Het fascisme uit de jaren dertig veroorzaakte een genocidale oorlog. Inmiddels zijn de herinneringen vervaagd, net als het stigma dat aan extreemrechts kleeft. En dat is gevaarlijk voor de democratie.
Overal ter wereld sterft de democratie uit. Dit klinkt misschien als paniekzaaierij, en roept op zijn minst een aantal vragen op. Want wat betekent dat eigenlijk? Komen er dan geen verkiezingen meer? Wordt de oppositie als crimineel afgespiegeld? Als dat de maatstaven zijn, is het Rusland van Vladimir Poetin nog altijd een democratie. Er zijn namelijk zes politieke partijen vertegenwoordigd in de Doema, het federale parlement, en er zijn in Rusland meer dan twintig geregistreerde politieke partijen. Maar zoals je waarschijnlijk begrijpt, is Rusland geen democratie: het is een natie die van een autoritair naar een totalitair regime afglijdt. Sinds Stalins tijd werden er niet zo veel Russen om politieke redenen vervolgd.
Het geloof in de democratie is onmiskenbaar op zijn retour. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een vijfde van de Britten onder de vijfenveertig gelooft dat het land het best kan worden bestuurd door ‘een sterke leider die zich niet druk hoeft te maken over verkiezingen’, terwijl dit onder hun oudere landgenoten 8 procent is. Deze cijfers weerspiegelen wereldwijde trends.
Uit een onderzoek van Cambridge-onderzoekers in 2020, uitgevoerd in honderdzestig landen, bleek dat jongere generaties steeds minder vertrouwen hebben in de democratie. Daarnaast toonde een analyse van het Pew Research Center aan dat in 2024 bijna twee derde van de burgers in twaalf hoge-inkomenslanden ontevreden was over de democratie, een aanzienlijke stijging ten opzichte van net onder de helft in 2017.
Economische uitsluiting
Waar komt dit vandaan? Het Cambridge-onderzoek concludeerde dat economische uitsluiting een belangrijke reden was voor ontevredenheid onder jongeren. We kunnen een wijze les trekken uit het geval van Rusland. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, verklaarde de nieuwe Russische president, Boris Jeltsin, in 1990: ‘We zorgen ervoor dat de levensstandaard van de mensen niet daalt, en in feite moet die op den duur kunnen stijgen.’
Binnen vier jaar werd het reële inkomen van Russen gehalveerd, en door de schoktherapie-beleidsmaatregelen belandden 32 miljoen Russen in armoede. In 2021 sprak nog slechts 16 procent van de Russen zich uit voor ‘het westerse model van democratie’. De chaos van het vrijemarktkapitalisme werd gepresenteerd als democratie, wat leidde tot een diep gevoel van desillusie – iets waar Poetin handig op inspeelde.
Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen
Groot-Brittannië heeft niet geleden onder de verschrikkingen van het Rusland van de jaren negentig. Toch vormde de giftige combinatie van neoliberaal economisch beleid en bezuinigingen een zware last voor de jongeren. Het thatcherisme beloofde vrijheid, maar leverde in plaats daarvan onzekerheid op. Stabiele banen zijn verdwenen, huurprijzen zijn gestegen, lonen gedaald, de jeugdzorg is gedecimeerd en afgestudeerden worden geconfronteerd met torenhoge schulden voor het volgen van een universitaire studie.
Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen. Het is geen wonder dat democratie steeds meer aan aantrekkingskracht verliest voor hen en voor hun leeftijdsgenoten in andere landen die evengoed lijden onder het neoliberalisme. In Frankrijk bijvoorbeeld zegt bijna een derde van de jongeren het vertrouwen in de democratie te hebben verloren.
Maar er is nog iets anders aan de hand. Neem de Verenigde Staten. De jaren zestig en zeventig vormden de ideale voedingsbodem voor de opkomst en triomf van een Trump-achtig figuur. De economie zat in een crisis: een giftige mix van hoge inflatie en stagnerende groei. Er vonden agressieve racistische protesten plaats tegen de burgerrechtenbeweging en er waren rellen door heel de VS. Er was ook veel meer criminaliteit en geweld, met een verdubbeling van het aantal moorden tussen het midden van de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig.
Nadat bijna zestigduizend Amerikaanse soldaten omkwamen in de oorlog in Vietnam, eindigde het conflict in een pijnlijke nederlaag en ontstond het gevoel dat de macht van de VS aan het afbrokkelen was. Het verzet tegen links was veel wijdverspreider, zoals blijkt uit de Hard Hat Riot van 8 mei 1970, toen in New York antioorlogsdemonstranten door honderden bouwvakkers werden belaagd.
Een vervaagd verleden
De persoon die in die tijd het dichtst in de buurt van Trump nu kwam was George Wallace, een racist en aanhanger van segregatie, zij het nog altijd minder grof en leugenachtig dan de huidige gekozen president. Hij haalde 13,5 procent in de presidentsverkiezingen van 1968, en de VS kregen uiteindelijk Richard Nixon als president en daarna Ronald Reagan, een rechtse rakker van een heel ander soort.
Toch vertoonden de VS van de jaren zestig en zeventig veel minder ontvankelijkheid voor fascistische sympathieën dan in de jaren dertig. Charles Coughlin, een priester met nazisympathieën, had 30 miljoen luisteraars voor zijn radioshow op een Amerikaanse bevolking van minder dan 130 miljoen. Uit één opiniepeiling leek naar voren te komen dat hij wat populariteit en invloed betreft enkel voor president Franklin D. Roosevelt onderdeed.
Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd
Wat is er dan veranderd? De schaduw van het fascisme uit de jaren dertig, dat resulteerde in een genocidale vernietigingsoorlog, verliest aan kracht. Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd. Amerikaanse kiezers uit de jaren zeventig waren misschien diep gedesillusioneerd, maar een Trump zouden ze te veel naar Mussolini vinden neigen, of zelfs een Hitler. Van deze angst is nu geen sprake meer.
De democratie onder het kapitalisme wordt altijd al sterk ingeperkt door bedrijfsbelangen en plutocraten die veel meer macht hebben dan de gemiddelde kiezer. Wanneer het kapitalisme in een crisis belandt, zoals in 2008, wekken de fundamentele tekortkomingen ervan de woede op van het volk. Het gaat erom wie hiervan profiteert. Extreemrechts heeft een verbijsterend succesvolle sociale mediastrategie ontwikkeld die steeds meer volgelingen radicaliseert, terwijl links lichtjaren achterloopt.
Mensen hebben alle reden om woedend te zijn, maar hun woede is verkeerd gericht. Het geloof in de democratie brokkelt af als gevolg van een falend economisch systeem, en als er geen overtuigende antwoorden op deze crisis komen, kan dat fataal blijken te zijn.
Tal van socialmediagrootverbruikers, de zogenaamde influencers, wakkeren de weerstand tegen migratie aan. Want ongefundeerde haat kan rekenen op de meeste volgers. Schrijver en journalist Paul Mason noemt het de informatiedynamiek van het moderne fascisme, waarin migranten de bezetters zijn die ‘massaal moeten worden gedeporteerd’.
‘Ik vind die protesten fantastisch,’ zei de extreemrechtse influencer James Goddard de dag na de rellen in Sunderland deze zomer in een filmpje voor de abonnees van zijn Telegram-kanaal. ‘Maar we moeten aan de beeldvorming denken. (…) Ten eerste: laat religieuze gebouwen, gebedshuizen, moskeeën, islamitische centra links liggen. Hou je daar verre van. Dat leidt maar tot een strijd die we niet moeten voeren – nog niet.’ Goddard, die inmiddels in Thailand woont en op 31 juli tijdelijk van X verbannen was wegens racistisch taalgebruik, grossiert in zijn filmpjes in dreigementen, en de toon van dat ‘nog niet’ was ook knap dreigend. ‘Ik spoor niemand ergens toe aan,’ zei hij, om vervolgens alle mensen die aan ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ deden te adviseren hun mobiele telefoon thuis te laten, hun gezicht te bedekken en geen extreemrechtse symbolen in hun woning te laten slingeren. ‘Als ik in Engeland was,’ zei hij, ‘zou ik me richten op alle overheidsgebouwen en de gebouwen van de bedrijven die miljoenen verdienen aan de migranteninvasie.’
Daarna zette hij ook een lijst online van dertig advocatenkantoren en hulpcentra voor vluchtelingen die hem een geschikt doelwit leken, om die lijst later weer te verwijderen en tegen zijn volgers te zeggen dat de protesten waarschijnlijk door ‘de staat’ waren georganiseerd. Nadat moslims in Birmingham hadden laten zien dat ze hun moskee fysiek wilden verdedigen, stak Goddard met een schuimbekkende tirade af tegen de hele Britse moslimgemeenschap: ‘Als wij winnen, en winnen gaan we, dan zullen we dit niet vergeten, hun verraad, hun geweld. We pakken hun huizen. We pakken hun geld. We zetten ze gevangen. En we sturen ze terug naar de achterlijke shitlanden waar ze vandaan komen.’
Schoolvoorbeeld
Goddard is niet eens de invloedrijkste of bestverdienende van de extreemrechtse ‘influencers’ door wie Britten tot geweld werden aangezet na de steekpartij op 30 juli waarbij drie kinderen waren vermoord. Maar zijn Telegram-kanaal is een schoolvoorbeeld van de informatiedynamiek van het moderne fascisme, oftewel van fanatieke racisten en vrouwenhaters die er openlijk voor uitkomen dat ze de democratie met geweld omver willen werpen. Veel van de berichten die hij online zet zijn afkomstig van andere extreemrechtse kanalen, van onder meer Amerikaanse neonazi’s en Russische volksnationalisten. Ze vallen in drie categorieën uiteen: racistische tirades, berichten over racistisch geweld en berichten die verontwaardiging moeten uitlokken. Zo postte Goddard niet lang na zijn tirade tegen moslims een filmpje waarin een jonge blonde Britse vrouw zei dat ze ‘op één avond door vijf zwarte kerels genomen’ was.
U had misschien nog nooit van Goddard gehoord, toch zijn het niet de officiële leiders van fascistische groeperingen maar figuren zoals hij die doorslaggevend waren bij de verspreiding van de onlusten deze zomer, zegt Joe Mulhall, hoofd van de afdeling onderzoek bij de antifascistische organisatie Hope not Hate. ‘Dit is een enorm gedecentraliseerd netwerk van activisten die vooral online actief zijn, maar zich soms ook manifesteren in de echte wereld,’ zegt Mulhall. ‘Die mensen consumeren content, creëren content en voegen soms de daad bij het woord. En het netwerk heeft geen officiële organisatie, maar wel boegbeelden, supersharers en sfeerbepalers die het netwerk een bepaalde kant op sturen, als een school vissen.’
Als je op de links bij Goddards Telegram-kanaal klikt, beland je in een parallel informatie-universum. Daar is de door Elon Musk op X ooit voorspelde burgeroorlog al begonnen. Daar heeft elke verkrachting een moslim als dader. Daar is Birmingham een ‘bezette stad’ en was corona ‘erop ontworpen om de Joden te sparen’. Een terugkerend thema op zijn kanaal en in de hele infosfeer van extreemrechts in Groot-Brittannië is dat de politie met twee maten meet: de vermeende toegeeflijkheid voor daders met een moslimachtergrond en de terughoudende opstelling van de politie tegenover Palestina-demonstraties worden opgevoerd als bewijs van systematisch ‘woke’ beleid en discriminatie van witte christenen. Nu honderden relschoppers in de cel zijn beland en de politie met moslimorganisaties samenwerkt om hun gebedshuizen te beschermen, is dat het refrein van extreemrechts geworden.
Het moderne equivalent van Mein Kampf ontstaat ter plekke onder de ogen van de lezers zelf
We hebben niet meer te maken met fascisme als hiërarchische organisatie onder één Führer zoals in nazi-Duitsland, maar met een ‘rizomatische’ structuur, als van boomwortels die onafhankelijk van de boom met elkaar communiceren. Het moderne equivalent van Mein Kampf ontstaat ter plekke onder de ogen van de lezers zelf. Dat betekent dat lokale instanties van de democratische staat (politiekorpsen en gemeenteraden) het moeten opnemen tegen mondiaal georganiseerde krachten die ze nauwelijks begrijpen. ‘Een van de kenmerken van post-organisatorische netwerken is dat ze fundamenteel transnationaal zijn,’ zegt Mulhall. ‘De rellen zijn dus extreem lokaal en heel sterk gericht tegen specifieke gemeenschappen, maar de netwerken die ertoe aanzetten, zijn mondiaal – en dat versterkt het crisisgevoel. De relschoppers zijn niet alleen kwaad dat een school in Bradford halal kipnuggets serveert. Ze zijn ook boos over halal kipnuggets op een school in Boedapest of Minneapolis.’
Om te begrijpen hoe dit zich verder zal ontwikkelen, is het vooral van belang om te begrijpen dat het moderne fascisme een stevige theoretische ondergrond heeft. Eind jaren zeventig was de gemiddelde skinhead van het Engelse National Front iemand die een hekel had aan de geur van Aziatisch eten, respect had voor de politie, zichzelf als Britse nationalist omschreef en de immigratie een halt wilde toeroepen. Ze wisten dat ze geen schijn van kans maakten ergens de verkiezingen te winnen, maar ze konden wel migrantenwijken terroriseren en haalden daar hun kick uit.
Het fascisme van tegenwoordig is internationalistisch van opzet en berust openlijk op een overwinningstheorie. Als Goddard fantaseert over het verjagen van alle Britse moslims en praat over het moment waarop ‘wij winnen’, zinspeelt hij op een centraal element van de theorie van de Grote Vervanging. Volgens deze in 2011 door de Franse schrijver Renaud Camus geformuleerde omvolkingstheorie is de immigratie van niet-witte mensen naar Europa en de Verenigde Staten geen spontaan verschijnsel maar doorgestoken kaart. Hij ziet er een vooropgezet plan in om de witte christenen daar te vervangen door niet-witte bevolkingsgroepen met hogere geboortecijfers.
Verdedigingswal
Een van de grootste fouten die we in de jaren negentig hebben gemaakt, was om te denken dat rechts-populisme een verdedigingswal kon vormen, een brandmuur tegen regelrecht gewelddadig en openlijk fascisme. Te denken dat partijen zoals het Engelse Ukip en het Franse Front National (voorloper van het huidige Rassemblement National) weliswaar onfrisse ideeën uitdroegen, maar de racistische volkswoede tenminste op politieke en dus geweldloze wijze kanaliseerden. Maar die brandmuur staat nu al tien jaar zelf in brand. Het gedachtegoed van rechts-conservatieve en populistische partijen schuift als door een magneet aangetrokken toe naar de dogma’s van het fascisme, waarin de omvolkingsmythe centraal staat.
Dat heeft de inzet van het extreemrechtse verhaal radicaal verhoogd. In de jaren zeventig werden immigranten uit Pakistan en het Caribisch gebied door Engelse fascisten vooral gezien als een bedreiging voor de banen en de monocultuur van de witte meerderheid. Maar voor Renaud Camus en voor de Britse activisten die zijn ideeën uitdragen, zijn de immigranten kolonisten, bezetters, plegers van een ‘blanke genocide’. Dat biedt een rechtvaardiging voor fantasieën over extreem geweld tegen deze ‘daders’, fantasieën die op sociale media zelfs worden verspreid door mensen die zichzelf misschien niet eens tot deze beweging rekenen. Zo plaatste een eenenveertigjarige oppasmoeder uit Northampton op X een bericht (dat ze later weer verwijderde) met de tekst: ‘Massadeportatie, nu meteen, steek al die fucking hotels met die klootzakken voor mijn part in brand. (…) Als dit racistisch van mij is, dan is dat maar zo.’
Migranten zijn ‘bezetters’ en worden geholpen door links, door mensenrechtenadvocaten en feministen
De rest van dit nieuwe fascistische denken is een logisch uitvloeisel van Camus’ uitgangspunt: migranten zijn ‘bezetters’ en worden geholpen door links, door mensenrechtenadvocaten en feministen. De advocaten komen op voor de mensenrechten van minderheden. De feministen houden niet alleen het geboortecijfer laag, maar verstoren de natuurlijke orde waarin witte alfamannetjes de mooiste vriendinnen hebben. En achter de advocaten, de linkse politici en de feministen staat de echte vijand: de cultuurmarxisten die de machtsovername hebben beraamd. Die aantijging komt regelrecht uit de koker van het Amerikaanse paleoconservatisme, dat beweert dat de marxisten het proletariaat in de steek laten en (samen met een schimmige mondiale Joodse elite) de westerse samenleving van binnenuit ondermijnen door het propageren van multiculturalisme, reproductieve rechten, transrechten en homoseksualiteit.
