter kon uitbeelden dan beschrijven. Maar goed, ik had geld nodig, dus ik bleef Henry aan zijn kop zeuren of ik recensies mocht schrijven. Een van die keren vroeg hij me of ik geïnteresseerd was in de tabaksindustrie – waar Richard Kluger net een omvangrijke studie over had geschreven. Ik reageerde meteen met: ‘Sigaretten zijn echt wel het laatste waaraan ik wil denken.’ Waarop Henry ogenblikkelijk reageerde met: ‘Daarom moet je er juist over schrijven.’

    Dat was de eerste les van Henry, en meteen ook de belangrijkste. Nadat ik een jaar of tien had gerookt, was ik erin geslaagd om twee jaar te stoppen toen ik begin dertig was. Maar toen ik dat US Postal Service-stuk mocht schrijven, en met het zweet in mijn handen de telefoon moest pakken om mezelf te introduceren als een verslaggever van The New Yorker, was ik weer gaan roken. In de jaren die volgden, slaagde ik erin mezelf te zien als iemand die niet rookte, of in ieder geval iemand die zo vastbesloten was om weer te stoppen dat ik feitelijk geen roker was – maar ondertussen rookte ik wel. Mijn gemoedstoestand was een soort kwantumgolffunctie waarin ik tegelijkertijd een roker en een niet-roker kon zijn, zolang ik mezelf maar niet de maat nam. En het was zonneklaar dat ik gedwongen zou worden mezelf de maat te nemen zodra ik over sigaretten zou gaan schrijven. Want zo gaat dat met essays.

    Nog los van dit alles was er mijn moeder, die haar vader had verloren aan longkanker, en die altijd fel tegen roken gekant was geweest. Ik had vijftien jaar lang voor haar verborgen weten te houden dat ik rookte. Een van de redenen dat ik mijn schimmige staat van roker/niet-roker in stand moest zien houden, was dat ik het vervelend vond om tegen haar te liegen. Zodra het met zou lukken om weer te stoppen, en dan voorgoed, zou de golffunctie ineenstorten en zou ik, honderd procent zeker, de niet-roker zijn die ik altijd had voorgewend te zijn – maar die vlieger ging natuurlijk niet meer op als ik eerst, zwart op wit, moest opbiechten dat ik rookte.

    Henry was een wonderkind van ergens in de twintig toen Tina Brown hem had aangenomen, bij The New Yorker. Hij had een heel aparte manier van praten, een beetje afgeknepen, een soort overdreven gearticuleerd gemompel, als een tekst die nauwgezet is geredigeerd maar toch nauwelijks valt te lezen. Ik was onder de indruk van zijn intelligentie en zijn erudiete en na niet al te lange tijd leefde ik in een voortdurende angst hem teleur te stellen. Door de hartstochtelijke nadruk die Henry had gelegd in zijn opmerking ‘Daarom moet je er juist over schrijven’ – hij was de enige spreker van wie ik zoiets kon hebben, het beklemtoonde eerste woord ‘daarom’ gevolgd door het gebiedende ‘moet’ – durfde ik een bescheiden hoop te koesteren dat hij op een bepaalde manier notie van mij had genomen.

    En zo begon ik aan mijn essay en pafte elke dag een half pakje lichte sigaretten weg, gezeten voor een ventilator in de vensterbank van mijn woonkamer. Na afloop gaf ik Henry het enige stuk dat ik ooit voor hem heb geschreven dat geen redactie behoefde. Ik weet niet meer hoe mijn moeder het stuk in handen had gekregen en hoe ze me duidelijk maakte dat ze zich intens verraden voelde, of ze me een brief schreef of dat ze me belde, ik weet alleen nog dat ze zes weken lang elk contact meed – verreweg de langste stilte waarmee ze me ooit heeft gestraft. Het ging precies zoals ik had gevreesd. Maar toen ze er dan eindelijk overheen was en me weer brieven schreef, voelde ik me echt gezien, gezien als wie ik echt was, op een manier die nieuw voor me was. Het punt was nog niet eens dat ik mijn ‘ware’ zelf voor haar verborgen had gehouden; het punt was dat er eigenlijk helemaal nooit sprake leek te zijn geweest van een waar zelf.

    Drukbezette mens

    In Of/Of drijft Kierkegaard de spot met de ‘drukbezette mens’ voor wie druk zijn een manier is om maar niet eerlijk naar zichzelf te hoeven kijken. Misschien word je midden in de nacht wakker en voel je je op dat moment heel alleen in je huwelijk, of bedenk je dat je toch eens een kritisch moet kijken naar de milieuschade van je consumptiepatroon, maar de volgende ochtend heb je van alles en nog wat te doen. Zolang er oneindig veel kleine dingetjes om aandacht vragen, kun je de grotere vragen uit de weg gaan. Het schrijven of het lezen van een essay is natuurlijk niet de enige manier om even pas op de plaats te maken en je af te vragen wie je nou eigenlijk bent en wat de zin van je leven zou kunnen zijn, maar het is wel een goede manier. En als je bedenkt hoe lachwekkend gezapig het Kopenhagen van Kierkegaard moet zijn geweest, in vergelijking met onze moderne tijd, dan lijken die subjectieve tweets en haastige blogposts lang niet meer zo essayistisch. Ze lijken eerder een manier om weg te lopen voor de dingen waar een echt essay ons mee zou kunnen confronteren. We lezen de hele dag door, op verschillende schermen, we lezen dingen die ons in een echt boek niet zouden boeien, en vervolgens klagen we dat we het zo druk hebben.

