Tag: Experiment

  • In Katwijk beschermen opstijgende luchtbellen het strand tegen plastic afval

    In Katwijk beschermen opstijgende luchtbellen het strand tegen plastic afval

    Bij de monding van de Oude Rijn experimenteert The Great Bubble Barrier met de zogenaamde ‘bellenbarrière’; een 120 meter lange vloed van opstijgende luchtbellen moet plastic afval naar één kant duwen zodat het kan worden ingezameld. ‘Met het bellenscherm verwachten we dat tussen de 86 en 90 procent van het plastic wordt verwijderd.’

    Vijf jaar geleden rees bij Claar-els van Delft het vermoeden dat veel plastic afval op het strand van Katwijk niet was achtergelaten door bezoekers, noch uit de zee kwam, maar uit de monding van een nabijgelegen rivier.

    ‘Bij het opruimen van zwerfvuil zagen we bij de riviermonding allerlei stukjes plastic die uit zoet water kwamen,’ zegt ze. ‘Tamponhulzen, borstelharen, maar ook verpakkingen van chips en dranken, van alles.’

    En jawel, toen vrijwilligers een olievat met rivierwater uit de Oude Rijn doorziftten, ontwaarden ze tussen het kroos kleine plastic deeltjes. ‘We schrokken van alle vervuiling die we zagen,’ zegt Van Delft, medeoprichter van de plaatselijke liefdadigheidsinstelling Coast Busters.

    Katwijk is ’s werelds eerste plek waar een ‘bellenbarrière’ in een rivier wordt geïnstalleerd

    Fast forward naar juli 2022: Katwijk is ’s werelds eerste plek waar een ‘bellenbarrière’ in een rivier wordt geïnstalleerd – een experiment waarbij een 120 meter lange vloed van opstijgende luchtbellen, tezamen met de stroming, plastic afval naar één kant duwt, zodat het kan worden ingezameld.

    The Great Bubble Barrier 1.2.3
    De Great Bubble Barrier aan het werk in Amsterdam. © The Great Bubble Barrier

    ‘We leggen een geperforeerde buis schuin op de bodem van de waterweg en pompen daar perslucht doorheen: de opstijgende luchtbellen veroorzaken een opwaartse stroom die plastic uit de waterkolom naar de oppervlakte tilt, waarna het aan de oppervlakte – met behulp van de stroming – allemaal naar één kant wordt geduwd,’ legt Philip Ehrhorn uit, hoofd technologie bij de Nederlandse startup The Great Bubble Barrier. ‘Hier zorgt het gemaal voor de doorstroom. Ook de wind kan afval in het opvangsysteem dwingen.’

    Het bedrijf, dat wordt gerund door een team van enthousiaste zeilers, surfers en andere waterliefhebbers, won in 2018 een zogeheten internationale Postcode Lottery Green Challenge en startte het jaar daarop zijn eerste permanente proefproject in een gracht in Amsterdam. Dat pakte zo veelbelovend uit dat het waterschap Rijnland, twaalf gemeenten en de regio’s Holland Rijnland en Zuid-Holland – samen met Coast Busters en lokale fondsenwervers – besloten om 470.000 euro te investeren in de bouw van een rivierbellenbarrière.

    Oude Rijn

    Jacco Knape, locoburgemeester van de gemeente Katwijk, vertelt hoe hij met eigen ogen zag hoe groot de plaatselijke plasticproblematiek is tijdens een strandafvalopruimingsactie waarvoor hij was uitgenodigd. ‘Plasticvervuiling is wereldwijd een groeiend probleem,’ zegt hij. ‘Ze treft zowel leefgemeenschappen als het milieu. Katwijk is helaas geen uitzondering. We zien plasticvervuiling door strandbezoekers die wikkels en ander plastic achterlaten, maar we zijn ook het laatste station voordat al het met de Oude Rijn meegenomen plastic in zee vloeit. Met dit bellenscherm kunnen we die plastic invasie een halt toeroepen.’

    Bubble Barrier Amsterdam in Westerdok Credits The Great Bubble Barrier.JPG
    Zo zal de grote bellenblaasmachine eruitzien van bovenaf. – © The Great Bubble Barrier

    Bas Knapp, bestuurslid bij Waterschap Rijnland, denkt dat de bellenbarrière de trek van vissen niet zal hinderen en investeert 42.000 euro per jaar om de vinding te laten draaien. ‘We hebben een test gedaan waaruit bleek dat in het gemaal slechts een op de 233 stukjes plastic groter dan 1 millimeter uit het water wordt gefilterd,’ zegt hij. ‘Met het bellenscherm verwachten we dat tussen de 86 en 90 procent van het plastic wordt verwijderd. Het was enorm veelbelovend. Dit is een van onze grootste riviermondingen en een heel goede plek om door middel van zo’n proef te proberen het plastic dat naar zee gaat, terug te dringen.’

    ‘Er is ons ook gevraagd om iets te doen voor een grote internationale haven als Rotterdam’

    Anne Marieke Eveleens, medeoprichter van The Great Bubble Barrier, houdt zich bezig met uitbreiding van de techniek. Mogelijk komt er een barrière in een estuarium in Portugal. Ook zijn er plannen voor een project in Zuidoost-Azië. ‘Er is ons ook gevraagd om iets te doen voor een grote internationale haven als Rotterdam – daar is het 20 meter diep, maar dat is nu nog niet te realiseren,’ erkent ze. ‘Ook de aanwezigheid van veel schepen en het meerdere keren per jaar baggeren maken het lastig.’

    Hoe het ook zij, velen denken dat deze techniek voor specifieke scenario’s zeer veelbelovend is. Frans Buschman, onderzoeker milieuhydrodynamica van het onafhankelijke instituut Deltares, heeft de barrière in Amsterdam getest met zo’n duizend gemarkeerde mandarijnen. ‘We hebben ze op diverse punten geloosd en geteld hoeveel er werden gevangen,’ zegt hij. ‘Aan de zijde van het opvangsysteem was dat tot negentig procent; aan de andere zijde was het percentage soms aanzienlijk lager, waarschijnlijk omdat daar een plek is waar de bubbelintensiteit niet zo hoog is. Daar glipten nogal wat mandarijnen ertussendoor.’

    Plastic sorting 13
    Plastic afval uit de rivier wordt gesorteerd als onderdeel van het onderzoek  – © The Great Bubble Barrier

    Hij voegt eraan toe dat objecten die op het water blijven drijven door de wind over de bellenbarrière kunnen worden geblazen, waardoor deze minder effectief is. Toch gaat het volgens hem om een ‘veelbelovende techniek met groot potentieel’.

    Portfolio van oplossingen

    Enkele onderzoekers wijzen er echter op dat rivierplastic niet altijd in zee terechtkomt maar wel schade toebrengt aan ecosystemen en de leefomgeving van de mens. Tim van Emmerik, universitair docent bij de groep hydrologie en kwantitatief waterbeheer van Wageningen University, zegt dat niet elk riviersysteem hetzelfde is. ‘Rivieren wereldwijd kunnen sterk variëren: van smalle grachten in Amsterdam en Leiden tot grote delta’s zoals de Mekong. Dit betekent dat één enkele technische oplossing, zoals de bellenbarrière, zeker niet overal is toe te passen. Er zal altijd behoefte blijven bestaan aan een ‘portfolio’ van oplossingen. Het effectiefst is natuurlijk minder plasticgebruik, waar ook ter wereld.’

    ‘Het effectiefst is natuurlijk minder plasticgebruik’

    In Katwijk zijn er plannen om een ​​bezoekers- en educatiecentrum te bouwen naast de bellenbarrière, met precies die boodschap. De hoop is voelbaar wanneer onder de zomerzon een stroom van zachte bubbels door het rivieroppervlak breekt, een beetje als een jacuzzi. ‘We keken er enorm naar uit,’ zegt Van Delft, heel serieus, ‘om in zwemkleding naar de opening te komen!’

    Lees ook:

  • Gary Shteyngart: Wat ik leerde van een week lang Russische tv kijken

    Gary Shteyngart: Wat ik leerde van een week lang Russische tv kijken

    De in Rusland geboren schrijver Gary Shteyngart sluit zich een week op in een hotel in Manhattan om zich onder te dompelen in de wereld van de Russische televisie. Het wordt een even hilarische als pijnlijke ervaring: ‘Het onophoudelijke lawaai maakt je duidelijk dat je een miniem radertje bent in de visie van een ander. En die ander is Vladimir Poetin.’

    Het is in een heel ander tijdperk, februari 2015, dat de populaire Amerikaanse auteur Gary Shteyngart, zoon van Russisch-Joodse immigranten, besluit dit project te ondernemen. Kort ervoor heeft Poetin zijn neo-imperialistische ambities op de Krim gericht, ‘een zonnig schiereiland in de Zwarte Zee’, waarvan Poetin beweerde dat het voor het Russische volk betekent wat de Tempelberg voor de joden en de moslims betekent – ‘een opmerking die kwetsend is voor zowel Russen als joden en moslims’. Shteyngarts psychiater, die bij hem langskomt, vertelt hij dat een van zijn motivaties misschien is om beter te begrijpen wat zijn ouders in de USSR hebben doorgemaakt. Ook is hij benieuwd of zijn visie op Poetin, ‘een bron van kwaad is die we allemaal als zodanig herkennen’, zou kunnen veranderen: ‘Zal ik ook van Poetin gaan houden, wat naar het schijnt voor 85 procent van de Russen opgaat?’ De lezer krijg in ieder geval inzicht in de beelden waarmee de Russische bevolking wordt overspoeld, en van de reusachtige rol van de president daarin.

    Op een koude, zonnige avond zit ik op de rand van mijn kingsize bed in het Four Seasons Hotel in New York, kauw op reepjes gedroogd wagyu-rundvlees en sla een hele fles pinot noir achterover terwijl ik toekijk hoe op de Russische staatstelevisie een vrouw een man speelt die een bebaarde vrouw speelt. Op een podium, dat wordt verlicht door zachtgloeiende kroonluchters, geeft de parodiste Elena Vorobei, voor een publiek van vooraanstaande bekende Russen, op de maten en de tekst van Gloria Gaynors ‘I Will Survive’, een nogal crue imitatie ten beste van Conchita Wurst, de Oostenrijkse dragqueen die in 2014 het Eurovisiesongfestival heeft gewonnen. Vorobei draagt een fonkelende jurk, geeft vette knipogen, krabt aan haar bebaarde gezicht en zwiept met een weelderige pruik. ‘Ik heb een baard!’ brult ze. Op een zeker moment brengt ze de Hitlergroet, bedoeld om het beeld op te roepen van Conchita’s vaderland, Oostenrijk. De camera glijdt langs alle lachende gezichten, blijft heel even hangen bij een bekende acteur-zanger-schrijver-bodybuilder, en vervolgens bij een van de presentatoren, Ruslands beroemde popster, de eveneens bebaarde Philipp Kirkorov (van wie algemeen wordt aangenomen dat hij homo is). De mannen, vrijwel allemaal gebronsd en strak in het pak, lachen zonder enige terughoudendheid. De vrouwen, behangen met sieraden, glimlachen veelbetekenend. Iedereen beweegt mee op de maat van de muziek en klapt.

    In Rusland worden maar weinig dingen zo serieus genomen als het Eurovisiesongfestival (vissen, voetballen en de Russisch orthodoxe kerk daargelaten). Veel van de muziek die wordt uitgezonden op de Russische televisie, met alle glamour en glitter, doet dan ook denken aan een eindeloze repetitie voor het Eurovisiesongfestival. Toen Conchita won, zei Vladimir Zjirinovski, een ultranationalist in het Russische parlement, dat Conchita’s overwinning het ‘einde van Europa’ betekende. De vicepremier en de orthodoxe kerk gaven verklaringen uit waarin ze het einde aankondigden van de christelijke beschaving zoals wij die kennen. De boodschap van het programma waarnaar ik nu kijk laat aan duidelijkheid niets te wensen over: Europa mag dan door de muziekprijs uit te reiken aan een dragqueen afstand hebben genomen van de homofobie – een waarde die het ooit deelde met Rusland –, maar Rusland zal, gelijk Gloria Gaynor, standhouden en nooit zwichten voor de slappe opvattingen van tolerantie die de rest van de wereld erop nahoudt. Het land waar burgerwachten, met als leuze ‘Occupy pedofilie’, door de straten van de grote steden trekken en homoseksuele mannen en vrouwen in elkaar slaan, hult zich nu in de mantel van het Europese christendom.

    ‘I love you, Russia,’ zingt de bebaarde zangeres aan het einde van haar nummer in het Engels. ‘Rusland, ik behoor jou toe,’ voegt ze er in het Russisch aan toe.

    Nog zeven dagen, denk ik, terwijl ik richting minibar kruip.

    Als ik me moet onderdompelen in het televisieaanbod van de gewone Russen, dan wil ik wel baden in de luxe van hun opperheren

    Je vraagt je wellicht af waarom ik huis en haard heb verlaten om hier naar Russische parodieën op dragqueens te kijken. Ik doe mee aan een experiment. De komende week zal ik me vrijwel uitsluitend voeden met beelden van de Russische staatstelevisie, die tot mij komen via drie Apple-laptops en drie Samsung-beeldschermen van 55-inch in een kamer in het Four Seasons in Manhattan. (Als ik me moet onderdompelen in het televisieaanbod van de gewone Russen, dan wil ik wel baden in de luxe van hun opperheren.) Twee van de schermen staan recht voor mijn bed, met net voldoende ruimte voor het karretje van de roomservice. Het derde scherm hangt aan een muur rechts van me. Het geheel doet denken aan de beursvloer van een zeer bescheiden hedgefund of de controlekamer van het ruimtevaartprogramma van een armlastig land. Maar ik zit hier niet om een astronaut te volgen op zijn weg door het niets. In zekere zin ben ik degene die de wereld de rug toekeert.

    Ik zit vast in mijn luxe kooi van 55 vierkante meter waarin ik, met slechts een paar momenten van respijt, televisie zal kijken wanneer ik niet slaap. Ik mag bezoek ontvangen, zolang de televisie maar aan blijft staan. Elke ochtend mag ik naar de New York Health & Racquet Club op West 56th Street lopen om baantjes te trekken in het zwembad. Vladimir Poetin schijnt elke ochtend twee uur te zwemmen om zijn hoofd leeg te maken en zich te bezinnen op staatsaangelegenheden. Ik ben net als hij, maar dan zonder Connecticut in te lijven of te proberen een zwakke munt overeind te houden – en natuurlijk zonder de beroemde ontblote borstkas te paard.

    Karakter

    Volgens het Levada Center, een onafhankelijk onderzoeksbureau, ontleent 90 procent van de Russen hun informatie voornamelijk aan de televisie. Met name mensen van middelbare en oudere leeftijd, die zijn gevormd binnen het Sovjetsysteem en die buiten Moskou en Sint-Petersburg wonen, kijken erg veel televisie. Twee van de belangrijkste zenders – Kanaal 1 en Rossiya 1 – zijn in handen van de staat. De derde zender, NTV, is in naam onafhankelijk, maar is in werkelijkheid in handen van Gazprom-Media, een dochtermaatschappij van het gigantische energie-bedrijf dat min of meer in staatshanden is. Bestuurders van alle drie de bedrijven vergaderen geregeld met hooggeplaatste ambtenaren in het Kremlin.

    Elke zender heeft net een ander karakter. Kanaal 1 was de oorspronkelijke Sovjetzender, die mijn ouders en grootouders vrolijk stemmende landbouwgegevens en ijshockeyoverwinningen voorschotelde. Er worden veel films uitgezonden, veelal klassiekers, en er is een schreeuwerig programma over gezondheid, waarvan de titel zoveel betekent als: ‘Het is echt te gek om te leven!’ Rossiya 1 is misschien wel vooral bekend vanwege het programma Nieuws van de week, waarin een hoofdrol is weggelegd voor een Kremlinpropagandist, Dmitri Kiselev, die ooit impliciet heeft gedreigd de Verenigde Staten plat te gooien, totdat er niets meer zou resten dan een hoopje radioactieve as. (Helaas voor mij heeft Kiselev even een weekje vrij genomen en zijn tirades opgeschort.) NTV is een wat gezelliger zender, met detectives en comedy’s. Ook heeft de zender een show die is geënt op Saturday Night Live, en die men schaamteloos Saturday. Night. Show. heeft genoemd. Maar tijdens de veelvuldige onderbrekingen voor het nieuws zijn de drie zenders niet van elkaar te onderscheiden in hun liefde voor zowel het vaderland als Poetin en hun dedain voor wat ze zien als het op hol geslagen, moreel verwerpelijke Westen, dat in toenemende mate wordt bevolkt door bebaarde dames.

    De vraag die ik probeer te beantwoorden is de volgende: Wat gebeurt er met mij – een veramerikaniseerde, Russisch sprekende schrijver die als kind de Sovjet-Unie heeft verlaten – als ik me laat meevoeren in de door televisie gevormde gedachtewereld van mijn voormalige landgenoten? Zal ik ook van Poetin gaan houden, wat naar het schijnt voor 85 procent van de Russen opgaat? Zal ik me naar het Russische consulaat op East 91st Street reppen om mijn Russisch staatsburgerschap terug te vragen? Zal ik New York verruilen voor de Krim, dat is geannexeerd door Poetins troepen omdat het al sinds de dagen van het Oude Testament deel zou uitmaken van Rusland? Of zal ik gewoon gek worden?

    Gewaarschuwd

    Een vriend van me in Sint-Petersburg, een man van in de dertig die, zoals veel van zijn leeftijdsgenoten, zo min mogelijk naar de staatstelevisie kijkt en zijn informatie van alternatieve nieuwsbronnen op internet haalt, waarschuwt me per e-mail: ‘Dit experiment kan schadelijk zijn voor je geestelijke gezondheid en je gezondheid in het algemeen. De Russische televisie, en dan met name het nieuws, vormt een gevaar voor de volksgezondheid.’ Ik maak me niet al te veel zorgen. Het Russische volk heeft veel ergere dingen overleefd. Maar voor het geval dát, heb ik een voorraadje kalmerende middelen, slaappillen en pijnstillers mee.

    Dag 1

    Mijn blik gaat van scherm naar scherm, ik demp het volume van kanaal 1, zet dat van Rossiya 1 harder, dat van NTV twee streepjes zachter. Op het ene kanaal bestoken Aziatische dwergen elkaar met confetti. Op een ander scherm is een muzieknummer te zien, uitgevoerd door gespierde dansers, ter ere van de 33 medailles die Rusland bij de Olympische Spelen in Sotsji in de wacht heeft gesleept. Elke regel wordt gevolgd door het Engelse refrein: ‘Oh, yeah!’

    Op een andere zender zijn twee mannen, verkleed als reusachtige beren, aan het breakdancen.

    De Russische televisie heeft met grote zorg alle tijdperken van de Amerikaanse en Engelse popcultuur bewaard en er wordt eindeloos gecombineerd – hoe gekker hoe beter, lijkt het. Twee figuren met blonde plukjes – een kleine man met een baard en een reuzin van middelbare leeftijd – brullen een cover van ‘The Look’, een hit van Roxanne uit 1989. Op een ander scherm is de beroemde Tataarse smartlappenzanger Renat Ibragimov te zien, een parmantige heer op leeftijd, die een opzwepende uitvoering ten beste brengt van Tom Jones’ weemoedige popballade uit de jaren zestig, ‘Delilah’. Als Spinal Tap echt zou bestaan, zouden die bandleden in Rusland kunnen optreden tot ze erbij neervielen. Het publiek in de studio gaat volkomen uit zijn dak, ongeacht de muziekstijl. Er wordt gejuicht en meegeklapt. Ik stuur een paar clips door naar mijn vriend Mark Butler, docent muziek en perceptie aan Northwestern University, in de hoop dat hij me kan helpen deze Russische vorm van enthousiasme te duiden. ‘Het publiek klapt niet alleen op de tweede en de vierde maat, zoals luisteraars van popmuziek meestal doen,’ schrijft hij me. ‘En het zijn ook geen “één-drie-klappers” (het cliché van mensen die niets met het ritme van popnummers hebben). Nee, deze mensen klappen op elke maat.’

