De Italiaanse romancier Alessandro Baricco waande zich een tamelijk onwetende archeoloog die onderzoek ging doen naar alle grote digitale bolwerken alsof het ruïnes zijn van een geheimzinnige verdwenen beschaving. Op het Forum spreekt hij over zijn nieuwe creatie. In La Repubblica schreef hij er alvast over.
De vraag of ons met de digitale revolutie nou eigenlijk een oor wordt aangenaaid bleef me bezighouden. Bovendien was er intussen heel veel nieuws te melden en was alles een stuk duidelijker geworden. In 2006, toen ik De Barbaren schreef, tastten we nog in het duister, zogezegd. De iPhone bestond nog niet eens. En ook Youporn niet, en van twitteren had nog nooit iemand gehoord. Kortom, hoog tijd voor een update.
Dus heb ik me in de materie verdiept en her en der mijn licht opgestoken. En nu ben ik bezig met de laatste bladzijden. Enigszins uitgeput, maar op de manier van iemand die in zijn eentje rond de wereld is gereisd en zich helemaal top voelt, afgezien van een vreemde trilling in zijn oog en terugkerende nachtmerries. Voor het schrijven van de laatste bladzijden van De Barbaren ben ik indertijd afgereisd naar de Chinese Muur: toen wilde ik trachten duidelijk te maken dat het optrekken van muren tegen de digitale vloedgolf net zo’n schitterend en stompzinnig idee was als dat van die muur, die er in de geschiedenis nooit in was geslaagd een invasie van volkeren uit het noorden tegen te houden. En dus zat ik eerst urenlang in een vliegtuig en liep vervolgens zeven uur lang over de Chinese Muur. Op een gegeven moment kruiste ik twee Amerikanen die hem helemaal rennend aflegden. Wat voor idiote dingen je ook doet, er is altijd iemand die nog idioter is dan jij.
Dit keer ben ik naar Silicon Valley gegaan. Een mythische plek, maar van een heel ander kaliber, dat moge duidelijk zijn. Ik heb het gedaan omdat een van de dingen die ik me de afgelopen twee jaar tijdens mijn onderzoek heb gerealiseerd is dat het echt allemaal dáár is begonnen, binnen een straal van luttele kilometers, en dat het nog steeds allemaal daar gebeurt, binnen diezelfde straal van luttele kilometers. De navel van de wereld. Een soort Florence in de renaissance, of Parijs in de jaren twintig.
Ik bestudeerde ze al twee jaar op afstand, die vaders van de digitale revolutie. Allemaal Amerikanen, allemaal wit, allemaal man, bijna allemaal ingenieur. Ik had inmiddels het idee dat ik hen begreep: ik kende hun tics, hun mythen, wat ze deden toen ze jong waren en hoe hun geest werkte. Het enige wat ik niet wist was wat ze zagen als ze uit het raam keken en hoe de plekken eruitzagen waar ze ontbeten. En daarom ging ik erheen. Het stelt niet veel voor. Wat ze zien als ze uit het raam kijken, bedoel ik. Het stelt niet veel voor. Silicon Valley is zo’n plek in Amerika die overal in Amerika zou kunnen zijn. Het is het soort plek waar je de snelweg neemt om naar de kapper te gaan. Anders raak je verdwaald in gigantische, als kruiswoordraadsels ontworpen woonwijken.
