Tag: forensische technologie

  • Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Facebook, Google en Uber maken ons leven leuker, makkelijker en goedkoper. Maar de technologiereuzen zuigen intussen zo veel geld en talent naar Californië dat de rest van de planeet het nakijken heeft. En in de toekomst wordt het alleen maar erger…

    Silicon Valley is het nieuwe Rome. Net als in de tijd van Caesar 
hebben we te maken met een geavanceerde stadstaat die een groot deel van de wereld domineert, zo veel mogelijk regio’s met zijn technologie en manier van denken injecteert en daarmee enorme rijkdom vergaart.

    Dankzij Peter Thiel – internetmiljardair en voorstander van monopolies en het vroegtijdig verlaten van school – maken veel mensen zich zorgen om de groeiende rijkdom en invloed van Silicon Valley. Thiel spendeerde stiekem 10 miljoen dollar om een ex-worstelaar [Hulk Hogan] te helpen procederen tegen roddelsite Gawker – naar verluidt omdat Thiel zelf nog een appeltje met de site te schillen had. Toen dat uitkwam, begon men zich in paniek af 
te vragen in hoeverre Silicon Valley-miljardairs de media hun wil kunnen opleggen. En dat is nog maar een van de vele soortgelijke verhalen. Facebook is ervan beticht conservatieve nieuwsberichten achter te houden, wat ook weer het spookbeeld van mediacensuur oproept. Ondertussen is die 10 miljoen van Thiel nog zuinig vergeleken bij de 30 miljoen dollar die Mark Zuckerberg uittrok om vier huizen rondom zijn eigen woning op te kopen en plat te gooien, louter om te zorgen dat hij geen inkijk heeft. Elders in het land, in 
Indiana, wordt wetgeving die discriminerend is voor LHBT’ers teruggedraaid onder druk van Marc Benioff, de directeur van Salesforce, die dreigde dat 
zijn bedrijf anders de staat zou verlaten. Het fenomeen Donald Trump profiteert vooral van boze kiezers die door de technologische ontwikkelingen hun banen verliezen.

    Digitaal wereldrijk

    De angst voor het Californische schiereiland met zijn nerds heeft de hele wereld in zijn greep. De Europese 
Commissie gaat tekeer tegen Google en Netflix, China begint het Apple moeilijk te maken en India heeft Facebooks plannen voor gratis internet een halt toegeroepen, uit angst alle controle over de draadloze infrastructuur te 
verliezen. ‘Er moeten regels worden opgesteld om te voorkomen dat India een digitale kolonie wordt,’ zei Sharad Sharma van de Indiase denktank iSPIRT.

    En dan staat het digitale wereldrijk 
van Silicon Valley nog maar in zijn 
kinderschoenen. Er is een nieuwe generatie technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, 3D-printen en blockchain, die waarschijnlijk vooral in Silicon 
Valley zullen worden ontwikkeld en die, als ze straks mainstream worden, diep zullen ingrijpen in ons denken over industrie, geld, dienstverlening, 
nationale soevereiniteit en nog veel meer. Als je hoofd nu al tolt van de 
veranderingen sinds 2007, toen het tijdperk van smartphones, sociale 
netwerken en de cloud aanbrak, dan dreig je de komende tien jaar helemaal kortsluiting in je hersenen te krijgen.

    Silicon Valley is hetzelfde als het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen

    Is dit nu goed of slecht? Het antwoord is net zo ingewikkeld als wanneer je die vraag stelt over het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen. Hopelijk op de lange termijn een zegen voor de mensheid, maar het kan een paar eeuwen duren voordat 
we dat kunnen beoordelen.

    Silicon Valley vindt het heerlijk om dingen overhoop te halen. En nu haalt het de hele wereld overhoop. De befaamde technologie-analist Mary Meeker kwam deze maand met haar jaarlijkse verslag van internettrends. Uit haar cijfers blijkt duidelijk hoezeer de rol van Silicon Valley in de wereldeconomie is gegroeid. Neem haar lijst van de twintig waardevolste technologiebedrijven in 2015: twaalf daarvan komen uit de Verenigde Staten, zeven uit China en een uit Japan. Niet een uit Europa of India of een andere regio. De Amerikaanse bedrijven tekenen voor 76 procent van de totale beurswaarde en 87 procent van de opbrengst. En slechts een van die twaalf Amerikaanse bedrijven zit buiten Silicon Valley (Priceline, in Connecticut).

    Een andere manier om de dominantie van Californië te schetsen: nergens groeit het aantal internetgebruikers 
zo hard als in India. Die groei komt bijna geheel voor rekening van smartphonegebruikers. De drie meestgebruikte telefoonapps in India zijn al van Facebook (Facebook, WhatsApp en Facebook Messenger), dus geen wonder dat India niet wilde dat het bedrijf zijn tentakels nog verder uitstrekt. Bovendien draaien bijna alle mobiele telefoons in India op Googles Android of Apples iOS.