    In 1997 ben ik voor de tweede keer gestopt met roken. En vervolgens, in 2002, voor de laatste keer. En daarna, in 2003, voor de allerlaatste keer – tenzij je de rookloze nicotine meetelt die door mijn bloedbaan trekt terwijl ik dit schrijf. Dat ik probeer een integer essay te schrijven verandert niets aan het gegeven van de meerdere ikken: ik ben nog altijd zowel een verslaafde met een reptielenbrein, als iemand die piekert over zijn gezondheid, als een eeuwige puber, als iemand die kampt met depressies en die aan zelfmedicatie doet. Wat er ondertussen verandert, realiseer ik me als ik even de tijd neem om erbij stil te staan, is dat mijn zelf, dat uit meerdere identiteiten bestaat, iets steviger wordt.

    Een deel van het mysterie van literatuur is dat zowel voor de schrijver als voor de lezer het wézen van de betrokkenen zich buiten hun beider lichaam bevindt, op een pagina, wat voor vorm die ook aanneemt. Hoe kan ik het gevoel hebben dat ik waarachtiger ben in mijn teksten dan in mijn lichaam? Hoe kan het dat ik me meer verwant voel met iemand wanneer ik haar woorden lees dan wanneer ik naast haar zit? Het antwoord is er deels in gelegen dat zowel lezen als schrijven volledige aandacht vereisen. Maar het heeft ongetwijfeld ook te maken met een soort ordening die alleen op papier mogelijk is.

    A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump

    Dit is misschien het moment om twee andere lessen van Henry Finder te vermelden. Een van die lessen luidde dat elk essay, ook een opiniestuk, een verhaal vertelt. De andere les was dat er maar twee manieren zijn om materiaal te ordenen: ‘soort bij soort’ en ‘a leidt tot b’. Deze regels lijken misschien nogal voor de hand liggend, maar wie geregeld essays leest van studenten of middelbare scholieren weet dat het lang niet altijd zo eenvoudig is. Mij was ook niet helemaal duidelijk dat een opiniestuk de regels van een narratief dient te volgen. Maar zeg nou zelf: begint een goede discussie niet vrijwel altijd met het poneren van een ingewikkeld probleem? En wordt er niet vervolgens een onconventionele oplossing aangedragen, waarna er obstakels voor het voetlicht worden gebracht in de vorm van bezwaren en tegenargumenten, waarna we tot slot, via een reeks omkeringen, naar een onverwachte maar bevredigende oplossing worden geleid?

    Wie meegaat in Henry’s aanname dat geslaagd proza bestaat uit materiaal dat is geordend in een verhaalvorm, en wie mijn overtuiging deelt dat onze identiteit is opgebouwd uit de verhalen die we over onszelf vertellen, zal het er vermoedelijk mee eens zijn dat het proces van schrijven en het genoegen van lezen ons dicht in de buurt van iemands wezen brengen. Wanneer ik alleen door het bos loop, of met iemand zit te eten, word ik overspoeld door een enorme hoeveelheid willekeurige, zintuigelijke informatie. Door het proces van schrijven valt dat vrijwel allemaal weg, totdat enkel nog alfabet en leestekens resten, en de willekeur steeds verder naar de achtergrond wordt gedrongen. Het kan gebeuren dat je, bij het ordenen van de elementen van een vertrouwd verhaal, tot de ontdekking komt dat het niet betekent wat je dacht dat het betekende. Soms, met name bij een argumentatie (a leidt tot b) is een volkomen nieuw narratief vereist. Door de discipline om een meeslepend verhaal te vertellen, kunnen bepaalde gedachten en gevoelens uitkristalliseren waarvan je je tot dan toe slechts vaag bewust was.

    Als je met een hele hoop materiaal zit waarvan je niet meteen ziet hoe je het tot een verhaal kunt smeden, zit er volgens Henry nog maar één ding op: onderverdelen in categorieën, vergelijkbare elementen bijeenbrengen. Soort bij soort. Dat is in ieder geval een overzichtelijke manier van schrijven. Maar patronen hebben ook de neiging zich tot verhalen te ontwikkelen. Het is heel verleidelijk om een a-leidt-tot-b-verhaal te construeren teneinde te begrijpen hoe het kon dat Donald Trump de verkiezingen won, terwijl in brede kring werd verwacht dat hij zou verliezen: Hillary Clinton sprong slordig om met haar mail, het ministerie van Justitie besloot haar niet te vervolgen, daarna doken de [sexting] berichten van Anthony Weiner op, vervolgens liet James Comey het Congres weten dat Clinton misschien alsnog in de problemen zou komen, en uiteindelijk won Trump de verkiezingen. Maar misschien levert het veel meer op om soort bij soort te plaatsen: Trumps overwinning was vergelijkbaar met de uitslag van de stemming over de Brexit en met de rechtse anti-immigratiebewegingen die steeds opnieuw de kop opsteken in Europa. De gevaarlijk nonchalante manier waarop Clinton met haar e-mail omsprong was vergelijkbaar met haar slecht uitgevoerde campagne en met haar beslissing om geen campagne meer te voeren in Michigan en Pennsylvania.

    Lijstjesfreak

    Op verkiezingsdag was ik in Ghana. Ik was gaan vogelen met mijn broer en twee vrienden. James Comeys bericht aan het congres had de campagne al op zijn kop gezet nog voordat ik naar Afrika vertrok, maar op Nate Silvers toonaangevende peilingenwebsite, FiveThirtyEight, maakte Trump evengoed nog maar dertig procent kans om te winnen. Ik had al vroeg mijn stem uitgebracht op Clinton en bij aankomst in Afrika was ik hooguit een klein beetje ongerust over de verkiezingsuitslag, maar ook tevreden over mijn beslissing om de laatste week van de campagne elders door te brengen en niet tien keer per dag op FiveThirtyEight naar de peilingen te kijken.