Voor de theoretici van het moderne fascisme is in dit stadium ‘voorbereiding’ het devies: gevechtstraining, het verzamelen van wapens, voedselvoorraden en handleidingen voor terrorisme, en waar nodig het plegen van symbolisch geweld. Sommige relschoppers van deze zomer deden maar wat, maar doorgewinterde activisten weten dat de meest effectieve vorm van geweld symbolisch is. Brand stichten in een vluchtelingenhotel zonder dat er slachtoffers vallen, is een vingerwijzing naar wat er kan gebeuren als de politie niet in de buurt is en relschoppers de uitgangen blokkeren. Het vernielen van de auto van een Uber-chauffeur is een boodschap aan alle Uber-chauffeurs. Het tactische geweld van nu is een manier om te oefenen voor het moment ‘dat we winnen’, zoals Goddard het noemt.
Die overwinningsfantasie is de sluitsteen van de nieuwe fascistische ideologie. De aanhangers dromen van een ‘Dag X’, een wereldwijde etnische burgeroorlog die een eind maakt aan de op regels gebaseerde wereldorde. Sinds het eerste weekend van augustus, toen de politie in Belfast en in een tiental Engelse steden moeite had om de racistische rellen te bedwingen, is het wereldwijde extreemrechtse netwerk gefascineerd door de gedachte dat dit geweld in Groot-Brittannië misschien het begin is. Dat is precies waarom het zo onverantwoord is van Elon Musk om zijn 193,8 miljoen volgers op X voor te houden dat ‘een burgeroorlog onvermijdelijk is’.
De omvolkingstheorie, het preppen voor een burgeroorlog, het symbolische geweld, Dag X en een sterke neiging tot gewelddadige vrouwenhaat (een te breed thema om in het bestek van dit artikel volledig uit te leggen), al die elementen bij elkaar vormen een ‘sociale mythe’ zoals de Franse filosoof Georges Sorel die omschreef. Hij stelde in zijn Réflexions sur la violence in 1908 dat alle revolutionaire bewegingen zich moeten baseren op een ‘verwachting van de toekomst’. Een geloof over iets dat te gebeuren staat en dat, ongeacht of het daadwerkelijk uitkomt, richting geeft aan alle daden in het heden, een sterke mobiliserende kracht heeft en ongevoelig is voor rationele tegenargumenten.
Precedenten
Veel aspecten van deze moderne fascistische mythologie hebben twintigste-eeuwse precedenten. Het ontgaat historici van het fascisme niet dat het ‘cultuurmarxisme’ tegenwoordig precies dezelfde rol vervult als het idee van het joods-bolsjewisme voor de nazi’s: een schimmige mondiale macht die verantwoordelijk is voor al het kwaad in de wereld. En wie zich in de geschiedenis van de nazi’s heeft verdiept, ziet meteen de genocidale implicaties van de oproepen van extreemrechtse influencers om moslims en vluchtelingen gevangen te zetten, te onteigenen en te deporteren. Odilo Globočnik, die leiding gaf aan de Aktion Reinhard, het programma voor de vernietiging van de Poolse Joden, schreef altijd alleen maar op dat ‘de Joden de rivier overgezet’ moesten worden. Ook in zijn rapporten en schriftelijke bevelen maakte hij nooit melding van de 1,7 miljoen Joden die hij in Treblinka, Bełżec en Sobibor heeft vermoord.
Wel nieuw is de gelijkschakeling van gewelddadige vrouwenhaat en racisme, de vastberadenheid waarmee men zich ‘voorbereidt’ op de strijd (in plaats van simpelweg een onbezonnen couppoging in een bierkeller te doen) en vooral het transnationale karakter van het nieuwe fascisme. Moderne fascisten begrijpen dat ze de komst van de wereldbrand kunnen bespoedigen door hun verschillende democratische en multi-etnische samenlevingen samen aan te vallen. Ze hebben zich het ooit door de nazistische rechtsfilosoof Carl Schmitt geschetste grondbeginsel eigen gemaakt dat ware soevereiniteit ligt bij degene die de democratie kan opheffen. Vandaar dat het autoritaire hindoenationalisme van Narendra Modi en het moorddadige Russisch nationalisme van Vladimir Poetin in de ogen van de Britse fascisten in het verlengde ligt van hun eigen streven, temeer daar hun gezamenlijke desinformatiemachines hun gemeenschappelijke vijanden aanvallen.
En het internet, die grote digitale aanjager van chaos en individualisme, kan voor zijn gebruikers natuurlijk een sluitende leefwereld van vooroordelen en waanideeën scheppen. Als de bewoners van zo’n bubbel elkaar dan in den lijve ontmoeten, kunnen ze worden opgezweept tot gedrag waarvan je de extremiteit op grond van hun dagelijks leven niet zou hebben voorspeld. Waar we nu mee kampen, is dus geen restverschijnsel van iets van vroeger. Dit is niet zomaar een overblijfsel uit de tijd van racistisch cabaret in arbeidersclubs. Dit is een volwaardige extreemrechtse ideologie die zichzelf verspreidt en die, zoals de historicus Ernst Nolte over het nazisme schreef, voor hen die de beginselen ervan accepteren een ‘verbluffende interne samenhang’ heeft.
Extreemrechts maakt veel meer gebruik van internationale digitale netwerken dan sociaaldemocraten
Een sterk punt van de eenentwintigste-eeuwse fascisten is hun technologische vaardigheid. Extreemrechts maakt veel meer gebruik van internationale digitale netwerken dan sociaaldemocraten of andere linkse groeperingen in Europa. De technologische infrastructuur van extreemrechts is momenteel superieur aan alles wat een democratisch land ertegenover kan stellen. Volgens Amil Khan heeft zijn bedrijf Valent Projects, dat onlinetools aanbiedt om desinformatie te detecteren, momenteel al twaalf netwerken gevonden die in het Verenigd Koninkrijk de extreemrechtse boodschap verspreiden. Die bereiken samen zes miljoen mensen en zijn in de loop der tijd met zorg opgebouwd. ‘Bij het begin van de oorlog in Oekraïne zagen we die netwerken Russische standpunten verspreiden, en tijdens de recente verkiezingen standpunten van Reform UK,’ zegt Khan. ‘Ze pushen ook een zwik marginale “nieuws”-sites, waar soms radicaal-rechtse Amerikaanse geldschieters achter schijnen te zitten.’
Aan alles wat de overheid doet of zegt wordt onmiddellijk een tactische draai gegeven die in de praktijk wordt uitgetest en verder verfijnd. Neem bijvoorbeeld de toespraak waarin Keir Starmer waarschuwde dat relschoppers hard zouden worden aangepakt. Hij werd meteen weggezet als een landverrader die het op witte Britten gemunt heeft en er werd een filmpje gemaakt waarin de beelden van zijn toespraak werden doorsneden met beelden van jonge moslims die met capuchon op betogen in Birmingham. Uit het onderzoek van Valent blijkt dat de onbewerkte versie van Starmers toespraak via de sociale media-accounts van gewone omroepen zo’n half miljoen keer werd bekeken, terwijl de extreemrechtse montage miljoenen kijkers kreeg. Dit filmpje werd door de algoritmes dan ook specifiek naar een publiek gestuurd van mannelijke vijftigplussers met een laag inkomen in Engelse voorsteden en provinciestadjes.
Om de veelvormigheid van deze dreiging het hoofd te bieden, moet zowel de overheid als de samenleving nieuwe afweermechanismen ontwikkelen. De duidelijkste stappen die gezet kunnen worden, zijn een betere nationale coördinatie van het politiebeleid voor het bewaken van de openbare orde, het ontwikkelen van nieuwe tactieken voor het beschermen van etnische minderheden en het formaliseren van de samenwerking tussen politie en moskeeën naar het voorbeeld van de Joodse gemeenschap en haar Community Security Trust.
Online Safety Act
Om de onlinehaat, ophitsing en desinformatie te kunnen aanpakken, moet de vorig jaar aangenomen Online Safety Act onmiddellijk in werking treden. Die wet is zwakker dan wat we nu nodig hebben, maar zou ons in ieder geval in staat stellen op te treden tegen sociale netwerken die niets doen om de verspreiding van geweld tegen te gaan, en de bazen daarvan strafrechtelijk te vervolgen.
Het staat buiten kijf dat de meerderheid van de Britten de nieuwe fascistische ideologie verwerpt. Dat wordt wel aangetoond door de omvang en het vreedzame karakter van de antifascistische demonstraties op 7 augustus, door de positieve berichtgeving daarover in de media en door peilingen waaruit blijkt dat slechts 7 procent van de Britten de rellen gerechtvaardigd vond. Voor een demonstratie op Trafalgar Square op 27 juli wist extreemrechts 30.000 mensen op de been te brengen, dus als je hun naaste omgeving daarbij optelt, zou een ruwe schatting van het totale aantal overtuigde aanhangers uitkomen op viermaal zoveel.
Nu de rellen hopelijk met succes de kop ingedrukt zijn, moet Groot-Brittannië dringend gaan werken aan het herstel van de sociale cohesie. Emeka Forbes van de Together Coalition zegt: ‘We hopen dat het maatschappelijk middenveld en de overheid in de komende weken en maanden in nauwe samenwerking met lokale gemeenschappen zullen helpen om meer verbinding en vertrouwen te bereiken door middel van momenten van saamhorigheid en pogingen tot het overbruggen van verschillen.’ De opruimacties na de rellen, de massale wijze waarop de sulligste relschoppers online vooral met humor te kijk werden gezet en de voorbeelden van mensen van verschillende geloven die publiekelijk de handen ineenslaan, dat alles laat zien hoe zoiets een aanvang kan nemen. Maar dat is nog maar het begin van een lange strijd. Eén blik op de sociale media-uitingen uit de arbeiderswijken waar zich van 3 tot 5 augustus de ergste rellen voordeden, was genoeg om te zien dat het geweld van begin augustus de soreliaanse ‘mythe’ van een burgeroorlog niet heeft ontkracht, maar juist versterkt. En aan de tientallen berechte relschoppers is goed te zien dat daarvan geen eenduidig profiel te geven valt.
Hoeveel werk er nog te verzetten valt, moge blijken uit het feit dat James Goddard sinds 7 augustus weer vrijelijk gebruik kan maken van X. Terwijl ik dit schrijf, gaat hij weer tegen de islam en tegen de politie tekeer in filmpjes die door tienduizenden volgers worden bekeken. En hij is maar één stem in een voortdurend verder groeiend netwerk van haat.
Trump zei dat immigranten ‘het bloed van het land vergiftigen’
Het Witte Huis heeft voormalig president Donald Trump veroordeeld vanwege zijn poging ‘Amerikanen uit elkaar te drijven met haatzaaierij’ door te zeggen dat immigranten ‘het bloed van het land vergiftigen’. Dat schrijftPolitico. Een dag eerder trok Joe Biden tijdens een campagnespeech de vergelijking tussen deze uitspraken en die van Adolf Hitler.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Ze hebben psychiatrische instellingen en gevangenissen over de hele wereld vergiftigd. Niet alleen uit Zuid-Amerika, niet alleen uit de drie of vier landen waar we aan denken, maar uit de hele wereld komen mensen ons land binnen,’ zei Trump tijdens een campagnebijeenkomst. In een recente peiling van The Wall Street Journal verslaat Trump Biden met een marge van 4 procent.
‘Het echoën van de groteske retoriek van fascisten en gewelddadige witte supremacisten en het dreigen met onderdrukking van mensen die het niet eens zijn met de regering, vormen ernstige bedreigingen voor de waardigheid en rechten van alle Amerikanen. Dit raakt onze democratie en de nationale veiligheid,’ reageerde Andrew Bates, plaatsvervangend perschef van het Witte Huis. ‘Het is het tegenovergestelde van alles waar we als Amerikanen voor staan.’
‘Online zijn rechtse tot extreemrechtse standpunten over migratie, bescherming van minderheden of overheidsactiviteiten gemeengoed geworden’, aldus mediaonderzoeker Simon Strick. ‘We moeten praten over racisme en over de rancune die speelt in grote delen van de Duitse samenleving.’
Simon Strick is mediaonderzoeker bij het Brandenburg Centrum voor Media Studies in Berlijn en analyseert onder meer hoe fascisme en fascistisch taalgebruik zich verspreiden in het internettijdperk, van politici in het parlement en sociale media tot de manier waarop mensen zich uiten op straat. In mei verscheen van Strick het boek Rechte Gefühle: Affekte und Strategien des digitalen Faschismus, waarvoor hij de Hans Bausch Mediaprijs van de SWR en het Tübinger Institut für Medienwissenschaft ontving.
In het boek gaat hij in op de strategieën waarmee ideeën van radicaal- en extreemrechts op verankerd zijn geraakt en welke rol digitale media daarbij spelen. Aan de hand van berichten op sociale media, memes, GIF’s, YouTube-video’s, blogs en games maakt hij duidelijk hoe dit wereldbeeld inmiddels als ‘gewoon’ en alledaags overkomt, hoe het appelleert aan de tegen- en jeugdcultuur op emotioneel niveau en hoe het uiteindelijk als gebruikelijk en onschadelijk wordt ervaren.
Het boek, zo concludeerde de jury van de Hans Bausch Mediapreis, ‘kon niet actueler zijn gezien de rechtse terroristische aanslagen in verleden en heden, maar ook in het licht van alledaags racistisch, seksistisch en antisemitisch geweld. Het is een wetenschappelijk onderbouwde en helder geformuleerde oproep om de eigen kijk op het rechtse denken en de strategieën erachter op internet aan te scherpen. Strick richt zich tot iedereen die vanuit journalistiek of wetenschappelijk perspectief de uitdagingen van digitalisering aanpakt en voor wie een democratische publieke sfeer en eerlijk samenleven in een pluriforme samenleving punten van zorg zijn.’
Naar aanleiding van het boek en de prijs sprak Sabina Zollner van de de Duitse krant Die Tageszeitung, kortweg taz, met Strick over de gevaren van digitaal fascisme en hoe daar op de juiste manier mee om te gaan.
TAZ: ‘Wat verstaat u onder digitaal fascisme?’
Simon Strick: ‘Ik doel daarmee op herkenbare patronen en strategieën die worden gebruikt in de rechtse informatiesfeer en dan vooral op hoe dat gebeurt op specifieke terreinen. Online zijn rechtse tot extreemrechtse standpunten over migratie, bescherming van minderheden of overheidsactiviteiten gemeengoed geworden en wijdverbreid geraakt. Fascisme wordt tegenwoordig niet alleen meer geuit door gebruik van SS-tekens en hatespeech, maar dringt ook door in alledaagse formuleringen die gebruikers op Facebook en andere sociale media hanteren. Bijvoorbeeld door te vertellen hoe ze persoonlijk worden bedreigd door en last hebben van ‘Omvolking’ of ‘Opiniedictatuur’. Wat ik ‘alternatief rechts’ noem, verspreidt dergelijke formuleringen op manieren die kenmerkend zijn voor de communicatie online: als influencervideo, als infographic, als meme, als hashtag.’
‘U beschrijft hen als mediawijs en zeer actueel; is dat wat hen zo gevaarlijk maakt?’
‘Rechts-extremisten pasten zich al vroeg aan het digitale tijdperk aan. Ze begrijpen het spel van media-aandacht en strategische provocaties die voor clicks zorgen en die aanleiding geven tot debat. Ze profiteren van wat je de huidige informatiecrisis zou kunnen noemen, of ze zijn er zelf de architect van, zoals Andrew Breitbart.’
‘Het gaat ook vaak om enscenering, dat wil zeggen jezelf te presenteren als slachtoffer. Waarom is dat?’
‘“Normaal” betekent in dit geval altijd wit, mannelijk, cis en hetero’
‘Het gaat om het creëren van gevoelens een minderheid te zijn voor mensen die zich in een meerderheidspositie bevinden. Wat zogenaamd “normaal” en doorsnee Duits is, zou zich bedreigd moeten voelen. Dat is bijvoorbeeld de kernboodschap van de AfD-slogan “Deutschland, aber normal”. Het “normale” wordt aangeroepen als iets dat in een minderheidspositie terecht is gekomen door migratie, feminisme, globalisering en vele andere dingen. Rechts heeft zo op een gerichte manier een draaikolk van opwinding weten te scheppen om haar racistische en seksistische kernthema’s uit te kunnen venten. “Normaal” betekent in dit geval altijd wit, mannelijk, cis en hetero. Meerderheidsposities zouden zich als minderheden bedreigd moeten voelen en zichzelf moeten verdedigen: het is radicalisme voor het maatschappelijke middenveld.’
‘Is dat wat u in het boek omschrijft als het manipuleren van emoties?’
‘Het is niet alleen manipulatie. Veel mensen nemen emotionele formuleringen over om zich op de een of andere manier een positie aan te meten over allerlei onderwerpen. Als ik geen mening heb over bijvoorbeeld een vrouwenquotum, vertelt rechts mij hoe het quotum mij als man discrimineert. Zo politiseert rechts het dagelijkse leven. Ze schetsen een alledaagse ervaring van hoe men zich onderdrukt kan voelen als witte of als man. Veel mensen kunnen zich daarin vinden omdat het oriëntatie biedt. Ondertussen voelt elke gemaskerde of anonieme mopperaar zich zo’n beetje een verzetsstrijder. Rechts levert het verhaal voor die mensen, van “Merkels DDR 2.0” tot de vermeende “Joodse wereldsamenzwering”. Voor de meeste mensen leidt dat tot niet veel meer dan een boze tweet, maar anderen vermoorden mensen, zoals we hebben gezien in Halle.’
