We hebben een universeel narratief nodig om de stukjes informatie die we dagelijks tot ons nemen te kunnen duiden, aldus de Koreaans-Duitse filosoof. Dat narratief moeten we niet in de filosofie, maar in de kunsten zoeken.
De uit Zuid-Korea afkomstige Duitse hoogleraar filosofie en cultuurtheorie Byung-Chul Han is de auteur van onder meer Müdigkeitsgesellschaft (De vermoeide samenleving) en Vom Verschwinden der Rituale (in het Engels vertaald als The Disappearance of Rituals). Hij sprak onlangs met Nathan Gardels, de hoofdredacteur van Noema.
Nathan Gardels: Goethe heeft ooit gezegd: ‘Tijdperken van achteruitgang en verval zijn allemaal subjectief, terwijl alle tijdperken van vooruitgang een objectieve richting hebben. Elk capabel streven richt zich niet op de binnen- maar op de buitenwereld.’
Volgens dat criterium leven wij in een tijd van verval, waarin belangstelling voor de buitenwereld plaatsmaakt voor de innerlijke obsessie met identiteit en ‘authenticiteit’, zowel individueel als tribaal, dit alles aangewakkerd door de digitale connectiviteit. Paradoxaal genoeg zijn de sociale media in dit opzicht juist asociaal, ze leiden tot het uiteenvallen van gemeenschapsbanden door een soort eenzaamheid in verbondenheid. Wat is de dynamiek en wat zijn de mechanismen achter wat u een ‘gemeenschapscrisis’ noemt? Wat zijn de gevolgen voor ons alledaagse doen en laten?
Byung-Chul Han: Het in zichzelf gekeerde, narcistische ego dat alleen nog in subjectief contact met de wereld staat, is niet de oorzaak van de sociale desintegratie, maar het gevolg van een noodlottig proces op objectief niveau. Alles wat ons met elkaar verbindt is aan het verdwijnen. We hebben bijna geen gedeelde waarden of symbolen meer, geen gemeenschappelijke verhalen die mensen verenigen.
De waarheid, die zin en richting aan ons leven zou moeten geven, is nu ook maar gewoon een verhaal. We zijn heel goed geïnformeerd, maar kunnen op de een of andere manier geen richting vinden. De informatisering van de werkelijkheid leidt tot de verbrokkeling ervan, tot van elkaar gescheiden sferen van wat men voor waar houdt.
Maar waarheid heeft een middelpuntzoekende kracht, die houdt de samenleving bijeen, anders dan informatie. Informatie is een middelpuntvliedende kracht, met zeer schadelijke gevolgen voor de maatschappelijke samenhang. Als we willen begrijpen in wat voor maatschappij we leven, moeten we goed begrijpen wat het wezen van informatie is.
Byung-Chul Han
Byung-Chul Han heeft een brede aanhang in de kunstwereld, waar zijn oorspronkelijk in het Duits geschreven essays over moderne omstandigheden als vervreemding, eenzaamheid, de fragmentatie en desintegratie van de werkelijkheid en de rol van de technologie, met lof en scepsis zijn ontvangen. Zijn laatste boek Undinge (Nonobjects), werd eerder dit jaar gepubliceerd.
Stukjes informatie kunnen geen zin of richting aan ons leven geven. Ze smelten niet samen tot een verhaal, ze zijn louter cumulatief. Vanaf een bepaald punt zijn ze niet langer aan het informeren, maar aan het deformeren, ze vervormen de werkelijkheid. Ze kunnen de wereld zelfs duisterder maken. Daarin zijn ze tegengesteld aan waarheid. Waarheid verlicht de wereld, terwijl informatie leeft op de aantrekkingskracht van verrassing, ons meesleept in één lange roes van vluchtige momenten.
Informatie onthalen we op fundamenteel wantrouwen: alles kan ook best anders zijn. Onzekerheid is een wezenskenmerk van informatie, en daarom is nepnieuws een niet weg te denken element van de informationele orde. Nepnieuws is dus ook maar gewoon een stukje informatie, en nog voordat het kan worden getoetst heeft het zijn werk al gedaan. Het snelt de waarheid voorbij en is door de waarheid niet meer in te halen. Nepnieuws is waarheidsbestendig.
Fundamenteel wantrouwen
Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen. Hoe meer we met informatie te maken krijgen, des te dieper ons wantrouwen wordt. Informatie is een januskop: ze brengt tegelijkertijd zowel zekerheid als onzekerheid voort. Fundamentele structurele ambivalentie is inherent aan de informatiemaatschappij.
Waarheid vermindert de onzekerheid juist. We kunnen geen stabiele samenleving of democratie bouwen op een massa onzekerheden. Democratie vereist waarden en idealen die ons verbinden en overtuigingen die we delen. Tegenwoordig maakt democratie plaats voor infocratie.
Een andere reden voor de crisis van onze samenleving, die een crisis van de democratie is, is gelegen in de digitalisering, zoals uw vraag al suggereert. Digitale communicatie verandert de loop van de communicatiestromen. Er wordt informatie verspreid zonder dat er een publiek domein wordt geschapen. Die informatie ontstaat in de privéruimte en wordt verzonden naar andere privéruimtes. Het wereldwijde web creëert geen publieke sfeer.
Goethe
Alle im Rückschreiten und in der Auflösung begriffenen Epochen sind subjektiv, dagegen aber haben alle vorschreitende Epochen eine objektive Richtung. (…) Jedes tüchtige Bestreben dagegen wendet sich aus dem Innern hinaus auf die Welt.
Dat is bijzonder schadelijk voor het democratisch proces. De sociale media versterken deze vorm van communicatie zonder gemeenschap. Influencers en volgers kun je niet tot een publieke sfeer smeden. Digitale gemeenschappen hebben de vorm van commerciële producten, en zijn dat uiteindelijk ook.
Vroeger had je natuurlijk ook al informatie. Maar die was niet zo bepalend voor de samenleving als tegenwoordig. In de Oudheid hadden verhalen uit de mythologie een bepalende invloed op het doen en laten van de mensen. In de middeleeuwen werd dat voor velen bepaald door het christelijke narratief. Maar informatie was in die verhalen ingebed. Een uitbraak van de pest was niet louter informatie. Die maakte deel uit van het christelijke verhaal over zonde en boete.
Tegenwoordig hebben we geen verhalen meer om ons leven zin en richting te geven. De verhalen verbrokkelen en vallen uiteen in informatie. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat er niets anders meer is dan informatie, zonder hermeneutische horizon voor de interpretatie ervan, zonder een methode om de informatie te duiden. De stukjes informatie klonteren niet samen tot kennis of waarheid, zoals in verhalen gebeurt.
Die narratieve leemte van de informatiemaatschappij leidt tot ontevredenheid bij burgers, zeker in tijden van crisis, zoals de pandemie. Mensen gaan dan verhalen verzinnen om de vloedgolf aan verwarrende gegevens en cijfers te verklaren. Die verhalen worden vaak complottheorieën genoemd, maar ze kunnen niet simpelweg op het conto van collectief narcisme worden geschreven. Ze leveren panklare verklaringen van de wereld. Op internet ontstaan ruimtes waar het weer mogelijkheid is een ervaring van identiteit en collectieve verbanden te ondergaan. Zo krijgt het internet een tribaal karakter, vooral onder extreemrechtse groeperingen, die een sterke behoefte hebben aan een identiteitsgevoel. In die kringen worden complottheorieën gezien als mogelijkheden om een identiteit aan te nemen.
Nietzsche heeft ooit gezegd dat geluk voor ons schuilt in het bezit van een onomstotelijke waarheid. Tegenwoordig beschikken we niet meer over zulke onomstotelijke waarheden. In plaats daarvan hebben we een overvloed aan informatie. Ik weet niet zeker of de informatiemaatschappij wel een voortzetting is van de Verlichting. Misschien zijn we toe aan een nieuwe verlichting. Daarover schreef Nietzsche: ‘Het is niet genoeg dat je beseft in welke onwetendheid mens en dier leven, je moet die onwetendheid ook nastreven en aanleren. Je moet beseffen dat zonder dit soort onwetendheid het leven zelf onmogelijk is, dat die voor al wat leeft een voorwaarde is om stand te houden en tot bloei te komen.’
Narratieve banden
Nathan Gardels: In uw laatste boek schrijft u dat de objectieve narratieve banden die een samenleving bijeenhouden vroeger gesmeed werden door maatschappelijke rituelen. Die ‘stabiliseerden het leven’, schrijft u. Nu worden die rituelen belaagd door de sloopkogel van de deconstructie, het zouden slechts de producten zijn van de bevoorrechte klasse die in het verleden de macht had om anderen deze rituelen op te leggen. In de horizontaal georganiseerde wereld van nu, die geen legitieme waardenhiërarchie meer kent, wordt die leemte gevuld door subjectieve projectie.
Hoe kunnen uit de puinhopen van deze objectieve orde de stabiliserende ankers van het ritueel ooit weer in ere worden hersteld? Op welke grondslag? Op wiens gezag? En hoe zal het leven eruitzien als dat niet mogelijk blijkt?
Byung-Chul Han: Ik pleit er niet voor om de rituelen uit het verleden nieuw leven in te blazen. Dat is simpelweg niet mogelijk, want de rituelen van de westerse cultuur zijn zeer nauw verbonden met het christelijk narratief. En dat is nu overal sterk op zijn retour. Daar is weinig meer van over dan de kerstviering.
Rituelen geven een gemeenschap vorm. Anders dan uw vraag suggereert, is het niet onvermijdelijk dat rituelen bestaande machtsverhoudingen bestendigen. Integendeel. Met carnaval worden die verhoudingen omgedraaid, zodat de slaven hun meesters kunnen bekritiseren en zelfs bespotten. De rollen worden dan vaak omgedraaid: de meesters bedienen hun slaven en de nar bestijgt de troon als koning. Zo’n tijdelijke rituele opschorting van de heersende machtsverhoudingen houdt een gemeenschap in evenwicht.
In een wereld die volledig van rituelen verstoken is en volkomen seculier is, resteert alleen nog consumptie en behoeftebevrediging. Dat is de brave new world van Aldous Huxley, waarin elke behoefte onmiddellijk wordt bevredigd. De mensen worden monter gehouden met behulp van pret, consumptie en vertier. De overheid distribueert de drug ‘soma’ om het geluksgevoel van de bevolking te verhogen. In onze eigen brave new world krijgen mensen wellicht een universeel basisinkomen en onbeperkte toegang tot games. Dat zou de nieuwe versie van brood en spelen zijn.
Nietzsche
Es ist nicht genug, daß du einsiehst, in welcher Unwissenheit Mensch und Tier lebt: du mußt auch noch den Willen zur Unwissenheit haben und hinzulernen. Es ist dir nötig, zu begreifen, daß ohne diese Art Unwissenheit das Leben selber unmöglich wäre, daß sie eine Bedingung ist, unter welcher das Lebendige allein sich erhält und gedeiht: eine große, feste Glocke von Unwissenheit muß um dich stehen.
Maar ik ben daar niet alleen maar pessimistisch over. Misschien ontwikkelen we wel nieuwe narratieven, verhalen zonder hiërarchie. We kunnen ons best een vlak narratief voorstellen. Elk narratief ontwikkelt zijn eigen rituelen met de bedoeling daar een gewoonte van te maken, ze in het fysieke lichaam te verankeren. Cultuur kweekt gemeenschap.
Wat na de pandemie vooral aan herstel toe is, is de cultuur. Culturele evenementen zoals theater, dans en zelfs voetbal hebben een ritueel karakter. Alleen door middel van die rituele vormen kunnen we de gemeenschap nieuwe kracht geven. De cultuur wordt tegenwoordig alleen door instrumentele en economische relaties bijeengehouden. Maar zo creëer je geen gemeenschappen – zo isoleer je mensen juist. Vooral kunst moet een centrale rol gaan spelen bij het herbronnen van rituelen.