    Ik herinner me al dat meeklappen van mijn vroege tienerjaren, in kroegen en tijdens bar mitswa’s in de Russische nachtclubs in Queens en Brooklyn. Ik herinner me vooral ook mijn verlangen om me aan al dat geklap te onttrekken en me stilletjes terug te trekken op de parkeerplaats. Het gelukkigste geklap, in ieder geval in mijn herinnering, is dat van mijn grootmoeder en haar generatie – mensen die zich erover leken te verwonderen dat ze nog in leven waren en dan ook nog eens op een relatief paradijselijke plek als Rego Park in Queens.

    Licht aangeschoten van de dartele Clos Du Val pinot noir, die ik achterover heb geslagen met nog wat wagyu-rundvlees, laat ik mezelf volledig gaan. Ik begin ook mee te klappen en zing zachtjes: ‘Forgif me, Deelaila, I jas kudn take anymorr.’ Ik ben in een uitstekende bui en kijk tevreden om me heen. Het Four Seasons is een perfecte setting voor de taak die mij wacht. In de lobby wemelt het van de Russen, modieuze oma’s die van top tot teen in Louis Vuitton en Chanel zijn gestoken, en die hun al even opgesmukte kleindochters langs een gigantische kerstboom voeren. Mijn kamer biedt uitzicht op het bijna voltooide 432 Park Avenue, een luxe appartementencomplex van 96 verdiepingen, dat een van de hoogste woontorens in Manhattan moet worden (de prijzen voor een appartement beginnen bij een kleine zeventien miljoen dollar). Als ik deze kamer over een jaar zou boeken, wanneer de bouw van 432 Park Avenue vermoedelijk voltooid is, dan zouden mijn blikken misschien beantwoord worden door bewoners die behoren tot de klasse van de Russische oligarchen.

    Zij die de onroerendgoedprijzen in Londen tot ongekende hoogte hebben opgedreven en die daar nu ook in New York voor zorgen.

    In de uitbundige oudjaarsprogramma’s op NTV beginnen de presentatoren steeds meer over politiek. Oudjaar is tenslotte het moment om de balans op te maken, en het opmaken van de balans is echt een Russische traditie, of het nu aan de keukentafel is of in het badhuis, of op een of ander ijzig perron ver van huis na een nacht met veel drank. Rusland is een gezegend land, maar ook een land dat dusdanig wordt geteisterd door langdurige burgeroorlogen, mondiale spanningen en ingrijpende veranderingen na het uiteenvallen van het rijk, dat veel andere landen het bijltje erbij neer zouden hebben gegooid. 1917, 1941 en 1991 – stuk voor stuk jaren waarin het hele wezen van Rusland een transformatie heeft doorgemaakt. In 2014 veranderde Rusland opnieuw, of, beter gezegd: in 2014 is Poetin een nieuwe koers gaan volgen in zijn steeds agressievere, tegen het westen gekeerde beleid. Hij heeft zich ontpopt tot een veroveraar, gelijk de Russische tsaren aan wie hij soms met pseudo-mystieke verering refereert in zijn toespraken. In 2014 richtte hij zijn neo-imperialistische ambities op de Krim, een zonnig schiereiland in de Zwarte Zee.

    Het jaar had heel anders zullen eindigen. De Olympische Spelen in Sotsji, misschien wel de meest corrupte winterspelen ooit, waren bedoeld om te laten zien dat Rusland een land was dat zich kon meten met het Westen, een land dat een peperduur pyrotechnisch spektakel kon organiseren terwijl het ook kan bogen op literaire helden als Tolstoj, Dostojevski, Tsjechov en Nabokov. Over het feit dat in 2013 een museum in Sint-Petersburg, gewijd aan het werk van Nabokov, werd beklad met het woord ‘pedofiel’ door dezelfde mensen die Conchita beschimpten, hoorde je niemand.

    Ondanks de ijzige betrekkingen met Amerika lijkt het onmogelijk om een dag televisie vol te krijgen zonder Die Hard of een goochelprogramma met David Blaine

    In februari werd de Oekraïense president, Viktor Janoekovitsj, een bondgenoot van Poetin, uit de macht gezet als gevolg van een pro-Europese revolutie. Zijn plaats werd ingenomen door Petro Porosjenko. Toen Oekraïne zich dreigde te onttrekken aan de invloedssfeer van het Kremlin, stuurde Poetin Russische troepen om de Oekraïense Krim te bezetten en vervolgens te annexeren. Poetin heeft gezegd dat de Krim voor het Russische volk betekent wat de Tempelberg voor de joden en de moslims betekent – een opmerking die kwetsend is voor zowel Russen als joden en moslims. Voor de meeste mensen die zijn geboren in de USSR, onder wie ik, roept het woord Krim beelden op van zomervakanties in vervallen hotels en vakantiehuisjes, waarin je je tegoed deed aan pelmeni (een soort dumplings) en eindelijk weer eens wat zon zag. Een soort armoedig Fort Lauderdale met her en der een standbeeld van Tsjechov. Hoe dan ook, het verlies van de Krim, met een overwegend Russisch sprekende bevolking, was als een open wond bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie – dat de Krim niet meer binnen de grenzen van Rusland viel, is zoiets als het schiereiland Florida afkappen bij Jacksonville. Door de herovering is Poetin tot grote hoogten gestegen, meer dan welke Russische leider in pakweg een eeuw. Maar dat bleek voor hem niet voldoende.

    De sancties die het Westen aan Rusland oplegde na de annexatie van de Krim, brachten de Russische economie geen al te grote schade toe. Poetins volgende zet, steun aan de pro-Russische rebellen in Donbass, het geïndustrialiseerde deel van Oekraïne, heeft geleid tot een oorlog die volgens schattingen van de Verenigde Naties heeft geresulteerd in een miljoen ontheemden en meer dan vijfduizend doden, en zwaardere sancties van het Westen. De daling van de prijs van olie, Ruslands voornaamste exportartikel, betekent wel een gevoelige klap voor het regime. Hoe verder de prijs van een vat ruwe olie en de waarde van de roebel dalen, hoe meer de Russische propagandamachine op televisie wordt opgeschroefd. De presentatoren van een pan-Slavisch, Russisch-Oekraïens-Wit-Russisch concert lezen een lijst voor met namen van Russische popsterren die de toegang tot Oekraïne is ontzegd na Poetins invasie van de Krim. ‘Wij hebben niet van dat soort zwarte lijsten,’ zegt de presentator. ‘Wij gunnen iedereen liefde en vriendschap, zonder boycots.’

    ‘Zij’ – en daarmee worden Oekraïne en het Westen bedoeld; volgens de Russische media hebben de NAVO en de CIA de Oekraïense regering min of meer overgenomen, dus is het heel verleidelijk om die twee op een hoop te vegen – ‘onderdrukken onze kunstenaars!’ zingt iemand anders.

    ‘Wij mogen geen eigen kijk op de zaak hebben.’

    ‘Hoe kun je niet van je eigen president houden? Dat is onze kijk op de zaak.’ ‘Ons toneel kent geen grenzen.’

    De presentatoren lijken het zich oprecht aan te trekken, en ze spreken namens een groot deel van hun publiek wanneer ze zich beklagen over de afwerende houding van het Westen. Dit is zowel geopolitiek als puberaal gedoe. Als een schoolkind dat goede cijfers wil halen én veel vriendjes wil hebben, wil Rusland zowel gezien als gerespecteerd worden. De invasie van de Krim en het bloedige conflict in Oost-Oekraïne kregen wereldwijd aandacht, maar inmiddels nodigen de populaire landen Rusland niet meer uit voor slaapfeestjes en plakken alleen Kim Jong-un en Raúl Castro nog briefjes op Ruslands kluisje.

    Dag 2

    Ik mis Poetin. Hij verschijnt bijna deze hele week niet op televisie omdat hij geniet van een elf dagen lang kerstreces, waarin hij ongetwijfeld een hele tsunami bij elkaar zwemt in zijn presidentiële zwembad. Tegen middernacht Moskou-tijd verschijnt Poetins hoofd op alle drie mijn schermen tegelijk, voor zijn nieuwjaarstoespraak. ‘Liefde voor het vaderland is een van de sterkste, krachtigste emoties denkbaar,’ laat Poetin weten, met de afstandelijke maar toch dodelijke ernst waarop hij het alleenrecht lijkt te hebben. De annexatie van de Krim zal ‘een van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van het vaderland’ blijken.

    De rest van nieuwjaarsdag lijkt Rusland weg te zakken in een catatonische Amerikaanse-speelfilmstand. De staatstelevisie levert zich uit aan AvatarThe Seven Year Itch en The Chronicles of Narnia. Ondanks de ijzige betrekkingen met Amerika lijkt het onmogelijk om een dag televisie vol te krijgen zonder Die Hard of een goochelprogramma met David Blaine. Ik dommel wat, afgewisseld met rundvleesinjecties van de roomservice.

    Het avondjournaal op Rossiya 1 begint met Oekraïne. Op alle drie de zenders wordt het nieuws voorgelezen door aantrekkelijke mannen en vrouwen met een koele blik. Ze praten allemaal op dezelfde uit-mijn-mond-klinken-slechts-onberispelijke-mannelijke-waarhedentoon die Poetin hanteert wanneer hij het volk toespreekt, met heel soms een vleugje ijzig sarcasme. Hun geratel heeft een hypnotiserend, staccato ritme, alsof er telkens een mitrailleursalvo klinkt, waardoor je soms vergeet dat ze hun lippen bewegen of zuurstof in- en uitademen.

    Poetins populariteit is nauwelijks afgenomen, terwijl de roebel is ingestort en zijn onderdanen armer en armer worden. De media helpen hem, met een tweeledige aanpak. Om te beginnen wordt de economische achteruitgang in de schoenen geschoven van het Westen, met zijn sancties. Ten tweede wordt de opkomende democratie in Oekraïne afgeschilderd als een beweging van fascisten die met fakkels zwaaien, en dat alles in opdracht van hun westerse bevelhebbers. Maar weinig Russische families zijn ongeschonden tevoorschijn gekomen uit het bloedbad dat Hitler heeft aangericht, en de nazi-beeldspraak, die nog altijd keihard aankomt, wordt te pas en te onpas in de strijd geworpen om historische wonden open te rijten.

    In het journaal van vandaag staan de zogeheten Oekraïense nazifacisten stil bij het leven van de neonazi Stepan Bandera, door met fakkels in een Hitlerparade door de straten te trekken. Bandera is een omstreden figuur, een Oekraïense nationalist die tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Duitse bezetters flirtte, maar die uiteindelijk door hen in de gevangenis werd gegooid. Een mars door Kiev van de Rechtse Sector, een xenofobische, conservatieve, rechtse partij die meer gemeen heeft met de huidige regering in Moskou dan beide partijen willen toegeven – daar kunnen de nieuwslezers maar moeilijk weerstand aan bieden. ‘In plaats dat ze oud en nieuw vieren, gedenken zij de fascist Stepan Bandera,’ laat de verslaggever weten. ‘Het ziet ernaar uit dat de fascistische ideologie de basis wordt van de Oekraïense staat.’

    De leider van de Rechtse Sector was presidents-kandidaat in de verkiezingen van mei 2014. Met zijn ‘fascistische ideologie’ kreeg hij 0,7 procent van de stemmen. Sinds de verkiezing van Porosjenko, die met een meerderheid is verkozen, is Oekraïne nu zonder meer de meest democratische en pro-Europese partij in de voormalige Sovjet-Unie, als je de Baltische staten niet meerekent. Het land is zelfs anti-Russisch. En dat, zal iedereen begrijpen, drijft Rusland tot wanhoop.

    Dag 3

    Bij het ontwaken heb ik een opgeblazen gevoel. Het kost me moeite om te bewegen, vooral met mijn benen. Waarschijnlijk jicht. De schermen zijn ’s nachts uit, maar de laptops brommen zachtjes, de satellieten zenden gewoon uit. Ik strompel naar mijn marmeren badkamer en kijk naar mijn gezicht, vol vouwen van de slaap.

    Mijn dag kent één moment van troost: 57th Street oversteken, tussen alle Russische, Aziatische en Zuid-Amerikaanse mensen door die overal in New York lopen te winkelen, om uiteindelijk in het zoutwaterbad van de Health Club te kunnen duiken.

    Ik probeer de Russische televisie uit mijn hoofd te krijgen, maar de hoge decibellen van de pop-soundtracks en de diepe stem van de nieuwslezers achtervolgen me ook onder water, trillen nog na tegen mijn trommelvlies.

    Als ik weer ben teruggekeerd in mijn kooi worden de sandwiches met gerookte Catskill-zalm en eiwit gebracht, net op het moment dat ik de schermen weer aanzet. Op het ene scherm is het koor van het Rode Kruis te zien dat de longen uit het lijf zingt, op een ander scherm een reclame voor een ketting van 24-karaats goud, voor mannen die ‘niet alleen hun status willen tonen, maar ook hun goede smaak’.

    De dikke, glanzende ketting – kettingen, moet ik zeggen: twee voor de prijs van een – kost 1490 roebel, wat begin 2014 neerkwam op zo’n 45 dollar, maar begin 2015 nog maar een dollar of 25, aangezien de roebel in waarde blijft dalen.

    Er is spectaculair nieuws, vandaag. Van twee verslaggevers van LifeNews, een Russisch televisiekanaal dat de opstandelingen in Oekraïne steunt en dat banden zou onderhouden met de FSB, Poetins veiligheidsdienst, is tijdens een fakkelparade in Kiev de camera aan stukken geslagen. ‘De anti-Russische sentimenten beginnen te grenzen aan hysterie,’ zegt een van de verslaggevers.

    Ik kijk op mijn horloge. Het item is al een minuut bezig en hij heeft de woorden fascisme, nazisme en neo-nazisme nog niet in de mond genomen, en ook heeft hij nog niet gerept van het onbetrouwbare Westen.

    ‘Fakkeloptochten worden geassocieerd met nazi-Duitsland,’ zegt de verslaggever.

    Op het scherm dat NTV toont, zie ik een comedy met als titel Het ideale stel. In een korte beschrijving staat te lezen: ‘Zoja is een atlete met een mannelijk karakter. Daarom heeft ze moeite met het sterke geslacht en houdt niemand het met haar uit.’

    Ik constateer een trend: films over Russen van halverwege de dertig die nog niet getrouwd zijn, een ontwikkeling die moeilijk is te volgen voor de meeste Russen, die willen trouwen, 1,61 kinderen willen krijgen en dan weer jong willen scheiden (volgens cijfers van de Verenigde Naties loopt Rusland al heel lang op kop wat scheidingspercentage betreft). Zoals de meeste ‘romcoms’ is ook deze film langdradig, wordt er oeverloos in gepraat en is hij bespottelijk preuts. Zelfs een voorzichtige kus word uitgefaded voordat er onder de lakens ook maar iets kan gebeuren. Ik ken geen andere samenleving met zo’n dubbele moraal ten opzichte van seks. Het nieuwe conservatisme, onder aanvoering van de orthodoxe kerk, botst aan de lopende band met de progressieve opvattingen die opgang deden tijdens de Sovjetperiode. Abortus was lange tijd de meest gebruikelijke vorm van geboortebeperking: de betrouwbaarheid van de Sovjetvoor-behoedmiddelen liet veel te wensen over. Vandaag de dag zit er vrijwel niet één expliciete seksscène in een film als Het ideale stel, maar als je naar een van de dansnummers op televisie kijkt, zou je bijna voor alle zekerheid een condoom pakken.

    Ik trek nog een fles wijn open en laat me meevoeren in een wereld die ik niet de rug kan toekeren, terwijl de januariwind mijn eenzame wolkenkrabber geselt. Op Kanaal 1 wordt het schandaal van de kapot getrapte camera breed uitgemeten. Veel close-ups van de gewonde camera in de sneeuw, of in een berg confetti. Dan is het tijd voor Macaulay Culkin in de originele versie van Home Alone.

    Dag 4

    Ik kruip op handen en voeten door de sneeuw in Kiev, op zoek naar mijn mobiel, die is gejat door de neofascisten. Ik zie hem liggen, tegen een muur waar een enorm hakenkruis op is gekalkt. Het schermpje is kapot getrapt door fakkeldragende Oekraïners. ‘Hallo,’ zeg ik in het Russisch. ‘Kan iemand me helpen, alsjeblieft? Ik heb het ijskoud.’ Op mijn FaceTime verschijnt een nieuwslezer van Rossiya 1, met een kille blik in zijn ogen. ‘Fakkelparades worden in verband gebracht met nazi-Duitsland,’ laat hij weten. Ik word wakker en strompel naar de badkamer, neem wat benzodiazepine en kruip mijn bed weer in. Ik slaap misschien drie uur, alles bij elkaar. Ik ben wel eens terug geweest naar Rusland, en dan werd ik soms midden in de nacht wakker met het idee: Stel dat ze de grenzen sluiten? Stel dat ik de rest van mijn leven hier moet slijten? Hoewel ik me veilig in een cocon van weelde in het midden van Manhattan bevind, houdt een vergelijkbare angst me uit mijn slaap.

    Ik ben gebroken, vandaag. Mijn borstcrawl in het zwembad doet eerder denken aan een kikkervisje dan aan een kikker. Als ik weer in mijn zonovergoten horrorhotelkamer zit, gaat het journaal op Rossiya 1 helemaal los. Een kettingbotsing van wel 35 auto’s in New Hampshire. Geen zwaargewonden, naar het zich laat aanzien, maar het is duidelijk dat het Westen op de afgrond afstevent. Aan de andere kant van de oceaan is het allemaal nog veel erger. ‘Een onaangenaam nieuwjaarsgeschenk voor prins Andrew,’ zegt een verslaggever met een venijnige mengeling van ernst, cynisme en opgetogenheid. ‘Engeland is geschokt door een seksschandaal tussen de prins en een minderjarige die beweert als “seksslavin” te zijn gehouden.’

    Kijkers in Jekaterinenburg schuiven ‘s ochtends vroeg hun kasja [een soort grutten] naar binnen terwijl ze een opsomming krijgen van alles wat de Britse koninklijke familie heeft misdaan – van prins Harry die in een nazi-uniform liep tot de ‘nooit opgehelderde’ dood van prinses Diana.

    De Russen leiden daarentegen een opmerkelijk non-fascistisch bestaan. Op de plek van de Air Asia-ramp, in de Java-zee, ‘hebben de Indonesische autoriteiten al hun hoop gevestigd op de Russische duikers en hun apparatuur’, die wellicht het verdwenen vliegtuig kunnen opsporen.

    In het hoge Russische noorden zien we Aleksej Trjapitsin, een brave postbode in een klein gehuchtje.

    De man rookt niet en hij drinkt niet, en onlangs is er een documentaire over hem gemaakt: The White Nights of the Postman Aleksej Trjapitsin. Zijn vrouw is ook de goedheid zelve. ‘Ik ben een heel gewone vrouw,’ zegt ze. ‘Ik kan eigenlijk van alles: ik kan met een geweer overweg, ik kan eenden vangen.’

    De les voor de doorsnee-Rus, en met name voor de verwende camembert etende Moskoviet, is duidelijk: Er wachten onze zware tijden, dus zorg dat je met een geweer overweg kunt, leer eenden vangen.

    Vandaag krijg ik bezoek: de in Moskou geboren schrijfster Anja Ulinitsj en haar vriendin Olga Gershenson, hoogleraar aan de University of Massachusetts, in Amherst. Ik bel roomservice voor een schotel vleeswaren, en we gaan lunchen. Gisteravond heeft Anja te horen gekregen dat haar neef is vermoord, in een plaatsje niet ver van Donetsk, de Oekraïense stad die een bolwerk is van pro-Russische strijders. ‘Hij is dood aangetroffen in de hal van zijn appartementencomplex,’ vertelt Anja me. ‘Niemand weet wie hem heeft vermoord. Er is geen politie. Het is pure anarchie.’