    Een flink deel van de meest dynamische sector in India levert dus vooral Silicon Valley geld op. En zo gaat het in elk land ter wereld, behalve misschien Noord-Korea.
    De geldstroom naar Silicon Valley heeft zich de laatste jaren uitgebreid van technologie naar sectoren die vroeger niet digitaal en zuiver lokaal waren. Hoe dat werkt wordt goed geïllustreerd door Uber: dat strijkt 20 procent van de prijs van elk ritje op. Vroeger bleef in Frankrijk 100 procent van alle inkomsten uit taxiritjes in eigen land.

    Krijgt Uber een groot deel van de Franse taximarkt in handen, dan vloeit 20 procent van die opbrengst het land uit. Stel je nu eens voor dat het de ene na de andere bedrijfstak zo vergaat, in het ene land na het andere. (En wat betreft de enorme hoeveelheden geld die naar Uber 
stromen: een investeringstak van de Saoedische regering heeft onlangs nog 3,5 miljard dollar in het bedrijf gepompt. Blijkbaar konden de Saoedi’s in eigen land niet genoeg veelbelovende start-ups vinden om in te investeren.) 
Alphabet, het moederbedrijf van Google, strijkt volgens Adweek 12 procent op 
van wat er wereldwijd omgaat in de reclamebranche. Nooit eerder streek 
één bedrijf 12 procent van alle reclameopbrengsten wereldwijd op. En dat 
Google veel geld aan landen onttrekt, staat buiten kijf. In 2015 had Google een opbrengst van 75 miljard dollar, en 54 procent daarvan kwam uit het 
buitenland.

    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH
    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH

    Op macroniveau is technologie een 
van de weinige economische sectoren die wereldwijd nog significante groei vertonen. Uit Meekers cijfers blijkt dat de groei van het bruto binnenlands product wereldwijd in zes van de afgelopen acht jaar onder het gemiddelde zat. Als de economie overal stagneert maar de technologiesector groeit als kool, moeten de andere sectoren het wel heel beroerd doen. En als de opbrengsten uit technologie grotendeels naar bedrijven in Silicon Valley vloeien, is dat dus ook verantwoordelijk voor veel van de economische groei in de wereld – en betaalt het grootste deel van de wereld Silicon Valley daar een prijs voor.

    In de presidentscampagne hamert Trump er steeds op dat Amerika verliest. Maar dat klopt niet: op het gebied van technologie is Amerika aan het winnen, en niet zo’n beetje ook. Het probleem is dat er ook nog heel veel Amerika is buiten Silicon Valley, dat kleine lapje grond van San Francisco tot San Jose. Ook binnen de Verenigde Staten is Silicon Valley een soort Rome, dat de rest van het land tot een nieuw Judea kan degraderen. Want we hebben nu twee Amerika’s: een analoog 
en een digitaal Amerika. Het analoge Amerika is het Amerika van de 
fabrieken, de detailhandel, de dienstverlening en de restaurants: ouderwets werk dat je met je handen kunt doen. En dat oude Amerika heeft het zwaar. Uit federale cijfers blijkt dat de VS in mei de laagste banengroei in vijf jaar hadden. In de industriële productie zijn zo’n tienduizend banen verdwenen. De lonen van de middenklasse staan al jaren stil. Hele horden mensen verliezen hun baan door de automatisering. Opiniepeilers horen Trump-aanhangers zeggen dat ze zich 
machteloos voelen. Uit woede stemmen ze op Trump, om iets terug te doen.

    Vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google

    Aan de andere kant van de kloof heb je het digitale Amerika: de mensen die software schrijven, data analyseren, apps verkopen, investeren in start-ups. Hier kan toptalent de werkgevers tegen elkaar op laten bieden. Overal in het land vind je enclaves van dit digitale Amerika, met hoge concentraties in steden als Boston, New York, Washington en Seattle, waar ook grote internetbedrijven zitten. Maar geen van die plaatsen kan zich meten met Silicon Valley – het land van de miljardairs met vlasbaardjes, idioot hoge huizenprijzen, snelwegen vol Tesla’s en Stanford 
University als regionale kweekvijver van digitaal toptalent. Hier wordt meer geïnvesteerd in meer bedrijven. In het eerste kwartaal van dit jaar harkten Californische bedrijven, merendeels uit Silicon Valley, 396 miljoen dollar aan durfkapitaal bij elkaar, bijna drie keer zo veel als New York (tweede plaats, met 149 miljoen) en vier keer zo veel als Massachusetts (derde plaats, 90 miljoen). En het geld dat Silicon Valley genereert blijft doorgaans in Silicon Valley. De beursgang van zo’n bedrijf maakt zelden mensen van elders rijk. Kijk naar de veertig grootste aandeelhouders van Facebook: ze wonen bijna allemaal in Silicon Valley. (Thiel is met 2,5 procent de op zes na grootste, 
waarmee zijn vermogen meer dan 2 miljard dollar bedraagt.)

    Van heinde en ver trekt Silicon Valley slimme mensen aan die een internetbedrijf willen opzetten. De gebroeders Collison groeiden op in een klein dorpje in Ierland. De briljante broers gingen studeren in Boston: Patrick aan MIT, John aan Harvard. In 2010 zetten ze Stripe op, een nieuw platform voor digitale betalingen, en in 2011 kregen ze 2 miljoen dollar van drie investeerders uit Silicon Valley: Sequoia Capital, Andreessen Horowitz en… Peter Thiel. Inmiddels is Stripe meer dan 5 miljard dollar waard. Het zetelt niet in Ierland of Boston, maar in San Francisco.

    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH
    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH

    En die ontwikkeling is voorlopig nog niet ten einde. Ik heb veel investeerders in de Bay Area gesproken. Tien 
of vijftien jaar geleden zochten ze interessante investeringsmogelijkheden in China en India, en sommigen zetten overal in de VS filialen op. Nu vinden 
de meesten dat ze niet verder hoeven te kijken dan een straal van nog geen honderd kilometer rond Palo Alto. Het meeste talent dat ertoe doet, zit daar al of komt er uiteindelijk vanzelf terecht.

    Enrico Moretti, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Californië, concludeert in zijn boek The New Geography of Jobs dat locatie – al zou je dat in deze tijd van netwerkverbindingen niet 
verwachten – in deze sector nog steeds een grote rol speelt. ‘In de innovatiesector is het succes van een bedrijf niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van de werknemers, maar ook van het hele ecosysteem eromheen,’ schrijft Moretti. ‘Daardoor is zo’n bedrijf moeilijker naar een andere regio te verplaatsen dan traditionele fabrieksproductie.’ Een staalbedrijf of een schoenenfabriek kun je verkassen naar een regio waar arbeid en grondstoffen goedkoper zijn. Technologiebedrijven moeten op een paar plekken samenklonteren, en dan is Silicon Valley de sterkste magneet van allemaal.

    In 2015 lieten de media hun oog 
vallen op de zogenaamde ‘eenhoorns’: nieuwe, nog niet beursgenoteerde start-ups waarvan de waarde op meer dan een miljard dollar werd geschat. Die schattingen begonnen de pan uit te rijzen. Er werd al gefluisterd over een bubbel. Ook tech-insiders voorspelden een terugslag. Maar al dat gebabbel over een bubbel wordt doorgeprikt door Meeker. ‘Er zijn internetbedrijven waarvan de waarde wordt overschat,’ zegt ze. ‘Maar er zijn ook bedrijven die worden onderschat. 
Er zijn maar heel weinig bedrijven 
die gaan winnen. Maar die bedrijven lopen dan ook gigantisch binnen.’

    Play Bigger

    In Play Bigger, het nieuwe boek dat ik in samenwerking met drie consultants uit Silicon Valley heb geschreven, beschrijven we het op een andere manier. Onze netwerksamenleving heeft een omgeving geschapen waarin één bedrijf een totaal nieuwe bedrijfstak kan ontwikkelen en domineren (zoals Facebook, Airbnb, VMware en tal van andere bedrijven doen), waardoor het in die sector de grote winnaar wordt. Geen enkele regio ter wereld brengt zo veel van dit soort dominante bedrijven voort als Silicon Valley, en 
de sectorwinnaars van de toekomst worden de belangrijkste bedrijven van de nieuwe generatie.

    Waarschijnlijk worden ze nog veel 
groter dan de Facebooks en Googles van nu. Artificiële intelligentie (AI) is een technologie die alles op zijn kop gaat zetten, zoals cloud-gebaseerde apps dat de afgelopen vijf jaar hebben gedaan. Dat wordt een bron van vernieuwingen die we ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen. (Wat dacht je van piepkleine, door AI aangestuurde drones die bij gebouwen rondvliegen om een oogje in het zeil te houden, in plaats van beveiligers? Zit eraan te komen!) 3D-printen wordt zo goed 
dat een bedrijf als Nike niet langer schoenen in Azië zal laten maken om naar de VS te verschepen. Die schoenen worden straks ‘geprint’, in een netwerk van duizenden kleine printfabriekjes waar je je vers gemaakte gympen kunt ophalen. Blockchain, de technologie achter bitcoin, is nog maar net begonnen de hele financiële sector te hervormen. Virtual reality zal zo goed worden dat het revolutionaire gevolgen krijgt voor zaken als toerisme, sport of een bezoekje aan de dokter. Biotechnologie, robotica: er staat ons een waanzinnige stortvloed aan nieuwe technologische ontwikkelingen te wachten.

    De gevolgen zullen zo ingrijpend zijn dat we volgens Hemant Taneja van General Catalyst Partners afstevenen op een ‘wereldwijde herprogrammering’. We gaan elk product en elke dienst ter wereld uit elkaar halen en terug in elkaar zetten met behulp van data, AI en al die andere nieuwe dingen.

    Natuurlijk zullen ook bedrijven van buiten Silicon Valley hier hun kansen grijpen. Het om zijn virtual reality-techniek bejubelde Magic Leap zit in Florida. Belangrijke bijdragen aan de blockchain-ontwikkeling komen uit New York. Maar de overgrote meerderheid van de bedrijven die aan 
deze wereldwijde herprogrammering werken, zit in Silicon Valley. En zoals Meeker zegt: de paar bedrijven die een hele sector domineren zullen 
uitgroeien tot ware giganten, wat het voor andere regio’s in de wereld moeilijker dan ooit zal maken om Silicon Valley bij te benen.


    Terug naar de vraag of dat nou een goede of een slechte ontwikkeling is.

    Als je je smartphone pakt, zie je daar een hoop dingen waarvoor je vroeger moest betalen en die je nu voor niks of bijna voor niks krijgt. Je hebt een camera met flits, vroeger moest je die allebei apart kopen. Nieuws is gratis, je hoeft geen krant meer te kopen. Bellen met het buitenland kost via Skype bijna niks. Muziek: gratis of goedkoop met Spotify. En dat mobieltje is maar één voorbeeld van de impact van technologie en de globalisering. Die maken steeds meer zaken goedkoper of helemaal gratis, en verlagen zo de kosten van levensonderhoud. Dat geldt ook voor fysieke producten: dankzij de globalisering kun je bij H&M leuke kleren kopen voor veel minder geld dan twintig jaar geleden. Technologie zal die trend alleen maar versnellen.

    Volgens Mike Maples, een van de partners van Floodgate, een investeringsfonds voor start-ups, gaan we toe naar een tijd van overvloed waarin we steeds meer krijgen voor veel minder geld dan ooit tevoren. Een beter leven voor minder geld. Klinkt goed.

    Maar zoals uit de cijfers van Moretti blijkt, is diezelfde dynamiek ook funest voor de middenklasse, die banen ziet verdwijnen en salarissen dalen. Hoe meer dingen gratis of goedkoop te krijgen zijn, hoe minder mensen geld kunnen verdienen met het maken en verkopen van die dingen. Als een product tot een app wordt gereduceerd, blijft er maar een klein groepje mensen over dat dat wereldwijd kan verkopen – en zo al het geld opstrijkt. Neem landkaarten: vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten en winkels die ze verkochten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google, in Mountain View, Californië. Al het geld dat met landkaarten kan worden verdiend gaat naar Google, en de meeste banen in die sector zijn in rook opgegaan.

    Een groot deel van de wereld buiten Silicon Valley begint die nadelen 
sterker te voelen dan de voordelen. We zijn dol op onze smartphones, apps en goedkope producten, maar we vinden het minder fijn om economisch gemarginaliseerd te worden. En zo’n actie als die van Thiel tegen Gawker versterkt het beeld van een kleine elite die alles bepaalt. Boeken als 
Martin Fords Rise of the Robots suggereren dat technologie al onze banen gaat inpikken. Trump speelt in op 
die angst voor de toekomst die bij de middenklasse leeft. Bernie Sanders ook, al zou iemand hem eens moeten vertellen dat hij in het verleden leeft: de kapitalistische schurken van de toekomst vind je niet op Wall Street maar aan Highway 101 in Californië. (Op 1 juni sprak Sanders nog vierduizend aanhangers toe in Palo Alto, waar de huizenprijzen en de inkomensongelijkheid iedereen behalve miljonairs het leven onmogelijk maken.)

    Machtigste regio ter wereld

    Als je alle trends bij elkaar optelt, lijkt het onvermijdelijk dat Silicon Valley zal uitgroeien tot de machtigste regio ter wereld, ten koste van zo’n beetje de hele rest van de wereld. Het enige wat de Silicon Valley-expres misschien nog kan laten ontsporen, is zoiets als de Russische revolutie: een massale opstand van het proletariaat tegen de autocratie. Dat gevaar lijkt nog niet groot, maar het is wel een mogelijkheid die Silicon Valley onder ogen moet zien en moet ondervangen. Anders zal het steeds meer onder vuur komen te liggen van regeringen, activisten en de gefrustreerde massa. De grootste nachtmerrie van deze industrie is de invoering van regelgeving zoals die nu bestaat voor 
energie- en telecombedrijven: sectoren waar vroeger de grootste technologische vernieuwingen vandaan kwamen, maar die onder toeziend oog van de overheid zijn omgeturnd tot ingedutte bureaucratieën.

    Decennialang hebben de krachtpatsers van de technologiesector zich uitsluitend gericht op innovatie en het opzetten van bedrijven. Nu breekt een nieuw hoofdstuk aan waarin ze moeten zorgen dat ook de rest van de wereld daarvan de vruchten plukt. Anders staat Peter Thiel straks viool 
te spelen terwijl het nieuwe Rome in vlammen opgaat.

    Auteur: Kevin Maney
    Vertaler: Frank Lekens

    Newsweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.972.000

    Gefuseerd met The Daily Beast. Initiatiefnemer Tina Brown blaast het legendarische weekblad ongetwijfeld nieuw leven in.

  • 2. Geheim agent van morgen is data-analist

    2. Geheim agent van morgen is data-analist

    Goodbye Mr. Bond. Inlichtingendiensten als het Britse MI6 en de Amerikaanse CIA moeten zichzelf compleet heruitvinden om te overleven in de wereld van de big data.

    Je kunt je voorstellen dat de chef van MI6 – kortweg ‘C’ genoemd – even huiverde toen hij de Bondfilm Spectre zag. Niet bij de scène waarin het hoofdkantoor van MI6 wordt opgeblazen, maar bij de verontrustende verhaallijn waarin zijn inlichtingendienst moet opgaan in een nieuwe overkoepelende dienst die helemaal om data-analyse draait. Waarom dat een huivering veroorzaakt? Omdat het gevaarlijk dicht bij de werkelijkheid komt. De spion mag dan een van de oudste beroepen ter wereld hebben en MI6 kan dan bogen op nog zo’n roemrijk verleden, momenteel moet de dienst vechten voor zijn voortbestaan. En de reden daarvoor is data.

    De huidige ‘C’, Alex Younger (52), spreekt van een technologische ‘wapenwedloop’. Een inlichtingendienst die goed is in data-analyse is beter opgewassen tegen zijn tegenstanders. Wie daar niet in mee kan, belandt automatisch op een zijspoor. Om dat te voorkomen zoekt MI6 nu antwoord op twee vragen: wat is er nog geheim in het digitale tijdperk? En hoe kun je die geheimen beschermen?

    Cyberspionage

    Spionage draait om het stelen van geheimen. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door het onderscheppen en decoderen van elektronische communicatie, zogenaamde SIGINT (signals intelligence): het werk van diensten als het Britse GCHQ (Government Communications Headquarters) en de Amerikaanse NSA. Je hebt ook HUMINT (human intelligence), waarbij je informatie probeert los te krijgen van mensen die daarover beschikken. Die mensen worden ‘agenten’ genoemd (de medewerkers van MI6 zelf zijn geen ‘agent’ maar ‘inlichtingenofficier’).

    Tijdens de Koude Oorlog speelde apparatuur bij deze vorm van spionage nauwelijks een rol. Als inlichtingenofficier was je vooral bezig om KGB-agenten af te schudden op weg naar afspraken met informanten in schimmige steegjes in Wenen of Berlijn. Maar de opkomst van computernetwerken heeft 25 jaar geleden grote veranderingen ingeluid. Bij de KGB, en vervolgens ook bij GCHQ en de NSA, groeide het besef dat er waardevolle overheidsinformatie op computers stond die met het internet waren verbonden. Tot ontsteltenis van MI6 kon GCHQ ineens aan documenten komen die je vroeger alleen kon bemachtigen door een buitenlandse agent stiekem foto’s te laten maken van materiaal dat in een kluis lag opgeslagen.

    Cyberspionage veroorzaakte een revolutie in het vak. Je kon op afstand enorme hoeveelheden informatie in handen krijgen zonder gevaar voor mensenlevens. Maar wat is dan de taak van de ouderwetse spion? Op die vraag moet veteraan Younger een antwoord vinden. De strategie? Kort gezegd: data analyseren, onder de radar blijven en overal actief kunnen zijn.

    Technologie biedt zowel kansen als bedreigingen. De eerste stap bij het ronselen van buitenlandse agenten is het kiezen van de juiste persoon. Stel dat je wilt weten of een land een geheim nucleair wapenprogramma heeft. Een goede bron zou dan een zakenman zijn die onderdelen voor dat programma kan leveren. De inlichtingendienst moet dus uitzoeken wie er allemaal toegang tot de geheimen hebben, wie een motief zou kunnen hebben om uit de school te klappen en hoe je die persoon kunt benaderen. Dat gebeurt nu allemaal met behulp van computerdata. Dat kunnen openbare data zijn, zoals informatie over wie voor welk bedrijf werkt. En sociale media kunnen een rol spelen bij het vaststellen van iemands interesses en kennissenkring. Zo bouw je een beeld op van iemands leven. Om de beoogde agent te begrijpen moet je tegenwoordig niet alleen naar diens echte maar ook naar zijn onlineleven kijken. Een discrepantie tussen iemands ‘echte’ wereld en zijn onlinegedrag kan op zichzelf veelzeggend zijn.

    Ook grote dataverzamelingen worden steeds belangrijker. MI6 heeft gezegd dat die ‘steeds meer worden gebruikt voor het vinden van mensen die interessant voor ons kunnen zijn, en het vinden van mogelijke banden met het Verenigd Koninkrijk die wij kunnen gebruiken’. Om welke dataverzamelingen het precies gaat, is geheim. Dat kan het personeelsbestand van een vreemde overheid zijn, het klantenbestand van een hotel of het abonneebestand van een tijdschrift. Het gaat vaak om data van miljoenen, veelal onschuldige mensen. Volgens Britse spionnen is zowel de vergaring als de verwerking van deze data aan strikte regels gebonden. Elke zoekopdracht in zo’n bestand moet voldoen aan de Britse Human Rights Act: het moet als opsporingsmiddel wettig, noodzakelijk en proportioneel zijn. Dat laatste betekent dat een zoekopdracht die te veel resultaten oplevert niet alleen niet onproductief is, maar mogelijk ook tegen de regels.