Tekenen van een mensheid
De namen van de steden zijn inmiddels legendarisch: Palo Alto, Mountain View, Cupertino, Menlo Park. Je stelt je daar megahippe plekken bij voor, maar uiteindelijk vind je er, naast bungalows en villa’s, niet veel meer dan een aardige hoofdstraat, downtown, waar de restaurants er aantrekkelijk uitzien maar de meubelwinkels bijvoorbeeld een aanfluiting zijn, met interieurs die zelfs in de provincie diep in de vorige eeuw al volstrekt gedateerd waren. Het valt moeilijk te begrijpen: je zoekt naar tekenen van een mensheid die jaren op de rest voor zou moeten lopen en vindt jezelf uiteindelijk terug tussen de divans in gothic country style. Tja… Ook kwam ik door een geestig misverstand terecht in een motel in indianenstijl, in die zin dat ze er lederen schemerlampen hadden, nachtkastjes met houten vossen erop en portretten van Pawnee-indianen aan de muur: maar geen etnisch of politiek correct spul, nee, echt van die goedkope namaakrommel die je in de jaren vijftig wel bij vrouwen met krulspelden in de zitkamer aantrof. In de hal hing een foto van de opening, uit 1959 inderdaad, iedereen in zwart-wit lachend naar de fotograaf. Ook nu hangt er nog steeds een zweem van trots in de lucht, net als er koeienhuiden aan de muren hangen en nep-Comanchetapijten op de vloer liggen. Het zette me aan het denken, want tien minuten verderop bevindt zich het hoofdkwartier van Apple, om maar iets te noemen, en dus kwam ik tot de volgende overweging: als deze mensen, die op steenworp afstand wonen van Google, Apple, Facebook, en van duizenden digitale startups, als deze mensen nog steeds in huizen wonen met een lederen schemerlamp, pijl en boog aan de muur en houten minibizons als snuisterij, waarom maken we er ons op duizenden kilometers afstand dan zorgen over dat ze er met onze Vlaamse primitieven en de muziek van Schubert vandoor zullen gaan? Nee, ik meen het, die paranoia van ons zal toch niet onterecht zijn?
Want paranoïde zijn we, dat lijkt me duidelijk, en daarom heb ik dit boek ook geschreven: in zekere zin is het een vervolg op De Barbaren, maar toch ook weer niet. Dit keer ben ik namelijk verder gegaan, of dichterbij gebleven, dat hangt ervan af hoe je het bekijkt – het resultaat had een betrouwbare en voor zover mogelijk mooie atlas moeten worden van de aarde die we zijn gaan bewonen nadat we de rampzalige twintigste eeuw achter ons hadden gelaten. En inderdaad zag ik na een tijdje dat er onder mijn ogen een kaart ontstond, onnauwkeurig, zeker, maar tamelijk geloofwaardig, vol met dingen die ik niet wist, met continenten waarvan ik het bestaan vermoedde maar waar ik nooit een goed beeld van had gehad, of met oceanen waarvan ik niet wist dat ze bestonden maar die er opeens waren. En naarmate die kaart groeide – en me af en toe verbaasd deed staan, door bepaalde combinaties van gebeurtenissen, of wonderen van mental design – naarmate die groeide zag ik ergens, ik weet niet waarvandaan, een naam opduiken die volstrekt niet van zins was weer te verdwijnen, zodat ik uit-eindelijk tot de slotsom kwam dat het waarschijnlijk de naam is van de maatschappij waarin we leven.
Hoe het ook zij, toeval bestaat niet: als The Game daar is ontstaan, in Silicon Valley, dan was daar een reden voor. In een straal van enkele kilometers had je er militairen, de ruimtevaartindustrie, een stortvloed aan producenten van microchips, een universiteit als Stanford, Hollywood (zonder dromen kom je nergens), de pioniers van de science computer (Hewlett-Packard), en bovenal een groot aantal gestoorde hippies: de Californische tegencultuur. Stop dat allemaal bij elkaar, even goed schudden en je krijgt Steve Jobs. Het heeft even geduurd voordat ik het doorhad: ik dacht dat het een revolutie was die geheel werd geleid door ingenieurs en technocraten, maar ik had geen rekening gehouden met de afwijkende Californische manier van leven. Bij ons was het in de jaren zeventig zo dat als je een zwager had die informatica had gestudeerd, je niet avond aan avond joints met hem zat te roken, en je ook niet dacht dat hij misschien wel van plan was het systeem omver te werpen. Het was al heel wat als hij niet naar de kerk ging. Maar daar, in Californië, had een informatica-zwager vaak lang haar, waste zich zelden, had nerdachtige neigingen, noemde zichzelf hacker, bracht al zijn tijd door in duistere computerlabs en had een elementaire opvatting over de wereld: die moest vernieuwd. Echt, in die tijd had je op dat soort plekken tien twintigers die walgden van de way of life van hun ouders, vijf die demonstreerden tegen de Vietnamoorlog, drie die de vrije liefde praktiseerden in een Volkswagenbusje en twee die in een lab videogames aan het programmeren waren. Het is goed te beseffen dat we in een beschaving leven die door die laatste twee is verbeeld.