    Er wachten onze zware tijden, dus zorg dat je met een geweer overweg kunt, leer eenden vangen

    ‘Ik schrijf dit allemaal op Poetins conto,’ zegt ze. ‘Het was altijd een doodnormale stad.’

    Ze slaakt een zucht. We laten onze blik van scherm naar scherm glijden. Op NTV danst een man in een leren pakje met een vrouw die ook een leren pakje draagt – ze hebben min of meer gemeenschap in leer. Achter hen staan twee reusachtige, vergulde standbeelden van gladiatoren.

    ‘Dat ballet is niet onaardig,’ zegt Anja.

    ‘Ja, te gek,’ valt Olga haar bij.

    We kijken nog een poosje, zonder een woord te zeggen.

    Dag 5

    Mijn psychiater komt op huisbezoek, wat uitzonderlijk genoemd mag worden. We zoeken een beetje naar de gebruikelijke divanstoelopstelling, maar ik lig op mijn kingsize bed en hij zit direct rechts van me. De schermen staan nog altijd aan. Op een van de schermen is een Oekraïense drugdealer te zien die in Moskou is opgepakt, met close-ups van zijn gemeen rode Oekraïense paspoort. Op een ander scherm liggen twee mannen languit in het gras, een lege wodkafles tussen hen in. ‘Kijk,’ zeg ik tegen mijn psychiater, ‘dat is nou Rusland.’

    Ik sluit mijn ogen en probeer te bedenken wat ik daarmee bedoel.

    ‘In mijn boeken heb ik geprobeerd mijn ouders te begrijpen, en wat ze in de Sovjet-Unie hebben meegemaakt,’ zeg ik. Misschien is dit project ook een poging om hen te leren kennen. De tijden veranderen, het regime verandert, maar de televisie blijft min of meer hetzelfde. ‘Mijn ouders en ik zitten niet echt op één lijn wat de Amerikaanse politiek betreft, maar over Poetin zijn we het wel eens. En dat geldt voor veel van mijn vrienden met Russische wortels. Het is gek, maar Poetin brengt ons en onze ouders bij elkaar. Het is een prettige gedachte dat er op deze wereld een bron van kwaad is die we allemaal als zodanig herkennen.’

    ‘Stel dat mijn ouders nooit met mij uit Rusland waren vertrokken. Hoe zou het dan nu met me gesteld zijn? Dit alles’ – ik gebaar naar de drie schermen – ‘zou mijn dagelijkse realiteit zijn.’

    ‘Je bevindt je hier in een virtuele jeugd,’ zegt mijn psychiater. ‘Die regressie roept bepaalde gevoelens op.’

    ‘De televisies in Rusland hadden de neiging om te ontploffen,’ zeg ik. ‘In Moskou werd 60 procent van alle branden in huis veroorzaakt door een televisie die uit elkaar knalde.’

    We zwijgen even, wat geregeld gebeurt tijdens analyse.

    Toch is het goed om te praten.

    Dag 6

    Ach, bekijk het ook. Ik begin gewoon meteen na het ontbijt met drinken. Niks scheren of aankleden. Niks mis met de badjas van het Four Seasons. Een vrouw met een Russische naam op haar naamplaatje rolt mijn koffie naar binnen, en een bagel met witvis.

    ‘Witvis, geen zalm?’ zegt ze bestraffend, alsof zij een nieuwslezeres van Kanaal 1 is, en ik Oekraïne.

    ‘Morgen neem ik zalm,’ beloof ik.

    Ik kijk naar een Jerry Springer-achtige show met als titel Man/vrouw. Het onderwerp van vandaag: Tatjana, een vrouw uit het dorp Bolsheorlovskoe, 450 kilometer van Moskou, wil uitzoeken wie de vader van haar jongste kind is. Van talloze mannen in het dorp wordt een DNA-monster genomen, en er zijn beelden van Tatjana’s haveloze buren die hun mening over haar ventileren.

    ‘Eens een hoer, altijd een hoer.’

    ‘Je drinkt je een stuk in je kraag, gaat naar haar huis en hoppa – je kunt er zo overheen!’

    Het dorp zelf ziet eruit alsof er een Russische boer in een slobberige trui van Chinese makelij overheen is gegaan. De onderkomens zijn klein – kamertjes voorzien van koelkast, televisie en een paar kakkerlakken.

    Een panel van experts, onder wie een psycholoog, een schilder en een dichter in een fluwelen jasje en met een weelderige, zeer dichterlijke snor, voorziet Tatjana’s strubbelingen van commentaar. ‘Voor alle Russische echtparen geldt dat ze het beste kinderen kunnen verwekken als ze nuchter zijn,’ merkt de dichter heel verstandig op.

    Tatjana zelf praat binnensmonds, met een schorre stem, en ze mist een paar voortanden. Toch is ze op een merkwaardige manier mooi, en in tegenstelling tot vele gasten bij Jerry Springer, geeft ze geen tegengas, zelfs niet wanneer presentatoren en publiek haar vernederen. Ze blijft onverstoorbaar voor zich uit kijken, alsof ze zo uit een Dostojevski-roman komt. Op haar geheel eigen manier is ze een modelburger van Poetins moderne Rusland. Ze weet dat ze haar mond moet houden wanneer ze een uitbrander krijgt van mensen met macht.

    De resultaten van het DNA-onderzoek worden bekendgemaakt, en geen van de trieste figuren blijkt de vader. Morgen is op Kanaal 1 het tweede deel van Tatjana’s verhaal te zien. Er zullen DNA-monsters worden afgenomen van nog meer dorpsgenoten.

    Ook dan weer zal Tatjana te horen krijgen dat ze een hoer is.

    Ik kan inmiddels niet meer naar het journaal kijken zonder minstens twee kleine flesjes Absolut-wodka, die ik wegspoel met een paar biertjes. De schermen beginnen te versmelten en het kost me moeite het allemaal nog te volgen. Op het ene scherm doet een man met een wapen onmenselijke dingen, terwijl op een ander scherm een vrouw, die lijkt opgetrokken uit fonkelend zirkonium, zingend allerlei nonsens uitkraamt. Ik laat mezelf meevoeren door nietszeggendheid en dreigende gevaren, alsof ik thuiskom na een lange dag hard werken, gefrustreerd over bazen die hun zakken vullen en verkeersagenten die hetzelfde doen, ergens in Tomsk of Omsk. Poetins televisie is een machtig wapen, dat op vakkundige wijze nostalgie, kwaadaardigheid, paranoia en flauwe humor weet te combineren, dat je gevoelens afstompt maar tegelijkertijd je woede weet te wekken.

    Ik druk mijn gezicht in mijn hypoallergene kussen. Ik heb dringend behoefte aan nog een borrel. Maar in plaats van mijn toevlucht te zoeken in de wodka, vergrijp ik me aan de verboden vrucht.

    Ik pak mijn laptop en log in op de vooruitstrevende nieuwssite www.slon.ru (slon betekent ‘olifant’ in het Russisch). Voor mijn vrienden in Sint-Petersburg zijn dit soort analytische blogs en nieuwssites een levensader – de kritische en culturele tijdschriften van Rusland, zou je kunnen zeggen. Slon is een van de weinige sites die nog niet is gezwicht voor de wil van het regime. Twee andere favoriete sites, Gazeta.ru (gazeta betekent ‘krant’) en Lenta.ru, zijn hun onafhankelijkheid inmiddels kwijt.

    De twee belangrijkste artikelen op Slon gaan niet over de waarde van de euro ten opzichte van de dollar. Ze gaan over de prijs van een vat ruwe olie, die onder de zevenenvijftig dollar is gekomen. Een ander artikel gaat over de weigering van oppositieleider Aleksej Navalni om zich aan zijn huisarrest te houden (de activist en zijn broer zijn veroordeeld wegens samenzwering tegen de staat, een aanklacht waarvoor geen bewijzen zijn). Een ander artikel is getiteld: ‘How the Regime Will Fall: A Possible Scenario.’ (De val van het regime: een mogelijk scenario).

    Tientallen miljoenen Russen, veelal jong en woonachtig in de stad, maken gebruik van sociale media. Ik kan me zo voorstellen dat zeker enkelen van hen dit artikel op hun tijdlijn zullen zetten, of er naar hartenlust over zullen twitteren.

    Dag 7

    Dit is mijn laatste dag in het virtuele Rusland. De kerstboom in de lobby van het Four Seasons wordt ontmanteld, de versiering gaat in dozen met als opschrift: ‘Kerstmis in Amerika, de magie komt tot leven.’ Boven, in mijn kamer, begint de Russische kerstavond – de orthodoxe kerst wordt gevierd op 7 januari.

    Ik kijk naar het tweede deel van het programma over Tatjana, de verleidster van het dorp. In het panel van vooraanstaande mensen dat een oordeel over Tatjana mag vellen, zit dit keer geen dichter maar een performer, met een Barbie op de revers van zijn beslagen jack, en hoog opgekamd haar. Een roodharige knul met een jack waarop het woord ‘Rusland’ prijkt, blijkt de vader te zijn. ‘Ja! Ja! Ja!’ gilt Tatjana.

    ‘Ik zou al die mannen castreren,’ zegt een van de presentatoren over de dorpelingen die zich in de studio hebben verzameld.

    Keith Gessen, een in Moskou geboren schrijver en journalist, komt langs. Ik heb mortadella besteld, en een schotel met Spaanse hammen. ‘Je bent net een Rus die in weelde baadt, maar je bent gedwongen deze troep tot je te nemen,’ zegt Keith na een blik op mijn drie schermen.

    Keith volgt de Russische televisie aandachtig, en hij heeft de afgelopen jaren een verschuiving waargenomen. ‘Je kijkt naar het nieuws, maar het eigenlijke nieuws is het nieuws zelf. Niet vanwege de informatie die wordt gegeven, maar vanwege de manier waarop die informatie wordt gepresenteerd. Je hebt het gevoel alsof de berichten uit het Kremlin afkomstig zijn.’

    Moord op Batman

    Terwijl de televisie doorzaagt over de overwinningen van de door de Russen gesteunde opstandelingen in Oekraïne, vraagt hij of ik heb gehoord over de moord op Batman, een rebellencommandant in de Donbass-regio in de oostelijke Oekraïne, die zich aan niets en niemand iets gelegen liet liggen.

    ‘Naar het schijnt,’ zegt Keith, ‘is hij vermoord door Russische troepen of andere rebellen, omdat hij niet langer in de hand viel te houden.

    Ik klap meteen mijn laptop open en kijk op de ongecensureerde Russische websites. De moord op Batman is wereldnieuws. The New York Times heeft al een artikel geplaatst over het verscheiden van Batman. De enige plekken waar niets over hem is te vinden zijn Rossiya 1, NTV en Kanaal 1.

    Na Keiths vertrek richt ik mijn aandacht op de galmende kerstviering, die op twee zenders live wordt uitgezonden. Ik zie vrouwen met blauwe ogen en een hoofddoekje, bebaarde, in goud gehulde priesters, en wierookwolken. Van de uitbundig versierde kathedraal van Christus de Verlosser schakelen we plotseling over naar een eenvoudig dorpskerkje in een klein en al even eenvoudig plaatsje ten zuiden van Moskou.

    Gekleed in een trui, en met een vastberaden blik, viert Poetin de kerst te midden van enkele meisjes met een witte hoofddoek. Poetin neemt de religieuze rituelen zeer serieus, maar zijn blik is onpeilbaar als altijd. Daar staat hij dan, de man die zowel zijn eigen identiteit als die van het land eigenhandig heeft vormgegeven. Maar wie is deze man? We krijgen snelle shots te zien van mensen in kerkbankjes, die zich zo lang mogelijk proberen te maken in de hoop met hun mobiele telefoon een foto van hem te kunnen maken. We krijgen te horen dat de kerk onderdak biedt aan kinderen uit Loehansk, dat in handen is van de rebellen. Het Kremlin heeft hen voorzien van ‘snoep en klassieke boeken’ voor de kerstdagen. Zijn de meisjes met hun witte hoofddoekjes, die naast Poetin staan, dezelfde kinderen die op de vlucht zijn voor het geweld in Oekraïne dat zijn regime heeft gesteund, zo niet eigenhandig heeft ontketend?

    Poetin staat daar als een pièce de milieu, een tevreden man. En dat is nou precies de kracht van de Russische televisie, precies de reden dat het zo pijnlijk is er een week lang naar te moeten kijken. Tenzij je een ware gelovige bent, maakt het onophoudelijke lawaai je alleen maar duidelijk dat je een miniem radertje bent in de visie van een ander. En die ander is Vladimir Poetin. Je kijkt naar zijn zenders, zijn programma’s, zijn dromen en zijn overtuigingen.

    Tijdens mijn laatste bezoek aan Moskou, enkele jaren terug, bracht een dronken taxichauffeur me naar de andere kant van de stad. Hij was bijna in tranen omdat hij niet in staat was zijn gezin te onderhouden. ‘Ik wil emigreren naar de Verenigde Staten,’ zei hij. ‘Dit is geen leven.’

    ‘Probeer Canada,’ opperde ik. ‘Het immigratiebeleid daar is vrij soepel.’

    Hij deed alsof hij op de vloer spuugde, waarbij hij bijna tegen de stoeprand knalde. ‘Canada? Dat nooit! Ik kan alleen in een supermacht wonen!’

    Tenzij je een ware gelovige bent, maakt het onophoudelijke lawaai je alleen maar duidelijk dat je een miniem radertje bent in de visie van een ander. En die ander is Vladimir Poetin

    Het doet niet ter zake dat het ware pad van Rusland rechtstreeks van de olievelden naar 432 Park Avenue loopt. Wie naar de Poetin-show kijkt, leeft in een supermacht. Je bent een opstandeling in Oekraïne die heldhaftig het ooit zo moderne vliegveld van Donetsk met de grond gelijkmaakt, met door Rusland geleverde wapens. Je bent een Russisch sprekende oma die naast haar verwoeste huis in Loehansk staat en tekeergaat tegen de fascistische nazi’s, zoals haar moeder meer dan zeventig jaar eerder ook zal hebben gedaan toen de Duitsers het land binnenvielen. Je bent een priester die zijn zegen uitspreekt over een fotogeniek konvooi Russische hulpgoederen op weg naar de frontlinie. Lijden en je niet laten kisten: Waarschijnlijk is dat wat het betekent om een Rus te zijn. Zo was het in het verleden en zo zal het altijd zijn. Dit is de fantasie die avond aan avond wordt opgedist op Kanaal 1, op Rossiya 1, op NTV.

    Over één generatie zal het huidige nieuws van Kanaal 1  ons net zo bespottelijk voorkomen als een Sovjet-documentaire over het toe-eigenen van de graanvoorraden. Jonge mensen zullen zich afvragen hoeveel onzin hun ouders over zich uitgestort hebben gekregen en hoe ze ondanks dat alles redelijk gewone mensen zijn gebleven. En ik? Ik ontvlucht Rusland voor een tweede keer. Drie verrukkelijke klikjes met de drie Samsung-afstandsbedieningen en mijn hele week gaat op zwart.

    Over de auteur

    Gary Shteyngart (1972) is zoon van Russisch-Joodse immigranten. Toen hij zeven jaar oud was, verhuisde de kleine Gary, toen nog Igor geheten, met zijn ouders van Leningrad naar New York. Zijn ouders waren straatarm, maar ze hadden grootse plannen met hun zoon, die advocaat moest worden en veel geld zou gaan verdienen. Gary voldeed niet aan hun verwachtingen: hij werd schrijver. Hij is nu een ster en een van de geliefdste schrijvers in New Yorks literaire kringen. Zijn boeken gaan vaak over het immigrantenbestaan. Shteyngart heeft talloze literaire prijzen gewonnen en zijn werk werk is in 28 talen is vertaald.

  • In den beginne was het gebaar. Hoe we hebben leren communiceren

    In den beginne was het gebaar. Hoe we hebben leren communiceren

    We staan er zelden bij stil, maar spreken is een uiterst complexe vaardigheid. Hoe beeld je een woord als leegte aan elkaar uit als je nog geen enkele referentie hebt? Onderzoekers reisden terug naar het allereerste begin van de communicatie.

    ‘Im Anfang war das Wort…’

    Bijna vijfhonderd jaar geleden formuleerde Maarten Luther deze eerste regel van het Johannesevangelie in het Nieuwe Testament, toen hij de Griekse versie vertaalde in het Duits. Bedoeld was het goddelijke Woord aan het begin van de schepping. Maar deze regel werpt ook een fundamentele vraag op: Wat was het begin van de menselijke taal? Het woord, of iets anders?

    Hoe ontwikkelde zich precies het systeem dat een reeks opeenvolgende klanken een betekenis geeft? De grammatica die ieder van ons in zijn moedertaal moeiteloos beheerst? Generaties wetenschappers hebben hun tanden stukgebeten op dit raadsel. De Berliner Akademie der Wissenschaften loofde in 1769 al een prijs uit voor de oplossing ervan. De geleerden twistten erover of de taal door mensen gemaakt of door God gegeven was. In de loop van de achttiende eeuw verhevigde het debat, daarna verdween het van de wetenschappelijke agenda en tegen het einde van de twintigste eeuw dook het weer op.

    Vanuit heel verschillende invalshoeken benaderen wetenschappers de vraag hoe de mens tijdens zijn evolutie de taal heeft ontwikkeld. Onderzoekers uit Leipzig hebben gekozen voor een bijzondere aanpak. De ontwikkelingspsycholoog Manuel Bohn probeert de ontwikkeling van de taal in het laboratorium te achterhalen. Samen met zijn collega Gregor Kachel en de prominente Amerikaanse gedragsonderzoeker Michael Tomasello, bedacht hij een reeks experimenten waarin kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar de hoofdrol spelen.

    Het bijbelcitaat zou moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’

    De onderzoekers observeerden wat er gebeurt wanneer kinderen die geen gemeenschappelijke taal hebben elkaar ontmoeten. Voor de serie experimenten, die plaatsvond in de testruimtes van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, werden steeds twee jonge proefpersonen via een videoverbinding met elkaar in contact gebracht. Om de gemeenschappelijke taal te elimineren, stond het geluid uit.

    Behalve het beeldscherm waarop elk kind het andere kon zien, stond in beide ruimtes een bord met vijf afbeeldingen. Daarop waren tekeningen te zien van alledaagse activiteiten zoals haar kammen, hameren of fietsen. Eerst vroegen de onderzoekers steeds een van de kinderen om de inhoud van een van de afbeeldingen over te brengen naar het kind in de andere ruimte, maar zonder woorden te gebruiken.

    Selden Codex pg 07 panel 3 1 1
    Passage uit het Mixteeks-manuscript van omstreeks 1566. De twee figuren aan de rechterkant tonen het rood-witte vuurstenen mes-pictogram dat aan hun kleine spraakrollen is bevestigd. Dit betekent dat ze de reizigers aan de linkerkant verbaal aanvallen. – © Wikipedia

    Terwijl de zesjarigen spontaan gebaren maakten, dus bijvoorbeeld de beweging van het hameren nabootsten, deden de jongeren dat pas als de begeleiders hen op die mogelijkheid wezen. Was de communicatie eenmaal op gang gekomen, dan begreep men elkaar in beide leeftijdsgroepen even goed.

    ‘Goed’ betekent in dit geval dat het kind dat het gebaar van zijn tegenhanger op het beeldscherm bekeek en vergeleek met de vijf afbeeldingen, vaker de juiste afbeelding aanwees dan wanneer de keuze zuiver toeval was geweest.

    ‘Gebaren zijn krachtig,’ zegt Manuel Bohn. ‘Ze zijn heel geschikt om je verstaanbaar te maken als je nog geen gemeenschappelijke taal hebt.’ Dat heeft iedereen wel eens meegemaakt. Als je mensen tegenkomt die jouw taal niet spreken, dan gebruik je je handen: je wenkt iemand naderbij of brengt de handen naar de mond als je ‘eten’ wilt aanduiden.

