Tag: fukuyama

  • ‘Trump is de eerste
 racistische president’

    ‘Trump is de eerste
 racistische president’

    Je kunt gerust zeggen dat de wereld van vandaag zeer complex is geworden en in toenemende mate polariseert. Een diepe kloof verscheurt landen die voorheen de stabiliteit van een liberale democratie kenden. Hoe dat komt, vroeg 52 Insights aan de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama.

    Francis Fukuyama ziet de nieuwe gepolariseerde wereld als het resultaat van een toenemende scheiding tussen een linkervleugel die zich blindstaart op de identiteitspolitiek, en een rechtervleugel die wordt gevoed door populistische retoriek. De Amerikaanse politicoloog werd bekend met zijn invloedrijke essay ‘Het einde van de geschiedenis’, waarin hij verklaarde dat de liberale democratie een staat van zelfregulering had bereikt en dat we nu de post-ideologische wereldorde konden verwelkomen. Sinds hij dat in 1992 schreef, is de wereld immens veranderd: 9/11, de Arabische Lente, de financiële crisis in 2008, de terugval in de globalisering en niet te vergeten de snel voortschrijdende technologie hebben de wereld waarin we leven gedefinieerd. Intellectuelen doen wanhopige pogingen om de stukjes van de puzzel weer in elkaar te passen.

    Ondanks zijn profetische gave denken we niet dat Francis Fukuyama had kunnen raden dat de presentator van een reality-tv-programma met een neiging tot racisme en misogynie de positie van leider van 
de vrije wereld zou verkrijgen. Is dit slechts een stipje op de tijdlijn van de liberale democratie, of is er iets sinisterders en permanenters aan de hand?

    Hoe kijkt u als bekend intellectueel tegen dit mondiaal bijzonder gepolariseerde moment in 
de geschiedenis aan? Wordt u omarmd door links en weggeduwd door rechts?

    ‘Voor zover ik weet, zal rechts geen aandacht besteden aan wat ik zeg. Ik verwacht niet veel kritiek 
van die kant. De meeste serieuze kritiek verwacht 
ik van links, want zij geloven in een bepaalde vorm van identiteitspolitiek, dus zij zullen het meeste tegengas geven.

    Het is lastig, de vorige keer dat ik betrokken was bij een belangrijk debat, was na de invasie in Irak in 2003. Ik had het boek America at the Crossroads geschreven, waarin ik een harde lijn tegen Saddam Hoessein voorstond. Maar toen de invasie dichterbij kwam, vond ik dat we daartoe niet in de positie waren en werd ik heel kritisch op de regering-Bush. Dientengevolge kreeg ik veel kritiek over me heen, omdat 
ik eerst wel achter de invasie had gestaan. Ik denk dat er nog wel wat kwaad bloed uit die tijd zit.’

    Het is momenteel een bijzonder ongemakkelijke tijd voor iemand die neigt naar links. Links lijkt tegenwoordig net zo’n groot probleem als rechts.

    ‘Dat geldt zowel voor Engeland als voor de Verenigde Staten. Sinds 2016 is de polarisatie in de samenleving enorm toegenomen. In Engeland is dat een uitvloeisel van het Brexit-referendum. In Amerika is het onze president die de polarisatie aanzwengelt. Donald Trump is de weerspiegeling van de sluimerende polarisatie tussen links en rechts in de VS. Ons kiesstelsel maakte het mogelijk dat hij werd gekozen door een minderheid. In plaats van zich in het midden op te stellen, heeft hij er alles aan gedaan 
om de bestaande spanningen aan te wakkeren.

    Volgens mij is hij de eerste echt racistische president. En dientengevolge heeft hij links nog verder naar links geduwd. Dat doet hij expres, want hij wil in 2020 geen kansrijke kandidaat tegenover zich hebben. Het zorgt voor een moeilijke periode in 
onze politiek, waarin je geen centralistische positie kunt innemen, omdat mensen de extremen van het politieke spectrum opzoeken.’

    Hoe zijn we historisch gezien in deze situatie terechtgekomen? Ontstonden de voorwaarden daarvoor in 2016? Of broeide het huidige klimaat al langer?

    ‘Dat is een proces dat ik in mijn boek probeer te beschrijven. De moderne identiteitspolitiek begon bij links in de jaren zestig, als een voortvloeisel van veel sociale bewegingen die in die tijd waren ontstaan: de lhbt-beweging, de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging, de feministische beweging. Alle groepen die in de maatschappij waren gemarginaliseerd, eisten terecht erkenning voor hun problemen en specifieke ervaringen. De agenda van links, voorheen stevig verankerd in de arbeidersklasse, verschoof daardoor als geheel.

    In Europa was links voornamelijk marxistisch, in 
de VS was links gefundeerd in de vakbonden. Met de opkomst van de identiteitspolitiek begon links zich te mobiliseren rondom specifieke groepen en hun problemen. Toen Martin Luther King de burgerrechtenbeweging begon, betoogde hij dat zwarte Amerikanen gewoon net zo behandeld wilden worden als witte Amerikanen, dat ze deel wilden 
uitmaken van de Amerikaanse droom.

    In de loop van de tijd veranderde dat in een door sommigen – bijvoorbeeld de Black Powerbeweging – ingenomen standpunt dat zwarte Amerikanen anders waren dan witte Amerikanen. De rest van 
de Amerikaanse samenleving moest accepteren dat zwarte Amerikanen een eigen cultuur en waardestelsel hadden. Veel groepen hebben zich op die manier ontwikkeld; in het begin wilden ze geaccepteerd worden als onderdeel van de maatschappij, daarna splitste een deel zich af dat niet als gelijke behandeld wilde worden, maar juist erkenning zocht voor zijn anders-zijn. Op dat moment begint de identiteitspolitiek problematisch te worden. Kijk maar naar de opkomst van rechtse anti-immigratiegroeperingen in Europa die willen vasthouden aan een ouder besef van nationale identiteit.

    In de VS zien we het uiterst rechtse witte nationalisme, dat probeert de Amerikaanse identiteit terug te brengen naar iets wat wordt gedefinieerd door ras, naar zoals de Amerikaanse identiteit was vóór de burgerrechtenbeweging. Over het algemeen is het voor de democratie een ongezonde situatie als mensen zich terugtrekken in categorieën gebaseerd op afkomst. Dan krijg je geen overkoepelend besef van nationale identiteit dat probeert mensen te 
re-integreren in een democratische gemeenschap.’

