Tag: Fidesz

  • Polen en Hongarije willen terug naar oude nationalistische waarden

    Polen en Hongarije willen terug naar oude nationalistische waarden

    Na de val van het communisme hebben Polen en Hongarije hun economie weliswaar hervormd naar westers ideaal, maar de open liberale samenleving keren ze de rug toe. ‘Orbán heeft weinig op met het westerse mensenrechtendiscours.’

    In de zomer van 1992 bracht een 29-jarige Hongaar met politieke ambities voor het eerst een bezoek aan de VS. Zes weken lang toerde hij met een coterie van jonge Europeanen door het land op kosten van het German Marshall Fund, een Amerikaanse denktank voor trans-Atlantische samenwerking. 

    Viktor Orbán was al lange tijd gefascineerd door Amerika, maar toen het gezelschap door het centrum van Los Angeles liep, dat nog aan het bijkomen was van de Rodney King-rellen twee maanden eerder, leek hij niet erg betrokken en onder de indruk. Een Nederlandse journalist die ook aan de reis deelnam herinnert zich dat de Oost-Europeanen in de groep hun daggeld liever aan ‘een walkman en andere elektronica’ besteedden dan aan eten of dure hotels. De vrije markt en geavanceerde technologie spraken Orbán duidelijk meer aan dan de Amerikaanse strijd voor gelijkheid, gerechtigheid en de rechten van mensen van kleur.

    Dat het lot van westerse minderheden Orbán koud liet werd nog duidelijker tijdens een rondleiding door het reservaat van de Umatilla-indianen in Oregon. Orbán en een van zijn reisgenoten, de Poolse journaliste Malgorzata Bochenek, luisterden naar de klachten over economisch onrecht. Hij reageerde met vragen over landverdeling. Waarom ontwikkelden de inheemse stammen geen strategie om hun gemeenschappelijke grond te gelde te maken? Dat hadden kleine Hongaarse pachtboeren zoals zijn ouders tenslotte ook met de collectieve landbouwbedrijven gedaan na het eind van het communisme. Orbán begon een businessplan voor het reservaat te ontvouwen, maar toen de Umatilla met wie hij sprak niet enthousiast genoeg reageerden, verloor hij algauw zijn belangstelling.

    Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden

    Wat Orbán het meest fascineerde tijdens de rest van de trip was de hogere politiek. De rondreis eindigde in juli in New York City, waar hij de Democratische Nationale Conventie bijwoonde en Bill Clinton genomineerd zag worden op de klanken van Don’t Stop van Fleetwood Mac. Deze opwindende gebeurtenis maakte veel indruk op Orbán. Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden.

    De aard van de aantrekkingskracht die het Westen op jonge Oost-Europeanen uitoefende was in die tijd aan het veranderen. In 1989, toen Orbán in Oxford studeerde met een beurs van de Soros Foundation, stonden de westerse waarden van de Koude Oorlog – gedereguleerd kapitalisme, sociale stabiliteit en nationale tradities – nog fier overeind. Dat waren de waarden die hij mee terug wilde nemen naar zijn vaderland. Drie jaar later, tijdens zijn rondreis door de VS, was er een kentering merkbaar. Hoewel de vrije markt nog oppermachtig was, waren de Europese en Noord-Amerikaanse cultuur introspectiever geworden. Orbán stond achter de clintonistische benadering van economie en bestuur, maar hij had weinig op met het westerse mensenrechtendiscours, de discussies over gender en ras of de erfenis van kolonialisme en de holocaust.

    Orbáns enthousiasme voor de Amerikaanse economie en zijn onverschilligheid jegens Amerikaanse culturele aangelegenheden waren een voorbode van de richting die Hongarije en Polen de volgende decennia uiteindelijk zouden inslaan. In de jaren negentig gingen de twee landen de rest van Oost-Europa voor in een economische shocktherapie, met verdergaande markthervormingen dan hun westerse adviseurs eisten. Maar in cultureel opzicht kozen Polen en Hongarije een conservatievere koers. Het gevolg is dat beide landen zichzelf als in- en in-Europees zijn blijven zien, ook al zijn ze steeds meer afstand gaan nemen van het liberalisme van de EU.

    Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek

    Tien jaar nadat ze samen met Orbán het Umatilla-reservaat in Oregon had bezocht, werd Malgorzata Bochenek adviseur van de Poolse president Lech Kaczynski, samen met zijn broer Jaroslaw de oprichter van de conservatief-nationalistische partij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) die nu de steun van bijna 45 procent van het Poolse electoraat geniet. Orbáns partij Fidesz bezet een supermeerderheid van twee derde van de zetels in het Hongaarse parlement. Beide partijen voeren een overeenkomstig beleid: het aanstellen van regeringsgezinde rechters en journalisten bij rechtbanken en media; het verdrijven van linkse en liberale ngo’s, academici en universiteiten; het schenden van het EU-handvest van de grondrechten door het beperken of verbieden van abortus en het niet wettelijk erkennen van transgenders; en het negeren van pogingen van Europese instituties om hen voor deze provocaties aansprakelijk te stellen.

    Tegelijkertijd staan vier op de vijf burgers van Polen en Hongarije achter het EU-lidmaatschap van hun land. Het is de anti-liberalen in Boedapest en Warschau te doen om autonomie binnen Europa, niet om onafhankelijkheid daarbuiten.

    Hoe komt het dat de revolutionairen van 1989 in de jaren tien en twintig van deze eeuw zo teruggrijpen op oude nationalistische waarden? Er is een aantal antwoorden op deze vraag, variërend van geleidelijke vervreemding, of een gedwongen terugkeer naar het eigenbelang als gevolg van een externe shock, tot de puberale opstand van leerlingen tegen hun voormalige leraren.

    In hun boek Falend licht uit 2019 pleiten de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en de Amerikaanse hoogleraar rechten Stephen Holmes voor de opstandhypothese. Zij betogen dat de overgang van het communisme naar de kapitalistische democratie werd gedreven door ‘liberalistische na-aperij’. De Oost-Europeanen namen de gewoonten, normen en instituties van de westerse wereld over om deelgenoot te worden van de welvaart en vrijheid daarvan. Het probleem, volgens Krastev en Holmes, was dat onderwerping aan dit ‘imitatiegebod’ tot ‘inherente spanningen’ leidde en ‘emotioneel belastend’ was. Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek. Onder invloed van dit vernederende minderwaardigheidscomplex grepen Orbán en Kaczynski de economische en migratiecrises uit de periode 2008-2015 aan om het westerse liberalisme te verwerpen en met een illiberaal alternatief te komen.

    Groot-Hongarije

    Krastev en Holmes zien de emigratie uit centraal Oost-Europa als een bepalende factor voor de aantrekkelijkheid van nationalistische politiek. De decennialange braindrain, zo betogen ze, heeft tot een demografische paniek geleid die volgens hen de angst voor de komst van immigranten uit het Midden-Oosten en Afrika aanwakkert. Vooral in Hongarije is de anti-immigratiepolitiek inderdaad hand in hand gegaan met pogingen de bevolkingsafname als gevolg van lage geboortecijfers en emigratie te remmen. Orbán heeft een ambitieus en populair gezinsbeleid ontwikkeld met maatregelen als nationalisatie van ivf-klinieken en genereuze leningen en belastingvrijstellingen voor jonggehuwden en grote gezinnen. Ook heeft hij burgerrechten verleend aan meer dan een miljoen in Slowakije, Roemenië, Kroatië, Servië en Oekraïne woonachtige etnische Hongaren en daarmee een diasporisch, door Fidesz geleid maatschappelijk middenveld gecreëerd in wat Hongaarse nationalisten als een ‘Groot -Hongarije’ beschouwen.

    Maar andere landen hebben miljoenen burgers zien emigreren zonder tot illiberalisme te vervallen. Letland is tussen 1989 en 2017 27 procent van zijn bevolking kwijtgeraakt, Litouwen 22,5 procent, Kroatië 22 procent en Bulgarije 21 procent. Maar deze staten aan de Oostzee en in de oostelijke Balkan zijn niet in dezelfde mate veranderd als Polen en Hongarije. Hoewel ook daar een oude nationalistische tendens bestaat, is die niet dominant geworden in de nationale politiek. In Bulgarije is een EU-gezinde protestbeweging afgelopen lente als tweede geëindigd bij de parlementsverkiezingen en de vertrekkende premier van het land, Boyko Borisov, heeft benadrukt dat hij wil dat de ‘Euro-Atlantische oriëntatie van het land duidelijk zichtbaar is’. In Roemenië, waar een vijfde van de bevolking sinds 1990 is vertrokken, zijn geen sterke mannen dominant maar fanatieke corruptiebestrijders en protesterende EU-aanhangers. Polen en Hongarije daarentegen, waar het illiberalisme het verst gevorderd is, kennen de laagste netto emigratiepercentages in de regio.

    Migratie doet de hang naar oude nationalistische waarden herleven, maar is geen afdoende verklaring voor de bredere crisis van het liberalisme. Anti-immigratiebeleid wordt in de meeste Europese landen gevoerd. Maar ondanks een algemeen anti-immigratiesentiment is het alleen in het VK, Polen en Hongarije dat nationalistische regeringen uit de Europese Unie zijn gestapt dan wel de waarden daarvan hebben afgezworen, en alleen in Boedapest en Warschau liggen het liberale maatschappelijk middenveld en de rechtsstaat onder vuur. Kaczynski en Orbán nemen niet vanwege hun chauvinisme een bijzondere plaats in onder de Europese nationalisten, maar vanwege hun autoritaire optreden tegen opponenten in eigen land en tegen Europese en internationale instituties.