[De zwaarbewapende rechts-extremist Stephan Balliet probeerde op 9 oktober 2019, de dag van Jom Kippoer, de belangrijkste Joodse feestdag, binnen te dringen in een synagoge in Halle, bij Leipzig, om een aanslag te plegen op de daar verzamelde mensen. Al eerder had hij op internet de datum, het doelwit en de antisemitische motieven van de aanslag op de synagoge bekend gemaakt. Nadat zijn poging de synagoge binnen te dringen mislukte, schoot hij een voorbijgangster dood en kort daarna de bezoeker van een kebabzaak. Hij verspreidde beelden van zijn misdrijf via een livestream die hij maakte met behulp van een helmcamera. Tijdens zijn poging te ontkomen raakten twee voorbijgangers gewond door zijn kogels en probeerde hij ook anderen neer te schieten. Uiteindelijk werd hij gearresteerd door twee patrouillerende agenten.
Balliet werd op 16 april 2020 beschuldigd van dubbele moord en 68 pogingen tot moord en bekende. Uiteindelijk is hij op 21 december 2020 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.]
‘U zegt dat we deze aspecten van rechts tot nu toe niet voldoende hebben geanalyseerd. Waarom is het belangrijk om licht te werpen op de concrete inhoud van de berichten?’
‘Het grote publiek zoekt naar de kwaadaardige fascist om hem op te sluiten of therapie te laten ondergaan omdat hij “aan racisme doet”. Maar weinigen praten daarentegen over de specifieke racistisch-volksnationalistische inhoud van rechts en waarom die zo makkelijk in de mainstream blijft hangen. Om dat te veranderen, moeten we praten over racisme en over de rancune die speelt in grote delen van de Duitse samenleving. Het gaat dus om zelfreflectie en dat is altijd moeilijk.’
‘En hoe kunnen die radicaal-rechtse emotionele ruimtes worden opengebroken?’
‘Geen idee. De West-Duitse samenleving waardoor ik gevormd ben, ging altijd impliciet uit van een witte en mannelijke norm. Rechts heeft die impliciete identiteitspolitiek veranderd in een expliciete: witten en mannen moeten zich verzetten en terugvechten. Ik denk dat we andere formuleringen voor dergelijke emoties nodig hebben. Die zijn er, maar ze zijn geïsoleerd geraakt in het sterk door het ‘bio-Duitse’ gedomineerde publiek. Daarom denk ik dat andere vormen alleen door een ander publiek kunnen worden verwoord.’
Een uitgebreid interview van SWR met Strick is hier in het Duits te vinden.
De term ‘fascisme’ wordt vaak gebruikt om kritiek op machthebbers, politici en denkers kracht bij te zetten, aldus Paolo Mieli, oud-hoofdredacteur van Il Corriere della Sera. Hij waarschuwt dat overmatig gebruik van de term ertoe kan leiden dat we het echte fascisme over het hoofd zien.
Keuze uit het archief
Deze week besloten zeker drie Nederlandse gemeenten om de lokale fractie van Forum voor Democratie (FvD) te boycotten. Het gaat om een meerderheid van de partijen in Den Haag, Rotterdam en Nijmegen. De reden hiervoor is de aanwezigheid van kandidaten op de kieslijst die ook actief waren bij extreemrechtse organisaties.
Als het gaat over extreemrechtse denkbeelden valt regelmatig het woord ‘fascisme’. Hoe omstreden iemands standpunten ook zijn, bij het gebruik van deze term is voorzichtigheid geboden, aldus dit artikel van Il Corriere della Sera uit 2018. Door jan en alleman voor fascist uit te maken, lopen we het gevaar het échte fascisme niet meer te herkennen.
Men kan het niet eens zijn met de in de afgelopen maanden genomen maatregelen van de regering-Conte. En in heel veel gevallen zou het zeker gepast zijn een tegengeluid te laten horen, kritiek die op de meest expliciete en krachtige manieren geuit dient te worden. Met name op een moment als dit, nu de voorgestelde begroting dreigt te leiden tot een economische ravage waarin het hele land mogelijkerwijs wordt meegesleurd. Maar het is altijd verkeerd om dergelijke betogen kracht bij te zetten door te zinspelen op de terugkeer van een fascistisch regime.
Een paar dagen geleden heeft Eurocommissaris voor Economische Zaken, de Fransman Pierre Moscovici boos gereageerd op het onaanvaardbare gedrag van een Europarlementariër van Lega Nord, Angelo Ciocca, die ostentatief zijn schoen op Moscovici’s aantekeningen had gezet. Moscovici zei dat dit gebaar als ‘gevaarlijk’ moest worden beschouwd, omdat ‘het een kleine stap is van hier naar het fascisme’. Ciocca’s gedrag was stuitend, maar wat heeft het fascisme ermee te maken?
We zouden ons er wel voor hoeden dit aan de orde te stellen als het alleen maar ging om een enkele willekeurige uitspraak, eruitgeflapt door een – overigens niet onbelangrijke – Europese vertegenwoordiger. Maar we weten uit ervaring dat de verwijzing naar het fascisme sinds de tweede helft van de jaren veertig door links (maar niet alleen door links) bijna stelselmatig wordt gebruikt om hun polemiek tegen machthebbers van allerlei slag kracht bij te zetten.
Niet alleen politici, maar ook economen, rechters, hoogleraren en docenten, priesters, vaders en broers hebben de scheldnaam ‘fascist’ toegevoegd gekregen. De uitoefening van elk soort gezag – hoe gelegitimeerd ook – leidt bijna vanzelfsprekend tot die beschuldiging.
Hierdoor heeft het woord ‘fascist’ zo langzamerhand elke relatie verloren met de werkelijkheid van de jaren twintig en dertig, toen de term in heel Europa opgeld deed. Alleen al in de Italiaanse politiek zijn maar liefst vijf presidenten met die typering in aanraking gekomen: Giovanni Gronchi, in de tijd dat hij een regering voorstond onder leiding van christendemocraat Fernando Tambroni met steun van de neofascistische MSI (1960); Antonio Segni, toen hij betrokken was bij een verijdelde coup van de militaire inlichtingendienst (1964); Giuseppe Saragat, toen hij werd beschuldigd van het steunen van de strategie van de spanning (1969); Giovanni Leone, toen hij de stemmen van de MSI nodig had om in het Quirinale [de officiële residentie van de Italiaanse president] te komen (1971); Francesco Cossiga, toen hij zich had gecompromitteerd in de stay-behindkwestie (1991).
Geen jaar zonder
En toen de belangrijkste naoorlogse premier, Alcide De Gasperi, de communisten uit de regering zette (1947), werd over hem gezegd en geschreven dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’ – iets wat hij inderdaad had gedaan – en wel met zulke methoden dat hij daarmee de deur wijd open had gezet voor een terugkeer op het toneel van de erfgenamen van de Republiek van Salò [de fascistische marionettenstaat die Mussolini in 1943 uitriep in het noorden van Italië en die standhield tot zijn dood in 1945].
Om maar te zwijgen van Craxi, die in La Repubblica constant werd afgebeeld met het soort laarzen dat Mussolini altijd droeg. En om maar helemaal te zwijgen van Silvio Berlusconi, aan wie op 25 april 1994 uit wrok zelfs de herdenking van het verzet werd ‘opgedragen’. Er zou, kortom, vanaf 1947 tot op de dag van vandaag vrijwel geen jaar zijn voorbijgegaan zonder dat een regeringsvertegenwoordiger blijk gaf van een lichte of meer uitgesproken hang naar autoritaire oplossingen. Wat misschien (en we onderstrepen: misschien) alleen waar was in 1964 en in een aantal perioden aan het begin van de jaren zeventig, zou dus een constante zijn in de Italiaanse politiek.
Met verschillende intensiteitsniveaus, zeker. Maar nog altijd een constante. Is dat mogelijk? Natuurlijk niet. Voor zover historici hebben kunnen vaststellen, hebben de DC [de Christendemocratische Partij] en de daarmee verbonden partijen – enige zeer minderwaardige exponenten daargelaten – nooit ook zelfs maar een autoritaire optie in overweging genomen. Nooit.
Waar komt dat spookbeeld dan vandaan? Het is gemaakt van dezelfde schemerige non-materie waarmee in het oordeel over de internationale politiek de beschuldiging van ‘fascisme’ is vervaardigd ten aanzien van bijna alle oud-presidenten van de Verenigde Staten, en zelfs van de leider van het Franse verzet, generaal Charles de Gaulle, vanwege de manier waarop hij in 1958 de overgang van de Vierde naar de Vijfde Republiek bewerkstelligde. In de werkwijze van al deze mensen heeft men de aanzet tot iets van een autoritaire koers bespeurd, alsof ze vergelijkbaar zouden zijn met een caudillo, een kolonel of een Poetin, een Orbán of een Erdogan avant la lettre.
De waarheid is echter dat het fascisme in de late jaren zeventig in de westerse wereld naar de achtergrond is verdwenen en dat men door er obsessief naar te verwijzen voortdurend heeft geriskeerd, en nog steeds riskeert, dezelfde fout te maken als politicus en historicus Gaetano Salvemini in 1924 deed: na de moord op Giacomo Matteotti vreesde hij zozeer voor een mogelijke monarchistische militaire staatsgreep dat hij verzuimde tijdig notitie te nemen van een aantal specifieke kenmerken van het mussolinisme. Specifieke kenmerken van nieuwe bewegingen dienen in elk tijdperk te worden gesignaleerd, zonder dat moet worden vervallen tot gemakzuchtige verwijzingen.
Specifieke kenmerken van nieuwe bewegingen dienen in elk tijdperk te worden gesignaleerd, zonder dat moet worden vervallen tot gemakzuchtige verwijzingen
Ian McEwan
Er is ten slotte een laatste, algemener betoog te houden over het gebruik van de term ‘fascist’. In een speech die de Britse schrijver Ian McEwan hield in juni 2015, ter gelegenheid van de jaarlijkse afstudeerceremonie aan het Dickinson College, keerde hij terug naar de jaren zestig waarin – zo vertelde hij – zijn universiteit ‘een psycholoog verbood de theorie te promoten volgens welke intelligentie een erfelijke component bevat’.
In de jaren zeventig, vervolgde McEwan, werd de grote Amerikaanse bioloog Edward Wilson het spreken op universiteiten onmogelijk gemaakt, omdat hij had gesuggereerd dat er een genetisch element zat in het sociale gedrag van mensen. Beiden ‘werden fascist genoemd’.
En toen? ‘Hun theorieën zijn nu algemeen geaccepteerd’, zei McEwan. Ook na die lezing is de auteur van The Comfort of Strangers verschillende politieke of culturele initiatieven blijven bekritiseren. Vaak in zeer harde bewoordingen. Maar hij heeft nooit meer verwezen naar het fascisme. En wellicht is het zaak zijn voorbeeld te volgen.
CONTEXT: Geen jaren dertig
Michael Wildt, hoogleraar Geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw aan de Humboldt-universiteit in Berlijn vraagt zich af of we ons zorgen moeten maken over rechts-radicale ontwikkelingen in Duitsland. ‘Dat extreemrechtse groepen in staat zijn duizenden sympathisanten op de been te brengen via de sociale media is verontrustend‘, schrijft hij in Die Zeit.
‘De “angst voor de ander” heerst vandaag de dag jegens asielzoekers en moslims, vooral in conservatieve partijen. Vluchtelingen worden niet beschouwd als mensen die rechten behoeven, maar als indringers die zo snel mogelijk “uitgezet” moeten worden. Hetzelfde gevoel overheerste destijds ook in burgerlijke kringen.’‘Het politieke debat in Duitsland is in de voorbije decennia heftig en scherp geweest, maar links, conservatief of liberaal hebben zich voortdurend ingespannen om meerderheden te vormen. Extreemrechts – de neonazi’s – heeft dan wel zitting in regionale parlementen en gemeenteraden, maar kan daar weinig uitrichten. Het richt zich ook niet op de bestaande maatschappij als geheel, maar tracht een splitsing aan te brengen langs etnische lijnen. Een dergelijk opzettelijk onderscheid verdraagt zich niet met de de grondwet en dient te vuur en te zwaard worden bestreden.’* (Die Zeit, Hamburg)*
De beschuldiging aan het adres van de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken en politiek leider van de Lega Nord, Matteo Salvini, dat hij fascistische trekjes vertoont, zorgt voor veel opwinding in Italië.
Er doet een grap over Matteo Salvini de ronde op internet. Aan zijn ex-verloofde Elisa Isoardi wordt gevraagd: ‘Waarom bent u bij hem weggegaan?’ Zij antwoordt: ‘Omdat hij me Claretta noemde…’
Neem me niet kwalijk dat ook ik de vrijheid neem te verwijzen naar zaken die te maken hebben met het privéleven van onze minister van Binnenlandse Zaken en zijn ex. Dat doe ik anders nooit. Maar dit keer hebben de liefdesperikelen van de twee de voorpagina’s van alle kranten gehaald. En niet door toedoen van de paparazzi, maar omdat de hoofdpersonen zelf Twitter hebben gebruikt om elkaar enkele liefdevolle dan wel geïrriteerde boodschappen te sturen. Logisch dat dat tot veel ironisch commentaar heeft geleid.
De grap over Claretta Petacci [de jonge minnares van Mussolini] is het gevolg van alles wat Salvini in de afgelopen maanden heeft gezegd en van de discussie die op gang is gekomen over de vraag of er al dan niet een gelijkenis bestaat tussen het ‘geelgroen’ [de kleuren van de regeringspartijen Lega Nord en Vijfsterrenbeweging] en het fascisme, en, meer nog, tussen ‘salvinisme’ en fascisme. Deze discussie is mede ontstaan naar aanleiding van een door de schrijfster Michela Murgia gepubliceerde enquête, de veelbesproken fascistometer.
Murgia heeft een zestigtal vragen opgesteld en een antwoordsysteem en telling uitgewerkt die het mogelijk maken ‘de mate van antifascisme in onszelf’ te meten. Daarmee heeft ze allerlei polemieken losgemaakt. Zo werd de journalist Massimo Gramellini, die erover schreef op de voorpagina van de Corriere della Sera, woedend omdat hij er na het beantwoorden van de vragen achter kwam dat een lichte vorm van fascisme ook hém niet vreemd is.
De gezaghebbende en degelijke intellectueel en historicus Paolo Mieli schreef op zijn beurt dat de enquête niet erg zinnig is – al gaf hij ook blijk van waardering voor Murgia – en dat er tussen salvinisme en fascisme geen enkele overeenkomst bestaat.
Opzet
Heeft Mieli gelijk? Heeft Murgia gelijk? Hebben al die mensen gelijk die om de haverklap de nieuwe meerderheid of de Lega van fascisme beschuldigen? Of hebben wellicht degenen gelijk die zeggen dat het fascisme iets uit het verleden is, iets wat is afgesloten, en dat het pure propaganda is om er elke keer dat er geen andere argumenten tegen rechts zijn mee op de proppen te komen?
Ik laat die vragen even open. Ik zeg alleen dat iedereen het recht heeft zichzelf en zijn eigen politieke geloof en politieke partij te noemen bij de naam die hem het best bevalt. Als ik wil verklaren dat ik communist ben, dan doe ik dat, en dan hoef ik niet aan te tonen dat ik de richtlijnen en analyses van Marx of de strategie van Lenin volkomen respecteer. En hetzelfde geldt als ik wil verklaren dat ik liberaal, christendemocraat, populist of wat dan ook ben. En ook als ik mezelf fascist wil noemen. Salvini heeft nooit verklaard dat hij fascist is.
Maar aangezien hij ongetwijfeld enige politieke vorming heeft genoten en hij erin slaagt binnen enkele dagen verschillende keren en met nadruk uitspraken te doen als ‘Wie stopt, is verloren’ en ‘Veel vijanden, veel eer’, en voorstelt om ‘etnische winkels’ te sluiten, ligt het voor de hand dat hij dat met een bepaalde opzet doet. Ik bedoel: hij zegt dat niet zomaar. En dus is het duidelijk dat Salvini zijn kiezers duidelijk wil maken dat hij een zekere sympathie heeft voor Mussolini en het fascistische regime.
Is dat oké? Nee. Ik denk het niet. Ik ben altijd een tegenstander geweest van wetten die voorzien in strafmaatregelen voor het uiten van fascistische denkbeelden. Ik ben altijd van mening geweest dat geen enkel denkbeeld door de wet gestraft of verboden mag worden, dat de overgangsbepaling in onze grondwet die fascistische propaganda verbiedt, afgeschaft zou moeten worden en dat de leus ‘fascisme is geen mening maar een misdaad’ stupide en erg tendentieus is.