    Ondertussen was ik in Ghana in de ban van iets heel anders. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik een lijstjesfreak ben. Niet dat ik niet van de vogels zelf hou. Ik ben een vogelaar omdat ik me laaf aan hun schoonheid en diversiteit, omdat ik meer aan de weet wil komen over hun gedrag en hun habitat, en omdat ik graag lange, aandachtige wandelingen maak op plekken die ik nog niet ken. Maar daarnaast hou ik krankzinnig veel lijstjes bij. Ik hou niet alleen bij welke vogelsoorten ik over de hele wereld heb gezien, maar ik heb dat ook nog eens allemaal uitgesplitst naar de verschillende landen of staten van Amerika die ik speciaal met dat doel heb bezocht, of zelfs naar nog specifiekere plekken, zoals mijn achtertuin – en dat dan voor elk afzonderlijk jaar sinds 2003. Ik kan dit dwangmatige bijhouden van gegevens goedpraten door het te beschouwen als een soort spelletje binnen het kader van mijn hobby. Maar het heeft zonder meer iets dwangmatigs. Ik vind dan ook dat ik in moreel opzicht onderdoe voor vogelaars die het puur om het plezier is te doen.

    Door naar Ghana te gaan hoopte ik mijn vorige jaarrecord – 1286 soorten – te verbeteren. Ik zat al op meer dan achthonderd in 2016 en ik wist, na wat op internet te hebben gesnuffeld, dat vergelijkbare reizen een kleine vijfhonderd soorten hadden opgeleverd, waarvan slechts een handjevol in Amerika voorkomt. Als ik in Afrika vierhonderdzestig unieke soorten zou kunnen spotten, en vervolgens mijn tussenstop van zeven uur in Londen zou weten te gebruiken om in een park in de buurt van Heathrow nog twintig veelvoorkomende Europese soorten te spotten, zou 2016 mijn beste jaar ooit worden.

    We zagen echt schitterende dingen in Ghana, adembenemende toerako’s en bijeneters die alleen in West-Afrika voorkomen. Maar de paar bossen die het land nog rijk is worden ernstig bedreigd door intensieve jacht en houtkap, en onze wandelingen waren eerder verstikkend dan productief. Tegen het einde van verkiezingsdag hadden we al onze enige kans misgelopen om een aantal soorten te zien die ik op mijn lijstje had staan. Al heel vroeg de volgende ochtend, toen de stembureaus aan de westkust nog open waren, zette ik mijn telefoon aan om de prettige bevestiging te krijgen dat Clinton aan de winnende hand was. In plaats daarvan zag ik geschokte berichten van mijn vrienden in Californië, foto’s waarop ze ongelovig, en stuurs, naar de televisie staarden, foto’s van mijn vriendin die helemaal ineengedoken ergens op een bank lag. De kop van de Times luidde: ‘Trump haalt North Carolina binnen, lijkt niet te stuiten; Clintons pad naar de zege lijkt smal.’

    Er zat weinig anders op dan weer te gaan spotten. Op een pad in het bos van Nsuta, waar we moesten uitwijken voor wagens vol hout die net zomin leken te stuiten als Trump, maar met in mijn achterhoofd de gedachte dat Clinton nog altijd een pad naar de zege had, zag ik de zwarte tok, de Afrikaanse koekoekswouw en een melancholische specht. Het was een zweterige maar bevredigende ochtend die, toen we weer bereik hadden, eindigde met het nieuws dat de ‘short-fingered vulgarian’ (de proleet met de dikke vingers) zoals Spy hem noemde, de nieuwe president van mijn land was. Op dat moment begreep ik wat ik in mijn hoofd had gedaan met Nate Silvers dertig procent kans voor Trump. Op de een of andere manier had ik het zo geïnterpreteerd dat de wereld er, in het ergste geval, na de verkiezingen, dertig procent slechter aan toe zou zijn. Wat het getal in feite betekende was natuurlijk dat er dertig procent kans was dat de wereld er honderd procent slechter aan toe zou zijn.

    Terwijl wij naar het drogere, verlaten noorden van Ghana reisden, kruisten we het pad van enkele vogels waar ik al lange tijd van droomde: krokodilwachters, de zuidelijke karmijnrode bijeneter en het viervleugelnachtzwaluwmannetje, die er met zijn spectaculaire vleugelpunten uitzag als een nachtzwaluw die op de hielen wordt gezeten door twee vleermuizen. Maar we raakten steeds verder achter op het vogel-jaarschema dat ik moest aanhouden. Laat, veel te laat, werd me duidelijk dat op de lijsten met soorten die me online waren voorgespiegeld, ook vogels stonden die we alleen zouden horen maar niet zouden zien – terwijl een vogel voor mij pas meetelde als ik hem had gezien.