Wat we vooral nodig hebben, zijn tijdelijke structuren om het leven te stabiliseren. Waar alleen nog de korte termijn bestaat, verliest het leven alle stabiliteit. Stabiliteit is iets van de lange duur: trouw, onderlinge banden, integriteit, toewijding, beloften, vertrouwen. Dat zijn de sociale praktijken die een gemeenschap bijeenhouden. Die hebben allemaal een ritueel karakter. Ze vergen allemaal veel tijd. De huidige terreur van de korte termijn – die we funest genoeg verwarren met vrijheid – is fnuikend voor de praktijken die tijd vergen. Om die terreur te bestrijden hebben we behoefte aan een heel andere tijdspolitiek.
Vieringsruimtes
In Le petit prince wil de vos dat de kleine prins elke dag op hetzelfde tijdstip bij hem langskomt, zodat zijn bezoek een ritueel wordt. De kleine prins vraagt de vos wat een ritueel is. ‘Dat is iets wat maar al te vaak vergeten wordt,’ zegt de vos dan. ‘Dat is wat een bepaalde dag anders maakt dan andere dagen, een uur anders dan andere uren.’
Je zou rituelen kunnen definiëren als tijdstechnieken die onderdak bieden, die ‘in de wereld zijn’ veranderen in ‘thuis zijn’. Rituelen verhouden zich tot de tijd zoals dingen zich verhouden tot de ruimte. Ze stabiliseren het leven door structuur aan te brengen in de tijd. Ze geven ons als het ware vieringsruimtes: ruimtes die we kunnen betreden om iets te vieren.
Petit Prince
– Qu’est-ce qu’un rite? dit le petit prince.
– C’est quelque chose trop oublié, dit le renard. C’est ce qui fait qu’un jour est différent des autres jours, une heure, des autres heures.
In hun hoedanigheid van tijdsstructuur leggen rituelen de tijd vast. Een tijdsruimte die je kunt betreden om iets te vieren gaat niet voorbij. Zonder zulke tijdsstructuren wordt de tijd één woeste stroom die ons uit elkaar rukt en van onszelf vervreemdt.
Nathan Gardels: U hebt gezegd dat we voor de verlossing uit de door u beschreven toestand naar de kunsten moeten kijken, omdat de filosofie niet meer de levensveranderende kracht heeft die ze ooit had. Wat bedoelt u daarmee?
Byung-Chul Han: Filosofie heeft de kracht om de wereld te veranderen. De wetenschap is in Europa pas begonnen met Plato en Aristoteles. Zonder Rousseau, Voltaire en Kant was de Europese Verlichting ondenkbaar geweest. Nietzsche wierp een volledig nieuw licht op de wereld. Het kapitaal van Marx luidde een nieuw tijdperk in.
Paul Klee
Einer der meistzitierten Sätze von Paul Klee, vom frühen Tagebuchwort wurde es zu seiner Grabinschrift:Diesseitig bin ich gar nicht faßbar. Denn ich wohne grad so gut bei den Toten, wie bei den Ungeborenen. Etwas näher dem Herzen der Schöpfung als üblich. Und noch lange nicht nahe genug.
Maar tegenwoordig heeft de filosofie die kracht volledig verloren. Ze is niet meer in staat een nieuw narratief voort te brengen. De filosofie is een academische, specialistische wetenschap geworden. Ze is niet meer op de wereld en op het heden gericht.
Hoe kunnen we die ontwikkeling tenietdoen en ervoor zorgen dat de filosofie haar magische kracht om de wereld te veranderen herwint? Ik denk dat de kunsten, anders dan de filosofie, nog steeds in een positie verkeren waarin ze ons een glimp van een nieuwe vorm van leven kunnen voortoveren. Kunst heeft altijd nieuwe werkelijkheden geschapen, nieuwe manieren om naar de wereld te kijken. Zijn leven lang zei Paul Klee: ‘In het hiernumaals ben ik ongrijpbaar. Want ik woon evengoed bij de doden als bij de ongeborenen. Iets dichter bij het hart van de schepping dan gebruikelijk. En toch nog niet dichtbij genoeg.’
Het zou best kunnen dat kunst dichter bij het hart van de schepping staat dan de filosofie. Daar kan dus iets totaal nieuws ontstaan. De revolutie kan beginnen met zoiets kleins als een ongekende kleur, een ongekend geluid.
De onlangs overleden Franse filosoof Bruno Latour liet ons zien hoe we met de zogenoemde ‘actanten’, niet-menselijke entiteiten, mee kunnen denken. Want alles hangt samen en alle objecten en dingen in onze omgeving hebben bestaansrecht.
Een eenvoudig virus, de Dode Zee, oliepijpleidingen, Wonder Woman, een voodoopop, Escherichia coli, het begrip vrijheid, moessons, ‘dode’ talen en tektonische platen. Ze zijn allemaal echt. Ze zijn allemaal actief. Deze en talloze andere niet-menselijke entiteiten zijn op hun manier actanten, met hun eigen rol in de schepping van onze wereld. We zitten nog maar in de eerste alinea, maar hier zou Bruno Latour wellicht ‘ho’ hebben gezegd en om een kleine correctie hebben gevraagd: de schepping van werelden.
Voor Latour, een van de invloedrijkste en uitdagendste denkers van de vorige eeuw, is de wereld altijd meervoudig. Zijn manier van denken is in de eerste plaats pluralistisch – dat is zijn nalatenschap. Op 9 oktober 2022 stierf hij. Hij laat een pluralisme na dat niet alleen van toepassing is op niet-westerse werelden, maar ook, en dat is opmerkelijk, op de werelden van niet-mensen, die niet louter dingen of krachten zijn, maar ‘actanten’ met de potentie hun omgeving te veranderen. Dit pluralisme is echter geen relativisme à la anything goes. In een tijd dat werelden op ongekende schaal worden vernietigd, gaat het om een zaak op leven en dood.
Latours benadering is radicaal, want er blijkt uit hoe actief niet-mensen zijn geweest in menselijke aangelegenheden. Zijn werk is een pleidooi voor nieuwe politieke strategieën waarin wordt geaccepteerd dat mensen niet de enigen zijn die een rol spelen in het vaststellen van de waarheid. In zijn visie zijn vormen van ‘natuur’ – inclusief niet-mensen zoals bergen, voodoopoppen, beleidsstukken of deurstoppers – met elkaar verweven in politieke netwerken. Ze vormen, om zijn woorden te gebruiken, een ‘politieke ecologie’. Als dit ‘ecologie’ is, dan wel een typisch Franse soort. Bij Latours vele actanten treffen we niets aan van de vroomheid jegens de Noord-Amerikaanse wildernis van Ralph Waldo Emerson en Henry David Thoreau, die spirituele transcendentie zochten in de ongerepte natuur. De ecologie die Latour ontwikkelde is praktisch, aards en probleemgericht. Waar deed hij zijn ideeën eigenlijk op?
Maison Louis Latour
Latour werd in de zomer van 1947 in de Bourgogne geboren in een familie van wijnproducenten. Als huis van kooplieden annex wijnbouwers hoort Maison Louis Latour bij de exclusieve club Franse familiebedrijven die al meer dan tweehonderd jaar opereren – een diepgeworteld Frans-zijn maakte hem misschien gevoelig voor je herkomst en de rol van tradities. In de Bourgogne zag hij ook specifieke verbanden tussen natuur, cultuur en technologie in de vorm van gecultiveerde wijnstokken, terroirs, fermentatietechnieken, de ‘neus’ van de wijnhandelaar, het kuipersambacht, distributienetwerken en menselijke gezelligheid, bekroond met goede wijn. Hoe kon in zo’n getransformeerd landschap natuur niet ‘natuur’ worden voor een observator als Latour? Hoe kon hij niet ook op zijn hoede zijn voor het moderne landbouwbedrijf met z’n lak aan ecologische zorg? Terwijl hij opgroeide in dit befaamde landschap, kwamen de ingrediënten voor zijn pluralisme al bijeen: een mise-en-place.
De ecologie trok niet meteen. Zijn eerste belangstelling betrof theologie en interpretatie, wat tijdens het werken aan zijn proefschrift uitnodigde tot vroege vragen over pluralisme: is er ruimte voor God in een wereld waar de moderniteit almaar hamert op positivistisch secularisme, op het degelijke en feitelijke? Zoals we zullen zien was Latour van mening dat God en wetenschap naast elkaar konden bestaan. Dit denkbeeld begon zelfs al vorm te krijgen in de beginjaren van zijn studies filosofie, antropologie, literatuur en wetenschapsgeschiedenis. In die tijd ontwikkelde hij een eigen schrijfstijl: intellectueel genereus, hoffelijk, geestig. Zijn zelfvertrouwen als intellectueel kreeg een injectie toen hij eerste werd bij het landelijk bekwaamheidsexamen voor universitair docent, de agrégation – een hele prestatie.
De Franse filosoof Bruno Latour zocht naar radicaal andere verhouding tussen mens en planeet. Het ecologische vraagstuk diende terug te keren naar de kern van het maatschappelijke en politieke debat.
Zijn tijdgenoten op de universiteit waren de soixante-huitards, de revolutionaire babyboomers die in 1968 en 1969 het land tot stilstand brachten en de regering bijna omver wierpen. Hun erfenis is echter beslist eerder intellectueel dan politiek. In het kielzog van de straatprotesten en veldslagen nam een nieuwe garde het in het Franse universiteitssysteem over, met opwindende ideeën die aan de wieg stonden van wat later het ‘poststructuralisme’ en ‘postmodernisme’ zouden worden.
Latour stond aan de zijlijn van deze verandering, maar hij was ongetwijfeld beïnvloed door een wijd verspreid antihumanisme in Frankrijk dat was verbonden met structuralistische marxisten als Louis Althusser en, later, Michel Foucault en Gilles Deleuze. Dit antihumanisme was een reactie op een liberaal humanisme dat menselijke verschillen gladstreek en geen oog had voor de ongelijkheden die de marxisten aan de kaak stelden. Uiteraard stond de klassenstrijd centraal. Latour had andere, parallelle ideeën en was het oneens met de marxistische kritische rechtlijnigheid. Ondanks hun antihumanisme zagen deze denkers de maatschappij als een verzameling louter menselijke groeperingen – mensen leken de enige actanten die ertoe deden. Latour wilde ook macht toekennen aan niet-menselijke actanten. Hij zag in dat we niet alle krachten, van kiemen tot stoommachines, onder controle hebben. Dit schijnbaar beperkte inzicht betekende een regelrechte uitdaging voor de fundamenten van het moderne denken.
Kanttekeningen
Eind twintigste eeuw begon de mensheid in het westerse denken van haar voetstuk te tuimelen na sinds de Verlichting soeverein te hebben geregeerd. Het idee van de Mens die de Natuur beheerste deed in de zestiende en zeventiende eeuw opgang en ging deel uitmaken van een modernistisch triomfalisme dat erop uit was de wereld te koloniseren. Latours eerste boek, Nous n’avons jamais été modernes uit 1991 (in 1994 in het Nederlands uitgebracht als Wij zijn nooit modern geweest), was een eerste aanzet tot het plaatsen van kanttekeningen bij dit triomfalisme. Het stelde verwarrende vragen over waar sommige van de meest vertrouwde instituties, met name de wetenschappen, ons heen leidden. Latour was kritisch over de mate waarin bij deze instituties het idee werd omarmd dat universele waarheden over de natuurlijke wereld kunnen worden ‘ontdekt’ via positivistisch wetenschappelijk werk.