    In 2002 was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen

    De regeringspartijen in Polen en Hongarije voeren een breuk met het verleden door die in hun eigen ogen radicaler is dan de schijntransitie van 1989. Het antiliberale nationalisme in Oost-Europa is meer dan een uitbarsting van onbeheersbare hartstochten. Net als in 1989 wordt gedacht dat er sprake is van een historische opdracht en dat het eind van het communisme alleen maar het begin van de weg naar nationale bevrijding was. Het feit dat deze ideeën werden gevormd tijdens het transitiedecennium duidt er ook op dat de illiberale democratie een gericht project is en niet alleen reactief, met duidelijke eigen ideologische doelstellingen.

    De opstand tegen het liberalisme begon in de late jaren negentig en het begin van deze eeuw, toen steeds meer rechts georiënteerde Polen en Hongaren op een radicalere breuk met het verleden begonnen aan te dringen. Tijdens Orbáns eerste premierschap, van 1998 tot 2002, toen Fidesz samen met de conservatieve Partij van Kleine Landbouwers (FKgP) regeerde, werden holocaustontkenning en racisme jegens de Roma aangemoedigd en steun uitgesproken voor de extreemrechtse regering van Jörg Haider in het naburige Oostenrijk. Maar omdat de Hongaarse economie gestaag groeide en het land in 1999 lid werd van de NAVO, werd het rechtse beleid van het kabinet al snel vergeten in de westerse hoofdsteden.

    In 2002, toen hij de verkiezingen nipt verloor van de socialisten, was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen. Toen Hongarije in 2004 lid werd van de EU, vloeiden er enorme sommen Europees geld naar een groep liberale politici rond de centrumlinkse premier Ferenc Gyurcsány, een econoom die in de jaren tachtig leiding gaf aan de communistische jeugdbeweging KISZ. Tijdens de transitie van communisme naar democratie hadden Gyurcsány en zijn oude kameraden een klein fortuin verdiend met pop-up-adviesbureaus die luisterden naar namen als Eurocorp International Finance Inc. Rond 2004 waren ze vaste gasten in Davos. Hoewel zo’n door opportunisme gedreven economische gedaanteverwisseling schering en inslag was in Midden- en Oost-Europa, maakten deze associaties het makkelijker voor Orbán om het Sovjetcommunisme en het Europese liberalisme af te schilderen als opeenvolgende vormen van buitenlandse overheersing.

    Net als in Hongarije zorgde de rol van Poolse post-communisten bij de versoepeling van de politieke transitie naar een liberale democratie uiteindelijk voor een radicalisering van rechts. In 1997 begonnen conservatieve denkers voor het eerst om een ‘vierde Poolse republiek’ te roepen ter vervanging van de derde herhaling van zetten die was gevolgd op het communisme. Vier jaar later stichtten Lech en Jaroslaw Kaczynski PiS, met de belofte de Poolse samenleving radicaal te zuiveren en politiek te vernieuwen. Doel van de Kaczynski’s was om de uitvoerende en wetgevende macht met volle kracht in te zetten voor een definitieve afrekening met de ‘besmetting’ van het staatssocialisme. Vele jaren lang had het Poolse constitutionele hof pogingen gedwarsboomd om staatsinstituties en het maatschappelijk middenveld te zuiveren van iedereen met communistische banden, een proces dat ‘lustratie’ werd genoemd. Deze bescherming werd gesteund door EU-wetten ter bewaking van de persoonlijke waardigheid en levenssfeer.

    Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit, maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen

    Maar toen PiS in 2005 voor het eerst aan de macht kwam, werd de lustratie geïntensiveerd. Er kwam een wetsvoorstel dat ervoor zou hebben gezorgd dat 350.000 ambtenaren, journalisten, academici, leraren en directeuren van staatsbedrijven vroegere communistische banden hadden moeten erkennen, hoe oppervlakkig ook, op straffe van baanverlies. Massaal verzet van de progressieve Poolse elite tegen deze zeer ingrijpende zuivering zorgde er mede voor dat de Kaczynski’s in 2007 het veld moesten ruimen voor het liberale pro-Europese Burgerplatform van Donald Tusk.

    Deze eerste mislukte poging om de Poolse samenleving grootscheeps te zuiveren vormt de achtergrond van de hernieuwde aanval die PiS sinds 2015 op het Poolse rechtssysteem onderneemt en die meer internationale aandacht heeft getrokken dan de eerdere. Maar de illiberale agenda van PiS was niet, zoals Krastev en Holmes doen voorkomen, een reactie op het imiteren van het Westen. Het is juist het verlangen van de Poolse antiliberalen naar een grondiger uitbanning van het communistische verleden, zonder acht te slaan op de beschermende EU-wetten, dat hen ertoe heeft gebracht de rechtbanken en de progressieve burgerbeweging van het land onder vuur te nemen. Net als in Hongarije heeft precies datgene wat de transitie van communisme naar een liberale democratie zo vreedzaam heeft doen verlopen, het onderhandelingsproces, een kliek rechtsnationalistische opstandelingen gekweekt die de mythe verspreidt dat er in 1989 geen zuivere machtsoverdracht heeft plaatsgevonden, maar een massale rehabilitatie van de elite. Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit – iets waaraan de Polen nooit hebben getwijfeld – maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen.

    Uiteindelijk heeft het Poolse en Hongaarse verzet tegen EU-normen en individuele burgerrechten niet tot een overeenkomstig verlangen naar economische soevereiniteit geleid, zoals bij de Brexiteers. De Brusselse geldkraan is simpelweg te aanlokkelijk. Ook al heeft Orbán liberale instituties ontmanteld, toch heeft hij enorme sommen EU-geld weten aan te trekken om het bedje te spreiden voor een loyale oligarchie van Fidesz-getrouwe tycoons en agrarische ondernemers. Ook conservatieve nationalisten in Polen hebben materiële steun binnen geharkt van een politieke en economische unie waarvan ze de invloed steevast laken.

    Deze ongevoeligheid voor politiek gedrag is het gevolg van de manier waarop de EU geld aan haar leden verstrekt, namelijk in grote tranches die over een groot aantal jaren zijn verspreid volgens een van tevoren opgesteld bestedings- en investeringsplan; actuele politieke wrijvingen tussen nationale regeringen en Brussel zijn niet van invloed op deze langjarige financiële verplichtingen. Tussen 2007 en 2020 hebben Oost-Europese lidstaten 395 miljard euro ontvangen, waarvan de helft naar Hongarije en Polen is gegaan.

    Hoe moeilijk het is geworden om het illiberalisme binnen de EU te beteugelen bleek eind 2020. Terwijl EU-leiders een ongeëvenaard begrotings- en stimuleringspakket van 1,8 biljoen euro voorbereidden als reactie op de pandemie, lieten Boedapest en Warschau de onderhandelingen bijna ontsporen. Omdat ze bezwaar hadden tegen een mechanisme dat financiering automatisch aan wettelijke toetsing onderwierp, dreigden Polen en Hongarije de hele EU-begroting voor de komende zes jaar te vetoën.

    Als lidstaten betoogden Polen en Hongarije dat ze het volste recht hadden op hun aandeel in het financieringsplan; illiberale regeringen bleken de wettelijke en verdragsrechtelijke taal vloeiend te spreken. Uiteindelijk werd op het laatste moment de lont uit het kruitvat gehaald door middel van een ‘interpretatieve verklaring’ waarin werd gegarandeerd dat het wettelijke sanctiemechanisme moest worden goedgekeurd door het Europese Hof van Justitie voordat het kon worden toegepast. Of het daarvan zal komen is maar de vraag.

    Voorlopig zal de financiering aan betrekkelijk weinig regels zijn gebonden. De strijd tussen liberalen en illiberalen in Oost-Europa zal zich op zijn belangrijkste slagveld blijven voltrekken: de politieke, wettelijke en culturele instituties. Zoals de landelijke vrouwenstaking tegen het wettelijke verbod op abortus in oktober 2020 heeft aangetoond, is dit een noodzakelijk en belangrijk gevecht. Maar wat niet ter discussie staat, is het economische model van de regio. De liberalen en illiberalen zijn het erover eens dat na het eind van het communisme het kapitalisme de enige manier is om hun maatschappij verder te ontwikkelen.

    Bescherming en veiligheid

    Waar Krastev en Holmes het Poolse en Hongaarse verzet tegen het westerse liberalisme als een psychologische reactie beschouwen, komt de befaamde Duitse historicus Philipp Ther met een andere verklaring. Volgens hem is het nieuwe nationalisme niet zozeer een reactie op het imiteren van het Westen, als wel op de blootstelling van hele samenlevingen aan de grillen van de wereldmarkt. In zijn boek Das Andere Ende der Geschichte schrijft hij dat nationalistisch rechts een ‘coherent wereldbeeld heeft, dat kan worden gekenschetst als een pakket beloften dat bescherming en veiligheid biedt’.

    Ther stelt dat de snelle transitie van staatssocialisme naar vrijemarktkapitalisme een behoefte aan zelfbescherming heeft aangewakkerd. In 1993 en 1994 bleek tijdens verkiezingen in verschillende landen dat de bevolking in grote onzekerheid verkeerde. Poolse en Hongaarse kiezers kozen centrumlinkse kabinetten met flink wat ex-communisten erin, maar dat bood weinig bescherming. De Poolse privatisering vertraagde maar stopte nooit. In Hongarije drukte de nieuwe regering algauw een strenger bezuinigingspakket door. Een andere koers werd gevolgd in Slowakije, waar premier Vladimír Mečiar niet alleen brak met het neoliberalisme van zijn Tsjechische collega Vaclav Klaus, maar bovendien de verenigde Tsjecho-Slowaakse staat ontbond. Tijdens Mečiars bewind in de jaren negentig was Slowakije in alle opzichten een voorloper van het huidige illiberalisme, waarin populisme, nationalisme en beschermende welvaart werden gecombineerd om een steeds autocratischer bewind te verbloemen. Als gevolg van Mečiars eigenmachtige optreden werd Slowakije in 1999 ongeschikt geacht voor het NAVO-lidmaatschap; het land sloot zich vijf jaar later bij de organisatie aan dan zijn Midden-Europese buurlanden.

    De Oost-Europese transitie naar de vrije markt in de jaren negentig werd bemoeilijkt door de plaatselijke zwakte van de bij het liberalisme favoriete bewerkstelligen van een kapitalistische overgang, de onroerend goed bezittende bourgeoisie. De sociologen Iván Szelényi, Gil Eyal en Eleanor Townsley beschrijven deze uitdaging als ‘het creëren van kapitalisme zonder kapitalisten’. West-Europese geldschieters gaven aanvankelijk voorrang aan marktexpansie boven democratisering: van 1990 tot 1996 ging maar 1 procent van het internationale EU-hulpprogramma voor voormalige socialistische staten naar de financiering van politieke partijen, onafhankelijke media en andere burgerorganisaties. Maar waar de markten opbloeiden, bleef de middenklasse anemisch.

    Dertig jaar later zijn de voordelen van de vrije economie ongelijk verdeeld; de inkomenskloof tussen stad en platteland is in Oost-Europa groter dan waar ook op het continent. Maar het vrijemarktdenken is inmiddels alomtegenwoordig in de regio. In zijn beroemde toespraak van juli 2014, waarin hij de noodzaak van een ‘illiberale democratie’ voor Hongarije uiteenzette, voorspelde Orbán dat ‘samenlevingen die op liberale organisatieprincipes zijn gebaseerd de komende jaren hun concurrentiepositie in de wereld niet zullen kunnen handhaven en waarschijnlijk met een terugval zullen worden geconfronteerd’ en kondigde hij aan dat ‘we zoeken naar een organisatievorm die ons concurrerend zal maken in deze grote wereldrace’.

    Toch zou het verkeerd zijn deze overstap op wereldwijd kapitalisme geheel aan verwestersing toe te schrijven. In hun boek 1989: A Global History of Eastern Europe laten James Mark, Bogdan Iacob, Tobias Rupprecht en Ljubica Spaskovska er geen twijfel over bestaan dat het belang van de Oost-Europese elites bij het kapitalisme voorafging aan hun democratische gezindheid. Hervormingsgezinde bureaucraten tijdens de laatste jaren van het socialisme hadden hun blik vooral op Oost-Azië gericht. De successen van Deng Xiaopings China waren een voorbeeld voor de latere economische hervormingen van Gorbatsjov. In de jaren tachtig waren de marktgeoriënteerde hervormingen in Polen en Hongarije deels naar het voorbeeld van Zuid-Korea gemodelleerd, waar het autoritaire kapitalisme voor grote economische groei had gezorgd.

    Oost-Europa beschouwde niet alleen andere regio’s als zijn einddoel. De Oost-Europese transitie in de jaren negentig groeide uit tot een ‘nieuw wereldwijd scenario’ voor Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen. Van Mexico tot Zuid-Afrika, overal waren de Oost-Europese democratisering en economische liberalisering een lichtend voorbeeld voor zowel de regerende elite als de oppositie. Oost-Europeanen kwamen na verloop van tijd in een positie waarin ze hun eigen ervaring konden gebruiken om anderen te adviseren. In 2003 maakte de architect van de Poolse liberale hervormingen, Leszek Balcerowicz, een rondgang door Washington DC om te vertellen hoe de VS de Iraakse economie moesten oppeppen. Tijdens de Arabische Lente bezocht Lech Walesa Tunesië ‘om hun te vertellen hoe wij het hebben gedaan’, in de woorden van de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Radoslaw Sikorski, die zelf naar Benghazi vloog om de Libiërs van advies te dienen die Gaddafi hadden verdreven.

    Gemeenschappelijke Europese erfenis

    Het feit dat Oost-Europeanen uiteindelijk als ambassadeurs van het Westen optraden versterkte het idee dat 1989 een te lang uitgebleven terugkeer was naar een natuurlijk cultureel thuis. Maar die ommekeer was al lang voor het eind van het communisme in gang gezet. In de jaren zeventig en tachtig namen de Tsjecho-Slowaakse, Poolse en Hongaarse en elites en dissidenten steeds meer afstand van het anti-imperialisme en de socialistische solidariteit met de Derde Wereld, en legden ze steeds meer nadruk op hun ‘gemeenschappelijke Europese erfenis’.

    Deze focus op hoge Europese cultuur had duidelijk een zowel anti-Afrikaanse als anti-islamitische bijklank. In 1985 verklaarde de Hongaarse minister van Cultuur dat ‘Europa een culturele erfenis’ bezat, ‘een specifieke intellectuele hoedanigheid, namelijk het Europese karakter’. Tijdens een bezoek aan Boedapest twee jaar later kreeg de Spaanse koning Juan Carlos de vestingwallen te zien die de Habsburgse troepen in 1686 op de Ottomanen hadden veroverd, een communistische lofzang op de strijd van het christelijke Europa tegen de islam. Naar aanleiding van de gewelddadigheden van de moedjahedien verklaarde de Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu dat de islamitische wereld ‘miljarden fanatiekelingen telt. Een langdurige oorlog kan het gevolg zijn.’

    Ondertussen vielen Roemeense ballingen Ceaușescu zelf aan als een buitenlandse heerser die hun land een ‘tropisch despotisme’ had opgedrongen. De dissident Ion Vianu schreef in 1987 dat ‘het huidige Roemenië meer op een Afrikaans dan een Europees land lijkt’. Hij hekelde ‘de desorganisatie van het openbare leven, het onvermogen van de regering om het niveau van het oude continent te bereiken; de staat van de wegen, de smerigheid van de straten, de lege winkels, de wijdverbreide corruptie; de willekeur van de politie’. Dit alles, schreef hij, deed hem aan Haïti denken. ‘Roemenen met westerse idealen zijn een soort zwijgende meerderheid in het huidige Roemenië.’

    Voordat er een eind kwam aan het communisme had bij veel Oost-Europeanen al een nieuw gevoel van culturele verwantschap postgevat. Deze toenemende identificatie van hun respectievelijke banden met Europa en het christendom verklaart waarom de anti-immigratieretoriek over een ‘Fort Europa’ dat migranten uit Afrika en het Midden-Oosten buiten moet houden, het afgelopen decennium zo’n vruchtbare bodem heeft gevonden in de regio.

    Gesloten samenlevingen

    Om die reden stond het jaar 1989 uiteindelijk voor een moment waarop Oost-Europa zich afsloot voor oude invloeden en zich openstelde voor nieuwe ideeën. De socialistische planeconomie en de internationale solidariteit met ontwikkelingslanden werden vaarwel gezegd, terwijl identificering met een smallere Europese beschaving gepaard ging met integratie in de geliberaliseerde wereldeconomie. Momenteel is deze combinatie van open en gesloten kenmerken nog altijd zichtbaar in Oost-Europa. Hongarije is het duidelijkste voorbeeld van deze hybride benadering: onder Orbán heeft het land het liberale idee van een open samenleving verworpen, maar onderhoudt het desondanks nauwe banden met de transnationale Europese auto-industrie en, via de EU en NAVO, met de militaire netwerken van het atlanticisme.

    Orbán heeft de vragen over zijn internationale loyaliteit gecompliceerd door nauwe banden met Moskou en Beijing te onderhouden. Rusland voorziet Hongarije van energie, terwijl Chinese staatskapitalisten een regionale hub van het land hebben gemaakt voor de pogingen van Huawei om de 5G-technologie over Europa uit te rollen. Ook is Boedapest het eindstation van de nieuwe Balkanspoorweg die van de Griekse havenstad Piraeus door Belgrado loopt, onderdeel van het Chinese Belt & Road Initiative, een wereldwijd infrastructureel project ter bevordering van de handel. De aanleg van deze vrachtspoorlijn kost 2 procent van het Hongaarse bnp, het grootste investeringsproject in de Hongaarse geschiedenis.

    Halverwege maart 2020, toen het coronavirus zich door Europa verspreidde, sloot Hongarije zijn grenzen voor niet-ingezetenen. Tijdens de Hongaarse lockdown waren de enige buitenlanders in het land driehonderd Zuid-Koreaanse ingenieurs die de versnelde opening moesten afronden van de tweede fabriek in het land die accu’s voor elektrische voertuigen produceert.

    Koreaanse conglomeraten zijn recentelijk in Hongarije en Polen neergestreken als hoofdleveranciers van accu’s voor de Europese auto-industrie. Omdat VW, Audi, BMW, Mercedes-Benz en Renault zaten te springen om accu’s, lichtte ook de Poolse regering de hand met de quarantaineplicht zodat specialisten van het Koreaanse chemiebedrijf LG Chem konden doorgaan met de bouw van een enorme fabriek in de buurt van Wroclaw, een 2,8 miljard euro kostend project dat wordt gesteund door de Europese Investeringsbank. 35 jaar nadat Oost-Europese economen Seoel als een voorbeeld van autoritair kapitalisme bestempelden, lopen de industriële reuzen van Zuid-Korea de regio onder de voet.

    Sinds het begin van de pandemie waarschuwen liberale commentatoren geregeld voor het gevaar dat nationalisme en conflicten tussen grootmachten tot een ineenstorting van de internationale politieke en economische orde zullen leiden. Maar waarschijnlijker dan zo’n dramatische deglobalisering is dat we overal op de wereld nationalistische leiders zullen zien die politiek gesloten samenlevingen bouwen op de grondvesten van een open economie: een globalisering zonder globalisten.

    ANP 359374329 kopie 3 e1628082175797
    Voormalig president Bill Clinton en de Hongaarse premier Viktor Orban beantwoorden vragen tijdens een fotosessie voorafgaand aan hun Oval Office-ontmoeting in het Witte Huis in 1998. © Paul J. Richards / AFP
  • 6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    Als je verandering wilt, moet je een officiële organisatie op de been brengen die daar dagelijks aan werkt, aldus de Hongaarse activist Márton Gulyás.

    Márton Gulyás bracht in april jongstleden een bezoek aan Bratislava om een Face 
to Face-conferentie bij te wonen en te praten over de mogelijkheid om het publieke protest in fatsoenlijke banen te leiden. In een interview met The Slovak Spectator vertelt hij waarin de Hongaarse protestbeweging momenteel tekortschiet en waarom ze niet heeft kunnen voorkomen dat 
Viktor Orbán de recente Hongaarse verkiezingen met een tweederdemeerderheid won.

    Hoe zou een ‘fatsoenlijk publiek protest’ eruitzien?

    Voor een ontwikkelde, beschaafde samenleving zijn alleen niet-gewelddadige betogingen acceptabel. Maar als een protestbeweging het zonder officiële vertegenwoordigers, een duidelijke agenda en een vastomlijnde achterban moet stellen, kunnen mensen die aan betogingen deelnemen verder 
nergens heen. Ook al gaan er in Boedapest op dit moment honderdduizenden mensen de straat op, 
er zit geen officiële organisatie achter de betogingen die dag in dag uit aan een agenda werkt. Dat is iets wat we moeten leren van andere protestbewegingen: als je voor verandering strijdt, moet je je focussen op een officiële organisatie, of desnoods op niet-officiële groeperingen, en zorgen dat die hun voordeel kunnen doen met de massale betogingen. Verandering bereik je alleen als je je daar elke dag voor inzet.

    Hoe komt het dat er in Hongarije geen officiële protestbeweging is?

    Om te beginnen krijgen alle oppositiepartijen de schuld van het verkiezingsresultaat. Ze hebben natuurlijk enorm gefaald en worden daarom 
gewantrouwd. Uit hun kringen zou nooit een goede vertegenwoordiger van het verzet kunnen komen. Aan de andere kant zijn er geen massabewegingen 
of grote vakbonden die door de mensen in mijn land worden gerespecteerd. De vraag is op dit moment wie de eerste beweging zal vormen die zal proberen de mensen te verenigen en hun een agenda te 
bezorgen waaraan ze dagelijks kunnen werken. Er zijn kleine bewegingen die dat doen, maar daar zijn slechts enkele tientallen mensen bij betrokken. Voor echte verandering hebben we een massabeweging van tienduizenden mensen nodig. Daar moeten we over nadenken, en we moeten leren van onze eerdere fouten: zonder politieke vertegenwoordiging kunnen we de problemen waarmee we op dit moment worden geconfronteerd niet oplossen.

    En een burgerlijke, niet-politieke beweging?

    Het zou ook een politieke beweging kunnen zijn. 
We zullen moeten vertrouwen op partijen. Het probleem is dat deze partijen met een enorm gebrek aan vertrouwen en authenticiteit kampen. Vakbonden, die ook politieke organisaties kunnen zijn, zijn niet toegerust voor dit soort werk. Het belangrijkste is dat mensen die nu furieus zijn, niet alleen in Hongarije maar ook in Slowakije, zich inzetten voor de vorming van een beweging of organisatie die de problemen aan de orde blijft stellen. Met alleen maar boze mensen op straat schiet je niks op.

    Massaal protest tegen de regering in Boedapest. – © Zoltan Balogh / HH
    Massaal protest tegen de regering in Boedapest. – © Zoltan Balogh / HH

    In Slowakije zijn recentelijk enkele kleinere organisaties opgestaan die niet bij de ‘Beweging voor een fatsoenlijk Slowakije’ horen. Bestaat 
met zoveel bewegingen niet het risico dat de kern van het probleem ondergesneeuwd raakt en het hele verzet instort?

    Ik ben niet zo goed bekend met de situatie in 
Slowakije, maar één ding is zeker: deze bewegingen of organisaties die voor verandering strijden moeten een duidelijke agenda en ideologie hebben. Mensen moeten niet bang zijn voor ideologische verschillen. Daar gaat politiek tenslotte over: op een vreedzame manier tegen andere ideologieën strijden. Maar 
als er te veel organisaties zijn, kan dat schadelijk 
zijn voor het grotere doel waarvoor ze strijden. Mijn advies zou zijn: heb een duidelijke agenda voor de specifieke politieke kwesties en zoek ruimte voor gemeenschappelijke doelen.

    Sommige Slowaakse politici, onder wie de ex-premier, impliceerden dat deze protesten vanuit het buitenland georganiseerd konden zijn, met name door George Soros. Beschouwt u zulke retoriek als een veeg teken?

    Allereerst moeten alle protestbewegingen volstrekt transparant zijn wat al hun inkomsten en uitgaven betreft. Ze mogen geen kosten verzwijgen die ze hebben gemaakt en ook niet waar hun geld vandaan komt, of het nou om kleine of grote donateurs gaat. Maar waar ik de Slowaakse samenleving voor wil waarschuwen is het volgende: sta niet toe dat politici de mensen die zich tegen hen verzetten en hen bekritiseren, afdoen als ‘soldaten van Soros’. Dat is in Hongarije gebeurd. Eerst waren het alleen maar een paar politici die burger-ngo’s, activisten, advocaten en anderen die voor verandering strijden ervan 
probeerden te beschuldigen dat ze naar de pijpen 
van Soros dansten.

    En op dit moment doet de hele Hongaarse staat niets anders dan mensen zoals ik, op reclameborden, op televisie, radio en in kranten, ervan beschuldigen dat ze door Soros worden betaald of dat we op een oneerlijke manier tegen de regering vechten en dat we de werkelijke reden waarom we dat doen verzwijgen. Niets daarvan is waar. Ik heb verscheidene processen gewonnen waarin werd bepaald dat deze beweringen moesten worden herroepen. Je moet je focussen op politici die met deze beschuldigingen begonnen zijn en alles uit de kast halen om te voorkomen dat het uit de hand loopt.

    Voorafgaand aan de parlementsverkiezingen 
in Hongarije heeft u alles in het werk 
gesteld om te voorkomen dat Fidesz met een tweederdemeerderheid zou winnen. Wat was 
de belangrijkste reden voor het mislukken 
van deze pogingen?

    Het gebrek aan samenwerking tussen de oppositiepartijen. Die waren niet alleen arrogant, maar ook uitermate dom om de realiteit zo te negeren. We hadden minstens vier kandidaat-premiers om het tegen Orbán op te nemen. De verkiezingsuitslag was volstrekt in strijd met de realiteit van de Hongaarse samenleving. We hebben geprobeerd met de oppositie in gesprek te raken en haar duidelijk te maken 
dat ze in de afzonderlijke kiesdistricten moest samenwerken om de tweederdemeerderheid te voorkomen. Maar zelfs daar waren ze niet toe in staat.

    Het is duidelijk dat Fidesz de partij met de grootste aanhang is, maar toch verbaasde het ons hoeveel stemmen ze op nationaal niveau behaalden: 49 
procent, wat ongeëvenaard is. Maar ze kregen de tweederdemeerderheid door bedrog en geknoei met het kiesstelsel. De oppositiepartijen hadden dat kunnen voorkomen als ze rationeler en coöperatiever waren geweest. Dit is hun fout geweest. Nu zitten 
we in een volstrekt andere situatie. We hoeven niet meer na te denken over hoe ze over vier jaar moeten samenwerken, want dat is een gepasseerd station. We moeten van voren af aan beginnen om een nieuwe kijk op het land en de samenleving te ontwikkelen, die de kijk van Fidesz zal kunnen verslaan. We moeten een nieuwe meerderheid tegenover die van Orbán vormen.

    Is er een reële kans op verandering?

    Jazeker. Het beleid dat Orbán voorstaat is onhoudbaar. De welvaart van de EU-economie heeft hem flink geholpen. Maar als je onze welvaart vergelijkt met die van andere landen in de regio, zoals Slowakije, de Tsjechische Republiek of Roemenië, dan hebben we nog heel wat in te halen. Dit zal op een dag ophouden, er zullen nieuwe wereldcrises komen, want we leven nog steeds in een kapitalistisch systeem waarin dit soort dips zijn ingebakken. Als dat gebeurt zal Orbán zijn onaantastbare positie van dit moment verliezen. Maar dat zal niet genoeg zijn. Daarom moeten we er van nu af aan voor zorgen dat we tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken.

    Met welke concrete stappen denkt u dat te bereiken?

    Daar denk ik op dit moment over na. Ik moet een paar maanden uit de publiciteit blijven. Als we alleen maar op ons instinct afgaan zullen we onze fouten voortdurend herhalen. We moeten ons focussen op de intellectuele arbeid die we de afgelopen acht jaar hebben verwaarloosd. Het is tijd voor analyses en het ontwikkelen van een nieuwe strategie. Alleen dan kunnen we met ons land aan een nieuw hoofdstuk beginnen.

