Spanje neemt nadrukkelijk afstand van dictatoriaal verleden
Het ministerie van Defensie in Spanje heeft de naam gewijzigd van het bataljon van een van de divisies van het Spaanse Legioen, de elitie-eenheid van de Spaanse landmacht, bericht El País. Waar voorheen ‘commandant Francisco Franco’, de voormalige dictator, op het vaandel van het bataljon te lezen was, is het nu omgedoopt tot ‘España’, oftewel ‘Spanje’.
Deze naamswijziging staat in het kader van een nieuwe wet over de zogeheten ‘Memoria Democrática’, waarin staat dat alle symbolen en elementen die strijdig zijn met de democratische rechtsstaat en positief tegenover het dictatoriale verleden en het franquisme staan, verboden worden. Het is de eerste maatregel die het ministerie neemt sinds dat de nieuwe wet op 21 oktober afgelopen jaar in werking trad. Eind vorig jaar zette defensieminister Margarita Robles een interne commissie op met het doel de bepalingen van deze wet door te voeren in het Spaanse leger.
Zo’n drie jaar geleden was de naam van het bataljon al voer voor debat, toen een congreslid naar de reden van deze naam vroeg. Er werden echter geen stappen ondernomen om de naam te wijzigen. Daar is nu dan eindelijk verandering in gekomen.
De Spaanse Senaat heeft woensdag de langverwachte Wet op de Democratische Herinnering aangenomen, die het mogelijk moet maken de meer dan honderdduizend mensen die tijdens de Spaanse Burgeroorlog en onder de dictatuur van Franco zijn verdwenen, op te sporen en te (her)begraven, bericht ABC. Rechts blijft fel gekant tegen de wettekst, die volgens sommige partijen een verraad is aan ‘de geest van verzoening’ van de democratische overgang na de dood Franco.
‘Het debat zat vol persoonlijke toespelingen van de senatoren op hun eigen familie-ervaringen’
De wet is een opvolger van de Wet op de Historische Herinnering die in 2007 door de vorige socialistische regering onder leiding van José Luis Rodríguez Zapatero is ingevoerd, maar zijn rechtse opvolger, Mariano Rajoy, pochte dat hij geen enkele euro had uitgegeven om de wet te handhaven.
‘Het debat, dat vanaf de publieke tribune werd bijgewoond door leden van nabestaandenverenigingen, zat vol persoonlijke toespelingen van de senatoren op hun eigen familie-ervaringen. De socialistische senator Margarita Adrio vertelde hoe op 12 november 1936, tijdens het eerste jaar van de oorlog, haar oom José Adrio Barreiro op zesentwintigjarige leeftijd werd doodgeschoten, “samen met negen andere mannen van wie de enige misdaad was dat zij op vreedzame wijze de wettelijk ingestelde regering verdedigden”. Met brekende stem vertelde de senator hoe haar grootmoeder die nacht “bad dat de dageraad niet zou aanbreken”’, schrijft ABC.
De socialistische regering wil de particuliere stichting verbieden die nog steeds duizenden persoonlijke documenten van de in 1975 overleden dictator Francisco Franco beheert. Maar zo eenvoudig ligt het niet, volgens dit onderzoek van El Confidencial.
Het is dinsdag 15 september, tien uur ’s ochtends. We bevinden ons op de tweede verdieping van een flatgebouw aan de avenida Concha Espina nummer elf in Madrid. In de Spaanse Tweede Kamer heeft vicepremier Carmen Calvo haar voorontwerp van het wetsvoorstel Ley de Memoria Democrática [Wet Democratische Herinnering] nog niet uiteengezet, maar een cruciaal onderdeel zingt al rond: de Fundación Nacional Francisco Franco [Nationale Stichting Francisco Franco] zal onwettig worden verklaard. Calvo zal dat later uitleggen.
