Tag: fictie

  • Georgi Gospodinov: ‘Fictie kan wonderen verrichten’

    Georgi Gospodinov: ‘Fictie kan wonderen verrichten’

    Fictie is geen ‘onware, niet-feitelijke literatuur’, vindt International Booker Prize-winnaar Georgi Gospodinov. Ze schenkt betekenis aan de werkelijkheid en helpt ons die te begrijpen.

    Wat kan fictie (ook in vertaling) doen in tijden als de onze? Niets. Dat zou het kortste, krachtigste en meest pessimistische antwoord zijn op de vraag. Maar dat zou betekenen dat we deze tekst moeten negeren, de festivals moeten afblazen, de boeken uit de bibliotheken moeten verwijderen, het creëren van literatuur moeten staken en gedwee het einde van de wereld afwachten. Want als we stoppen met het vertellen van verhalen over de wereld, is het einde inderdaad nabij.

    Vooral fictie is in staat om wonderen te verrichten. Mijn eerste ervaring hiermee deed ik op toen ik zes of zeven jaar oud was, dus ik begin met een persoonlijk verhaal. Ik had een terugkerende nachtmerrie. Op een ochtend verzamelde ik de moed om hem aan mijn grootmoeder te vertellen; destijds woonde ik bij haar in het dorp. Maar zodra ik begon te praten, hield ze me tegen en drukte een vinger tegen haar lippen. Enge dromen mogen niet opnieuw worden verteld, omdat ze daardoor uitkomen. Eigenlijk drukte ze het veel mooier uit: ze vullen zich dan met bloed en komen tot leven. Dus bleef ik alleen achter met mijn nachtmerrie. En zo kwam ik op het, in mijn ogen, briljante idee – we kunnen pas briljant zijn vanaf ons zesde of zevende – om mijn droom op te schrijven. Ik scheurde in het geheim een pagina uit het notitieboekje van mijn opa en gebruikte de pas geleerde letters van het alfabet om mijn droom uit te spellen. En… er gebeurde een wonder. De nachtmerrie is nooit meer teruggekeerd. Maar ik ben hem ook nooit vergeten. Dat was de prijs. (Negenenveertig jaar later herinner ik me de droom nog steeds levendig. Wie weet besluit ik hem aan het einde van de lezing te vertellen.)

    Er zijn twee dingen die ik uit deze herinnering wil afleiden. Ten eerste: schrijven bevrijdt ons van onze angsten. Het tweede is dat schrijven ons doet onthouden. We vertellen verhalen om te onthouden. Soms ook geldt het omgekeerde: we onthouden iets om het door te kunnen vertellen. Schrijven brengt dus herinneringen voort, ook al is dat er soms een aan iets beangstigends. De herinnering aan iets beangstigends is niet altijd een beangstigende herinnering. Integendeel, als een verhaal eenmaal verteld is, als het eenmaal gezellig is bijgeplaatst in de kamers van de herinnering, beginnen ook de beangstigende varianten hun angstaanjagende aard te verliezen. Door verhalen te vertellen kunnen we onze angsten dus een beetje temmen.

    Verhalen vertellen

    Waarom vertellen we kinderen ’s avonds voordat ze in slaap vallen een verhaaltje? Om dezelfde reden dat er mythen bestaan. We vertellen verhalen om de wereld te temmen. We vertellen verhalen om een chaotische en onverklaarbare wereld van onweersbuien, vuur en overstromingen te verklaren, evenals een wereld van diezelfde elementen binnenin ons. Terwijl we verhalen vertellen, creëren we de illusie dat deze wereld überhaupt vertelbaar is (dat ze in woorden kan worden samengevat en gedeeld) en ordenbaar (dat ze kan worden georganiseerd). Stiekem vermoed ik dat er geen orde is en dat alleen onze verhalen deze creëren. Maar dat maakt ze des te belangrijker.

    Laat me een zijpad inslaan naar de kwantumfysica. Volgens het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, opgesteld in de jaren twintig, verandert het waarnemen van een proces zélf al de uitkomst ervan. Met andere woorden: in de kwantumwereld verloopt een proces anders afhankelijk van of het wordt bekeken of niet. Als we dat doortrekken naar onze eigen wereld: stel dat niemand zou kijken, luisteren en verhalen vertellen – zou die wereld dan niet allang uit elkaar gevallen zijn?

    Feestmaal met Nino Haratischwili

    De Georgisch-Duitse schrijver en theaterregisseur Nino Haratischwili (1983), bekend van onder meer Het achtste leven, organiseert tijdens het Forum een supra; een traditionele Georgische feestmaaltijd waarbij het gaat om gastvrijheid en het delen van verhalen.

    De supra, letterlijk ‘tafel’ in het Georgisch, is een diepgeworteld sociaal en cultureel fenomeen in Georgië. Bij dit ceremoniële banket komen gasten samen om te dineren, wijn te drinken, te zingen en te luisteren naar toespraken van de tamada, de ceremoniële toastmeester. Thema’s als vriendschap, liefde, geschiedenis en familie staan daarbij centraal, vaak aan de hand van persoonlijke verhalen en beschouwingen.

    Traditioneel wordt de supra geleid door mannen, en vinden de gesprekken en rituelen plaats binnen een patriarchaal kader. Vrouwen, wier aanwezigheid weliswaar wordt gevierd in een poëtische en vaak verheffende toast, spelen vooral een rol als kok en gastvrouw.

    Haratischwili plaatst deze eeuwenoude traditie in een nieuw licht, door de supra vanuit vrouwelijk perspectief te benaderen. Samen met Georgische muzikanten en actrices creëert ze een alternatieve versie van het ritueel, waarin vrouwelijke stemmen en verhalen centraal staan. Tijdens de avond wordt er gegeten, gezongen, gedeeld – en nagedacht over de betekenis van cultuur, identiteit en verbondenheid binnen Europa. Het publiek is uitgenodigd.

    25/06, 19:30 in de Grote Zaal in De Balie, Amsterdam.

    En daarmee belanden we bij de volgende belangrijke taak van de schrijver, die toch al veel op zijn schouders draagt: verhalen vertellen om de wereld bij elkaar te houden. Om betekenis te geven aan wat er gebeurt – met de wereld en met onszelf – als tegenwicht voor de stille angst dat er misschien helemaal geen betekenis is. Ook daarom lezen we boeken, en vooral fictie.

    Veel mensen geloven dat fictie denkbeeldige, onware, niet-feitelijke literatuur is. In mijn ogen is dit een diepgaand misverstand

    Veel mensen geloven ten onrechte dat fictie denkbeeldige, onware, niet-feitelijke literatuur is. In mijn ogen is dit een diepgaand misverstand. Fictie weeft mythen en schenkt betekenis aan de werkelijkheid; het vormt een legende rond wat we zien, maakt er een verhaal van en helpt ons het te begrijpen. Zoals Pessoa schreef: ‘De mythe is het niets dat alles is.’

    Fictie kan echte herinneringen oproepen. Ik zal nooit vergeten hoe ik na het lezen van Oorlog en vrede op het slagveld van Austerlitz lag en naar de wolken boven me keek alsof ik ze voor het eerst zag. Hoe kan ik ze nooit eerder hebben opgemerkt? zei ik hardop in mijn eigen stem, in plaats van die van de gewonde prins Bolkonsky. Na Honderd jaar eenzaamheid had ik een duidelijke herinnering aan een middag waarop mijn vader me meenam naar de zigeuners om voor het eerst echt ijs te zien. Ik herinner me ook een sneeuwstorm en de kaars die flikkerde in de kamer à la Pasternak [een verwijzing naar de klassieker Dokter Zjivago].

    Literatuur richt zich niet alleen op het verleden en de herinnering, maar werpt ook vaak een blik vooruit en schetst mogelijke toekomsten. Literatuur verbeeldt utopieën – ideale werelden – en reikt daarmee de samenleving, het lot en zelfs het universum suggesties aan voor wat komen kan. Toch slaan zulke toekomstvisies vaak om in dystopieën, al blijken veel van de dystopische romans die we schrijven verrassend realistisch te zijn. Orwell verzette zich achteraf tegen het idee dat 1984 een handleiding zou zijn; het was bedoeld als waarschuwing, niet als blauwdruk. Iets soortgelijks heb ik ervaren met mijn roman Schuilplaats voor andere tijden – maar dat is een verhaal voor een andere keer.

    Behalve herinneringen creëeren en onze angsten beteugelen, is literatuur in staat tot het meest wezenlijke: levens redden.

    Nieuwsgierigheid 

    Literatuur vertelt verhalen en stelt daarmee het einde uit. Dat komt het meest letterlijk tot uiting bij Sjeherazade. Met elk verhaal dat ze vertelt, wint ze een levensdag. Haar verhalen zijn haar krachtigste onderhandelingsmiddel om te blijven leven. Veranderen ze iets in Shahryar, de vrouwenmoordenaar? Wekken ze zijn empathie voor de wereld? Wie zal het zeggen. Wat ze hem in elk geval schenken, is een nieuw soort nieuwsgierigheid – naar de wereld met al haar wonderen, verrassingen, liefde en bedrog.

    Wanneer het slachtoffer een verhaal vertelt, bevindt ze zich tijdelijk in een andere, beschermde ruimte. De verteller – vrouw of man – en hun luisteraars (of lezers) raken verstrikt in het labyrint van het verhaal, een wereld op zichzelf. Ze bevinden zich als het ware op twee plaatsen tegelijk: in de echte én in de fictieve wereld. Zo kom ik terug bij de elementaire deeltjes in de kwantumfysica, die ook op twee locaties tegelijk kunnen bestaan. In dat opzicht lijken literatuur en kwantumfysica meer op elkaar dan we vaak beseffen. En de literatuur begreep dit al eeuwen vóórdat de wetenschap erachter kwam. 

    Als kind voelde ik onbewust de garantie die literatuur ons biedt; ik koos er altijd voor om boeken te lezen die in de eerste persoon enkelvoud werden verteld, omdat ik dan wist dat de hoofdpersoon aan het einde van het boek niet zou sterven. Zolang ik verhalen vertel, besta ik. Zolang ik verhalen vertel, houd ik mezelf en de wereld om me heen intact. Ik vertel, dus ik ben.

    Fictie verdedigt het menselijke. Ze weigert mee te gaan in de terugval naar ontmenselijking

    Vandaag de dag bevinden we ons in de context van twee oorlogen aan de rand van Europa; die in het Midden-Oosten en die tegen Oekraïne. Dit zijn echte oorlogen, met tanks, drones, dode soldaten en burgers, vluchtende gezinnen, verwoeste steden en landschappen. Dat alles gebeurt vandaag de dag, in een Europa dat dacht dat het zichzelf voorgoed van de verschrikkingen van de oorlog had bevrijd. Maar Poetins invasie van Oekraïne begon niet met de eerste schoten en de opmars van Russische tanks. Hij begon lang daarvoor, met propaganda en nepnieuws. De strijd om woorden en verhalen – de propagandaoorlog – liep parallel aan de gevechten aan het front. Het doel: de tegenstander ondermijnen en het verzet al vóór het eerste schot breken. Propaganda- en complottheorieën, racistische uitbarstingen en agressie, post-truth zijn alle bedoeld om te ontmenselijken, om de Ander zijn menselijke eigenschappen te ontnemen en hem tot kanonnenvoer te maken, tot een vijand, die geen lid is van het menselijk ras. De vijand heeft geen eigen geschiedenis. Als die opzet lukt, dan is de strijd al gewonnen voordat deze zelfs maar is begonnen.

    Wat voor rol kan fictie hierbij spelen? Ze verdedigt het menselijke. Ze weigert mee te gaan in de terugval naar ontmenselijking. Literatuur werkt als een natuurlijk tegengif tegen het gif van propaganda. Waar propaganda de wereld in drie minuten reduceert tot zwart-wit – goed tegenover kwaad – biedt fictie een rijker, gelaagder en vollediger perspectief. In fictie draait alles om het individu, met diens angsten, verlangens, kwetsbaarheid, hoop en verdriet. Ook propaganda speelt in op emoties, maar slechts als middel tot massamanipulatie. Fictie en propaganda opereren op hetzelfde terrein, dat van het mens-zijn, maar ze doen dat met totaal verschillende bedoelingen.

    De werkelijkheid

    Je zou kunnen zeggen dat propaganda en fictie hetzelfde zijn; ze gebruiken allebei verhalen en bieden afwijkende versies van de werkelijkheid. Maar laten we proberen het verschil te zien. Het verraderlijke van propaganda en complottheorieën is dat ze fundamentele inzichten uit de menselijke kennis vervangen, eeuwen aan cultuur en beschaving terugbrengen tot karikaturen en het volledige geestelijke erfgoed van de mensheid ondermijnen en vernietigen. Terwijl echte literatuur, fictie en verhalen op dit archief voortbouwen en versies van de wereld construeren met behulp van gecoördineerde systemen van goed en kwaad, leugens en waarheid, het humane en het inhumane, het toegestane en het ontoelaatbare. Of we het beseffen of niet, vandaag de dag zijn we aanwezig bij, nemen we feitelijk deel aan een grootse en soms onzichtbare strijd – niet alleen om het menselijk leven te beschermen, maar om de kern van wat het betekent mens te zijn, en het leven zelf, te behouden.