    Hendrick van Cleve III 1525 1589 De bouw van de toren van Babel Kröller Müller Museum Otterlo 23 08 2016 13 10 57.JPG 1
    De bouw van de toren van Babel, Hendrick van Cleve III (1525-1589)

    Nabootsing

    Het bijbelcitaat zou dus moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’, en volgens de onderzoekers een speciaal soort gebaar. ‘De kinderen hebben spontaan een uitbeeldend gebaar gebruikt om een link met het hameren op de afbeelding te leggen,’ verklaart Bohn. Vertaald naar de klanktaal corresponderen de pantomimische gebaren met de klanknabootsende begrippen. In het Duits en ook in andere talen berusten verhoudingsgewijs maar weinig woorden op klanknabootsing. Bijvoorbeeld de werkwoorden ‘klatschen’ (klappen) of ‘tuscheln’ (fluisteren). Ze imiteren het geluid dat twee handen voortbrengen als ze op elkaar slaan of als we zo zachtjes spreken dat alleen wie vlakbij staat ons verstaat.

    Klanknabootsende woorden zijn een afbeelding van het geluid dat een bepaalde bezigheid produceert, precies zoals veel gebaren een uitbeelding van die bezigheid zijn. 

    Het idee dat woorden door nabootsing van natuurlijke geluiden ontstonden, is niet nieuw. Ook taalfilosoof Johann Gottfried Herder, die de wedstrijd van de Berliner Akademie der Wissenschaften won, meende dat mensen de eerste taal ontwikkelden ‘uit klanken van de levende natuur’.

    Natuurlijk: schapen blaten, bijen zoemen en duiven koeren. Maar kan er werkelijk sprake zijn van taal als we klanknabootsende geluiden voortbrengen? Of wanneer kinderen handbewegingen kiezen en die steeds verder ontwikkelen? Voor taalwetenschappers is daar geen twijfel aan mogelijk.

    De Franse theoloog Charles-Michel de l’Epée, die in de tweede helft van de achttiende eeuw met hulp van dove mensen een Franse gebarentaal ontwikkelde, was ervan overtuigd dat gebarentalen volwaardige talen zijn, want ze blijven niet steken in afzonderlijke uitbeeldende gebaren, net zomin als de klanktalen in klanknabootsende natuurgeluiden. 

    ‘Leegte’ of ‘niets’

    ‘Als je spreek over taal, moet je daarin gebarentaal altijd meedenken,’ zegt Manuel Bohn. Hoe die taal wordt uitgedrukt, in geluiden of gebaren, is van ondergeschikt belang. Doorslaggevend acht de onderzoeker de psychische voorwaarden die talige communicatie mogelijk maken: ‘Zoals de kinderen in het experiment wil ook een persoon in het communicatieproces altijd iets meedelen, en de ander iets begrijpen,’ legt Bohn uit.

    Deze doelgerichte aandacht die de kinderen in het experiment opgebracht hebben voor de samen te volbrengen opdracht, is ook voor gedragsonderzoeker Michael Tomasello de voorwaarde zonder welke de taal zich niet had kunnen ontwikkelen.

    ‘Gezamenlijke aandacht en perspectiefwisselingen zijn voor menselijke samenwerking en sociale interactie zo doorslaggevend, dat de soort nieuwe vormen van communicatie heeft ontwikkeld die van daaruit zijn opgebouwd,’ schrijft Michael Tomasello in zijn in 2020 verschenen boek Mensch werden (Mens worden). Zo gezien is de ontwikkeling van deze competenties een grote sprong in de evolutie van de mens. Daarmee vergeleken is de nieuwe vorm van communicatie, de uitvinding van de taal, maar een kleine stap.

    sign language 2 1 1

    Maar als het gebaar of ook de klanknabootsing aan het begin stond, hoe heeft de taal zich daaruit dan precies ontwikkeld? Ook op deze vraag hebben de onderzoekers uit Leipzig in hun experimenten een antwoord gezocht. Manuel Bohn en zijn collega’s observeerden verschillende stappen in de taalontwikkeling, bijvoorbeeld de overgang van beeldende naar abstracte gebaren. 

    ‘Wat gebeurt er wanneer de kinderen niet kunnen teruggrijpen op een concrete alledaagse ervaring als hameren of fietsen? Scheppen ze dan een abstract teken? Dat wilden we uitzoeken,’ zegt de onderzoeker. In dit experiment ‘kregen de kinderen de opdracht een abstract begrip als ‘leegte’ of ‘niets’ over te brengen. Een leeg blad papier verbeeldde dat.

    Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld

    Een van de kinderen probeerde eerst zich te verduidelijken met verschillende gebaren zoals het demonstratief tonen van lege handen en wees toen op verschillende witte dingen in de ruimte. Zonder succes. Ten slotte ontdekte het een witte punt op zijn T-shirt en wees er steeds opnieuw op met zijn wijsvinger.

    Nu leek het andere kind te begrijpen wat er bedoeld werd en gaf te kennen dat het begrepen was doordat het naar het lege blad in zijn ruimte greep. Toen het raadspelletje met verwisselde rollen werd voortgezet, herhaalde dit kind het gebaar van zijn gesprekspartner en wees met de wijsvinger op de corresponderende plek op het eigen T-shirt – ook al was daar geen witte punt te zien.

    Wat was er gebeurd? De kinderen waren het binnen een paar minuten eens geworden over een handbeweging die als symbool voor een bepaalde inhoud, een bepaalde betekenis stond. Een geweldige stap van de simpele, spontane geste naar een vast, afgesproken gebaar dat in elke willekeurige situatie benut en begrepen kan worden.

    Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is daarbij willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld. Want ze berusten – anders dan de weinige klanknabootsende woorden – op een conventie.

    Dat betekent dat een taalgemeenschap het op een bepaald moment erover eens is geworden dat het woord ‘hamer’ een hamer betekent, en niet een stoel. De betekenis heeft met het ding op zich niets te maken. En mocht er toch ooit een direct verband zijn geweest, dan is dat in de loop van millennia van taalontwikkeling verloren gegaan.

    Grondregels

    Maar talen – gesproken of in gebaren – bestaan niet alleen uit afzonderlijke symbolen, die worden ook op een bepaalde manier samengevoegd en krijgen daardoor nog meer betekenissen. Deze grammatica kan binnen bepaalde taalfamilies op elkaar lijken, zoals in de talen van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe alle Europese talen behoren (behalve Hongaars, Fins, Estisch en Baskisch), maar ook veel West- en Zuid-Aziatische talen als Armeens, Perzisch en Hindi.

    Maar in elke taal zijn de regels een beetje anders. Een vraag die de taalkundige Artemis Alexiadou fascineert is of er tenminste één grondregel is die voor alle talen geldt. ‘Mijn onderzoek heeft aangetoond dat de theoretische aanname dat een werkwoord in alle talen nooit alleen voorkomt, maar altijd een subject moet hebben, klopt,’ zegt Alexiadou, plaatsvervangend directeur van het Leibniz Centrum voor Algemene Taalwetenschap in Berlijn.

    Een grondregel waaraan ook de kinderen in het taalonderzoekslab in Leipzig spontaan gehoorzaamden. De onderzoekers legden hun jonge proefpersonen – deze keer waren het acht- tot tienjarigen – afbeeldingen voor waarop bijvoorbeeld een aap op een kat jaagt en vroegen hen om het gebeuren te beschrijven.

    800px Cuneiform evolution from archaic script 1 1
    De evolutie van het archaïsche schrift. – © Wikipedia

    De kinderen creëerden daarop niet een enkel gebaar voor het gebeuren. Ze beeldden de scène net als in een zin woord voor woord uit: eerst de aap, vervolgens duidden ze ‘rennen’ aan, daarna imiteerden ze een kat, bijvoorbeeld door het aflikken van de poten.

    Ze vormden de zinnen uit bewegingen met hun handen op een manier zoals de grammatica van bijna alle talen ter wereld voorschrijft: eerst het subject, dan het object. Maar grijpen die jeugdigen bij het op een rij zetten van de gebaren niet gewoon terug op de structuur van hun moedertaal? De taalkundige Alexiadou gelooft dat niet. Ze weet het zeker: ‘Dat het subject, dus de uitvoerder van zo’n handeling, eerst genoemd wordt, is een cognitieve beslissing, geen taalkundige.’ 

    Deze hypothese werd bevestigd door een later experiment: de onderzoekers uit Leipzig lieten twaalfjarige kinderen afbeeldingen zien van objecten, bijvoorbeeld van een kleine hamer, een grote hamer, of een heleboel hamers. Opnieuw knoopten de kinderen twee gebaren aan elkaar. Maar deze keer varieerde de volgorde.

    Kinderen zoeken actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen

    Nu eens beeldden ze eerst de hamer uit en dan een gebaar voor ‘klein’ of ‘veel’. Dan weer kozen ze de omgekeerde volgorde: ‘klein hamer’ of ‘veel hamer’.

    ‘Hier hebben we gezien dat de kinderen geen bepaalde voorkeur hebben,’ zegt taalonderzoeker Manuel Bohn. Ze worden dus niet geleid door een moedertaal, maar door hun eigen, aangeboren denken.

    Ze zoeken, zo lijkt het, actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen.

    Eén ding is zeker: het begint met het uitbeelden van de wereld in gebaren of klanken en met een grote bereidwilligheid om met soortgenoten op een complexe manier samen te werken.

    Maar op welke principes en denkpatronen een jong mens daarbij precies teruggrijpt, waar en wanneer die in de evolutie van onze soort zijn ontstaan – daarover zullen onderzoekers nog wel lange tijd van gedachten wisselen en het oneens zijn.

    Ook de Bijbelvertalers waren het ooit oneens: kort voordat Maarten Luther aan de Duitse vertaling begon, had Erasmus van Rotterdam bij zijn vertaling van de bijbel uit het Grieks in het Latijn een woord uit de eerste zin vervangen en ervan gemaakt: ‘In den beginne was het gesprek’.

    Auteur Kristina Vaillant beveelt iedereen die zich in de geschiedenis van de taal wil verdiepen het boek aan van Martin Kuckenburg: Wer sprach das erste Wort? 

  • 15 vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen | Meer ‘diversiteit’ bij de Oscars

    15 vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen | Meer ‘diversiteit’ bij de Oscars

    15 Franse vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen

    Vijftien mensen zijn zondag na een isolatie van veertig dagen uit een grot in het zuidwesten van Frankrijk tevoorschijn gekomen. Ze maken onderdeel uit van een experiment dat onderzoekt hoe de afwezigheid van klokken, daglicht en externe communicatie het besef van tijd beïnvloedt.

    ‘Met een grote glimlach op hun bleke gezichten verlieten ze onder luid applaus hun vrijwillige isolement in de Lombrives-grot. Om hun ogen te beschermen na zo lang in het donker droegen ze een speciale bril’, schrijft The Guardian.

    ‘Het was alsof ik even op pauze had gedrukt’, zegt Marina Lançon, een van de zeven vrouwen die aan het experiment deelnamen. Ze voelde geen haast om iets te doen en had wel een paar dagen langer in de grot willen blijven, zegt ze. Wel was ze blij om de wind te voelen en vogelgezang te horen.

    Ze is van plan om nog een paar dagen niet op haar smartphone te kijken, in de hoop zo een ‘te brute’ terugkeer naar het echte leven te voorkomen.

    Members of the team inside the cave

    Het project waaraan de groep deelnam heet Deep Time. Er was geen natuurlijk licht in de grot, de temperatuur was er 10 °C en de relatieve vochtigheid 100 procent. De proefpersonen hadden geen contact met de buitenwereld, geen updates over de pandemie, noch enige communicatie met vrienden of familie.

    De teamleden volgden hun biologische klok om te weten wanneer ze moesten wakker worden, slapen of eten

    Wetenschappers van het Human Adaption Institute, dat het project van 1,2 miljoen euro leidt, zeggen dat het experiment hen zal helpen beter te begrijpen hoe mensen zich aanpassen aan drastische veranderingen in levensomstandigheden en omgevingen, schrijft wetenschapssite Futura Santé.

    Zoals verwacht verloren de mensen in de grot hun tijdsbesef. Een van de teamleden schatte de tijd onder de grond op drieëntwintig dagen, de meesten zaten rond de dertig.

    Members of the team meet to discuss their experiences

    In samenwerking met laboratoria in Frankrijk en Zwitserland volgden wetenschappers de slaappatronen, sociale interacties en gedragsveranderingen van de vijftien teamleden via sensoren, waaronder een een kleine thermometer die in een capsule door de deelnemers werd ingeslikt. Deze sensor mat de lichaamstemperatuur en verzond gegevens naar een computer, legt The Guardian uit.

    De teamleden volgden hun biologische klok om te weten wanneer ze moesten wakker worden, slapen of eten. Ze telden hun dagen niet in uren maar in slaapcycli.

    Twee derde van de deelnemers sprak de wens uit om wat langer ondergronds te blijven om de groepsprocessen die tijdens hun verblijf waren ingezet af te ronden, zegt Benoit Mauvieux, een chronobioloog die bij het onderzoek betrokken is tegen Ouest France.

    ‘Onze toekomst als mens op deze planeet zal evolueren’, aldus een projectleider. ‘We moeten beter leren begrijpen hoe onze hersenen in staat zijn om nieuwe oplossingen te vinden, ongeacht de situatie.’


    Vermiste onderzeeër gevonden bij Bali

    De Indonesische marine maakte zondag bekend KRI Nanggala (402) op de zeebodem bij Bali te hebben gespot. Ze bevestigde ook dat alle 53 bemanningsleden dood waren. De onderzeeër werd gevonden in drie delen, meer dan 800 meter diep, wat het zoeken bijzonder moeilijk maakte, aldus de Jakarta Post

    De autoriteiten gaven geen officiële verklaring voor de crash, maar suggereren dat de onderzeeër mogelijk met een stroomstoring te maken kreeg waardoor deze niet meer boven kon komen. Volgens de krant uit Jakarta heeft de Indonesische marine verouderde uitrusting, ‘wat de afgelopen jaren tot dodelijke ongevallen kon leiden’.

    In ieder geval wordt een menselijke fout uitgesloten, schrijft de site Nasional Kontan.

    Lichten

    Stafchef van de Indonesische marine (KSAL) Yudo Margono geeft aan dat de eerste analyse van het zinken van de onderzeeër op natuurlijke factoren wees. Het zinken van de in Duitsland gemaakte KRI Nanggala-402 lijkt volgens Margono evenmin te wijten aan een stroomuitval, want alle lichten brandden nog. De exacte oorzaak kan pas worden vastgesteld als de romp kan worden opgetild.

    De Indonesische regering zal samenwerken met International Sub Marine Rescue and Liaison Office (Ismerlo) voor het optillen van het schip. De samenwerking is tot stand gekomen omdat men zich realiseerde dat het niet eenvoudig was om de stukken van het schip op een diepte van 838 meter naar de oppervlakte of aan land te brengen. Hiervoor zijn speciale gereedschappen en technologie nodig, aldus Kompas.

    Nanggala werd op 21 april als vermist opgegeven, uren nadat het contact met het oppervlaktepersoneel onder water was verloren. De onderzeeër had als missie informatie te vergaren in de Indische Oceaan en de wateren rond Oost-Timor en Noord-Kalimantan. Het schip maakte deel uit van de internationale marine-oefening Cooperation Afloat Readiness and Training, en voerde onder andere een oefening uit met USS Oklahoma City. In 2012 onderging de onderzeeër een laatste grote opknapbeurt.


    ‘Nomadland’ triomfeert tijdens de Oscars

    De film Nomadland van regisseur Chloé Zhao, die de reizen volgt van nomaden die in busjes leven in een door recessie getroffen Amerika, won drie beeldjes op de uitreikingen dit weekend: die voor beste speelfilm, beste regisseur en beste actrice.

    Chloé Zhao is de eerste vrouw van Aziatische afkomst die die laatste twee kostbare beeldjes ontvangt. ‘Haar overwinning maakt deel uit van het groeiende en welkome internationalisme van de academie: ze is de laatste in een opmerkelijke reeks recente winnaars die buiten de Verenigde Staten zijn geboren, waaronder Alfonso Cuarón, Guillermo del Toro, Alejandro González Iñárritu en Ang Lee, merkt de Los Angeles Times op. ‘Een bemoedigende bevestiging dat Hollywood een plek is waar immigrantenschrijvers uit alle lagen van de bevolking kunnen gedijen.’

    ‘De historische overwinning van Zhao is op zijn best een teken dat er betere tijden aankomen’

    In de drieënnegentig jaar dat de Academy Awards bestaat is dit evengoed pas de tweede keer dat een vrouw wordt geëerd in de categorie beste prestatie. Vóór Chloe Zhao won Kathryn Bigelow in 2010 het beeldje voor de film Minesweeper. ‘De historische overwinning van Zhao is op zijn best een teken dat er betere tijden aankomen voor deze categorie, waarin vrouwen door de jaren heen zo jammerlijk ondervertegenwoordigd zijn’, aldus CNN.

    Ongekend feit: de Academy of Oscars had dit jaar ook voor het eerst twee vrouwen genomineerd in de categorie beste uitvoering, brengt Variety in herinnering: Chloe Zhao dus, maar ook Emerald Fennell, directeur van Promising Young Woman. Haar feministische thriller, geïnspireerd op de #MeToo-beweging, ontving zondagavond de prijs voor het meest originele scenario.

    De versie van dit jaar beloonde ook meer acteurs of regisseurs van minderheden. De Zuid-Koreaanse actrice Youn Yuh-jung, genomineerd voor Minari, en de Brit Daniel Kaluuya, die een Black Panthers-frontman speelt in Judas and the Black Messiah, wonnen allebei de Academy Award voor beste mannelijke bijrol.

    Volgens NPR heeft deze betere weergave van de diversiteit van cinema bij de Oscars niet alleen te maken met de inspanningen van de Amerikaanse academie de afgelopen jaren. Volgens een rapport van de University of California in Los Angeles (UCLA) is de ontwikkeling ook deels te wijten aan het feit dat dit jaar minder kandidaten met een groot budget meededen. De release daarvan werd vertraagd ‘door de pandemie, waardoor plaats is gemaakt voor films met een gemiddeld budget, die buiten konden worden geschoten’. En daarin zijn minderheden beter vertegenwoordigd, zowel voor als achter de camera.

  • ‘Vijf jaar geleden ben ik gestopt met douchen’

    ‘Vijf jaar geleden ben ik gestopt met douchen’

    Heeft al dat schrobben en inzepen, hydrateren, deodoriseren en aanbrengen van peperdure serums wel zin, of helpt het vooral om de marktwaarde van de cosmetica-industrie nog meer te laten stijgen? Zie de huid, schrijft Brooke Jarvis, als een ecosysteem, dat in constante verbinding staat met de gezondheid van ons lichaam en met de wereld daarbuiten. Dat raadselachtige orgaan beschermt ons en wordt bewoond door ontelbaar veel kleine beestjes – en dat moet vooral zo blijven.

    image 3

    Toen we klein waren, zetten mijn zus en ik als we thuiskwamen van school graag Guiding Light aan, een soap op CBS. We kregen alleen het laatste kwartier van de een uur durende show mee, maar omdat het verhaal niet bijzonder subtiel was, was dit genoeg om zelfs de ingewikkeldste verhaallijnen te volgen – zoals dat van Reva Shayne, een negen keer getrouwd personage dat presentator van een talkshow was, helderziende en prinses op een fictief eiland, en als tijdreiziger terugkeerde naar de [Amerikaanse] Burgeroorlog en nazi-Duitsland, en de strijd met Dolly, een slinkse kloon van haarzelf, gemaakt door haar meest recente echtgenoot om de kinderen te behoeden voor het verdriet om haar meest recente (vermoedelijke) dood.