Intussen verwelkomt de directie van de stichting deze krant op het adres waar ze sinds haar oprichting in 1976 is gevestigd. We zijn de trappen opgeklommen en lopen de administratie binnen, waar in een klein kamertje een computer staat die een belangrijke rol zal spelen in dit verhaal, maar daarover straks meer. In de vergaderzaal staat een enorme tafel, er zijn boeken – een stuk of wat dossiermappen en oude uitgaven – en uiteraard een buste en een groot schilderij van generaal Francisco Franco. Zonder een blad voor de mond te nemen begint Jaime Alonso, vicevoorzitter van de stichting, te fulmineren tegen de socialistische regering: ‘Het wetsvoorstel is een dwaling, van a tot z ongrondwettelijk en zonder meer ondemocratisch, het idee alleen al dat je zo’n wet kunt maken.’ Een heftig begin.
Alonso vertelt over de oprichting van Fundación Franco: ‘Toen Franco stierf besloten zijn voormalige ministers en secretarissen-generaal met vooruitziende blik een stichting in het leven te roepen die zijn naam zou krijgen en die als taak had Franco’s nalatenschap te beschermen, tenminste voor zover het documenten en mondelinge getuigenissen betrof, want Franco’s werk, of het nu gaat om de stuwmeren of de onteigeningswet, is voor iedereen zichtbaar.’
Terwijl zich na Franco’s dood rondom het koninklijk paleis van Madrid enorme rijen Spanjaarden vormden die een laatste groet wilden brengen aan de dictator, stonden in de enorme werkkamer van het paleis van El Pardo [de residentie van Franco], in grote dozen de persoonlijke documenten van het staatshoofd te wachten. Alonso: ‘Daar zat zijn volledige persoonlijke archief in én de documenten van lopende zaken die niet onder een bepaald ministerie vielen en die hij persoonlijk afhandelde.’
Nalatenschap
Om deze twee dingen gaat het in deze onverkwikkelijke kwestie: enerzijds het persoonlijke archief van de dictator en anderzijds het bewaken van zijn nalatenschap. Franco’s weduwe, Carmen Polo, besloot alle documenten te doneren aan de Fundación Franco, een private instelling, die vanaf dat moment Franco’s archief beheert. Volgens Alonso bestaat de stichting maar om één reden: het bestuderen van de geschiedenis.
De afgelopen 42 jaar is geen enkele regering op het idee gekomen de stichting onwettig te verklaren. Zelfs niet toen in 2007 onder oud-premier José Luis Rodríguez Zapatero de Ley de la Memoria Histórica [Wet Historische Herinnering] werd aangenomen. Hoewel de Fundación Franco altijd een particuliere stichting is geweest, met alle wettelijke regels die van toepassing zijn op deze rechtsvorm, is er in 2001 een convenant gesloten met het ministerie van Onderwijs en Cultuur waarin is vastgelegd dat de overheid de digitalisering van het archief zou financieren – destijds zo’n 150.000 euro – en in ruil daarvoor zou het archief toegankelijk zijn voor het publiek.
In het portaal PARES [Portal de Archivos Españoles, de Spaanse overheidsarchieven] wordt duidelijk uitgelegd wat voor documenten het zijn en waar ze vandaan komen. Ook is in het convenant vastgelegd dat de Spaanse staat een kopie van het archief moest krijgen. Hiermee was de staat ervan verzekerd dat het archief openbaar toegankelijk was.
‘In 2009 heeft het Centro Documental de la Memoria Histórica een kopie van het archief op microfilm ontvangen en een inventaris met een beknopte beschrijving van de documenten met handtekening, datum, inhoud en rolnummer; daarnaast zijn er vijf indexen geleverd om het zoeken te faciliteren. De documenten zijn genummerd van 1 tot en met 27.490. Het Centro Documental de la Memoria Histórica beschikt over kopieën van de documenten 1 tot en met 27.357. De overige documenten kunnen alleen geraadpleegd worden in het archief van de Fundación Franco.’