    Gulyás debateert over het belang van artistieke en democratische vrijheid op 31 mei
    20:30 in De Balie

    Marton Gulyas, foto van B1 Blog
    Marton Gulyas, foto van B1 Blog

    Wie is Márton Gulyás?

    Een Hongaarse activist die door de regering aldaar als veiligheidsrisico wordt bestempeld. Na een betoging tegen een wetswijziging om de Central European University van George Soros aan te pakken werd hij drie dagen gevangengezet en tot een taakstraf van driehonderd dagen veroordeeld. Na zijn vrijlating richtte Gulyás de beweging ‘Land voor iedereen’ 
op, die het huidige Hongaarse kiesstelsel probeert te veranderen door de invoering van een 
nieuwe wet.

    Vertaler: Martinette Susijn

    The Slovak Spectator
    Slowakije | maandblad | oplage nb

    De enige Engelstalige krant in Slowakije. Wordt eens in de maand als bijlage 
gepubliceerd bij het dagblad Sme en biedt behalve cultuur lokaal en financieel nieuws.

  • Vuil spel

    Vuil spel

    Het hoofd van de dienst openbaar vervoer in Boedapest zit een Russische metrostellenfabrikant in de weg. Voor het Russische bedrijf staat er meer dan tweehonderd miljoen euro op het spel. Dus wordt de Hongaarse CEO door middel van een duivels spel op een dood spoor gezet. Einde van het liedje? De Hongaarse hoofdstad is opgezadeld met veel te dure, gebrekkige Russische metrostellen waarvan de deuren onderweg openvliegen en de noodrem zichzelf activeert.

    De burgemeester van Boedapest kan zijn frustratie niet langer binnenhouden. ‘We hebben hier te maken met Murphy’s Law, of er wordt een duivels spel gespeeld,’ aldus István Tarlós in maart 2017 op zijn wekelijkse persconferentie. Met een verbitterd lachje zegt hij: ‘Hoewel ik in God geloof, ben ik er absoluut van overtuigd dat Satan de hand heeft gehad in de kwestie van metrolijn M3.’ Tarlós doelt op de onlangs geleverde Russische metrostellen, die vanaf de allereerste dag dat ze in gebruik zijn genomen allerlei gebreken vertonen en voortdurend haperen.

    De burgemeester heeft het bij het rechte eind wanneer hij meent dat er clandestien is gehandeld waar het de metro van Boedapest betreft. Inmiddels is hem vermoedelijk wel duidelijk dat hij vier jaar lang door de Russen om de tuin is geleid.

    Een geslaagde lastercampagne

    In 2013 stelt de ouderwetse, conservatieve burgemeester van Boedapest zich steeds feller op ten opzichte van Dávid Vitézy, de CEO die aan het hoofd staat van de openbaar-vervoersdienst van de stad, het BKK (Budapesti Közlekedési Központ). Vitézy is, met zijn vooruitstrevende standpunten, in vrijwel alles de tegenpool van Tarlós. Het publiek smult van het geruzie, totdat het eindigt met het ontslag van de CEO, een graag geziene figuur binnen intellectuele kringen in Boedapest.

    Iedereen, ook de burgemeester en de CEO zelf, heeft al die tijd gedacht dat de meningsverschillen enkel en alleen draaiden om politieke ambities, een botsende wereldvisie en een diepe, persoonlijke animositeit tussen beide mannen.

    Wat niemand weet is dat er in het geheim een derde partij bij betrokken is.

    Tarlós en Vitézy werken al samen sinds 2010, het jaar waarin Orbáns partij, Fidesz, niet alleen de parlementsverkiezingen wint, maar ook als overwinnaar uit de bus komt bij de gemeenteraadsverkiezingen. Op het moment dat Tarlós burgemeester wordt van Boedapest is het een voor de hand liggende keuze om Vitézy, de achtentwintigjarige verkeersexpert die ook als kind al dol was op trams en bussen, aan te stellen als hoofd van de dienst die het openbaar vervoer in de stad coördineert. Niet alleen heeft Vitézy duidelijke ideeën over de modernisering van het openbaar vervoer in Boedapest, ook heeft hij sterke familiebanden met de partijtop van Fidesz.

    Vitézy’s moeder zit voor Fidesz in het Europees Parlement in Brussel, en wat misschien nog wel belangrijker is: zijn halfzus is een nicht van Viktor Orbán.

    Maar van de ene op de andere dag begint de politieke steun voor de jonge CEO af te kalven. VSquare stuit op een Russische lastercampagne uit 2013, die erop is gericht Vitézy uit te rangeren. Vitézy vormt namelijk een obstakel om de opdracht binnen te slepen voor het opknappen van de oude M3-metrolijn in Boedapest. Zowel de burgemeester als de CEO worden het slachtoffer van deze manipulaties.

    VSquare ontdekt dat in mei 2013 een Russische delegatie een ontmoeting heeft met Vitézy, die de grote fout begaat om geen officiële notulen te maken van zijn onderhandelingen met de Russen. Het duurt niet lang of er worden met opzet onware verhalen over deze ontmoeting de wereld in gestuurd. In de inner circle van de premier, die steeds meer pro-Kremlin wordt, klinken beschuldigingen als zou het hoofd openbaar vervoer van Boedapest anti-Russische sentimenten koesteren en zakelijke overeenkomsten met Moskou dwarsbomen. Hij wordt ontslagen. Op die manier krijgen de Russen vrije toegang tot zo’n tweehonderd miljoen euro aan Hongaarse publieke middelen. De burgemeester van Boedapest vertelt VSquare desgevraagd dat het hoofd van het openbaar vervoer van Boedapest inderdaad niet op zijn initiatief is ontslagen.

    István Tarlós, de non-conformistische, rechtse burgemeester die sinds 2010 de scepter zwaait over Boedapest, is de politieke strijd aangegaan met een aantal machtige ministers en oligarchen van premier Viktor Orbán. De oligarchen doen niet-aflatende pogingen om via verschillende louche transacties en kanalen het budget van Boedapest en het geld van de Europese subsidies weg te sluizen. Tarlós, wiens integriteit boven vrijwel elke twijfel is verheven, probeert die pogingen te verijdelen.

    Zo botst hij met iemand als Lajos Simicska, de beruchte oligarch die het economische achterland van Fidesz bestiert. Tarlós slaagt erin hem te weren uit Boedapest, in ieder geval tot op zekere hoogte. Dat is opmerkelijk omdat Simicska – al sinds de studietijd een goede vriend van Orbán – tussen 2010 en 2014 besliste over leven en dood binnen de Fidesz-regering. Simicska was zo machtig dat hij eigenhandig enkele van Orbáns kabinetsleden selecteerde of de laan uit stuurde.

    In zijn strijd heeft Tarlós echter behoefte aan invloedrijke bondgenoten om de aanvallen van inhalige oligarchen en Fidesz-politici te kunnen pareren. Er is een steeds belangrijkere maar informele rol weggelegd voor István Kocsis, een bekende russofiel die in het verleden aan het hoofd heeft gestaan van de voorloper van het BKK, het KKV, en van het MVM, de Hongaarse overheids-energieleverancier. Hij is ook CEO geweest van de kernenergiecentrale Paks, oorspronkelijk gebouwd door de Sovjets. Kacsis, een van de toonaangevende economen van de voormalige socialistisch-liberale regering van 2002 tot 2010, is betrokken geweest bij meerdere corruptieschandalen, als gevolg waarvan hij zich vanaf 2010 gedwongen gedeisd heeft moet houden.

    Nieuwe treinstellen van het Russische bedrijf Metrowagonmash in Moskou, dat al ruim 120 jaar metro’s levert in o.a. Petersburg, Baku, Tbilisi, Harkov, Praag, Moskou, en Boedapest. – © Wikipedia
    Nieuwe treinstellen van het Russische bedrijf Metrowagonmash in Moskou, dat al ruim 120 jaar metro’s levert in o.a. Petersburg, Baku, Tbilisi, Harkov, Praag, Moskou, en Boedapest. – © Wikipedia

    Tarlós steunt ook op een andere langdurige bondgenoot, György Pető, voormalig lid van de socialistische partij, een man die in het communistische tijdperk bij de geheime dienst heeft gewerkt, en in de jaren tachtig voor de Amerika-afdeling van de Hongaarse contraspionagedienst.

    Later verschijnt ook András Tombor, een voormalig veiligheidsofficier van Orbán, ten tonele – of liever gezegd, ergens in de coulissen. Hij biedt het stadsbestuur van Boedapest officieus zijn diensten aan om wat plooien glad te strijken bij Tarlós’ vervaarlijke tegenstanders in het kabinet van Orbán.

    Kocsis en Tombor worden gezien als lobbyisten die banden onderhouden met verschillende Russische zakenlieden. Van Pető is bekend dat hij zijn loopbaan is begonnen op het Hongaarse ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling III/II – min of meer de plaatselijke afdeling van de KGB, waar dan ook soms orders uit Moskou werden uitgevoerd. Volgens bronnen die zich in de kwestie hebben verdiept is de Russische invloed in Boedapest pas echt goed aan het licht gekomen op het moment dat verschillende partijen het stadsbestuur ervan probeerde te overtuigen om bij de uitvoer van het lucratieve renovatieproject van lijn M3 in zee te gaan met Metrowagonmash, een Russisch bedrijf dat metrostellen levert.