    De lijsten op internet hadden hoge verwachtingen gewekt, net als Nate Silver. Met elke soort die ik had gemist nam de druk toe om alle overgebleven soorten wél te zien, zelfs de soorten waarvan dat hoogst onwaarschijnlijk was. Anders zou ik mijn eigen record niet weten te breken. Het was niet meer dan een onzinnige jaarlijst, die uiteindelijk volkomen onbeduidend was, maar ik werd achtervolgd door de krantenkop op de ochtend na verkiezingsdag. In plaats van 275 kiesmannen had ik 460 soorten nodig, en ook mijn pad naar de zege was inmiddels wel heel smal. Uiteindelijk, vier dagen voor het einde van de reis, bij de overlaat van een dam aan de grens met Burkina Faso, waar ik had gehoopt een handvol nieuwe graslandvogels te zien maar waar er niet eentje viel te ontdekken, moest ik berusten in de realiteit en mijn nederlaag erkennen. Ineens drong tot me door dat ik eigenlijk thuis had moeten zijn, om te proberen mijn vriendin te troosten na de verkiezingsuitslag, want als een depressieve pessimist ergens goed in is, is het wel in lachen in donkere tijden.

    illu j franzen03

    Hoe was de proleet met de dikke vingers in het Witte Huis terechtgekomen? Toen Hillary Clinton weer in het openbaar verscheen, verleende zij een ‘soort-bij-soort’-analyse van haar karakter geloofwaardigheid door een a-leidt-tot-b-narratief te volgen. We laten even buiten beschouwing dat ze nonchalant omging met haar mail en dat ze repte van een ‘basket of deplorables’. We laten even buiten beschouwing dat er onder kiezers misschien een terechte onvrede leeft over de linkse elite die Clinton vertegenwoordigde; dat kiezers de vrije handelsmarkt, de open grenzen en de automatisering misschien niet helemaal op waarde weten te schatten wanneer de middenklasse de prijs betaalt voor de wereldwijd toegenomen welvaart; dat kiezers er moeite mee hebben dat de liberale normen van stedelijke gebieden worden opgelegd aan het conservatieve platteland. Volgens Clinton kwam haar verlies op het conto van James Comey – en misschien ook wel van de Russen.

    Ik zal niet ontkennen dat ik zelf ook mijn verhaal paraat had. Toen ik vanuit Afrika terugkeerde in Santa Cruz, worstelden mijn linkse vrienden nog altijd met de vraag hoe Trump in godsnaam kon hebben gewonnen. Ik herinnerde me een optreden dat ik ooit had gedaan met de optimistische socialmediaexpert Clay Shirky, die het publiek in herinnering had gebracht hoe ‘geschokt’ culinair recensenten in New York hadden gereageerd toen Zagat, een crowded-sourced recensieplatform, Union Square Cafe had uitgeroepen tot beste restaurant van de stad. Shirky wilde aantonen dat professionele recensenten lang niet zo slim zijn als ze denken; sterker nog, dat recensenten overbodig zijn in tijden van Big Data. Hoewel Union Square Cafe ook mijn favoriete restaurant was (het grote publiek had gelijk!) had ik me tijdens dat optreden wat zuur afgevraagd of Shirky echt van mening was dat recensenten ook gek waren wanneer ze zeiden dat Alice Munro een betere schrijver is dan James Patterson. Maar door Trumps overwinning voelt Shirky gesterkt in het ridiculiseren van experts. Social media hadden Trump in staat gesteld het kritische establishment te omzeilen en er waren net genoeg mensen onder de kiezers, in cruciale swing states, die zijn platte humor en zijn vlammende betogen ‘beter’ vonden dan Clintons genuanceerde argumenten en haar ongeëvenaarde politieke ervaring. A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump.

    Na de verkiezing leek Mark Zuckerberg heel even, in zekere zin, verantwoordelijkheid te nemen voor wat er was gebeurd, voor het feit dat hij een platform had gecreëerd dat werd gebruikt voor het verspreiden van nepnieuws over Clinton, en hij leek te suggereren dat Facebook een actievere rol zou kunnen spelen bij het filteren van nieuws. (Nou, veel succes.) Twitter hield zich gedeisd. Wat moest Twitter zeggen, terwijl Trump onverdroten door twitterde? Dat Twitter een vooruitgang was?

    In december hoorde ik op mijn favoriete radiozender in Santa Cruz een nepadvertentie voor een therapie gericht op mensen die verslaafd waren aan anti-Trumptweets en dito facebookberichten. De maand daarop, een week voor Trumps inauguratie, organiseerde PEN Amerika een aantal bijeenkomsten door het hele land om te protesteren tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting waar Trump symbool voor zou staan. Hoewel de inreisbeperkingen van zijn regering het voor schrijvers uit moslimlanden lastiger zou maken hun stem te laten horen in de Verenigde Staten, was er één ding waar we Trump niet van konden betichten, in januari, en dat was dat hij de vrijheid van meningsuiting op wat voor manier dan ook aan banden had gelegd. Zijn leugenachtige, misselijke tweets waren de vrijheid van meningsuiting in overdrive. PEN had nog geen drie jaar eerder een vrijheid-van-meningsuitingonderscheiding uitgereikt aan Twitter, voor de rol die het had gespeeld tijdens de Arabische Lente. Uiteindelijk heeft de Arabische Lente erin geresulteerd dat de autocratie zich heeft verschanst, en inmiddels lijkt Twitter zelf, in handen van Trump, het middel bij uitstek om een autocratie in stand te houden. De ironie kent geen grenzen: tijdens diezelfde week in januari riepen linkse auteurs en boekwinkels op tot een boycot van Simon & Schuster vanwege de voorgenomen publicatie van een boek van de nare, rechtse provocateur Milo Yiannopoulos. De kwaadste boekhandelaren overwogen alle titels van Simon & Schuster uit de schappen te weren, waaronder vermoedelijk ook de boeken van Andrew Solomon, de voorzitter van PEN. Er kwam pas een einde aan de controverse toen S&S het contract met Yiannopoulos verbrak.

    Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn

    Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn – studenten en actievoerders claimen het recht om niet te horen wat ze vervelend vinden, en om ideeën waar ze aanstoot aan nemen weg te jouwen. Onverdraagzaamheid viert hoogtij op internet, waar genuanceerde meningen worden afgestraft doordat er niet op wordt geklikt, waar onzichtbare Facebook- en Google-algoritmen je naar content leiden die in je straatje past, en waar tegendraadse stemmen zwijgen uit angst te worden geflamed, getrold of ontvriend. Met als gevolg dat je in een bubbel terechtkomt waarin je het gevoel hebt dat je, ongeacht aan welke kant je staat, het volste recht hebt om te haten wat je haat. En dat is ook een aspect waarin het essay verschilt van andere subjectieve manieren om je te uiten die er enigszins aan verwant lijken. Het essay is geworteld in de literatuur, en een van de mooie aspecten van literatuur – denk bijvoorbeeld aan het werk van Alice Munro – is dat literatuur je aan het denken zet, of je het misschien toch niet helemaal goed ziet, of misschien zelfs wel helemaal fout, en of het misschien valt te begrijpen dat iemand je haat.

    Drie jaar geleden wond ik me ontzettend op over de klimaatverandering. De Republikeinen bleven vasthouden aan hun leugens over gebrek aan sluitend wetenschappelijk bewijs – het milieudepartement in Florida was zelfs zo ver gegaan dat het werknemers had verboden het woord klimaatverandering nog te gebruiken nadat de gouverneur van Florida, een Republikein, erop had gehamerd dat het ‘geen feit’ was. Maar ik was minstens zo kwaad op links. Ik had een nieuw boek gelezen van Naomi Klein, This Changes Everything, waarin ze de lezer geruststelde dat het weliswaar ‘vijf voor twaalf’ was, maar dat we nog altijd tien jaar de tijd hadden om de mondiale economie grondig te hervormen en te zorgen dat de temperatuur in de loop van deze eeuw met niet meer dan twee graden zou stijgen. Klein was niet de enige in linkse hoek die zei dat we nog tien jaar de tijd hadden. Sterker nog, milieuactivisten zeggen al sinds 2005 precies hetzelfde.

    Ook in 1995 werd het al gezegd: we hebben nog tien jaar de tijd. Maar zo rond 2015 moest wel duidelijk zijn dat de mensheid op geen enkele manier – politiek, psychologisch, ethisch, economisch – in staat zal zijn de CO2-uitstoot snel genoeg te verminderen om het tij te keren. Zelfs voor de Europese Unie, die vooropging in de klimaatkwestie, en die andere delen van de wereld graag de les mocht lezen over hun onverantwoorde gedrag, was in 2009 een recessie voldoende om de focus te verleggen naar economische groei.

    Tenzij er de komende tien jaar een wereldwijde opstand komt tegen het vrijemarktkapitalisme – het scenario waarvan Klein zei dat het ons nog net op tijd zou kunnen redden – zal de temperatuur deze eeuw vermoedelijk met een graad of zes stijgen. We mogen van geluk spreken als we een stijging van twee graden voor 2030 weten te voorkomen.

    In een landsbestuur dat steeds grimmiger verdeeld raakte, was de waarheid omtrent klimaatverandering links nog onwelgevalliger dan rechts. De klimaatontkenningen van rechts waren grove leugens, maar ze waren tenminste consistent met een bepaalde hard-realistische politieke lijn. Links, dat rechts altijd intellectuele onbetrouwbaarheid heeft verweten en dat klimaatontkenning als een soort strijdkreet heeft gehanteerd, bevond zich in een onmogelijke situatie. Het moest blijven hameren op de waarheden van de klimaatwetenschappers terwijl het tevens vasthield aan het fictieve idee dat wereldwijde actie het doemscenario nog zou kunnen afwenden: dat door een wereldwijde erkenning van de feiten, waarmee we in 1995 het tij nog hadden kunnen keren, het tij nog altijd gekeerd zou kunnen worden. Want wat deed het er anders nog toe dat de Republikeinen de wetenschappelijke bewijzen betwistten?

    Omdat ik sympathiseerde met links – de CO2-uitstoot terugdringen is een stuk beter dan gewoon maar nietsdoen: elke halve graad helpt – verwachtte ik ook meer van links. Het ontkennen van de grimmige werkelijkheid, doen alsof het klimaatakkoord van Parijs het onheil kon afwenden, was een begrijpelijke tactiek om draagvlak te houden voor het terugdringen van de CO2-uitstoot: de hoop in leven houden.

    Maar als strategie deed het meer kwaad dan goed. Men kon zich niet langer moreel superieur voelen, het was een belediging voor het intellect van kiezers die nog niet waren overtuigd (‘Echt? Hebben we nog tien jaar?’) en het stond een open discussie in de weg over de vraag hoe de wereldgemeenschap zich zou moeten voorbereiden op drastische veranderingen, en hoe landen als Bangladesh gecompenseerd moesten worden voor wat landen als Amerika hen hadden aangedaan.