    We komen langzaam tot het besef dat de wereld niet verklaard kan worden door politieke en economische verhoudingen alleen. Omdat we niet alleen bestaan uit economie en politiek. We bestaan ook uit verdriet en twijfel, uit broze en moeilijk te bevatten elementen. Juist daar ligt het domein van de literatuur – haar kracht ligt in het vinden van taal voor precies die fragiele beleving.

    Waartoe is literatuur nog meer in staat? Smaak creëren. Het belang daarvan mag absoluut niet worden onderschat; smaak is niet alleen een kwestie van esthetiek. Iemand met smaak is minder vatbaar voor flauwe propaganda, is bijvoorbeeld in staat de politieke kitsch zien die ten grondslag ligt aan het nationalisme. Zo zei Joseph Brodsky dat zijn verzet tegen het Sovjetgezag wellicht minder politiek dan esthetisch was. Voordat de rede het kwaad heeft begrepen, hebben onze zintuigen – als ze voldoende op elkaar zijn afgestemd – de vieze adem al geroken en zijn ze al vol walging teruggedeinsd. Ook de literatuur draagt eraan bij om een dergelijke fijngevoeligheid te produceren.

    Meestal zie ik de schrijver als een oor, één groot oor dat luistert naar de verhalen van de wereld

    Een verhaal wordt verteld als er een luisterend oor is. Ik denk dat het belangrijk is om hierop te wijzen, omdat we storytelling prijzen. Storytelling is belangrijk, maar het is niets zonder het gevoel dat er ergens een oor klaar staat om te horen. Er is geen storytelling zonder storyhearing. Als we de schrijver met slechts één lichaamsdeel zouden afbeelden, zou het geen schrijvende hand of een mond zijn die kostbare woorden uitspreekt. Meestal zie ik de schrijver als een oor, één groot oor dat luistert naar de verhalen van de wereld. Een oor en een hart. Een oor afgestemd op alles wat pijn doet.

    Tash Aw over kolonialisme en identiteit

    De Maleisisch-Britse schrijver en essayist Tash Aw gaat tijdens het forum in gesprek over de maatschappelijke verschuivingen waarmee generaties te maken krijgen. Centraal daarbij staat zijn nieuwe boek The South, waarin hij de diepgaande politieke en sociale omwentelingen in Azië in de jaren negentig beschrijft, door de ogen van een Maleisische familie. Hij onderzoekt hierin thema’s als klasseverschillen, economische onzekerheid en de zoektocht naar (queer) identiteit. Zijn werk belicht de pijnlijke overgang van postkoloniale samenlevingen waarin traditie botst met moderniteit en persoonlijke verlangens vaak in conflict komen met collectieve verwachtingen. Wat betekent het om jezelf te vinden in een wereld waarin culturele normen en maatschappelijke structuren voortdurend verschuiven?

    Tash Aw (1971) groeide op in Maleisië en vertrok als tiener naar Engeland om rechten te studeren. Tegenwoordig woont hij in Parijs. Hij brak internationaal door met The Harmony Silk Factory (2005), gevolgd door het eveneens gevierde Five Star Billionaire (2013), dat evenals andere werken van hem werd genomineerd voor de Man Booker Prize. Hij staat bekend om zijn genuanceerde benadering van gevoelige onderwerpen en wordt gezien als een van de belangrijkste literaire stemmen uit Zuidoost-Azië.

    26 juni, 17:30 in De Salon in De Balie, Amsterdam.

    Tegenwoordig hebben we een sterke behoefte aan empathie, zowel op persoonlijk als op politiek vlak. Totalitaire ideologieën en fundamentalisme kennen geen empathie. Voor hen is de ander – de vijand – ontdaan van menselijkheid. ‘Geen mens, geen probleem,’ zei Stalin ooit cynisch. Vandaag echoën populisme en propaganda dat idee: zonder menselijkheid is er niets om rekening mee te houden. Dat is misschien wel het angstaanjagendste van alles. Daarom hebben we verhalen nodig – en empathie. De stille kracht van onze persoonlijke verhalen zit in hun vermogen om het wezenlijk menselijke te raken, dat aan elke ideologie en elke staatsmacht voorafgaat.

    Ik zal hier niet ingaan op een strikt wetenschappelijke definitie van empathie. Omdat ik denk dat iedereen op de hoogte is van dit ‘in de schoenen van de ander stappen’, en ook omdat het een wat uitgehold concept is. Maar ik denk dat we het breder moeten inzetten. Empathie is niet alleen aangeboren, maar wordt verworven, geleerd en ontwikkeld door dagelijkse oefening, ook door het lezen van fictie. Zonder empathie is verhalen vertellen, lezen, luisteren en zelfs samenleven onmogelijk. Hoe lees je een roman zonder je in te leven? Hoe leef je te midden van anderen zonder je in hen te verplaatsen?

    De Ander

    Maar wie is vandaag de dag de Ander? Als we het over empathie hebben, blijven we normaal gesproken, bewust of onbewust, binnen de grenzen van de menselijke soort. Is het niet tijd om over te stappen op een bredere empathie voor het milieu? Als we ons sprookjes en onze eigen kindertijd herinneren, zullen we zien dat literatuur en kinderen dat al heel lang doen. Voor hen is het heel normaal om met een slak, een hond of een roos te praten en je in te leven in hun verhalen.

    Laat de mens een tijdje zijn mond houden en in de stilte die volgt de stem horen van een andere verhalenverteller – een vis, libel, wezel of bamboe, kat, orchidee of kiezelsteen… 

    Interessant genoeg wijzen ook recente onderzoeken van milieuwetenschappers, die zoeken naar manieren om mensen te motiveren de natuur te beschermen, op het belang van empathie. De hoopvolle conclusie: mensen blijken, althans als het om klimaatverandering gaat, eerder gemotiveerd door empathie voor niet-menselijke wezens dan door eigenbelang. Een mogelijke verklaring is dat dit appelleert aan onze aangeboren neiging tot compassie.

    Een korte evolutionaire zijlijn: vaak wordt gedacht dat sympathie en het helpen van zwakkeren geen rol spelen in natuurlijke selectie. Volgens deze redenering zouden empathie en altruïsme evolutionair zwak staan tegenover egoïsme. Maar evolutiebioloog David Sloan Wilson, een volgeling van Darwin, zegt iets anders. In zijn visie geldt: binnen een groep wint egoïsme het van altruïsme, maar altruïstische groepen verslaan eerder egoïstische groepen.

    Laten we eerst luisteren naar de verhalen en stemmen van het heden, de verhalen van anderen, van migranten, van vluchtelingen

    Als we deze stelling in historisch perspectief plaatsen, zien we dat altruïstische samenlevingen meer ontwikkeld en gevoeliger waren en beter hebben gepresteerd op het gebied van politiek, economie, cultuur en menselijk geluk dan dictaturen. Onderzoek heeft dit uitgewezen.

    Misschien is het tijd om nieuwe verhalen over de toekomst te vertellen, om de lege kamers te vullen met de verhalen waar we in willen wonen. Maar laten we eerst luisteren naar de verhalen en stemmen van het heden, de verhalen van anderen, van migranten, van vluchtelingen, van degenen die de oorlog ontvluchten, van degenen die het vandaag in de schuilkelders van Oekraïne hebben overleefd. Laten we deze verhalen keer op keer vertellen en horen totdat we een herinnering hebben gecreëerd die sterk genoeg is om te voorkomen dat deze nachtmerries zich herhalen, althans niet zo snel.

    Tot slot heb ik besloten u die nachtmerrie van negenenveertig jaar geleden te vertellen. De droom was eenvoudig en eng. Aan de onderkant van onze dorpsbron bevindt zich mijn hele gezin: mijn moeder, vader en broer. De put is diep en donker. Ik zie nog net hun silhouetten omhoogkijken, niet in staat om eruit te komen. Ik ben de enige erbuiten. Veilig, maar alleen. De angst is tweeledig: ten eerste voor hen, en ten tweede voor mij: ik ben van hen gescheiden, ik ben niet bij hen, wat ik wel wil, ook al zitten ze op de bodem van de put. Deze dubbele angst – voor anderen en voor mijzelf – dit gevoel van verlatenheid heeft me waarschijnlijk tot een schrijver gemaakt, of heeft in ieder geval aanleiding gegeven tot dat eerste verhaal van mij, gekrabbeld in lelijke, kromme letters. En het opschrijven hielp. Mijn redenen om vandaag te blijven schrijven zijn niet veel veranderd ten opzichte van de reden van die jongen om zijn nachtmerrie op te schrijven. Ik schrijf omdat ik niet wil dat de nachtmerries uitkomen. 

    Georgi Gospodinov (1968) is een Bulgaarse auteur, dichter en toneelschrijver. Zijn romans, waaronder Tijdschuilplaats (Booker Prize 2023), zijn bekroond en wereldwijd vertaald. 

  • In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    Latijns-Amerikaanse schrijvers als Mónica Ojeda en Samantha Schweblin zijn belangrijke namen in een nieuw soort gothic literatuur. Hun ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ verbeeldt de terreur waar veel vrouwen van Mexico tot Argentinië dagelijks mee te maken hebben.

    ‘Ik ben een auteur van korte verhalen, dus ik ga het ook kort houden.’ Met deze woorden sprak de Argentijnse schrijver Samantha Schweblin afgelopen woensdag tegenover een New Yorks publiek haar dank uit bij de uitreiking van de National Book Award, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van de Verenigde Staten. Ze deelt haar prijs in de categorie vertaalde literatuur met Megan McDowell, die zorg droeg voor de Engelse vertaling van de winnende verhalenbundel Siete casas vacías (Seven Empty Houses, in het Nederlands vertaald als Zeven lege huizen).

    Het is al de derde prijs waarmee de schrijver zich dit jaar profileert. Bovendien is ze de eerste Argentijnse die de National Book Award wint sinds Cortázar dat in 1967 deed met Rayuela: een hinkelspel. Schweblin was echter niet de enige genomineerde Latijns-Amerikaanse schrijver: finaliste in dezelfde categorie was Mónica Ojeda uit Ecuador met haar roman Mandíbula (in het Engels vertaald als Jawbone). Al verschilt Schweblins stijl van die van Ojeda, Siete casas vacías en Mandíbula hebben veel gemeen: beide boeken ademen een ongewone sfeer waarin de horror flirt met het bovennatuurlijke maar ook deel uitmaakt van het verontrustende, gewelddadige dagelijkse leven van de personages. 

    GettyImages 846140432
    Voor de Calabiuza-parade tijdens de viering van de Dag van de Doden in San Salvador, El Salvador, schminken kinderen een doodshoofd op hun gezicht. Op deze feestdag worden precolumbiaanse tradities gecombineerd met de katholieke versie van Allerheiligen. – © Jan Sochor / Getty Images

    Schweblin en Ojeda zijn twee van de bekendere namen in een reeks Latijns-Amerikaanse schrijvers van wat Alejandra Amatto, onderzoeker aan de Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM) en coördinator van het Seminar over Fantastische Literatuur aan dezelfde instelling, typeert als niet-realistische literatuur. In het rijtje Latijns-Amerikaanse schrijvers met succes bij zowel de kritiek als het publiek en met speciale belangstelling voor ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ horen ook Mariana Enríquez, Liliana Colanza, María Fernanda Ampuero, Giovanna Rivero, Cecilia Eudave en Fernanda Trías thuis.

    Dagelijkse horror 

    ‘Sinds 2016 is niet alleen de belangstelling bij het lezerspubliek gegroeid, ook uitgeverijen publiceren en verspreiden inmiddels gretig het werk van diverse Latijns-Amerikaanse schrijvers,’ laat Alejandra Amatto aan elDiario.es weten. ‘In de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw vond een herijking van niet-realistische genres plaats die boven tafel brengen wat de ware dagelijkse vormen van terreur zijn voor ons als Latijns-Amerikaanse vrouwen,’ aldus de academica.

    Het gaat niet aan om zulke uiteenlopende schrijvers uit verschillende windstreken te reduceren tot een bepaalde generatie of een uitgeeffenomeen, maar Mónica Ojeda (Guayaquil, 1988) is het met Amatto en andere door elDario.es geïnterviewde schrijvers eens dat de laatste jaren een groter onthaal ten deel viel aan literatuur ‘waarin wordt gewerkt met angst’. ‘Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat we leven in een wereld die steeds angstaanjagender wordt en dat we die benaderen vanuit nieuwe invalshoeken, bijvoorbeeld vanuit de angst voor raciaal of seksueel geweld,’ licht ze telefonisch toe. Voor Ojeda zit het bijzondere van de Latijns-Amerikaanse schrijvers in het feit dat ze ‘de angst via de geografie belichten’. ‘Omdat onze geografie vanuit het globale noorden altijd als een perifere en marginale plek is gezien, brengen we de lezers iets nieuws waar ze tevoren geen weet van hadden. Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald, daarom levert de beschrijving ervan overal een andere filosofie van de angst op,’ benadrukt ze.

    Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald

    Deze geografische component van de angst krijgt zorgvuldig gestalte in uiteenlopende thematische interesses: Enríquez schrijft over vormen van staatsterreur die te maken hebben met de dictatuur in Chili, Argentinië en Uruguay, Colanzi behandelt de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de landonteigening die veel inheemse groeperingen treft in landen als Bolivia, en auteurs als Ojeda of Ampuero richten zich op patriarchale vormen van geweld in de intiemere, familiaire context, die niettemin verbonden is met de realiteit van Ecuador. ‘Het is niet alleen een thematisch maar ook een structureel perspectief, dat kan worden beschouwd vanuit de context van het genre en van de Latijns-Amerikaanse geografie, maar de reikwijdte is universeel: schrijvers als Enríquez zijn in meer dan vijftig landen vertaald,’ aldus Amatto. 

    Ojeda wijst er ook op dat veel van haar tijdgenoten ‘schrijven over angst en terreur maar niet per se vanuit het genre’. Amatto is het met haar eens en beaamt dat deze Latijns-Amerikaanse schrijvers uit de niet-realistische hoek de mechanismen van het kwaad doorgronden zonder de klassieke parameters van het genre te hoeven volgen, en zich bovendien laten inspireren door nationale en regionale esthetische tradities – de fantastische literatuur van Argentinië, de gothic van de Andes of de ‘zonderlinge’ literatuur van Uruguay – met thematische en esthetische overlappingen.

    GettyImages 1179293733
    © Jan Sochor/Getty Images

    ‘Deze schrijvers werken niet vanuit afgebakende genres en de kritiek moet altijd waken om niet alles over één kam te scheren; zo kunnen we in het geval van Mariana Enríquez denken aan fantastische, angstaanjagende teksten, en in dat van Lilianza Colanzi zie je een mix van Andes-elementen en sciencefiction,’ specificeert de onderzoekster van de UNAM.

    Herontdekt

    Elena Garro, Amparo Ávila, Inés Arredondo, Armonía Sommers en Silvina Ocampo zijn enkele van de Latijns-Amerikaanse schrijvers die zich in de twintigste eeuw bezighielden met horror en fantastische en speculatieve thema’s en nu worden herontdekt door nieuwe generaties schrijvers en vrouwelijke academici. ‘Het genre was vanaf het begin moeilijk in kaart te brengen en werd als minderwaardig beschouwd omdat daarin vanzelfsprekend de dominante maatschappelijke thema’s en codes worden gemeden of juist uit diverse hoeken en percepties worden bevraagd,’ zegt Lola Ancira (Querétaro, 1987), een van de schrijvers die in het Latijns-Amerikaanse panorama uitblinkt met boeken als Despojos of El vals de los monstruos. ‘Ik juich alles wat er rondom door vrouwen geschreven genrefictie gebeurt enorm toe, want die werd decennialang niet erkend of serieus genomen.’

    De Mexicaanse Laura Baeza (1988, Campeche), die in haar verhalenbundel Una grieta en la noche Mexico-Stad gebruikt als spookachtig decor, denkt dat het succes van de Latijns-Amerikaanse schrijvers met hun niet-realistische werk ‘verder gaat dan een historische rechtzetting of een uitgeeffenomeen, maar te maken heeft met hun kwaliteit. ‘Overigens,’ zegt ze, ‘juich ik het toe dat velen bij onafhankelijke uitgeverijen publiceren. Ook de migratie verbindt ons. Er is nog geen aanduiding voor de schrijvers van Midden-Amerika tot aan de grens met de Verenigde Staten, en we moeten het ook hebben over Guatemala, over Belize, over de grens vanuit het specifieke oogpunt van de terreur.’

    ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd’

    ‘Wij zijn de erfgenamen van een Latijns-Amerikaanse literatuur waarin het fantastische genre heel belangrijk was en groeiden op in een tijd waarin zich de democratisering van de film en de popcultuur voltrok, met alle gruwelverhalen van dien,’ verklaart María Fernanda Ampuero (Guayaquil, 1976), die in de verhalenbundels Pelea de gallos en Sacrificios humanos huiselijk geweld en vrouwenmoorden aankaart met een stijl die zowel bloederig als poëtisch kan zijn. ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd, sinds onheuglijke tijden is er die maatschappelijke bezorgdheid die niet te maken heeft met een satanische idee-fixe maar met wat ons in het echte leven overkomt, en ik gebruik dat mechanisme, dat ik goed ken, om over onze tijd te spreken.’

    Ojeda schrijft naar eigen zeggen niet om maatschappelijke thema’s aan te kaarten, want voor haar ‘is de literatuur geen middel maar een doel op zich’, wat niet betekent dat zij of andere schrijvers als zij hun ogen sluiten voor bepaalde misstanden in Latijns-Amerika, zoals de vrouwenmoorden, de verdwijningen en andere gewelddaden die in het bijzonder vrouwen treffen. ‘Ik voel dat ik veel gemeen heb met schrijvers die de angst, het geweld en de pijn voelbaar willen maken. Ik weet niet of je kunt spreken van een generatie, maar ik zie wel overeenkomsten qua interesses, al vind ik het vooral boeiend om de verschillen en het eigene van iedere blik binnen een collectief te herkennen,’ aldus Ojeda. ‘Het lijkt me niet goed om de eigenaardigheden van bepaalde schrijvers te verdoezelen om ze maar te laten passen in een bepaald frame.’

    Verwantschap

    Baeza zegt zich juist onderdeel te voelen van ‘een generatie die zich voedt met andere generaties’. Eerder heeft ze de roman Niebla ardiente gepubliceerd met de gruwelijke vrouwenmoorden in Mexico als uitgangspunt, maar de bundel Una grieta en la noche is haar eerste horrorboek. In een land waar iedere dag tien vrouwen worden vermoord blijft Baeza schrijven over femicide, want ‘dat is waarmee ik iedere dag wakker word’. ‘Maar,’ zegt ze, ‘ik moest daarvoor wel de werkelijkheid vervormen, en die vrijheid heb ik binnen dit genre en het korte verhaal, dat voor mij een onuitputtelijk laboratorium is.’

    ‘Ik voel verwantschap met een heleboel andere Latijns-Amerikaanse schrijvers wat hun zoektocht betreft, maar niet qua resultaat. Ieder van ons volgt een eigen weg, de een schrijft realistisch, de ander schept een complete kosmogonie,’ benadrukt María Fernanda Ampuero. Los van het strikt literaire voelt ze zich als vrouw met andere Latijns-Amerikaanse schrijfsters verbonden in de aanklacht: ‘Wij zijn bang, wij maken ons grote zorgen om het geweld tegen vrouwen en meisjes, tegen het ecosysteem, tegen de inheemse gemeenschappen die de strijd aangaan met grote ondernemingen, en dat komt vanzelfsprekend in de literatuur terecht.’

    La creacion de las aves Remedios Varo 2
    In La creación de las aves combineert de Mexicaanse surrealistische schilder Remedios Varo een hoge dosis surrealisme, symboliek en fantasie. Een vreemd wezen, een kruising tussen uil en mens, gebruikt wetenschap en magie om verschillende vogels te creëren. – © Museo de Arte Moderno de México

    Er is weliswaar een lange rij van in de jaren zestig, zeventig of begin tachtig geboren schrijvers die volledig door de kritiek en de lezers zijn omarmd, maar er zijn ook schrijvers die nu doorbreken en aandachtig naar de vorige lichting kijken. Alicia Mares (1996) en Andrea Chapela (1990), beiden uit Mexico, publiceerden onlangs in Spanje hun verhalenbundels Cocodrilario (uitgegeven door Horror Vacui) en Ansibles, perfiladores y máquinas de ingenio (uitgegeven door Almada). Mares gebruikt lijfelijke, brute horror die direct is terug te voeren op bijvoorbeeld Ojeda’s stijl, terwijl Chapela in verschillende van haar verhalen een apocalyptisch en hypertechnologisch Mexico oproept.

    ‘Al spelen mijn verhalen in Tlaxcala, Tijuana of Veracruz, wat ik beschrijf is een terreur die zich afspeelt in een intiem bestek, binnen de vier muren van een huis, in een gemeenschap,’ vertelt Mares, terwijl ze als haar grote voorbeelden onder andere de verhalenbundel Las voladoras van Mónica Ojeda noemt en meer schrijvers uit de Andes, zoals Giovanna Rivero. Mares maakt deel uit van een generatie die veel van haar literaire voorbeelden heeft leren kennen via sociale media, wat voor Amatto het succes verklaart van deze schrijvers, die met hun volgers in gesprek zijn en in real time berichten delen, een manier om literatuur buiten academische en specialistische kringen te verspreiden.

    Eigen stijlmiddelen

    Lola Ancira komt nog met namen als Viridiana Carrillo, Magdalena López en Yesenia Cabrera, ‘die het genre ieder voor zich benaderen vanuit eigen perspectieven en met eigen stijlmiddelen’. ‘De nauwste band die ik voel met andere schrijvers van mijn generatie betreft het onheilspellende en lichamelijke: linksom of rechtsom komt de vrouwelijke lichamelijkheid in ons werk aan bod,’ meent ze. ‘En ook het vraagstuk van het afwijkende moederschap. Thema’s die tot voor kort te intiem en onbeduidend werden gevonden, terwijl juist het intieme eigenlijk het publieke verandert.’

    De canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen

    Het is een feit: de canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen. Schweblin wilde het in haar dankwoord dan misschien kort houden, maar zowel zij als vele andere Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben nog een lange weg te gaan. ‘Wat ik belangrijk vind is dat we elkaars werk lezen, ik leer van degenen die er waren, die er zijn, en die net komen kijken,’ aldus Laura Baeza. En Ojeda acht de speculatieve, horror-gerelateerde literatuur niet alleen waardevol om ‘je eigen tijd goed te lezen, maar ook om te anticiperen op de toekomst’. ‘Interessant voor Latijns-Amerika is dat vele schrijvers zich via deze genres afwenden van de richtsnoeren van het globale noorden en naar binnen kijken, naar wat hen omringt: ze distantiëren zich van de canon die is geschreven door witte mannen en gaan nadenken over hoe het bij henzelf toegaat – speculatieve fictie op een andere plek, dat is het echt interessante,’ concludeert ze.

  • Getrouwd met een avatar. ‘Hij mist het om aangeraakt te worden. Maar de liefde is echt’

    Getrouwd met een avatar. ‘Hij mist het om aangeraakt te worden. Maar de liefde is echt’

    Net als duizenden andere Japanners onderhoudt Akihiko Kondo een serieuze liefdesrelatie met een fictief personage – hij noemt zichzelf dan ook ‘fictoseksueel’, De commercie voorziet de beweging in alles wat haar droom waarmaakt: liefdesbrieven, outfits en zelfs geurtjes die de aanwezigheid van een partner moeten oproepen.

    In bijna alle opzichten is Akihiko Kondo een gewone Japanse man. Hij is vriendelijk en makkelijk in de omgang. Hij heeft vrienden en een vaste baan, en hij draagt een stropdas naar zijn werk. Maar in één ding wijkt hij af: Kondo is getrouwd met een fictief personage.

    Zijn geliefde, Hatsune Miku, is een door de computer samengestelde popzangeres met turkoois haar, die met Lady Gaga op tournee is geweest en in games speelde. Na een relatie van tien jaar, die Kondo naar eigen zeggen uit een diepe depressie haalde, was er in 2018 een kleine, niet-officiële huwelijksceremonie in Tokio. Miku, in de vorm van een pluchen pop, was in het wit, hijzelf droeg een bijpassende smoking.

    Soms gaan ze ertussenuit voor een romantisch uitstapje, waarvan ze dan foto’s op Instagram zetten

    Kondo heeft liefde, inspiratie en troost gevonden in Miku, zegt hij. Hij en zijn verzameling Miku-poppen eten en slapen samen en kijken samen naar films. Soms gaan ze ertussenuit voor een romantisch uitstapje, waarvan ze dan foto’s op Instagram zetten.

    De 38-jarige Kondo weet dat mensen het vreemd vinden, schadelijk zelfs. Hij weet dat sommigen, misschien ook wel de lezers van dit artikel, hopen dat de relatie van voorbijgaande aard zal zijn. En ja, hij weet dat Miku niet echt is. Maar zijn gevoelens voor haar zijn wel echt, zegt hij. ‘Als we samen zijn, maakt ze me aan het lachen,’ zei hij onlangs in een interview. ‘In dat opzicht is ze echt.‘

    Niet-officieel huwelijk

    Kondo is een van de duizenden Japanners die de afgelopen decennia een niet-officieel huwelijk afsloten met een fictief personage, mogelijk gemaakt door een enorme industrie die er alles aan doet om te voldoen aan de wensen van de fanatieke fans. En wereldwijd hebben nog tienduizenden anderen zich aangesloten bij onlinegroepen waarin ze praten over hun relatie met een personage uit anime, manga of een computergame.