De Fundación kreeg de verplichting opgelegd om iedereen met een onderzoekspasje – dat iedere staatsburger kan aanschaffen – toestemming te geven het archief ter plekke te raadplegen, zowel de materialen op microfilm als de gedigitaliseerde documenten. Precies, u raadt het al, op de computer in het kamertje naast de administratie, een apparaat dat een grote, symbolische rol speelt in de geschiedenis van Spanje.
‘Geen enkele historicus wordt de toegang ontzegd, wij willen de toegang graag waarborgen, een van de voorwaarden die we stelden was dat ook wij een digitaal archief zouden krijgen dat we kunnen raadplegen, zodat de originele documenten intact zouden blijven,’ aldus Alonso. Tot 2003 was het archief maar door een paar mensen bekeken. Historicus Luis Suárez had de opdracht gekregen het archief te classificeren en publiceerde een boek met de belangrijkste onderdelen.
Verheerlijking
Maar we moeten het natuurlijk hebben over wat er voorafgaand aan dat jaar gebeurde. Tot 2003 was het archief minder transparant, het bevatte een stuk of wat originele documenten die maar door een paar mensen waren bekeken, nu worden ze onder geen beding ter beschikking gesteld van het publiek omdat er een gedigitaliseerde kopie van bestaat. Luis Suárez was weliswaar mediëvist, maar ook lid van de Cortes Franquistas [het Parlement tijdens de Franco-dictatuur]. De opdracht om alle documenten en het persoonlijk archief van het staatshoofd te classificeren en te ordenen kreeg hij van Franco’s echtgenote Carmen Polo. Suárez publiceerde acht delen met volgens hem de essentie van Franco’s archief, hetgeen een aantal jaren lang het enige beschikbare naslagwerk is geweest.
Toch spreekt vicevoorzitter Jaime Alonso tegen wat hispanist en Franco-biograaf Paul Preston herhaaldelijk heeft beweerd, namelijk dat zijn verzoek in de jaren tachtig om het archief te raadplegen niet werd gehonoreerd. Maar vandaag de dag kan men op basis van het convenant zowel het digitale als het originele archief raadplegen, zelfs al is het een particulier archief.
Er blijft maar één manier over om het archief te onteigenen en dat is de stichting onwettig verklaren, aangezien ze verder voldoet aan alle eisen die de Spaanse erfgoedwet stelt: het archief beschermen en openstellen voor het publiek. En hier speelt het tweede deel van de missie van de Fundación Franco een cruciale rol: het behoud van de nalatenschap van de dictator. In het voorontwerp van het wetsvoorstel van de Ley de Memoria Democrática van Calvo wordt op dit aspect de nadruk gelegd, zoals te lezen valt in de tekst die deze krant heeft ingezien: ‘Stichtingen die het franquisme verheerlijken of direct of indirect oproepen tot haat of geweld tegen de slachtoffers van de staatsgreep zullen worden opgeheven omdat ze indruisen tegen het algemeen belang.’
De vicepremier linkt twee zaken aan elkaar. Toen Calvo in 2006 minister van Cultuur was in de socialistische regering van Zapatero maakte ze zich als een van de eersten hard voor het overhevelen van het Archivo de Salamanca waarin de documenten over de SpaanseBurgeroorlog worden bewaard – naar het regioparlement van Catalonië.
“We zijn bang dat de staat het archief wil vernietigen”
Afgezien van een aantal andere kwesties vond de regering dat er geen overheidssubsidies meer aan dit soort instellingen zouden moeten worden gegeven, maar volgens de Fundación Franco heeft de stichting nooit hulp of subsidie gekregen, behalve het bedrag dat in het convenant met het ministerie van Cultuur was vastgelegd. ‘Over welke subsidies gaat het?’ vraagt Alonso zich af. ‘Wij krijgen niks, we zijn een particuliere stichting.