Voor Latour hebben feiten een geschiedenis, wat zijn pleidooi voor pluralisme benadrukt
Latour en zijn collega’s stelden wetenschappelijke kennis liever voor als een welbewuste constructie, een product van verschillende maatschappelijke, politieke en economische interacties die constant met elkaar concurreren. Deze pluralistische kennisopvatting ligt aan de basis van het veld van wetenschap- en techniekstudies, dat de wetenschap kritisch analyseert maar tegelijk bruggen probeert te slaan naar de geesteswetenschappen – tussen faits indiputables[onbetwistbare feiten] en faits diputés [betwistbare feiten], zoals Latour het zegt. Latour was de grondlegger van wat de hoofdrichting op dit gebied zou worden, de actor-netwerktheorie. Dit is niet zozeer een theorie als wel een methode. Ze verlangt van ons dat we nagaan hoe de niet-menselijke actanten elkaar beïnvloeden en dat we ons niet focussen op de kunstmatige tegenstellingen zoals we die bijvoorbeeld hebben opgetrokken tussen subject en object. Die tegenstelling zit in het hart van de positivistische wetenschap, met haar neiging te benadrukken dat feiten alleen maar wachten om te worden ontdekt in een objectieve wereld en, eenmaal ontdekt, permanent worden.
Voor sommigen is het waanzin om hieraan te twijfelen. Deze critici konden zich bijvoorbeeld tot Latour wenden met de vraag of hij ook met een gerust hart uit een raam op de eenentwintigste verdieping zou springen, omdat hij de wetten van de fysica immers zag als een constructie. Daarop zou Latour kunnen antwoorden dat hij heel blij is met de wetten van de fysica – de feiten – maar wel graag wil weten waar ze vandaan komen, wat een ingewikkelder verhaal oplevert dan ‘alleen maar wachten om te worden ontdekt’.
Voor Latour hebben feiten een geschiedenis, wat zijn pleidooi voor pluralisme benadrukt. Zo stond ooit vast dat asbest onschuldig, duurzaam, brandwerend en termietenbestendig was – voortreffelijk bouw-materiaal dus. We dolven het op en lieten het deel uitmaken van onze wereld. Maar de eerste feiten bleken al snel in tegenspraak met berichten uit de medische wereld over mesothelioom (een soort kanker die wordt veroorzaakt door asbest). Industrieën die asbest produceerden werden voor het gerecht gesleept, waar wettelijke bepalingen werden opgesteld ten behoeve van de slachtoffers, en asbest werd verbannen uit de huiselijke sfeer. Deze pluraliteit van institutioneel gefundeerde vormen van kennis vocht dus om het lot te beslechten van een verre van passieve actant, en niemand kon zich veroorloven een van die vormen vooraf buiten beschouwing te laten.
De modernen
Latours eerste boek, Laboratory Life: The Construction of Scientific Facts (1979), dat hij samen met de Britse socioloog Steve Woolgar schreef, was in dezelfde geest uitgewerkt. Latour had wat beginnend antropologisch werk gedaan in Ivoorkust, maar had geen interesse om dit soort exotische antropologie voort |te zetten. En dus wendde hij zijn blik naar wat hij ‘de modernen’ zou noemen: de ‘stam’ westerlingen met een specifieke institutionele structuur voor hun wereld. In oktober 1975 werd hij welkom geheten in het Salk Instituut voor Biologische Studies in Californië om etnografisch onderzoek te doen naar de werkpraktijk van wetenschappers. De directeur, de Amerikaanse viroloog Jonas Salk, was een beetje een renaissancemens en nodigde allerlei denkers uit op zijn instituut.
Latour bracht bijna twee jaar door op het laboratorium van Roger Guillemin, een neurowetenschapper die later een Nobelprijs zou winnen voor onderzoek naar ‘de productie van peptidehormonen in het brein’. Salk had Guillemin 900 vierkante meter aan ruimte gegeven om zijn eigen laboratorium op te zetten – aan geld geen gebrek dus daar. Guillemin bleek een streekgenoot van Latour uit de Bourgogne en had als jongen gezongen in een kerkkoor waarvan Latours oom dirigent was geweest.
Eenmaal goed en wel op het laboratorium begon Latour zijn etnografisch veldwerk naar de daar werkende wetenschappers. Etnografen maken gedetailleerde empirische beschrijvingen via waarneming ter plaatse, maar ze stellen ook ongemakkelijke vragen waaruit kan blijken dat wat wetenschappers misschien zien als ‘zuivere wetenschap’ afhankelijk is van een hele reeks niet-wetenschappelijke zaken: financieringsfondsen, technisch instrumentarium, debatten, nieuwsgierigheid, collegialiteit, juridische gevechten, enzovoort. Het vernieuwende van Latour en Woolgar was dat zij het netwerk van al deze eventualiteiten en effecten onpartijdig beschreven. Laboratory Life, het boek dat eruit voortkwam, begint zomaar ergens in medias res, met wat citaten van mensen in het lab:
‘Hoofdstuk 1
5 min. John komt binnen en gaat naar zijn kantoor. Hij mompelt iets over een ernstige fout die hij heeft gemaakt. Hij had de beoordeling van een paper gestuurd… De rest van de zin is niet te verstaan.
5 min. 30 sec. Barbara komt binnen. Ze vraagt Spencer wat voor oplosmiddel ze in de buis moet gieten. Spencer antwoordt vanuit zijn kantoor. Barbara vertrekt en gaat naar haar werkplaats.
5 min. 35 sec. Jane komt binnen en vraagt aan Spencer: “Als je iv met morfine klaarmaakt, doe je dat dan in zout of gewoon water?” Spencer, die kennelijk aan zijn bureau zit te schrijven, geeft antwoord vanuit zijn kantoor. Jane vertrekt.
6 min. 15 sec. Wilson komt binnen en kijkt in een aantal kamers omdat hij mensen bijeen wil roepen voor een vergadering. Hij krijgt vage toezeggingen. “Het is een akkefietje van 4000 dollar dat in de komende twee minuten, maximaal, moet worden beslecht.” Hij verlaat de ruimte.’
Op de volgende bladzijde beginnen ze een al even nauwkeurige beschrijving:
‘Iedere morgen lopen werknemers het laboratorium binnen met hun lunch in een bruine papieren zak. Technici beginnen met hun analyses door operatietafels in orde te maken en chemicaliën te wegen. Ze verzamelen data van machines die de hele nacht door hebben gewerkt. Secretaresses zitten achter tikmachines en beginnen manuscripten die hun deadline reddeloos gaan missen nog eens te corrigeren. De medewerkers, van wie sommigen er al eerder waren, betreden een voor een de kantoorafdeling en wisselen kort informatie uit over wat er die dag moet worden gedaan. Al vrij snel verdwijnen ze naar hun plek. Conciërges en andere werknemers leveren zendingen met dieren, verse chemicaliën en stapels brieven af. De algehele werkinspanning lijkt aangestuurd door een onzichtbaar veld, om preciezer te zijn een puzzel, waarvan de aard al is bepaald en die vandaag moet worden opgelost.’
De waarnemer zit midden in een netwerk waar wetenschappelijke feiten zorgvuldig vorm krijgen, via herhaling en peerreview geverifieerd worden, en uiteindelijk worden gepubliceerd. De klaarblijkelijke ‘soliditeit’ van feiten is afhankelijk van de aanhoudende steun van de sociale apparaten in het lab alsook van beroepslichamen erbuiten. Toen Latour en Woolgar dit baanbrekende boek over de sociologie van de wetenschap schreven, was er veel meer vertrouwen en ‘geloof’ in de wetenschap. Inmiddels, in het kielzog van populistische leiders als Donald Trump, kennen we het inboeten aan goodwill en kracht van zulke wetenschappelijke instellingen en gepaard daarmee de afnemende steun voor feitelijkheid, wat Latour stof tot nadenken zou geven.
Sommigen van Latours critici hebben moeite met de gedachte dat niet-mensen zouden acteren
Sommigen van Latours critici hebben moeite met de gedachte dat niet-mensen zouden acteren. Alleen mensen kunnen toch de problemen oplossen die mensen hebben veroorzaakt? Maar Latours luidruchtigste critici waren de sociologen en natuurwetenschappers die zwoeren bij de idee van objectieve en universele waarheden, alsof het ging om forten die moesten worden verdedigd en bastions voor de toekomstige vooruitgang. En ze hebben een punt, met name in een wereld vol ‘onwelgevallige waarheden’ die machtige instanties en individuen graag anders zouden zien. De vijanden van ‘onwelgevallige waarheden’ – zoals het idee dat je van roken kanker krijgt of dat het verbranden van fossiele brandstoffen leidt tot klimaatverandering – loeren op iedere vermeende zwakte.
Gaatjes in feiten boren
De netwerken die feiten steunen, kunnen in kracht variëren. Trumps claims op de waarheid mogen zwak zijn, maar ze werden gesteund door presidentiële instanties en een krachtig netwerk van sociale media. Al wordt Latour gezien als iemand die gaatjes in de ‘feiten’ boort (en dus op het eerste oog de wetenschappelijke waarheid verzwakt), hij zou de wetenschap verdedigen met een fijne nuance: de waarheid moet goed geconstrueerd zijn, niet ‘gewoon’ geconstrueerd. Domweg objectiviteit claimen en terloops iedere subjectiviteit tussen haakjes zetten is geen deel van een realistische beschrijving van wat er gebeurt als de wetenschap een goede prestatie levert en een waarheid vaststelt. Net zoals iedere tak van wetenschap zelden in z’n eentje problemen oplost – natuurkunde heeft allicht algebra nodig, sociologie allicht een beetje geografie of statistiek – dient een realistische beschrijving een heterogene reeks actanten te omvatten. Dat was de basis van Latours pluralisme. Hij zou dit standpunt over heterogeniteit later uitwerken tot een systeem dat is gebaseerd op meervoudige ontologie, waarmee hij zichzelf een wapen verschafte tegen de filosofen die maar twee kanten van de realiteit erkennen, de objectieve en de subjectieve – twee ‘haken’, grapte Latour, om ‘een hangmat aan op te hangen voor filosofisch gedut’. Alles waar zulke dutters op zullen stuiten is stevige baksteen of onuitsprekelijk menselijk bewustzijn.
Alliantie van dingen
Na Latour kunnen filosofen niet langer op tafels slaan of naar glazen water wijzen als ze het echte willen oproepen. Er zijn geen primaire, solidere werkelijkheden gevolgd door secundaire effecten zoals subtiele gevoelens of betekenissen. Eerder is alles echt en moet het worden benaderd met een strikt empirische en experimentele houding. Het betekent dat alles werk in wording is, een onderhandelbare alliantie van dingen. Een religieuze plechtigheid kan haar verlangde werkelijkheid verkrijgen – als een vorm van religieus bestaan – via de alliantie van een gemeenschap, een vertegenwoordiger van God, heilige woorden, artefacten en iconen, muziek en de geur van wierook. Het is een werk in wording waarbij de doorgaande inspanning maakt dat iets lukt; de werkelijkheid ervan kan niet tevoren worden bepaald of worden samengevat, want dat zou het reduceren tot een dogma.
Alles is werk in wording, een onderhandelbare alliantie van dingen
Maar nu een moeilijker voorbeeld: wat te zeggen van degenen die volhouden dat de aarde plat is? Een visie die uitgaat van onderhandelbare allianties van dingen betekent niet dat de aarde echt plat zou worden als het netwerk van platte-aardeaanhangers sterk genoeg is. Het punt is dat platte-aardeaanhangers hebben ontdekt dat zij in een wereld wonen waarin zij kunnen volhouden, en openlijk verkondigen, dat de aarde plat is. Zij kunnen op deze valse ‘waarheid’ leunen zonder dat hun wereld instort. Dit blijkt een uitdaging voor het pluralisme à la Latour: bestaat het risico dat men het idee van één objectieve wereld loslaat? Er schuilt een reëel gevaar in de manier waarop onder meer de tabaksindustrie en petrochemische concerns – door Naomi Oreskes en Erik Conway in 2010 ‘handelaren in twijfel’ genoemd – de wetenschap ondermijnen om het vergaren van rijkdom veilig te stellen. Met behulp van goedbetaalde wetenschappers en pr-campagnes creëren ze hun alternatieve werkelijkheden. Zitten we nu dan in een ‘post-waarheid’-tijdperk? Latour onderkende de gevaren van ons post-waarheidtijdperk en antwoordde op zijn eigen kenmerkende manier: de huidige ecologische problemen zullen niet worden opgelost als we het klimaat behandelen als een objectief verschijnsel; we zullen ons moeten buigen over de manieren waarop klimaatveranderingen samenhangen met de politiek en de belangen van grote bedrijven.