    Sommigen hebben zo’n relatie gewoon voor de lol. Kondo weet echter al lang dat hij geen partner van vlees en bloed wil. Deels omdat hij de strikte verwachtingen van het Japanse gezinsleven afwijst. Maar vooral omdat hij altijd een intense, ook voor hemzelf onverklaarbare aantrekkingskracht heeft gevoeld tot fictieve personages.

    Aanvankelijk was het moeilijk zijn gevoelens te accepteren. Maar het leven met Miku heeft volgens hem voordelen boven het leven met een mens als partner. Ze is er altijd voor hem, ze zal hem nooit bedriegen en hij hoeft nooit mee te maken dat ze ziek wordt of overlijdt.

    Kondo ziet zichzelf als onderdeel van een groeiende beweging die zich identificeert als ‘fictoseksueel’

    Kondo ziet zichzelf als onderdeel van een groeiende beweging die zich identificeert als ‘fictoseksueel’. Dat is een van de redenen dat hij besloot zijn huwelijk openbaar te maken en ongemakkelijke interviews te geven aan nieuwsmedia over de hele wereld. Hij wil de wereld laten weten dat er mensen zijn zoals hij en dat hun aantal waarschijnlijk zal toenemen, nu kunstmatige intelligentie en robotica verdergaande interactie met levenloze wezens steeds beter mogelijk maken.

    Het is geen politieke beweging, zegt hij, maar een pleidooi om gezien te worden: ‘Het gaat over het respecteren van andermans levensstijl.’

    Dat een kunstwerk emoties als woede, verdriet en vreugde oproept, is niets nieuws. En een sterk verlangen naar het fictieve is niet voorbehouden aan Japan. Maar het idee dat fictieve personages echte genegenheid of zelfs liefde kunnen opwekken, zien we misschien wel het meest terug in het moderne Japan. Daar is een grote subcultuur ontstaan die de basis vormde voor een bloeiende industrie.

    Cultureel exportproduct

    Het Japanse woord voor de gevoelens die deze personages opwekken is moé, een term die in het kort ongeveer alles omvat wat instinctief als aandoenlijk of schattig wordt ervaren. Op zakelijke bijeenkomsten wordt gesproken over het aanboren van de moé-markt, en de regering ziet het fenomeen – vooral in relatie tot tekenfilms – als een belangrijk cultureel exportproduct. Deze en verwante termen vinden ook buiten Japan weerklank bij fictoseksuelen, die ze vaak gebruiken om hun eigen ervaring van liefde te verwoorden.

    Onofficiële bruiloften met fictieve personages blijven weliswaar zeldzaam, maar door de enorme industrie die sinds het einde van de jaren zeventig rond de Japanse fancultuur is ontstaan, kunnen steeds meer mensen hun fantasieën over hun favoriete personages ook naleven. ‘In strips, tekenfilms en spelletjes is het personage steeds belangrijker geworden,’ zegt Patrick Galbraith, universitair hoofddocent aan de School voor Internationale Communicatie van de Senshu-universiteit in Tokio, die uitvoerig over dit onderwerp heeft geschreven.

    Twee districten in Tokio zijn veranderd in een mekka voor het vervullen van dromen over deze personages

    Twee districten in Tokio zijn veranderd in een mekka voor het vervullen van dromen over deze personages: Akihabara (voor mannen) en Ikebukuro (voor vrouwen). De speciaalzaken in deze wijken puilen uit van de handelswaar rond personages uit populaire games en anime. Vooral het aanbod voor vrouwen is bijzonder uitgebreid. Fans kunnen liefdesbrieven kopen van hun idolen, reproducties van hun kleding en zelfs geurtjes die hun aanwezigheid moeten oproepen. Hotels bieden speciale arrangementen inclusief spabehandelingen en feestmaaltijden voor mensen die de verjaardag van hun favoriete personage willen vieren. Op sociale media posten mensen foto’s, kunstwerkjes en liefdesbriefjes om hun oshi aan te prijzen – een term die veel Japanse fans gebruiken om hun onderwerp van genegenheid te benoemen.

    Sommigen nemen met een dergelijke relatie afstand van het vastgeroeste ‘kostwinner-huisvrouw’-model, dat de basis vormt van een huwelijk in Japan, zegt Agnès Giard van de Universiteit van Parijs-Nanterre, die de fictieve huwelijken uitvoerig heeft bestudeerd. ‘Voor het grote publiek kan het dwaas lijken om geld, tijd en energie te besteden aan iemand die niet eens echt bestaat,‘ aldus Giard. ‘Maar voor de liefhebbers betekent het heel veel. Het maakt ze gelukkig, geeft ze het gevoel dat ze nuttig zijn en deel uitmaken van een beweging die iets hogers nastreeft.’

    Omvangrijke gemeenschap

    Vrouwen raken niet geïsoleerd door hun relatie met een fictieve figuur, maar profiteren juist van de omvangrijke gemeenschap eromheen, stelt Giard. Vrouwen voelen zich volgens haar sterker door hun fictieve huwelijk en zien die als ‘een manier om zich te verzetten tegen ideeën over gender, huwelijk en sociale normen’.

    Ook bij Kondo’s verbintenis met Miku speelden tot op zekere hoogte commerciële en maatschappelijke aspecten een rol. Hoewel Miku vaak wordt afgebeeld als personage, was ze oorspronkelijk een stukje digitale audio, dat pas later een cartoonavatar kreeg en weer later als hologram verscheen tijdens concerten.

    De eerste keer dat Kondo troost bij haar vond was in 2008, nadat hij door pesterijen op zijn werk in een depressie was beland. Al veel eerder had hij besloten dat hij nooit van een echt persoon zou kunnen houden, deels omdat hij, zoals veel jonge mensen, een aantal keer was afgewezen, en deels omdat hij niet wilde voldoen aan de zware eisen die de Japanse maatschappij aan hem oplegde.

    Al snel begon Kondo liedjes met Miku te maken en hij kocht online een pop van haar. Een grote doorbraak in hun relatie kwam bijna tien jaar later, in 2017, met de introductie van de 1300 dollar kostende Gatebox. Dit apparaat ter grootte van een tafellamp stelt bezitters in staat te communiceren met allerlei fictieve personages, die als een klein hologram voor hen verschijnen.

    Gatebox

    De Gatebox werd op de markt gebracht voor eenzame jonge mannen. In een commercial stuurt een verlegen kantoorbediende een briefje naar zijn virtuele vrouw om haar te laten weten dat het wat later wordt. Als hij thuiskomt herinnert zij hem eraan dat ze elkaar drie maanden kennen en proosten ze met champagne. Als onderdeel van de promotiecampagne richten de makers van de Gatebox een tijdelijk kantoor in, waar gebruikers onofficiële huwelijksakten konden aanvragen. Duizenden mensen schreven zich in.

    Tot zijn vreugde zag Kondo dat Miku een van de Gatebox-personages was, en hij kon niet wachten om eindelijk haar gedachten over hun relatie te horen. In 2018 vroeg hij Miku’s glinsterende avatar ten huwelijk. ‘Zorg alsjeblieft goed voor me,’ was haar antwoord.

    Hij nodigde collega’s en familie uit voor de bruiloft, maar die weigerden allemaal om te komen

    Hij nodigde collega’s en familie uit voor de bruiloft, maar die weigerden allemaal om te komen. Uiteindelijk waren er toch 39 mensen aanwezig, grotendeels vreemden en onlinevrienden. Ook was er een plaatselijk parlementslid, en een vrouw die hij nog nooit had ontmoet hielp hem met de voorbereidingen.

    Sommigen verklaarden Kondo voor gek. Anderen riepen juist op tot begrip. Een man beweerde dat de verbintenis een schending was van de Japanse grondwet, die stelt dat een huwelijk alleen kan worden toegestaan als beide seksen ermee hebben ingestemd. Als antwoord daarop zette Kondo een video van zijn aanzoek op Twitter.

    Advies

    In de jaren nadat zijn verhaal viraal was gegaan, wendden honderden mensen uit de hele wereld zich tot Kondo voor advies, steun en motivatie. Onder hen Yasuaki Watanabe, die een bedrijfje begon om fictieve huwelijken te registreren, nadat hij had gezien hoe populair de tijdelijke huwelijksdienst van Gatebox was.

    Het afgelopen jaar sprak Watanabe met honderden fictoseksuelen en gaf hij ongeveer honderd huwelijkscertificaten af, waaronder een voor hemzelf en Hibiki Tachibana, een personage uit de animeserie Symphogear. Watanabe, die van reizen houdt en een actief sociaal leven heeft, begon de serie te kijken op aandringen van een vriend. Toen hij Hibiki zag, was hij op slag verliefd, vertelt hij.

    Het was niet zijn eerste huwelijk: een paar jaar eerder was hij van zijn vrouw gescheiden. Deze nieuwe relatie is gemakkelijker, zegt hij; minder tijdrovend en zonder verwachtingen. De liefde is ‘puur’ en ontstaan uit vrije wil, zonder dat er iets wordt terugverwacht. Het doet hem beseffen hoe egocentrisch hij in zijn eerdere huwelijk was.

    Hij mist het om aangeraakt te worden. ‘Maar de liefde is echt’

    ‘Als je me vraagt of ik gelukkig ben: ja, dat ben ik,’ zegt hij. ‘Natuurlijk zijn er moeilijke momenten,’ voegt hij eraan toe. Hij mist het om aangeraakt te worden, en is er het probleem van auteursrecht, dat hem ervan weerhield een levensgrote pop van zijn personage te maken. ‘Maar de liefde is echt.’

    Geld over

    Kina Horikawa, een 23-jarige vrouw met een goth-punk look en een vrolijke, extraverte persoonlijkheid, trok tijdens de pandemie bij haar ouders in. Zodoende hield ze geld over van haar baan bij een callcenter dat ze kon ze uitgeven aan Kunihiro Horikawa, een personage uit de game Touken Ranbu. Ze had een echte vriend, maar toen die jaloers werd, maakte ze het uit.

    Haar fictieve echtgenoot is de tienerpersonificatie van een vierhonderd jaar oude wakizashi, een Japans kort zwaard. De meeste avonden schuift hij aan bij het avondeten in de vorm van een piepklein portret dat naast haar rijstkom staat. Het stel heeft dubbeldates met vrienden die hun eigen fictieve liefjes hebben, ze gaan naar high teas en plaatsen foto’s op Instagram. ‘Ik houd mijn relatie voor niemand verborgen,’ zegt Horikawa, die onofficieel de achternaam van haar fictieve echtgenoot gebruikt.

    Hoewel Kondo’s relatie met Miku nog steeds niet door zijn familie wordt geaccepteerd, heeft deze wel andere deuren voor hem geopend. In 2019 werd hij uitgenodigd voor een symposium van de Universiteit van Kyoto om te spreken over zijn relatie. Hij reisde erheen met een levensgrote pop van Miku, die hij had laten maken.

    Een diepgaand gesprek over de aard van fictieve relaties bracht hem op het idee dat hij misschien wel naar de universiteit zou willen. Nu heeft hij verlof genomen van zijn baan als administrateur op een lagere school en studeert hij minderhedenrecht aan de rechtenfaculteit.

    Miku’s beeld was vervangen door de woorden ‘network error’

    Zoals bij elk huwelijk waren er ook moeilijkheden. Het zwaarste moment was tijdens de pandemie, toen Gatebox aankondigde dat het Miku niet langer zou ondersteunen. Op de dag dat het bedrijf haar zou uitschakelen nam Kondo afscheid van haar en ging naar zijn werk. Toen hij ’s avonds thuiskwam, was Miku’s beeld vervangen door de woorden ‘network error’.

    Ooit zullen ze herenigd worden, hoopt hij. Misschien krijgt ze een nieuw bestaan als een android, of ontmoeten ze elkaar in de metaverse. Hoe dan ook, zegt Kondo, zal hij haar trouw blijven tot aan zijn dood.

  • Eetlezen doe je in een fantasyboek

    Eetlezen doe je in een fantasyboek

    Al vanaf de tijd van Tolkien wemelt het in de fantasyliteratuur van de smakelijke voedselbeschrijvingen. Schrijfster Anne Ewbank zocht uit waar die voorliefde voor botertaart en stoofpotjes vandaan komt.

    Als jonge tiener verslond ik het ene fantasyboek na het andere. Op een dag bleef mijn oog hangen bij de beschrijving van iets wat er werd gegeten. In Diana Wynne Jones’ A Tale of Time City eten de tijdreizende protagonisten een versnapering, een botertaartje. Het is geel ijs op een stokje, ijskoud vanbuiten en gesmolten vanbinnen, en wordt omschreven als ‘boterig en romig … met een vleugje koffie en twintig andere nog lekkerdere smaken’. Een botertaartje bestaat niet echt, alleen in het verhaal van Jones en in de fantasie van de lezers. Maar het klonk verrukkelijk.