    Guiding Light begon in 1937 als een radioprogramma ter promotie van een zeep met de naam Duz. (‘Duz does everything.’) Toen het programma in 2009 uit de lucht ging, was het de langstlopende show in de tv-geschiedenis. En het was niet door CBS geproduceerd maar door Procter & Gamble, dat begon als zeepbedrijf en zich ontpopte tot de uitvinder van de moderne reclame in de VS. Behalve dat het bedrijf zijn merken promootte via afbeeldingen op bussen en billboards, produceerde het meer dan twintig radio- en televisiedrama’s. De eerste, Oxydol’s Own Ma Perkins, ging in 1933 in première. De laatste, As the World Turns, verliet de ether in 2010, toen de term soapopera inmiddels een begrip was, zonder dat kijkers enig idee hadden dat de term ooit daadwerkelijk verbonden was geweest met een zeepbedrijf.

    Tot de covid-19-uitbraak hadden de meesten van ons niet vaak of langdurig nagedacht over zeep. Aan het begin van de pandemie kwam hier verandering in.

    We leerden welke popnummers een refrein van 20 seconden hadden, zodat we ze tijdens het handen wassen konden zingen. We kwamen erachter dat, in ieder geval voor de lockdown, de rijen voor de herentoiletten plotseling langer werden – waarschijnlijk omdat (volgens een onderzoek) slechts 31 procent van de mannen daarvoor de gewoonte had gehad om na gebruik van het toilet de handen te wassen.

    cvEcGNGTrLA0RjLkvtHLmdVdODc29XgQwd4Spygu25epJtO9xza0mMCeg 7U49rgKbGI SxQ qxbDJydjKhGz4nskLotdlFmJguGMV44EAPidRbw tvHWjGoVREj tTk cIHn51V

    Terwijl distilleerderijen en brouwerijen zich toelegden op het produceren van desinfecterende handgel, publiceerde Times een stuk waarin werd uitgelegd waarom ouderwetse zeep eigenlijk beter geschikt was om het coronavirus te vernietigen: de hydrofobe staarten van zeepmoleculen binden zich met het lipidemembraan dat het virus beschermt en scheuren het letterlijk uit elkaar, terwijl de hydrofiele koppen zich hechten aan het water dat het dode virus wegspoelt. Zoals veel mensen ontwikkelde ik een nieuwe waardering voor zeep en stelde me elke keer dat ik mijn handen waste met wrede voldoening een scène voor van een vernieling op microniveau. Het was dan ook een vreemd moment om een boek te lezen van een arts die nogal kritisch aankijkt tegen de zeepindustrie, een boek dat begint met de zin ‘Vijf jaar geleden ben ik gestopt met douchen.’

    ‘De huid van één persoon herbergt duizend soorten bacteriën, om nog maar te zwijgen van schimmels, virussen en mijten’

    Laat ik meteen duidelijk maken dat James Hamblin, vast auteur voor The Atlantic en de schrijver van Clean: The New Science of Skin, nog altijd voorstander is van regelmatig handen wassen, wat onbetwistbaar een wereldveranderende innovatie is in de volksgezondheid en van cruciaal belang op dit moment in de geschiedenis. (Hamblin schrijft ook dat hij ‘nooit twee dagen achter elkaar een witte jas zou dragen zonder hem te reinigen’.) Maar hij twijfelt aan het nut van al het schrobben en inzepen – om nog maar te zwijgen van het hydrateren, deodoriseren en het aanbrengen van serums – waaraan we het grootste orgaan van ons lichaam onderwerpen, evenals aan de bedrijven die veel geld uitgeven om ons ervan te overtuigen dat we dat moeten doen om schoon te blijven.

    Duizend jaar zonder bad

    Zeep is een oude uitvinding, zo oud dat we alleen maar kunnen aannemen dat het het gelukkige resultaat was van het morsen van dierlijk vet in vuuras, waarbij enkele aanwezigen alert genoeg waren om de reinigende kracht van het schuim dat ontstond op te merken. Vroege versies, gemaakt met loog, konden de huid verbranden en werden vaker voor wasgoed toegepast dan voor mensen. Bij baden werden meestal water, zand, puimsteen, schrapers en oliën of parfums gebruikt – hoewel ze op sommige plaatsen het hele idee van douchen nogal gevaarlijk vonden. Sommige historische gegevens suggereren dat wassen relatief zeldzaam was in de westerse wereld: Marco Polo merkte met verbazing op hoe vaak mensen in India en China baadden, en Ahmad ibn Fadlan, die aan het begin van de tiende eeuw van het hof van Bagdad naar de Wolga reisde, vertelde dat de mensen die hij op zijn reis ontmoette zich niet wasten na het eten, poepen, plassen of na de seks, en dat ze ‘de smerigste schepselen van Allah’ waren. De Franse historicus Jules Michelet beschreef de Europese Middeleeuwen als ‘duizend jaar zonder bad’.

    In de VS werd zeep voor de huid pas in de negentiende eeuw openbaar verkocht, voornamelijk als een manier om geld te verdienen aan de restanten van de vleesverpakkingsindustrie, die grote hoeveelheden ongebruikt dierlijk vet produceerde. Ondernemers voegden potas toe [een mengsel van zouten dat hoofdzakelijk uit kaliumcarbonaat bestaat] en maakten zo zeep, waar ze vervolgens vraag naar moesten creëren.

    hghZ vZbUC6zjXojPybZgIMaElFvQwo6LzohDSoN2WsU01JZSbQhij7V0PF1KTzvbHY8dirTv0tXm4ArfGM0GKsB4L1gWvVyY7Dp061UW8pfCs3H3LhLrrsQ4vMLYyfqM8bhjTb5

    Tot deze vroege soapers behoorden William Procter en James Gamble, die nadat ze met twee zussen waren getrouwd begonnen samen te werken, een ander familiepaar, dat hun bedrijfsnaam uiteindelijk veranderde van Lever Brothers in Unilever en een man genaamd William Wrigley Jr., die kauwgom weggaf als promotie voor zijn zeep, waarna hij ontdekte dat er vooral vraag naar kauwgom bleek te bestaan. Vorig jaar werd de schoonheids- en persoonlijkeverzorgingsmarkt in de VS geschat op bijna 100 miljard dollar, wat het moeilijk maakt om je een tijd voor te stellen waarin mensen moesten worden overgehaald om zeep te gebruiken. Maar de zeepindustrie, zo stelt Hamblin in zijn boek, leent zich goed als introductie tot de geschiedenis van de Amerikaanse marketing.

    Ook nieuw was het creëren van en vervolgens voorzien in behoeften waarvan mensen niet wisten dat ze die hadden

    De eerste zeepfabrikanten waren pioniers op het gebied van technieken die we vandaag de dag nog steeds tegenkomen: één enkel bedrijf dat concurrerende merken bezit met bijna identieke producten, om het gevoel van keuze en loyaliteit bij de consument op te wekken; en het gebruik van ‘gesponsorde content’, zoals de soapseries of How to Bring Up a Baby van Procter & Gamble, dat deels een gezondheidspamflet was en deels een advertentie. De advertentiecampagnes creëerden een gevoel van op de loer liggend gevaar door te beweren dat hun eigen producten veiliger en zuiverder waren dan die van de concurrent, of ze promootten het product aan de hand van obscure, jargonachtige termen (‘triple milled soap’) die de consument belangrijk toeschenen, simpelweg omdat ze op de verpakking stonden. De bedrijven speelden voor de verkoop van hun producten bovendien weinig subtiel in op racisme en klassisme. Ze maakten zelfs gebruik van mensen die nu ‘influencers’ zouden worden genoemd, zoals de filmsterren die verschenen in advertenties met als slogan ‘9 van de 10 filmsterren gebruiken Lux Toilet Soap’. ‘Lever heeft die acteurs nooit betaald’, schrijft Hamblin, ‘en omdat de industrie zo nieuw was, kwam het blijkbaar niet bij hen op om om geld te vragen.’

    Ook nieuw was het creëren van en vervolgens voorzien in behoeften waarvan mensen niet wisten dat ze die hadden. Hamblin merkt op dat veel zepen die werden geadverteerd als ‘antimicrobieel’ en ‘antibacterieel’ minder veilig waren dan standaardzeep en gevaarlijke verbindingen op de huid achterlieten. (Veel producten die we nu als zeep beschouwen, zijn eigenlijk schoonmaakmiddelen op basis van synthetische verbindingen.)

    Ondertussen moesten zeepbedrijven, om hun productlijn uit te breiden, ‘het idee verkopen dat zeep op zichzelf onvoldoende was – of dat de effecten ervan ongedaan moesten worden gemaakt door weer andere producten’, schrijft Hamblin. Je had aparte zeep nodig voor je haar, je lichaam, je gezicht en zelfs voor verschillende gezinsleden. (Albert Einstein zou op de vraag waarom hij geen scheerzeep gebruikte, dat toen net was uitgevonden, naar verluidt hebben geantwoord: ‘Twee zepen? Veel te ingewikkeld!’) Om de uitdrogende effecten van zeep te compenseren, had je andere producten nodig: conditioners, vocht-inbrengende crèmes, toners. Hamblin wijst de introductie van Dove in 1957, waarvan de reinigingskracht wordt verminderd omdat het wordt vermengd met een vochtinbrengende crème, aan als het moment waarop de industrie begon met het verkopen van een geheel effectloos product.

    U9hwn6m7bsXxlus28ff9etc owBPbPeB5lqwIgj2VeAHi YGz3xN7mQwwilrLs6qn7JVluIH ovPXebY464DVj0DzSdK1rZ2 lXlrdEHF0Z0dKMSk0 PSf 9iM wHHwl4Z ThcA

    Hamblins beslissing om te stoppen met douchen –hij spoelt zich zo nu en dan af – begon als een experiment, toen hij zichzelf de vraag stelde wat de essentie van zijn leven was. Hij verkocht zijn auto, ontbond zich van het internet en overwoog om in een busje te gaan wonen – waar zijn vriendin bezwaar tegen maakte. Maar zijn beslissing had ook te maken met nieuw inzicht in de manier waarop onze huid functioneert: als een levende, doorlatende ‘dynamische interface’ die ons verbindt met de wereld om ons heen – ‘een complex, divers ecosysteem’ in plaats van een barrière die steriel en ongerept zou moeten zijn. Zeep, redeneerde hij, wast niet alleen natuurlijke oliën weg, maar ook veel van de micro-organismen die onze huid bewonen, waardoor het natuurlijke evenwicht dat deze veroorzaken, wordt verstoord.

    Hamblin begint aan een nogal onsamenhangende en soms onbevredigende reeks experimenten die zijn bedoeld om erachter te komen wat schoon zijn nu eigenlijk inhoudt. Hij bezoekt de Dr. Bronner’s Magic Soaps-fabriek, krijgt een reinigende gezichtsbehandeling en woont de opening van een Glossier-winkel en verschillende productdemonstraties bij. Een verkoper schenkt mannenzeep in borrelglaasjes uit wat lijkt op een whiskyfles; een ander probeert hem een ‘fontein van jeugdstamcel-vochtinbrengende crème’ aan te smeren, waarin de stamcellen afkomstig zijn van pompoenen.

    In een poging te laten zien hoe laks we de ingrediënten in cosmetica reguleren – in producten voor persoonlijke verzorging in de EU zijn vijftienhonderd chemicaliën verboden of aan regels gebonden, tegenover slechts elf in de VS – begint hij zijn eigen huidverzorgingsbedrijf. Het heet Brunson + Sterling (de slogan luidt: ‘Menscare for fucking perfect skin’) en biedt een mix van willekeurige ingrediënten in potjes van 200 gram voor 200 dollar per stuk. Het product verkoopt niet, maar het is legaal.

    Zeepadvertenties uit de jaren 50 waarin actrices en beroemdheden laten zien hoe Lux voor een stralende, fluweelzachte huid zorgt.
    Zeepadvertenties uit de jaren 50 waarin actrices en beroemdheden laten zien hoe Lux voor een stralende, fluweelzachte huid zorgt.

    Het interessantst is dat Hamblin mensen ontmoet die een heel andere kijk op huidverzorging hebben. Een vrouw met acné probeerde alles, van schrobben tot antibiotica, Accutane [een medicijn met de ontstekingsremmende stof isotretinoïne] en hormonale anticonceptie. (Acné wordt gedeeltelijk veroorzaakt door de Cutibacterium acnes en is een van de meest voorkomende redenen voor het voorschrijven van antibiotica.) Het werd alleen maar erger, totdat ze het opgaf, overal mee stopte en merkte dat haar huid opklaarde.

    ‘Het is geen verrassing dat de financiële crisis van 2008 een piek kende in psoriasis en eczeemconsultaties’

    Sandy Skotnicki, een Canadese dermatoloog, moet elke winter weer mannen met jeuk op het hart drukken te stoppen met het gebruik van douchegel en vraagt zich af of de tweeledige toename van overwassen en eczeem toeval is. (Omdat Skotnicki’s patiënten iets voorgeschreven willen krijgen, schrijft Hamblin, heeft ze ‘een manier gevonden om iets in niets te veranderen’, door te pleiten voor gereglementeerde reinigingen – waarmee ze gewoon tijdelijke onthouding van reinigingsproducten bedoelt.)

    Sommige wetenschappers menen dat de symptomen van eczeem – die vaak gepaard gaan met een overvloed aan Staphylococcus aureus – kunnen worden behandeld met de toepassing van een andere bacterie. Hamblin interviewt experts in immunologie en microbiologie die zich er zorgen over maken dat, voor sommigen van ons, de al lange tijd problematische relatie tussen de mens en hygiëne nu is omgekeerd: in plaats van te weinig hebben we nu misschien een overschot eraan. Deze experts willen dat we hygiëne wat breder bezien – als een kwestie van gezondheid en evenwicht, in plaats van een van steriliteit en zuiverheid. Met al onze zeep, ontsmettingsmiddelen en antibiotica, plus nog eens alle tijd die we binnen doorbrengen, afgesloten van vuil, dieren en frisse lucht, hebben we nieuwe problemen gecreëerd voor ons immuunsysteem, dat niet langer in aanraking komt met goedaardige triggers en dus overdreven reageert op zogenaamde bedreigingen. Overmatige hygiëne kan ook een probleem zijn voor het microbioom van de huid, waarvan we de ecologie pas net beginnen te begrijpen. Mark Holbreich, een allergoloog uit Indiana, ontdekte dat in de amishgemeenschap allergieën, eczeem en andere huidproblemen opmerkelijk weinig voorkomen, zelfs in vergelijking met genetisch en cultureel verwante groepen zoals de hutterieten in South Dakota, wier kinderen over het algemeen verder van de boerderij opgroeien. Julie Segre, die de bacteriële en schimmeldiversiteit van de menselijke huid als eerste in kaart bracht, merkt op dat de recente fascinatie voor probiotica in voedsel ons denken over de gezondheid van de huid niet lijkt te hebben beïnvloed: ‘Iedereen wil Activiayoghurt eten en zichzelf met bacteriën koloniseren, om vervolgens antibacteriële zeep te gebruiken.’

    Zeepadvertenties uit de jaren 50 waarin actrices en beroemdheden laten zien hoe Lux voor een stralende, fluweelzachte huid zorgt.

    En microbioloog Jack Gilbert vertrouwt Hamblin toe: ‘Ja, ik douche. Ik douche wel, hoewel ik de gevolgen ervan ken. Niet elke dag, en ik gebruik meestal niet veel zeep.’

    Medische misvatting

    Medische leerboeken worden vaak geïllustreerd met zogenaamde écorché-figuren – menselijke anatomieën van het type dat Leonardo da Vinci tekende, waarbij de huid is verwijderd om de spieren en het bot eronder te kunnen tonen. Volgens dermatoloog Monty Lyman duidt dit op een misvatting binnen de medische wereld: steeds weer wordt het medisch belang van de huid, die als muur en raam dient tussen ons mensen en de buitenwereld, over het hoofd gezien. Hij kent specialisten in meer glamoureuze disciplines die spotten met dermatologie. (Een vriend van een chirurg noemt de huid schertsend ‘het inpakpapier om de cadeautjes’.)

    Met zijn boek The Remarkable Life of the Skin wil Lyman dit rechtzetten; hij wil lezers het belang doen inzien van een orgaan dat vaak ‘aanwezig en toch onzichtbaar’ is. De huid is een vreemd, klein wonder. Als uw huid zou worden verwijderd, zou u al snel het water in uw lichaam verliezen en sterven aan uitdroging.

    De huid beschermt tegen dodelijke straling en ziekteverwekkers en helpt het lichaam binnen het kleine temperatuurspectrum te blijven dat het kan verdragen, terwijl het orgaan op de dunste plekken slechts half zo dik is als een cent. De cellen die aan de wereld worden blootgesteld zijn in feite al dood en zullen over het algemeen niet langer dan een maand meegaan – elke dag vergaan er ongeveer een miljoen, die zich vervormen tot stof in uw huis. Als deze huidcellen verloren gaan, worden ze vervangen door nieuwe, die zich op hun beurt gewillig opofferen om de triljoenen andere cellen waarvan je bent gemaakt te beschermen. ‘Nooit waren zo velen aan zo weinig zo veel verschuldigd’, schrijft Lyman.

    Met Lava-zeep kunnen zelfs mannen hun handen schoon krijgen, meldt de advertentie. De Ivory Soap voor mannen wordt sinds 1879 verkocht door Procter & Gamble in 1879, en is 140 jaar later nog steeds te koop. De antibacteriële zeep van Safeguard komt in twee nieuwe kleuren kondigt de advertentie uit 1967 aan.
    Met Lava-zeep kunnen zelfs mannen hun handen schoon krijgen, meldt de advertentie. De Ivory Soap voor mannen wordt sinds 1879 verkocht door Procter & Gamble in 1879, en is 140 jaar later nog steeds te koop. De antibacteriële zeep van Safeguard komt in twee nieuwe kleuren kondigt de advertentie uit 1967 aan.

    Zoals vaak het geval is in de geneeskunde, wordt het belang van de huid vooral duidelijk wanneer er iets in de werking misgaat. Lyman schrijft over pellagra, een pijnlijke uitslag die in het begin van de twintigste eeuw veel voorkwam in South Carolina en leidde tot ‘onophoudelijke diarree’ en uiteindelijk psychose, totdat de ziekte uiteindelijk werd genezen door de introductie van een uitgebalanceerd dieet; het is de reden dat verpakt brood nu niacine bevat.

    Kinderen kunnen xeroderma pigmentosum hebben, een genetische aandoening die het natuurlijke herstelsysteem saboteert dat uv-schade aan dna opspoort; vanwege hun onvermogen de zon in te gaan worden ze wel ‘middernachtkinderen’ genoemd, en ze hebben een gruwelijk grote aanleg om huidkanker te ontwikkelen.

    Bij epidermolysis bullosa, een andere genetische aandoening, zijn er geen eiwitten die de epidermis met de dermis verbindt, wat betekent dat de huid al kan loskomen als deze langs een deurknop schuurt. Een jonge patiënt met de aandoening, Hassan, had nauwelijks huid over toen hij een baanbrekende behandeling kreeg: dokters oogsten enkele van zijn huidcellen, stelden ze bloot aan een virus dat een gezonde versie van het gemuteerde gen droeg en gebruikten deze vervolgens om in een laboratorium 9 vierkante meter nieuwe huid te laten groeien, die ze met succes op het lichaam van Hassan aanbrachten.

    image 4

    Waar Hamblin zich concentreert op reinheid, probeert Lyman op een bredere manier naar de huid te kijken, waarbij hij hoofdstukken besteedt aan aanraking, pijn, de geschiedenis van tatoeages, de wetenschap van melanine, de visie van verschillende religies op naaktheid en de manier waarop de blootstelling van onze huid aan de zon onze algehele gezondheid beïnvloedt. (Wist u dat honden en katten, mogelijk omdat hun vacht het vermogen van hun huid blokkeert om zonlicht te absorberen en vitamine D te produceren, een olie afscheiden die in vitamine D wordt omgezet bij blootstelling aan zonlicht? Die moet vervolgens oraal worden ingenomen, wat een van de redenen is dat huisdieren zichzelf altijd likken.)