Komt er een wet waarin staat dat iedereen die aan stichtingen doneert 43 procent minder belasting hoeft te betalen, behalve als je doneert aan de Fundación Franco, want dan moet je het volle pond aan de fiscus afdragen? Dat kan natuurlijk niet, dat is institutionele discriminatie. Waar we bang voor zijn is dat de staat het archief in beslag wil nemen zodat ze het kunnen vernietigen en zo hun eigen gedachtegoed kunnen opleggen.’
Alonso citeert artikel 1 van de Spaanse grondwet uit het blote hoofd en benadrukt nog maar eens dat onteigening van het archief verontrustend zou zijn. ‘Op dit moment staat het archief niet alleen ter beschikking van het publiek, wij hebben ook nog eens niks te verbergen. Geen enkele democratie etaleert zo veel willekeur en dictatoriale trekjes.’
Rechtmatige eigenaar
Het is nogal opmerkelijk dat een stichting die de nalatenschap van een dictatuur onder haar hoede heeft voortdurend hamert op democratische beginselen. ‘Die tegenstrijdigheid is ons niet aan te rekenen, het was immers Franco zelf die koning Juan Carlos I benoemde tot staatshoofd en zo de overgang van de dictatuur naar de democratie heeft bewerkstelligd. Deze regering noemt zich democratisch maar gedraagt zich dictatoriaal,’ aldus Alonso.
Met deze kwestie heeft de Spaanse regering hetzelfde probleem als met de documenten van het beruchte Archivo de Salamanca. Wie is de rechtmatige eigenaar? Vastgesteld kan worden dat er in deze zaak wordt gesteggeld over de vraag waar het fysieke archief wordt ondergebracht, en niet zozeer over de vraag of het ter beschikking staat van het publiek. Men beweert dat de documenten geen eigendom waren van Franco, maar van de staat, dus na zijn dood hadden zijn erfgenamen ze niet aan de stichting mogen doneren.
Al in 2005 schreef historicus Jesús Palacio in het voorwoord van zijn boek Las cartas de Franco [Franco’s brieven] – die bijna allemaal afkomstig waren uit het archief – dat het een vergissing zou zijn om de stichting te vervolgen vanwege vermeende politieke activiteiten, ‘die zijn er niet’. Gutmaro Gómez Bravo, onderzoeker aan de Universidad Complutense, heeft op het kantoor van de Fundación onderzoek gedaan naar de archieven en in verschillende artikelen betoogd dat de stichting wel degelijk vervolgd moet worden voor verheerlijking van het franquisme.
Waar niet over valt te twisten is hoe de gebeurtenissen zijn verlopen: de overgang van de dictatuur naar de democratie is binnen het bestaande systeem gesmeed en werd gesteund door de politieke partijen die verantwoordelijk waren voor de nieuwe grondwet van 1978, waaronder de PSOE [de sociaaldemocratische partij die nu in de regering zit] en de Communistische Partij. Wat belangrijk was deed ertoe. Nu blijkt de staatsgeheimenwet van kracht, die geldt voor archieven die onder verantwoordelijkheid van de staat vallen. Dat is het echte struikelblok voor de onderzoekers, want die zouden geen toegang meer hebben tot de archieven van de Fundación Franco. Maar vicepremier Pablo Iglesias heeft verschillende keren verklaard dat er een oplossing zal komen.
Met elf vrouwen in het nieuwe kabinet is Spanje koploper in een wereldwijde trend. Benoem je als regeringsleider geen vrouwen, dan kun je tegenwoordig rekenen op afkeuring.
Een actief beleid voor meer gendergelijkheid bij de overheid, dus evenveel mannen als vrouwen aan het hoofd van een ministerie of op andere kabinetsposten, leek lange tijd voorbehouden aan vrouwvriendelijke Scandinavische landen en zeer vooruitstrevende landen als Canada en Costa Rica. Dat is nu verleden tijd.