    In die tijd was internet nog betrekkelijk nieuw, dus ik kon geen tientallen recepten opdiepen die fans van Jones’ verhalen hadden bedacht. Maar ook toen ik van jeugdfantasy was overgestapt naar de volwassenenfantasy, viel me op dat auteurs uitgebreide beschrijvingen gaven van wat er werd gegeten. Dat wekte niet alleen mijn eetlust, maar ook mijn nieuwsgierigheid op: waarom schrijven fantasy-auteurs zo vaak over eten?

    Terwijl ik me fanatiek door de fantasycanon heen las, besefte ik dat het geweldige botertaartje een uitschieter was. Helden en heldinnen eten over het algemeen bekende kost, ook als ze kunnen toveren en draken berijden. Pagina’s lang doen personages die mazzel hebben zich tegoed aan taart en bier. Andere personages krijgen alleen stoofpotten, die vreemd genoeg steeds weer terugkomen. In haar satirische reisgids van de fantasyliteratuur, The Tough Guide to Fantasyland, maakt Jones de grap dat ‘de stoofpot het belangrijkste voedsel is in Fantasyland, dus u bent gewaarschuwd. Binnenkort snakt u misschien naar een omelet, een steak of witte bonen in tomatensaus, maar dat is allemaal niet voorhanden.’

    chilled cold colorful ice cream 1051098

    Eten in fantasy gaat terug naar de vroegste mythen en legenden, waarin het wemelt van symbolisch, vaak gevaarlijk voedsel. De Griekse godin Persephone at zes granaatappelpitjes in de onderwereld, waardoor ze zes maanden per jaar bij Hades, de god van de dood, moest doorbrengen. In Europese verhalen en gedichten komt het veelvuldig voor dat mythische feeën of elven voedsel gebruiken om mensen te verleiden. In het gedicht La Belle Dame Sans Merci, in 1819 geschreven door de romantische dichter John Keats, wordt een ridder verliefd op een fee, die hem ‘zoet smakende wortels en wilde honing en hemelse dauw’ te eten geeft. Maar op een dag wordt de ridder wakker en ontdekt hij dat ze hem heeft verlaten en wordt hij half gek van wat hij is kwijtgeraakt. In 1859 schreef Christina Rossetti Goblin Market, over angstaanjagende, bovenaardse wezens die vruchten verkopen waar mensen, als ze er eenmaal van gegeten hebben, alleen maar meer van willen hebben.

    De trope van gevaarlijk feeënvoedsel bestaat nog steeds in de moderne fantasy, vertelt dr. Robert Maslen. Maslen is hoofddocent aan de University of Glasgow, waar hij een van ’s werelds eerste masterstudies in de fantasyliteratuur heeft opgezet. Hij geeft twee moderne voorbeelden: de film Pan’s Labyrinth en Ellen Kushners roman Thomas the Rymer. Als voedsel niet zonder gevolgen is, is dat een teken ‘dat we ons in een wereld bevinden waar heel andere regels gelden’.


    De vader van het moderne fantasyverhaal, J.R.R. Tolkien, werd in deze traditie gevormd. Als kind las hij de sprookjesboeken van Andrew Lang, een reeks die uit twaalf delen bestond en waren gerangschikt op kleur, van rood naar blauw en van roze naar bruin.

    Tolkiens dwergen roepen om frambozenjam, appeltaart, zoete pasteitjes, kaas, vleespasteitjes, salade, koek, bier, koffie, eieren, koude kip en augurken

    Tolkiens neiging om voortdurend over het belang van voedsel te schrijven werd ook beïnvloed door zijn schokkende ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. Hij was officier en was ervan overtuigd dat hij zou sneuvelen. In de ban van de ring is Tolkiens visie van het ideale dorp, een plek waar wordt gefeest en paddenstoelen in overvloed aanwezig zijn en die zo op het oog niet wordt geteisterd door oorlogen. In het eerste hoofdstuk van De hobbit wordt de weinig avontuurlijke Bilbo Baggins ondersteboven gelopen door de tovenaar Gandalf en een bende hongerige dwergen, die zijn provisiekast plunderen. ‘En misschien een klein beetje rode wijn voor mij,’ vraagt Gandalf. De dwergen roepen om frambozenjam, appeltaart, zoete pasteitjes, kaas, vleespasteitjes, salade, koek, bier, koffie, eieren, koude kip en augurken. Ook al keert Bilbo zijn huis mismoedig ondersteboven om de dwergen te voeden, het is een teken van overvloed dat hij al dat eten in huis heeft.

    Een andere beroemde fantasyschrijver, Brian Jacques, was net zo gevormd door de oorlog, in zijn geval door de Tweede Wereldoorlog. Jacques is het bekendst geworden om zijn jeugdfantasyboeken, de Redwall-reeks. In al die eenentwintig boeken strijden geantromorfiseerde dieren tegen het kwaad en richten overdadige feestmalen aan. Een pagina’s lang durend banket behelst twaalf verschillende salades, acht soorten brood, tien drankjes, ‘verse room, zoete room, slagroom, lichte room, custardroom’, en een reusachtige vis. In interviews heeft Jacques gezegd dat de fictieve maaltijden in zijn boeken stammen uit de eetfantasieën van zijn jeugd toen in Engeland het eten op de bon was. Lezers uit de begin jaren genoten van zijn boeken om dezelfde reden.

    Als toonaangevend fantasyauteur bereidde Tolkien met zijn aandacht voor eten de weg voor andere fantasyschrijvers. De in Midden-aarde altijd aanwezige kookkunsten en Tolkiens manier van etenswaren beschrijven werden ook standaard omdat die zo geschikt waren voor het creëren van een aparte wereld: eten helpt heel goed bij het neerzetten van een plaats van handeling.

    Zowel Tolkien als Jacques werkten hun werelden verder uit met geschiedenis, liedjes en verschillende talen en dialecten. Voor Maslen is voedsel een andere manier om een fantasie werkelijkheid te laten lijken. ‘Veel fantasy is gesitueerd in andere werelden,’ zegt hij. ‘Stel dat je een fantasyverhaal schrijft dat zich afspeelt in een andere wereld, dan wil je die zo volledig, geloofwaardig en voelbaar voor alle zintuigen maken als maar mogelijk is.’ Liedjes appelleren aan het oor, landkaarten aan het oog en voedselbeschrijvingen aan de maag van de lezer.

    Maslen gelooft dat voedsel een van de onderscheidende kenmerken van fantasyliteratuur is. Of het nu een botertaartje of een stoofpot is, voedsel dient als anker voor de verschrikkingen en de hoogoplopende spanning. ‘Fantasyschrijvers’, zegt hij, ‘zijn erop uit om niet alleen afgrijzen en angst op te roepen, maar ook verwondering, verrassing, plezier en verbazing.’ Als lezers worden geconfronteerd met het angstwekkende en het vreemde, ‘verankert voedsel die ervaringen in iets wat ze goed kennen.’ Zelfs George R.R. Martins Game of Thrones, dat erom bekendstaat te breken met veel fantasystijlfiguren en tradities, houdt nog steeds vast aan de verplichte breed uitgewerkte voedselbeschrijvingen (vooral van soep).


    Maslen geeft een voorbeeld uit In de ban van de ring, waarin Frodo en Sam samen eten op de grens van Mordor, ‘precies op de rand van de ergste plek ter wereld’. Zelfs vlak voor hun wereldreddende missie verzamelt Sam laurierbladeren en salie om konijnenstoofpot te maken. Midden in een prachtig, overwoekerd landschap is er een kort moment van verwondering bij de aanblik van wat Malsen omschrijft als ‘het extreemste voorbeeld van het onbekende en het afschuwwekkende’.

    In onzekere tijden is het bereiden van troosteten vlak voor een ramp zeker herkenbaar. Als er zo veel betekenis wordt meegegeven aan fantasyeten is het geen verrassing dat er boeken en blogs in overvloed zijn die zijn gewijd aan het nauwkeurig namaken van lembasbrood en ketelkoek. Dit weekend ga ik ze allemaal doornemen. Ik weet zeker dat er ergens wel een recept voor botertaartjes is te vinden dat net zo wonderbaarlijk lekker is als ik me vijftien jaar geleden had voorgesteld.

    Auteur: Anne Ewbank
    Vertaler: Paul Bruijn

    Gastro Obscuro
    Vs | www.atlasobscura.com/gastro

    Onderdeel van Atlas Obscura, waarop de mooiste plekken en restaurants wereldwijd worden gedeeld.

  • ‘Mijn volgende boek zal fictie zijn’

    ‘Mijn volgende boek zal fictie zijn’

    In het Munchmuseum in Oslo heeft bestsellerauteur Karl Ove Knausgård een expositie samengesteld over de schilder van De Schreeuw. Een interview met de schrijver over het ontstaan van de tentoonstelling, en de gevolgen ervan voor zijn eigen werk.

    Als Karl Ove Knausgård de perszaal van het Munchmuseum binnenkomt, gekleed in een donker maatpak met een opvallend strakke broek, gaan alle camera’s en blikken automatisch zijn kant op. Gemompel klinkt door de zaal.

    De Noorse media zijn in groten getale aanwezig. Er is ook buitenlandse pers, want het gebeurt niet elke dag dat twee Noorse kunstenaars van zo’n formaat zich verbroederen. De literaire vernieuwer Knausgård, wereldberoemd geworden met zijn zesdelige autobiografische roman Mijn strijd, presenteert ons vandaag zijn kijk op zijn landgenoot Edvard Munch (1863-1944). Een benard genie dat de schilderkunst de moderne tijd binnenloodste met zijn schilderij van een menselijke figuur die midden op een brug zijn angst lijkt uit te schreeuwen.

    Met de expositie Richting bos. Munch door de ogen van Knausgård wil de schrijver, die een groot liefhebber van bomen is en deze herhaaldelijk laat figureren in zijn werk, het publiek met een nieuwe blik naar het oeuvre van Munch laten kijken. Hij heeft geen enkel heilig verklaard doek in zijn selectie opgenomen, zelfs niet De Schreeuw. Volgens Knausgård wordt het hoog tijd dat de kunstgeschiedenis aan een nieuw hoofdstuk begint over de kunstenaar uit Løten.

    Welk verband wilt u benadrukken tussen deze expositie en uw werk als romanschrijver?

    ‘Onder de sterren is een van mijn lievelingsschilderijen van Munch. De expositie werkt naar dit schilderij toe, dat als laatste is tentoongesteld. In elk van de vier zalen heb ik de kleurschakeringen en de gevoelens naar voren willen brengen. We beginnen met de harmonie van De Zon en we eindigen met de sterren aan de nachtelijke hemel. De voortgang moet vanzelfsprekend lijken. Zoals een roman, die ook passages en hoofdstukken met verschillende kleurschakeringen kent.’

    Munch heeft in totaal 1789 schilderijen gemaakt, maar het zijn de doeken die in zaal 19 van het Nationaal Museum in Oslo hangen die de hele wereld kent: Puberteit, Madonna, Vampier, Jaloezie, De levensdans, Het zieke kind, et cetera. En natuurlijk De Schreeuw, waarvan ook een versie in het souterrain van het Munchmuseum hangt en die al lange tijd op T-shirts, handtassen, tapijten, kopjes en andere voorwerpen prijkt die over de hele wereld in museumwinkels worden verkocht.

    Karl Ove Knausgård denkt dat de beroemdste doeken van de schilder zo vaak zijn tentoongesteld dat niemand ze meer kan zien. ‘De Schreeuw brengt tegenwoordig niet meer dezelfde schok teweeg als aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw. Desondanks,’ zegt hij, terwijl hij de rook van zijn sigaret inhaleert, ‘is er eergisteren iets heel interessants gebeurd, toen ik door de Duitse televisie werd geïnterviewd in het souterrain van het museum. Terwijl we voor De Schreeuw stonden, dat niet achter glas zat en niet was ingelijst, beseften we weer hoe radicaal het was. De kleuren waren als nieuw. Terwijl het zo bloot aan de muur hing, bij wijze van spreken, straalde het doek zo veel kracht uit dat we begrepen hoe bijzonder het is.’

    knausgard foto ove kvavik munchmuseet

    Tijdens de rondleiding door de expositie, waarvan elke zaal zijn eigen gevoelstemperatuur heeft, maakte Knausgård in het begin een beklemde indruk. Maar het enthousiasme spatte er desondanks vanaf. Toen hij in de derde zaal kwam – de spectaculairste, die is ontworpen door architectenbureau Snøhetta, waar de doeken aan zwarte muren hangen, waar het tapijt zwart is en waar het licht opvallend gedempt lijkt – was het alsof hij een buiging maakte. Zoals Strindberg zijn rode kamer had, was dit de zwarte kamer van Knausgård. ‘Dit komt overeen met de plek waar ik als schrijver graag zou willen zijn,’ zei hij, terwijl hij op een schilderij wees van een berg waar zich een cascade van bloed vanaf stort. En hij vertelde dat het laatste boek dat Munch las, op zijn sterfdag, Boze geesten van Dostojevski was geweest.