En ook erg riskant, omdat die zou kunnen worden uitgebreid naar allerlei andere meningen, aangezien het niet eenvoudig is vast te stellen wie beslist wat een mening is en wat een misdaad. Ik ben er absoluut van overtuigd dat geen enkel denkbeeld en geen enkele mening ooit een misdaad is, en dat misdaden alleen bestaan als er sprake is van concrete misdadige handelingen. Bijgevolg geloof ik niet dat je tegen Salvini kunt zeggen dat hij moet ophouden met het debiteren van mussoliniaanse en fascistische citaten.
Maar je kunt hem een probleem voorleggen. Namelijk het volgende: is het juist om het Italiaanse populisme, dat heden ten dage tot de regering is doorgedrongen omdat het de verkiezingen heeft gewonnen, te voeden met nostalgische verwijzingen naar het fascistische regime? Waarschijnlijk helpt dat om enige consensus te bereiken binnen extreemrechts, en wellicht ook om het electoraat van de [centrum-rechtse partij] Fratelli d’Italia te paaien. Maar is de prijs niet te hoog? In Italië heeft het fascisme daadwerkelijk geregeerd.
Het was niet alleen een denkbeeld, een ambitie, maar een zeer concreet politiek fenomeen. En de realiteit is dat het korte metten heeft gemaakt met politieke vrijheden, stemrecht, veel burgerlijke vrijheden en een aantal substantiële onderdelen van de rechtsstaat, dat het ervoor heeft gezorgd dat duizenden dissidenten gevangen werden gezet – en dat alles nog vóórdat het een alliantie aanging met het nazisme en besmeurd raakte met de afgrijselijke misdaden van het racisme en de Holocaust.
‘Geen enkel denkbeeld en geen enkele mening is ooit een misdaad’
Ik stel deze simpele vraag: is twijfel zaaien over het fascisme – oftewel over al deze concrete daden – niet een fout die geen enkele staatsman zich kan permitteren? Is het geen waanzin om het gezonde verstand dat de populistische kant heeft gekozen een autoritaire, onvrije kant op te duwen? En voelt Salvini, die vandaag de dag feitelijk de machtigste man van Italië is en die het lot van de regering in handen heeft, niet de verantwoordelijkheid een staatsman te zijn, en niet alleen een zeer vaardig volksmenner?
Opgericht in 2016 door journalist Piero Sansonetti, voormalig directeur van de communistische krant Liberazione. Il Dubbio – Italiaans voor ‘de twijfel’ – brengt algemeen nieuws, maar is onafhankelijk en staat kritisch tegenover de rechterlijke macht.
De nieuwe wanorde, zo kenschetste Il Manifesto het ongekende karakter van de institutionele en politieke chaos die zich na de uitslag van de Italiaanse verkiezingen als een olievlek verspreidde. Maar die kop was meer dan een momentopname, en heeft met het aantreden van de regering-Conte zeker niet aan actualiteit ingeboet.
De dubbele historische verwijzing – naar de fascistische Nieuwe Orde, maar ook naar Nieuwe Orde van de Italiaanse communist Antonio Gramsci [historisch gezien ontstond de Nieuwe Orde bij de linkerzijde, en stond ze voor een verlangen naar politieke structuurhervormingen] – heeft enerzijds betrekking op de verkiezingen afgelopen maart, die binnen het regeringscentrum tot een reeks zenuwcrisissen hebben geleid. Anderzijds verwijst zij ook naar het nieuwe karakter van de politieke macht. Wat in de honderd dagen van crisis na de aardverschuiving gaandeweg is samengesmolten tot zoiets als ‘de macht’, is wellicht meer dan een simpel provisorisch verbond. Misschien is het de kiem van een nieuwe metamorfose van het ‘populisme van het derde millennium’, waarover politicologen uit de halve wereld zich sinds Brexit en Trump het hoofd breken. Misschien is het zelfs een nieuwe genetische mutatie: door heterogene ‘populismen’ in éénzelfde mal te gieten, is Italië wellicht het laboratorium geworden van de wereldwijde democratische crisis.
Vergissing
Degenen die zich denigrerend uitlaten over de coalitie van Lega Nord en de Vijfsterrenbeweging en er etiketten op plakken als ‘roodbruine alliantie’ en ‘Grillo-fascistisch verbond’ – maken een vergissing. Die komt voort uit geestelijke luiheid en uit de weigering in te zien dat we te maken hebben met een ongekend politiek fenomeen, niet zozeer geworteld in de huidige politieke cultuur als wel in het uiteenvallen van de sociale orde. Anders zouden we moeten concluderen waarom de meerderheid van de Italianen – bijna zestig procent – plotseling ‘fascist’ is geworden. En zou het heel moeilijk te begrijpen zijn waarom het electoraat van de Lega zich zo gemakkelijk heeft neergelegd bij een verbintenis met de anarcho-libertarische volgelingen van Grillo – en vice versa.
Misschien zou Benjamin Arditi ons een handje kunnen helpen, een briljante Latijns-Amerikaanse politicoloog die voor het populisme van het ‘derde millennium’ de metafoor van ‘de ongewenste gast’ heeft gebruikt: een heerschap dat tijdens een diner te veel drinkt, geen goede tafelmanieren in acht neemt, lomp is, te hard praat en hinderlijk probeert te flirten met de echtgenotes van de andere gasten. Hij is onaangenaam en ‘niet op zijn plek’, maar zou zich ook ‘een of andere waarheid over de liberale democratie’ kunnen laten ontvallen, ‘bijvoorbeeld dat die haar fundamentele ideaal heeft verwaarloosd: de volkssoevereiniteit’. Dat is de eerste karakteristieke eigenschap van het new populism: het vindt zijn oorsprong bij een deel van het electoraat heersende gevoel dat het is ingehaald door elders genomen besluiten en dat het de eigen democratische zeggenschap is kwijtgeraakt. En boosheid daarover vinden we terug in alle geledingen van de maatschappij, van rechts tot links.
De tweede factor is de ‘ontbinding van alle volkeren’. Het mag paradoxaal lijken, maar in het zogeheten ‘ongebreideld populisme’ is het volk ver te zoeken. In de massa die op 4 maart naar de stembureaus ging, bevindt zich niet langer het ‘volk van links’, maar (nu de Lega van Salvini een nationale partij is geworden) ook niet het ‘Padaanse volk’ [uit de Po-vallei] evenmin als het ‘krijg-de-klere-volk’ (nu Vijf Sterren-voorman Di Maio de gedaante heeft aangenomen van een brave regeringsleider): het is een mengeling van alle drie. Ook zijn de sporen goed zichtbaar van de ‘Italiaanse populismen’: het telepopulisme van Berlusconi, daarna het cyberpopulisme van Grillo en tot slot en het populisme van de regering-Renzi. En die allemaal samen lijken nu naar één punt te vloeien: een grote smeltkroes op het vuur van een volk dat verder geen identiteit heeft.
Het politieke fenomeen is niet geworteld in de huidige politieke cultuur maar in het uiteenvallen van de sociale orde
Daarom meen ik dat we ons verre bevinden van de verschillende soorten fascisme en neofascisme uit de twintigste eeuw, die ten bate van de homogeniteit van Het Volk extreem op de gemeenschap waren gericht. En ook dat we inmiddels in een wereld leven die volstrekt anders is dan die waarin Gramsci in de eerste helft van de vorige eeuw de Nieuwe Orde bedacht, die de basis zou moeten vormen voor de langdurige hegemonie van links. Dat model van ‘orde’ was gericht op het werk van de arbeider als elementaire cel van de Nieuwe Staat, terwijl de huidige gangbare wereldvisie haar oorsprong vindt in het verdwijnen van het werk als maatschappelijke actor en in de opkomst van een model waarin de markt en het geld de regulerende principes zijn. Het is dan ook een ‘nieuwe wanorde’. Oftewel een hypothetische maatschappij die de wanorde (en de daarmee samengaande flagrante ongelijkheid) tot haar voornaamste stijlkenmerk maakt.
De politieke macht die oprijst uit de chaos die de ‘neoliberale volwassenwording’ karakteriseert, zet zich niet af tegen dit model, maar plant het ‘anarcho-kapitalistische’ karakter ervan in het hart van de ‘nieuwe politici’. Die zullen nota nemen van het ongenoegen van het ‘buiten spel gezette’ volk, maar zullen het niet zijn autonomie teruggeven. Ze zullen blijven luisteren naar de door verval en marginalisering ingegeven angst van de mensen, maar zullen hun neergang op het hellende maatschappelijke vlak niet stoppen (en er ondertussen wel voor zorgen dat ze hun woede en frustratie afreageren op migranten, Roma en daklozen, volgens de beproefde techniek van de zondebok).
Ze zullen vermoedelijk een meedogenloze strijd voeren tegen de huidige ‘oligarchieën’ (om vervolgens zelf hun plaats in te nemen), maar zullen niet morrelen aan de ‘fundamenten van het systeem’. Daarom zijn ze juist gevaarlijk: vanwege hun vermogen mee te gaan in onderbuikgevoelens die hun werk doen in de diepte, en tegelijkertijd te botsen met de basislogica’s die werkzaam zijn aan de oppervlakte.
En precies daarom zou ik er persoonlijk niet al te zeer op rekenen dat hun nieuwe regering binnen afzienbare tijd zal bezwijken aan haar interne tegenstellingen. Of aan een conflict met Europa, want dat zal niet met een moedwillige en bewuste actie door hen ten grave zal worden gedragen. Europa doet in dat opzicht al genoeg zelf, met zijn hang naar zelfmoord.
Als we de strijd met deze nieuwe populisten willen aangaan, moeten we ons erop voorbereiden dat we te maken hebben met een veelzijdige tegenstander die alleen kan worden bestreden door een krachtige politieke cultuur, die op haar beurt kans heeft gezien haar oorspronkelijke uitgangspunten los te laten en bereid is net zo radicaal te veranderen als datgene is veranderd waarmee we nu worden geconfronteerd. Want de aanstichters van de nieuwe wanorde zullen in elk geval zeker niet worden verslagen door de som aller mislukkingen: een illusoir ‘republikeins front’.
Gewaardeerd om zijn grafische vormgeving, stevig links georiënteerd, geëngageerd voer voor de Italiaanse intellectueel. Een instituut in Italië, toch wordt het blad vaak gehinderd door financiële tekorten. Publiceert een maandelijkse bijlage met politieke essays.
CONTEXT: Compromisregering
Na vallen en opstaan is er nu een compromisregering in Italië, die minder afschrikwekkend is dan de media hadden aangekondigd.
Het programma van de nieuwe coalitie is een compromis. Het bevat veel voorstellen: over de regelgeving, de corruptie, de maffia, de strijd tegen fraude, het beperken van buitenlandse militaire missies, enzovoort. Ook zijn er hervormingen waarvan de financiële onderbouwing vaag is (het basisinkomen, het minimumloon en de herziening van de pensioenhervorming). En dan zijn er nog de slechte wetten, die onuitvoerbaar zijn of zelfs tegen de grondwet ingaan (zoals de ‘flat tax’ – één belastingtarief voor alle burgers), absurde maatregelen die passen in een politiestaat (tasers voor de ordediensten of de bevoegdheid om op dieven te schieten, ook als die niemand bedreigen) of bij een xenofobe overheid (crèches die alleen gratis zijn voor Italiaanse kinderen). Je kunt er van alles over zeggen, maar niet dat deze regering slechter is dan die van de afgelopen vijftien jaar. Er is zelfs voor het eerst sinds 1994 geen enkele minister bij die is beschuldigd van strafbare feiten of daarvoor is veroordeeld.
Guiseppe Conte is dus leider geworden van een geheel populistisch kabinet, bestaande uit achttien ministers, onder wie vijf vrouwen. Maar volgens La Repubblica gaat de aandacht niet uit naar deze 53-jarige jurist die tot voor kort totaal onbekend was in Italië. De teugels van de macht zijn nu in handen van de leiders van de twee vicepremiers. Luigi Di Maio, 31 jaar, leider van de Vijfsterrenbeweging, wordt minister van de strategische post Arbeid, Sociale Zaken en Economische Ontwikkeling. Matteo Salvini, 45 jaar, wordt minister van Buitenlandse Zaken. De man, die omschreven wordt als ‘reactionair en ontvlambaar’, kondigde meteen aan dat hij het uitzetten van illegalen zal versnellen. Nog een opvallend figuur is Lorenzo Fontana, 38 jaar, die minister van Gezin en Gehandicapten wordt, en volgens de Italiaanse krant ‘zeer radicale opvattingen over onder andere abortus, vrouwenrechten, lgbt-rechten en asielzoekers heeft’. Het meest omstreden lid blijft de econoom Paolo Savona, 81 jaar, op Europese Zaken. Tegen de krant Libero zei hij: ‘Er is geen Europa, er is alleen Duitsland met een stel bangeriken eromheen.’
De Duitse professor Jan Werner-Müller wil het populisme precies omschrijven, zonder ‘vage anti-establishment sentimenten’. Sleutel in zijn analyse is de pretentie van populisten dat zij het ‘echte’ volk vertegenwoordigen. Ze geloven in regeren bij meerderheid, maar niet in verscheidenheid.
Tegenwoordig lijkt de diepere betekenis van alle verkiezingen in Europa (en misschien zelfs in de wereld) zich tot één enkele vraag te beperken: heeft het populisme gewonnen of verloren? Tot de Nederlandse verkiezingen van maart 2017 werd het publieke debat gedomineerd door het beeld van een onstuitbare golf – of tsunami, zoals Nigel Farage het noemde – van populisme. En vooral na de grote zeges van Macron hoor je nu vaak dat we misschien al in het ‘post-populistische tijdperk’ zijn beland. Die diagnoses zijn allebei fout en verdienen het etiket dat het populisme zelf vaak krijgt opgeplakt: simplistisch.
Bij het beeld van een onhoudbare golf gaat men er klakkeloos van uit dat zowel de Brexit als het presidentschap van Trump een triomf voor het populisme betekende. En natuurlijk, Farage en Trump zijn populisten, al zijn ze dat niet omdat ze, zoals het cliché wil, ‘afgeven op de elite’. Niet iedereen met kritiek op de elite is automatisch een populist. Een kritische houding tegenover de elite kun je net zo goed opvatten als teken van democratische betrokkenheid van de burger. Populisten in de oppositie hebben allicht kritiek op de regering. Maar belangrijker is dat ze ook beweren dat zij en zij alleen opkomen voor wat populisten vaak ‘echte mensen’ of ‘de zwijgende meerderheid’ noemen.
Daarmee zeggen ze eigenlijk dat alle andere partijen in wezen geen recht van spreken hebben. Het gaat de populisten nooit om een verschil van mening over het beleid of zelfs over normen en waarden, het soort meningsverschil dat in een democratie natuurlijk heel normaal is (en in het beste geval ook productief). Nee, populisten spelen in ieder politiek conflict meteen op de man en maken er een morele kwestie van: de anderen zijn volgens hen simpelweg ‘slecht’ en ‘corrupt’. Die spannen zich niet in voor ‘het volk’ maar alleen voor zichzelf (voor de gevestigde orde) of voor multinationals of voor de EU of noem maar op. In dat opzicht was de campagneretoriek van Trump een extreem geval, maar niet echt een uitzondering.
‘Echte mensen’
Minder in het oog springend is de suggestie van populisten dat mensen die het niet eens zijn met hun opvatting van wat ‘het volk’ is, en die hen dus niet steunen, eigenlijk niet tot dat volk behoren. Denk aan Farage, die op de avond van het beslissende referendum riep dat de Brexit een ‘victory for real people’ was. Daarmee impliceerde hij dat de 48 procent die tegen een Brexit hadden gestemd geen ‘echte mensen’ zijn, ofwel: niet echt tot het Britse volk behoren. Of denk aan Trump, die op een verkiezingsbijeenkomst vorig jaar zei: ‘Het gaat erom dat we de mensen verenigen – want die andere mensen doen er niet toe.’ De populist bepaalt dus wie de echte mensen zijn.
Vage ‘anti-establishment sentimenten’ vormen dus geen lakmoesproef voor wat populisme is: kritiek op de elite kan terecht of onterecht zijn, maar is niet per se antidemocratisch. Waar het om gaat, is het antipluralisme van de populisten. Ze doen altijd aan uitsluiting op twee niveaus. Op het niveau van de partijpolitiek presenteren ze zichzelf als de enige legitieme spreekbuis van het volk, om zo alle politieke rivalen op zijn minst moreel uit te sluiten. En iets subtieler wordt op het niveau van de mensen zelf, zo je wilt, iedereen buitengesloten die hun symbolische fictie van ‘de echte mensen’ niet onderschrijft (en dus niet achter de populisten staat). Anders gezegd: populisme maakt per definitie aanspraak op het morele alleenrecht om de wil te vertolken van de zogenaamde echte mensen – en vervalt daardoor per definitie tot een radicaal wij-zij-denken.