1. Steve Jobs poseert met een Apple II computer. – © Ted / ThaiGetty; Stewart Brand bij New Games in Marin County. – © Ted Streshinsky / Getty Stewart; 3. Brand en andere leden van Merry Pranksters controleren de instrumenten op het dak van The Bus ter voorbereiding van Acid Test Graduation in San Francisco, 1966. – © Ted Streshinsky / Getty
Ze wilden de wereld veranderen, zo werd me duidelijk, en dat deden ze met behulp van een door ingenieurs bedacht systeem, waarvan ik uit- eindelijk veel heb geleerd. Het werd het duidelijkst samengevat in een interview met Stewart Brand, een man van wie ik tot een paar maanden geleden niets wist. Hij was (is) een soort profeet, heel bekend in Silicon Valley, een beatnik die rondliep in een leren jack met franje, de effecten van lsd bestudeerde en ondertussen rondhing in de beste computerlabs. Welnu, op een keer zei hij dit in een interview: ‘Je kunt proberen het hoofd van de mensen te veranderen, maar daar verdoe je alleen maar je tijd mee. Wat je wél kunt doen is de instrumenten veranderen die ze gebruiken. Doe het en je zult de beschaving veranderen.’ Laat dat tot je doordringen en opeens begrijp je veel beter wat er de laatste dertig jaar is gebeurd.
Stewart Brand is ook de eerste mens die het idee zwart op wit heeft gezet dat ieder mens een eigen computer op zijn bureau moest hebben staan. Hij zei het toen dat nog klonk als ‘over twintig jaar kan iedereen thuis voor de televisie met zijn blote handen zijn eigen amandelen knippen’.
Een paar jaar later, op een congres voor designers, werd Steve Jobs gevraagd een speech te houden. Hij was toen nog niet Steve Jobs, hij ging gewoon omdat ze hem betaalden. Toen hij de zaal betrad, realiseerde hij zich dat niemand, maar dan ook niemand wist wat software was. Oké, ik zal het proberen uit te leggen, zei hij. En welk voorbeeld gebruikte hij om het uit te leggen? Pong, een videogame, je weet wel, dat gekmakende spel met die twee rackets die omhoog en omlaag gingen en dat ellendige balletje. O ja, wie herinnert zich nog ‘Stay hungry, stay foolish’, de beroemde zin die bij alle afbeeldingen van Steve Jobs staat? Nou, die kwam niet van hem. Hij gaf het zelf toe. Van wie die wel was? Stewart Brand.
The Game is het verhaal van een tamelijk onwetende archeoloog geworden die onderzoek gaat doen naar alle grote digitale bolwerken – van Google tot Apple, van Facebook tot YouTube – alsof het ruïnes zijn van een geheimzinnige verdwenen beschaving. Hij graaft, onderzoekt, bestudeert, brengt aan de oppervlakte, tart eeuwenoude vloeken, stoft fossielen af, zet zijn leven op het spel, en dat alles om te proberen erachter te komen wie die mensen waren, op wat voor manier ze dachten, waar ze bang voor waren, wat ze wilden en hoe het met ze af is gelopen. Het interessante is dat wíj die mensen zijn, die beschaving is de onze, en die geschiedenis is onze geschiedenis.
Auteur:Alessandro Baricco
Vertaler: Yond Boeke
In 2006 publiceerde Baricco De Barbaren, voor wie vreest dat de digitale vloedgolf het verval van de beschaving betekende.
Alessandro Baricco: ‘A Manifesto for the Arts’
De Balie, 3 juni, 19.30
La Repubblica
Italië | dagblad | oplage 384.000
Sinds 1976 de krant voor de intellectuele en zakelijke elite van Italië, staat politiek dicht bij de Democratische Partij (PD). Uitte gedurende Berlusconi’s laatste termijn steeds meer kritiek op de regering. Qua oplage concurrent van Corriere della Sera.