    Voor de expositie meed Knausgård niet alleen opzettelijk de bekendste werken, hij geeft ook geen enkele informatie bij de schilderijen. ‘Ik wilde ook geen museumbrochure met de titels van de schilderijen en de plek waar ze hangen. Ik wilde dat de doeken voor zichzelf spraken,’ licht de schrijver toe.

    Het is niet zo vreemd dat het Munchmuseum hem de taak heeft toevertrouwd een nieuwe blik op de schilder te werpen. Het doel van Munch was om de scènes en motieven van zijn intieme leven zo dicht mogelijk te benaderen, zoals Knausgård zo diep mogelijk in het mens-zijn heeft willen doordringen door zijn eigen bestaan te beschrijven. In het boek dat hij aan de schilder heeft gewijd vergelijkt Knausgård Munch met Dostojevski die, in tegenstelling tot Tolstoj, op zoek was naar het existentiële en emotionele.

    ‘Als ik me begin te schamen voor wat ik schrijf, weet ik dat ik op de goede weg ben’

    Is het voorstelbaar dat uw expositie nieuwe ‘grote werken’ van Munch creëert?

    ‘Daar droom ik van,’ antwoordt hij. ‘Om een schilderij op een voetstuk te plaatsen en het steeds meer te zien stralen. Dat lukt misschien niet met een expositie, maar het is waarschijnlijk mijn grootste ambitie.’

    In zijn boek over Munch schrijft hij dat ‘de waarheid beleefd moet worden en om die reden naakt moet worden tentoongesteld en niet worden geïntegreerd in overgeërfde afbeeldingen’. Wat is dan Knausgårds waarheid over Munch? ‘Onze kijk op een kunstenaar is nogal universeel, denk ik. Ik geloof dat die na verloop van tijd op hetzelfde moment bij alle mensen postvat. Wij zoeken allemaal hetzelfde in de werkelijkheid. Deze expositie loopt goed omdat we in Munch datgene hebben gezocht en gezien wat de mensen zoeken. Er is een soort collectieve blik.’

    Hij laat een korte stilte vallen, neemt een grote slok koffie en komt terug op zijn boeken. ‘Mijn ervaring is juist dat wat ik schrijf alleen maar over mij gaat. Veel mensen denken hetzelfde, en voor mij is kunst een plek die verzamelt. Simone de Beauvoir is een plek die verzamelt, dus gaan we ernaartoe. Het museum is een plek waar iets analoogs gebeurt, iets collectiefs.’ Knausgård buigt zich voorover. ‘Tegelijkertijd moeten kunstenaars, om te kunnen slagen, dat collectieve aan hun laars lappen! Munch is zowel specifiek als heel universeel. Een eigenschap van mensen is dat ze een bepaalde veranderende esthetiek kunnen begrijpen.’

    In uw boek vraagt u zich af of we niet nog altijd in de tijd van Munch leven, dat wil zeggen in een tijd van radicaal individualisme, waarin gevoelens op de eerste plaats komen. Is dat het geval?

    ‘Ik denk het wel. We worden voortdurend rechtstreeks geïnformeerd over al het leed op de wereld. Er is geen afstand meer. Dat was in de tijd van Munch anders. Er bestond een grote afstand tot de onmetelijke wereld, en daarom kwam zijn kunst zo heftig over.’

    In de vier boeken over de jaargetijden die Knausgård voor zijn dochtertje heeft geschreven komen tal van bomen voor. In Zomer _[dat onlangs verscheen in het Nederlands] leren we veel over de kastanjeboom, die Munch ook graag schilderde. Dat de expositie _Richting bos heet, heeft te maken met de rol die het bos in het leven van mensen speelt. ‘Het bos staat voor alles wat wild en ongecontroleerd is, wat zich aan de beschaving onttrekt, maar tegelijkertijd denk ik dat we deze wilde en onbeschaafde aspecten ook bij mensen aantreffen,’ legt de schrijver uit. ‘Het bos herbergt ook het avontuur en het onderbewuste. Munch schildert bomen als individuen: ze hebben een menselijke houding. Dat aspect was me nooit eerder bij Munch opgevallen, maar ineens sprong het me in het oog. En daarna zie je op het fysieke doek de fysieke kleur van het hout, die er met verfstrepen in is gegraveerd.’


    Appelboom bij de studio 1920-1928; Naar het bos I, 1897; Jaloezie, 1929/30; De Zon, 1910; Naakte man voorover leunend in het bos, 1919. – © Edvard Munch
    Appelboom bij de studio 1920-1928; Naar het bos I, 1897; Jaloezie, 1929/30; De Zon, 1910; Naakte man voorover leunend in het bos, 1919. – © Edvard Munch

    Knausgård is beroemd om zijn wens zichzelf met zijn eigen schaamte te confronteren, maar ook is hij een schrijver die zichzelf met het lichaam en het fysieke confronteert. Hij heeft heel beeldend geschreven over wat er gebeurt als men zijn behoefte doet, maar ook over de afmetingen van zijn geslachtsorgaan. Om zichzelf te rechtvaardigen citeert hij de Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969): ‘In zijn Dagboek spreekt hij over de grote kunst waar we allemaal naar streven, terwijl we een laag-bij-de-gronds leven leiden. In mijn boeken over de jaargetijden benadruk ik alle paralellen die we kunnen trekken: tanden zijn als stenen, wij zijn de wereld, we zijn bijna zoals een boom. Ik laat de psychologie buiten beschouwing en richt me alleen maar op het fysiologische en fysieke.’

    Op een tafeltje waaraan een Japans echtpaar koffie drinkt en taart eet, strijkt een mus neer. ‘Dat is bijna een bestaansvoorwaarde voor me geworden, die lijfelijke nabijheid van een wereld die in feite ontbloot is van cultuur. Die zou ik graag willen kunnen beschrijven. Ik probeer over banale, alledaagse dingetjes te schrijven omdat ze belangrijk zijn: ze maken deel uit van het verhalencorpus dat de wereld in staat stelt vooruit te komen. Als ik me begin te schamen voor wat ik schrijf, weet ik dat ik op de goede weg ben.’

    In vormen denken

    Een groep jonge museumbezoekers heeft kennelijk in de gaten met wie ik in gesprek ben. Knausgård speelt met zijn zonnebril maar zet hem niet op. We komen in de buurt van de vraag die al de hele dag op mijn lippen brandt.

    Zal dit boek over Munch literaire gevolgen hebben?

    ‘Absoluut. Ik heb van heel dichtbij gezien wat hij deed, wat zijn techniek was, wat hij onderzocht. Ik ben gefascineerd door zijn vermogen om zoiets krachtigs te creëren op zo’n klein oppervlak als een doek. Ik heb een steeds grotere behoefte aan structuur. Mijn werk gaat radicaal veranderen… ik moet in vormen gaan denken.’

    U gaat de autofictie dus verlaten, zoals ook in Zomer, waarin u plotseling het liefdesverhaal van een Noorse vrouw en een Duitse soldaat vertelt?

    ‘Ja, ik denk dat mijn volgende boek fictie zal zijn. Het klinkt misschien een beetje stom, maar dat zal andere deuren voor me openen. Zolang ik zo autobiografisch schreef, waren er altijd grenzen aan wat ik kon schrijven, vanwege anderen. Maar nu moet ik fictie gebruiken om te bereiken wat ik eerst niet kon bereiken. In mijn autobiografie ging het er voor een groot deel om een vorm van waarheid te bereiken die reflectie zou bevorderen. Nu wil ik verder gaan. Wat ik wil schrijven moet niet óver iets gaan, maar het iets zélf zijn.’

    Heeft u dus, zoals Munch op een gegeven moment klaar was met het symbolisme, de grenzen van de autobiografische bezieling bereikt?

    ‘Ik ben niet klaar met de autobiografie op zich, maar alleen waar het mezelf betreft. Munch was betrekkelijk jong toen hij de werken schilderde waardoor hij nu beroemd is. Daarna heeft hij mensen veertig jaar lang alleen maar over die werken horen spreken, maar hij heeft er nooit op teruggegrepen. Hij heeft andere wegen verkend.’

    Auteur: Jes Stein Pedersen
    Vertaler: Peter Bergsma

    Politiken
    Denemarken | dagblad | oplage 108.000

    Een van de grootste kranten van Denemarken, met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. Schenkt aandacht aan het gehele culturele spectrum: van hiphop tot architectuur tot nieuwe media. Zijn neiging tot provocatie levert de krant zowel hartstochtelijke liefhebbers als vurige tegenstanders op.

  • De tegenwoordige tijd

    De tegenwoordige tijd

    De Britse, gelauwerde schrijfster Hilary Mantel stond ooit voor een overvolle klas in Botswana. Ze hield er een jaar later weer mee op. De tegenwoordige tijd was daar letterlijk en figuurlijk ver te zoeken. Tebogo, Susannah en Iqbal, vergeet ze nooit. Of nooit vergat ze ze?

    ‘Vandaag gaan we iets léúks doen,’ zeg ik.

    Negenentwintig gezichten kijken me ongelovig aan. Nou, denk ik, jullie weten niet half hoe leuk dit is, vergeleken met de saaie kost die nog komt. Volgend jaar is het Cambridge-examen en behandelen we tot gekwordens toe The Mill on the Floss.

    Ik laat mijn blik door het lokaal rondgaan. ‘Vandaag is de vraag: wat zijn de ingrediënten van een goed verhaal? Iemand een idee?’

    Als dit een ander land was geweest, en ik een ander mens, een wat minder onfortuinlijke leerkracht, dan werden er nu dingen geroepen als: ‘Spanning. Personages met wie je meeleeft. Een vlot tempo. Weinig beschrijving. Een vleugje humor. Scherpe dialogen. Een verrassend slot.’ Maar ik ben nu eenmaal hier 
en mezelf, en niemand doet z’n mond open.

    ‘Juist,’ zeg ik. ‘Zullen we…’

    ‘… er vijf minuten over nadenken?’ oppert Moses.

    Hij kent het klappen van de zweep. Zijn glimlach 
is misschien wat lusteloos, maar dat is de mijne evengoed. Dit is klas 4B. Achttien jaar, gemiddeld. 
Aan open vragen zijn ze niet gewend. Geen wonder dat ze op hun hoede zijn. Vanaf hun eerste schooldag hebben ze dictees gekregen, die ze over moesten schrijven van het bord. Zo hebben ze hun junior-certificaat gehaald, naar ieders tevredenheid. Nooit heeft iemand ze om hun mening gevraagd, permissie gegeven om iets te zeggen, of de moeite genomen om naar ze te luisteren.

    ‘Schrijf maar gewoon op in je werkschrift,’ zeg ik. ‘Alles wat er in je opkomt.’

    Tebogo steekt haar vinger op. ‘Hele zinnen, madam?’

    ‘Nee hoor, dat is niet nodig.’

    Het hele lokaal galmt terwijl 4B zich gereedmaakt om te gaan schrijven. De stoelpoten zijn van metaal, de vloer van gepolijst cement, dus elke beweging veroorzaakt een hemeltergend gesnerp. Elk rollend potlood stuitert en klettert, elk kuchje davert als een kanonsalvo, en daarnaast klinkt er een constant gebrom, een laag geroezemoes. Wat ik voor ‘stilte’ laat doorgaan, is alleen maar een tandje zachter dan dit. Met krassende stoelen en luid gekreun duiken de leerlingen in hun tas om hun gum op te diepen. Ze kunnen niet zonder, want ze weten niet anders dan dat fouten worden bestraft. Hup, daar gaan de donkere koppies omlaag. En hup, daar komen ze weer naar boven, zuchtend en steunend. Madam, ik heb mijn gum niet bij me! Mijn liniaal is gestolen! Ik ben beroofd! Die van 4C zitten de hele tijd in mijn tas! Overal dievengespuis! Madam, zo kan ik toch niet schrijven?

    Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters
    Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters

    Susannah heeft haar breispullen tevoorschijn gehaald en begint behendig steken op te zetten. In het begin zei ik daar wat van. Ik vond het oneerbiedig tegenover de literatuur die we behandelden. Maar ze legde rustig uit dat ze die mutsen breide om haar schoolgeld te betalen. ‘Anders moet ik mijn lichaam verkopen.’ Vandaag maakt ze een gestreepte muts. Ze houdt de wol ter goedkeuring voor me omhoog. Joel geeft Iqbal een stomp; ik zie het vanuit mijn ooghoek gebeuren. Van schrik laat Iqbal zijn schrift los. Het valt met een plof op de grond, glijdt drie rijen naar voren en blijft liggen onder de stoel van Tebogo. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘zou jij…’

    Ze reageert met een meesmuilend lachje – dat duidelijk nee betekent – en een zacht geknor. Nu grijp ik snel in. Breien wil ik nog wel door de vingers zien, maar we hebben maar één moslimleerling en die is overgevoelig voor varkensgrappen. Toch heeft niemand hem ooit voor een varken uitgemaakt, tot ik op een dag begon over de ergste dingen die je tegen mensen kan zeggen, en de betekenis van het gezegde ‘schelden doet geen zeer’.