    Een van de dingen die dit specifieke thema zo ongewoon maken, is het idee van waardigheid, het idee dat iedereen evenveel autoriteit krijgt toebedeeld en een podium heeft om te kunnen spreken. Dat is met name verontrustend en gevaarlijk als dat podium vooral wordt gebruikt door de schreeuwlelijken. Hoe denkt u daarover?

    ‘De roep om waardigheid en respect is niet nieuw, het is een essentiële component van de menselijke psychologie: we willen dat andere mensen ons erkennen en respecteren. Daar is de moderne democratie op gebaseerd. Neem Mohammed Bouazizi, 
de Tunesische fruitverkoper wiens kar in 2011 door het totalitaire regime van Ben Ali in beslag werd genomen. Hij kreeg geen enkele erkenning van het regime, overgoot zich met benzine en stak zichzelf in brand. Veel van de omwentelingen in de voormalige Sovjetrepublieken kwamen voort uit de eis van de bevolking dat het betreffende totalitaire regime hun fundamentele waardigheid moest erkennen: hun zelfbeschikkingsrecht en hun mens-zijn.

    Maar als de overgang naar een werkelijk liberale democratie is gemaakt, blijkt dat opeens een vanzelfsprekendheid te zijn. In het totalitaire Oost-Europa van voor 1989 verlangde het volk naar fundamentele rechten van de mens, maar toen de democratie daar eenmaal was bereikt, maakte vrijwel niemand zich daar nog druk om.’

    Francis Fukuyama:  ‘Er is een grote mate van ongelijkheid ontstaan door de moderne, zeer liberale, geglobaliseerde kapitalistische economie.’ – © HH
    Francis Fukuyama: ‘Er is een grote mate van ongelijkheid ontstaan door de moderne, zeer liberale, geglobaliseerde kapitalistische economie.’ – © HH

    In het verleden sprak u over thema’s die hebben bijgedragen aan het feit dat mensen in Amerika zich niet meer vertegenwoordigd voelen. Een 
verbetering van Obamacare had daar iets aan kunnen doen, maar Trump-stemmers zeggen juist dat Obamacare een boosaardig socialistisch complot is. Hoe lost u dat op, als ze niet willen luisteren?

    ‘Dat is een interessante vraag. Het blijkt dat veel 
kiezers met een laag inkomen profiteerden van 
Obamacare, terwijl Republikeinse leiders ervan 
overtuigd waren dat het een boosaardig socialistisch complot was. Maar nu ze weer in de oude situatie zijn beland, merken ze hoe duur het is om je tegen ziektekosten te verzekeren. Nu blijkt het misschien helemaal geen socialistisch complot te zijn, maar 
iets wat ze juist heel erg nodig hadden.

    Als de Democraten slim zijn, concentreren ze zich 
op dat brede sociale thema waar veel arme mensen voordeel van hebben, ongeacht hun huidskleur, 
etniciteit enzovoort. Dat zou het kernthema van 
hun verkiezingscampagne moeten zijn.’

    Versterkt de voortdurende mythevorming in 
de media deze steun aan complottheorieën?

    ‘Hier spelen meer dingen mee. Als je kijkt naar de afgelopen tien of vijftien jaar in de politiek, heeft de elite enorme fouten gemaakt; de financiële crisis van 2008 in de VS, de eurocrisis in 2010 en de immigratiecrisis in Europa werden allemaal veroorzaakt door beleidsfouten van de elite en troffen juist de gewone man. Wall Street doet het prima, het financiële 
centrum van Londen doet het afgezien van de Brexit geweldig. Als je niet inziet dat de verontwaardiging grotendeels voortkomt uit iets reëels, kom je nooit tot de kern van het probleem. Daarnaast is er ook de mediahype, en daarmee betreden we een complex terrein, want de conservatieve media neigen ertoe incidenten van bijvoorbeeld vluchtelingen die 
misdaden begaan extra uit te vergroten.

    Maar ook hier speelt onder de oppervlakte iets reëels mee. Een goed voorbeeld is het incident van enkele jaren geleden, waarbij in Keulen vrouwen werden aangerand door vluchtelingen, wat de Duitse pers enkele dagen onvermeld liet omdat ze de islamofobie niet verder wilden opstoken. Dat soort politieke correctheid is heel schadelijk geweest, omdat daarmee de reguliere media in diskrediet werden gebracht, hoe begrijpelijk hun intenties ook waren. Ze verhulden werkelijke problemen die zich voordoen bij de integratie van het grote aantal vluchtelingen. Dus 
ja, er is sprake van veel mythevorming en sensatie-beluste publiciteit.’

    Trump voelde goed aan dat hij de verkiezing kon winnen als hij inspeelde op de haat die leeft tegen de elite. Hij heeft een soort boeman gecreëerd 
die we niet kunnen zien, maar die onze banen en toekomst afpakt.

    ‘Een van de dingen die de komende jaren gaan gebeuren, is dat de elite zich zal moeten aanpassen, wil ze niet in de problemen komen. Er is een grote mate van ongelijkheid ontstaan door de moderne, zeer liberale, geglobaliseerde kapitalistische economie. Dus we zullen veel politieke veranderingen moeten doorvoeren om mensen daartegen te beschermen, 
en die aanpassing kost veel tijd. Over immigratie moet ook goed worden nagedacht, want dat probleem kan net zo’n belangrijke reden zijn om tegen de EU stemmen als economische factoren. In Engeland bleek de vluchtelingenkwestie een belangrijke factor om voor de Brexit te stemmen. Er zullen 
aanpassingen moeten komen, want de huidige 
situatie in Europa is niet houdbaar.’

    Denkt u dat de EU bij elkaar blijft?

    ‘Voorlopig wel. Nu is Italië het grote probleem, omdat ze daar een populistische regering hebben gekozen die, als ze de beloften van haar verkiezingscampagne inlost, de eurozone meer op haar grondvesten zal doen trillen dan Griekenland ooit dreigde te doen. Maar het is geen verrassing dat er nu een populistische regering is, want sinds het sluiten van de 
Balkanroute komen de meeste vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika naar Griekenland en Italië. De eilanden en de steden van juist de zwakkere leden van de EU stromen vol. Dus als je geen helpende 
hand toesteekt, kom je nooit bij de onderliggende oorzaken van het populisme.’