    De aanleg van de derde metrolijn van Boedapest – ook wel de blauwe lijn geheten – begint in 1970, en de lijn is in bedrijf sinds 1976. Hoewel er dagelijks meer dan een half miljoen mensen van deze metrolijn gebruikmaken, is hij al drie decennia lang niet opgeknapt. Nadat in 2011-2012 grote publieke verontwaardiging ontstond vanwege een aantal ernstige technische storingen, met angstaanjagende beelden van rook en vuur, begreep het stadsbestuur dat renovatie en de aanschaf van nieuwe metrostellen onvermijdelijk is. De Sovjet-metrostellen die al sinds de jaren zeventig in Boedapest rijden, en de constructietechniek van de tunnels en de ventilatiesystemen, zijn vrijwel identiek aan die in Baku in Azerbeidzjan, waar in 1995 een brand ontstond door kortsluiting, met 289 doden en 270 gewonden als gevolg.

    Jaren eerder, lang voordat de winnaar van deze metrotender bekend wordt, hebben we een achtergrondgesprek gevoerd met een van de informele lobbyisten die ervoor pleit met Metrowagonmash in zee te gaan. Hij maakte er bezwaar tegen dat we hem een Russische lobbyist noemde, en zei dat hij niets anders wilde dan dat de partijen op één lijn zouden komen zodat een groot metro-ongeluk kon worden voorkomen.

    ‘Niemand wil de dood van passagiers op zijn geweten hebben, toch?’ zei de lobbyist, die beweerde dat de Hongaarse politici bang waren en de voorkeur zouden geven aan een snelle oplossing boven de meest kosteneffectieve oplossing. Aangezien zowel de metrostellen als de tunnel door de Russen waren geleverd, waren zij ook de meest gekwalificeerde partij voor de renovatie, betoogde de lobbyist. De kern van zijn betoog was dat koste wat kost een tragisch ongeluk moest worden voorkomen.

    Dat is natuurlijk een drogredenering. Zo zijn de oude Sovjet-metrostellen in Praag in 2011 met succes gerenoveerd, niet door Metrowagonmash maar door het Tsjechische bedrijf Škoda Transportation. Een tragisch ongeluk is uitgebleven.

    De Hongaarse veiligheidsdiensten hebben al heel lang weet van de banden tussen Metrowagonmash en de Russische geheime dienst. Sterker nog, in het verleden hebben ze zelf geprobeerd gebruik te maken van die connecties

    Tarlós bedient zich echter van dezelfde redenering wanneer hij in een e-mail reageert op vragen van VSquare: ‘Ik ben nog altijd van mening dat het niet meer dan logisch is dat degene die iets heeft geproduceerd, als geen ander is gekwalificeerd om het te renoveren,’ betoogt de burgemeester. ‘Maar ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat ik de Russen niet heb geholpen bij de openbare aanbesteding, en dat ik op geen enkel moment heb ingegrepen. Het enige waar het mij om ging, is dat de renovatie zou plaatsvinden,’ vervolgt hij.

    De burgemeester probeert de rol van zowel Kocsis als Tombor af te zwakken. ‘Niemand heeft gevraagd – in ieder geval niet aan mij – om de opdracht aan Metrowagonmash te gunnen. István Kocsis niet en de heer Tombor niet. Ik heb Kocsis gebeld met de vraag of de geruchten klopten dat hij zou lobbyen voor de Russische belangen. Hoewel hij toegaf dat hij verschillende Russische contacten heeft, ontkende hij onmiddellijk en met klem dat hij zou hebben gelobbyd. ‘Ik vraag Kocsis zelden naar kwesties uit het verleden (…) en ik vraag de heer Tombor nooit naar zijn mening, over wat dan ook,’ aldus de burgemeester.

    Metrowagonmash ziet twee obstakels op haar weg. Het eerste obstakel is Dávid Vitézy, de jonge CEO die aan het hoofd staat van BKK. Zijn loyaliteit aan de regeringspartij wordt door niemand in twijfel getrokken en hij lijkt stevig in het zadel te zitten. Vitézy toont geen enkele belangstelling voor buitenlandbeleid en hij heeft geen moeite met Rusland als een politieke factor. ‘Misschien had Vitézy het niet zo op de Russen, maar zover ik me kan herinneren heeft hij dat nooit met zoveel woorden gezegd, heeft hij dat nooit echt uitgedragen,’ aldus de burgemeester.

    Maar als specialist op het gebied van openbaar vervoer is Vitézy gekant tegen het idee om de roestige, ouderwetse Sovjet-metrostellen domweg op te knappen. Het hoofd van het BKK is voorstander van een eerlijke en competitieve aanbestedingsprocedure en hij heeft liever dat Boedapest nieuwe metrostellen aanschaft dan dat de oude metrostellen een facelift krijgen.

    Ondanks hun verschillende achtergrond zitten Vitézy en Tarlós dit keer op één lijn: beide mannen willen gloednieuwe metrostellen tegen de scherpst mogelijke prijs, met financiële steun van de EU. Dat is het tweede obstakel op het pad van de Russen, aangezien Metrowagonmash heel goed weet dat waar het om nieuwe metrostellen gaat, hun technologie zonder meer onderdoet voor die van de concurrent.

    De Russen moeten dus twee dingen doen om de openbare aanbesteding binnen te halen. Om te beginnen moeten ze zorgen dat Vitézy het veld ruimt, en ook moeten ze zorgen dat Boedapest geen nieuwe metrostellen koopt, maar gerenoveerde oude metrostellen. De Russen hebben het geluk dat ze een zeer ervaren vertegenwoordiger in Boedapest hebben zitten. In Hongarije wordt Metrowagonmash al meer dan tien jaar vertegenwoordigd door ene Béla Juhász.

    Hoewel zijn Hongaarse naam anders doet vermoeden, is Juhász geboren als Sovjet-burger in Transkarpatië (inmiddels deel van Oekraïne), en hij heeft een groot deel van zijn leven de belangen van de Russische overheid behartigd. Dat verneemt VSquare van een bron die vroeger voor een tak van de Hongaarse geheime dienst heeft gewerkt.

    Geheime dienst

    Eind jaren tachtig van de vorige eeuw, niet lang voor de machtswisseling en de ineenstorting van het Sovjetrijk, vestigt Juhász zich in Hongarije waar hij – anders dan de meeste mensen uit Transkarpatië – al snel een vermogen weet te vergaren, vervolgt onze bron. Juhász zet in 1990 een import-, export- en consultancybedrijf op. Hij werkt onder meer met Russische klanten.

    Een belangrijke klant is Metrowagonmash, een in Mytisjtsji gevestigd bedrijf dat metrostellen en railbussen maakt.

    Metrowagonmash maakt ook gepantserde voertuigen voor het Russische leger, zoals het chassis van de Boek, de Toengoeska en de Tor – geleide en zelfstandig aangedreven luchtdoelraketten. Niet alleen produceert Metrowagonmash al heel lang voor militaire doeleinden, ook is het een dochteronderneming van CJSC Transmashholding, een bedrijf dat van groot strategisch belang is voor Moskou, als grootste producent van locomotieven en spoorwegmaterieel. In Rusland werken dergelijke bedrijven nauw samen met landelijke veiligheidsdiensten.

    De bron van VSquare treedt niet verder in detail over het Sovjetverleden van Juhász. We weten niet waaróm zijn achtergrond de aandacht heeft getrokken van de Hongaarse geheime dienst, maar we weten wel dat het zo is. Afgelopen voorjaar liet Ferenc Katrein, voormalig officier van de contraspionagedienst, in een interview vallen dat Hongaarse agenten die op zoek zijn naar mogelijke Russische spionnen hun pijlen niet alleen richten op de diplomatieke wereld, maar ook op bedrijven die in handen zijn van de Russische staat, of die worden gesteund door de Russische staat. ‘Naast traditionele posities, die diplomatieke immuniteit bieden, is het ook de moeite waard om individuen in kaart te brengen die banden hebben met verschillende bedrijven die in handen zijn van de staat of die worden gesteund door de staat, zoals luchtvaartmaatschappijen, reisbureaus, culturele centra, onderwijsinstellingen en media die in handen zijn van de staat – zo heeft de praktijk van de contraspionage ons geleerd,’ aldus Katrein.

    De Hongaarse veiligheidsdiensten hebben al heel lang weet van de banden tussen Metrowagonmash en de Russische geheime dienst. Sterker nog, in het verleden hebben ze zelf geprobeerd gebruik te maken van die connecties. Halverwege de jaren negentig had de voormalig communistische socialistische regering plannen om spionage-apparatuur te kopen van Metrowagonmash, zo viel vorig jaar te lezen op de website Atlatszo.hu. ‘Om de transactie geheim te houden werd een bemiddelend bedrijf in het leven geroepen, Nádor 95 Rt., dat de metrostellen zou kopen van Metrowagonmash, als financiële en administratieve dekmantel voor de aanschaf van spionageapparatuur’, schrijft Atlatszo.hu. Die deal heeft echter nooit zijn beslag gekregen (het Nádor-verhaal is oorspronkelijk gepubliceerd door ÉS, een Hongaars weekblad).


    Tien jaar geleden, in 2006, haalde Juhász voor het eerst het nieuws toen hij Alstom voor de rechter daagde – het Franse bedrijf dat hoger was geëindigd dan Metrowagonmash in de strijd om de levering van nieuwe metrostellen voor de vierde lijn van Boedapest. Zijn poging mislukte echter. Niet in de laatste plaats omdat Alstom de voormalige Hongaarse beleidsmakers zou hebben omgekocht, volgens een onderzoek van OLAF, het Europese antifraude agentschap. Begin 2017 is het OLAF-rapport verschenen over fraude, corruptie en het verkeerd aanwenden van EU-subsidies. In dat rapport worden als belanghebbenden genoemd Péter Medgyessy, de voormalig premier van de socialistisch-liberale coalitie (2002-2004), het socialistisch-liberale gemeentebestuur van Boedapest, en Alstom Transport SA. Zowel Medgyessy – een notoir francofoon – en de voormalig burgemeester van Boedapest ontkennen de aantijgingen.

    Maar het rapport onderschrijft wat velen al denken: wie in Hongarije een publieke aanbesteding wil binnenhalen die verband houdt met het openbaar vervoer in Boedapest, zal zoals altijd moeten zien dat hij de goodwill en de actieve steun vergaart van de machthebbers.

    Het valt dan ook goed te begrijpen dat de Russische bedrijven dachten dat ze binnen waren toen Viktor Orbán in 2011 zijn nieuwe pro-Russische en pro-Chinese buitenlandbeleid bekendmaakte, genaamd ‘Opening naar het oosten’.

    In mei 2013 verzoekt Victor Sorokin, de adjunct handelsgezant van Rusland in Hongarije (Rustrade), om een officiële ontmoeting met de leiding van BKK. Sorokin lijkt zich gesterkt te voelen door Orbáns opening naar het oosten en laat doorschemeren dat hij wil lobbyen voor Russische bedrijven.

    Meerdere specialisten op het gebied van nationale veiligheid zeggen dat provokatsiya – het aanzwengelen van een conflict – en het verspreiden van onwaarheden al sinds jaar en dag het handelsmerk zijn van zowel de oude KGB als de hedendaagse Russische geheime dienst

    Het volgende verhaal is bevestigd door anonieme bronnen die weet hebben van de ontmoeting tussen Vitézy, zijn medewerkers en de Russische delegatie. Daarnaast bestaat er een intern verslag van de ontmoeting, maar het is belangrijk om vast te stellen dat dit verslag pas weken na de bespreking boven tafel is gekomen. Het is op het bureau van de burgemeester beland, zo is VSquare aan de weet gekomen.

    De bespreking vindt plaats op het hoofdkwartier van BKK, in het zevende district van Boedapest, op 24 mei 2013. Sorokin is in het gezelschap van twee mensen, onder wie een de tolk. Er zijn ook enkele medewerkers van Vitézy aanwezig. Het belangrijkste onderwerp is de levering van nieuwe trolleybussen aan Boedapest, en daarnaast komt ook de aanstaande openbare aanbesteding van de metrostellen voor lijn M3 aan de orde.

    De bronnen van VSquare herinneren zich dat Vitézy deze processen alleen heel schetsmatig aanstipt. Hij geeft geen gevoelige informatie prijs waarmee Metrowagonmash een voorsprong zou hebben op de concurrentie. Hij maakt duidelijk dat het gemeentebestuur van Boedapest een open competitie en een openlijke aanbesteding wil, aangezien dat de enige manier is waarop de Europese Unie deze projecten (mede) wil financieren. Vitézy zegt ook dat de hoofdstad liever nieuwe metrostellen koopt dan de oude te laten opknappen. Volgens onze bronnen verloopt de bijeenkomst in een gemoedelijke sfeer, maar de Russische delegatie heeft wellicht opgemerkt dat de CEO en zijn medewerkers zijn vergeten officiële notulen van de bijeenkomst te maken, of het gesprek op te nemen. Dat zal een kapitale fout blijken.

    Weken later hoort de leiding van BKK tot zijn verbazing over een zogenaamde aanvaring met vertegenwoordigers van de Russische Federatie. Vanuit de politiek worden vragen gesteld over geheimzinnige onderhandelingen tussen Vitézy en de Russische ambassadeur op de Russische ambassade in Boedapest – een bespreking die aanvankelijk is geheimgehouden voor de burgemeester, voor iedereen eigenlijk. Vitézy wordt er min of meer van beschuldigd op eigen houtje te hebben geopereerd, achter de rug van de burgemeester om, en ruzie te hebben gezocht met de Russen om te voorkomen dat het gemeentebestuur van Boedapest in zee zou gaan met Metrowagonmash. BKK krijgt voor de voeten geworpen dat ze niet willen meewerken met Russische diplomaten, dat ze het hele renovatieproject saboteren en dat ze de Russische ambassadeur, Aleksandr Tolkach, vijandig of oneerbiedig hebben bejegend.

    Verschillende bronnen zeggen dat deze verhalen op niets zijn gebaseerd, dat Vitézy’s geheimzinnige bezoek aan de Russische ambassade nooit heeft plaatsgevonden. Volgens het rapport dat later op het bureau van de burgemeester belandt, heeft de CEO geen besprekingen gevoerd op de ambassade en is de Russische ambassadeur helemaal niet betrokken geweest bij een bespreking met Vitézy.

    Het doet er allemaal niet toe. Het nepverhaal over Vitézy’s aanvaring met Tolkach wordt steeds groter en BKK heeft aanvankelijk geen officiële notulen of opnamen om hun ontkenning te staven. Tarlós laat ook weten dat hij zich kan herinneren dat er werd gefluisterd over een naar verluidt omstreden gesprek tussen Vitézy en de Russen. ‘Ik herinner me dat ik in de wandelgangen iets opving over “Vitézy versus de Russische ambassade”, maar het kwam mij nogal ongeloofwaardig voor dat Vitézy stiekem naar de ambassade zou zijn geglipt, dus liet ik het verder maar rusten. Ik weet het niet honderd procent zeker, maar het staat me bij dat ik erover ben begonnen tegen Dávid, die het verhaal ontkende’, zegt de burgemeester tegen VSquare.

    Ook wordt duidelijk dat iemand aan kringen rond de Hongaarse regering heeft gemeld dat Vitézy de voor beide partijen lucratieve overeenkomsten met Rusland in gevaar heeft gebracht. VSquare probeert de details te achterhalen van de Russische bezwaren tegen Vitézy en benadert een hooggeplaatste ambtenaar op het Hongaarse ministerie van Buitenlandse Zaken. Als de Russen op diplomatiek niveau contact hebben gezocht met de Hongaarse regering, dan moet deze hooggeplaatste bron van VSquare daar weet van hebben. Het wekt nauwelijks verbazing wanneer de bron beweert niets van het verhaal af te weten. ‘Inmiddels is de bureaucratie van het ministerie van Buitenlandse Zaken al helemaal buiten spel gezet waar het gaat om de zakelijke betrekkingen met Rusland, betrekkingen waar slechts een handjevol Fidesz-leider garen bij spinnen’, hoort VSquare uit de mond van een andere bron die kennis heeft van de Russische lobby.

    ‘Met de Vitézy-affaire kom je in de hoogste politieke regionen terecht, en dan heb ik het over Viktor Orbán en zijn vertrouwelingen, die Vitézy als een risico zijn gaan beschouwen’, voegt onze bron eraan toe.

    Verdeel-en-heerstactiek

    Noch de ambassade van de Russische Federatie in Boedapest, noch Rustrade heeft gereageerd op onze vragen over de (vermeende) ontmoetingen met Vitézy. We hebben ook officiële vragen gesteld aan Metrowagonmash en de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken en Handel, maar tot op heden hebben we geen reactie mogen ontvangen. Gelukkig zijn we erin geslaagd het verhaal te bekijken vanuit een Russisch perspectief door te gaan praten met een bron binnen de zakenwereld, die banden heeft met Russische bedrijven die in handen zijn van de staat. ‘Vitézy is bij de ambassadeur op bezoek geweest. Dat verhaal klopt. Het verhaal heeft de ronde gedaan, in eerste instantie via de Russische overheid, en daarna via de Hongaarse overheid. Dat is alles. Ik weet niet wat Vitézy ertoe heeft gedreven (om de strijd aan te binden met de ambassadeur), maar ik vermoed dat het net zoiets is als met de bussen. Ik denk dat ze het metrostelsel ook wilden privatiseren,’ aldus onze bron.

    Wanneer VSquare contact opneemt met Dávid Vitézy, momenteel algemeen directeur van het Hongaarse museum van wetenschap, technologie en transport, vraagt Vitézy of we onze vragen per e-mail willen stellen. In plaats van antwoord te geven op onze vragen, reageert hij met een korte verklaring. ‘Momenteel richt ik mijn volledige aandacht op het nieuwe museum voor transport, dat ik naar een zo hoog mogelijk plan wil tillen. Ik wil dan ook niet ingaan op verhalen van jaren geleden’, schrijft hij. De voormalige CEO weerlegt echter geen van onze uitspraken.

    Ondanks zijn politieke loyaliteit en de familiebanden met Orbán, kalft Vitézy’s invloed in 2013 en 2014 geleidelijk af. Hij is de politieke steun van de overheid verloren nadat hij als anti-Russisch is bestempeld en de lastercampagne zijn vertrouwensband met Tarlós onherstelbaar heeft beschadigd. ‘Tot aan de dag van vandaag geloof ik niet dat Vitézy domweg de Russische ambassade is binnengelopen met het voornemen om ergens een stokje voor te steken, tenzij hij daar iemand kende. Dat laatste lijkt echter niet waarschijnlijk, al heb ik de ambassade er nooit naar gevraagd,’ zegt Tarlós tegen VSquare, waarmee we tot op zekere hoogte in het duister blijven tasten over wat hij nou echt denkt.