Toen The New York Times in oktober 2019 een portret van Latour publiceerde – ‘Bruno Latour, post-waarheidfilosoof, op de bres voor de wetenschap’ – was Latour natuurlijk teleurgesteld dat hij midden in Trumps presidentschap werd getypeerd als ‘post-waarheidfilosoof’. Hij was liever gezien als een filosoof die vele waarheden omarmt waarvan er niet een universeel kan zijn. Maar een gemeenschappelijke basis, zou hij zeggen, is nog steeds de moeite van het na_streven waard. Het is niet zo dat de waarheden van de Europese verlichting zich een voor een opstapelen en dat de rest van de wereld daar eeuwig dankbaar voor is. Deze vorm van moderniteit moet, aldus Latour, worden ‘herroepen’ als een onvolwaardig product. Herroepen en opnieuw opgestart via nieuwe diplomatieke onderhandelingen met andere culturen die misschien geen behoefte hebben aan deze vorm van modernisering, en die het belang heroverwegen nu onze tijd wordt belaagd door gezamenlijke crises. Andere culturen ervaren het acteren van het klimaat al en ondergaan aan den lijve de gevaren die inherent zijn aan een discours waarin de economie domineert, als zou het concept van een ‘groen Wall Street’ een oplossing zijn voor de klimaatverandering die Bangladesh treft. Paradoxaal genoeg vereist het vinden van oplossingen voor een gemeenschappelijke crisis als de klimaatcrisis pluralistische kennis. Oplossingen voor problemen als deze moeten van alle kanten komen. Reductionisme gaat ons niet helpen.
Baanbrekend traktaat
In 1972, hij was pas 25, had Latour een openbaring die de aanzet gaf tot zijn baanbrekende traktaat Irreductions. Hij was destijds leraar aan een middelbare school in de Bourgogne. Het was hartje winter, vertelt hij, en ‘terwijl ik over de weg van Dijon naar Gray reed moest ik stoppen, overdonderd door een overdosis reductionisme’. Voor Latour betekent reductionisme kentheoretische arrogantie. We zien deze arrogantie wanneer een fysicus lacht om iemand die niet meteen doorheeft dat ‘alles bestaat uit atomen’, of als een sociaal psycholoog religiositeit na oppervlakkige kennisname van de katholieke mis afdoet als ‘menselijk gedrag’, of als een politiek adviseur de wereld voorhoudt: ‘Het draait om de economie, sufferd.’
In plaats van toe te kijken hoe al deze vormen van kennis elkaar bestrijden, besloot Latour het speelveld te egaliseren: ‘Ik besloot afstand te nemen en de dingen waarover ik sprak de ruimte te geven die ze nodig hadden om op “armlengte te blijven”. Ik wist toen niets van waar ik nu over schrijf, maar zei gewoon steeds tegen mezelf: niets kan worden gereduceerd tot iets anders, niets kan worden afgeleid |uit iets anders, alles kan met al het andere worden verbonden. Het leek wel een uitdrijving van demonen die een voor een werden verslagen… Ik hoefde mijn openbaring niet meer met een kosmologie te stutten, in een plaatje te vangen, tot een geschrift te maken, te onderbouwen in een meteorologisch artikel, of op een maan te zetten om te voorkomen dat ze op mijn hoofd viel. Ik voegde haar toe aan andere hemels op andere plekken en reduceerde geen enkele daarvan tot deze, en… voor het eerst in mijn leven zag ik dingen ongereduceerd en bevrijd.’
Het probleem is dat je alles wel degelijk kunt reduceren tot iets anders, als je maar genoeg steun of bondgenoten hebt
Het probleem is dat je alles wel degelijk kunt reduceren tot iets anders, als je maar genoeg steun of bondgenoten hebt. Voor religieuze fundamentalisten kan ‘alles’ het resultaat zijn van één ding: Gods wil. En toen de wetenschap de waarheid aan de man wilde brengen dat de aarde om de zon draait, moest er een sterk seculier steunnetwerk worden gecreëerd. Anders zou zo’n gedurfde wetenschap op de inquisitie stuiten (zoals Galileo overkwam in 1633). Maar zulke tegenvoorbeelden ondermijnen Latours roep om ‘de dingen ongereduceerd’ te bekijken niet, eerder ondersteunen ze zijn claim: waarheden zijn niet altijd solide en cumulatief, ze kunnen breekbaar zijn en voortdurend onderhoud behoeven. Een van de plekken waar deze breekbare waarheden worden onderhouden, is het laboratorium van de wetenschapper met de bijbehorende kennisnetwerken, precies de plek waar Latours ambitie om een antropologie van de moderne mens te schrijven begon. Wat hij en zijn medewerkers in de jaren zeventig aan het Salk Instituut tot stand brachten, was niets minder dan een antropologie van de ‘westerse samenleving’ – iets waar antropologen vaak om hadden geroepen.
Revolutionaire visie
Zo’n antropologie vereiste een nieuwe notitiemethode voor het beschrijven van ongereduceerde betrekkingen. Latour kwam met zijn actor-netwerktheorie, een radicale, zelfs revolutionaire visie op de wereld waarin de rol van al het niet-menselijke werd erkend: objecten, machines, dieren, planten en zelfs de aarde zelf. Eenvoudige, wetenschappelijke, objectieve registratie volstaat niet wanneer een etnograaf hoopt te beschrijven wat er gebeurt als een wetenschapper een ontdekking doet. ‘Wat er gebeurt’ is in feite een rommelige kruising van processen, een pluraliteit van zijnsleren, en Latour moest een schrijfstijl ontwikkelen om hun precaire bestaan duidelijk te doen uitkomen.
Denk aan de ‘ontdekking’ van de penicilline in 1928, toen de Schotse arts Alexander Fleming, terug van vakantie, ontdekte dat een petrischaaltje was bedekt met een schimmel die de groei van bacteriën verhinderde. Was Fleming op dit moment de belangrijkste actant, of de schimmel? Of de betrekking tussen de twee? Zoals Latour zegt in zijn studie over Louis Pasteur: ‘Sprekend over gebeurtenissen die via hun betrekkingen worden gedefinieerd schets ik hier de geschiedenis van Pasteur en zijn gist, of de gist en zijn Pasteur.’ Tegen een lange traditie in om alleen over acteren te spreken wanneer er menselijke bedoelingen in het spel waren, stelde Latour zich domweg agnostisch op over welk acteren in welke gegeven situatie ook kon opduiken – mensen zijn niet de enigen die de loop van de geschiedenis kunnen veranderen. Dit was een radicale voorstelling van zaken. Latour betrok daadwerkelijk niet-mensen bij de ‘samenleving’ en haalde overhoop wat wij wellicht onder dat gangbare, sleetse, beperkende concept verstonden. Door zo naar wetenschap te kijken suggereerde Latour dat kennis een coproductie was. Wetenschappers waren niet als enigen betrokken bij de vorming van breekbare waarheden.
Toen in de jaren negentig de oorlog tussen de wetenschappen oplaaide, werd Latour geplaatst in het kamp van bepaalde sociale theoretici die dachten dat wetenschap ‘louter een constructie’ was. Waarnemers dachten misschien dat Latour met zijn antireductionistische ideeën over een bredere ‘samenleving’ (en haar meervoudige waarheden) een eenvoudig relativisme aanhing – als zou de ene vorm van kennis net zo goed zijn als de andere. Verdedigers van de zuivere wetenschap waren bang dat hun greep op de objectiviteit in het gedrang kwam en dat rationele wetenschappen dus dezelfde positie kregen als een geloof of een inheemse kosmologie. Maar Latour betoogde, trouw aan zijn ‘irreductionistische’ beginsel, dat iedere ‘zelfde positie’ moet worden onderbouwd en dat de basis voor iedere zijnswijze in de wereld, iedere ontologie, moet worden beschreven volgens haar unieke mogelijkheden.
Radicaal empirische benadering
Dit was een ‘radicaal empirische’ benadering, om een formulering van de Amerikaanse filosoof en psycholoog William James te gebruiken. In de jaren negentig zocht Latour steeds meer zijn toevlucht bij gelijkgestemde Amerikaanse pragmatische filosofen uit het begin van de twintigste eeuw, teneinde een empirisme te ontwikkelen dat paste bij het benodigde beschrijvende werk voor zijn actor-netwerktheorie. Radicaal empirisme stelt iemand in staat de beschrijvingen van een netwerk niet op te bouwen als hechte structuren, maar als doorgaande processen. Dit doet recht aan de gedachte dat de betrekkingen tussen dingen net zo echt zijn als de dingen zelf.
De betrekkingen tussen dingen zijn net zo echt als de dingen zelf
Betrekkingen zijn de schakels in actor-netwerken die we kunnen beschrijven op basis van ervaring. Zoals in het geval van asbest, een materiaal dat het best pluralistisch kan worden beschreven. Toen het opnieuw werd gedefinieerd als ‘gevaarlijk’, werd het een ander ‘ding’. Maar het was nooit alleen maar een homogene substantie; het was altijd al een complex van attributen en toebehoren.
Latour bezag ‘actanten’ als asbest niet alleen materieel maar ook politiek – ze maken deel uit van een politieke ecologie. Eind jaren negentig nam Latour de politieke aard van deze relationele netwerken als uitgangspunt om te suggereren dat niet-mensen stemrecht moesten krijgen. Hij maakte zich breed om niet-mensen in de democratische mensenmaatschappij te introduceren, zoals vrouwen dat ooit hadden moeten doen om de mannenmaatschappij te betreden. Ja, zei hij, als er een dam wordt gebouwd, moet de stroomopwaarts migrerende zalm inspraak hebben, al komt zijn acteren tot uiting via gedetailleerde beschrijvingen die door gespecialiseerde wetenschappers zijn vormgegeven. Op het hoogtepunt van de modernisering, midden twintigste eeuw, werden dammen gebouwd zonder betrokken wezens, zoals de zalm, iets te vragen. Inmiddels lijkt er een dwingende ‘logica’ te zitten in de manier waarop de zalm ‘denkt’ over rivierstromingen. Vanuit dit perspectief begint het vroegere fundamentele maatschappijbeeld – essentieel voor antropologie, sociologie en politiek – zijn beschrijvende of analytische kracht te verliezen. De maatschappij ‘is er’ niet gewoon, objectief gezien, en bestaat niet uitsluitend uit mensen. Sinds Latour is de samenleving een netwerk van associaties dat moet worden vormgegeven en waarover moet worden onderhandeld tussen wezens die verschillende talen spreken.
Pluralisme
Latours pluralisme stelde hem in staat om te kijken naar – of althans te schrijven over – wat er allemaal aan de gang is bij klimaatverandering. Klimaatverandering is niet zomaar een fenomeen, het kan een nieuwe beschaving inluiden als we adequaat reageren, wat deels de reden is waarom hij er liever naar verwees als het ‘nieuwe klimaatregime’ – al onze instellingen en kennisvormen kunnen onderwerp van radicale veranderingen zijn. In eerdere ‘moderne’ tijden stond het klimaat los van menselijke aangelegenheden. Het was iets ‘natuurlijks’, onderhevig aan de strikt objectieve wetten van de natuur (althans die waarop de vinger kon worden gelegd). Maar bewegen we van onze ‘moderne’ opvattingen over hoe onze wereld in elkaar zit naar het antropoceen, dan verandert alles op manieren die we met behulp van Latours pluralistische, antireductionistische filosofie beter begrijpen. Mensen zijn de oorzaak dat het klimaat verandert, het staat dus niet langer buiten ‘ons’, zoals we plachten te denken toen we onszelf graag zagen als ‘cultuur’, terwijl al het andere – dieren, planten, sterren, klimaat – objectieve en grotendeels passieve ‘natuur’ was.