    In één onderzoek konden wetenschappers, door simpelweg het microbioom van de huid van mensen te onderzoeken, zien in welke stad ze woonden en met wie ze samenwoonden

    De zon kan de veroudering van de huid sterker beïnvloeden dan de tijd zelf, merkt Lyman op. Hij vertelt dat hij, toen hij in een kliniek werkte, een vrouw van in de zestig aanzag voor de dochter in plaats van de moeder van een zonaanbiddende patiënt van in de veertig. Hoewel hij lezers meeneemt op een rondleiding langs de wildste huidbehandelingen, van de ‘vampiergezichtsbehandelingen’ waar Kim Kardashian bij zwoer tot Cleopatra’s dagelijkse bad in ezelinnenmelk, zijn de enige schoonheidstrucs die Lyman onderschrijft bescherming tegen de zon, een gezond dieet, niet roken of overmatig drinken, en geen langdurige stress. ‘Het is geen verrassing dat de financiële crisis van 2008 een piek kende in psoriasis- en eczeemconsultaties’, schrijft Lyman. Aandoeningen zoals coeliakie, de ziekte van Crohn, rosacea en eczeem –die allemaal betrekking hebben op de huid, het immuunsysteem en de darmen – laten zien hoe verweven deze systemen zijn. Eczeem is bijvoorbeeld een voorspeller van de vraag of een baby voedselallergieën zal ontwikkelen, en het is gebleken dat acné toeneemt naarmate het dieet van een persoon verwestert.

    Ecosysteem

    Huidverzorging, waarvan de marktwaarde tussen 2014 en 2019 met zo’n 20 miljard dollar is gestegen, is uitgegroeid tot de winstgevendste sector van de cosmetica-industrie. Producten kunnen enorm duur zijn, vooral als ze met andere worden gecombineerd tot uitgebreide regimes. Maar de wetenschap van de gezondheid van de huid, zoals beschreven door Hamblin en Lyman, suggereert dat we het mis hebben als we de huid als statisch of losstaand beschouwen, als iets dat genoegen neemt met oppervlakkige behandelingen met verschillende reinigingsmiddelen en vochtinbrengende crèmes. (Hamblin spot met het idee de interne collageenproductie van de huid te bevorderen door collageen op te smeren of het in te nemen: ‘Alsof je, omdat je nieuwe banden nodig hebt, rubber in je benzinetank stopt.’) De huid is, letterlijk, een ecosysteem, dat in constante verbinding staat met de gezondheid van de rest van ons lichaam, evenals met de wereld daarbuiten.

    In een hoofdstuk genaamd ‘Skin Safari’ leidt Lyman ons langs de bewoners van onze huid. Ze variëren van de microscopisch kleine mijten die ’s nachts al copulerend over onze gezichten zwerven, tot de zeer stabiele gemeenschappen van micro-organismen die op de verschillende delen van ons lichaam leven, elk met hun eigen unieke omstandigheden. ‘Op het eerste gezicht lijkt onze huid een kaal, onherbergzaam landschap’, schrijft Lyman. Maar voor beestjes die klein genoeg zijn is het orgaan bedekt met bergkammen, ravijnen, woestijnen en moerassen, ‘habitats vol wilde dieren waar je een natuurdocumentaire aan zou kunnen wijden’.

    590uRez2A1X 5EkhWUg4QldyZNWWgSID5n5HFex9Hj2VTMB3eNrjxeNEyEcjdT1cZdIcKo hljgAX29qLcpEhBC lwlQyktiU4 zcETaryX7eqPd99qNbKQdWvt8S9FVKUGvj0wB

    Deze habitats worden op hun beurt beïnvloed door onze eigen omstandigheden. In één onderzoek konden wetenschappers, door simpelweg het microbioom van de huid van mensen te onderzoeken, zien in welke stad ze woonden en met wie ze samenwoonden.

    Revolutie

    Als je dit leest, wil je ongetwijfeld eerder meer dan minder zeep gebruiken. (En waarschijnlijk draagt de wetenschap dat al die kleine gezichtsmijten, omdat ze geen anus hebben, uiteindelijk sterven door de inname van alle huid en olie die ze op je gezicht hebben geconsumeerd, daar nog eens aan bij.) Maar onthoud dat we het huidmicrobioom altijd al met ons meedragen, en dat het minstens evenveel micro-organismen bevat als er cellen in je hele lichaam zijn – misschien wel drie keer zoveel. Jij bent het, in zekere, zeer reële zin, en het orgaan dient doeleinden die we pas net beginnen te begrijpen. Microben, archaea genaamd, die in 2017 op de huid zijn ontdekt, beschermen onze huid bijvoorbeeld door stikstof om te zetten en ziekteverwekkers op afstand te houden; stinkende microben op onze voeten kunnen schimmelinfecties tegengaan; en zelfs die gezichtsmijten kunnen worden beschouwd als natuurlijke exfolianten.

    De huid van één persoon herbergt ‘duizend soorten bacteriën, om nog maar te zwijgen van schimmels, virussen en mijten’, schrijft Lyman – een diversiteit aan personages en verhaallijnen waarbij elke soapserie in het niet valt, en die grote gevolgen heeft voor onze gezondheid en ons welzijn. Hij vertelt over een stinkende persoon die, nadat hij was ingesmeerd met microben uit de oksels van zijn zoet geurende tweelingbroer, niet langer stonk, en over iemand die een sociaal verlammende genetische aandoening, met de suggestieve naam ‘visgeursyndroom’, bestreed door zijn dieet te veranderen.

    Lyman verwacht dat de wetenschap binnenkort in staat zal zijn om ons unieke microbiële zelf te veranderen op manieren die veel geavanceerder zijn dan het gebruiken dan wel afzweren van zeep: ‘Het manipuleren en aanpassen van deze populaties kan een revolutie in de geneeskunde teweegbrengen.’

    Ook Hamblin stelt dat zeep een kleine speler is in vergelijking met andere factoren die het microbioom beïnvloeden: bijvoorbeeld het gebruik van antibiotica, of de vroege levenservaringen die de initiële ontwikkeling van het orgaan beïnvloeden. Het heroverwegen van het gebruik van zeep, besluit hij, staat misschien vooral symbool voor de manier waarop we denken over schoonheid: als een strijd, of als een evenwichtsoefening? Hij besluit zijn boek met een ode aan openbare parken als belangrijk onderdeel van de stadshygiëne, waarbij hij wenst dat we het geld dat we aan zeep en huidverzorging uitgeven, zouden besteden aan het verbeteren van onze eigen leefgebieden – niet alleen die waarin we leven, maar ook die die we zelf vormen. ‘Als we onze wereld veranderen, veranderen we vanzelf ons lichaam’, schrijft hij. ‘De oude dualiteit tussen milieugezondheid en menselijke gezondheid is achterhaald.’

    Al met al ziet Hamblin zijn persoonlijke experiment als een succes. Na een overgangsperiode, die zijn microbiële populaties vermoedelijk hebben aangegrepen voor een grondige zelfreorganisatie, omarmt de vriendin die het idee van het busje afwees zijn besluit om niet langer te douchen. Ze verklaart dat Hamblin niet zozeer lekker of vies ruikt, maar gewoon, ‘als een persoon’.

  • On the road, maar nu geschreven door een auto

    On the road, maar nu geschreven door een auto

    Met algoritmes een roman produceren was geen kunst meer voor Ross Goodwin. Hij had zijn zinnen gezet op een alternatieve versie van Jack Kerouacs klassieker On the Road, geschreven door een auto. Goochelarij? Nee hoor. Deze openingszin was de uitkomst van een zelfstandig generatief proces gedicteerd door sensoren: ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar.’ Best passend, voor een roadtrip.

    Op 25 maart 2017 vertrok in Brooklyn een zwarte Cadillac voor een roadtrip naar 
New Orleans. Op de kofferbak was een wit camerakastje gemonteerd en op het dak een oude gps-eenheid. Binnen hing een microfoon aan het plafond en van alle drie die apparaten liepen draadjes naar de Razer Blade-laptop van Ross Goodwin, waarop ook nog een simpele kassabonprinter was aangesloten. Goodwin hoopte dat deze apparatuur de 
nieuwe Amerikaanse reisroman zou schrijven.

    Goodwin, die als ghostwriter voor de regering-Obama heeft gewerkt, omschrijft zichzelf als ‘schrijver van schrijvers’. Met behulp van neurale netwerken heeft hij poëzie, filmscenario’s en nu ook een reisroman gegenereerd. Ik maakte voor het eerst kennis met zijn werk toen zijn algoritmes in 2014 een roman destilleerden uit het Senaatsrapport over de martelpraktijken van de CIA.

    Voor Narrated Reality, zijn masterscriptie voor de New York University (NYU), maakte hij wandelingen door de stad met een rugzak vol apparaten (een kompas, een prikklok en een camera) waarvan de data werden ingevoerd in neurale netwerken. Het leverde bizarre associatieve poëzie op. Een voorbeeld: ‘De hele tijd wentelt de zon/uit een donkere heldere grond’.

    Nu had een hardwarehacker in Biloxi wat apparatuur naar zijn wensen aangepast en wilde Goodwin zijn ontluikende artificiële brein op reis sturen. Die reis moest een literair experiment worden in de traditie van Jack Kerouac, Thomas Wolfe en Ken Kesey, met dat verschil dat nu de auto zelf het verhaal zou schrijven. Het gekozen traject, van New York naar New Orleans, was een knipoog naar een beroemde etappe in Kerouacs On the Road. Onder op de Axis M3007-camera schreef Goodwin: ‘Verder’.

    ‘We wilden een auto die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen’

    De vier sensoren – camera, gps, microfoon en de interne klok van de laptop – moesten onderweg data leveren aan een stelsel neurale netwerken die door Goodwin waren getraind met de input van honderden boeken en locatiedata van Foursquare [een Amerikaanse sociaalnetwerksite gebaseerd op je locatie]. De uitkomst zou dan als een serie reisbrieven uit de bonprinter rollen. Na vier dagen lag de vloer van de auto vol bonnetjes gevuld met proza geproduceerd door een kunstmatig brein. Die reisbrieven zijn verzameld in het boek 1 the Road, door Goodwins uitgever Jean Boîte Éditions aangeprezen als ‘de eerste door een machine geschreven roman’.

    Al moet erbij gezegd dat Goodwin die eer wegwuift: ‘Die komt misschien eerder toe aan het in de jaren tachtig 
door software geschreven The Policeman’s Beard Is Half Constructed,’ zegt hij. Hoe dan ook is het een hallucinerend en gek genoeg ook verhelderend verslag van het leven van een bot op de snelweg. Een kruising van The Electric Kool-Aid Acid Test en Google Street View, verteld door Siri.

    Gezag

    Op de dag van vertrek kwamen Goodwins reisgenoten naar zijn flat om alle apparatuur in de Cadillac 
te installeren: zijn zus Beth, zijn verloofde Lily Beale-Wirsing en zijn vriendin Nora Hamada, Google-medewerkers Kenric McDowell en Christiana Caro en een kleine filmploeg van Lewis Rapkin, die in een eigen auto meereed om de reis vast te leggen. (Google, dat al interesse had getoond in Goodwins werk aan de NYU, betaalde de huurauto en de camera; een jaar later trad Goodwin in dienst bij het Artists and Machine Intelligence-programma van de internetgigant.)

    ‘Dat het een Cadillac was,’ vertelt Goodwin me aan de telefoon, ‘kwam trouwens omdat we een auto wilden die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen.’ Hij was bang om voor terrorist te worden aangezien, als mensen een auto vol elektronische huisvlijt en bedrading zagen langskomen.

    Met de Cadillac wilde hij inspelen op het stilzwijgende geloof dat veiligheidsdiensten zulk onderzoek doen. ‘Ik hoopte dat mensen dachten dat het een auto van de overheid was.’ Blijkbaar met 
succes: Goodwin hoorde later dat de eigenaar van een avondwinkel in zijn wijk die dag besloot zijn winkel dicht te houden omdat hij hem met zijn apparatuur had zien langskomen. ‘We waren geen rijdende reclame voor Cadillac,’ zegt hij lachend. ‘Ons sponsorverzoek werd afgewimpeld.’

    automatic on the road 5

    Zodra de apparatuur in Brooklyn werd aangezet, sloeg de inspiratie toe. ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar,’ rolde er uit de printer. Als zin voor een boek over een roadtrip best passend – raak zelfs.

    ‘Ik vind het een prachtige zin’, zegt Goodwin. ‘De kiem was in dit geval het tijdstip: alles wat volgt op “zeventien over negen” komt daaruit voort.’ Dat ging dus zo: de klok registreerde het tijdstip en dat werd ingevoerd in het neurale netwerk dat door Goodwin met drie enorme corpora literaire teksten was getraind. (Elk corpus was circa 120 MB ofwel twintig miljoen woorden groot.

    Eén corpus bevatte voornamelijk poëzie, het tweede sciencefiction en het derde wat Goodwin omschrijft als ‘sombere’ literatuur. ‘Bij elkaar vertegenwoordigden die teksten de stem die ik in dit boek wilde horen,’ zegt Goodwin, ‘een stem die volgens mij zou passen bij deze reis, de historische en literaire betekenis ervan. Ik wilde het netwerk niet gericht trainen met Kerouac of andere Amerikaanse reisliteratuur, dat zou een beetje voelen als valsspelen.’

    Goodwin kon de drie corpora naar believen omwisselen.) Kauwend op dat corpus vormde het neurale netwerk letter voor letter nieuwe zinnen. ‘De lexicale invulling werkt op dezelfde manier als bij het vertalen van Engels naar Frans,’ zegt Goodwin. De resulterende woorden waren dus een product van de door literaire teksten gevormde wijze waarop het neurale netwerk dat specifieke tijdstip in de ochtend begreep.

    Onderweg produceerden de verschillende sensoren zinnen van uiteenlopend poëtisch gehalte: nauwkeurige gps-coördinaten werden aangevuld met mystieke frasen. (‘35,415579526 N, -77,999721808 W, op 47,148 meter boven zeeniveau, snelheid 0 kilometer per uur, en de eerste vlakte van het verhaal in het land is de eerste in een deel van de wereld.’) Camerabeelden werden omgezet in unheimisch proza. (‘Een skiliftbedrijf voor de laatste keer dat de trein al werd verduisterd en de straat er al was.)

    Foursquare-locaties leverden surrealistische observaties op. (‘Eagles Nest Diner: een Amerikaans restaurant in Goldsborough of Marine Station, een plaats van vis leek een man te zijn die al drie dagen in elkaar gezet wordt.’) Door de microfoon opgevangen gesprekken werden verminkt. (‘Ik ietsje als ik aan waarom ik niet gewond raakte ja mijn auto is een elke neer weet ik?’)

    En zo verwerkte het artificiële brein alle klanken en taferelen van de sleetse infrastructuur aan de oostkust, een betoging van rechtse demonstranten die het verkeer stillegde, de flora en fauna onderweg, en vermoedelijk ook het moment waarop ze even stopten bij een winkel waar Goodwin, zoals hij me vertelde, een extra adapter voor de sigarettenaansteker moest kopen omdat zijn apparatuur meer stroom nodig had.

    Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen?
    Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen?

    ‘Elke zin in dit boek is de uitkomst van een zelfstandig generatief proces en is op een specifiek tijdstip geproduceerd’, zegt Goodwin. ‘De zinnen zijn met elkaar verbonden door de reis en door de auto met sensoren die het verhaal dicteerden, en zo is dat kunstwerk ontstaan. Alles komt voort uit wat het systeem onderweg zag.’ Het doet denken aan de werkwijze van Kerouac, die de mythe creëerde dat zijn magnum opus in drie weken was geschreven, 
dat hij in één lange, door speed gedreven roes al zijn gedetailleerde indrukken op één lange rol papier had gekwakt.

    Lewis Rapkin, die een korte film over de reis heeft gemaakt, mailt me dat de artificiële intelligentie ‘soms iets verontrustends had’. Zeker in het begin zaten ze continu naar de output te staren in een poging te doorgronden wat het systeem wilde zeggen, hoe het tot zijn teksten kwam. ‘Associeert het apparaat die vervallen fabriek met de geschiedenis van mensen die van het platteland naar de stad trokken om werk te vinden?’ zegt Rapkin.

    ‘Beseft het dat dit nog maar het eerste verhaal van ons land is, en dat technologie het tweede verhaal gaat worden? Vergelijkt het ons stedelijk verval met de Middeleeuwen omdat ons land uiteen begint te vallen en eruitziet als een eeuwenoude ruïne?’

    Verrassend geslaagd

    Goodwin vindt zijn vier dagen durende reis duidelijk geslaagd, verrassend geslaagd zelfs. ‘Ik achtte het mogelijk dat er een verhaallijn in zou zitten, dat het als een roman zou voelen,’ zegt hij, ‘en dat is ook gebleken. Er zitten dingen in die als een roman voelen.’ Dat de auto zelf als personage fungeerde, geeft de tekst volgens hem een zekere continuïteit die vaak ontbreekt in door AI gegenereerde fictie. ‘Mocht iemand het zich afvragen, ik heb alles gelezen,’ zegt Goodwin lachend. ‘Samenhangend proza is de heilige graal van natuurlijke tekstgeneratie.

    Het gevoel dat ik in zekere zin een klein stukje van dat probleem heb opgelost, gaf een kick. En ik denk dat dit wel iets verrassends en interessants zegt over taal in de tijd.’ Dat denk ik ook. Ik heb geprobeerd om het hele boek in één ruk uit te lezen, zoals Goodwin me aanraadde, en dat is me min of meer gelukt. Ik zal niet zeggen dat het een samenhangende verhaallijn bevat in de zin van klassieke vertelkunst. Maar de bonte collage van beelden uit het moderne Amerika levert veel verpixelde poëzie op. En een paar treffende, memorabele regels, zoals: ‘picknick toonde een verleden dat van de zijkant van het spoor al haren had’.

    1 the Road klinkt alsof een auto van Google Street View zichzelf vertelt over een reis door het land. Het is een interessante benadering omdat je een paar uur kunt meeluisteren met het uitgestrekte netwerk van dataverzamelende voertuigen – drones, auto’s en andere apparaten – die momenteel ons grondgebied doorkruisen.

    ‘Net als het genre van de Amerikaanse roadtrip dat de inspiratie voor dit project vormde, gaat het om het vastleggen van een tijd en een plaats. En we leven nu in een tijd dat AI ons vooral nog verwart en verbaast, dus juist die verwarring en verwondering worden vastgelegd’, zegt Rapkin. ‘Is dat diepzinnig of onzinnig? Allebei.’

    ‘Dit is een heel onvolmaakt document (…) Maar er zitten wél personages in, wat heel vreemd is’

    Het is een rondleiding door onze lawaaiige gebouwde omgeving zoals die gezien wordt door machines. Het is bewakingstechnologie-fictie, geschreven door hetzelfde soort technologie dat onze bewakingsbeelden vastlegt en de datastroom verwerkt. Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen over een wereld die al zozeer gevormd en beïnvloed is door het soort data dat de AI verzamelt?

    Goodwin lijkt vast van plan om daar achter te komen. ‘Dit is een heel onvolmaakt document, dit is rapid prototyping. De output is nog verre van perfect. Dit is geen roman zoals mensen schrijven, in de verste verte niet’, zegt Goodwin. Maar ‘er zitten wél personages in, wat heel vreemd is.’ Zo verschijnt er in de derde zin een mysterieuze schilder die vraagt: ‘Wat is het?’ En die schilder duikt steeds weer op in de tekst: ‘Een watermassa viel van de zijkant van de straat omlaag. De schilder lachte en zei toen: Dat staat me wel aan en ik wil het niet zien.’

    Voor zover je als lezer in de verleiding komt om in het werk de schrijver (of ‘de schrijver van de schrijver’) terug te vinden – wat je bij reisverhalen onwillekeurig toch doet – lijkt die schilder nog het meest op een stand-in voor Goodwin. ‘Ik had een groot begin kunnen maken,’ zegt de door het apparaat gegenereerde schilder op een gegeven moment. En je kunt je dan maar al te goed voorstellen dat hij op het project zelf doelt en al aan nieuwe vergezichten denkt: ‘Ik wil hier weg, de tijd is gekomen.’

    Auteur: Brian Merchant

    The Atlantic
    Verenigde Staten | 11 x per jaar | 462.000

    In 1857 opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Bekend als intellectueel podium voor de betere schrijvers van het moment. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en illustratie.

  • Wat er gebeurt als je de stoplichten in Amsterdam uitzet

    Wat er gebeurt als je de stoplichten in Amsterdam uitzet

    Amsterdamse fietsers trekken zich weinig aan van een rood stoplicht, wat vaak leidt tot chaos. Maar als je de stoplichten weghaalt, gaan ze opeens wel rekening met elkaar houden, zo blijkt uit een proef.

    Op een mistige maandagochtend in mei 2016 stonden veertien gemeentefunctionarissen, ambtenaren en ingenieurs nerveus bij elkaar op het Amsterdamse Alexanderplein, een druk kruispunt vlak bij het centrum met drie tram- en buslijnen, waar veel mensen lopen, rijden en fietsen. Met één druk op de knop werden de verkeerlichten voor alle verkeerstypen in alle richtingen uitgeschakeld.

    Deze live-proef is een antwoord op de snelle groei van het aantal fietsers in een aantal Amsterdamse buurten. Bijna zeventig procent van alle verkeersbewegingen naar het stadscentrum gaat per fiets, dus er is meer ruimte nodig voor het fietspadennetwerk. Om aan de behoefte tegemoet te komen, wijken verkeersontwerpers af van de gebruikelijke handboeken. Zo worden beschermende barrières verwijderd en wordt de maximumsnelheid voor auto’s verlaagd. Ook worden complete routes tot fietsstraat bestempeld.

    Het uitschakelen van alle verkeerslichten op een druk kruispunt is echter wel een hele radicale maatregel. Zelfs in Amsterdam wakkerde de proef de discussie tussen ingenieurs en politici aan.

    Operatie

    ‘Het heeft achttien maanden gekost om deze operatie te plannen,’ zegt Iris van der Horst, voormalig programmamanager fiets- en verkeersveiligheid. ‘We moesten alle belangengroepen meekrijgen, inclusief de politie en het GVB. Iedereen wilde zeker weten dat de verkeersveiligheid niet in het geding kwam.’

    De proef vormt onderdeel van een grotere mobiliteitsstrategie in de hele stad om meer ruimte te creëren voor fietsers en voetgangers. Dit betekent dat personenauto’s minder toegang en ruimte krijgen.

    ‘De publieke ruimte in Amsterdam is beperkt,’ zegt locoburgemeester voor verkeer, Pieter Litjens, die de proef meteen goedkeurde. ‘We moeten strategisch en bedachtzaam omgaan met wie en wat die ruimte gebruikt.’

    De stad mat de impact van de ingreep aan de hand van een technisch onderzoek waarin veiligheid, conflicten en doorstroming werden meegenomen. Daarnaast bestudeerde het Urban Cycling Institute de effecten op menselijk gedrag, de percepties en ervaringen.

    Fietsers voor een stoplicht in Amsterdam. © Halil Sagirkaya / Getty
    Fietsers voor een stoplicht in Amsterdam. © Halil Sagirkaya / Getty

    In de weken voorafgaand aan het uitzetten van de verkeerslichten onderschepten we zo’n tweehonderd fietsers op weg naar en van hun werk. Een meerderheid had een hekel aan de kruising en klaagde dat het ‘chaotisch’ en ‘een puinhoop’ was, ‘niemand zich wat van rood aantrok’ en ‘de lichten allemaal tegelijkertijd op groen stonden’.

    Op de vraag of de verkeerslichten nodig waren, gaf eenderde aan dat ze ‘absoluut noodzakelijk’ waren, slechts vijf procent zei het tegenovergestelde en de meerderheid twijfelde. Het was duidelijk een vraag waar men nog nooit over had nagedacht.

    Volgens de gedragsanalyse keken de fietsers voor de stopstreep dreigend naar het rode licht, alsof ze het tot groen wilden dwingen. De lichamen waren naar voren gericht; hoofd en ogen bewegingloos. De meeste fietsers leken uitdrukkingsloos. Het moeten stoppen voor dit licht leek een moment te verschaffen om de gedachten even te laten afdwalen, telefoons te checken, de bel of pedalen recht te zetten. Er vond zeer weinig interactie plaats, zowel tussen fietsers onderling als met bestuurders van andere vervoermiddelen.

    Nadat de lichten waren uitgeschakeld, werden zo’n 150 fietsers geïnterviewd. We constateerden dat niet alleen minder mensen een hekel hadden aan de kruising, maar dat zestig procent zelfs vond dat de verkeerssituatie was verbeterd.

    ‘Mensen letten beter op,’ zei een man. ‘Het is ongelooflijk dat het zichzelf regelt’

    Zonder uitzondering klaagden de respondenten minder over de infrastructuur en spraken ze meer over menselijke interactie. ‘Mensen letten beter op,’ zei een man. ‘Het is ongelooflijk dat het zichzelf regelt,’ zei een jonge vrouw. ‘Het is een beetje eng, maar je hoeft nooit te stoppen en niemand is chagrijnig,’ zei een tiener. Niemand kon echter meer zeggen over het hoe en waarom.

    Het gedrag was duidelijk anders. De meeste fietsers remden af bij het naderen van de kruising en communiceerden met andere fietsers en automobilisten met hun ogen, gebaren, gezichtsuitdrukkingen en stemmen. Er vond veel meer onderhandeling plaats, maar niet zonder wrijving. In één geval begaf een moeder met haar kind in een voorzitje zich langzaam op het kruispunt. Toen ze halverwege was, kwam er een auto van rechts. Volgens de verkeersborden heeft de automobilist voorrang, maar de moeder maakte oogcontact met de chauffeur, ze glimlachten naar elkaar en de automobilist liet haar voorgaan.

    In de nieuwe opzet werden mensen gedwongen zich met de omgeving bezig te houden. Om zich aan te passen, moesten ingesleten gedragsrituelen worden veranderd. Deze aanpassing kost tijd en is een complex cognitief proces: hersenneuronen maken overuren, de zintuigen zijn alerter en er moeten meerdere informatieniveaus worden ontward.

    Zodra nieuwe rituelen zijn gevormd, worden snelle beslissingen weer onbewust genomen en wordt de beweging van het lichaam ingezet om een machine aan te drijven en te besturen.

    Dergelijke interactie en ‘onderhandeling in beweging’ klinken misschien veeleisend, zoals sommige respondenten opmerkten, maar hoe groot is die inspanning eigenlijk? Met fietsen gebruiken we onze spieren en dat is gezond. En als dit soort inspanning nou eens goed zou zijn om onze hersenen te trainen?

    In de hele stad overgenomen

    Na verloop van tijd worden fietsers steeds behendiger in het automatisch oplossen van deze puzzel. Die ontwikkeling werd na twee weken observatie al waargenomen op het Alexanderplein. De proef was zo succesvol dat er tot verlenging werd besloten, en een paar maanden later werden de verkeerslichten helemaal verwijderd.

    Nu wordt het Alexanderplein geherprofileerd en wordt het idee in de hele stad overgenomen, met steun van de beleidsmakers. ‘Deze proef toonde aan dat minder regulering tot verantwoordelijk en alert weggedrag kan leiden,’ zei Litjens.

    Er zijn inderdaad minder vertragingen, zonder verlies van veiligheid. Maar belangrijker nog is waarschijnlijk dat we aantoonden dat mensen zich bewuster werden van anderen en hun besluitvormingsproces op subtiele manieren aanpasten. Het bewijst dat mensgericht ontwerp van kruispunten een manier kan zijn om interactie, cohesie en vervolgens zelfs maatschappelijk kapitaal te vergroten.

    Auteur: Meredith Glaser

    Meredith Glaser is onderzoeker bij het Urban Cycling Institute van de Universiteit van Amsterdam. Ze bestudeert kennis- en beleidsoverdracht van Nederlandse fietspraktijken naar andere delen van de wereld.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Op zoek naar de kietelplek

    Op zoek naar de kietelplek

    Waarom zijn we eigenlijk zo gevoelig voor kietelen? Die vraag stelt de knapste koppen al duizenden jaren voor raadsels. Twee Duitse onderzoekers lijken door tests met ratten het begin van het antwoord te hebben gevonden.

    Als laboratoriumrat van de Humboldt-Universiteit in Berlijn heb je een heleboel lol. Dat suggereert althans een video die twee daar werkzame neurobiologen onlangs op YouTube hebben gezet. Daarin is te zien hoe ratten gekieteld worden en daarbij van plezier piepen en in de lucht springen. Grappig. Maar het is veel meer dan dat: een tweeduizend jaar oud geheim.

    Aristoteles piekerde al over de zin en onzin van het kietelen. Ook andere grote denkers hebben zich er later het hoofd over gebroken. Want hoe triviaal het fenomeen op zich ook is, het werpt een paar allesbehalve triviale vragen op.

    In vakjargon wordt kietelen sinds 1897 met twee indrukwekkende namen aangeduid: knismesis (van het Griekse knizein voor ‘krabben, prikkelen’) en gargalesis (van gargalizein: ‘kietelen’). Met het eerste wordt het lichte kriebelen op de huid bedoeld, als die slechts zachtjes wordt aangeraakt. Deze vorm van kietelen is in het dierenrijk wijd verbreid. Elke hond die een vlo op zich voelt scharrelen, kent het. Vermoedelijk is dat ook precies de zin van van knismesis: de reactie op de lichtste beroeringen moet helpen het lichaam te beschermen tegen vreemde invloeden.


    Gargalesis daarentegen roept meer vragen op. Dit is de naam voor het speelse kietelen, dat door iets meer druk meestal gegiechel uitlokt. Voordat men ook ratten op deze manier een vrolijke reactie kon ontlokken, werd gargalesis alleen bij mensen en primaten waargenomen. Charles Darwin zag daarin zelfs de oorsprong van de humor.
    Veel mensen die gekieteld worden, voelen zich daarbij helemaal niet vrolijk. Ze lachen wel, maar wie daaruit afleidt dat ze vrolijk zijn, zou ook achter iedere traan bij het uien snijden diepe treurnis moeten vermoeden. Volgens een bepaalde hypothese zou het kietelen bij kinderen misschien afweerbewegingen trainen. De vrolijke gelaatsuitdrukking van de gekietelde zet aan tot doorgaan. Bij een gekweld gezicht zou het spel, en daarmee de nuttige afweeroefening, vermoedelijk snel afgelopen zijn.

    Sommige psychologen zien in het kietelen een mogelijkheid om een band op te bouwen. Ouders zouden op deze manier al vroeg de angst voor aanraking bij hun kinderen wegnemen. Broertjes en zusjes kietelen elkaar vaak om een stevig gevecht te vermijden.

    Een goed humeur

    Maar een louter menselijk fenomeen is kietelen waarschijnlijk niet. De psychologen Christine Harris en Nicholas Christenfeld van de Universiteit van Californië denken eerder dat het een soort reflex is. Om deze hypothese te testen lieten ze hun assistente Meg Notman een apparaat bouwen dat ze ‘Mechanic Meg’ doopten. Uit Mechanic Meg stak een robotarm die, samen met de onderzoekers, de eenentwintig deelnemers aan de proef moest kietelen.

    Althans, zo werd het de proefpersonen verteld. In feite was Mechanic Meg alleen maar een kostbare afleidingsmanoeuvre. Het apparaat trilde luid als je het inschakelde. Bovendien verlieten de onderzoekers demonstratief het vertrek om de – geblinddoekte – deelnemers het gevoel te geven dat ze met de robot alleen waren. Maar in werkelijkheid zat de echte Meg de hele tijd verstopt onder een tafellaken, waar ze onder vandaan kwam om de proefpersoon nu eens ‘als mens’, en dan weer ‘als robot’ te kietelen.

    Doel van deze truc was om te vermijden dat men de uitslag van het experiment zou kunnen toeschrijven aan een slechte kietelprestatie van de robot. Op deze manier beleefden de deelnemers het kietelen elke keer met dezelfde kwaliteit. Het resultaat leek de onderzoekers te bevestigen: of nu mens of ‘machine’ aan de slag ging met de voetzolen van de proefpersonen, ze draaiden en kromden zich van het lachen. Toch stond het kietelen niet los van de stemming van de proefpersonen, meenden Harris en Christenfeld toen ze hun resultaten in 1999 presenteerden in het Psychonomic Bulletin & Review.

    Darwin en Aristoteles hielden zich al bezig met kietelen bij mensen, onderzoekers uit Berlijn ontdekten onlangs dat ook ratten er plezier aan beleven.
    Darwin en Aristoteles hielden zich al bezig met kietelen bij mensen, onderzoekers uit Berlijn ontdekten onlangs dat ook ratten er plezier aan beleven.

    Dit vermoeden wordt nu bevestigd door het experiment van de Berlijnse biologen Michael Brecht en Shimpei Ishiyama. Alleen ratten die zich goed voelden, reageerden vrolijk piepend op het kietelen. Wanneer de onderzoekers de dieren op een verhoogd platform of onder een felle belichting plaatsten, waren ze angstig en vertoonden ze geen tekenen van vreugde. Charles Darwin beschouwde een goed humeur al als voorwaarde om door kietelen aan het lachen gemaakt te kunnen worden.

    Een andere grote natuurvorser, de Engelsman Francis Bacon, die in de zeventiende eeuw de basis legde voor de moderne natuurwetenschap, was overtuigd van het tegendeel. Hij geloofde dat gekietelden zelfs wanneer ze zich niet goed voelden moesten lachen, of ze wilden of niet. Hoe pijnlijk dat kan worden, demonstreren verschillende overgeleverde martelmethoden. In de Dertigjarige Oorlog zou bijvoorbeeld het zogenaamde geitenlikken als marteling toegepast zijn. De voeten van het slachtoffer zouden daarbij in zout water gedompeld en aansluitend vastgebonden zijn, zodat geiten er het zout af konden likken. Menig slachtoffer werd naar verluidt zelfs doodgekieteld. Of kietelen werkelijk dodelijk kan zijn, is onduidelijk. Maar één ding is zeker: jezelf kietelen gaat niet – althans niet in de zin van de gargalesis die lachen uitlokt.

    Alleen aan schizofrenie lijdende mensen kunnen zichzelf soms door kietelen aan het lachen maken. Bij gezonde mensen ontbreekt waarschijnlijk het verrassingselement

    Alleen aan schizofrenie lijdende mensen kunnen zichzelf soms door kietelen aan het lachen maken. Bij gezonde mensen ontbreekt waarschijnlijk het verrassingselement. De kleine hersenen schijnen in het moment tussen het besluit jezelf te kietelen en de daadwerkelijke actie een signaal door te geven aan de somatosensorische cortex. Daar worden de tastgewaarwordingen verwerkt. Als dit hersengebied van tevoren gewaarschuwd wordt, kan de waarneming van het kietelen eenvoudig uitgeschakeld worden. Op die manier wordt een overprikkeling voorkomen.

    Maar een andere diersoort kun je met een kietelaanval volledig in verwarring brengen: bij haaien is het genoeg om hun snuit te kietelen om ze in trance te brengen. Zelfbenoemde haaienfluisteraars passen deze techniek toe en maken op die manier zelfs grote exemplaren van de witte haai rustig. Vermoedelijk vervallen de dieren in een verstijving omdat in hun snuit bijzonder veel zenuwen samenkomen, die de prikkeling niet eenduidig kunnen interpreteren.

    Minder verward reageerden de Berlijnse laboratoriumratten. Als men ze over de rug of de buik streek, piepten ze in ultrasonore frequenties. Als de kietelende hand zich verwijderde, huppelden de dieren er zelfs vrolijk achteraan. In de somatosensorische cortex werden intussen dezelfde cellen geactiveerd die ook bij het spelen werden geprikkeld. Dezelfde reactie kon ook worden opgewekt zonder kietelen, door elektrische stimulatie van die cellen.

    ‘Het lijkt erop dat we de kietelplek in de hersenen hebben gevonden’, schrijft Brecht. ‘De manier waarop de cellen reageren bij het kietelen lijkt erg op die bij het spelen. Misschien is het de functie van het kietelen om individuen tot samen spelen te bewegen, en krijgt het daardoor meer betekenis voor het sociale leven.’
    De wetenschappers willen de nieuwe inzichten benutten om verdere vragen over de neuronale verwerking van het kietelen te onderzoeken. Want ook na meer dan tweeduizend jaar zijn nog lang niet alle raadsels rond deze eigenaardige gewaarwording opgelost.

    Auteur: Rebecca Hahn

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • Meester in zijn universum

    Meester in zijn universum

    De manier waarop de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge een artistieke taal ontwikkelde die persoonlijk en speels is, maar óók doordrenkt van politiek, blijft verrassen, in zijn hele oeuvre.

    De katten maken me duidelijk dat ik goed zit. Twee beeldjes van spichtige wezens die elkaar aankijken, ieder op een kant van het hek in Houghton, een van Johannesburgs welvarende buitenwijken die schuilgaan achter palissanders. Ik herken de katten van tekeningen, etsen en films – waarin katten tevoorschijn komen uit een radio (Ubu Tells the Truth), zich opkrullen tot een bom (Stereoscope) of veranderen in een espressopot (Lexicon). Dit keer zijn ze van metaal en zwaaien uiteen, bieden mij zicht op een steile oprit met bovenaan een gebouw van glas en steen, rustend op pilaren, te midden van weelderig groen: de studio. Een tuinman leidt me langs een paar palmvarens naar de ingang aan de rechterkant, waar een assistent me mee naar binnen neemt en naar William Kentridge brengt. Kentridge draagt een blauw in plaats van een wit overhemd, maar verder stemt alles tot in detail overeen met zijn zelfverkozen uniform: zwarte broek, zwarte schoenen, het koordje van een pince-nez door een knoopsgat, het knijpbrilletje zelf in een borstzakje als het niet op zijn neus staat.

    Veroverd

    Wanneer William Kentridge tegenwoordig naar een van de grote wereldsteden gaat, blijft zijn komst bepaald niet onopgemerkt. In 2010 veroverde hij Manhattan, met een retrospectief in het MoMA en een uitvoering van Sjostakovitsj’ De neus in de Metropolitan Opera. Sindsdien: Berlijn, Beijing, Rio, Oaxaca, Mumbai, Milaan, Moskou (om maar een greep te doen). Eerder dit jaar hing er een 550 meter lange fries [een smalle lange lap die boven het toneel hangt], zodat het publiek de buizen en lampen boven het toneel niet ziet hangen, van reusachtige figuren aan een van de oevers van de Tiber in Rome – zijn grootste openbare kunstwerk tot dan toe. En dan nu Londen: later deze maand opent een grote tentoonstelling, getiteld Thick Time, in de Whitechapel Gallery. In November gaat zijn productie van Alban Bergs Lulu in première in de English National Opera.

    Landgenoten, mede-inwoners van Johannesburg – we hebben allemaal met veel plezier, en misschien zelfs met enige verbazing, gezien hoe WK tot grote hoogten is gestegen binnen de kunstwereld. De verbazing wordt deels veroorzaakt door het feit dat hij vrijwel letterlijk de hele wereld heeft weten te veroveren door zo ongekend dicht bij zichzelf en zijn land te blijven. Dürer, Hogarth en Daumier; het hele intellectuele kader van de Verlichting; de kunst van de Russische Revolutie en andere mislukte utopieën van de twintigste eeuw; diepgravende reflecties op het wezen van ruimte en tijd – dat alles gefilterd door de unieke lens van zíjn Johannesburg. Of, om preciezer te zijn, de radius van drie kilometer waarbinnen zich Kentridges huis bevinden, de scholen die hij heeft bezocht, de universiteit van Witwatersrand waar hij is afgestudeerd in politicologie en Afrika-studies, de Market Gallery waar hij eind jaren zeventig voor het eerst exposeerde, de Junction Avenue Theatre Company, waarvoor hij schreef, speelde en regisseerde.

    De video-installatie The Refusal of Time in The Metropolitan Museum of Art in New York. – © Nardus Engelbrecht / Getty
    De video-installatie The Refusal of Time in The Metropolitan Museum of Art in New York. – © Nardus Engelbrecht / Getty

    Kentridge maakte deel uit van een multiraciale groep kunstenaars die een manier probeerden te vinden om zich door de zwartste dagen van het nationalistische regime heen te slaan, heeft meermaals gezegd hoe moeilijk het was je te verhouden tot ‘de onwrikbare rots van apartheid’ zonder je erdoor te laten beperken en zonder je erop blind te staren. Je niet laten vermorzelen door die rots – dat was de grote uitdaging voor kunstenaars in die tijd, schreef hij in 1990, aangezien ‘de rots alles verzwelgt en geen ruimte laat waarin iets moois zou kunnen ontstaan. Je kunt niet rechtstreeks de confrontatie aangaan met de rots; de rots wint altijd.’

    De manier waarop Kentridge hieraan wist te ontsnappen zonder te vervallen in escapisme – door het ontwikkelen van een artistieke taal die persoonlijk en speels is, maar óók doordrenkt van politiek – blijft verrassen, in zijn hele oeuvre. De reikwijdte en de ambitie van zijn werk heeft gelijke tred gehouden met zijn groeiende faam, waardoor een kakofonisch, grootschalig werk als The Refusal of Time, een van de werken op de Whitechapeltentoonstelling, ook iets zegt over mondiale vraagstukken als moderniteit en schaalvergroting. Het werk begint met het tikken van een metronoom en zwelt aan tot een wervelende carrousel van muziek, tekstfragmenten, tekeningen en gefilmde acteurs, en dat alles scharnierend rond het moment in de geschiedenis waarop er een uniforme tijd werd ingevoerd, het moment waarop de wereld, om de woorden van de kunstenaar te gebruiken, veranderde in een ‘reusachtige, gedeukte vogelkooi van tijdzones, van lijnen van afspraken en controle’.

    Een opvoering van de opera Lulu. – © Ken Howard / Metropolitan Opera
    Een opvoering van de opera Lulu. – © Ken Howard / Metropolitan Opera

    Londen is, zoals Kentridge ons in een van zijn vroege prenten helpt herinneren, een buitenwijk van Johannesburg. En er blijkt een onverschrokkenheid en een opmerkelijke vrijheid uit de manier waarop hij Europa tot een provincie maakt, de manier waarop hij vrijelijk put uit de belangrijke artistieke tradities en die verbindt met de puinhopen van het imperialisme en het raciale kapitalisme in Afrika. De processies die je overal in dit werk en in veel van zijn andere werken tegenkomt, voeren van Plato’s grot via Goya’s verschrikkingen van de oorlog langs slavernij en mijnwerkersstakingen en revoluties naar de steeds langere en aanzwellende rijen vluchtelingen en migranten die in de eenentwintigste eeuw over het beeldscherm trekken. ‘Waar het mij om gaat,’ zegt hij, ‘is zowel het existentiële isolement van degene die daar loopt als het sociale isolement – rijen mensen die van het ene land naar het andere lopen, van het ene leven naar een onbekende toekomst.’

    William Kentridge is een keurige, voorkomende man die ook iets komisch heeft. Hij heeft een enigszins kinderlijk aandoende, haast clowneske energie die zich soms lijkt te roeren in zijn ontspannen lichaam. Hij stamt uit een geslacht van bekende advocaten en naar eigen zeggen gaan spreken in het openbaar en improviseren hem dan ook vrij makkelijk af – juist het maken van kunst was iets wat hem voorkwam als ‘onnatuurlijk en moeilijk’. De vader van de kunstenaar, sir Sidney Kentridge, heeft in zijn leven niet minder dan drie Nobelprijswinnaars bijgestaan – Albert Luthuli, Nelson Mandela en Desmond Tutu – evenals de familie van de Black Consciousness-leider Steve Biko, tijdens het onderzoek naar diens dood, in 1978. De zoon herinnert zich dat hij in zijn vaders werkkamer een smal, geel doosje openmaakte, in de veronderstelling dat er chocolaatjes in zouden zitten. Hij zag een reeks schokkende zwart-witfoto’s van doorzeefde lichamen, die met gespreide armen en benen in het veld lagen. Het waren de slachtoffers van het bloedbad van Sharpeville in 1960 – beelden die zijn vader gebruikte als bewijsmateriaal tegen de staat.

    In de Nortonlezing die Kentridge in 2012 gaf aan Harvard, met als titel ‘Six Drawing Lessons’ (ze zijn allemaal op internet te vinden), vertelt hij over het filmen van zijn acht jaar oude zoontje, dat hij vraagt papier te verscheuren, potloden in het rond te slingeren en verf door de hele studio te gooien. Vervolgens worden de beelden achterstevoren afgespeeld. ‘Er is sprake van een utopische perfectie. Het papier herstelt zich naadloos, keer op keer. Hij weet het allemaal weer bij elkaar te krijgen. Hij vangt twaalf potloden, die allemaal op hetzelfde moment uit een andere hoek van de kamer komen… Je ziet hem glunderen dat hij dat allemaal kan.’


    Er vallen vele lessen te trekken uit deze bewuste omkering, deze geconstrueerde speelsheid. Een daarvan is het belang om je over te leveren aan een activiteit, zo nauwgezet mogelijk de willekeurige restricties te volgen en maar te zien waar het allemaal naartoe leidt. De drang om dingen te maken, zegt Kentridge, is een fysieke sensatie die hij bijna kan proeven, die hij voelt in zijn borstspieren, vlak voordat hij begint. Er welt iets op uit zijn lichaam, en dat moet een vorm krijgen in de fysieke wereld. Deze overvloed, dit antiminimalisme, laat in alles zijn sporen na, van de vroege schetsen en houtskooltekeningen tot de schaduwprocessies en installaties met de vele schermen waaruit zijn meer recente werken bestaan: ‘rommelige, beschonken, overlappende series verhalen en films, dansen en tekeningen’.

    Onder dit alles ligt een verlangen om niet alleen films, maar ook de geschiedenis achterstevoren af te spelen, teneinde de socialistische utopieën van begin twintigste eeuw weer nieuw leven in te blazen voordat ze zijn stukgelopen. De artistieke taal van de Socialistische Internationale, van het interbellummodernisme en het constructivisme, levert een groot deel van de bouwstenen van zijn artistieke universum. De studio zelf staat vol statieven en ezels en ladders en andere apparaten met poten, die doen denken aan Dziga Vertovs film uit 1929, Man with a Movie.

    In zijn begintijd als kunstenaar in Johannesburg, herinnert Kentridge zich, kampte hij met het probleem dat hij twee volkomen verschillende visuele werelden voor zich probeerde te zien. Aan de ene kant was daar de traditie van de Europese landschapsschilderingen, waarin hij was geschoold, met de weelderige natuur, de V-vormige inkepingen en de glooiende vlakten. Aan de andere kant waren er de kreupelhoutkleurige randen van de stad waar hij woonde: een plek vol pensionnetjes voor seizoenarbeiders, vol politiek verzet, vol willekeurig geweld en lijken in het gras. Een plek waar het sublieme zich enkel in de zomer toonde – in de vorm van immense buienwolken, die naderend noodweer aankondigden – en de enige heuvels in de buurt waren de residubergen van de goudmijnen, met hun gele gloed van het cyanide waarmee het edelmetaal uit het erts wordt gewonnen.

    Er zijn maar weinig projecten die ik heb uitgevoerd waarin het oorspronkelijke idee overeind is gebleven

    Zoveel aspecten van het moderne Zuid-Afrika vinden hun oorsprong in de mijnen, en dit merkwaardige, deels door de industrie opnieuw vormgegeven landschap levert tevens een ontstaansmythe van Kentridges carrière. In de jaren zeventig deed hij pogingen dit landschap te tekenen, en na een mislukte carrière in het toneel pakte hij die pogingen in de jaren tachtig weer op. Hij vond het lastig om te beslissen wanneer de tekeningen klaar waren. Dat was de reden dat hij ze ging fotograferen in diverse stadia van voltooiing, in de hoop precies dat moment vast te leggen waarop de strepen op het papier niet langer schematisch of onvolledig waren, maar het geheel ook nog niet te vol was, of te druk. Dit experiment leidde onbedoeld tot de animatiefilmpjes, of, zoals hij het noemt, tekeningen voor projecties, een manier van filmen uit het ‘Stenen Tijdperk’, waarin via minieme aanpassingen en uitvlakkingen uiteindelijk de houtskooltekeningen ontstaan, die heel nauwgezet, frame voor frame, worden vastgelegd.

    Vanaf eind jaren tachtig, in de jaren waarin Zuid-Afrika een politieke omwenteling doormaakt, blijken de bewust anachronistische technieken perfect aan te sluiten bij de tijdgeest, het sociale trauma en de historische herinneringen – door een moment op te roepen waarin zo’n groot deel van het verleden openlijk werd uitgewist, terwijl het nog altijd op ieders netvlies stond gebrand.

    Ook vandaag de dag hebben de films nog iets unheimisch en geheimzinnigs, zoals ze lijken op te duiken uit een wankelende samenleving, een stad waar het spookt. In een scène uit een van de films, Felix in Exile (1994), zien we vellen papier dwarrelen boven een semi-industrieel landschap van verschroeid gras en residubekkens. De vellen papier bedekken een lichaam dat op de grond ligt, fladderen dan weer weg, richting horizon, en laten een grillig spoor achter van vegen, waar het houtskoolstof in de nerven van het papier blijft zitten. Het is een schitterend, complex beeld dat een sluier lijkt op te lichten van wat zich allemaal afspeelt in het hoofd van de kunstenaar. Met een spookachtig spoor houdt dit beeld alles in leven wat in die paar seconden is gevat: tijd, inspanning en meningen.

    William Kentridge. – © Lior Mizrahi, Getty
    William Kentridge. – © Lior Mizrahi, Getty

    ‘Als kunstenaar,’ zegt Kentridge, ‘heb ik tot taak om te scheppen, niet om te duiden.’ Maar in werkelijkheid duidt hij heel veel, met name wanneer hij over kunst praat. Hij heeft zich in de loop der jaren bediend van verschillende materialen – houtskool, animaties, metaal, beeldhouwwerk, poppen, toneel, opera en decorontwerp, textiel en tapijt, collages en uitsneden – maar de taal moet de kijker er altijd zelf bij denken. Er zijn maar weinig kunstenaars die zich zo ongekend helder uitspreken over hun eigen werk. Sterker nog, een van de dingen die mij verrassen tijdens mijn ontmoeting met WK en de rondleiding door zijn studio in Johannesburg, is dat zijn kunst in sterke mate ontstaat vanuit woorden.

    Elke dag begint met het noteren van zinnetjes in een notitieboekje, waar hij ook tijdens ons gesprek wat in bladert, achteloos als iemand die een ingewikkelde droom uitlegt die voor de dromer zelf volkomen vanzelfsprekend is.

    ‘Geschiedenis op één been,’ zegt hij. ‘Dat zijn de jaren tachtig en de toyi-toyi, natuurlijk, meegebracht uit de guerillatrainingskampen in Zimbabwe.’ De toyi-toyi is een Zuid-Afrikaanse protestmars waarbij de knieën hoog worden opgetrokken en je van het ene been op het andere hipt – een dans, bijna, angstaanjagend en uitgelaten tegelijk. ‘Het boek der krenkingen. Ken je dat concept? Afgeleid van het Jiddisch: wanneer je niet bent uitgenodigd voor de bar mitswa, of wanneer je aan een tafeltje achteraf wordt gezet – die dingen houd je allemaal nauwgezet bij. Vluchtige woorden, woorden waar je maar niet op kunt komen, die zich een tijd schuil lijken te houden. Laatst was het diorama, vervolgens moker, enzovoort. Waar blijven die woorden dan?’

    Hij ziet dat het me intrigeert en neemt me mee naar een voorraadkamer met een la vol van dit soort aantekeningen – er was geen epifanie, antiadvies – een hele berg woorden, als een composthoop waaruit heel langzaam beelden ontkiemen. Sommige zijn zelfs naar de wanden gekropen: Het goede idee van gisteren, hangt achter een ladder.

    Centrum voor de mindere ideeën

    ‘Wat ik bedoel te zeggen,’ vervolgt hij, ‘is dat er maar weinig projecten zijn die ik heb uitgevoerd waarin het oorspronkelijke idee overeind is gebleven. Soms heb ik het gevoel dat ik een geweldig idee heb en dan denk ik: verdomme, het is te vroeg. Het is het begin van het project, dus ook al lijkt het zonder meer een geweldig idee, ik weet vrijwel zeker dat het geen stand zal houden tot het einde.’

    Hij gaat verder: ‘Ik wil een klein kunstenaarscentrum beginnen, waar mensen kunnen experimenteren met kunst, producties, opera, dingen die ze ergens anders niet zouden doen. Ik overweeg om het Centrum voor de mindere ideeën te noemen, of Instituut voor de mindere ideeën.’

    Een ander werk op de tentoonstelling in de Whitechapel Gallery is 7 Fragments for Georges Méliès. Het is een eerbetoon aan de Franse toneelgoochelaar en illusionist die zo’n vijfhonderd korte films maakte toen hij nog jong was en op de toppen van zijn kunnen. De films onderzoeken de illusies die kunnen worden opgewekt door de tijd stop te zetten, de tijd achteruit te laten lopen, frames uiteen te laten vallen of te laten samenvloeien. Papier verscheuren wordt herstellen, uitstrooien wordt verzamelen.

    Fragments is ook een eerbetoon aan de utopische ruimte van de studio: een laboratorium waarin zogenaamd serieuze experimenten in het creatieve proces worden uitgevoerd, en die vervolgens minutieus worden vastgelegd, zodat de kunstwerken zelf niet zozeer de status hebben van een kostbaar artefact, maar ze eerder een bijproduct of een residu lijken van een andere, belangrijkere impuls die alweer tot het verleden behoort. De studio zou een plek moeten zijn waar je in alle rust onnozele dingen kunt uitproberen, een plek met uitzonderlijk gunstige condities om bij toeval tot iets moois te komen, een plek waar goede ideeën in hun algemeenheid worden gewantrouwd. Waag de sprong voor je omkijkt.

    Dawid Minnaar en Busi Zokufa als vader en moeder Ubu. – © Robbie Jack, Getty
    Dawid Minnaar en Busi Zokufa als vader en moeder Ubu. – © Robbie Jack, Getty

    De studio van William Kentridge is groot, met een hoog plafond: een ruime hangar vol tekeningen in wording, linoleumsneden, schetsen en decorstukken. Door de camera’s, die in verschillende richtingen staan opgesteld, heeft het geheel iets weg van een laboratorium; een vide geeft het iets van een theaterzaal.

    Een time-lapse van de twee uur die ik er heb doorgebracht zou laten zien dat we heen en weer lopen tussen verschillende microkosmossen in de ruimte. We kijken naar een kartonnen decorontwerp voor een opera van Alban Berg, Wozzeck, en vervolgens naar een houtskooltekening die daarvoor is gemaakt, gebaseerd op een foto uit de Eerste Wereldoorlog. Een Duitse soldaat zit op zijn hurken in een loopgraaf en luistert met een grote gehoorhoorn of hij aan de andere kant van het niemandsland de vijand kan horen: een omgekeerde megafoon.

    Vervolgens staan we bij de iMac van zijn assistent en kijken naar beelden van de reusachtige fries die met behulp van een hogedrukspuit aan de oevers van de Tiber tot leven is gewekt.

    ‘Omdat het Rome is, golden er strikte beperkingen voor de hoeveelheid druk die we mochten gebruiken, en de vorm van het spuitpistool,’ legt Kentridge uit. ‘Dus de muur zou veel witter kunnen, maar witter dan dit kregen wij hem niet, en in feite is het wel een mooie, zachte tint. In de loop der tijd verdwijnt het natuurlijk allemaal weer.’

    We zien beelden van een man die de theremin bespeelt, een muziekinstrument dat handposities omzet in een elektronisch weeklagend geluid. Dit maakt onderdeel uit van O Sentimental Machine, een werk dat vorig jaar in Istanboel voor het eerst is tentoongesteld. In dit werk vertolkt Kentridge beelden van Leon Trotski die een redevoering houdt: taal wordt omgezet in gebaren, waarna de gebaren via de elektromagnetische golven van de theremin weer worden omgezet in geluid. ‘Een sentimentele maar programmeerbare machine – dat was Trotski’s definitie van de mens,’ licht hij toe. ‘De mens als een product dat half af is.’

    ‘Ik ben er niet goed in om alleen met mijn knokkels te werken – dus dan weet ik dat het tijd is om te stoppen’

    In Kentridge’s hele studio weet ik slecht één rechthoek van pure abstractie te ontwaren. Het is een grijze leegte, een laagje houtskoolgruis dat (zo legt hij uit) is overgebleven van een explosie die hij heeft laten plaatsvinden – als deel van een serie tekeningen over de Eerste Wereldoorlog voor Wozzeck. Kentridge is uitgegroeid tot een van de meest karakteristieke kunstenaars ter wereld doordat hij bewust de conceptuele en de non-figuratieve taal van zo veel moderne kunst heeft afgewezen.

    ‘Veel van de Amerikaanse en Europese hedendaagse kunst in de jaren zestig en zeventig zei me niets en raakte me ook niet,’ vertelt hij. Hij kende de beelden van tentoonstellingen en uit catalogi, ‘maar de drijfveren achter het werk waren niet bij machte de transcontinentale sprong te maken naar Zuid-Afrika’, gegeven de politieke situatie. Tegelijkertijd rekt zijn eigen werk de definitie van dat laatste begrip op: ‘Ik ben geïnteresseerd in politieke kunst, dat wil zeggen een kunst van ambiguïteit, tegenstellingen, onafgemaakte gebaren en een ongewisse afloop. Kunst (en politiek) waarin optimisme in balans wordt gehouden en nihilisme op afstand wordt gehouden.’

    1) Mojca Erdmann (Lulu) en William Burden in de opera Lulu. – © Clärchen en Mattias Baus, 2) © Ken Howard / Metropolitan Opera
    1) Mojca Erdmann (Lulu) en William Burden in de opera Lulu. – © Clärchen en Mattias Baus, 2) © Ken Howard / Metropolitan Opera

    ‘Momenteel werk ik aan een lezing over het lichaam in de kunst,’ zegt Kentridge terwijl hij met me meeloopt naar de deur. ‘Bij het maken van kunst, bedoel ik. Hoe beweegt het lichaam, hoe gedraagt het zich.’

    We hebben door een stereoscoop naar ‘niet-bestaande beelden’ gekeken: 3D-beelden die zijn gemaakt met een time-lapsecamera en een fakkel. Een paard, fel uitgelicht in de ijle lucht, de kunstenaar die er als een spookverschijning achter opdoemt. ‘Voor de buitenstaander is het niet meer dan iemand die een reeks afzonderlijke bewegingen maakt – pas wanneer je hier doorheen kijkt, zie je het paard.’

    Bij deze woorden laat hij zich op handen en voeten zakken en doet hij een paardendans, volgt onzichtbaar het paard in de frisse buitenlucht van Johannesburg.

    ‘Wanneer ik aan een werk begin, merk ik dat ik mijn hele lichaam gebruik. Later verschuift dat van het hele lichaam naar de schouders, dan naar de elleboog, dan naar de pols, en uiteindelijk gebruik ik mijn knokkels. Ik ben er niet goed in om alleen met mijn knokkels te werken – dus dan weet ik dat het tijd is om te stoppen.’

    Whitechapel Gallery, Londen, t/m 5 januari 2017
    Lulu van Alban Berg, 9 tot 19 november door de English National Opera

    Auteur: Hedley Twidle
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: Kentridge’s kunstwerk Rhinocero, hier tentoongesteld in Berlijn. – © Christian Marquardt / Getty

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.