    Door al het gedraai ontstond ook een verkeerd beeld van de prioriteiten. In de afgelopen twintig jaar heeft de milieubeweging zich blindgestaard op één onderwerp. Deels uit oprechte zorg, maar ook deels omdat het in politieke zin minder riskant was – minder elitair – om de problemen voor de mens te laten prevaleren boven de natuur. De grote milieu ngo’s hebben dan ook hun politieke kapitaal ingezet op het tegengaan van de klimaatverandering, een probleem met een menselijk gezicht. De ngo waar ik me, als vogelliefhebber, enorm kwaad over heb gemaakt is de National Audubon Society, ooit een onvermoeibaar strijder voor vogels, nu een krachteloze instelling met een enorme pr-afdeling. In september 2014 maakte die pr-afdeling met veel tamtam wereldkundig dat de klimaatverandering de grootste bedreiging was voor de vogelstand in Noord-Amerika. Die voorstelling van zaken was niet alleen op kleine schaal vals, omdat de formulering niet strookte met de bevindingen van Audubons eigen wetenschappers, maar ook vals in bredere zin omdat niet één dode vogel direct kon worden gerelateerd aan de CO2-uitstoot. In 2014 was de grootste bedreiging voor de Amerikaanse vogel het verdwijnen van hun habitat, gevolgd door loslopende katten, gebouwen waar ze tegenop vlogen en pesticiden. Door het magische woord klimaatverandering van stal te halen, kreeg Aubudon veel aandacht in de linkse media. En weer was er een punt gescoord in de strijd tegen de rechtste klimaatontkenners. Maar geen idee wat de vogels daarmee opschoten. Naar mijn idee was het enige merkbare effect van de mededeling van Aubudon dat mensen hun ogen sloten voor de ware gevaren voor vogels in het hier en nu.

    Kwaad

    Ik was zo kwaad dat ik bedacht dat ik maar het beste een essay kon schrijven. Ik begon met een tirade tegen de National Audubon Society, plaatste die vervolgens in breder perspectief met een smalende aanklacht tegen de milieubeweging in het algemeen, en schrok vervolgens midden in de nacht in paniek wakker, vervuld van wroeging en twijfel. Voor de schrijver is een essay een spiegel, en wat ik in deze spiegel zag, zinde me niet. Waarom nagelde ik een paar linkse medestanders aan de schandpaal terwijl de klimaatontkenners zo veel erger waren? Het vooruitzicht van klimaatverandering vond ik minstens zo stuitend als de groeperingen waartegen ik van leer trok. Met elke graad die de aarde opwarmt, zouden wereldwijd nog eens honderden miljoenen mensen in grote problemen komen. Moesten we niet alles op alles zetten om dit tegen te gaan, al was het maar met een halve graad? Was het niet stuitend om het zelfs maar over vogels te hebben terwijl de kinderen in Bangladesh gevaar liepen? Ja, de aanname van mijn essay was dat we ook een ethische verantwoordelijkheid hebben tegenover andere soorten dan de mens. Maar stel nou dat die aanname niet klopte? En zelfs als hij wel klopte – ging de biodiversiteit mij echt zo aan het hart? Of was ik gewoon een bevoorrechte blanke die het leuk vond om in zijn vrije tijd te gaan vogelen? En dan ging het me nog niet eens alleen om de vogels, maar ook om mijn lijstjes!

    Nadat ik drie nachten lang mijn karakter en mijn drijfveren in twijfel had getrokken, belde ik Henry Finder en zei dat het me niet lukte om het stuk te schrijven. Ik was vaak genoeg tekeergegaan over de klimaatverandering in het bijzijn van mijn vrienden en gelijkgestemde natuurliefhebbers, maar dat verschilde weinig van de tirades op internet, waar je je kunt verschuilen achter het feit dat alles spontaan uit je pen is gerold, ten overstaan van een publiek dat goeddeels achter je staat. Doordat ik nu een afgerond geheel wilde schrijven, een essay, werd ik geconfronteerd met de rafelranden van mijn ideeën. Daarnaast was er een groter risico op schaamte, omdat het hier een doordacht stuk betrof, en omdat het verspreid zou worden onder een publiek van vermoedelijk vijandige onbekenden. Henry’s aansporing (‘Daarom moet je’) indachtig, was ik de essayist gaan zien als een soort brandweerman, die recht de vlammen van de schaamte in moet rennen, terwijl iedereen die nu juist probeert te ontvluchten. Ik had ineens veel meer te vrezen dan alleen de afkeuring van mijn moeder.
    Misschien zou mijn essay voorgoed uit beeld zijn verdwenen als ik niet al op een knop had geklikt op de website van Aubudon, om te bevestigen dat ook ik me wilde inzetten voor de strijd tegen klimaatverandering. Dat had ik alleen gedaan in mijn zoektocht naar retorische munitie voor mijn strijd tegen Audubon, maar vervolgens werd ik bedolven onder directmailberichten. Ik kreeg er zeker acht in zes weken, allemaal met een verzoek om geld. Daarnaast werd ik ook nog eens overspoeld door nieuwsbrieven. Een paar dagen nadat ik Henry had gesproken, klikte ik een van die nieuwsbrieven aan en zag een foto van mezelf – godzijdank een flatteuze foto, die in 2010 was gemaakt voor Vogue dat me beter had gekleed dan ik mezelf gewoonlijk kleed en dat me met mijn verrekijker in een weiland had gezet, als vogelaar. De kop luidde iets als ‘Steun Audubon, samen met schrijver Jonathan Franzen’. Het is waar dat ik me een paar jaar eerder, in een interview voor het blad van Aubudon, in beleefde bewoordingen positief had uitgelaten over de organisatie, of in ieder geval over het blad. Maar niemand had mij om toestemming gevraagd mijn naam en foto te gebruiken om steun te werven. Ik vroeg me zelfs af of die mail wel helemaal legaal was.