Merk daarbij op dat populisten ook zonder te regeren grote schade kunnen toebrengen aan de politieke cultuur. Populistische partijen die slecht presteren bij de stembus worden immers met een evidente paradox geconfronteerd: hoe kan hun partij aanspraak maken op een rol als enige echte spreekbuis van het volk, als ze geen overweldigende meerderheid bij de stembus halen? Niet alle populisten kiezen voor de makkelijkste uitweg uit dit dilemma, maar velen wel: zij suggereren dat ze niet zozeer een zwijgende meerderheid vertegenwoordigen, als wel een meerderheid die het zwijgen is opgelegd. Als die meerderheid zich kon uiten, zouden de populisten per definitie aan de macht zijn, maar iets of iemand heeft deze meerderheid de mond gesnoerd. Anders gezegd: populisten suggereren op meer of minder subtiele wijze dat ze de verkiezingen helemaal niet echt verloren hebben, maar dat het hele proces door verdorven elites achter de schermen is gemanipuleerd. Denk weer aan Trump: toen hij in het midden liet of hij een verkiezingszege van Hillary Clinton zou accepteren, plaatste hij impliciet vraagtekens bij de deugdelijkheid van het Amerikaanse kiesstelsel. Veel van zijn kiezers begrepen die boodschap heel goed. Uit een peiling bleek dat zeventig procent van zijn aanhang dacht dat het doorgestoken kaart zou zijn als Clinton de verkiezingen won.
Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen
Nu mag iedereen kritiek hebben op het Amerikaanse kiesstelsel, daar is duidelijk genoeg reden toe. Ook zulke kritiek kan een teken zijn van oprechte democratische betrokkenheid. Wat niet democratisch is, is de houding van populisten die in feite neerkomt op de bewering: ‘Omdat wij niet gewonnen hebben, moet het systeem wel fout en verrot zijn.’ Zo zullen populisten het vertrouwen van burgers in hun instituties systematisch ondermijnen, en daarmee het politieke klimaat verzieken, ook zonder zelf ooit aan de macht te komen.
Ik wil niet beweren dat alle populisten hun gebrek aan electoraal succes afdoen met een beroep op complot-theorieën. Maar ze zullen op zijn minst geneigd zijn onderscheid te maken tussen de empirisch vastgestelde en de morele uitslag van verkiezingen. (Denk aan de Hongaarse rechtse populist Viktor Orbán, die na zijn verkiezingsnederlaag in 2002 zei dat ‘het land niet in de oppositie kan zitten’; of aan Andrés Manuel López Obrador, die na zijn nederlaag bij de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2006 zei dat ‘de zege van rechts moreel onbestaanbaar’ was en hijzelf de enige ‘legitieme president van Mexico’.) Zo blijven populisten zich beroepen op een onbestemde groep ‘echte mensen’ die een andere keuze zouden hebben gemaakt. De extreemrechtse populist Norbert Hofer zei na zijn nederlaag bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen van 2016 bijvoorbeeld dat de winnaar, de groene politicus Alexander Van der Bellen, ‘gezählt, aber nicht gewählt’ was: hij insinueerde dus dat zijn tegenstander weliswaar de meeste stemmen had gekregen, maar toch niet echt gekozen was (alsof een ‘echte keus’ op een of andere wijze tot stand kan komen bij acclamatie of zoiets, en niet in het stemhokje). In veel gevallen zullen populisten de cijfers afzetten tegen sentimenten, zonder oog voor het feit dat juist die cijfers, een correcte telling van het aantal stemmen, het enige is waar democratie uit bestaat.
Door in te zien dat populisme een specifieke vorm van antipluralisme is, voorkomen we misschien dat we kritiekloos het beeld blijven herhalen van ‘het volk’ dat overal in opstand komt tegen ‘de gevestigde orde’. Dat is geen onschuldige, laat staan neutrale beschrijving van de politieke ontwikkelingen. Het is in feite populistisch jargon. Met zo’n omschrijving accepteer je impliciet dat de populisten werkelijk ‘het volk’ vertegenwoordigen. Maar types als Farage of Geert Wilders slagen er in de verste verte niet in om zelfs maar een kwart van het electoraat aan te spreken.
Toch vallen politici en journalisten vreemd genoeg vaak van het ene uiterste in het andere als het om populisten gaat: van de opvatting dat het allemaal demagogen zijn die per definitie onzin uitkramen, naar de gedachte dat populisten in feite de ‘echte zorgen’ van de mensen vertolken. De populist een monopolie geven op de vertolking van wat mensen bezighoudt, getuigt van een diepgaand gebrek aan inzicht in hoe democratische vertegenwoordiging werkt. Die vertegenwoordiging moet niet gezien worden als een mechanische afspiegeling van objectief bestaande belangen en identiteiten. Die belangen en identiteiten krijgen dynamisch vorm naarmate politici (en het maatschappelijk middenveld, vrienden, buren, enz.) bepaalde stappen zetten en burgers daarop reageren. Het is dus niet dat alles wat populisten zeggen per se verzonnen is, maar het is een vergissing om te denken dat alleen zij weten wat er echt in de maatschappij leeft. Zo is Trump er zonder twijfel in geslaagd een aantal Amerikanen het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van zoiets als een blanke identiteits- beweging. Maar het zelfbeeld van burgers kan ook weer veranderen.
Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen. Toch gaan veel niet-populisten daarvan uit. Denk maar aan hoe sommige socialisten en sociaaldemocraten in Europa tegenwoordig lijken te denken: ‘De arbeidersklasse heeft het gewoon niet op buitenlanders. Het succes van de rechtse populisten toont dat wel aan. Niks aan te doen.’
Er bestaat nog een andere denkfout met betrekking tot de verkiezingswinst van populisten. Je moet er niet van uitgaan dat alle kiezers die op een populistische partij stemmen zelf ook populist zijn, dat wil zeggen: de antipluralistische ideeën van hun populistische leider delen.
Een kiezer kan het bijvoorbeeld volstrekt oneens zijn met de kritiek van Marine Le Pen dat andere partijen immoreel zijn en hun land verraden, maar toch op het Front National stemmen vanwege het landbouwbeleid dat die partij voorstaat. Oké, dat is wat vergezocht, maar het punt blijft dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat iedereen die op een populistische politicus of partij stemt, per se ook het hele antipluralistische programma daarvan onderschrijft. Dat is een elementair empirisch feit, maar het heeft ook gevolgen voor de politieke strategie. Denk maar aan de desastreuze uitwerking van Hillary Clintons opmerking over ‘deplorables’. Ze had beter alleen genadeloze kritiek kunnen leveren op haar tegenstander, zonder te generaliseren over de kiezers die hij aanspreekt.
Maar zit er niet toch iets in, in dat idee van een populistische golf, al is die nu even op zijn retour? Nee, dat beeld was altijd al zeer misleidend. Nigel Farage heeft de Brexit immers niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij had hulp nodig van Conservatieven uit het establishment, zoals Boris Johnson en Michael Gove (die nu allebei in May’s kabinet zitten). Het was Gove die in het voorjaar van 2016, als reactie op de vele sombere voorspellingen van deskundigen over een eventuele Brexit, zei dat het Britse volk de buik vol had van deskundigen. Het grappige was dat Gove zelf juist lange tijd als een intellectueel binnen de Tory-gelederen gold. Het was dus niet zomaar iemand die de mensen vertelde dat deskundigheid werd overschat – er was een deskundige voor nodig om die conclusie te trekken.
Trump is natuurlijk geen president geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. Hij vertegenwoordigde een gevestigde partij en had de zegen nodig van Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani, Chris Christie en Newt Gingrich. Die laatste zei tegen een verslaggever van CNN op het Republikeins partijcongres in de zomer van 2016 dat hij de misdaadcijfers niet vertrouwde, maar geloofde in de beleving van mensen. Hij flikte dus hetzelfde kunstje als Gove in Engeland, want wat je ook van Gingrich mag vinden, onder Amerikaanse conservatieven gaat hij voor een soort intellectueel door. Dus net als in het Verenigd Koninkrijk was er een deskundige nodig om de waarde van deskundigheid in twijfel te trekken.
Polarisatie
Wat zich op 8 november 2016 voltrok was geen op zichzelf staande triomf voor het populisme, maar een bevestiging van de polarisatie van de Amerikaanse politiek: 90 procent van de Republikeinse kiezers had op Trump gestemd. Ook al bleek uit peilingen dat veel Republikeinse kiezers grote bedenkingen bij deze kandidaat hadden, het was voor hen duidelijk ondenkbaar om op een Democraat te stemmen. De manier waarop Hillary Clinton door veel Republikeinen werd gedemoniseerd, had daar natuurlijk ook iets mee te maken – en die demonisering dateerde al van ver voor Trump. Die was al begonnen in de jaren negentig, toen Bill Clinton door rechts steevast werd aangeduid als ‘jullie president’, alsof hij niet het hele volk vertegenwoordigde. Feit is dat tot op de dag van vandaag geen enkele rechtse populist in West-Europa of Noord-Amerika aan de macht is gekomen zonder hulp van de gevestigde conservatieve elite.
Na de verkiezingen in Frankrijk en Nederland waren commentatoren er als de kippen bij om te spreken van een post-populistische beweging. Het veronderstelde ‘nieuwe normaal’, van de ene populistische verkiezingszege na de andere, wordt alweer achterhaald genoemd. Maar dan wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het populisme als een moreel monopolie op de vertegenwoordiging van het echte volk, en anderzijds specifieke programmapunten die aan rechts populisme kunnen raken – zoals een strenger immigratiebeleid – maar op zichzelf niet populistisch zijn. Met andere woorden: antipluralisme en inhoudelijke programmapunten zijn twee verschillende zaken.
Wilders, een echte populist, deed het in Nederland minder goed dan verwacht. Maar zijn officiële ‘mainstream’ rivaal, de rechts-liberale premier Rutte, sloeg veel Wilders-achtige taal uit, door onder meer tegen immigranten te zeggen dat ze maar moesten vertrekken als ze niet ‘normaal’ wilden doen. Rutte is geen populist geworden, hij pretendeert niet de enige echte vertegenwoordiger van het eigenlijke Nederlandse volk te zijn. Maar hij doet iets ongebruikelijks en volgens mij onaanvaardbaars: het is niet aan de Nederlandse premier om te bepalen wat in de Nederlandse cultuur ‘normaal’ is (met de bijbehorende implicatie dat je enerzijds een ‘echt’ Nederlands volk hebt en anderzijds mensen die zich ‘abnormaal’ gedragen). Als gevolg van zulke opportunistische concessies aan populisten schuift de hele politieke cultuur naar rechts op, zonder behoorlijke democratische machtiging van de burger. Misschien zitten we dus niet zozeer in een post-populistische tijd, maar zijn de populisten eigenlijk aan het winnen, ook al verliezen ze nominaal. In plaats van officieel met de populisten samen te werken, kopiëren de conservatieven immers gewoon hun ideeën. Diezelfde dynamiek kon je in het voorjaar van 2017 zien in de campagne voor de parlementsverkiezingen van Theresa May, die erop gokte dat ze UKIP kon vermorzelen door Farage na te doen.
Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet zo onvermijdelijk als men vaak denkt
Naast samenwerking en imitatie hebben conservatieven nog een derde manier om rechts populisme te vergoelijken. Denk maar aan hoe de Europese Volkspartij (EVP), de mainstream partijfamilie van overwegend christendemocraten en gematigde conservatieven in het Europarlement, Viktor Orbán beschermen tegen kritiek (van onder meer de Europese Commissie). Orbán was de pionier van het populisme in Europa. Hij had zijn inmiddels in veel opzichten autoritaire bewind nooit kunnen opbouwen zonder de rugdekking van de EVP. En wederom, het is niet dat de leden van de EVP zelf populisten zijn geworden, verre van dat. Maar met hun strategische keuzes, vooral ingegeven door hun wens om de grootste partij in het Europarlement te blijven, hebben de conservatieven de opkomst van rechts populisme mogelijk gemaakt.
In dat verband is het ook de moeite waard even terug te kijken naar een recente verkiezingsstrijd waarin veel conservatieven zich vooraf tegen samenwerking met de populisten hebben uitgesproken. Het hele beeld van een niet te stuiten golf van populisme was eigenlijk al ontkracht door dit ene tegenvoorbeeld: Oostenrijk, waar alom een zege voor Norbert Hofer was voorspeld. Veel conservatieve politici spraken zich expliciet tegen hem uit. Dat betrof vooral burgemeesters en andere provinciale politieke grootheden, die bij kiezers in de regio het vertrouwen genoten dat groene bobo’s uit Wenen duidelijk misten. Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet zo onvermijdelijk als men vaak denkt.
De stabiliteit van democratieën in Europa heeft, zoals de politicoloog Daniel Ziblatt betoogt, altijd sterk afgehangen van het gedrag van de conservatieve elites. In het interbellum kozen die voor samenwerking met autoritaire en zelfs fascistische partijen, wat op veel plekken tot de dood van de democratie leidde. Na de oorlog besloten ze zich aan de regels van het democratische spel te houden, ook al was dat niet altijd bevorderlijk voor wat zij als conservatieve kernwaarden beschouwden. We leven in een heel andere samen-leving dan in de naoorlogse periode en de populisten van nu zijn geen fascisten, maar het is nog steeds zo dat het lot van een democratie even sterk afhangt van de keuzes van de gevestigde orde als van opstandige outsiders. Larry Bartels, een vooraanstaand Amerikaans politicoloog, wijst erop dat er ook weinig empirisch bewijs is voor een toename (laat staan een ‘tsunami’) van rechts populistische sentimenten. Wat uit onderzoek wel blijkt, is dat zowel politieke avonturiers als gevestigde partijen in de loop der tijd steeds weer voor de keuze hebben gestaan om dergelijke sentimenten te bezweren, dan wel te mobiliseren en uit te buiten. Het is van belang om ons niet uitsluitend op de populisten zelf te fixeren (waarbij we hun kracht regelmatig onder- dan wel overschatten). We moeten juist de elites ter verantwoording roepen die met populisten samenwerken of hun ideeën overnemen of hun gedrag in feite vergoelijken en ze zo uit de wind houden.
Brexit volgens Banksy, 2017.
Wat kan er tegen populisten zelf worden gedaan? Wat de laatste jaren in ieder geval duidelijk is geworden, is wat er niet werkt. Een volledig isolement bijvoorbeeld, en zeker het soort morele uitsluiting waarnaar populisten zelf vaak grijpen (in de trant van: ‘wij goede demoraten willen niet samen met populisten op tv’ of ‘als er in het parlement een populist aan het woord komt, loop ik naar buiten,’, enz.). Dat is dom, zowel in strategisch als – minder in het oog springend – in moreel opzicht. Het is als strategie tot mislukken gedoemd omdat het alleen maar bevestigt wat populisten hun aanhang steeds voorhouden: dat de corrupte elite nooit naar hen luistert of bepaalde zaken niet ter discussie durft te stellen. (En niet in de laatste plaats dat deze elites tegen de populisten samenspannen om hun onverdiende voorrechten te beschermen: ‘Eén tegen allen, allen tegen één’.)
Ook vanuit democratisch oogpunt kleeft er een groot bezwaar aan deze aanpak: zeker als de populisten al in het parlement zitten en je sluit hun partij uit van het debat, dan sluit je ook al hun kiezers daarvan uit. En zoals hierboven gezegd: je mag er niet van uitgaan dat alle kiezers van populistische partijen overtuigde antipluralisten zijn die de regels van het democratische spel afwijzen.
En dan is er het andere uiterste: in plaats van de populisten uit te sluiten of te negeren, ga je achter ze aan hollen. Maar hoe hard je ook holt, je haalt ze natuurlijk nooit in. Wat je als zogenaamde ‘politicus van het midden’ ook over immigratie zegt, het zal toch nooit genoeg zijn voor partijen als Alternative für Deutschland of de Deense Volkspartij. Maar ook hier is het probleem niet alleen strategisch van aard, ook hier speelt een normatieve kwestie mee. Het imiteren van populisten vloeit immers vaak voort uit de hierboven genoemde misvatting over democratische vertegenwoordiging. Dan gaat men er simpelweg van uit dat de populisten eindelijk de ware politieke voorkeuren van veel burgers blootleggen, in plaats van te beseffen dat politieke vertegenwoordiging een dynamisch proces is. Denk weer aan Trump: veel Europeanen zullen op 8 november 2016 met enig leedvermaak hebben vastgesteld dat hun lang gekoesterde vermoeden over de VS nu officieel was bevestigd: het is een land met 63 miljoen racisten! Maar zoals enkele sociale wetenschappers al snel zeiden: er zijn genoeg racisten in de VS, maar racisme kan de zege van Trump niet volledig verklaren. Sommige kiezers hebben op Trump gestemd nadat ze dat eerder twee keer op Obama hadden gedaan.