De onlangs gekozen president van Mexico, Andrés Manuel López Obrador, die in december zal aantreden, heeft laten weten dat vrouwen acht posities zullen bekleden binnen zijn zestienkoppige regering – en daar valt ook de machtige positie onder van minister van Binnenlandse Zaken.
En de nieuwe premier van Spanje, Pedro Sánchez, heeft onlangs als eerste wereldleider op bijna tweederde van de kabinetsposten vrouwen benoemd. Geen enkel ander land ter wereld heeft een hoger percentage door vrouwen geleide ministeries. Dertig jaar geleden had Spanje helemaal geen vrouwelijke kabinetsleden.
In de Verenigde Staten bekleden vrouwen maar net 20 procent van alle posities binnen de regering en in het Verenigd Koninkrijk ligt dat percentage op 28. Wereldwijd is het gemiddelde 18,3 procent.
Als politicologen die onderzoek hebben gedaan naar de vertegenwoordiging van vrouwen in verschillende kabinetten, hebben wij de indruk dat de snelle opkomst van het aantal vrouwen dat in Spanje aan de macht komt, staat voor een trend die wereldwijd valt waar te nemen: zodra vrouwen eenmaal zijn doorgedrongen tot de hoogste regeringsniveaus, neemt hun aantal vrijwel altijd toe. Dit noemen we ‘de betonnen vloer’ van de politieke vertegenwoordiging van vrouwen. Wil een democratische regering tegenwoordig draagvlak hebben – met andere woorden: wil de bevolking vertrouwen hebben in de beslissingen van die regering – dan moeten er vrouwen in die regering zitten.
Spaanse doorbraak
Het is niet zo dat bij elke nieuwe regering het aantal vrouwen automatisch stijgt. Maar als je kijkt naar de samenstelling van nieuw geformeerde regeringen – dus kabinetten die vlak na een verkiezing zijn samengesteld – in Spanje, Frankrijk, Australië, de Verenigde Staten, Canada, Chili en het Verenigd Koninkrijk in de periode 1929-2016, dan zien we dat het percentage vrouwen in die landen cumulatief toeneemt, dwars door de tijd en de politieke scheidslijnen heen.
Na veertig jaar dictatuur onder generaal Francisco Franco werd Spanje in 1977 weer een democratie. Maar het zou nog ruim tien jaar duren voordat er ook vrouwen werden benoemd in de nieuw geformeerde democratische regering van Spanje. Spanjes historische doorbraak kwam in 2004, toen de socialistische premier José Luis Rodríguez Zapatero, die zichzelf als feminist bestempelt, het eerste gendergelijke kabinet van het land benoemde: acht vrouwen en acht mannen. Momenteel worden elf van de zeventien ministersposten in Spanje bekleed door vrouw. Dat geldt – voor het eerst in de geschiedenis van Spanje – ook voor de post van minister van Financiën.
De recente geschiedenis van Frankrijk laat een vergelijkbaar beeld zien. In 2007 benoemde president Nicolas Sarkozy zeven vrouwen in zijn vijftienkoppige kabinet. Zijn voorganger, de socialist François Hollande, had zeventien vrouwen in zijn 34-koppige kabinet. Toen president Emmanuel Macron in 2016 campagne voerde, beloofde hij een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen. Momenteel telt zijn kabinet elf mannen en elf vrouwen.
Ons onderzoek heeft uitgewezen dat leiders die hun macht gebruiken om het aantal vrouwen in hun kabinet te vergroten, daar nooit voor worden afgestraft door het electoraat en er zelfs wereldwijd voor worden geroemd. Nog maar een paar jaar geleden kreeg de Canadese premier Justin Trudeau vanuit de hele wereld lof toegezwaaid omdat hij een gendergelijk kabinet had samengesteld. De reden? We leven in 2015, zei hij tegen journalisten.
Leiders die beduidend minder vrouwen benoemen dan hun voorgangers, riskeren daarentegen veel kritiek van zowel de media als hun politieke tegenstanders. Het kan hun kiezers kosten.Toen de Australische premier Tony Abbott in 2013 maar één vrouw in zijn kabinet benoemde, moest hij dat ‘beschamende’ besluit verdedigen tegenover zijn kiezers, de oppositie en de media. Het kabinet van zijn voorganger telde drie vrouwelijke leden. Malcolm Turnbull nam twee jaar later Abbotts positie over en benoemde al snel vijf vrouwen in zijn team.
Een nieuwe generatie van vrouwelijke leiders.
Elk gendergelijk kabinet lijkt de verwachting te wekken dat er in een volgend kabinet minstens evenveel vrouwen zullen zitten. We hebben een aantal voorbeelden gevonden van leiders die minder vrouwen benoemden dan hun voorganger. Maar meestal zijn de verschillen marginaal.
De in 1990 gekozen president Patricio Aylwin, die de eerste Chileense regering na de dictatuur vormde, benoemde op slechts 5 procent van alle regeringsposten een vrouw. De eerste vrouwelijke president van Chili, de socialist Michelle Bachelet, vormde in 2006 een gendergelijke regering; vier jaar later benoemde haar conservatieve opvolger, Sebastián Piñera, zeven vrouwen in zijn 23-koppige kabinet.
Hoewel zijn regering niet gendergelijk was, waren vrouwen er beduidend meer in vertegenwoordigd dan in de regeringen van vóór Bachelet. Dit is een duidelijk bewijs dat het principe van de ‘betonnen vloer’ ervoor zorgt dat vrouwen deel uitmaken van de regering. In tegenstelling tot het ‘glazen plafond’ – de subtiele, onzichtbare barrière die voorkomt dat vrouwen op machtige posities komen – wordt de betonnen vloer duidelijk erkend door alle leiders die wij hebben bestudeerd.
Een vergelijkbare standaard is van toepassing op andere vormen van politieke vertegenwoordiging in enkele landen die wij hebben bestudeerd. In Canada en de Verenigde Staten is een exclusief wit kabinet nauwelijks meer denkbaar. President Lyndon Johnson benoemde in 1966 als eerste een Afro-Amerikaan in zijn kabinet: Robert C. Weaver, minister van Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling. Lincoln MacCauley Alexander werd in 1979 de allereerste zwarte minister van Canada.
De enige zwarte parlementariër in Spanje, Rita Bosaho, is pas in 2015 gekozen. In Spanje heeft nog nooit iemand uit een etnische minderheidsgroep een kabinetspost bekleed
Ondertussen zijn de regeringen in Duitsland en Spanje – landen met een steeds gevarieerdere bevolkingssamenstelling – nog altijd vrijwel exclusief wit. De enige zwarte parlementariër in Spanje, Rita Bosaho, is pas in 2015 gekozen. In Spanje heeft nog nooit iemand uit een etnische minderheidsgroep een kabinetspost bekleed.
In de zeven landen waarnaar wij hebben gekeken, was gender ons enige criterium bij het bestuderen van de verdeling van de posten. In die landen is al een kwart eeuw geen exclusief mannelijke regering meer geweest. Vrouwen maken de helft uit van de wereldbevolking. Dat gegeven wordt nu meer en meer zichtbaar binnen democratische regeringen – en dat is een duidelijk onomkeerbaar proces.
Het Britse broertje van de Australische website The Conversation, een onafhankelijke site voor nieuws en opinie, bezien vanuit overwegend academisch oogpunt. De site werd in 2011 opgericht door een groep journalisten en verwierf in korte tijd groot aanzien.
De Braziliaanse presidentsverkiezingen in oktober beloven een chaos te worden. Ex-president Lula zit in de gevangenis en veel andere populaire kandidaten zijn er niet. Extreem-rechts zou kunnen profiteren.