    Vreemde vogel

    Een wat mildere prikkel om het essay weer tevoorschijn te halen kwam van Henry. Voor zover ik wist had Henry maar weinig met vogels, maar hij leek wel iets te zien in mijn redenering dat onze obsessie met toekomstige rampen ons ervan weerhoudt iets te doen aan de behapbare milieuproblemen in het hier en nu. Hij stuurde me een mail met de voorzichtige suggestie dat ik misschien iets zou kunnen doen aan mijn toon van profetische hoon. ‘Gek genoeg zal het stuk winnen aan overredingskracht,’ schreef hij in een andere mail, ‘als je wat meer ambivalentie toelaat, je wat minder polemisch opstelt. Je richt je pijlen niet op de mensen die aandacht willen genereren voor klimaatverandering en emissiereductie. Maar je hebt wel oog voor de kosten. Zodoende wordt de discussie gevoerd op het scherp van de snede.’ Mail na mail, revisie na revisie, wist Henry me met zachte hand over te halen het essay niet in de vorm te gieten van een aanklacht, maar eerder van een vraag: hoe kunnen we zingeving vinden in ons handelen wanneer de wereld ten dode lijkt opgeschreven? In de laatste versie had ik veel ruimte gereserveerd voor een aantal goed ontvangen regionale milieuprojecten in Peru en Costa Rica, projecten waar de wereld ook echt beter van wordt, niet alleen voor wilde planten en wilde dieren, maar ook voor de lokale Peruvianen en Costa Ricanen. Het werken aan deze projecten is betekenisvol op persoonlijk vlak, en de positieve effecten zijn direct en tastbaar.

    Door over die twee projecten te schrijven, hoopte ik dat een of twee grote liefdadigheidsorganisaties, die bijvoorbeeld tientallen miljoenen steken in de ontwikkeling van biodiesel of windmolenparken in Eritrea, bij het lezen van mijn stuk zouden overwegen geld te steken in projecten die tastbaar resultaat opleveren. In plaats daarvan werd ik onder vuur genomen vanuit het linkse kamp. Ik zit niet op social media, maar ik begreep van mijn vrienden dat ik voor van alles en nog wat werd uitgemaakt, waaronder ‘vreemde vogel’ en klimaatontkenner. Flarden uit mijn essay, volkomen uit hun verband gerukt, werden geretweet, waardoor het leek alsof ik er voorstander van was om te stoppen met remissiereductie – het standpunt van de Republikeinen. Binnen de polariserende logica van online discussies werd ik vervolgens bestempeld tot klimaatontkenner. Terwijl ik in werkelijkheid zo overtuigd ben van het gelijk van de klimaatwetenschappers dat ik geen enkele hoop meer koester voor de ijskappen. Het enige wat ik heb ontkend is dat een rechts georiënteerde internationale elite, die bijeenkomt in dure hotels over de hele wereld, in staat zou zijn het smelten van de ijskappen te voorkomen. Dat was mijn misdaad tegen de orthodoxe leer.

    Het klimaat heeft de linkse verbeelding dusdanig in de houdgreep dat elke poging om het gesprek een andere wending te geven – zelfs een poging om het gesprek te brengen op het tragische uitsterven van de mens, waar we ook zonder hulp van het milieu al hard naartoe op weg zijn – maakt dat je als een afvallige wordt beschouwd.

    Ik had begrip voor de mensen die zich beroepsmatig met klimaatverandering bezighouden en die zich tegen het essay keerden. Zij hadden zich tientallen jaren ingespannen om Amerikanen bewust te maken van het probleem, en uiteindelijk hadden ze president Obama aan hun kant weten te krijgen; er was een klimaatakkoord gekomen. Het was geen handig moment om te stellen dat de verregaande opwarming van de aarde al een voldongen feit is, en dat het onwaarschijnlijk is dat de mens de fossiele brandstoffen in de grond zal laten zitten, zeker wanneer je bedenkt dat op dit moment nog niet één land die toezegging heeft gedaan.

    Ik had ook begrip voor de woede binnen de wereld van de duurzame energie, een industrie die met geen andere bedrijfstak valt te vergelijken. Als je je op het standpunt stelt dat het gebruik van duurzame energie slechts een vertragingstactiek is, omdat de schade van de CO2-uitstoot niet valt terug te draaien en nog eeuwen zal doorwerken, opent dat de deur voor talloze andere vragen op dit gebied. Hebben we bijvoorbeeld echt zo veel windmolens nodig? Moeten die echt in ecologisch kwetsbare gebieden worden geplaatst? En de zonneparken in de Mojavewoestijn? Was het niet veel logischer geweest om Los Angeles te bedekken met zonnepanelen en de open ruimte ongemoeid te laten? Waren we niet bezig om de natuur te verwoesten teneinde de natuur te redden? Volgens mij was het een blogger uit die hoek die me voor ‘vreemde vogel’ uitmaakte.

    “Als het over de publieke opinie gaat,” zei hij, “dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd”

    Even terug naar Aubudon. Dat fundraisingmailtje had me duidelijk moeten maken wat voor soort mensen daar aan de top zitten. Maar ik stond evengoed te kijken van Aubudons reactie op mijn essay: een frontale, persoonlijke aanval op iemand die ze twee maanden daarvoor nog probleemloos voor hun karretje hadden gespannen. Toegegeven, ik had Aubudon niet gespaard in mijn essay. Ik wilde dat ze ophielden met hun onzinverhalen, dat ze niet langer verwezen naar ‘over vijftig jaar’, en dat ze zich daadkrachtiger zouden inzetten voor de vogels die zowel hun als mij aan het hart gingen. Maar Aubudon zag duidelijk alleen een bedreiging voor hun ledental en fondsen, dus moest ik als mens onschadelijk worden gemaakt. Ik heb me laten vertellen dat het hoofd van Aubudon vier keer zijn pijlen op mij persoonlijk heeft gericht. Zo doet een directeur dat tegenwoordig kennelijk. En het werkte. Ik schaamde me, zonder die tirades te hebben gelezen – domweg omdat ik wist dat anderen ze hadden gelezen. Ik voelde me zoals ik me vroeger op school had gevoeld, gemeden door de rest van de klas en uitgemaakt voor van alles en nog wat, wat me eigenlijk niet zou moeten raken, maar dat ondertussen toch deed. Ik wilde dat ik mijn nachtelijke paniekaanvallen niet in de wind had geslagen en dat ik mijn mening voor me had gehouden. Over mijn toeren belde ik Henry en stortte al mijn schaamte en berouw over hem uit. Hij antwoordde, op zijn nauwelijks verstaanbare wijze, dat ik de online reacties moest zien als het weer. ‘Als het over de publieke opinie gaat,’ zei hij, ‘dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd.’