Er is geen andere keuze dan met populisten de strijd aan te gaan. Maar praten met populisten wil nog niet zeggen dat je moet praten áls een populist. Je hoeft hun beschrijving van politieke, economische en sociale problemen niet over te nemen om in debat met hen overeind te blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat een hele reeks standpunten waar links grote moeite mee heeft, binnen een democratie niettemin toelaatbaar zijn – en dat je zulke standpunten moet bestrijden met feiten en de best mogelijke argumenten, niet met het polariserende verwijt van ‘populisme’. Anderzijds, wanneer populisten zichzelf nadrukkelijk als populist manifesteren – dat wil zeggen: als ze het recht van spreken van hun tegenstander of van bepaalde burgers in twijfel proberen te trekken of vraagtekens plaatsen bij de regels van het democratische spel – dan is het van groot belang dat andere politici daar een grens trekken. Denk weer even terug aan die eerste keer dat de ‘gevestigde orde’ niet voor de ‘golf’ van het populisme bezweek: Oostenrijk. De winnende kandidaat wist in zijn campagne veel kiezers te mobiliseren door duidelijk te maken dat zij niet alle programmapunten van de Groenen hoefden te onderschrijven om op hem te stemmen; ze moesten het er alleen mee eens zijn dat de extreemrechtse kandidaat een reële bedreiging voor de Oostenrijkse democratie vormde. Nog belangrijker was dat kiezers door zijn campagne werden gestimuleerd om uit hun vertrouwde kringetje te stappen, om in dialoog te gaan met mensen uit andere milieus met wie ze anders niet snel in contact kwamen – en vooral om dan niet al na vijf minuten met verwijten van ‘racisme’ en ‘fascisme’ te smijten.
Ook dit is misschien alleen vrome hoop van de theoretici. Uit sociologisch onderzoek blijkt vaak dat de zogenaamde contacthypothese te mooi is om waar te zijn: contact met mensen die sterk van ons verschillen is op zichzelf nog niet genoeg om tolerantie en respect voor pluralisme te kweken. Maar alles wat kan helpen om de populistische fantasie van een volledig verenigd en homogeen volk te ontkrachten, is meegenomen. In tegenstelling tot wat links soms gelooft, is niet alles wat populisten zeggen per se leugenachtig of demagogisch, maar hun zelfgeschapen imago berust uiteindelijk wél op een leugen: dat er één ondeelbaar volk is waarvan alleen zij de wil vertolken. Om ze te bestrijden, is het nodig die cruciale claim te doorzien en te ontkrachten.
Auteur: Jan-Werner Müller
Vertaler: Frank Lekens
‘Understanding the populist turn’. Grote Zaal Frascati, 2 juni 15.00
Het in 1994 opgerichte non-profit contentdistributiemodel voorziet lezers uit alle windstreken van originele, boeiende en tot nadenken stemmende commentaren van schrijvers en denkers die de economie, politiek, wetenschap en cultuur van de wereld vormgeven.
Achtentwintig jaar na de val van de Berlijnse muur kampen de landen van Oost-Europa nog steeds met de nasleep van hun geschiedenis. Dat verklaart waarom zij de Europese crises op een heel andere manier ervaren, volgens de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.
Wat kunnen collega’s in het Westen leren van een Oost-Europese politicoloog zoals u?
Ivan Krastev: ‘Mijn boek After Europe is bedoeld als een Oost-Europese visie op de crisis, of misschien moet ik zeggen de crises, die de EU nu al tien jaar lang in hun greep houden. Ik wilde laten zien dat er in Europa niet alleen een scheidslijn loopt tussen links en rechts, tussen noord en zuid, tussen de grote en de kleine landen, tussen degenen die méér Europa willen en degenen die minder (of helemaal geen) Europa willen, maar ook tussen degenen die uit eigen ervaring weten wat desintegratie is en degenen die deze desintegratie alleen kennen uit de geschiedenisboeken. En dat een van de diepste scheidslijnen van Europa de kloof is tussen de mannen en vrouwen van Oost-Europa die de ineenstorting van het communisme en het uiteenvallen van het ooit zo machtige Warschaupact hebben meegemaakt – of ze nu blij waren met de val van het oude regime of niet – en de inwoners van West-Europa die deze traumatische gebeurtenissen niet hebben ondergaan.
Die ervaring verklaart het radicale verschil tussen de opvattingen over de huidige Europese crisis die in Parijs of in Boedapest te beluisteren zijn. Kort gezegd: de Oost-Europeanen volgen de ontwikkelingen met grote ongerustheid, zelfs een zekere angst, terwijl de West-Europeanen koppig blijven geloven dat alles wel goed zal komen. Maar de Oost-Europeanen kunnen vanuit hun persoonlijke ervaring niet de ogen sluiten en blijven hopen dat alles wel goed komt. Natuurlijk is het onzinnig om de huidige crisis van de EU te vergelijken met de crisis die het Sovjetblok indertijd heeft doorgemaakt, maar toch is het bijna onvermijdelijk dat wat er vandaag gebeurt veel Oost-Europeanen pijnlijk herinnert aan wat ze al eerder hebben meegemaakt. En dat gevoel van déjà vu verklaart de paradox dat de Oost-Europeanen het meest pro-Europa zijn en tegelijkertijd het meest pessimistisch over de kans dat de EU zichzelf uit de crisis zal kunnen redden.’
Westerse lezers van uw boek worden getroffen door uw droefheid, vooral om die bejaarde ouders die eenzaam wegkwijnen in hun bouwvallige appartementje in Oost-Europa. Hebt u nog meer redenen om treurig en sceptisch te zijn?
‘Een van de dramatische gevolgen van de migratiecrisis voor de Oost-Europese samenlevingen is de demografische paniekgolf die is opgekomen. Neem Bulgarije: de afgelopen 25 jaar heeft zo’n 10 procent van onze medeburgers het land verlaten, op zoek naar werk in het buitenland. Volgens voorspellingen van de Verenigde Naties zal de Bulgaarse bevolking in 2050 met 27 procent zijn afgenomen. Deze vrees voor de ‘etnische verdwijning’ leeft ook in veel andere kleine Oost-Europese landen. Voor hen is de komst van de migranten een teken dat zijzelf uit de geschiedenis verdwijnen. Op televisie zien we oudere mensen protesteren tegen de komst van migranten in hun leeggelopen dorpen waar al decennialang geen kinderen meer worden geboren, en ons hart doet pijn voor beide partijen – voor de migranten, maar ook voor die oudjes, die hun wereld voor hun ogen uiteen zien vallen. Voor hen werkt de natie, net zoals God, als een buffer tegen de fysieke verdwijning.
In Bulgarije heeft de massale emigratie van voornamelijk 25- tot 50-jarigen dramatische gevolgen gehad voor de economie, maar ook voor de politiek. Wat in 1989 begon als een democratische revolutie, is gevolgd door een demografische contrarevolutie. Als deze trend niet verandert zal het bbp van de landen van Midden- en Oost-Europa tussen 2015 en 2030 met zo’n 9 procent dalen, volgens schattingen van het IMF. De werkgevers in de regio beklagen zich voortdurend over het gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten. Goed opgeleide verpleegkundigen gaan liever een veelvoud van hun salaris verdienen door in Londen voor één gezin te zorgen dan dat ze in hun eigen land hun vak uitoefenen. Wij blijven maar klagen dat Bulgarije de afgelopen jaren slechte leiders heeft gehad, maar we zouden ons eens moeten afvragen of dat niet ook een gevolg is van de massa-emigratie. Waarom zou iemand die wil vertrekken zich nog druk maken over het welslagen van hervormingen in zijn eigen land? Hij wil vooral de koers van zijn eigen leven veranderen en interesseert zich niet meer voor het leven van anderen.’
In deze tijd van migratie functioneert de democratie steeds meer als een instrument van uitsluiting en niet van integratie
Er wordt nu gesproken over de terugkeer van het fascisme in Europa.
‘De nieuwe revolutie van de eenentwintigste eeuw is de migratie. Dat is geen opstand van de massa’s, zoals die van de twintigste eeuw, maar een opstand van individuen en hun gezinnen tegen de grenzen. Die revolutie wordt niet aangewakkerd door ideologische discussies over een stralende toekomst, maar door foto’s op internet van het leven aan de andere kant van de grens. Verandering betekent voor een groeiend aantal mensen op de wereld niet meer veranderen van regering maar veranderen van land.
Net als bij alle revoluties is ook bij deze het probleem haar vermogen om een contrarevolutie op te roepen. In ons geval heeft ze al de reacties opgeroepen van de “bedreigde meerderheden” in het hart van de Europese politiek. Die mensen vrezen dat de buitenlanders hun land overlopen en hun manier van leven bedreigen. Zij zijn ervan overtuigd dat de huidige crisis het gevolg is van een samenzwering tussen de geglobaliseerde elites en de migranten met hun stammencultuur.
In deze tijd van migratie functioneert de democratie steeds meer als een instrument van uitsluiting en niet van integratie. Het belangrijkste kenmerk van de meeste rechts-populistische partijen in Europa is dat zij niet conservatief of nationalistisch zijn, maar reactionair. Dit offensief van de “bedreigde meerderheden” in Europa doet het meest vrezen voor een terugkeer naar de jaren dertig van de vorige eeuw.’
Auteur: Iuliana Metodieva
Vertaler: Annemie de Vries
Niet-commerciële informatieve website die zich richt op mensenrechten, en dan vooral op de integratie van de Roma. De site wordt onderhouden door Iuliana Metodieva en Emil Cohen, die bekendstaan om hun betrokkenheid bij dit onderwerp.
Xia Ming, hoogleraar politieke wetenschappen in New York, schetst een portret van zijn voormalige studiegenoot Wang Huning, de belangrijkste adviseur van de Chinese president.
Hij heeft zich weten te onderscheiden in een vijver van 1,4 miljard mensen, en dat verdient op zichzelf al respect! Of je nu met de prins of de tijger optrekt, het is één pot nat. Wang Huning heeft zich aangepast aan de politieke zeden van Zhongnanhai, de zetel van de Chinese regering, om er drie generaties monarchen te dienen. Dankzij zijn grote kennis van het raderwerk van de staat is hij steeds verder opgeklommen, een onmiskenbaar teken van zijn opmerkelijke intellectuele en emotionele kwaliteiten. Maar weinig mensen zullen die kwaliteiten betwisten: hij is een innemende man die in staat is om een missie tot een goed einde te brengen en problemen op te lossen, en hij loopt niet met zijn talenten te koop. Toch gaan we hier proberen zijn profiel wat verder uit te diepen.
Ik heb Wang Huning veelvuldig meegemaakt tussen 1981 en 1991 op de faculteit voor Internationale politiek van de Fudan-universiteit in Shanghai. In die tijd verkeerde hij nog niet in de hoogste kringen, zodat het mogelijk was zijn ware gezicht en zijn werkelijke karakter te zien. En ook al heb ik een jaar of twintig geen direct contact meer met hem gehad, ook daarna heb ik zijn levensloop kunnen volgen aangezien onderzoek naar de Chinese politiek mijn vakgebied is.
Hervormingstendensen
We zaten op dezelfde faculteit en woonden beiden in gebouw nr. 7 op de campus van Fudan. In 1981, toen ik aan mijn bachelor begon, was Wang, die tien jaar ouder is dan ik, bezig met zijn master. Na zijn afstuderen werd hij docent op Fudan en in het studiejaar 1982-1983 heb ik colleges geschiedenis van het westerse politieke denken bij hem gevolgd. In die tijd volgde hij als docent nog het voetspoor van zijn eigen leermeester Chen Qiren, hoogleraar politieke economie en een orthodoxe marxistisch leninist.
Maar naarmate de belangstelling voor het westerse denken en de hang naar politieke hervormingen toenamen, wist Wang Huning zijn vergelijkend onderzoek naar politieke regimes steeds verder uit te breiden. In de jaren tachtig kwamen onze interessesferen dichter bij elkaar te liggen. Hij en mijn scriptiebegeleider waren in 1987 samen verantwoordelijk voor het ‘Politieke verslag van het dertiende Partijcongres van de Communistische Partij van China’. De tekst van Wang is getiteld ‘Scheiding van partij en staat’ en ik heb meegeschreven aan het hoofdstuk ‘Deconcentratie van machten’, twee typerende thema’s voor de hervormingstendensen in de jaren tachtig, waartoe Deng Xiaoping in 1979 de aanzet had gegeven.
We zijn allebei in 1984 lid geworden van de Communistische Partij van China en ik heb lange tijd tot dezelfde cel behoord als hij. Onze werkkamers waren trouwens maar een paar stappen van elkaar verwijderd. Tijdens mijn master hebben we vaak samengewerkt; ik heb bijvoorbeeld meegewerkt aan de redactie van enkele van zijn boeken, waaronder aan Fubai he fan fubai (‘Corruptie en strijd tegen corruptie’).
Maar in 1989 werden we ongewild tegenstanders. In februari van dat jaar liet de universiteit haar studenten ‘de beste jonge docent’ kiezen, en ik eindigde volgens een van mijn studenten, de vicevoorzitter van de studentenvereniging, op de eerste plaats. Maar als gevolg van een ‘democratische centralisering’ van de uitslagen, een ironische verwijzing naar de handelwijze van de Communistische Partij, was het Wang Huning die won. Kort daarna spatte de democratische studentenbeweging van 1989, bekend van het bloedig onderdrukte Tiananmenprotest, uit elkaar.
Wang had zonder aarzelen de kant van Partij en regering gekozen, terwijl ik de kant van de studenten koos. Van toen af aan hebben onze wegen zich gescheiden. Na deze gebeurtenissen besloot ik naar de Verenigde Staten te gaan om te promoveren, terwijl Wang aan zijn beklimming van de machtsladder begon.
In de ogen van de meeste mensen is Wang Huning een gevierde geleerde, maar in werkelijkheid draagt hij de littekens van zijn tijd met zich mee. Hij heeft proefschriften begeleid, maar zelf heeft hij nooit een bachelor gedaan en is hij nooit gepromoveerd [zie de bio onder aan de tekst].
Omdat Wang Huning geen klassieke opleiding heeft genoten, vertoont zijn onderzoek grote methodologische tekortkomingen en een gebrek aan conceptualisering. Wanneer hij bijvoorbeeld een historische ‘balans’ opmaakt van de corruptie in China, volstaat hij met een gedetailleerde en subjectieve beschrijving, zonder zich ooit (of vrijwel nooit) in oorzaak en gevolg te verdiepen. Dat heeft hem uiteindelijk vatbaar gemaakt voor de theorieën van de Chinese ‘nationale specificiteit’, al in zwang sinds het begin van de eenentwintigste eeuw, en van het ‘cultuurrelativisme’.
Desondanks heeft Wang Huning ontdekt hoe hij moet slagen. In zijn boek over corruptie onderkent hij de ‘alomvattende, allesoverheersende aard van de Chinese overheid’, die systematisch tot uitdrukking komt op elke positie binnen een complex hiërarchisch systeem. Gedurende zijn hele carrière heeft hij zijn ellebogen gebruikt om een begeerde positie te bereiken, om vervolgens de aan die positie verbonden voordelen te monopoliseren en de weg naar een nog hogere functie te vinden.
In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot “neo-autoritarisme” te vertonen
Wang is een typische apparatsjik. Hij is geboren in Shanghai in een familie van middelhoge ambtenaren en trouwde met een van zijn medestudenten, Zhou Qi, wier vader hoogleraar-onderzoeker was aan het Instituut voor Contemporain Internationaal Onderzoek in Beijing. Daarna begon een carrière die nauw verbonden was met het Partijapparaat.
Begin jaren tachtig behoorden de briljantste jonge onderzoekers op de campus van Fudan bijna allemaal tot het liberale kamp, dat economische en sociale hervormingen voorstond, en in mindere mate politieke hervormingen. Maar nadat tijdens een seminar van de filosofische faculteit van Fudan het marxistisch leninisme ter discussie was gesteld, werden ze het doelwit van een ‘campagne tegen geestelijke vervuiling’ die werd gelanceerd in 1983.
Toen Wang Huning in 1984 lid werd van de Partij, werd Wang Bangguo, hoofd van het onderzoekslaboratorium en de politicologische faculteit van Fudan, zijn mentor, met de bedoeling het liberale tij te keren. Met steun van hogerhand maakt Wang Huning daarna een bliksemcarrière. Hij werd de jongste universitair hoofddocent van Fudan. Dat was slechts de voorbode van talrijke andere roemrijke titels. Volgens sommigen is hij ‘gesmeed door de Partij’. Waarschijnlijk is in elk geval dat hij in die tijd de aandacht trok van Zeng Qinghong, destijds adviseur van Jiang Zemin in het stadhuis van Shanghai.
In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot ‘neo-autoritarisme’ te vertonen, een stroming die zowel economisch liberalisme als een moderne dictatoriale macht voorstond en het liberaal-democratische gedachtegoed een halt wilde toeroepen. Toen de democratische beweging in 1989 uit elkaar spatte, nam hij het op voor Jiang Zemin, die door de liberale intellectuelen werd bekritiseerd omdat hij in mei van dat jaar de Shijie Jingji Daobao (World Economic Herald) had gesloten, een van de eerste liberale kranten van China, met als motief dat deze de democratische beweging ‘begunstigd’ zou hebben. Na het bloedbad van 4 juni 1989 op het Tiananmenplein in Beijing is het aantal liberalen in universitaire en politieke kringen in China vrijwel gedecimeerd, door middel van repressie of verbanning.