Met nog zes maanden te gaan voor de meest turbulente presidentsverkiezingen sinds het einde van de militaire dictatuur in 1984, zit een groepje medewerkers, sommigen met een koksmuts op, te roken voor de deur van Dalva e Dito, een restaurant met een Michelinster waarvan de chef-kok, Alex Atala, tot de topkeukenmeesters van São Paulo behoort.
‘Op wie gaan jullie stemmen?’ ‘Het zijn allemaal zakkenvullers, maar stemmen is verplicht, dus ik stem blanco,’ antwoordt José Edson dos Santos, een kelner van 33. ‘Ik stem op Lula, hij heeft ervoor gezorgd dat mensen als ik naar de universiteit kunnen,’ zegt de 21-jarige Lino Aparecido, assistent-kok en leerling aan de koksschool. ‘Maar Lula is veroordeeld voor diefstal!’ roept Dos Santos verontwaardigd uit. ‘Iedereen steelt, dat is de mens eigen,’ antwoordt Aparecido kalm. ‘En Bolsonaro?’ vragen wij. Jair Bolsonaro is de extreem-rechtse kandidaat die in de peilingen op de tweede plaats staat, achter Lula. ‘Met Bolsonaro en zijn bandieten wordt het helemaal een puinhoop,’ antwoordt de 38-jarige parkeerwachter Luis Fernández Oliveira.
In Dalva e Dito kost het gerecht pato no tucupi (eend in cassavesoep) 119 real (33 euro), een bedrag waarvoor deze mannen drie dagen moeten werken, met elke dag twee uur reizen, heen en weer van de buitenwijken naar het centrum van de miljoenenstad. Ze zijn het erover eens dat zij in hun portemonnee niets merken van het economisch herstel waarover de media dagelijks berichten.
President Michel Temer en zijn minister van Financiën, Henrique Meirelles, hebben onlangs hun kandidatuur bekendgemaakt, in de hoop munt te slaan uit de economische groei die dit jaar tot wel 3 procent kan oplopen. Maar het economisch herstel is het meest ongelijke in de geschiedenis van dit land, waar de ongelijkheid toch al tot de grootste van de wereld behoort. Zelfs Miriam Leitão, die in haar dagelijkse column in O Globo onvermoeibaar pleitte voor het aftreden van Dilma Rousseff ten gunste van Temer, erkent dat ‘het onwaarschijnlijk is dat het aarzelende begin van het economisch herstel de kandidaten die laag in de peilingen staan vooruit kan helpen’. Temer staat nog maar op 6 procent van de stemmen.
‘De mensen zijn op zoek naar een centrum-rechtse outsider die achter de hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenen staat en die tegelijk de corruptie wil aanpakken. Maar die kandidaat bestaat niet’
In 2018 is het teleurgestelde Braziliaanse electoraat op zoek naar kandidaten die geen banden hebben met het door en door corrupte politieke apparaat. Maar geen enkele kandidaat kan rekenen op een overwinning zonder de steun van de traditionele politieke partijen, die over zendtijd beschikken naar rato van het aantal zetels dat ze in het parlement hebben, en die de 100 tot 200 miljoen real (30 tot 60 miljoen euro) op tafel kunnen leggen die een verkiezingscampagne in een zo groot land als Brazilië kost. ‘We zijn op het punt gekomen dat de morele dimensie een cruciale factor is geworden in de politiek: corruptie is hét onderwerp,’ zegt Jorge Chaloub, een politicoloog van de Federale Universiteit van Juiz de Fora. ‘De mensen zijn op zoek naar een centrum-rechtse outsider die achter de hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenen staat en die tegelijk de corruptie wil aanpakken. Maar die kandidaat bestaat niet.’