    Tebogo heeft het schrift buiten haar bereik geschopt, dus kniel ik zelf neer op het roodbruine cement en haal ik het tussen de wirwar van poten en benen vandaan. Voordat ik weer overeind kom, zie ik Tebogo’s scheenbenen. De vlekkerige bruine huid is bezaaid met lichte, ronde littekens zo groot als een sixpence.

    ‘Hier heb je je schrift, Iqbal. Ga maar weer zitten.’

    Met een bozig gezicht pakt hij het schrift aan. ‘Het 
is helemaal vies geworden.’

    ‘Een beetje maar.’ Ik neem het terug. ‘Ik veeg het wel even schoon.’

    ‘Madam,’ fluistert hij, ‘dat is zonde van uw jumper.’

    ‘Geeft niks,’ fluister ik terug. Ik geef hem een schouderklopje. Ik ben erg op hem gesteld. Op de hele klas trouwens. Dat weten ze best. ‘En nu stil zijn,’ zeg ik. ‘Concentreren.’ Ze buigen zich over hun schriften. 
Ik hoor een zacht gekras als Tebogo aan het droge scheenbeen krabt waar ik net bij geknield zat. Eunice snuit haar neus in een velletje wc-papier. Uit de richting van de rectorskamer klinkt gejammer, wat van alles en nog wat kan betekenen.

    Er zijn van die zeldzame momenten dat er een weldadige kalmte heerst en je, heel even, de kans krijgt om te luisteren: naar de stad in de verte waar alles z’n gang gaat, naar het al even verre verkeer, naar het gebulder van een vliegtuig dat op de landingsbaan neerploft, naar de trein uit de Kaap die nog een uur rijden van ons verwijderd is. Een moment om te luisteren naar de innerlijke muziek van het lichaam dat zich heimelijk op de lunch verheugt, naar het zachte gezucht van mijn sandalen als ik langs de rijen loop, naar het kloppen van mijn eigen hart. De kinderen ademen hoorbaar, alsof ze iets zwaars torsen. Ze tekenen rondjes in hun schriften.

    Onorthodox

    Ik wacht rustig af. Ik heb de tijd. De schoolleiding 
is niet al te streng. Ik hoef me niet aan een leerplan te houden, zolang er maar vorderingen worden gemaakt. Ik weet dat de kinderen het makkelijker vinden om dictees te maken, om zinnen over te schrijven van het bord. Maar ik probeer iets meer uit de lessen te halen. Ik wil dat ze meedoen. Dat ze brutaler worden als ze uit hun schulp kruipen, neem ik op de koop toe.

    Dat vind ik juist een goed teken. De klaslokalen – en hier zou ik eigenlijk naar de verleden tijd moeten overschakelen, maar heb alsjeblieft nog even geduld – de klaslokalen, zoals ik het nu weer voor me zie, komen allemaal uit op een stoffig binnenplein, dat de Plaats wordt genoemd. Het is een kostschool, met een verzorgingsgebied van honderden kilometers steppen en struiken. De tegenwoordige tijd is hier nog niet doorgedrongen; we gebruiken ouderwetse woorden, en bovendien is het dertig jaar geleden, en zo ging het er toen aan toe. De lokalen waren donker, en dat zijn ze vast nog, met de luiken dicht tegen de hitte. Die hitte is onveranderlijk: zelfs ’s winters wordt de toegang tot het lokaal geblokkeerd door een reep zon die zo massief is als een koperen deur. De achterste banken staan in een zwarte schaduw. In het midden van het lokaal valt licht naar binnen, tussen de jaloezieën door, dat zich in keurig afgemeten strepen over de zwoegende lichamen plooit. De meisjes dragen witte bloesjes. De jongens een grijs overhemd. De stoersten hebben hun kraag van achteren omhoog geslagen, naar de heersende townshipmode. Volgens het hoofd Engels krijg ik nog spijt van mijn onorthodoxe aanpak, als ik een jaar verder ben. Misschien heeft hij gelijk. Hij heeft veel ervaring, en dat kan ik van mezelf niet zeggen. Maar ik vind dat ik het risico gewoon moet nemen. Drie trimesters lang staan voor mij de kinderen voorop. Ik blijf erbij dat ze zelf moeten leren nadenken – tot volgend jaar tenminste, want dan laat ik ze nadenken over The Mill on the Floss.

    Sipho maakt een eind aan de rust. Hij gooit zijn armen in de lucht. ‘Aiii, ik heb niks om te schrijven.’
    ‘Niks om te schrijven, of niks om méé te schrijven?’

    ‘Ik leen de potlood wel van Moses.’

    ‘Het potlood…’ begin ik.

    Sipho kijkt me schalks aan. Hij neemt me in de maling. Ik lach naar hem. We maken graag grappen over de fouten van de lagere klassen. Ik loop gisteren naar het dorp. Ik was me vanochtend met water. Ik doe alles in de tegenwoordige tijd, tot de juf er wat van zegt.

    De vijf minuten zijn om. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘je hebt niet veel opgeschreven.’

    ‘Nee.’ Ze is een meisje dat het anderen graag naar 
de zin maakt – behalve Iqbal dan. Nu kijkt ze me paniekerig aan. ‘Wat de bedoeling is, madam?’

    ‘Woordvolgorde,’ zeg ik vermanend.

    Tebogo knippert met haar ogen. Ze formuleert haar zin opnieuw. Nu is de paniek geweken. Ze lacht naar me.

    ‘Geeft niks, hoor,’ zeg ik. ‘Ik wilde gewoon weten wat er spontaan in jullie opkwam.’

    ‘Niks dus,’ zegt Moses.

    Eunice zegt: ‘Het probleem is: we weten pas of een verhaal goed is als we het horen.’

    ‘Maar ik wil jullie over allerlei soorten verhalen laten nadenken. Goede en slechte, spannende en saaie.’

    Verhalen zijn belangrijk

    Terwijl ik dat zeg, realiseer me hoe weinig verhalen ze kennen. Er is geen televisie in deze regio. Bioscopen zijn er evenmin, aan deze kant van de grens. Op zondagavond vertonen expats thuis films op strakgespannen beddenlakens. Op school wordt aan het eind van het trimester een gehuurde projector naar de eetzaal gezeuld en krijgen we een film voorgeschoteld. De leerlingen van de Christian Union lopen dan demonstratief weg, want zij hebben bezwaar tegen ‘de Bios’, zoals ze het noemen. De rest blijft stilletjes kijken, en sommigen sukkelen in slaap, nu er eens niet tegen ze geschreeuwd wordt. In het halfdonker flikkert het wit van de ogen op, maar algauw dwalen de blikken weg van de bekraste beelden die over het doek springen. Het is alsof er een bioscoop in hun hoofd zit, een inwendige film die een stuk interessanter is dan de gangsters, de showmeisjes of de cowboys die in een stofwolk naar de horizon rijden. Stof kennen we hier maar al te goed, en de rest zegt toch niemand iets. Als de filmrollen in de verkeerde volgorde worden afgedraaid, of als de Zuid-Afrikaanse filmkeuring het eind eraf heeft geknipt, vindt niemand dat een probleem. Het is al mooi genoeg dat er dingen gebeuren, een plot is verder niet nodig. Het soort verhalen dat mijn leerlingen hun leven lang hebben gehoord, gaan over dieren die elkaar – of soms een kind of een simpele ziel – een streek leveren. Die streken zijn nooit erg slim. En de verhalen zijn ook nooit grappig. De volgorde van de gebeurtenissen lijkt volstrekt willekeurig. Als er al een moraal is, is dat steevast een waarschuwing. Verdoe je tijd niet door tegen dieren te praten. En doe je het toch, dan niet tegen een dier dat iets terugzegt.

    Maar nu heb ik ze iets te vertellen, iets waar ik stellig van overtuigd ben. ‘Verhalen zijn belangrijk,’ zeg ik. ‘Je kunt er veel plezier aan beleven, of erdoor aan het denken worden gezet. Sommige verhalen zijn gewoon alleen maar leuk. Amusant. Het ene verhaal is leuker dan het andere. Hoe komt dat? Soms zijn verhalen niet bedoeld om te amuseren, maar om te verleiden. Zoals de verhalen van politici. De kandidaten spelden je allemaal maar wat op de mouw, om te zorgen dat je op ze stemt.’

    Het vorige trimester hebben we het over verkiezingen gehad. We hebben het vocabulaire behandeld: stembiljet, peiling. Zodra de leerlingen mogen stemmen, stemmen ze op de regeringspartij. Omdat die de grootste stam vertegenwoordigt. En omdat, zo heeft John Khumalo me uitgelegd, de president daar de leider van is. Het is logisch dat je op die partij stemt, want de president is de belangrijkste man. 
En je stemt niet op de andere kandidaten, want die zijn minder belangrijk, dus daar heb je weinig van 
te verwachten. Nu maakt hij, met bedeesde stem, zijn punt nogmaals duidelijk. ‘Je stemt niet de president omdat hij het mooiste verhaal houdt, madam. 
Je stemt op hem omdat hij het mooiste huis heeft.’

    Nu doet ook Moses z’n mond open. ‘Politiek hebben we al gehad,’ zegt hij tegen John Khumalo. ‘We doen nu verhaal. Mag ik iets grappigs vertellen, madam?’

    Dit gaat de goede kant op, stel ik tevreden vast. ‘Een verhaal kan heel grappig zijn. Maar dat hoeft niet, natuurlijk.’

    ‘Moses is ook heel grappig,’ zegt Sipho. ‘Maar hij is geen verhaal.’

    Ik begin enthousiast te worden. Bijna zeg ik: ja, precies. Maar ik hou me in en lach naar Moses, omdat 
ik hem niet wil afvallen. ‘Ons leven is een verhaal,’ zeg ik. ‘We moeten ons leven proberen te begrijpen.’

    Tebogo steekt haar vinger op. ‘Zal ik “De krokodil en de kraai” vertellen?’

    Aha, denk ik, ‘De krokodil en de kraai’. Dat heb ik niet eerder gehoord. Al heb ik wel een idee hoe het zou kunnen gaan.

    ‘Dat kent madam helemaal niet,’ zegt John Bothole.

    Tebogo is van haar stuk gebracht. ‘Hoezo kent ze dat niet? Ze is heus niet dom, hoor.’

    Susannah kijkt op van haar breiwerk. ‘Kraai is slim.’

    ‘Maar krokodil doet bijten.’ John Bothole is niet zo ver als de rest van de klas. Maar als hij zijn best doet, kan hij zijn achterstand op tijd inlopen voor het examen.

    ‘Schrijf die fabel vanmiddag maar in het studie-uur,’ zeg ik.

    ‘Je bent een nitwit, Tebogo,’ zegt Joel. ‘Zie je nou wel dat madam het niet kent. Anders hoefden we het niet op te schrijven. Hoe kan ze nou weten of ze het wil horen als ze het niet eens kent?’

    ‘Pooeeheee,’ zegt Tebogo. Ze blaast haar wangen leeg, diep beledigd. Geërgerd schraapt ze haar stoel over de vloer.

    ‘Ze is in haar wiek geschoten,’ lacht Sipho.

    Soms gebruiken ze de raarste uitdrukkingen. Uit schoolboeken van hun grootouders, als die ze hadden. In haar wiek geschoten. Eerlijk duurt het langst. Met voorbedachten rade.

    ‘Luister,’ zeg ik. ‘Ik zal zelf een verhaal vertellen, dat is misschien het beste. Een verhaal als voorbeeld. En dan kunnen we er met z’n allen over praten.’ Ik denk even na. ‘Stel, drie vrienden zitten bij elkaar. Het is avond, en ze besluiten om uit te gaan. Naar het café.’

    Susannah steekt haar vinger op. ‘Zijn het alle drie mannen?’

    ‘Ja, het zijn alle drie mannen.’

    Susannah leunt gerustgesteld achterover. Als er vrouwen in het café zouden zijn, ging het verhaal over prostitutie.

    ‘De drie vrienden hebben het heel gezellig,’ zeg ik. 
‘Ze komen geen bekenden tegen. Ze drinken twee biertjes, en dan zegt er een: “Het is al laat.” En dus gaan ze naar huis.’

    Ik hou even m’n mond. ‘Dit verhaal is maar saai,’ 
zeg ik ten slotte.

    Ze glimlachen geduldig. Alsof ze het spannend genoeg vinden. Tebogo vraagt: ‘Hoe heten die drie vrienden eigenlijk?’

    ‘Daar heb ik niet over nagedacht. Het doet er eigenlijk niet toe.’

    Ze kijken teleurgesteld.

    ‘Maar we kunnen ze best namen geven hoor,’ zeg ik. ‘Moses. Sipho.’

    ‘O, zijn ze zwart?’ vraagt Agnes bedeesd. ‘Dat wisten we niet.’