Chinese Hegel
Voor een vertegenwoordiger van het neo-autoritarisme als Wang Huning openden zich nieuwe horizonten. Hij werd de architect en goochelaar van een steeds reactionairder politiek regime.
Wang was tamelijk sterk beïnvloed door het marxistisch leninisme en andere Europese politieke theorieën. Ik herinner me dat in zijn colleges over de geschiedenis van het westerse politieke denken zijn bewondering voor Plato doorklonk, de ‘koning van de filosofie’, en voor boeken als De vorst van Niccolò Machiavelli en Leviathan van Thomas Hobbes. Zijn masterscriptie ging over nationale soevereiniteit, een geliefd onderwerp van de Franse politiek filosoof Jean Bodin (1529-1596), die manieren bestudeerde om de koning te helpen zijn absolute macht te consolideren en een eind te maken aan het feodalisme van de middeleeuwen.
Hij was in zekere zin een Chinese Hegel, die het bestaan van een dictatoriaal regime verdedigde en van mening was dat ‘de staat zijn bestaan dankt aan de komst van God naar de wereld’ (Hegel, Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie, 1820). Maar hij was ook een Chinese Heidegger, de beroemde filosoof die de denker van het fascistische regime werd. En als je in het politieke verslag van het negentiende Congres van de Communistische Partij van China, gepubliceerd in november 2017, de passage over de grote strijd, de grote werken en de grote dromen leest, te verwezenlijken door de Partij, moet je onwillekeurig ook aan een andere Duitse nazifilosoof denken, Carl Schmitt (1888-1985), voor wie ‘het specifieke politieke onderscheid het verschil tussen vriend en vijand is’. Met andere woorden, het belangrijkste van alles is om te weten wie er aan jouw kant staat en wie tot degenen behoort die bestreden moeten worden. Zonder deze potentieel dodelijke strijd zou de politiek niets voorstellen.
Het is niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar “een sterk leger voor een sterk land” uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren
In zijn boek Meiguo fandui meiguo (Amerika tegen Amerika) uit 1991 poneert Wang Huning duidelijk voor welke uitdaging Azië naar zijn idee staat: dat Japan, het Land van de Rijzende Zon, de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog zware militaire klappen heeft toegebracht, en zware economische klappen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, komt volgens hem doordat het individualisme, het hedonisme en de democratie zijn overwonnen door collectivisme, zelfopoffering en autoritarisme. Ziedaar de waarden en de historische ontknoping van de droom van een ‘rood Rijk van de Rijzende Zon’ dat hij samen met Xi Jinping wil realiseren.
Momenteel is het niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar ‘een sterk leger voor een sterk land’, waarvoor het politieke verslag van het negentiende Congres onder de bezielende leiding van Wang Huning pleit, en het idee dat ‘de Partij almachtig is in het hele land’, uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren. Toch schrijft Wang Huning in zijn boek Zhengzhi di rensheng (Een politiek leven) uit 1994: ‘Het is verschrikkelijk dat wij meestal niet in staat zijn lering te trekken uit de gruwelen van het verleden.’ Volgens sommigen is Wang Huning het prototype van een geleerde in regeringskringen die liever in de schaduw vertoeft. Hij heeft misschien ongefundeerde verwachtingen gewekt, maar hij heeft zich nooit de ideeën van Socrates toegeëigend, die een ‘paardenvlieg voor Athene’ wilde zijn en een ‘wereldburger’ (Plato, Apologie van Socrates). Zijn kritische geest is slechts op één ding gericht: het door het slijk halen van de westerse mogendheden. Wellicht zal hij er ooit in slagen herboren te worden en zichzelf te overstijgen door een eind te maken aan de symbiotische relatie die hij met de totalitaire machthebbers onderhoudt en China in een meer liberale en democratische richting kunnen stuwen.
Toen ik in 1991 toestemming vroeg om Fudan te verlaten en in de Verenigde Staten te gaan studeren, zei Wang Huning me drie dingen: ten eerste dat hij zich niet tegen mijn vertrek zou verzetten; ten tweede dat de VS een grote machine was waarvan je absoluut het ritme diende te volgen om niet vermorzeld te worden; en ten derde dat zolang hij invloed had op Fudan, hij me altijd zou terugnemen als ik dat zou willen. Het eerste punt betrof een gunst aan mijn adres, het tweede was een nuttig advies en het derde zal me naar ik hoop nog eens van pas komen.
In ‘Een politiek leven’ schrijft Wang Huning: ‘De politieke belofte is een begrip dat nadere uitwerking verdient; het is misschien het logische beginpunt voor het creëren van een politieke filosofie in China.’ Maar dit voornemen mag geen pact van Faust met de duivel worden. Noch op persoonlijk vlak, noch wat het land betreft.
Duanchuanmei is een Chinese website, opgezet in 2015 door de advocaat Will Cai, die in Hongkong de kritiek kreeg dat hij op al te goede voet zou staan met Xi Jinping.
Wat doe je als, zoals in Polen, een populistische partij democratisch aan de macht komt? Met passie je waarden verdedigen, schrijft Ivan Krastev, maar ook je gevoel voor verhoudingen bewaren.
Keuze uit het archief
Afgelopen zondag vonden in Polen, Roemenië en Portugal verkiezingen plaats. Op 1 juni zullen in Polen de rechts-conservatieve kandidaat Karol Nawrocki en de links-liberale kandidaat Rafał Trzaskowski het tegen elkaar opnemen in de tweede en definitieve stemronde. De Polen staan voor de keuze tussen de populistische en nationalistische partij PiS en de liberale partij Platforma Obywatelska.
Wat nu als PiS de verkiezingen wint, een partij die erom bekendstaat dat ze de afgelopen acht jaar de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van rechters en media probeerde uit te hollen? Politiek waarnemer Ivan Krastev legt in dit artikel uit 2018 van The New York Times uit wat je in ieder geval niet moet doen: de tactieken van rechts overnemen waarbij populisten juist gedijen.
De tv-film Burning Bush uit 2014 van de legendarische Poolse filmmaakster en Solidariteit-activiste Agnieszka Holland was een van de belangrijkste culturele evenementen van de laatste jaren in Midden-Europa. Het is een thriller die zich afspeelt in 1969, kort nadat de Tsjechische student Jan Palach zichzelf in brand heeft gestoken uit protest tegen de Sovjetbezetting van zijn land en om de aandacht te vestigen op de pogingen van de autoriteiten om het leven in Tsjecho-Slowakije daarna te ‘normaliseren’. Palach wilde met zijn daad een eind maken aan deze banalisering van het kwaad.
Drie jaar na het verschijnen van de film, in de middag van 19 oktober, stak de 54-jarige Piotr S., vader van twee kinderen, zichzelf in brand voor het Cultuurpaleis in Warschau, dat nog uit de Sovjettijd dateert. Het protest van S. was gericht tegen het beleid van de uiterst rechtse Poolse regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid, die in zijn ogen een dodelijk gevaar vormde voor de democratie in Polen. In een pamflet dat hij voor zijn zelfmoord uitdeelde, was hij vastberaden: ‘Ik heb de vrijheid boven alles lief en daarom heb ik besloten mezelf op te offeren; ik hoop dat mijn dood het geweten van veel mensen wakker zal schudden.’
Ik weet niet of Piotr S. ooit Burning Bush heeft gezien, maar zijn daad was zeker een echo van het offer dat Jan Palach bijna een halve eeuw eerder had gebracht. De zelfverbranding van S. leidde in Polen tot verhitte discussies. Volgens sommigen was zijn zelfmoord eerder het gevolg van een depressie dan van de politiek. Anderen vreesden dat dit de aanzet was tot een golf van dergelijke zelfmoorden en vonden dat de media niet over deze choquerende daad moesten berichten. En dan waren er nog degenen, onder wie Agnieszka Holland zelf, die S. op het schild hieven als de ware opvolger van Palach, en zijn gebaar zagen als een wanhopige poging om de Polen de ernst van de huidige situatie duidelijk te maken. ‘Vuur vernietigt,’ zegt Holland, ‘maar het verlicht ook. Net als woede.’
Lastige vragen
Dit Poolse debat onderstreept de lastige vragen waarmee de tegenstanders van populistisch rechts zich geconfronteerd zien: wat is de beste manier om te strijden tegen een regering die je verafschuwt, maar die niemand heeft vermoord, slechts weinigen (of misschien wel niemand) gevangen heeft gezet en die op een legale manier aan de macht is gekomen – maar wel een bedreiging vormt voor de liberale democratie zoals wij die kennen? Waar trek je de grens tussen leven in een democratie waarin de partij die jij verschrikkelijk vindt de vrije verkiezingen heeft gewonnen, en leven in een dictatuur waarin de oppositie misschien nooit meer wordt toegestaan om te winnen? Is de ‘normalisatie’ van populisten de grootste bedreiging voor Europa, of moeten we ook de hysterie van hun tegenstanders vrezen? En kunnen de vormen van verzet die effectief waren tegenover de communistische en fascistische dictaturen ook effect hebben tegenover de democratisch gekozen, onliberale regeringen van vandaag?
Helaas zijn er in de geschiedenis niet veel antwoorden op deze vraag te vinden. De herinneringen van degenen die de jaren dertig van de vorige eeuw overleefden – een heel goed voorbeeld is Kanttekeningen bij Hitler van Sebastian Haffner – waarschuwen voor het gevaar dat een dictatuur genormaliseerd raakt, zeker wanneer de nieuwe dictator door het volk is gekozen. Dat klinkt logisch. Maar er is ook een veelzeggend tegenvoorbeeld: in de jaren zeventig waren jonge linkse radicalen zo geobsedeerd door hun idee dat er geen grote verschillen bestonden tussen nazi-Duitsland en de naoorlogse Bondsrepubliek, dat ze totaal verkeerde keuzes maakten en soms uiteindelijk terroristen werden en vijanden van de democratie.
Wat kunnen we hieruit leren? Wie de grens wil trekken tussen democratie en dictatuur moet de passie en de bereidheid hebben om zijn waarden te verdedigen. Maar hij of zij moet ook gevoel voor verhoudingen bezitten.
Het populisme gedijt wanneer de politiek meer over symbolen gaat dan over inhoud
Verzet tegen de huidige populistische regeringen is vooral moeilijk omdat de winst van deze populisten in de democratische politiek allereerst een overwinning is van intensiteit op consistentie. Het populisme gedijt wanneer de politiek meer over symbolen gaat dan over inhoud. De harde kern van de populistische kiezers – in Polen en elders – zal het haar leiders gemakkelijk vergeven als maatregelen mislukken of ze van koers veranderen. Maar die kiezers pikken het niet wanneer hun populistische kruisvaarders zich als ‘normale politici’ gaan gedragen. Daarom past het doen alsof we terug zijn in het Duitsland van de jaren dertig of in het Oost-Europa van de jaren zeventig paradoxaal genoeg prima in het straatje van de populisten.
Anders dan hun fascistische voorgangers streven de populisten van vandaag niet naar een verandering van de samenleving. Zij willen dat die wordt behouden en bevroren. Zij staan voor het verzet tegen de veranderingen in het moderne leven – technologische, economische en demografische – die gezien worden als een permanente revolutie. En de enige oplossing die ze te bieden hebben, is afbraak. Zo combineren de huidige populisten een revolutionaire intensiteit met een zeer magere ideologie.
Toen Piotr S. zichzelf in brand stak, wilde hij iets doen tegen de normalisatie van het huidige regime in Polen, een regime dat hij kennelijk bijna even gevaarlijk vond als het communistische regime dat eraan voorafging. Maar wat hij niet zag was dat de populisten van vandaag, anders dan de communisten uit de jaren zeventig, niet op zoek zijn naar normalisatie – ze zijn er bang voor. Na vele maanden van protesten in Polen is de steun voor de regering alleen maar toegenomen. De regeringspartij wil de samenleving juist diep gepolariseerd houden. Die verdeeldheid en die hoge inzet imiteren is niet de manier om de populisten te verslaan.
Yanis Varoufakis is bepaald geen fan van de huidige EU, die hij een mislukte federatie noemt. Maar als Groot-Brittannië de unie verlaat, opent dat volgens de voormalige Griekse minister van Financiën de deur voor xenofoben, nationalisten en tegenstanders van democratische soevereiniteit.
Het allereerste Duitse woord dat ik leerde was ‘Siemens’. Dat stond als logo op onze robuuste koelkast uit de jaren vijftig, onze wasmachine, onze stofzuiger – op bijna ieder apparaat in mijn ouderlijk huis in Athene. De reden voor die specifieke trouw aan dat Duitse merk was mijn oom Panayiotis. Een germanofiele elektro-ingenieur, die vanaf halverwege de jaren vijftig tot eind jaren zeventig directeur was van Siemens in Griekenland.
In de vroege ochtend van 21 april 1967 rolden op bevel van vier legerkolonels tanks door de straten van Athene en andere grote steden, en was ons land al snel gehuld in een dikke mist van neofascistische treurnis. Dat was de dag waarop de wereld van mijn oom instortte. Anders dan mijn vader, die eind jaren veertig met enkele jaren concentratiekamp had geboet voor zijn linkse ideeën, was Panayiotis wat tegenwoordig een neoliberaal wordt genoemd. Fanatiek anticommunistisch, wantrouwend ten opzichte van de sociaaldemocratie, had hij de Amerikaanse interventie gesteund in de Griekse burgeroorlog in 1946. Met zijn politieke ideeën en zijn positie als directeur van Siemens Griekenland behoorde hij tot de naoorlogse heersende klasse in Griekenland. Toen troepen van de staatsveiligheidsdienst of hun stromannen linkse demonstranten in elkaar sloegen en zelfs een briljant parlementslid, Grigoris Lambrakis, vermoordden, keurde hij dat schoorvoetend goed, onaangenaam maar noodzakelijk.
De grote invloed van de Amerikaanse veiligheidsdiensten in de Griekse politiek in 1965 vond Panayiotis een aanvaardbare ruil: Griekenland had enige soevereiniteit aan westerse mogendheden overgedragen in ruil voor de bescherming tegen de dreiging van het Oostblok dat aan Griekenlands noordgrens lag. Op die grauwe dag in april werd zijn leven op zijn kop gezet. Hij kon simpelweg niet verdragen dat ‘zijn’ mensen het parlement ontbonden, de grondwet opschortten en potentiële dissidenten (inclusief rechtse democraten) interneerden in voetbalstadions, politiebureaus en concentratiekampen.
Ondergronds
Dat leidde bij hem tot een razendsnelle, bijna komisch aandoende radicalisering. Enkele maanden nadat de kolonels de macht hadden gegrepen, sloot hij zich aan bij een ondergrondse beweging, Democratische Verdediging, die voornamelijk bestond uit liberalen uit de elite zoals hij – hoogleraren, advocaten en zelfs een toekomstig premier. Ze plaatsten bommen in Athene, waarbij ze ervoor zorgden dat er geen slachtoffers vielen, om te laten zien dat de kolonels niet alles onder controle hadden.
Enkele jaren leek Panayiotis – zelfs voor zijn eigen moeder – een van de vele intellectuelen die zich gedeisd hielden, zich niet met anderen bemoeiden. Niemand wist van zijn dubbelleven.
Ik herinner me nog steeds het krakende geluid van een radio, verborgen onder een rode deken in het midden van de woonkamer. Iedere avond, om een uur of negen, kropen mijn vader en moeder samen onder de deken – en na de gedempte jingle waarmee het programma begon, gevolgd door de stem van de Duitse omroeper, reisde mijn zesjarige fantasie van Athene naar Midden-Europa. Deutsche Welle, de Duitse internationale radiozender, werd de dierbaarste bondgenoot van mijn ouders tegen de staatspropaganda: een venster op het democratische Europa.
De reden voor die rode deken was de chagrijnige oude buurman Gregoris, van wie bekend was dat hij banden had met de geheime politie en graag mijn vader bespioneerde. Hoe vreemd het nu ook mag klinken, het luisteren naar de Deutsche Welle kwam op de lange lijst te staan van activiteiten waarop straffen stonden, die varieerden van intimidatie tot marteling. Nadat mijn ouders Gregoris hadden betrapt toen die in onze achtertuin rondsloop, namen ze geen enkel risico meer.
Enkele jaren later kregen we via de Deutsche Welle te horen waar Panayiotis en zijn collega’s mee bezig waren geweest: er werd bekendgemaakt dat ze allemaal waren gearresteerd. Al een paar uur nadat een lid van de Democratische Verdediging bij toeval was opgepakt, werd de rest van de beweging ook opgerold. De politie hoefde alleen maar de agenda van de eerste man te lezen, want daarin stonden alle namen en adressen van zijn kameraden. Martelingen, de krijgsraad en lange gevangenisstraffen – in sommige gevallen de doodstraf – volgden.