    Het deed weinig ter zake of ik dat al dan niet geloofde. Het was voldoende om te weten dat er één iemand was, Henry, die me niet verafschuwde. Ik troostte mezelf met de gedachte dat het klimaat zo groots en chaotisch is dat één iemand het onmogelijk kan veranderen, maar dat het daarom nog wel zin kan hebben om als individu te proberen iets te veranderen aan het lot van één getroffen dorp, één slachtoffer van de mondiale onrechtvaardigheid.

    Of het lot van één vogel, één lezer. Nadat de online vlammen waren geluwd, hoorde ik een-op-een van mensen uit de milieuhoek dat ze mijn frustratie deelden maar het zich niet konden veroorloven daar uiting aan te geven. Er waren niet veel mensen die iets van zich lieten horen, maar het hoefden er ook niet veel te zijn. Bij iedereen die het wel deed, dacht ik: Ik heb dit essay voor jou geschreven.

    Maar nu, tweeënhalf jaar later, terwijl de ijskappen afbrokkelen en de Twitterpresident zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, slaat de twijfel toe. Ik zie inmiddels onder ogen dat ik het essay niet alleen heb geschreven om een paar milieubeschermers een hart onder de riem te steken en om wat liefdadigheidsgeld een bepaalde richting op te sluizen. Ik wilde echt het klimaat veranderen. Dat wil ik nog steeds. Ik deel, uitgerekend met de mensen die mijn essay hekelden, het inzicht dat de opwarming van de aarde hét probleem van deze tijd is, misschien wel het grootste probleem in de geschiedenis van de mensheid. We bevinden ons allemaal in de situatie van de indianen toen de Europeanen ten tonele verschenen met hun geweren en hun pokken: onze wereld staat aan de vooravond van een ingrijpende, onvoorspelbare verandering die naar alle waarschijnlijkheid slecht zal uitpakken. Ik koester geen enkele hoop dat we de verandering nog kunnen tegenhouden. Mijn enige hoop is dat we de realiteit op tijd onder ogen zullen zien om ons er op een menswaardige manier op te kunnen voorbereiden, en mijn enige overtuiging is dat het beter is om de werkelijkheid open en eerlijk tegemoet te treden, hoe pijnlijk ook, dan hem te ontkennen.

    Als ik dat essay nu zou schrijven, zou ik dat misschien allemaal zeggen. De spiegel van mijn essay, zoals het destijds is gepubliceerd, toonde me een boos buitenbeentje dat van vogels houdt en denkt het beter te weten dan de grote massa. Misschien ben ik dat ook allemaal wel, maar ik ben ook meer dan dat, en een beter essay zou ook die andere kant hebben getoond. In een beter essay zou ik Audubon misschien ook hebben gehekeld, maar ik zou ook meer sympathie hebben opgebracht voor de anderen op wie mijn woede zich richtte: de klimaatactivisten, die twintig jaar lang hadden toegekeken hoe hun pad naar de overwinning angstaanjagend versmalde terwijl de CO2-uitstoot alleen maar toenam en de noodzakelijke emissiereductiedoelstellingen steeds onhaalbaarder werden; de mensen in de duurzame-energiebranche die een gezin moesten onderhouden en die op zoek waren naar alternatieven; de milieu-ngo’s die dachten eindelijk een onderwerp te hebben gevonden dat de wereld zou wakker schudden; politiek links dat de klimaatverandering aangreep als een laatste overtuigend argument voor collectivisme in een tijd waarin het neoliberalisme en de bijbehorende technologieën het electoraat reduceerden tot individuele consumenten. Ik zou vooral hebben getracht al die mensen tegemoet te komen die meer behoefte hebben aan hoop dan een depressieve pessimist, mensen voor wie het vooruitzicht van een hete toekomst vol rampspoed ondraaglijk triest en angstaanjagend is, en die daar dan ook niet aan willen denken – wat hen niet valt kwalijk te nemen. Ik zou zijn blijven schaven.

    WIE IS JONATHAN FRANZEN?

    De Amerikaan Jonathan Franzen (1959) wordt de belangrijkste schrijver van zijn generatie genoemd. In 2001 brak hij internationaal door met zijn meesterwerk De correcties, waarvoor hij de National Book Award ontving, negen jaar later lanceerde hij Vrijheid, en vervolgens Zuiverheid. Met opzet tweeslachtige termen waarvan de tegenpolen ‘onvrijheid’ en ‘verdorvenheid’ in de respectievelijke romans leidend zijn.

    Franzen belandde als eerste schrijver in tien jaar op de cover van TIME magazine, als ‘Great American Novelist’. Kenmerkend voor zijn epische romans is het maatschappelijke decor waarbinnen de auteur zijn personages – of de Amerikaanse cultuur – met subtiele satire doorgrondt. In ‘Is it too late to save the world?’ toont hij zich opnieuw meester in het literaire genre van de essayistiek: de extensieve verhaallijnen van ‘oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed’ samenbrengen.