Het klimaat werd altijd overgelaten aan klimatologen en andere wetenschappers, maar met het antropoceen en het nieuwe klimaatregime speelt het inmiddels een rol in al Latours bestaansvormen. De laatste drie decennia was het klimaat de grootste politieke speler, maar politici blijven de gevolgen ervan negeren, met alle gevaren van dien. Zoals Latour schreef in Où atterrir? Comment s’orienter en politique (2017), in het Nederlands vertaald als Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het Nieuwe klimaatregime (2018): ‘We kunnen niets van de politiek van de afgelopen vijftig jaar begrijpen als we de kwestie van klimaatverandering en het ontkennen daarvan niet centraal stellen.’ Het klimaat schrijft geschiedenis op manieren die het menselijke (en niet-menselijke) verhaal zullen herdefiniëren. De kosten wegens milieuschade zijn in toenemende mate de grootste zorg van economen, maar de consequenties zijn maar langzaam tot hen doorgedrongen omdat negatieve klimaatveranderingen voor hen altijd een ‘extern gegeven’ waren. Voor Latour heeft het klimaat, als een kluwen menselijke en niet-menselijke factoren, diepgaande meervoudige gevolgen – het soort dat vraagt om een radicaal empirisme dat de natuur- en de geesteswetenschappen omvat.
Onze pluralistische werelden kunnen beter worden beschreven op een multirealistische manier
Latours denkwijze en methode doen denken aan die van de Duitse alleskunner Alexander von Humboldt, die in de achttiende en negentiende eeuw – als wetenschapper, filosoof en kunstenaar – over de wereld trok en zich verdiepte in verschillende omgevingen, waar hij zich wijdde aan wetenschappelijke berekeningen, filosofische interpretaties en zelfs tekeningen. De ‘twee culturen’-opdeling tussen de natuur- en de geesteswetenschappen deed zich pas later voor en is vandaag de dag net zo irrelevant als de bijbehorende kunstmatige scheiding tussen natuur en cultuur – kunstmatig omdat onze pluralistische werelden beter kunnen worden beschreven op een multirealistische manier. Latour sprak tegen ons over toekomstige mogelijkheden en gevaren. Hij liet ons zien hoe we met de dingen mee kunnen denken, met respect voor hun recht om op hun eigen voorwaarden te bestaan en te handelen. Deze radicale heroriëntatie is zijn nalatenschap. Zo wordt de klimaatcrisis een kans voor een Renaissance-achtige reset van de wetenschappen, de kunsten, de wetgeving en de politiek – een ontsnapping uit het denken in rondjes in deze zelfbevestigende disciplines. En kan er weer zicht zijn op een nieuw soort beschaving: eentje waarin we afzien van menselijke overheersing en de ‘talen’ leren van rivieren, bergen, oliepijplijnen, bavianen, voodoopoppen en virussen. Want dat zijn de vele klanken van de aarde zelf, die steeds luider worden.
De Italiaanse filosoof Donatella di Cesare is fel tegen de rechtvaardiging van wapenleveranties aan Oekraïne ‘omdat het land ook onze Europese waarden verdedigt’. Ze vraagt zich af welke waarden dat dan zouden zijn.
Wat betekent het om pacifist te zijn? Met die vraag maakte de Italiaanse filosoof Donatella di Cesare eind maart in een veelbekeken stellingname op het YouTubekanaal van de ngo Emergency furore. Daar verklaarde ze in hoeverre je als echte pacifist moedig tegen de mentale luiheid, tegen de simplificaties en mystificaties van het militaire establishment in moet denken. Daarbij zijn er geen grijstinten: ‘Of wapens, of vrede (…) Koester nooit bewondering voor geweld, haat nooit je vijanden (…) wij volgen de handelaren in de dood niet na in hun macabere dans, anders zullen we in Europa geen rechtvaardige vrede hebben, maar zoals Kant zegt, de eeuwige vrede van de kerkhoven en de dood.’
Koester nooit bewondering voor geweld, haat nooit je vijanden
Di Cesare is professor theoretische filosofie aan de Universiteit Sapienza Rome en tegenwoordig een van de meest prominente stemmen onder de hartstochtelijke pacifisten en consequente tegenstanders van wapens. Door haar openlijke stellingname heeft ze zich – net als de vredesactivisten in Duitsland – kwetsbaar gemaakt en moest ze de vijandige reacties verdragen waarmee je te maken krijgt wanneer je van internationale bondgenootschappen, staten en politici een alternatief verlangt voor militaire bewapening, maar als idealistische denker zelf geen concrete oplossingen kan bieden tegen een brute aanvalsoorlog, behalve dan de raad om tegenover de oorlogszuchtige logica eerst een pas terug te doen, na te denken, te beraadslagen en vreedzame alter-natieven te vinden.
Europese waarde
Ook al komt deze houding tegenover de oorlog tegenwoordig wat wereldvreemd over, toch is die gebaseerd op veel uitgebreidere filosofische overwegingen, die ook terug te vinden zijn in haar definitie van pacifisme. In een centrale passage van de YouTube-video betwijfelt ze bijvoorbeeld de gangbare bewering dat men Oekraïne militair moet helpen omdat het land ook onze Europese waarden verdedigt en ze vraagt zich af welke waarden dat dan zouden zijn.
Naar haar mening gaat het hier om vrijheid en democratie, jawel, maar vooral om vaderland, nationale iden-titeit en grond. Men mag volgens Di Cesare niet vergeten dat de huidige oorlogvoerende partijen twee zeer nationalistische staten zijn in een geglobaliseerd Europa. Een gevaarlijk scenario omdat de Europese bevolkingen in een geglobaliseerde wereld steeds sterker vermengd raken en de staten (gebieden met erkende grenzen en regeringen) het concept van de natie (een gemeenschap van mensen, verbonden door een taal, cultuur, religie en geschiedenis) zouden gebruiken om hun grenzen te versterken.
Zowel de staat als de natie zijn gevaarlijke mythen uit het verleden
De naties zouden op hun beurt de staat benutten om hun vermeende integriteit en het idee van etnische zuiverheid te propageren, wat tot discriminatie van vreemdelingen zou leiden. Volgens Di Cesare zijn beide, zowel de staat als de natie, echter gevaarlijke mythen uit het verleden. Zo ook de mythe van het vaderland, oftewel de aanname dat mensen in een land geboren worden en derhalve tot dit land behoren, dat daarom ook van hen zou zijn en waardoor ze de soevereiniteit en het recht zouden bezitten om anderen de toegang te weigeren. Tegenover zo’n Europa van staten, naties en vaderlanden formuleert zij de idee van een open Europa van coëxistentie, van het vreedzaam samenleven, van het samenwonen. Voordat je het hebt over het redden van Europese waarden moet het altijd in de eerste plaats gaan om het redden van mensenlevens.
Demystificeren
De argumentatie van Di Cesare is te begrijpen, maar toch laat ze je met het oog op de actuele situatie een beetje radeloos achter. Ze is overtuigend in haar eis om concepten als staat, natie en vaderland te demystificeren omdat daarmee oorlogshandelingen worden gerechtvaardigd, maar het is onduidelijk hoe haar ideeën in de huidige situatie toegepast zouden kunnen worden, zelfs wanneer alle Europese regeringen het plotseling met haar eens zouden zijn. Nog afgezien van het feit dat de prijs voor Oekraïne heel hoog zou zijn en Poetin als stralende winnaar uit de bus zou komen.
Natuurlijk moet je altijd – en liefst zonder wapens – koel blijven nadenken, onderhandelen en naar vrede streven, maar hoe moet je reageren als een agressor en autocraat daarvan niet onder de indruk is en liever vasthoudt aan het met geweld overeind houden van zijn eigen nationale mythe? Vrede is alleen mogelijk zolang allen zich daaraan committeren. Aan de andere kant behoort het niet tot de functieomschrijving van filosofen om pragmatische oplossingen te leveren. Door vragen te blijven stellen moeten en willen ze eerder aanzetten tot reflectie en het overwegen van alternatieven.
De oorlog maakt eclatante, voor veel mensen levensbedreigende of zelfs dodelijke tegenstrijdigheden zichtbaar
Toch moeten we Di Cesares vredelievende denken ook niet kortweg als irrelevant of zelfs naïef veroordelen. Haar houding ten aanzien van de actuele situatie en haar bezwaren jegens de EU en de NAVO zijn beter te begrijpen als je haar onlangs verschenen boek Stranieri residenti. Una filosofia della migrazione hebt gelezen. Want in de huidige oorlog met al zijn militaire, sociale en economische consequenties, maar in het bijzonder in de omgang van de Europese landen met Oekraiënse vluchtelingen, worden uitdagingen zichtbaar waarop een internationale gemeenschap met haar staten en naties wel dringend een antwoord moet vinden als ze ook in de toekomst een vreedzaam samenleven voor zo veel mogelijk mensen wil garanderen.
De oorlog maakt eclatante, voor veel mensen levensbedreigende of zelfs dodelijke tegenstrijdigheden zichtbaar. Di Cesare heeft daarop ook gewezen in een gesprek met NZZ Magazin: waarom beschouwen Europese landen Oekraïne en zijn vluchtelingen als dragers van Europese waarden, die men hartelijk ontvangt met een onmiddellijke verblijfsvergunning en geprivilegieerde steunmaatregelen, terwijl mensen uit andere landen uitgewezen, aan het lijntje gehouden, afgeschoven, in afgelegen kampen vastgehouden of op de Middellandse Zee teruggeduwd worden? Welke vluchtredenen zijn legitiem om asiel te krijgen? Wie definieert de criteria waarmee mensen uit oorlogsgebieden erkend worden, maar niet degenen die slechts vluchten voor een gewapend conflict, voor terreur, armoede, honger en de gevolgen van klimaatverandering? Wie wordt gedefinieerd als een welkome vluchteling die als economisch rendabel in een samenleving kan worden opgenomen, en wie krijgt de status van een gewone migrant, een in zekere zin foute vluchteling die een land zo snel mogelijk weer moet verlaten?
‘Filosofie van de migratie’
Ook de socioloog Steffen Mau heeft in zijn laatste boek Sortiermaschinen: Die Neuerfindung der Grenze im 21. Jahrhundert de aandacht gevestigd op deze ongerijmdheden. Terwijl in tijden van globalisering de wereld steeds opener lijkt en de mobiliteit van mensen toeneemt, worden landsgrenzen op een heel nieuwe manier beveiligd en worden er zelfs ‘slimme’ virtuele controlemechanismen ingevoerd, die tot ver over de grenzen van een enkel land reiken. Volgens Di Cesare legt de migrant de tegenstrijdigheid van dit nieuwe veiligheidsregime bloot: terwijl dezelfde staten enerzijds bij elke gelegenheid pleiten voor algemeen geldige mensenrechten, treden ze in de praktijk steeds meer op als deurwachters die de nieuw aangekomenen nationale en menselijke rechten weigeren door hun de toegang tot de VIP-afdelingen van de nationale chambres séparées te ontzeggen.
Tegenover de starre perspectieven van staten en naties die op grond van grondbezit een binnen en een buiten definiëren, eist Di Cesare in haar ‘filosofie van de migratie’ met denkers als Hannah Arendt, Immanuel Kant, Martin Heidegger, Jacques Derrida of Michel Foucault een eigentijds ius migrandi, een nieuw mensenrecht voor de realiteit van de zowel fragielere als mobielere levensomstandigheden van de eenentwintigste eeuw: een Europa van coëxistentie, in het besef dat ieder mens tijdelijk een plekje op deze aarde kan bewonen, maar dat nooit kan bezitten, wetend dat we ‘in de planetaire ballingschap van de globalisering allemaal inheemse vreemdelingen zijn’.