    Rusland lijkt er op korte termijn garen bij te spinnen, maar wat is hun langetermijnstrategie? En hoe zou u hun identiteit als soevereine staat willen definiëren?

    ‘Het huidige Rusland verschilt van de oude Sovjet-Unie. In de voormalige Sovjet-Unie bestond een duidelijke messiaanse ideologie, die ze in theorie naar de rest van de wereld wilden exporteren. Poetin heeft zich echter teruggetrokken in een soort nationalistische ideologie, maar daar is niet veel messiaans aan. Hij is niet bezig Zuid-Amerika of sub-Sahara-Afrika te Ruslandiseren. De ideologie waarin hij noodzakelijkerwijs verzeild is geraakt, is het conservatieve nationalisme. Rusland is een christelijk land met conservatieve sociale waarden, dus geen homohuwelijk of dat soort fratsen. Dat maakt Rusland trouwens aantrekkelijk voor veel conservatieven in Europa en de VS. Maar de filosofie van Poetin en de zijnen gaat niet zo diep. Het is eerder iets waarachter ze zich uit pragmatische overwegingen scharen, dan een ideologie als het communisme, waaraan men zich in de tijd van de Sovjet-Unie daadwerkelijk verbond. Ze hebben een bloedhekel aan de intimiderende toon die veel westerse politici aannemen als ze de schending van de mensenrechten in Rusland aankaarten. Ze willen die landen terugpakken door hun uiterste best te doen om westerse democratieën op terroristen te laten lijken. Daar hebben ze veel succes mee.’

    Even terug naar uw stelling dat de elite haar aanpak moet heroverwegen. Is het juist om de liberale wereldorde gelijk te stellen aan de elite? En als dat zo is, zou het dan niet tijd zijn voor 
een grootschalige heroverweging?

    ‘Dat hangt af van wat je verstaat onder een grootschalige heroverweging. In de jaren negentig en aan het begin van deze eeuw maakten we een soort hyperliberale periode door waarin een poging werd gedaan om alle bestaande handels- en investeringsbarrières te slechten. In het begin van de 21ste eeuw geloofde men dat als je China toeliet in de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de economie van dat land zou liberaliseren en de democratie bevorderd zou worden, waarna er uiteindelijk meer eenheid zou komen tussen China en de rest van de wereld. Nu gelooft niemand dat meer en ziet men in dat de komst van China in de WTO tot het verlies van 2 à 3 miljoen banen in de VS heeft geleid.

    Algemeen wordt nu wel erkend dat de globalisering in sommige opzichten vertraagd moet worden, 
dat het voor landen goed is om bepaalde nationale barrières te hebben, gebaseerd op hun inzichten 
op het gebied van sociale bescherming of milieu-bescherming.’

    Dus we moeten eerder de elitepolitiek dan het elitesysteem heroverwegen?

    ‘Er zullen altijd elites zijn. Waar we nu behoefte aan hebben, is een fundamentele heroverweging van het sociale contract, omdat er zo veel macht en middelen zijn geconcentreerd in de handen van een heel klein aantal mensen, en dat ontregelt ons democratische politieke systeem. Ik woon in Silicon Valley en ik vind dat techbedrijven zo snel mogelijk moeten worden aangepakt. Amazon, Google, Facebook en dergelijke zijn veel te groot. We moeten bedenken hoe we de antitrustwetten gaan aanpassen aan de veranderingen die de afgelopen jaren in de technologie hebben plaatsgevonden. Dat moet echt gebeuren.’

    Hoe moet het nu verder? Want het lijkt alsof de grote thema’s van vandaag – identiteitspolitiek, immigratie, automatisering en klimaatverandering – ons uit elkaar drijven. Hoe komen we vanuit die thema’s tot een zinvol, harmonieus systeem?

    ‘Het is een combinatie van factoren. We moeten 
ons concentreren op de re-integratie van een uiterst gepolariseerde maatschappij. Daarom benadruk ik 
de noodzaak van een liberale nationale identiteit als belangrijkste aandachtspunt voor een groot deel van onze politiek. We hebben manieren nodig om de 
globalisering te vertragen, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele voordelen van hoe we handel drijven en investeren. Het sociale model dient te worden heroverwogen als tegenwicht om die machtsconcentraties aan te pakken en alles weer 
een beetje gelijkmatiger te verdelen. Dat zouden componenten moeten zijn van wat een verstandig antwoord is op de huidige tijd.’

    52 Insights
    Verenigd Koninkrijk | 52-insights.com

    Deze website is in 2015 opgericht door de Brit Ari Stein, die ‘de ruimte tussen wetenschap en cultuur wil bestuderen’ en ‘intelligentie weer hip wil maken’. Elke week publiceert de site een lang interview met een persoonlijkheid die onze perceptie van de wereld doet kantelen.

  • Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Voorlopig is het economische succes van China en India voor andere landen het beste argument om beleid gebaseerd op niet-westerse ideeën te ontwikkelen. Verschillende perspectieven leiden meestal tot innovatie. Het wachten is op toetsbare modellen en theorieën.

    In 1998, toen de Chinese economie net aan zijn opmars was begonnen, stak Kishore Mahbubani de lont in het intellectuele kruitvat met zijn boek Can Asians Think? Twee decennia later, nu Azië het hart van de wereldeconomie vormt en China de Amerikaanse hegemonie in de Aziatisch-Pacifische regio en zelfs de hele wereld naar de kroon steekt, vindt Mahbubani’s vraag opnieuw weerklank, en misschien nog wel meer dan eerst.

    Het zal duidelijk zijn dat Mahbubani zich niet afvroeg of het de Aziaten ontbrak aan de cognitieve vaardigheden van andere wereldbewoners. Hij vroeg zich af of Azië – met zulke uiteenlopende landen als Japan en Singapore in de gelederen – over eigen intellectuele denkkaders beschikt, naast het dominante westerse paradigma. Beschikten Aziatische volken over specifieke waarden die konden verklaren waarom Azië zo razendsnel moderniseerde?