Een jaar nadat Panayiotis was opgepakt, versoepelde de militaire politie die hem vasthield zijn isolatieregime, door toe te staan dat ik als tienjarige één keer per week bij hem op bezoek mocht. Onze toch al sterke band werd hechter door de gesprekken die we daar voerden als jongens onder elkaar, en die hem wat afleiding bezorgden. Hij vertelde me over apparaten die ik nog nooit had gezien (computers noemde hij ze), vroeg naar de nieuwste films, beschreef zijn lievelingsauto’s. In afwachting van mijn bezoekjes bouwde hij met lucifers en ander materiaal dat hij van de bewakers mocht hebben modelvliegtuigjes voor mij. Vaak had hij daarin een boodschap voor mijn tante verborgen, of voor mijn moeder, en soms zelfs voor zijn collega’s bij Siemens. Lange tijd na zijn dood vond ik op zolder bij mijn ouders nog een lucifermodel van een Stuka-duikbommenwerper. En daar stond het, een enkel woord gericht tot niemand in het bijzonder: kyriarchia. Soevereiniteit.
Bezoek aan Berlijn
Het was bijna vijftig jaar na die avonden onder de rode deken dat ik in februari 2015 als Griekse minister van Financiën mijn eerste officiële bezoek aan Berlijn bracht. Mijn eerste bezoekadres was het ministerie van Financiën, voor een ontmoeting met de legendarische dr. Wolfgang Schäuble. Voor hem en zijn paladijnen was ik een lastpak. Onze linkse regering was gekozen op een programma dat, op zijn zachtst gezegd, niet zo goed paste in kanselier Merkels plannen om de eurozone op orde te houden. Ons succes was inderdaad een nachtmerrie voor Berlijn. Als wij erin zouden slagen er een nieuwe overeenkomst uit te slepen om de eindeloze recessie te stoppen die ons land in haar greep hield, zou die Griekse linkse ‘ziekte’ zich natuurlijk gaan verspreiden.
Toen ik van Berlijns luchthaven Tegel dichter bij het oude hoofdkwartier van Goerings ministerie van Luchtvaart kwam – waar nu het ministerie van Financiën zetelt – vroeg ik me af of mijn gastheer zich zou kunnen voorstellen dat mijn hoofd vol zat met jeugdherinneringen waarin Duitsland een belangrijke vriend was. Eenmaal in het gebouw werden mijn assistenten en ik snel in een grote lift geleid. De lift kwam uit op een lange kille gang aan het einde waarvan de belangrijke man zat te wachten in zijn rolstoel. Mijn uitgestoken hand negeerde hij, en hij ging me resoluut voor zijn kantoor in. Hoewel mijn relatie met Schäuble in de loop der maanden hartelijker werd, stond die geweigerde hand symbool voor wat er mis is met Europa. Het was het symbolische bewijs dat Europa enorm was veranderd in de halve eeuw die sinds de tijd van de rode deken was verstreken.
Voor mijn ouders was de Deutsche Welle een venster op democratisch Europa
Een week na mijn ontmoeting in Berlijn ontmoetten Schäuble en ik elkaar opnieuw, maar nu aan de lange rechthoekige tafel van de Eurogroep, het beleidsbepalende orgaan van de eurozone waarin de ministers van Financiën zitting hadden, plus de vertegenwoordigers van de trojka – de ECB, de Europese Commissie en het Internationaal Monetair Fonds. Toen ik namens onze regering had gepleit voor een wezenlijke heronderhandeling over het zogenaamde ‘Griekse economische programma’, dat voornamelijk door de trojka was bedacht, verbijsterde dr. Schäuble me met een reactie die iedere democraat de rillingen op de rug zou moeten bezorgen: ‘Verkiezingen mogen niet het economische programma van een staat veranderen!’
Tijdens een pauze in die tien uur durende vergadering, waarin ik mijn uiterste best had gedaan om enige economische soevereiniteit terug te winnen voor mijn murw gebeukte parlement en ons lijdende volk, probeerde een andere minister van Financiën me te troosten: ‘Yanis, je moet begrijpen dat geen enkel land tegenwoordig nog soeverein is. Vooral niet zo’n klein en bankroet land als het jouwe.’ Die redenering is waarschijnlijk de verderfelijkste denkfout die het publieke debat in onze moderne liberale democratieën heeft vergiftigd. Het betekent in feite dat soevereiniteit passé is, behalve voor de VS, China of misschien Poetins Rusland. In dat geval kun je net zo goed je land weggeven aan een transnationale statenbond waarin je eigen parlement klakkeloos de besluiten van de bond goedkeurt. Het interessante is dat dit argument niet alleen geldt voor kleine bankroete landen als Griekenland, gevangen in een slecht ontworpen eurozone. Diezelfde giftige wijsheid wordt tegenwoordig verkondigd in Engeland – waarschijnlijk als doorslaggevend argument om in de EU te blijven.
Het probleem ontstaat zodra het onderscheid tussen soevereiniteit en macht vervaagt. Soevereiniteit gaat over wie rechtmatig besluiten neemt namens het volk, terwijl macht het vermogen is om die besluiten op te leggen aan de wereld eromheen. IJsland is een heel klein land; maar de bewering dat IJslands soevereiniteit een illusie is omdat het land te klein is om die macht te hebben, is net zoiets als de bewering dat een arm iemand zonder politieke invloed net zo goed zijn stemrecht kan opgeven.
Om het iets anders te formuleren: kleine soevereine staten zoals IJsland kunnen keuzes maken binnen de bredere beperkingen die de natuur en de rest van de mensheid voor hen hebben gecreëerd. Hoe beperkt die keuzes ook zijn, de burgers van IJsland behouden de absolute autoriteit om hun gekozen vertegenwoordigers verantwoording af te laten leggen voor de beslissingen die ze hebben genomen (binnen de externe beperkingen van het land), en om ieder stuk wetgeving in te trekken waar die vertegenwoordigers in het verleden toe hebben besloten.
Een statenbond zoals de EU kan natuurlijk tot onderling gunstige afspraken komen, zoals een militair defensief verbond tegen een gemeenschappelijke vijand, samenwerking tussen nationale politiediensten, open grenzen, de instelling van een vrijhandelszone. Maar zo’n bond kan nooit legitiem de soevereiniteit van een van de lidstaten opheffen of terzijde schuiven op basis van de beperkte macht die het toebedeeld heeft gekregen van de soevereine staten die overeen zijn gekomen in zo’n bond te participeren. Daar zou tegen ingebracht kunnen worden dat de EU over onberispelijke democratische geloofsbrieven beschikt. De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders, de Eurogroep uit de ministers van Financiën van de eurozone. Al die vertegenwoordigers zijn natuurlijk democratisch gekozen. Verder is er ook nog het gekozen Europese Parlement. Maar die redenering laat zien hoe diep de Europese waardering van de grondbeginselen van de liberale democratie is gezonken. Ook hierbij begaat men de cruciale vergissing om politieke autoriteit te verwarren met macht.
Een parlement is soeverein – ook al betreft het geen machtig land – als het de uitvoerende macht kan ontslaan. Dat is in de EU niet mogelijk. Hoewel de leden van de Europese Raad en de Eurogroep van ministers van Financiën gekozen politici zijn, die in theorie verantwoording schuldig zijn aan hun nationale parlement, hoeven de Europese Raad en de Eurogroep zelf geen verantwoording af te leggen aan welk parlement dan ook, dus aan geen enkele kiezer in de EU.
De Eurogroep, waar voor Europa de belangrijkste economische beslissingen worden genomen, is een orgaan dat zelfs niet eens bestaat in de Europese wetgeving, dat geen notulen bijhoudt van zijn procedures en hecht aan de vertrouwelijkheid van het overleg. Het orgaan handelt, om met Thucydides te spreken, op basis van het motto ‘de sterken doen wat hun goeddunkt en de zwakken moeten daaronder lijden’. Het is een structuur die is ontworpen om iedere soevereiniteit die wordt ontleend aan de burgers van Europa uit te sluiten.
Ik heb Schäuble een keer voorgehouden dat wij, als de gekozen vertegenwoordigers van een continent in crisis, niet kunnen buigen voor niet-gekozen bureaucraten; we hebben de plicht om overeenstemming te bereiken. Hij antwoordde dat het naar zijn mening het belangrijkste is dat we de bestaande ‘regels’ respecteren. En omdat die regels alleen kunnen worden uitgevoerd door technocraten, moest ik met hen gaan praten. Telkens als ik probeerde de regels ter discussie te stellen die duidelijk niet uitgevoerd konden worden, was steevast de reactie: ‘Maar het zijn de regels!’
Corruptie
Er is een reden dat ik dit artikel begon met het verhaal van mijn oom Panayiotis. Dat komt door een vraag die me door een journalist werd gesteld tijdens de persconferentie na mijn eerste ontmoeting met dr. Schäuble, over een schandaal dat enkele jaren daarvoor was losgebarsten, toen uit een Amerikaans onderzoek bleek dat een zekere Michalis Christoforakos, een opvolger van mijn oom bij Siemens, Griekse politici omkocht om voor Siemens overheidscontracten binnen te halen. Toen de Griekse justitie de zaak begon te onderzoeken, verdween de man meteen naar Duitsland, waar de rechter zijn uitlevering voorkwam.
‘Minister,’ zei de journalist, ‘hebt u druk uitgeoefend op uw Duitse collega dr. Schäuble om Christoforakos uit te leveren aan Griekenland ter ondersteuning van het Griekse anticorruptiebeleid?’ ‘Ik ben ervan overtuigd,’ antwoordde ik, ‘dat de Duitse overheid het belang ervan inziet om onze gekwelde staat bij te staan in de strijd tegen corruptie. Ik vertrouw erop dat mijn collega’s in Duitsland het belang ervan inzien dat er nergens in Europa met twee maten wordt gemeten.’ Enigszins aangeslagen mompelde Schäuble dat zijn ministerie daar niet over ging.
In het vliegtuig terug naar Athene dwaalde ik in gedachten af naar eind jaren zeventig. Nadat hij uit de gevangenis was vrijgelaten, keerde Panayiotis terug aan het roer van Siemens Griekenland. Hij was gelukkig in die baan, vertelde hij steeds, en trots op zijn werk. Totdat hij niet meer trots was en woedend ontslag nam. Ik weet nog dat ik vroeg waarom. Hij vertelde dat hij door zijn superieuren in Duitsland onder druk werd gezet om smeergeld te betalen aan Griekse politici en er zo voor te zorgen dat Siemens zijn dominante positie in Griekenland kon behouden.
Moeten we het uiteenvallen van onze mislukte confederatie versnellen? Nee!
In het noorden van Europa heerst de ontroerende opvatting dat Europa bestaat uit mieren en sprinkhanen – alle vlijtige mieren leven in het noorden, terwijl de spilzieke sprinkhanen zich op geheimzinnige wijze in het zuiden hebben verzameld. De werkelijkheid is veel genuanceerder. Een machtig corruptienetwerk heeft zich over al onze landen verspreid – en de instorting van het democratische controlesysteem, deels te wijten aan onze afnemende soevereiniteit, heeft mede ertoe bijgedragen dat dat netwerk aan ons gezicht was onttrokken.
Als de legitieme politieke autoriteit zich terugtrekt, leidt dat tot bruut geweld, apathie en demonisering van de zwakkeren. Eind juni 2015 had de ECB onze banken gesloten, was onze regering verdeeld, diende ik mijn ontslag in als minister en capituleerde mijn premier voor de trojka. Met de verplettering van de Atheense lente werd het al gewonde Griekenland een ernstige klap toegediend. Het was ook de nederlaag van het idee van een verenigd, humanistisch, democratisch Europa.
Onze unie valt uiteen. Moeten we het uiteenvallen van een mislukte confederatie versnellen? Als je, zoals ik, van mening bent dat zelfs kleine landen hun soevereiniteit kunnen behouden, houdt dat dan in dat een Brexit het logische gevolg is? Mijn antwoord is een nadrukkelijk ‘Nee!’ Als Engeland en Griekenland niet al in de EU zaten, zouden ze er zeker buiten moeten blijven. Maar als je er eenmaal in zit, is het van cruciaal belang om je te realiseren welke consequenties een vertrek heeft. Of je het nu leuk vindt of niet, we zijn ingebed in de Europese Unie, die verschrikkelijk instabiel is geworden en al uiteenvalt als een klein, noodlijdend land als Griekenland vertrekt, laat staan een belangrijke economie als Engeland. Moeten de Grieken of de Britten zich daar zorgen over maken? Ja, want in de maalstroom die op een uiteenvallen van die frustrerende federatie volgt zullen we allemaal verzwolgen worden – een postmoderne herhaling van de jaren dertig.
Het is een grote vergissing om te veronderstellen – of je nu voor- of tegenstander van een vertrek uit de EU bent – dat die EU ‘ver van ons bed’ ligt. Een vertrek van Engeland uit de EU ondermijnt het voortbestaan van de unie. Griekenland en Engeland hebben dezelfde drie opties. De eerste twee zijn inwilliging van de eisen van Brussel of vertrek, beide even rampzalig. Beide leiden tot dezelfde dystopische toekomst: een Europa dat alleen geschikt is voor hen die gedijen in tijden van een grote depressie – de xenofoben, de ultranationalisten, de tegenstanders van democratische soevereiniteit. Alleen de derde optie blijft nog over: in de EU blijven om een grensoverschrijdend verbond van democraten te vormen, wat Europa in de jaren dertig niet is gelukt, maar wat onze generatie nu moet proberen, om te voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt.
Is dat niet een utopie? Natuurlijk! Maar niet meer dan het idee dat de huidige EU ten onder zal gaan aan zijn antidemocratische hybris en de flagrante incompetentie die wordt aangewakkerd omdat er geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. Of het idee dat de Britse of Griekse democratie weer tot leven gewekt kan worden in de boezem van een natiestaat waarvan de soevereiniteit nooit hersteld zal worden binnen een door Brussel gecontroleerde markt. Net zoals in het begin van de jaren dertig kunnen Engeland en Griekenland niet uit Europa ontsnappen door een mentale of wetgevende muur op te richten om zich achter te verstoppen. Of we verenigen ons om te democratiseren, of we lijden onder de consequenties van een pan-Europese nachtmerrie.
De Griekse econoom Yanis Varoufakis (55) stond als minister van Financiën zes maanden in het middelpunt van de eurocrisis. Onlangs verscheen bij uitgeverij De Geus zijn boek Hoe Europa de stabiliteit in de wereld bedreigt.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
‘Ik zou ook wel graag eens de draai om de oren zien die Brussel krijgt als de uitslag van het Britse referendum de heer Juncker, mevrouw Merkel en… de heer Cameron niet zou bevallen,’ zei Yanis Varoufakis onlangs in een interview met de Britse krant The Guardian. De econoom Varoufakis (Athene, 1961), gespecialiseerd in speltheorieën, werd in januari 2015 minister van Financiën in Griekenland. Maar zes maanden later nam hij alweer ontslag, nadat het hem niet was gelukt om tot een akkoord te komen met de Europese Commissie, de ECB en het IMF over de verlenging van de programma’s voor de herfinanciering van de Griekse schulden.
Ondanks zijn hevige kritiek op de Europese instellingen richtte hij in februari 2016 de Democracy in Europe Movement 2025 (DiEM25) op, met het devies: ‘Of de Europese Unie democratiseert, of zij gaat ten onder.’ ‘Ons criterium is een pan-Europese democratische beweging,’ zei hij in het interview in The Guardian. ‘Zo niet, dan keren we terug naar een postmoderne versie van de jaren dertig.’
KRANTENCITATEN
Daily Mail, 4 februari
‘Wie spreekt er namens Engeland?’ vraagt de tabloid zich af, die doorgaans fel gekant is tegen de Europese Unie. De krant toont zich vooral verontrust over ‘de tsunami van migranten’ in de toekomst. Het nieuwe akkoord dat premier Cameron namens het Verenigd Koninkrijk met Brussel heeft bereikt om de Britten gerust te stellen ‘verandert daar helemaal niets aan’.
New Statesman, 26 februari 2015
‘Boris slaat terug’: de Londense burgemeester is niet alleen een formidabele troef voor de pro-Brexit-campagne, maar ‘hij plaatst zich ook op de eerste rij om het voorzitterschap van de Conservatieve Partij over te nemen zodra Cameron zou aftreden’, meent het weekblad.
The Spectator, 27 februari
‘Brexit ontketend’, kopt het Britse weekblad, dat voorziet dat ‘het referendum over de Europese Unie zich tegen Mister Cameron zal keren en hem te pakken zal nemen’.
The Sun, 9 maart
‘De koningin steunt een Brexit’, verheugt de conservatieve tabloid zich, een fervent voorstander van het Britse vertrek uit de Europese Unie. De krant verwijst naar een gesprek dat de vorstin zou hebben gehad met de pro-Europese voormalige vicepremier Nick Clegg, waarin zij zou hebben gezegd: ‘Ik begrijp Europa niet’, daaraan toevoegend dat de unie zich ‘in de verkeerde richting’ beweegt.
The Times, 22 april
‘Keer de Europese Unie de rug niet toe, zegt Obama tegen Groot-Brittannië.’ Tijdens zijn bezoek aan Londen op 22 april houdt de Amerikaanse president een pro-Europese toespraak, die de voorstanders van een Brexit in het verkeerde keelgat schiet.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.