Hij vraagt alleen om een plaats in een nieuwe gemeenschap, in de verwachting met anderen samen te kunnen wonen
Met de figuur van de ‘inheemse vreemdeling’ beschrijft Di Cesare het concept van gastvrijheid en de verhouding tussen staatsburgers en vreemdelingen op een gelijkwaardige, nieuwe manier, in het kader van een wereldgemeenschap waarin iedereen de mogelijkheid heeft te wonen waar hij wil. Daarbij gaat het echter in geen geval om een soort wereldburgerschap of een liberale flexibiliteit en mobiliteit van werknemers op een internationale markt, maar om een ruimte voorbij grenzen en tegenstellingen. Om een nieuwe wereldorde waarin het samenleven, evenals – fundamenteler – het menselijke in-de-wereld-zijn, opnieuw gedefinieerd kan worden, zonder identitaire verwortelingen in een vermeend vaderland.
‘Europa moet inderdaad verdedigd worden’, schrijft ze in het nawoord bij de Duitse uitgave van haar boek, ‘maar niet in het teken van een afwijzende en zich afsluitende behoudendheid, maar in het teken van de transformatie.’ En met deze verandering van de wereldordening en de territoria worden niet alleen de fysieke grenzen bedoeld: ‘Wie de gruwel van de oorlog heeft moeten ervaren en honger en ellende moest verdragen, verlangt er niet naar om waar dan ook vrij te verkeren; hij hoopt daarentegen daar aan te komen waar de wereld weer iets gemeenschappelijks kan zijn. Hij streeft niet naar een lege kosmopolitische gemeenschap met de andere wereldburgers en maakt ook geen aanspraak op een plekje onder de zon; hij vraagt alleen om een plaats in een nieuwe gemeenschap, in de verwachting met anderen samen te kunnen wonen.’
Het voorstel dat Di Cesare met haar ‘filosofie van de migratie’ doet, is dus niet in de laatste plaats ook te begrijpen als een migratie van het denken. En mogelijk – of in het beste geval – draagt de afschuwelijke aanvalsoorlog er ondanks al zijn wapens toe bij dat veel mensen zich geestelijk opmaken om deze weg in te slaan, om zich althans in gedachten eens in een ander, vreedzamer Europa te begeven.
We weten dat ons beeld van de werkelijkheid in de hersenen wordt samengesteld: gefilterd door onze eigen waarneming. Filosoof David Chalmers verdiepte zich in hoe ‘een klont organisch materiaal in staat is de ervaring van zelfbewustzijn te creëren’. En is die ervaring even waarachtig als de virtuele werkelijkheid?
‘Kun je me zien?’ In het tijdperk van videogesprekken is dit inmiddels een vaak gestelde vraag. Maar stel je die vraag aan filosoof David Chalmers, dan krijgt hij een diepere betekenis. Als het gaat om de elementaire versie van virtual reality (VR) waarin wij dit gesprek voeren, denkt hij dat ‘sommige uiterst conservatieve filosofen zouden zeggen: nee, ik zie alleen een patroon van pixels op een scherm, zonder jou erachter’. Maar zelf ziet Chalmers dat toch anders. ‘Ja, ik zie je heel goed,’ zegt hij, en dat heeft een dubbele lading. Zijn ogenschijnlijk eenvoudige bewering slaat niet alleen op wat VR kan doen, maar ook op het denken over wat werkelijkheid is.
Chalmers is een van de bekendste filosofen van deze eeuw. Zijn nieuwste boek Reality+ is weliswaar het eerste dat hij bewust voor een breed publiek heeft geschreven, maar eerder had hij zich al bij dat publiek in de kijker gespeeld, vooral met zijn essay ‘The Matrix as Metaphysics’, dat hij in 2003 schreef voor de officiële website van die film. Zijn werk inspireerde [de Britse toneelschrijver] Tom Stoppard tot diens toneelstuk over bewustzijn, The Hard Problem. Met zijn ontspannen manier van praten, zijn afgedragen kleding en zijn onverzorgde, jarenlang niet geknipte haar is het niet gek dat hij het etiket van ‘popster-filosoof’ kreeg opgeplakt.
Het makkelijke vraagstuk is hoe we in kaart kunnen brengen welke hersenactiviteiten gelinkt zijn aan bepaalde stemmingen
Zijn reputatie berust niet zozeer op zijn eigen theorieën als wel op de kernachtige omschrijvingen die hij weet te geven van wat wel wordt gezien als het grootste actuele vraagstuk in de filosofie. Chalmers maakt onderscheid tussen de ‘makkelijke’ en de ‘lastige’ vragen rond bewustzijn. Het makkelijke vraagstuk is hoe we in kaart kunnen brengen welke hersenactiviteiten gelinkt zijn aan bepaalde stemmingen; dat is alleen makkelijk in de zin dat het geen diepgaande filosofische vragen oproept. Het lastige vraagstuk met betrekking tot bewustzijn is hoe een klont organisch materiaal, complex of niet, in staat is de ervaring van zelfbewustzijn te creëren. Dat staat nu bekend als ‘Chalmers’ lastige probleem’, al bestond de vraag al voordat hij er zijn naam aan gaf.
Woordenlijst
Vier sleutelbegrippen om de kluts niet kwijt te raken:
Virtual reality (virtuele werkelijkheid), aanvankelijk ontwikkeld naar het voorbeeld van computergames, staat voor een technologie waarbij met behulp van software en vaak een bril de fysieke aanwezigheid van andere mensen of een bepaalde omgeving wordt gesimuleerd. Op die manier kun je een driedimensionaal virtueel universum waarnemen en je daarin bewegen.
Augmented reality (aangevulde werkelijkheid), ook afkomstig uit de gamewereld, maakt het mogelijk een scherm (vooral dat van een smartphone) als venster op onze reële wereld te gebruiken, waar virtuele, digitale elementen overheen worden geprojecteerd. Het populairste voorbeeld is het spel Pokémon Go, maar er zijn een heleboel andere toepassingen, variërend van gps-navigatie tot rondleidingen door musea.
Het multiversum , dat zowel fictieve als wetenschappelijke toepassingen kent, veronderstelt dat er nog andere parallelle en gelijktijdige universums bestaan naast het onze. Dit verschijnsel kan vele vormen aannemen en roept tal van vragen op, zoals: hebben wij parallelle ‘ikken’? Wat doen die dan? Zijn de grenzen tussen universums poreus?
Als we Facebookbaas Mark Zuckerberg mogen geloven, is de metaverse de volgende etappe in de ontwikkeling van het mobiele internet. Dankzij de virtuele werkelijkheid zouden gebruikers fysiek door een 3D-wereld kunnen navigeren en avatars kunnen gebruiken om in virtuele winkels te shoppen of virtuele werkvergaderingen te houden. Zelf wil Zuckerberg graag de grote baas van de metaverse worden, wat toch enigszins dubieus overkomt.
In zijn nieuwe boek richt Chalmers zich op de vraag of een perfecte virtualrealityomgeving, waarin je jezelf werkelijk totaal kunt onderdompelen – noem het ‘Full VR’ – een echte werkelijkheid genoemd zou mogen worden of altijd alleen een alternatief voor de werkelijkheid blijft. Zijn boek komt als geroepen: in oktober 2021 kondigde Mark Zuckerberg aan dat Facebook werkt aan de bouw van de metaverse, een ‘alomvattend, alomaanwezig internet’, waarin je via je eigen avatar in een 3D-omgeving online kunt vergaderen of met vrienden kunt eten.
Virtuele utopie
Zuckerberg ziet het als een virtuele utopie, anderen als de totale ontmenselijking en het einde van de werkelijkheid. Wie er gelijk heeft, hangt grotendeels af van het antwoord op een oude filosofische vraag: wat is werkelijkheid? Het nieuwe van de ‘technofilosofie’, zoals Chalmers zijn benadering in Reality+ noemt, is ten eerste dat filosofie daarin wordt toegepast op nieuwe technologieën. En ten tweede dat die technologieën worden gebruikt om anders tegen eeuwenoude filosofische kwesties aan te kijken. Technofilosofie is goeie ouwe metafysica in een nieuw jasje.
Neem de vraag waarmee ik begon: kun je me zien? Als je vindt dat je iemand niet ziet als je er een Zoom-gesprek mee voert, dan betekent dat dat we elkaar eigenlijk nóóit zien, zo redeneert Chalmers. De naïeve gedachte dat we de dingen direct en ongefilterd waarnemen hebben we allang achter ons gelaten. We weten dat alles via onze zintuigen binnenkomt en dat ons uiteindelijke beeld van de werkelijkheid in onze hersenen wordt samengesteld: alle perceptie wordt door onze waarneming gefilterd. Dus de enige betekenisvolle mate waarin ik je echt zie of hoor, ook in het echte leven, is in hoeverre de signalen die ik zie en hoor oorzakelijk op jou teruggaan.
Nieuwe technologie kan veranderingen aanbrengen in die keten van oorzakelijkheid. Maar zolang de essentiële verbanden intact blijven, is het resultaat nog steeds dat ik echte personen en dingen waarneem. Neem een telefoongesprek. ‘De allereerste keer dat mensen een telefoon gebruikten, zeiden ze misschien nog: ik hoor de ander niet direct, ik hoor een projectie van zijn stem,’ zegt Chalmers. ‘Maar zodra de telefoon zijn intrede deed in het dagelijks leven, zeiden mensen zonder er verder bij stil te staan: ik hoor je. Met het voortschrijden van de techniek blijken zulke begrippen als vanzelf mee te groeien.’
‘Waar je in dit debat staat, hangt sterk af van hoe je ‘echt’ definieert’
Chalmers denkt dat dit nu weer plaatsvindt. Zelfs met de primitieve vorm van VR die we op dit moment hebben, is het al ‘heel gewoon om te zeggen dat je virtuele voorwerpen in een virtuele werkelijkheid ziet’. Daar valt natuurlijk tegen in te brengen dat wat je in de virtuele werkelijkheid ziet per definitie niet echt is. Een virtuele kat is geen echte kat. Tot op zekere hoogte is Chalmers het daarmee eens. Het is geen biologische, organische kat van vlees en bloed. Maar het is wel een echte virtuele kat. Dat is geen semantische haarkloverij. Denk maar aan hoe de wetenschap ons inzicht heeft veranderd in de verhouding tussen wat we zien en de onderliggende werkelijkheid. De kwantumfysica heeft aangetoond dat de grondslag van alle schijnbaar vaste objecten in onze wereld grotendeels uit lege ruimte bestaat. Het is niet zo dat katten en tafels niet bestaan, maar hun uiterlijke verschijning zegt niets over hun diepste aard. In een virtuele wereld zouden virtuele objecten op die manier ook echt zijn, zelfs al zijn ze ten diepste niet meer dan bits en bytes.
Waar je in dit debat staat, hangt sterk af van hoe je ‘echt’ definieert. Als we zeggen dat iets echt is, kan dat volgens Chalmers vijf betekenissen hebben: het bestaat, het heeft causale krachten, het is onafhankelijk van onze hersenactiviteit, het is niet illusoir en het is een echte representant van dat waar wij het voor verslijten. Een werkelijk immersieve VR die van binnenuit niet van het echte leven te onderscheiden is, zou volgens hem aan minstens vier van deze vijf criteria moeten voldoen.
Neem een digitale hond. Wat je daar ook van denkt, op een bepaalde manier bestaan digitale honden zeker. Ten tweede heeft zo’n virtuele hond in Full VR ook causale krachten: als hij bijt, doet het pijn. Ten derde heeft de hond een bestaan buiten jouw geest om: als je de virtuele wereld verlaat, blijft die hond daar rondsnuffelen.
Minder voor de hand ligt de conclusie dat zo’n digitale hond niet illusoir is of althans niet hoeft te zijn. Je denkt misschien dat VR per definitie een illusie is, aangezien het hele idee van VR is dat digitale dingen daarin echt lijken. Maar met een beroep op het begrip ‘cognitieve penetratie’ stelt Chalmers dat dit niet per se opgaat. Als je in de achteruitkijkspiegel van je auto kijkt, zie je wat je daarin ziet dan voor je of achter je? Strikt genomen zie je het voor je. Daarom benadert een dier iets wat het in de spiegel ziet altijd alsof dat zich achter het glas bevindt. Omdat wij weten dat het een reflectie is en we daaraan gewend zijn, weten wij dat we in die spiegel zien wat zich achter ons bevindt.