    Stel dat zo’n zoekopdracht uitwijst dat een ingenieur in geldnood zit; de volgende stap is dan om hem te benaderen. Er zijn systemen die een seintje kunnen geven als hij een hotel boekt. Dan zal een inlichtingenofficier hem daar opwachten in de lobby – want persoonlijk contact is in die fase vaak nog cruciaal.

    Het kwetsbaarste moment in de hele spionageketen was altijd de overdracht van informatie van een agent aan een inlichtingenofficier. De overhandiging van een envelop was een uitgelezen moment voor een ‘heterdaadje’. Maar die overdracht kan met behulp van speciaal ontwikkelde technologie nu ook op afstand plaatsvinden. In 2006 beweerde de Russische veiligheidsdienst een door Britten gebruikte ‘spionagesteen’ te hebben ontdekt: een nepsteen waarin communicatie-apparatuur verborgen zat. Een buitenlandse agent zou daar informatie op kunnen zetten terwijl hij er langsliep. MI6 reageerde niet op de aantijging, maar een voormalig Brits regeringslid erkende later dat ze door de Russen ‘waren betrapt’. Inmiddels kan deze techniek waarschijnlijk veel grotere afstanden overbruggen, zodat de pakkans nog kleiner is.

    Vroeger wilden spionnen niet dat hun foto’s en persoonsgegevens openbaar werden. Maar welk mens van onder de dertig heeft tegenwoordig geen profiel op sociale media?

    ‘Gebruik van data is een waardevolle kans om veel bewuster en doelgerichter te werken en onze agenten en ons land dus beter te beschermen,’ zei Younger in zijn eerste openbare toespraak in maart 2015. ‘Dat is goed nieuws. Het slechte nieuws is dat tegenstanders met diezelfde technologie ook kunnen zien wat wij doen en onze mensen en buitenlandse agenten in gevaar kunnen brengen.’ Technologie helpt onze spionnen om bronnen te vinden, maar helpt vreemde mogendheden ook om Britse spionnen en hun informanten te ontmaskeren.

    Als je geheimen wilt stelen, moet je ze zelf ook geheim kunnen houden. En dat wordt steeds moeilijker. De eerste tekenen zagen we zo’n tien jaar geleden, toen de douane steeds meer gebruik ging maken van biometrische gegevens. Vroeger had een MI6-officier voor een buitenlandse afspraak met een agent genoeg aan een vals paspoort. Even snel de grens over, gesprek voeren met de agent en weer terug. Maar zodra er sprake is van een irisscan of vingerafdrukken, worden zulke gegevens aan die valse naam gekoppeld. Word je dan niet herkend als spion? Het werd een stuk ingewikkelder om buitenlandse agenten te ontmoeten.

    Het volgende struikelblok werden de sociale media. Vroeger wilden spionnen niet dat hun foto’s en persoonsgegevens openbaar werden. Maar welk mens van onder de dertig heeft tegenwoordig geen profiel op sociale media? Wie laat geen digitale sporen na? Zoiets is al genoeg om op te vallen als iemand die zijn privacy uitzonderlijk goed bewaakt, en dus als mogelijke spion. Een paar jaar geleden deed MI6 een test: hoelang duurde het om iemands dekmantel door te prikken met behulp van een paar gerichte zoekacties op Google? De uitslag: ongeveer een minuut.

    Ouwe rotten in het vak zeggen dat veel collega’s aanvankelijk de ogen sloten voor de nieuwe gevaren. Tot ze met hun neus op de feiten werden gedrukt. Zo werd in februari 2003 een CIA-team naar Milaan gestuurd voor de ‘buitengewone uitlevering’ van de van moslimextremisme verdachte Abu Omar. Die werd in Italië van straat geplukt en op transport gezet naar Egypte. Drie jaar later was een Italiaanse aanklager er dankzij de analyse van belgegevens, hotelreserveringen en gegevens van autoverhuurders en creditcardbedrijven in geslaagd om een twintigtal leden van het CIA-team te identificeren en bij verstek te vervolgen.

    De Russische veiligheidienst ontdekte deze Britse ‘spionagesteen’, waarin communicatie- apparatuur verborgen zat. – © AP
    De Russische veiligheidienst ontdekte deze Britse ‘spionagesteen’, waarin communicatie- apparatuur verborgen zat. – © AP

    En grote dataverzamelingen? De angst voor wat daarmee mogelijk is, klonk sterk door in Washingtons hysterische reactie toen in 2015 het personeelsbestand van de federale overheid werd gehackt. Daarbij werden de persoonsgegevens gestolen van 21 miljoen werknemers in overheidsdienst. De gegevens van CIA-officieren en andere spionnen zaten daar niet bij, maar dat was juist het probleem: als een ambassademedewerker niet in dit bestand voorkomt, snapt een slimme inlichtingendienst meteen dat die dus voor de inlichtingendienst werkt. Na die hack kreeg de Britse regering de verzekering dat er in Groot-Brittannië niet één enkele database is die zo veel details bevat.

    Ontmoetingen met agenten zijn tegenwoordig riskanter. Elkaar in het voorbijgaan op straat iets overhandigen, even kort smoezen in een steegje: vroeger was het niet te traceren zolang je niet werd geschaduwd. Maar nu hangen overal bewakingscamera’s en verzamelen smartphones en andere digitale apparaten allerlei data over je locatie. Sterker nog, die data worden opgeslagen. Dat digitale rookspoor heeft ingrijpende gevolgen voor de werkwijze van spionnen.

    Landen leggen steeds vaker grote biometrische bestanden aan met data over hun eigen bevolking. ‘Toen ik bij MI6 ging werken, werd me geleerd hoe ik kon merken of ik werd geschaduwd en of mijn telefoon of radioverkeer werd afgetapt,’ zei John Sawers (van 2009 tot 2014 het hoofd van MI6) in januari 2015. ‘Tegenwoordig worden die arbeidsintensieve technieken ondersteund met geavanceerde software: gezichtsherkenning, voetstapherkenning, enzovoort.’

    Sawers, die eind jaren zeventig bij MI6 was begonnen, keerde er na een lange carrière bij Buitenlandse Zaken in 2009 terug om de dienst te moderniseren. Dat hield onder meer in dat de afdeling technologie beter in de operationele activiteiten moesten worden geïntegreerd. Technici en data-analisten worden tegenwoordig dus vanaf het begin bij de planning van een operatie betrokken en niet meer alleen op het laatste moment geraadpleegd. De inlichtingenofficier die agenten rekruteert is nu één gelijkwaardig lid van een team, in plaats van een soort ‘straaljagerpiloot’ aan wie alle andere teamleden ondergeschikt zijn. De input van de data-analist is nu even belangrijk als die van de inlichtingenofficier.

    Middeleeuws

    Een tijdperk waarin alles wordt vastgelegd en digitale sporen nalaat, vereist andere werkwijzen. Soms betekent het dat je, zoals MI6 het noemt, juist ‘middeleeuws moet gaan’: offline blijven en ouderwetse communicatiemethoden gebruiken. Sommige landen grepen na de onthullingen van Edward Snowden terug op ouderwetse typemachines, en ook technieken als onzichtbare inkt schijnen een comeback te maken.

    De volgende fase van de technologische transformatie is de opkomst van inlichtingen uit openbare bronnen, big data en voorspellende analyse. Tien jaar geleden werd in de spionagewereld nog neergekeken op informatiewinning uit openbare bronnen. Inlichtingenwerk was een kwestie van list en bedrog, niet van een zoekopdracht op internet. ‘Het zoeken in open bronnen beperkte zich toen tot het bijhouden van buitenlandse kranten en tv-journaals,’ zegt Cameron Colquhoun, voormalig data-analist bij de Britse inlichtingendiensten en oprichter van Neon Century, een particulier bedrijf dat is gespecialiseerd in informatiewinning uit openbare bronnen. De omslag kwam met de Groene Beweging in Iran in 2009 en de Arabische lente in 2011, die deels via sociale media waren georganiseerd. ‘Vanwege de rijkdom van die data – allemaal verifieerbaar en voorzien van een precieze locatie en tijdstip – was dit niet langer iets om alleen maar een beetje bij te houden, maar iets waarop je complete onderzoeken kunt baseren.’

    Volgens een Britse generaal komt naar schatting 85 procent van alle militaire inlichtingen nu al uit openbare bronnen. Geografische informatie is makkelijk te vinden. En wat er onder de bevolking leeft, kun je analyseren met speciale software die de stemming van mensen peilt. Dus waarom zou je nog veel geld uitgeven en risico’s nemen om geheimen te bemachtigen als er zo veel informatie voor het oprapen ligt? Ook de opkomst van IS onderstreept het belang van sociale media: Britse jihadisten gebruiken sites als Facebook voor het ronselen van nieuwe volgelingen.

    De analisten van inlichtingendiensten hebben moeite om hierin hun draai te vinden. Hun werkcomputers zijn tenslotte hermetisch afgesloten van internet, gebruik van sociale media is altijd ontmoedigd en ze mogen hun eigen smartphone doorgaans niet meenemen naar het werk. Internet is immers een ideaal achterdeurtje: een potentiële manier voor buitenlandse spionnen om in te breken in de systemen van MI6. 
En ook het koppelen van grote databestanden en het combineren van allerlei gegevens draagt grote risico’s van virusbesmetting met zich mee. Dé uitdaging waar de techneuten voor staan, is hoe je het internet kunt benutten zonder het je hoofdkwartier binnen te laten.

    Volgens een Britse generaal komt 85 procent van alle militaire inlichtingen uit openbare bronnen

    Technieken voor data-analyse worden tegenwoordig eerder ontwikkeld door de privésector dan door de overheid. De meest geavanceerde tools komen van start-ups die voor commerciële doeleinden de stemming van consumenten analyseren. Net zoals inlichtingendiensten willen weten wie er positieve en invloedrijke meningen verspreiden over een gruwelijk filmpje van IS, zo kan een fabrikant benieuwd zijn welke mensen op sociale media promotie kunnen maken voor zijn product. Het Amerikaanse Palantir, oorspronkelijk opgericht door In-Q-Tel, de investeringstak van de CIA, levert zowel inlichtingenprogramma’s voor het leger en de veiligheidsdiensten als analysesoftware voor commerciële bedrijven.

    De Britse start-up Ripjar doet iets vergelijkbaars. ‘Het verzamelen van data is cruciaal voor het opsporen en blootleggen van crimineel gedrag,’ zegt CEO Tom Griffin. ‘Dat lijkt op het bedrijfsleven, waar de echte waarde van data pas evident wordt als je je zakelijke kennis combineert met analytisch denken en een hele hoop verschillende dataverzamelingen.’ Het gebruik van kunstmatige intelligentie en natuurlijke taalverwerking zal de inbreng van menselijke analisten volgens hem niet overbodig maken, maar het zal die analisten wel in staat stellen patronen te vinden in grote hoeveelheden data, zoals tweets uit het IS-kamp.

    De diensten hopen dat big data zullen leiden tot betere analyses, minder ‘strategische verrassingen’ en beter inzicht in de vroege stadia van een dreiging. Hoge CIA-functionarissen zeggen te verlangen naar meer ‘anticiperend inlichtingenwerk’. Bij software die de stemming onder een bevolking peilt, wordt gekeken naar vroege voortekenen van politieke en sociale crises, onlusten en rellen, en tekenen van economische instabiliteit of dreigende tekorten. Het nieuwe Alan Turing Institute van de British Library is een samenwerkingsverband van bedrijfsleven, overheid en wetenschap dat onderzoek doet naar datagestuurde oplossingen voor allerlei nationale bedreigingen, ook voor de nationale veiligheid.

    Ben Whishaw als Q in Skyfall. – © Columbia
    Ben Whishaw als Q in Skyfall. – © Columbia

    Maar is het, gezien de enorme hoeveelheid data en de onvoorspelbaarheid van mensen, überhaupt mogelijk om voorspellende analyses uit te voeren waar inlichtingendiensten echt iets aan hebben? Na de aanslagen van 9/11 nam data-analyse een hoge vlucht. Zo werden in Irak bijvoorbeeld bommenfabrieken opgespoord door het telefoongebruik van opstandelingen te analyseren.

    In Groot-Brittannië werken GCHQ en MI6 nauw samen. Met behulp van grote dataverzamelingen worden eerst ‘doelwitten’ opgespoord, op wie vervolgens meer gespecialiseerde technieken worden losgelaten. Dat is nu veel moeilijker dan vroeger. Vroeger kon één analist van GCHQ een tiental mensen volgen. Nu heb je soms tien analisten nodig voor het volgen van één verdachte, als die persoon een beetje weet wat hij doet. Daarom blijft ook het oude handwerk belangrijk. Als je in een groep zoals Al-Qaida een spion hebt, kan die je vertellen wie iedereen is en wie zijn communicatie sterk beveiligt en wie niet. Er wordt dus vaak gewerkt met een combinatie van technische en menselijke middelen: analisten van GCHQ speuren naar patronen in de online-activiteit en inlichtingenofficieren van MI6 proberen agenten ter plaatse te rekruteren.

    De samenwerking wordt steeds hechter. GCHQ heeft soms een spion nodig om een operatie mogelijk te maken. Denk maar aan het Amerikaans-Israëlische Stuxnet-virus, dat het nucleaire programma van Iran platlegde: er was een technicus voor nodig die de usb-stick in het systeem stopte. Bovendien kan een spion soms informatie vinden die je niet uit de data kunt halen. Maar de balans is aan het verschuiven. GCHQ is nu ongeveer tweemaal zo groot als MI6. Binnen MI6 heerst het besef dat er behoefte is aan een nieuw soort spionnen en dat iedereen digitaal vaardig moet zijn.

    Het wordt steeds moeilijker om geheimen te bewaren. Spionnen moeten zich bezinnen op wat ze precies doen, alle zwaktes en mogelijkheden analyseren en op zoek gaan naar nieuwe bronnen van informatie en de nieuwste softwaretools om die data te ontginnen. Elke nieuw middel om iemand te bespioneren moet eerst goed worden getest om er zeker van te zijn dat de ander het niet tegen je kan gebruiken. In deze nieuwe wapenwedloop van hoogtechnologische spionage zijn alle landen hard bezig om te kijken wat data-analyse oplevert. De winnaar zal er met de buit vandoor gaan. De verliezer trekt – net als overal in de nieuwe wereld van technologie, maar nu met ernstiger gevolgen – aan het kortste eind.

    Auteur: Gordon Corera
    Vertaler: Frank Lekens

    Gordon Corera is Security Correspondent van de BBC.

    Wired
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 750.000

    Wired bericht in print en online over de verbanden tussen technologische ontwikkelingen en cultuur, politiek en economie. Absolute referentie voor internationale technologie. Spraakmakende covers, ongeëvenaarde inhoud.