    Nieuwe impuls

    Sommige politieke beschouwers antwoordden op Mahbubani’s vraag dat Aziatische kernwaarden, zoals hard werken, pragmatisme en het gezin als hoeksteen, niet specifiek Aziatisch zijn. Anderen beweerden dat Aziatische waarden niet alleen uniek zijn, maar ook superieur aan die van het Westen. Ook Mahbubani vond dat Azië over eigen waarden en intellectuele tradities beschikt, die volgens hem minstens zo veel aandacht en waardering verdienen als de westerse, al was het maar vanwege het wisselvallige succes van die laatste. Op het moment waarop hij zijn boek publiceerde, had de Aziatische financiële crisis van 1997 nog maar net verschillende economieën in de regio de nek omgedraaid, volgens veel Aziaten als gevolg van overheersende westerse economische ideeën.

    Nu, twintig jaar na Mahbubani’s boek, krijgt de discussie over de intellectuele eigenheid van Azië opnieuw een impuls, deels door het zelfverzekerde politieke leiderschap van de Chinese president Xi Jinping en de Indiase premier Narendra Modi. Dat leidt tot de volgende drievoudige vraag: wat kunnen we leren van het debat over Aziatische waarden, wat schort eraan en hoe kan het op productieve wijze worden gestimuleerd?

    Toen Mahbubani’s boek verscheen, vormde het een schril contrast met Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama, dat vijf jaar daarvoor nóg enthousiaster was ontvangen. Fukuyama beweerde dat de liberale democratie en het vrijemarktkapitalisme na de val van het communisme als overwinnaars uit de strijd tevoorschijn waren gekomen. Geen ander politiek stelsel, aldus Fukuyama, kon zich met het democratisch kapitalisme meten als het ging om politieke vrijheid en economische welvaart.

    Een tijdlang bleek Fukuyama’s profetie juist. Voormalige communistische landen, zoals die in Midden- en Oost-Europa, werden democratischer en omarmden de markt. Dat zelfs Deng Xiaoping ervoor pleitte China te ‘hervormen en open te stellen’ leek de weg vrij te maken voor een toekomstige open houding van China ten opzichte van de democratie. Of er nu een ‘einde’ aan de geschiedenis was gekomen of niet, de democratische, kapitalistische wereld was the place to be.

    De Aziatische financiële crisis leek dat idee aanvankelijk te bevestigen, want maakte een einde aan enkele economische succesverhalen in de regio en bracht de Aziatische aanpak schijnbaar in diskrediet. Maar doordat landen als Maleisië, dat de door het IMF voorgestelde economische remedie afwees, zich veel sneller herstelden dan landen die de IMF-adviezen opvolgden, ontstond in heel Azië twijfel over de westerse wijsheid. Westerse ideeën waren misschien toch niet zo belangrijk geweest voor de overwinning van het democratisch kapitalisme.

    Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met problemen, belichaamd in president Donald Trump

    Tien jaar na de verschijning van Mahbubani’s boek leken de kansen nog verder te keren. De VS en Europa stortten zich in een zo ernstige zelf veroorzaakte crisis dat de rest van de wereldeconomie erin leek te worden meegesleurd, tot grote ergernis van Aziatische landen, die juist pijnlijke hervormingen hadden doorgevoerd om dat soort toestanden te voorkomen.

    Het zag ernaar uit dat halfbakken ideeën de crisis van 2008 hadden veroorzaakt. Om Friedrich von Hayek te citeren, toen hij in 1974 sprak bij de instelling van de Nobelprijs voor de economie, werden de ‘volmaakte’ economische modellen waarmee westerse regeringen en economen de toekomst voorspelden, ontmaskerd als ‘valse schijn’. Von Hayek schilderde het westerse economische denken af als een keizer die weliswaar nog niet al zijn nieuwe kleren aanhad, maar toch al in vergevorderde ontklede staat verkeerde.

    De gevolgen van deze schertsvertoning waren ernstig: behalve het ongedaan maken van tien jaar economische groei ook stagnatie, westerse overheden die zaten opgezadeld met enorme schulden en centrale banken die hun balans opkalefaterden met zoiets experimenteels als kwantitatieve versoepeling, een vorm van directe geldschepping. Tegelijkertijd namen de economische ongelijkheid, de kwetsbaarheid van de democratie en de politieke polarisatie toe, wat de Aziatische twijfel aan westerse ideeën alleen maar vergrootte, en ook die aan de westerse dominantie in de wereldeconomie.

    Sterker nog, het toenemende besef dat de panacee van de vrijemarktpolitiek, neergelegd in de zogeheten Washington-consensus, had gefaald, en ook de vooraanstaande politici die erin hadden geloofd, heeft bijgedragen aan de opkomst van schijndemocratieën en autocratieën in Hongarije, Polen, Turkije en andere landen. Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met dergelijke problemen, belichaamd in president Donald Trump, die het protectionisme heeft omhelsd en het systeem van ‘checks and balances’, de basis van de Amerikaanse democratie, met zo veel woorden op losse schroeven heeft gezet.

    Confucius (links) en Mencius.
    Confucius (links) en Mencius.

    Geen wonder dat de twijfel van Azië aan westerse ideeën er alleen maar groter op is geworden. In China wil de overheid dat scholen en universiteiten meer aandacht besteden aan het Chinese gedachtegoed (een hervorming die naadloos aansluit op de wens van de overheid om haar intellectuele en politieke legitimiteit te versterken). Ook andere Aziatische landen, zoals Zuid-Korea en India, proberen hun eigen intellectuele tradities op te poetsen, niet zozeer om ze rechtstreeks te laten concurreren met westerse ideeën, maar zodat ze op z’n minst kunnen dienen als gelijkwaardige tradities om de wereld te duiden.
    Eerlijk gezegd stonden Fukuyama en vergelijkbare beschouwers van de democratie niet kritiekloos te juichen over het Westen, zoals sommige experts ons hebben willen doen geloven. Integendeel, want Fukuyama gaf toe dat het dominante westerse liberaal-democratische stelsel feilbaar was en zelfs niet bruikbaar in elk land. In ‘Orde en verval’, het tweede deel van zijn boek De oorsprong van onze politiek uit 2014, ging hij zelfs een stap verder toen hij erkende dat de recente ervaringen van China laten zien dat ‘autoritaire overheden soms beter dan democratische in staat zijn om definitief met het verleden te breken’.

    Robert Skidelsky van de Universiteit van Warwick wijst erop dat de intellectuele schraalheid van de economische leer een zwakte van het westerse economische denken is. Uit de Grote Depressie van de jaren dertig kwam de keynesiaanse economie voort. De stagflatie van de jaren zeventig leidde tot het monetarisme van Milton Friedman, dat een revolutie in het overheidsbeleid teweegbracht. Maar tien jaar na de Grote Recessie bestaat er geen eensgezindheid over een nieuwe doorbraak in het westerse economische denken.

    ‘De rest’

    Terwijl het Westen met problemen blijft worstelen, gaat het Azië voor de wind. De economieën van China, India en Zuidoost-Azië zijn bij elkaar goed voor een groei van 63 procent van het wereldwijde bbp en meer dan de helft van de nieuwe consumptie in de afgelopen vijftien jaar. De landen die Fareed Zakaria ooit ‘de rest’ noemde, staan op het punt het Westen in te halen als het gaat om productie, consumptie en spaartegoeden.

    Dat doet vermoeden dat de recente groei van Azië niet zomaar kan worden afgedaan als een kwestie van een paar ontwikkelingslanden die de ontwikkelde landen hebben bijgehaald. In plaats daarvan lijken de Aziatische economieën, zoals Hamid Dabashi van Columbia-universiteit beweert, na eeuwenlange imperialistische overheersing eindelijk te draaien op eigen ideeën. In zijn boek Can Non-Europeans Think? uit 2015, een titel die zelfverzekerd naar die van Mahbubani verwijst, stelt Dabashi dat het probleem niet zozeer was dat ‘de rest’ niet over eigen theoretische kaders beschikte, maar dat die werden gebagatelliseerd en genegeerd.

    Dabashi wijst op het boek Oriëntalisten (1978) van wijlen Edward Said, ook van Columbia-universiteit, dat een overzicht biedt van neerbuigende westerse voorstellingen van ‘het Oosten’ als een regio met minder geavanceerde, minder rationele en uiteindelijk inferieure samenlevingen. Hun manier van denken en hun prestaties werden vaak als minderwaardig beschouwd: misschien waren ze ter plaatse toepasbaar, maar niet universeel, in tegenstelling blijkbaar tot eurocentrische kaders. Daardoor kostte het niet-westerse intellectuelen moeite om op voet van gelijkheid met hun westerse evenknieën te discussiëren.

    Maar hoe geïntimideerd niet-westerse denkers zich misschien ook hebben gevoeld, daar komt een einde aan nu de gebreken van westerse ideeën en modellen aan het licht treden. Dat Trump en de zijnen de feiten, de rede en de wetenschap onder vuur nemen verzwakt de positie van het Westen nog verder. De vraag is of niet-westerse denkers deze kans om de invloed van hun eigen intellectuele kaders uit te breiden zullen grijpen.

    Een belangrijke uitdaging voor Aziatische denkers is dat ze hardnekkige westerse vooroordelen moeten overwinnen. Engelstalige uitgevers hebben nog steeds de neiging om vanuit eurocentrisch perspectief bij te dragen aan de duiding van de wereldpolitiek. Er zijn bijvoorbeeld allerlei waardevolle wetenschappelijke publicaties over China, vooral van Chinese wetenschappers die in het Westen wonen en werken (onder wie Yasheng Huang en Minxin Pei). Die lijken echter vooral bedoeld om de Chinafobie aan te wakkeren of het risico van een crisis of een totale ineenstorting te benadrukken. Het werk van niet-westerse denkers blijft in Europese landen meestal onvertaald, hoewel de kennis en de waardering van kenners voor het werk van bijvoorbeeld Confucius, Mencius en Han Feizi [Chinese geleerden] niet-ingewijden ongetwijfeld zullen helpen hun politieke en zakelijke gesprekspartners in China beter te begrijpen.

    Het verschil tussen India en het Westen is alleen werkelijk te begrijpen als iemand de praktijk van _purva paksha_ (zoiets als “wederzijdse betrokkenheid”) begrijpt en erkent dat daar “harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei” voor nodig is

    Doordat zulken boeken maar weinig in het Westen worden uitgegeven, stellen vooral in het Engels schrijvende Indiërs het westerse denken ter discussie. Zo laat historicus Pankaj Mishra in zijn Op de ruïnes van het imperialisme (2012) zien hoe vroeg-twintigste-eeuwse Aziatische intellectuelen als Gandhi, Kang Youwei en Mohammed Abdoe zich genoodzaakt zagen hun eigen tradities – respectievelijk het hindoeïsme, het confucianisme en de islam – opnieuw vanuit westers perspectief te bezien.

    Om hun ideeën verder te verbreiden moeten niet-westerse denkers met doorwrochte, overtuigende betogen laten zien dat die origineel, waardevol en universeel zijn. Ze zouden dat kunnen doen op Mishra’s manier, namelijk door zich te bedienen van eurocentrische middelen. Ze zouden die aanpak ook links kunnen laten liggen en helemaal buiten Europese modellen om kunnen denken. Of ze zouden de twee kunnen integreren in een consistent, universeel analytisch denkraam.

    Welke aanpak niet-westerse denkers ook kiezen, denkwijzen, opvattingen en concepten die hun waarde in eigen land allang hebben bewezen, zullen moeten worden aangepast om ze universeel geldig te maken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

    De Indiase auteur Rajiv Malhotra laat met zijn boek Being Different: An Indian Challenge to Western Universalism zien hoe ingewikkeld dat is. Niemand zal betwisten dat India verschilt van het Westen. Malhotra beweert echter dat iemand dat verschil alleen werkelijk kan begrijpen als hij de praktijk van purva paksha (zoiets als ‘wederzijdse betrokkenheid’) begrijpt en erkent dat daar ‘harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei’ voor nodig is. En dat kan alleen als hij ook het begrip ‘dharma’ uit Indiase religies begrijpt en aanvaardt.

    Een Chinese lezer zal dat niet zo heel veel moeite kosten, want dharma vertoont enige gelijkenis met het begrip ‘tao’ uit de traditionele Chinese filosofie. Maar een seculiere westerse wetenschapper zal zulke lastig te definiëren begrippen niet zomaar snappen. En zelfs al doet hij dat wel, dan zal hij misschien niet bereid zijn om dharma of tao te accepteren als grondslag voor een bruikbaar intellectueel kader, want geen van beide kan wetenschappelijk worden getoetst of empirisch worden geverifieerd.

    Een andere grote uitdaging voor niet-westerse denkers is dat ze hun ideeën – en vooral de intellectuele bouwstenen van het Chinese economische wonder – zodanig moeten verpakken dat die zich kunnen meten met de Washington-consensus. Ook al hebben miljoenen Chinezen een westerse opvoeding of opleiding genoten, er bestaat geen samenhangende of overtuigende Chinese analyse van de oorzaken van China’s economische succes. Doordat een dergelijke ‘Beijing-consensus’ ontbreekt, kunnen westerse waarnemers China’s ervaringen afdoen als idiosyncratisch, waarmee ze verhinderen dat de lering die eruit valt te trekken brede ingang vindt.

    Han Feizi.
    Han Feizi.

    Gegeven die combinatie van conceptuele belemmeringen en weerstand tegen onbekende denkkaders zal het niet eenvoudig zijn het Westen ervan te overtuigen dat ‘de rest’ iets te bieden heeft. Voorlopig is het concrete bewijs dat het Aziatische beleid succes heeft waarschijnlijk het beste argument om niet-westerse opvattingen over te nemen. Zo zou de invoering, in India, van een unieke digitale identiteitscode (‘Aadhaar’ genaamd) meer kunnen betekenen voor de totstandkoming van een inclusieve economie dan welke academische publicatie ook.

    Toch zullen niet-westerse denkers hun ideeën op de lange termijn moeten vertalen in toetsbare modellen en theorieën. Vanwege de complexiteit en de onderlinge verbondenheid van bestaande stelsels zal dat waarschijnlijk niet de verdienste van één individu zal zijn, een nieuwe John Maynard Keynes of Milton Friedman, maar eerder een collectieve onderneming op basis van gedeelde kennis. De Chinese traditie om voor elke dynastie een ‘encyclopedie’ te maken, schept in dat verband een nuttig precedent.

    In het bedrijfsleven leidt grotere diversiteit tot groter succes. De verschillende perspectieven die verschillende partijen inbrengen, en zelfs het ongemak dat uit die verschillen kan voortkomen, leiden meestal tot innovatie. Nu de wereld de problemen probeert aan te pakken die voortkomen uit de westerse visie op groei en ontwikkeling, zoals economische ongelijkheid en maatschappelijke onvrede, is juist dat soort uit diversiteit geboren doorbraken nodig. Het Westen heeft zijn zegje gedaan. Nu is de rest aan de beurt.

    Auteur: Andrew Sheng
    Vertaler: Nico Groen

    Andrew Sheng is momenteel professor aan de Tsinghua-universiteit in Beijing. Zijn laatste boek verscheen onder de titel From Asian to Global Financial Crisis in 2009 bij de Cambridge University Press.

    Project Syndicate
    Praag | project-syndicate.org

    Deze non-profitorganisatie, opgericht in 1994, produceert commentaren en journalistiek door bekende economen, politici, academici en andere maatschappelijk betrokken schrijvers voor een wereldwijd publiek. PS levert content aan 459 media in 155 landen.

    mahbubani

    Hoe Azië het Westen pijlsnel inhaalt

    Het Westen stond de afgelopen tweehonderd jaar aan kop in de wereldgeschiedenis, maar die tijd is voorbij. Volgens Kishore
    Mahbubani, een van de bekendste denkers van Azië, zijn onder andere China en India hard bezig om het Westen over te nemen, op zowel
    economisch als intellectueel vlak.

    De Balie nodigde Mahbubani uit in de serie De Balie Invites om uit te vinden wat de oorzaak is van deze verandering. Hoe moet het Westen reageren?

    Podium. Zaterdag 14 april om 14:00 uur.

  • 1. Het einde van de liberale democratie

    1. Het einde van de liberale democratie

    De beroemde essayist Francis Fukuyama, die in 1989 ‘het einde 
van de geschiedenis’ aankondigde, buigt zich over het populistisch nationalisme dat overal in het Westen opgeld doet.

    De onverwachte nederlaag die Donald Trump toebracht aan Hillary Clinton vormt een waterscheiding, niet alleen in de Amerikaanse politiek, maar in de hele wereldorde. Het lijkt erop dat we op de drempel staan van een nieuw, populistisch-nationalistisch tijdperk, waarin de dominante liberale orde die sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw is opgebouwd wordt aangevallen door opgewonden, boze democratische meerderheden. Er bestaat een levensgroot gevaar dat we afglijden naar een wereld van elkaar bevechtende en even boze nationalistische entiteiten, en als dat gebeurt, beleven we een omslag die net zo belangrijk is als de val van de muur in 1989.

    De manier waarop Trump zijn overwinning heeft behaald, zegt veel over de sociale basis van de beweging die hij om zich heen heeft gevormd. Een blik op de stemverdeling leert dat de steun voor Clinton geografisch gezien geconcentreerd was in steden langs de kust, terwijl grote stukken van landelijk en kleinsteeds Amerika overduidelijk voor Trump hebben gestemd. Het verrassendst was de verschuiving in Pennsylvania, Michigan en Wisconsin, drie noordelijke industriële staten die hij aan zijn kant kreeg, terwijl ze bij vorige verkiezingen zo standvastig Democratisch waren dat Clinton niet eens de moeite nam om in die laatste staat campagne te voeren. Trump won dankzij de vakbondsarbeiders, slachtoffers van de de-industrialisatie, die hij met zijn ‘make America great again’ beloofde dat hij hun verdwenen fabrieksbanen zou terugbrengen.

    Klassensysteem

    Dit hebben we eerder gezien. Het is het verhaal van de Brexit, waar de kiezers die voor een vertrek stemden ook voornamelijk op het platteland en in kleine dorpen en steden buiten Londen woonden. Hetzelfde verhaal gaat op voor Frankrijk, waar kiezers uit de arbeidersklasse van wie de ouders en grootouders altijd op de communistische en socialistische partijen hebben gestemd, nu kiezen voor het Front National van Marine Le Pen.

    Maar populistisch nationalisme is een veel breder verschijnsel. Vladimir Poetin blijft impopulair onder de beter opgeleide kiezers in grote steden als Sint-Petersburg en Moskou, maar geniet in de rest van het land enorme steun. Hetzelfde geldt voor de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, die zijn enthousiaste aanhangers vindt in de conservatieve lagere middenklasse van het land, en voor de Hongaarse premier Viktor Orban, die overal populair is, behalve in Budapest.

    Sociale klasse, tegenwoordig bepaald door opleidingsniveau, lijkt in veel geïndustrialiseerde en opkomende economieën het allerbelangrijkste sociale indelingscriterium. Het klassensysteem wordt gevoed door de globalisering en de opmars van de technologie, die zich weer konden ontwikkelen dankzij de voornamelijk door de VS gecreëerde liberale wereldorde.

    Als we het over een liberale wereldorde hebben, bedoelen we het gereguleerde systeem van internationale handel en investeringen dat de afgelopen jaren de basis heeft gevormd van een wereldwijde groei. Dankzij dit systeem kunnen in de week voor Kerstmis in China iPhones worden gemaakt en naar klanten in de VS en Europa verscheept. Hetzelfde systeem heeft miljoenen mensen ertoe aangezet om vanuit armere landen naar rijkere te trekken, waar meer kansen liggen voor henzelf en hun kinderen. Dit systeem heeft zijn belofte waargemaakt: tussen 1970 en de financiële crisis van 2008 in de Verenigde Staten, is de wereldwijde productie van goederen en diensten verviervoudigd, en zijn honderden miljoenen mensen de armoede ontstegen, niet alleen in China en Zuid-Amerika, maar ook in Afrika ten zuiden van de Sahara.

    De echte vraag zou niet moeten zijn waarom het populisme in 2016 is opgekomen, maar waarom het zo lang heeft geduurd voor het de kop opstak

    Maar zoals iedereen nu moet erkennen, hebben de voordelen van dat systeem niet de hele bevolking bereikt. De werkende klassen in de ontwikkelde wereld zagen hun banen verdwijnen als gevolg van de outsourcing en tot het uiterste doorgevoerde efficiëntie waarmee bedrijven de meedogenloze concurrentie op de wereldmarkt aangingen.

    Dit langetermijnverhaal kwam in een sterke stroomversnelling terecht door de hypotheekcrisis in de VS en de eurocrisis die Europa een paar jaar later trof. In beide gevallen ging het om een door de elite ontworpen systeem – in het geval van de VS geliberaliseerde financiële markten, in Europa bijvoorbeeld het interne migratiesysteem van Schengen – die dramatisch ineenstortten als gevolg van een externe schok. Weer betaalden gewone, werkende mensen een veel hogere prijs voor deze mislukkingen dan de elites zelf. Sindsdien zou de echte vraag niet moeten zijn waarom het populisme in 2016 is opgekomen, maar waarom het zo lang heeft geduurd voor het de kop opstak.

    In de VS was sprake van een politiek falen, in die zin dat het systeem de traditionele werkende klasse niet genoeg vertegenwoordigde. De Republikeinse partij werd gedomineerd door de Amerikaanse bedrijven en hun bondgenoten die flink hadden geprofiteerd van de globalisering, terwijl de Democratische partij was verworden tot identiteitspartij, een coalitie van vrouwen, Afro-Amerikanen, Hispanics, milieuactivisten en de LHBT-gemeenschap, die zich niet meer bezighield met economische vraagstukken.

    Het onvermogen van Amerikaans links om de werkende klasse te vertegenwoordigen, wordt in heel Europa weerspiegeld. De Europese sociaaldemocratie heeft zich al een paar decennia geleden verzoend met de globalisering, in de vorm van het Britse centrisme of het soort neoliberaal reformisme dat de sociaaldemocraten van Gerhard Schröder in het eerste decennium van deze eeuw aanhingen.

    Maar het bredere onvermogen van links was dat het dezelfde fout maakte als in de aanloop naar 1914 en de Eerste Wereldoorlog, toen, zoals de Brits-Tsjechische filosoof Ernest Gellner het zo mooi verwoordt, een brief die geadresseerd was aan ‘klasse’, per ongeluk werd bezorgd bij ‘natie’. Natie gaat bijna altijd boven klasse, omdat het kan putten uit een krachtige identiteitsbron, het verlangen naar verbinding met een natuurlijke culturele gemeenschap. Deze hang naar identiteit neemt nu de vorm aan van de Amerikaanse alt-rightbeweging, een voorheen nauwelijks serieus genomen verzameling groepen die allemaal een vorm van blank nationalisme aanhingen.

    Maar behalve deze extremisten begonnen ook veel gewone Amerikaanse burgers zich af te vragen waarom er zo veel immigranten hun gemeenschap binnenkwamen, en wie de drijvende kracht was achter een politiek correct taalgebruik waarin je niet eens over het probleem kon klagen. Dit is de reden waarom Donald Trump ook veel stemmen kreeg van beter opgeleide en rijkere kiezers, die geen slachtoffer van de globalisering waren, maar toch het idee hadden dat hun land ze werd afgepakt. Onnodig te zeggen dat deze dynamiek ook ten grondslag lag aan de Brexit-stem.

    Een aanmoediging voor Donald Trump op een verlaten huis in Schuylkill County, Pennsylvania. – © Mark Makela / Getty Images
    Een aanmoediging voor Donald Trump op een verlaten huis in Schuylkill County, Pennsylvania. – © Mark Makela / Getty Images

    Dus wat zullen de concrete gevolgen van Trumps overwinning zijn voor het internationale systeem? In tegenstelling tot wat zijn critici zeggen heeft Trump wel degelijk een consequent en doordacht standpunt: hij is nationalist op het gebied van economisch beleid en in relatie met het wereldwijde politieke systeem. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij bestaande handelsakkoorden als NAFTA en waarschijnlijk ook de WTO wil openbreken, en dat hij bereid is daaruit te stappen als hij niet krijgt wat hij wil. En hij heeft zijn bewondering geuit voor ‘sterke’ leiders zoals Poetin in Rusland, die met hun doortastendheid tenminste resultaten boeken. Veel minder vriendelijk is zijn opstelling tegenover traditionele VS-bondgenoten, zoals de leden van de NAVO of Japan en Zuid-Korea, die hij ervan heeft beschuldigd dat ze profiteren van de Amerikaanse militaire macht. Dit duidt erop dat ook voor de steun aan die landen opnieuw onderhandeld moet worden over de bestaande kostenverdeling.

    De gevaren van deze standpunten, zowel voor de wereldeconomie als voor het mondiale veiligheidssysteem, kunnen niet genoeg benadrukt worden. De wereld van vandaag gonst van het economisch nationalisme. Een open handels- en investeringsstelsel is altijd in stand gehouden door de hegemonie van de VS. Als Amerika nu eenzijdig de voorwaarden van het contract verandert, zijn er in de rest van de wereld veel machtige spelers die de VS maar al te graag met gelijke munt willen terugbetalen, en zo ontstaat een neerwaartse economische spiraal die herinneringen oproept aan de jaren dertig van de vorige eeuw.

    Het gevaar voor de internationale veiligheidssystemen is al even groot. Rusland en China zijn de afgelopen decennia opgekomen als belangrijke, autoritaire grootmachten die allebei territoriale ambities hebben. Vooral Trumps houding tegenover Rusland is verontrustend: hij heeft nooit een woord van kritiek op Poetin geuit en zelfs gesuggereerd dat diens annexatie van de Krim misschien wel gerechtvaardigd was. Gezien zijn onwetendheid over de meeste aspecten van buitenlands beleid, doen zijn uitspraken met betrekking tot Rusland vermoeden dat Poetin een of andere verborgen macht over hem heeft, misschien in de vorm van schulden aan Russische bronnen die zijn zakenimperium drijvende houden. Als Trump inderdaad een poging doet om ‘beter op te schieten’ met Rusland, zullen de eerste slachtoffers daarvan Oekraïne en Georgië zijn, twee landen die als wankele democratieën de steun van Amerika nodig hadden om hun onafhankelijkheid te behouden.

    De invloed van Amerika heeft altijd meer afgehangen van zijn “soft power” dan van domme inzet van geweld

    Breder gezien zal een presidentschap van Trump het eind aankondigen van het tijdperk waarin Amerika zelf een symbool van democratie vormde voor mensen die overal ter wereld onder corrupte, autoritaire regimes leven. De invloed van Amerika heeft altijd meer afgehangen van zijn ‘soft power’ dan van domme inzet van geweld, zoals de invasie in Irak. De Amerikaanse keuze bij de afgelopen verkiezingen betekent een wisseling van de wacht, van het liberale, internationalistische kamp naar het populistische, nationalistische kamp. Het is niet toevallig dat Trump krachtige steun kreeg van UKIP-voorman Nigel Farage, en dat een van de eersten die hem feliciteerden Marine le Pen van het Franse Front National was.

    Het afgelopen jaar is er een nieuwe populistisch-nationalistische internationale opgestaan, waarin gelijkgestemde groepen elkaar over de grenzen heen informatie en steun bieden. Het Rusland van Poetin levert daar een enthousiaste bijdrage aan, niet omdat het iets geeft om de nationale identiteit van anderen, maar simpelweg om onrust te stoken. De informatieoorlog die Rusland heeft ontketend door het e-mailverkeer van het Democratic National Committee te hacken, heeft al een zeer schadelijk effect gehad op Amerikaanse instellingen, en het is te verwachten dat dit nog doorgaat.

    Grote onzekerheden

    Er blijven nog grote onzekerheden bestaan rond dit nieuwe Amerika. Trump mag dan in zijn hart een uiterst consequent nationalist zijn, hij is ook heel pragmatisch. Wat zal hij doen als hij ontdekt dat andere landen niet bereid zijn om opnieuw over bestaande handelsverdragen of bondgenootschappen te onderhandelen? Zal hij genoegen nemen met de beste deal die hij kan krijgen, of gewoon weglopen? Er is veel gepraat over het gevaar van Trumps vinger op de kernwapenknop, maar naar mijn idee is hij in de grond veel meer een isolationist dan iemand die graag overal ter wereld militair geweld wil gebruiken. Als hij te maken krijgt met de realiteit van de burgeroorlog in Syrië, kan het heel goed zijn dat hij een pagina uit het tactiekboekje van Obama opslaat en ook maar gewoon blijft wachten tot het voorbij is.

    Hier komt de persoonlijkheidskwestie om de hoek kijken. Net als veel andere Amerikanen kan ik moeilijk een persoonlijkheid bedenken die minder geschikt is als leider van de vrije wereld dan Trump. Dit heeft maar gedeeltelijk te maken met zijn concrete politieke opvattingen, en veel meer met zijn ijdelheid en zijn overgevoeligheid voor wat hij ziet als een gebrek aan respect. Vorige week bestond hij het om op een podium met winnaars van de Medal of Honor – de Amerikaanse onderscheiding voor opvallende moed – te roepen dat hij óók heel moedig was: ‘financieel moedig’. Hij heeft aangekondigd dat hij van al zijn vijanden en critici genoegdoening zal eisen. Stel dat hij te maken krijgt met andere wereldleiders die hem niet genoeg respect betonen, zal hij dan reageren als een uitgedaagde maffiabaas, of als een pragmatisch zakenman?

    De grootste uitdaging voor de liberale democratie komt nu niet zozeer van openlijk autoritaire grootmachten als China, maar van binnenuit. In de VS, Groot-Brittannië, Europa en veel andere landen komt het democratische deel van het politieke systeem in opstand tegen het liberale deel, en dreigt het zijn ontegenzeggelijke legitimiteit te gebruiken om korte metten te maken met de regels die tot nu toe gedrag beheersten en een vrije, open en tolerante wereld waarborgden. De liberale elites die het systeem hebben gecreëerd, moeten luisteren naar de boze stemmen aan de poorten en zich realiseren dat sociale gelijkheid en identiteit de meest urgente kwesties zijn die ze moeten aanpakken.

    Hoe dan ook hebben we een paar zware jaren voor de boeg.

    Auteur: Francis Fukuyama
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.