Chalmers denkt dat deze gewenning ook in de virtuele wereld kan optreden. Toen hij in een VR-lab op een plank stond die over de Grand Canyon was gelegd en hij werd verzocht van die plank af te stappen, ‘tikte ik eerst even met mijn voet op de grond, gewoon voor de zekerheid’. Maar ‘je raakt heel snel gewend aan wat er kan. Dan stap je eraf en loop je naar de overkant van de kloof. Je loopt gewoon in de lucht, dat went.’ Na verloop van tijd wordt de virtuele aard van zo’n wereld iets ‘wat gewoon ingebakken raakt in je perceptie van de werkelijkheid’. Dan voelt het op den duur net zo min als een illusie als onze ervaring dat de zon opkomt terwijl we weten dat het alleen de aarde zelf is die beweegt.
‘Vergelijk het met havermelk: die is wel echt, maar het is geen echte melk’
Het enige criterium waar Full VR volgens Chalmers niet aan zal kunnen voldoen, is dat een digitale hond wel echt is, maar geen echte hond, want echte honden zijn biologische wezens. Vergelijk het met havermelk: die is wel echt, maar het is geen echte melk.
Omdat Full VR aan vier van zijn vijf criteria voldoet, kunnen we volgens hem stellen dat het ‘ten minste 80 procent echt is’. Maar die vlieger gaat niet per se op. Als ik voldoe aan vier van de vijf vereiste criteria om arts te zijn, ben ik niet voor 80 procent arts, dan ben ik helemaal geen arts. Dus er hangt heel veel af van het belang van dat ene onderscheid, tussen gewone echte dingen en echte digitale dingen.
Leven in een simulatie
Veel mensen zullen Reality+ willen lezen vanwege het tegen onze intuïtie indruisende pleidooi dat wij zonder het te weten misschien al in een simulatie leven, of dat we onszelf in de toekomst misschien wel kunnen uploaden naar een VR-wereld die dan net zo echt en net zo aangenaam zal zijn als ons biologische leven nu. Zelf vind ik Chalmers’ redeneringen op dat punt veel te sterk afhangen van onzekerheden in de toekomst. Zullen we ooit over genoeg machinale rekenkracht en genoeg elektriciteit beschikken om een virtuele wereld te creëren die net zo rijk en alomvattend is als onze huidige fysieke wereld? Zoiets simpels als de cryptomunt Bitcoin verbruikt nu bijvoorbeeld al 0,5 procent van alle stroom in de wereld.
Chalmers neemt dit probleem serieus, maar schat de kans toch op fiftyfifty dat we Full VR zullen realiseren. Als het gaat om de energie die dat zou vergen, wijst hij erop dat fundamentele fysieke grenzen weliswaar betekenen dat ‘geen eindig universum in staat is zichzelf tot in elk detail perfect te simuleren’, maar dat dit niet erg is omdat Full VR dat ook niet hoeft te doen. ‘Universa hoeven alleen een eenvoudiger en kleiner universum te simuleren. Misschien kan bijvoorbeeld een deel van de energie van een verre ster worden gebruikt om te simuleren wat er allemaal op en rond de aarde gebeurt.’
‘Maar nee, ze hebben een wereld ontworpen met kanker, MS en ebola, om van marteling en verkrachting nog maar te zwijgen’
Een oneindig universum zou volgens Chalmers in staat zijn een eindig universum zoals het onze perfect te simuleren. En als ons universum zo’n perfecte simulatie was, dan zouden wij daar nooit achter kunnen komen. Veel mensen nemen deze mogelijkheid serieus. Maar als onze wereld zo’n simulatie is, vraag ik me toch af: waarom is die wereld dan zo vreselijk? Als de wereld het product is van evolutie, dan vallen armoede, ziekte en menselijke wreedheid te verwachten. Als de wereld het product is van intelligent ontwerp, dan moeten de ontwerpers niet alleen ongelooflijk slim maar ook ongelooflijk sadistisch zijn. Dan hadden ze ook wel een wereld van overvloed en veiligheid kunnen ontwerpen. Maar nee, ze hebben een wereld ontworpen met kanker, MS en ebola, om van marteling en verkrachting nog maar te zwijgen.
‘Ik heb de Dreamachine voor u getest’
‘Het is een gratis reis door uw eigen hoofd’, verzekert The Guardian.
Een journalist van de Londense krant heeft de ‘Dreamachine’ getest, geïnspireerd op een vinding uit de jaren zestig. Het is een experiment op basis van witte lichtflitsen, vergelijkbaar met de hallucinatiemachine van de Britse neurowetenschapper Anil Seth. De Dreamachine werd aan het Britse publiek gepresenteerd op de afgelopen editie van het rondreizende lentefestival Unboxed.
De deelnemers, die comfortabel onder een deken lagen, werden uitgenodigd om zich te ontspannen. ‘Het volume van de ritmische muziek wordt geleidelijk opgevoerd, terwijl wij met onze ogen dicht liggen en de ruimte die we door onze oogleden waarnemen verduistert,’ vertelt de journalist. ‘Dan begint het allemaal: voor me zie ik een grote purperen wolk steeds dikker worden en een donkerrode nevel vult te leegte. Het ritme en de intensiteit van de knipperende lichten variëren (vermoed ik) en ik word verblind door een feloranje hemel, de kleur van marmelade. Het is niet echt een hemel, maar eerder een muur van kleuren, elektrisch en verblindend, die zich binnen in mij bevindt.’ Iedereen geniet op zijn eigen manier van de psychedelische ervaringen. En er komen gegarandeerd geen verboden middelen aan te pas. ‘Het schijnt niet verslavend te zijn. Maar wanneer mag ik weer?’
Chalmers heeft wel oog voor deze nieuwe variant op een oud argument tegen het bestaan van God, en voor andere vragen rond wat wel ‘simulatietheologie’ wordt genoemd, maar hij gaat er niet in mee. ‘Dat hangt helemaal af van de aard en de motieven van de ontwerper, en die kan duizenden verschillende motieven hebben,’ zegt hij. ‘Onze wereld is niet alleen maar slecht. Die bevat zowel afschuwelijke als mooie dingen. Misschien waren de ontwerpers van mening dat het al de moeite waard is om de wereld te scheppen als de balans per saldo tenminste positief uitslaat. Uiteindelijk denk ik dat er geen bijzondere reden is om te denken dat de ontwerpers van onze simulatie ethisch onfeilbaar zouden moeten zijn. Ze kunnen net zo ethisch feilbaar zijn als wij.’
Risico nomen
Zelfs al zou Full VR tot de mogelijkheden behoren, moeten we dan het risico nemen om zo’n wereld te maken? Techno-utopisten hebben de neiging radicaal te overschatten in welke mate wij in staat zijn de fundamenten van ons gedrag en onze samenleving te herprogrammeren. Die angst begrijpt Chalmers wel. ‘Als je de sociale media nu al problematisch vindt omdat Facebook bepaalt wat er op je tijdlijn verschijnt, maak dan je borst maar nat voor het moment waarop die socialemediagiganten ons dagelijks leven in de virtuele wereld aansturen.’ Maar hij ziet het niet al te somber in. ‘Bij elke technologie heb je overmoedige utopisten,’ zegt hij. ‘Elke technologie heeft zowel een utopisch als een dystopisch potentieel, en ik kan niet voorspellen welke kant het opgaat. We eindigen hoogstwaarschijnlijk met een mengeling van beide. Ik vergelijk het graag met het internet. Dat had tenslotte een utopisch potentieel, en een deel daarvan is ook ingelost. Maar het heeft ook aardig wat afschuwelijke gevolgen gehad.’
Bij de suggestie van een virtueel leven zal de eerste reactie bij veel mensen zijn dat we dat niet zien zitten omdat het onweerlegbaar kunstmatig is en we toch in contact willen blijven met de natuur. Chalmers vindt dat ‘een redelijk argument, maar wel een keuze. Ik woon in New York: weinig natuurlijks aan, maar daarom nog geen minder zinvol leven.’
Hij wil in zijn boek niet voorspellen hoe snel hij de komst van Full VR verwacht. ‘Over het algemeen overschatten mensen de snelheid van toekomstige veranderingen op de korte termijn, maar onderschatten ze die op de lange termijn,’ zegt hij. ‘Dus ik vermoed dat we op de korte termijn nog tegen een hoop hindernissen, vertragingen en defecten gaan aanlopen.’ En hij voegt eraan toe: ‘Het zou mij niet verbazen als het nog twintig of dertig jaar duurt voor we een werkelijk rimpelloze virtuele werkelijkheid hebben die voor iedereen heel gewoon is.’
‘Deze technologie zal filosofische vragen blijven oproepen. En die verdwijnen niet zomaar’
En de mate waarin je denkt dat een goed leven in VR mogelijk is, hangt misschien meer af van je leeftijd dan van de kracht van zijn argumenten. ‘Dit is een generatieding. Wij worden allebei een dagje ouder, maar neem de jongste tieners van nu. Voor hen is het doodnormaal om met elkaar om te gaan in een digitale wereld en dat als werkelijkheid te beschouwen, en als je in die situatie opgroeit is het idee dat de werkelijkheid een simulatie is misschien lang niet zo buitenissig als het voor jou en mij kan voelen.’
Nog niet zo lang geleden zouden de scenario’s die Chalmers in zijn boek bespreekt van de hand zijn gedaan als speculatieve sciencefiction of leuke gedachte-experimenten zonder praktisch nut. Maar in het tijdperk van de metaverse kunnen we het ons niet meer veroorloven om ze te negeren. ‘Deze technologie zal filosofische vragen blijven oproepen. En die verdwijnen niet zomaar.’
In het Westen zijn we gewend door de bril van de lineaire vooruitgang te kijken. Volgens de Britse filosoof Julian Baggini – en populaire films/series als Tenet en Dark – is het tijd voor een geheel nieuwe visie. Zo heeft het tijdsbegrip van bijvoorbeeld de oorspronkelijke Australiërs meer weg van de ruimtetijd van de moderne natuurkunde.
Dit stuk verscheen eerder in #152
Het is een van de wonderlijke mysteries in de geschiedenis van de mensheid dat de eerste schriftelijke wereldbeschouwingen in verschillende delen van de wereld min of meer gelijktijdig tot bloei kwamen. De eerste sporen van zowel de Indiase, Chinese en Griekse wijsbegeerte als die van het boeddhisme zijn te herleiden tot een periode van zo’n driehonderd jaar die begon in de achtste eeuw voor Christus. Die oude wereldbeschouwingen hebben hun stempel gedrukt op de manier waarop veel mensen hun leven inrichten, religie beleven en aankijken tegen de grote vragen die ons allemaal bezighouden.
De meeste mensen komen zelden met een expliciete formulering van de filosofische veronderstellingen die aan hun eigen denken ten grondslag liggen, ze zijn er zich vaak niet eens van bewust. Maar veronderstellingen over de aard van het ik, over goed en kwaad, wat waarheid is en wat we in het leven moeten nastreven, zijn diep verankerd in onze cultuur en vormen ons denken, zonder dat we het beseffen.
Neem bijvoorbeeld het idee van tijd. Overal ter wereld is tijd tegenwoordig een lineair begrip, onderverdeeld in heden, verleden en toekomst. Onze dagen worden ingedeeld door de klok, onze levens door kalenders en agenda’s, en de geschiedenis door tijdlijnen die millennia bestrijken. Nu bestaat in alle culturen wel een begrip van heden, toekomst en verleden, maar in de geschiedenis van de mensheid heeft dat begrip heel lang berust op een idee van tijd als een cyclisch verschijnsel.
De gedachte dat het verleden ook de toekomst is en de toekomst ook het heden, dat het einde in het begin ligt besloten. De dominantie van ons lineaire tijdsbegrip gaat goed samen met een eschatologisch wereldbeeld waarin de hele geschiedenis van de mensheid toewerkt naar een laatste oordeel. Vandaar wellicht dat dit lineaire tijdsbegrip in het overwegend christelijke Westen gaandeweg de vanzelfsprekende manier van denken is geworden. Toen God de aarde schiep, begon hij daarmee een verhaal met een begin, een midden en een eind.
‘Nu bestaat in alle culturen wel een begrip van heden, toekomst en verleden’
Maar er zijn ook andere manieren om naar tijd te kijken. Tal van wereldbeschouwingen gaan ervan uit dat het begin en het einde altijd een en hetzelfde zijn geweest en de tijd in wezen cyclisch is. Dat is ook de meest intuïtieve manier om je zoiets als de eeuwigheid te kunnen voorstellen. Als we de tijd visualiseren als een lijn, stelt ons dat immers voor een raadsel: wat gebeurde er dan voordat de tijd begon? Hoe kan een lijn doorlopen zonder ooit een eindpunt te bereiken? Met het beeld van een cirkel kunnen we ons voorstellen dat de tijd voor- of achteruit kan gaan zonder ooit een eind te bereiken.
Vooral in premoderne samenlevingen lag het zeer voor de hand om de tijd als cyclisch te zien. Daarin werden zelden nieuwe uitvindingen gedaan, zodat je een leven leidde dat niet of nauwelijks verschilde van dat van je grootouders of overgrootouders en de vele generaties daarvoor. Vandaar wellicht dat een cyclische tijdsopvatting in zo’n beetje iedere beschaving de uitgangspositie lijkt te zijn geweest. Zo werd tijd beleefd door de Maya’s, de Inca’s en de Hopi. Je vindt nog steeds elementen van cyclisch denken over tijd in tal van niet-westerse tradities, misschien nog het duidelijkst in de klassieke Indiase filosofie.
Zoals de Indiase filosoof en staatsman Sarvepalli Radhakrishnan schreef: ‘Alle [orthodoxe] systemen accepteren de idee van het grote wereldritme. Lange perioden van schepping, behoud en ontbinding volgen elkaar op in eindeloze afwisseling.’ Een passage uit de Rig-Veda [het oudste van de vier godsdienstige hindoegeschriften die bekendstaan als de Veda’s] over Diaus en Prithvi (hemel en aarde) luidt bijvoorbeeld: ‘Welk van de twee was de eerste, welke de laatste? Hoe is het ontstaan? O wijzen, wie weet het? Zij dragen alles in zich wat bestaat. Dag en nacht wentelen om elkaar als op een rad.’
De Oost-Aziatische wereldbeschouwing is diepgeworteld in de kringloop der seizoenen, die weer deel uitmaakt van de grotere kringloop van het bestaan. Dat is vooral goed te zien in het taoïsme en wordt mooi geïllustreerd door het verhaal over de filosoof Zhuang Zi, die leefde in de vierde eeuw voor Christus en die zich na de dood van zijn vrouw niet verdrietig maar verrassend vrolijk betoonde. Aanvankelijk was hij net zo bedroefd geweest als ieder ander, legde hij uit.
Toen had hij teruggedacht, niet alleen aan zijn vrouw maar aan wat daarvoor kwam, aan het begin van de tijd zelf: ‘In al die chaos en verwarring veranderde er iets en er was qi. En het qi veranderde en werd vorm. De vorm veranderde en zij werd levend. En nu is er weer iets veranderd en is ze dood. Het is als de kringloop van de vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter.’ In de Chinese wereldbeschouwing zijn wijsheid en waarheid eeuwige waarden en moeten we niet streven naar vooruitgang om meer te leren, maar alleen proberen te behouden wat we al hebben.
Cyclische verjonging
In de islamitische wereldbeschouwing zijn cyclisch en lineair denken met elkaar verknoopt. ‘De islamitische opvatting van tijd berust in wezen op de cyclische verjonging van de mensheid door de verschijning van verschillende profeten,’ zegt Seyyed Hossein Nasr, emeritus hoogleraar islamstudies aan de George Washington University. Maar elke cyclus bracht de mensheid ook een stapje verder, elke openbaring bouwde voort op de vorige, tot aan de laatste openbaring toe, de influistering van het woord Gods in de vorm van de Koran aan de profeet Mohammed.
Deze reeks van opeenvolgende cycli zal uiteindelijk worden afgesloten met de komst van de Mahdi, veertig jaar voor het laatste oordeel. Er is dus niet altijd een overzichtelijk onderscheid tussen lineaire en cyclische tijdsopvattingen. Vanuit de gedachte dat die twee elkaar uitsluiten, gaat men er vaak bij voorbaat van uit dat orale filosofische tradities wel een cyclisch tijdsbegrip zullen hebben. De werkelijkheid is complexer. Neem de wereldbeschouwing van de oorspronkelijke bevolking van Australië.
In de hitfilm Tenet en de populaire serie Dark wordt al creatief gespeeld met het begrip tijd.
Er was daar niet één volk met één gedeelde cultuur, maar over het hele continent vertonen de verschillende inheemse culturen wel genoeg onderlinge overeenkomsten om wat voorzichtige conclusies te kunnen trekken over de ideeën die daar gemeengoed of dominant zijn. Volgens de antropoloog David Maybury-Lewis is tijd in de inheemse Australische cultuur cyclisch noch lineair, en heeft het tijdsbegrip van de inheemse volken meer weg van de ruimtetijd van de moderne natuurkunde. Tijd is voor hen nauw verbonden met plaats in wat hij de ‘droomtijd’ noemt, van ‘heden, verleden en toekomst die allemaal op deze plaats samenkomen’.
‘Je leeft meer in ruimte dan in tijd,’ schrijft Stephen Muecke in zijn boek Ancient and Modern: Time, Culture and Indigenous Philosophy. Belangrijker dan het onderscheid tussen lineaire en cyclische tijd is de vraag of tijd losstaat van plaats of daar nauw mee verbonden is. Neem bijvoorbeeld ons denken over de dood. In het Westen wordt de dood vooral gezien als het overlijden van het individu, waarbij het lichaam de locus van dat overlijden is en de locatie van dat lichaam er niet toe doet.
Muecke daarentegen schrijft: ‘Bij inheemse opvattingen over de dood van het individu gaat het vaak niet zozeer om de dood van het lichaam als om een terugkeer van de energie naar de oorsprong, naar de plek waar die energie vandaan kwam en nu naar terugkeert.’ Hij verwijst naar de opvatting van de Australische onderzoeker Tony Swain dat het idee van lineaire tijd eigenlijk verweesd is geraakt van dat van plaats.
‘Ik heb zo’n idee dat de moderne natuurkunde die twee dimensies van elkaar gescheiden en verder bewerkt heeft, en door een heel proces van experimenteel en theoretisch werk is gekomen tot het tijdsbegrip zoals wij dat kennen,’ vertelt Muecke mij. ‘Als je die dimensies niet theoretisch en experimenteel van elkaar scheidt, heb je de neiging om ze als één geheel te zien.’ Zijn inheemse vrienden praten niet zozeer over tijd of plaats afzonderlijk, als wel over gebeurtenissen op specifieke locaties. De centrale tijdsvraag is bij hen niet: ‘Wanneer is dit gebeurd?’ maar: ‘Hoe verhoudt deze gebeurtenis zich tot andere gebeurtenissen?’
@ Still uit de video-installatie ‘The Clock’ van Christian Marclay
Die ‘verhouding’ is belangrijk. Tijd en ruimte zijn in de moderne natuurkunde theoretische abstracties geworden, maar in onze cultuur zijn het concrete realiteiten. Er is niets wat alleen als een coördinaat op een kaart of een moment in de tijd bestaat: alles staat in verhouding tot al het andere. Om de tijd en ruimte van orale wereldbeschouwingen te begrijpen, moeten we die dus niet zien als abstracte concepten van metafysische theorieën, maar als levende begrippen die een onlosmakelijk deel zijn van een wereldbeeld dat is geworteld in de gedachte van verbondenheid.
David Mowaljarlai, een belangrijk leider van het Ngarinyin-volk in West-Australië, noemde dit principe van verbondenheid ooit ‘patroondenken’. In patroondenken vloeien natuur en samenleving in elkaar over, zijn dat geen twee aparte werelden maar delen van één groter geheel. In de woorden van Muecke: ‘Het concept van verbondenheid is natuurlijk de basis van alle verwantschapssystemen. […] Trouwen is dan niet alleen een manier om met iemand te zijn, maar ook om elkaar in zekere zin te delen.’
Die nadruk op verbondenheid en plaats levert een manier van denken op die indruist tegen het abstracte universalisme dat tot op zekere hoogte in alle grote schriftelijke wereldbeschouwelijke tradities terug te vinden is. Een van de ‘blijvende [inheemse Australische] principes’ is volgens Muecke dat ‘iemands gedrag altijd samenhangt met de specifieke middelen en behoeften van een tijd en plaats, en zekere verantwoordelijkheden met zich brengt die eigen zijn aan die plaats.’ Dit is geen ‘anything goes’-relativisme, maar de erkenning van het feit dat rechten, plichten en waarden alleen binnen een concrete menselijke cultuur kunnen bestaan en dat de exacte vorm ervan zal afhangen van de aard van die concrete situatie.
‘Inheemse vrienden praten niet over tijd of plaats, maar over gebeurtenissen op specifieke locaties’
Vooruitgang
In het Westen wordt de dominantie van het lineaire tijdsbesef doorgaans in verband gebracht met een vooruitgangsgeloof dat zijn apotheose bereikte in de Verlichting. Zoals de filosoof Anthony Kenny het beschrijft: ‘Bij het zoeken naar idealen had men tot die tijd altijd teruggekeken: naar de vroegchristelijke kerk, de klassieke oudheid of een mythisch tijdperk voor de zondeval. Een kernpunt in de leer van de Verlichting was juist dat de mensheid niet van een eerdere hoogte gevallen was, maar een steeds betere toekomst tegemoetging.’
Dat is een wijdverbreid beeld, maar anderen denken dat het geloof in vooruitgang diepgewortelder is, en wel in het eschatologische wereldbeeld van het christendom. Zo schrijft de filosoof John Gray dat seculiere denkers ‘de voorzienigheid afwijzen, maar toch blijven denken dat de mensheid op weg is naar een universeel doel’, ook al is ‘de hele idee van historische vooruitgang een mythe die is ontstaan uit de behoefte aan zingeving’.
Maar of de Verlichting het vooruitgangsgeloof nu zelf heeft bedacht of van het christendom heeft geleend: het beeld van humanisten als aanhangers van een naïef geloof in onstuitbare lineaire vooruitgang lijkt me een karikatuur van hun – veel bescheidener, en op historische feiten berustende – hoop dat er in het verleden daadwerkelijke vooruitgang is geweest, en er dus meer vooruitgang mogelijk is.
Gray heeft alleen wel gelijk dat we in het Westen alles door de bril van de lineaire vooruitgang zien, en daardoor blind dreigen te raken voor valse vooruitgang en werkelijke achteruitgang. Die zienswijze bevordert bovendien een soort superioriteitsgevoel van het heden jegens vroegere, zogenaamd minder ‘ontwikkelde’ tijden. En beneemt het zicht op de mate waarin de geschiedenis zich niet herhaalt, maar wel vaak rijmt (zoals de 19e-eeuwse Amerikaanse schrijver Samuel Clemens alias Mark Twain gezegd schijnt te hebben).
De verschillende wijzen waarop in uiteenlopende wereldbeschouwelijke tradities over tijd wordt gedacht blijken zeker niet alleen maar metafysische curiositeiten te zijn. Ze bepalen de manier waarop wij denken over onze temporele plaats in de geschiedenis én onze verhouding tot de fysieke plaats waar we leven. Het is een van de gemakkelijkste en duidelijkste voorbeelden van hoe een ander cultureel denkraam ons een nieuwe kijk op de wereld kan bieden. Alleen al door een schilderij in een andere lijst te hangen gaat het er soms heel anders uitzien.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.