    Ik kijk haar vriendelijk aan. Agnes neemt niet vaak het woord. ‘Zie je ze voor je?’ vraag ik. ‘Bijvoorbeeld wat voor kleren ze aanhebben?’

    ‘Jawel, madam.’ Agnes slaat haar ogen neer.

    ‘U moet nog een derde naam noemen,’ zegt Joel.

    Ik aarzel even. ‘Laten we die dan maar John Khumalo noemen.’ Ik weet dat ze geen van drieën lid zijn van de Christian Union. Je hoeft maar een verkeerde naam te noemen of ze lopen de klas uit als ik ze naar een café laat gaan, zelfs al is het een denkbeeldig café.

    ‘Nu ga ik het verhaal wat mooier maken,’ zeg ik dan. ‘Door het een beetje te veranderen. Luister. De drie jongens zitten in het café, en op een gegeven moment zegt er een: “Hé, daar loopt een oude vriend van me. Even vragen hoe het met hem is.” En weg is hij. Als hij terugkomt…’

    ‘Woordvolgorde!’ zegt Tebogo. De klas schiet in de lach. ‘Weg is hij?’

    ‘Jazeker,’ zeg ik, ‘dat is heel gewoon als we een verhaal vertellen. Dat heet inversie. Dan draai je de woorden om.’

    ‘Waarom?’

    ‘Voor het ritme. En de nadruk. De verteller hoeft zich niet aan de regels te houden. Want haar rol is heel bijzonder.’ Weer aarzel ik, nu over mijn woordkeus. Voor je het weet ontstaat er een misverstand. ‘Haar rol. Niet haarrol.’ Ik schrijf de woorden op het bord. ‘Haar taak, bedoel ik. Daarom mag je de dingen omdraaien, en bijvoorbeeld ook de tegenwoordige tijd gebruiken. Want dan is het net alsof we erbij zijn, bij de mensen uit het verhaal.’

    ‘Wij zijn ook in dat café?’ Susannah klinkt ietwat geschrokken.

    ‘Als de verteller aan het woord is, ziet ze het verhaal voor zich, alsof het zich hier en nu afspeelt. En het is de bedoeling dat de luisteraar het zich ook voorstelt.’

    Moses kijkt ongerust. ‘Wie is de luisteraar?’

    ‘Jij.’ Ik glimlach. ‘Jij bent de luisteraar.’

    ‘God is de luisteraar,’ zegt Joel.

    Er klinkt instemmend gemompel.

    En het getik van Susannahs naalden. ‘Christus is onze Verlosser. God zij geloofd.’

    ‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel

    Ik zou het liefst de borstel naar haar hoofd gooien, maar ik beheers me. Als je hier een jaar bent, hou je 
je niet langer in, zo is me verteld.

    ‘Terug naar het 
verhaal. We maken het nog een beetje mooier. John Khumalo ziet zijn oude vriend. Hij gaat achter hem aan. Hij loopt het café uit. Tien minuten later komt hij terug. Met zijn hoofd verkeerd om.’

    ‘Aiiii,’ zeggen de luisteraars.

    ‘Zijn hoofd staat achterstevoren op zijn schouders. Hij kijkt naar zijn vrienden als hij op ze af loopt, maar zijn voeten wijzen naar de deur waardoor hij 
is binnengekomen.’

    ‘Wat erg!’ Susannah wuift zich koelte toe met haar breiwerk, twee centimeter lila met bruin.

    Tebogo gebruikt haar schrift als waaier. ‘Dit gaat te ver.’

    ‘Maar het verhaal is er wel beter op geworden,’ zeg ik. ‘Wat zullen zijn vrienden zeggen als ze hem zien?’

    ‘Aiiii,’ oppert John Bothole.

    ‘Ze schrikken zich een hoedje,’ zegt Tebogo. ‘Ze willen weten wat er gebeurd is.’

    ‘En wat zegt hij dan, denken jullie?’

    Nu mengt ook Elijah zich in het gesprek. Hij is een trotse jongen met een scherp verstand. ‘Kan zoiets echt?’

    ‘In een verhaal wel, hoor.’

    ‘Misschien,’ zegt Sipho, ‘speelt het zich af in een ver land, of in een ver geleden.’

    ‘Dat kan niet,’ werpt Elijah tegen met een bedenkelijke blik, ‘want jij komt erin voor, Sipho. En jij bent tegenwoordige tijd.’

    Ik heb geen idee waar ik hem zo ineens vandaan 
heb gehaald, deze stripfiguur met zijn omgedraaide hoofd. Hij is net zo komisch en wonderlijk als een reus uit een kinderboek. Zijn blote voeten zijn even lang als zijn kuiten, met dikke tenen die wriemelen onder het lopen. Hij heeft een grijns van oor tot oor, en een gebit als een rij hoekige grafzerken. Ik moet er zelf vanbinnen om lachen. ‘Is dit grappig?’ vraag ik. ‘Wat vinden jullie?’

    Op dit punt van de les wil ik geen lange stilte laten vallen. ‘Wacht, ik kan het nog mooier maken,’ zeg 
ik. ‘Soms laten we een verhaal op een onverwachte manier aflopen. We zetten de lezer expres op het verkeerde been. Die denkt dat het de ene kant op gaat, maar eigenlijk gaat het precies de andere kant op. Zo zorgen we dat het einde verrassend is.’

    ‘Het is nu toch al verrassend?’ zegt Sipho. ‘Ik vind het verrassend genoeg. Het is gewoon tegennatuurlijk.’

    Ik schiet in de lach. ‘Dat is het ook. Maar toch kunnen we er nog een extra wending aan geven. Stel je voor: hij loopt het café uit, blijft tien minuten weg, komt terug, loopt naar zijn vrienden toe, met zijn hoofd achterstevoren, en die roepen allebei: “John! Wat is er met je hoofd gebeurd?” En dan zegt John: “Hoezo? Waarom kijken jullie me zo aan? Zijn jullie soms gek geworden? Er is niks met mijn hoofd gebeurd.”’

    Nu vind ik het echt een goed verhaal worden. Ik kijk op mijn horloge. Door de vele vragen – die ik vanzelfsprekend alleen maar aanmoedig – zijn we altijd meer tijd kwijt dan mijn bedoeling is. Daardoor heb ik aan het eind van de les nog maar een paar minuten om tot de kern te komen.

    Robinah steekt haar vinger op. Ze is een fors, moederlijk meisje, dat meestal alleen iets zegt als je haar rechtstreeks aanspreekt. Ze heeft ons het hele trimester lang met welwillende afstandelijkheid gevolgd. ‘Madam, deze John, John Khumalo. Heeft hij zelf niet gemerkt dat er iets met hem gebeurd is?’

    ‘Kennelijk niet.’

    ‘Heeft hij geen pijn?’

    ‘Nee,’ zeg ik.

    Ik geef verder geen tekst en uitleg. Er trekt een golf van rumoer en consternatie door de klas, maar die negeer ik. Ik wil zien waar dit heen gaat.

    ‘Dan heeft Sipho gelijk. Dit is tegennatuurlijk.’

    ‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel. De les is voorbij.

    Hamlet

    Als ik de volgende dag naar de klas kom, staat Shakespeare op het programma. We hebben besproken waarom Desdemona op Othello valt, hoe het allemaal begint. Dit is voor iedereen een heikel thema; over de grens in Zuid-Afrika, zo is me duidelijk gemaakt, zou Othello door zijn gedrag een proces aan z’n broek krijgen. Het hoofd Engels zegt: ‘Kop op, we hebben het allemaal moeten doen. We hebben de lesstof nu eenmaal niet voor het kiezen. Die ouwe Bullock hebben ze hoorndol gemaakt toen hij Hamlet behandelde. Dat trok die beste man niet. Daarom is hij vertrokken en hebben we jou nu.’

    Ik leg mijn stapel schriften neer. Susannah graait 
in haar tas en haalt er een stel naakte naalden uit; 
de bruin-met-lila muts is blijkbaar af. ‘Jullie hebben goed je best gedaan,’ zeg ik. Ik kijk om me heen. ‘Weet iemand waar John Khumalo is?’

    Niemand geeft antwoord. In het geroezemoes klinkt een zweem van afkeuring door. Susannah haalt een streng bloedrode wol uit haar zak. Ze trekt het eindje los met haar tanden en begint de draad om haar hand te winden. Dan zegt ze: ‘John ligt in het ziekenhuis, madam.’

    ‘Ach jeetje,’ zeg ik bedaard. Dat gebeurt wel vaker. Soms willen de kinderen er gewoon even tussenuit. Dan ontdek ik hier en daar nog meer lege plekken, 
al is het me niet meteen duidelijk wie er ontbreken.

    ‘Zijn ouders zijn gekomen.’ Joel klinkt treurig. ‘Om hem op te halen.’

    ‘Waarom?’ Ik denk: Het zal toch niet vanwege achterstallig schoolgeld zijn? Zo vlak voor het eind van het trimester?

    ‘Ze kwamen met een vrachtwagen,’ zegt Joel. ‘Hij kan niet lopen.’

    ‘Niet lopen? Wat is er dan gebeurd?’

    Robinah schraapt haar keel. ‘John schreeuwde het uit, zo’n pijn als het heeft gedaan. In tien minuten lukte het ze niet. Maar uiteindelijk is het ze toch gelukt.’ Haar grammatica is bijna vlekkeloos, stel ik vast. Maar dan gaat ze alsnog de fout in. ‘John gilt en smeekt,’ zegt ze. ‘Hij merkt het echt wel hoor, dat ze aan hem draaien.’

    Agnes zegt: ‘Tebogo had gelijk. Alleen heksen kunnen zorgen dat hij niet schreeuwt. Maar als we vorig jaar Macbeth lezen, hebben we niet goed genoeg opgelet.’ Ze knikt en zucht. ‘Ons leven is een verhaal,’ zegt ze dan.

    Auteur: Hilary Mantel
    Vertaler: Cecilia Tabak

    Hilary Mantel is een Britse auteur van korte verhalen, memoires, essays en romans. Ze won twee keer de Man Booker Prize gewonnen, in 2009 voor de roman Wolf Hall, in 2012 voor Bring Up the Bodies. Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator en recensent voor verschillende media in Groot-Brittannië en de VS. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.

    London Review of Books
    Verenigd Koninkrijk | oplage 45.905
    Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.

  • Redactioneel

    Redactioneel

    ‘Journalistiek versimpelt, fictie compliceert,’ aldus de Britse schrijver Julian Barnes onlangs in een interview met de Volkskrant. Zo is het inderdaad meestal. En dat is ook prima, want journalistiek gaat over feiten, en moet onthullen, uitleggen, duidelijkheid bieden. Maar soms lees je een journalistiek 
verhaal dat er óók in slaagt de complexiteit en de ambiguïteit van het leven te laten zien. Dat vragen oproept, in plaats van ze te beantwoorden.

    Zo’n verhaal is het openingsverhaal van deze 360, dat we overnamen uit Die Zeit.

    Twee journalisten van dat weekblad, Marc Brost en Andres Veiel, togen naar het hoofdkantoor van de Deutsche Bank 
om uit te vinden hoe deze ooit zo keurige onderneming een hoofdrolspeler werd in de kredietcrisis.

    Het duo ging daarvoor niet te rade in de boardroom, maar 
in ‘het sterfhuis’, een bijkantoor waar voormalige bankiers hun laatste dagen slijten om het gevoel te hebben dat ze er nog een beetje bij horen.

    Daar praktiseerden de twee the art of hanging out, zoals de meester in het genre, de Amerikaanse journalist Gay Talese, het ooit noemde. Dagen, weken, misschien wel maanden moeten ze hebben gepraat met mannen die niet wilden 
praten. Die, zoals het in het stuk wordt omschreven, ‘tegelijk praten en zwijgen’.

    Grote nieuwe onthullingen doen Brost en Veiel dan ook niet. Maar door allerlei mooie kleine observaties, schetsen ze wel een beeld van de cultuur die ertoe heeft geleid dat er nu 6000 processen tegen de bank worden gevoerd.

    In die cultuur draait veel om het verlangen naar macht en status (een eigen chauffeur, een kunstverzameling, een villa in de Taunus). Het is ook een cultuur waaruit je vanwege de wurgende groepsdruk nauwelijks kunt ontsnappen, zelfs niet als je al met pensioen bent. Net als in een kloosterorde houdt iedereen elkaar in de gaten. En wie het waagt uit de gemeenschap te treden, heeft geen leven meer. De enkeling die het probeerde, kreeg eindeloze processen aan zijn broek, en kijkt jaren later verbitterd terug.

    Het is een keiharde wereld, maar ook een die in essentie weinig verschilt van die van veel andere bedrijven. Noch van menig krantenredactie, trouwens. Hetgeen bij de lezer de vraag oproept: waren die verguisde bankiers nou echt zulke schurken? Of zou ik in vergelijkbare omstandigheden hetzelfde hebben gedaan?

    Zo’n verhaal moet zelfs Julian Barnes kunnen bekoren.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl