Ongeveer vijftig Oekraïense burgers zijn geëvacueerd uit de Palestijnse enclave. Een groep vrouwen en kinderen vond hun toevlucht in de grote havenstad Odessa, die eveneens dagelijks bombardementen te verduren krijgt.
Een kleine Eiffeltoren en vier lachende beeldjes die een gezin voorstellen. Dat is ongeveer alles wat de vijfentwintigjarige Tamara Abu Auda kon meenemen toen ze Gaza ontvluchtte. De souvenirs rusten nu op de vensterbank van haar kamer die uitkijkt op een binnenplaats die omringd wordt door grijze gebouwen in Odessa, Oekraïne. Het gebouw aan de verarmde rand van de havenstad is omgebouwd tot een ontmoetingscentrum en bood tot nu toe alleen onderdak aan binnenlandse bannelingen uit de door het Russische leger bezette gebieden. De afgelopen maanden is een hele verdieping gereserveerd voor tweeëndertig vrouwen en kinderen uit Gaza, op de vlucht voor een andere oorlog dan die Oekraïne al meer dan twee jaar teistert.
Tamara Abu Auda en haar twee kinderen van vijf en zeven, Tala en Ayham, behoorden tot de ongeveer vijftig Oekraïense burgers die begin maart uit de Gazastrook werden geëvacueerd. ‘We hebben veel meegemaakt,’ zegt hun grootmoeder, Tatiana Abu Auda, 49, ‘en het is moeilijk voor ons om het leven weer op te pakken. Een deel van de familie is hier, het andere deel is daar gebleven. We weten niet wat de toekomst voor ons in petto heeft.’
26 april was een rustige dag in Odessa, wat uitzonderlijk is gezien de regelmatige Russische bombardementen op de stad. Kinderen spelen en schreeuwen op de zonnige binnenplaats van het gebouw dat ze bewonen. Op de vijfde verdieping, vanuit de slaapkamer die ze deelt met Tamara, Tala en Ayham, werpt Tatiana Abu Auda een tedere blik op de buitenwereld. ‘De kinderen hebben moeite om te slapen na alles wat ze hebben meegemaakt.’ Het is meer dan veertien jaar geleden dat deze vrouw uit de stad Melitopol, die nu onder controle staat van het Russische leger, voor het laatst haar geboorteland bezocht.
Sinds 1998 leefde ze in de Gazastrook. Net als honderden andere vrouwen die deel uitmaken van de Oekraïense gemeenschap van de enclave (vijftienhonderd mensen in de afgelopen jaren, volgens de website van de Palestijnse diplomatieke vertegenwoordiging in Oekraïne), besloot Tatiana om zich daar te vestigen vanwege de liefde. In 1992, toen ze studeerde aan de Landbouwuniversiteit in Charkiv, een grote stad in het oosten van het land, ontmoette ze Nadil, nu 55, een Palestijn die naar Oekraïne was gekomen om een opleiding te volgen.
Verspreid
In 1998 verhuisden ze naar Gaza City, waar ze vier dochters kregen: Tamara, Diana, Nadia en Nour. ‘We waren gelukkig,’ zegt Tatiana. Nadil werkte voor een elektriciteitsbedrijf. De twee oudste meisjes trouwden ook. De twee jongere meisjes droomden ervan zangeres en fotograaf te worden.
In de stad Gaza ‘waren we allemaal bevriend met elkaar’, zegt Irina Kharara, haar sombere gezicht in een zwarte sjaal gewikkeld. Ook zij is moeder van vijf kinderen en ontmoette haar man Saïd toen hij begin jaren negentig in Charkiv studeerde. In Gaza had het stel een kleine winkel in telefoonaccessoires in het centrum van de stad. De Oekraïense vrouwen wilden de tradities van hun land graag voortzetten. Ze leerden hun kinderen de Russische en Oekraïense taal en gebruiken, met dans- en zangworkshops.
Op de dag dat de Israëlische bombardementen begonnen als vergelding voor de Hamas-aanval op 7 oktober 2023, ‘vroegen we ons af of we de kinderen naar school moesten brengen en aan het werk moesten gaan’, herinnert Tatiana Abu Auda zich, die net als de anderen ook de vorige Israëlische oorlogen en militaire operaties in de enclave heeft meegemaakt. ‘We bemoeien ons niet met politiek en tot nu toe konden we gewoon verdergaan,’ vervolgt Irina Kharara. ‘Maar deze keer beseften we al snel dat het anders zou gaan. Gezinnen moesten in de chaos evacueren. De gemeenschap raakte verspreid.’
Irina Abu Auda en haar gezin brachten de eerste weken door in het noorden van de Gazastrook, voordat ze in november naar het zuiden trokken, richting de Egyptische grens. Daae, in Rafah, leefden zij en haar dochters meer dan vier maanden in een tent.
‘De mannen vertelden hun vrouwen dat ze eerst aan de kinderen moesten denken’
Yasmin Al-Jarot, achtentwintig jaar, dochter uit een gemengd huwelijk tussen een Oekraïense vrouw en een Palestijnse man, herinnert zich haar maandenlange zwerftocht met haar man Kamar en haar drie kinderen, waarvan de jongste amper twee weken oud was.
‘Het was een nachtmerrie,’ zegt ze in het Russisch. Irina Kharara verloor haar man Saïd en een van haar zonen, Khalil, tijdens een Israëlisch bombardement. Een andere zoon, Zakaria, student informatica, raakte ook gewond: zijn bekken brak en zijn huid verbrandde ernstig. Hij ligt nog steeds in het ziekenhuis in de enclave.
Deze Oekraïense vrouwen konden vertrekken dankzij hun nationaliteit, die automatisch ook wordt toegekend aan hun kinderen. In de Gazastrook communiceerden Tatiana Abu Auda en de anderen met een vertegenwoordiger van het Oekraïense consulaat in Ramallah en hielden ze elkaar op de hoogte via een WhatsApp-kanaal.
Toen ze uiteindelijk te horen kregen dat ze geëvacueerd zouden worden, begrepen ze ook dat dat niet voor hun Palestijnse echtgenoten gold. Sommigen, zoals Diana, een van de dochters van Tatiana Abu Auda, weigerden Gaza te verlaten. ‘Er vloeiden veel tranen,’ zegt haar moeder. ‘De mannen vertelden hun vrouwen dat ze eerst aan de kinderen moesten denken, dat het belangrijkste was dat zij zouden overleven.’
Na een onderbreking van een paar dagen in een Egyptisch hotel werd de groep naar Chisinau in Moldavië gestuurd. Daar scheidden hun wegen opnieuw. De vrouwen die sinds het begin van de Russische invasie naar Europa waren gevlucht voegden zich weer bij hun Oekraïense families, de anderen, ongeveer dertig in totaal, keerden bij gebrek aan een alternatief naar Odessa terug. Geen van hen geeft commentaar op de Russische agressie die al meer dan twee jaar aan de gang is tegen Oekraïne.
Ze delen allemaal het gevoel dat ze min of meer veilig zijn in Odessa, ondanks de bijna dagelijkse bombardementen
‘We zijn van de ene oorlog in de andere beland,’ verzucht Yasmin Al-Jarot in de keuken van het gebouw, haar dochtertje van zeven maanden in de armen. ‘Maar hier is het beter dan daar. Daar [in de Gazastrook, waar haar man en broer nog steeds zijn] is het een verschrikking,’ zegt ze, verwijzend naar de intensiteit van de Israëlische bombardementen en blokkades, het gebrek aan water en voedsel, et cetera. ‘Het is er niet langer leefbaar,’ zegt ze. ‘Het is er niet langer leefbaar,’ beaamt Irina Kharara.
Ze delen allemaal het gevoel dat ze min of meer veilig zijn in Odessa, ondanks de bijna dagelijkse bombardementen, deze keer vanuit Rusland, die op de stad neerkomen. Als de waarschuwingssirene loeit, gaan zij en hun kinderen naar de centrale gang van het gebouw, het minste wat ze kunnen doen om zichzelf te beschermen. De jongste kinderen hebben moeite om in slaap te vallen omdat hun vaders weg zijn en doordat het geluid van de explosies herinneringen oproept aan de bombardementen op Gaza.
De Oekraïense vluchtelingen hebben het historische centrum van deze majestueuze stad aan de Zwarte Zee slechts één keer bezocht. Het contact met de lokale bevolking beperkt zich tot de beheerder van het ontmoetingscentrum, Oleh, en andere vluchtelingen uit de gebieden die door het Russische leger zijn bezet.
Het moeilijkste, zeggen ze, is niet zozeer het leven in een ander land in oorlog als wel het gescheiden zijn van hun geliefden in de Gazastrook. ‘We maken ons voortdurend zorgen omdat we weten dat ze elk moment kunnen sterven,’ zegt Irina Kharara. Net als alle anderen brengt ze haar dagen door met wanhopig wachten op nieuws over haar gewonde zoon en haar dochter, die er vastzit in afwachting van haar documenten.
Leven tussen aanhalingstekens
In de keuken barst Yasmin Al-Jarot in tranen uit als ze het heeft over haar man en broer die in Rafah zijn achtergebleven. Twee andere jonge vrouwen staan op en verlaten discreet de kamer om hun tranen te verbergen. ‘Mijn kinderen huilen elke dag en vragen me wanneer hun vader terugkomt,’ zegt Yasmin. ‘Het is zo moeilijk om sterk te blijven.’
Samar Sharaf, negentien jaar, laat de personages zien die zij en haar zus in een notitieboekje tekenden toen ze de belegerde stad ontvluchtten. Het jonge meisje is geboren in Kyiv en woont sinds haar zesde in Gaza. Genoeg om zich er thuis te voelen. ‘Mijn familie is daar, mijn vrienden zijn daar, mijn leven is daar,’ roept ze bijna uit. Elke dag probeert ze nieuws te krijgen van haar familieleden die in de enclave zijn gebleven. Soms, als ze signaal hebben, vragen ze haar om foto’s van Odessa te sturen.
Dit leven tussen aanhalingstekens, gevangen tussen twee oorlogen, verhindert hen om aan de toekomst te denken. Maar de overgrote meerderheid droomt ervan om op een dag terug te keren naar Gaza. ‘Alles hangt af van wat hier en daar gebeurt,’ zegt Samaraf over haar toekomst. ‘Oorlogen beginnen om verschillende redenen en eindigen altijd op dezelfde manier,’ zegt Tatiana Abu Auda zachtjes. ‘Met tranen, doden, gebroken gezinnen en geruïneerde lotsbestemmingen.’
Na drie evacuaties in november en december 2023, en opnieuw in maart van dit jaar, meldt de Oekraïense ambassade in Tel Aviv dat er 363 mensen zijn geëvacueerd, waaronder 141 vrouwen, 135 kinderen en 87 mannen.
‘Oekraïne kon, net als andere landen, alleen de mensen laten evacueren die toestemming hadden van de betreffende autoriteiten in Israël en Egypte, en we speculeren niet over de redenen voor de weigeringen,’ aldus de ambassade.
Negentig mensen zijn nog steeds in afwachting van toestemming voor hun vertrek.