Geraldo Alckmin, kandidaat voor de linkse Sociaal-Democratische Partij (PSDB) en gouverneur van de staat São Paulo, is de favoriet van het ondernemersestablishment. Hij wil echter maar niet hoog in de peilingen komen. Zelfs zijn partijgenoot, ex-president Fernando Henrique Cardoso, heeft hem verweten dat hij zich te veel identificeert met de internationale investeerders aan de Avenida Paulista [het financiële centrum van São Paulo]. ‘De kandidaat die de markten vertegenwoordigt, gaat verliezen,’ aldus Cardoso.
Bolsonaro, een extreem-rechtse ex-militair, is de kandidaat die het best is toegerust om stem te geven aan de volkswoede tegen de politieke kaste. Zijn delirische pleidooi voor een zerotolerancebeleid tegen de misdaad, of het nu in de favela’s van Rio is of in het Braziliaans Congres, vindt weerklank bij het publiek. Bij een enquête gaf ruim 50 procent van de ondervraagden aan dat ze het eens zijn met het motto van de extreem-rechtse kandidaat: ‘De beste bandiet is een dode bandiet.’ De campagne wordt steeds gewelddadiger en de door het land toerende verkiezingskaravaan van Lula is al beschoten door vermoedelijke aanhangers van Bolsonaro. Niettemin blijven veel stemmers twijfelen tussen Lula en Bolsonaro, een teken van de chronische verwarring die in Brazilië heerst na het echec van de regeringen met de Arbeiderspartij (PT), onder leiding van Dilma Rousseff en Lula zelf. De makke van Bolsonaro is dat hij niet de financiële steun van een partij heeft.
Van de kandidaten die wel over financiën en een electorale infrastructuur beschikken, heeft alleen Lula een solide aanhang. Een op de drie stemmers zegt op hem te gaan stemmen. Zijn troef is zijn beleid in de vette jaren 2003-2010, toen hij door middel van overheidssubsidies het minimumsalaris verhoogde en ervoor zorgde dat honderdduizenden jongeren uit arme families konden gaan studeren. Maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat Lula aan de verkiezingen zal kunnen deelnemen.
Temer heeft een poging gedaan stemmen bij Bolsonaro weg te kapen met zijn omstreden besluit het federale leger in de favela’s van Rio in te zetten. Maar het is heel goed mogelijk dat de oorlog in de favela’s juist stemmen oplevert voor links. Niet voor Lula, maar voor de PSOL, de Socialistische Vrijheidspartij waarvoor Marielle Franco actief was. Franco, gemeenteraadslid van Rio en tevens mensenrechtenactiviste, werd onlangs vermoord nadat ze campagne had gevoerd tegen de aanwezigheid van het leger in de favela’s.
Als Lula niet meedoet aan de verkiezingen, zal veel afhangen van de vraag of hij erin slaagt zijn persoonlijke aanhang over te dragen aan een andere kandidaat van links. De interessantste keuze zou Ciro Gomes zijn, die een outsider is maar ook in het linkse kamp geldt als een gezaghebbende intellectueel. Bovendien komt hij uit het noordoosten van Brazilië, het electorale thuisland van Lula, wiens stemmen essentieel zijn voor een mogelijke herovering van de macht door links.
Er is echter een probleem. Gomes beseft heel goed dat de PT een paria is geworden voor het electoraat uit de middenklasse, en recentelijk heeft hij de partij van Lula dan ook aangevallen. Net als Bolsonaro heeft hij stemmen aan de basis gewonnen door zich te keren tegen het vermolmde politiek apparaat, maar daarmee heeft hij tegelijk de grote politieke partijen, die onmisbaar zijn voor een overwinning, van zich vervreemd. Lula, even uitgeslapen als altijd, zei in een interview met dagblad Folha de São Paulo: ‘Laten we er niet omheen draaien: op rechts kan niemand de presidentsverkiezingen winnen zonder de steun van de PSDB, en op links kan niemand ze winnen zonder de steun van de PT.’
Sinds 1881 in handen van de familie Godó. ‘De Voorhoede’ is de vierde krant van Spanje, maar met Barcelona als thuishaven de nummer één van Catalonië.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.