    Uiteindelijk heeft de verdeel-en-heerstactiek van de Russen en hun lobbyisten succes. Dat is deels het gevolg van de soepele samenwerking tussen de Russische diplomatie, een Russisch bedrijf, hun Hongaarse afgevaardigden en waarschijnlijk ook nog andere vertakkingen van de Russische staat. Meerdere specialisten op het gebied van nationale veiligheid zeggen tegen VSquare dat provokatsiya – het in de hand werken van een crisis, het aanzwengelen van een conflict – en het verspreiden van dergelijke onwaarheden, al sinds jaar en dag het handelsmerk zijn van zowel de oude KGB als de hedendaagse Russische geheime dienst.

    Uiteindelijk wordt Dávid Vitézy eind 2014 ontslagen.

    De burgemeester van Boedapest heeft een aantal dingen in het midden gelaten in de versie van het verhaal die wij van hem te horen krijgen. Tarlós vertelt VSquare dat hij Vitézy in 2010 heeft aangesteld als hoofd van BKK op verzoek van een van zijn adjuncten. ‘Na een tijdje werd duidelijk dat de opvattingen van Vitézy op een heleboel terreinen niet overeenkwamen met die van mij,’ vervolgt hij. Hij zegt dat de band tussen hen verslechterde en hij erkent dat hij Vitézy op een zijspoor probeerde te zetten. ‘Ik mocht hem niet, en ik wilde eigenlijk niet langer dat hij aan het hoofd stond van BKK,’ voegt hij er nog aan toe.

    Verrassend genoeg impliceert de burgemeester dat hij weliswaar achter de beslissing stond, maar dat hij niet zelf het initiatief heeft genomen om Vitézy te ontslaan. Tarlós weigert bekend te maken wat de achtergrond van die beslissing is geweest, en van wie het initiatief uitging. ‘Ik wil niet al te gedetailleerd op de omstandigheden van deze beslissing ingaan, deels omdat ik niet veel later hoe dan ook die stap in werking zou hebben gezet.’ Hij beklemtoont nog eens dat het ontslag niets van doen heeft met de Russen. ‘Ten minste niet voor zover ik weet,’ gaat hij verder. Wat de burgemeester exact heeft gezegd – aangaande het ontslag van Vitézy – is dat ‘de Russen niet specifiek zijn genoemd’, noch door ‘de Russen zelf’ noch door ‘de Hongaarse regering en de mensen die daar deel van uitmaken’.

    Nadat het eerste obstakel uit de weg is geruimd door Vitézy uit te rangeren, richten de Russische lobbyisten rond de leiders in Boedapest hun pijlen op het tweede obstakel. De lobbyisten proberen de renovatie van de metro te laten plaatsvinden binnen een zogeheten buitengewone procedure, zonder openbare aanbesteding en concurrentie. Als ze daarin slagen, kan Metrowagonmash de aanbesteding winnen zonder het ook maar tegen iemand te hoeven opnemen.

    De oude M3-lijn op een station in Boedapest, Hongarije, 2014. – © Nikita Shvetsov / Anadolu Agency / Getty Images
    De oude M3-lijn op een station in Boedapest, Hongarije, 2014. – © Nikita Shvetsov / Anadolu Agency / Getty Images

    VSquare heeft de hand weten te leggen op het officiële verzoek – oorspronkelijk aangehaald door Népszabadság – waarin wordt verzocht om een buitengewone procedure. Dit verzoek dateert van 23 augustus 2013, drie maanden nadat Vitézy en Sorokin elkaar hebben gesproken. Het is ondertekend door Tarlós en gestuurd aan Lászlóné Németh, die aan het hoofd staat van het ministerie van Nationale Ontwikkeling (Nemzeti Fejlesztési Minisztérium, NFM), het ministerie dat gaat over het budget voor ontwikkelingsfondsen.

    ‘Naar onze mening is het risico dat het gebruik van de oude metrostellen met zich meebrengt, onacceptabel groot’, staat te lezen in het verzoek, dat verwijst naar veiligheidsrisico’s en risico’s op allerhande andere gebieden. In de brief wordt verwezen naar het belang van de nationale veiligheid en wordt verzocht af te zien van een openbare aanbesteding, omwille van een snelle renovatie. In tegenstelling tot zijn eerdere opvattingen pleit Tarlós nu onomwonden tégen de aanschaf van nieuwe metrostellen en zegt dat hij opgeknapte metrostellen wil.

    De burgemeester laat zelfs weten dat hij niet langer steun wil van de Europese Unie. Tarlós zegt niet met zoveel woorden wie hij voor dit project in de arm wil nemen, maar hij schrijft in een brief dat er bedrijven zullen worden gepolst die op een niet-openbare lijst staan van het Hongaarse Constitutional Protection Office, de dienst die zich ook bezighoudt met contraspionage.

    Destijds stonden minister Lászlóné Németh en het NFM onder volledige controle van Simicska, de machtige oligarch die overhooplag met Tarlós, en het verzoek wordt dan ook afgewezen.

    Tegenover VSquare houdt Tarlós vol dat hij nooit enige druk heeft gevoeld van Simicska. Maar na de parlementsverkiezingen van 2014 verbreekt Simicska al snel de banden met Orbán.

    Simicska’s invloed is tanende en later wordt ook Lászlóné Németh ontslagen. Als alle obstakels uit de weg zijn geruimd, neemt de regering Orbán een financiële beslissing door een decreet aan te nemen dat in feite alle mogelijkheden uitsluit, behalve het opknappen van de oude metrostellen.

    Wanneer VSquare ernaar vraagt, zegt Tarlós dat hij zich, ondanks zijn eerdere opvatting, uiteindelijk heeft neergelegd bij de beslissing van regering en dat hem geen andere mogelijkheid restte dan de oude metrostellen te laten opknappen. De burgemeester rept met geen woord over het feit dat hij in augustus 2013 van gedachten is veranderd – in ieder geval waar het de inhoud van die brief betrof – zoals maar al te duidelijk blijkt uit zijn verzoek om een buitengewone procedure.

    Van de bedrijven die overblijven komt de Estlander met het beste, modernste en goedkoopste bod, waarmee het Boedapest en de Hongaarse regering knap lastig wordt gemaakt. Skinest Rail wordt uiteindelijk gediskwalificeerd

    Uiteindelijk trekken Béla Juhász en Metrowagonmash aan het langste eind. Hoewel er uiteindelijk toch een openbare aanbesteding moet worden gedaan, worden de voorwaarden en de vereisten toegespitst op de Russen. Zeven bedrijven dingen mee naar de opdracht. Vijf bedrijven halen de tweede ronde: Alstom (Frankrijk), CAF (Spanje), Škoda Transportation (Tsjechië), Skinest Rail (Estland) en Metrowagonmash. Voordat de uitslag bekend wordt gemaakt, hebben wij een gesprek met een wettelijk vertegenwoordiger van een van de Europese bedrijven die hebben meegedongen. Deze vertegenwoordiger laat weten dat van begin af aan duidelijk was dat het doorgestoken kaart was, maar dat ze vanuit een gevoel van rechtvaardigheid toch hebben besloten mee te dingen. Alstom, CAF en Škoda hebben al snel door hoe weinig kans ze maken en trekken zich terug uit de race. Van de bedrijven die overblijven komt de Estlander met het beste, modernste en goedkoopste bod (196 miljoen euro), waarmee het Boedapest en de Hongaarse regering knap lastig wordt gemaakt. Skinest Rail wordt uiteindelijk, onder het mom van onduidelijke technische redenen, gediskwalificeerd. Zo weet Metrowagonmash de opdracht binnen te halen, met een offerte die niet alleen hoger is (220 miljoen euro) maar ook nog eens minder aantrekkelijk. Hun metrostellen zijn niet eens voorzien van airconditioning.

    Begin 2017 arriveren de eerste opgelapte Russische metrostellen – die spottend Moskvitsj worden genoemd, naar het goedkope Russische automerk – in Boedapest. Het blijkt dat de Russen echt iedereen om de tuin hebben geleid. Er wordt vermoed dat ze de oude metrostellen helemaal niet hebben opgeknapt, maar dat ze gloednieuwe metrostellen hebben geleverd – een verouderd model dat ze aan de straatstenen niet kwijt konden. Als ze met deze modellen hadden moeten concurreren in een openbare aanbesteding voor nieuwe metrostellen, waren ze kansloos geweest tegenover de Esten, de Spanjaarden en de Tsjechen. De burgemeester van Boedapest reageert op het schandaal met de woorden: ‘Laten we blij zijn dat we iets veel mooiers en beters hebben gekregen dan we verwachtten.’

    De nieuwe Moskvitsjen haperen ogenblikkelijk. De deuren gaan plotseling open terwijl de metro rijdt, maar weigeren open te gaan wanneer dat moet, zodat honderden passagiers vast komen te zitten. Soms wordt de noodrem uit zichzelf geactiveerd. Na enkele weken geeft de landelijke verkeersdienst zelfs de opdracht alle gerenoveerde Russische metrostelling tijdelijk uit de roulatie te nemen.

    Auteur: Szabolcs Panyi
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    De in Budapest geboren Zsabolcz Panyi is op dit moment Fullbright-student aan de Arizona State University.

    VSquare
    Visegrad-groep | vsquare.org

    Een platform voor onafhankelijke cross-border journalistiek ter bevordering van de kwaliteit van onderzoeksreportages en onafhankelijke journalistiek in de Visegrad-regio (Hongarije, Polen, Slowakije en Tsjechië). De redactie zit verspreid over deze vier landen. Het initiatief wordt gesteund door het Nationaal Endowment for Democracy.