De New Yorkse schrijver Gary Shteyngart heeft zich altijd wat onzeker gevoeld over zijn verschijning. Om hier verandering in te brengen besluit Gary dat hij een fenomenaal maatpak nodig heeft. Hij reist de wereld rond op zoek naar de mooiste stoffen en de beste kleermakers. Maar zal zijn persoon echt veranderen door het dragen van een zesdraads nachtblauw herenpak?
Een mooi pak dat speciaal voor mij is gemaakt, van de beste stof, door de beste kleermaker. Een pak waarmee ik me op mijn gemak voel en waarmee ik ook laat zien: ‘Deze man voelt zich op zijn gemak.’ Een pak waarmee ik in de chicste restaurants op mijn wenken bediend zou worden. Een pak waarmee ik rustig langs de lastigste douanes zou wandelen. Een pak dat uitstraalt dat de auteur een betere smaak heeft dan al die blokjeshemden uit Brooklyn.
Zo’n pak zou de perfect uitdossing kunnen zijn voor mijn persoonlijkheid, die zich te zeer verlaat op nerveuze humor en cynische gevatheid, de persoonlijkheid die ik al probeer te cultiveren sinds mijn puberteit, toen ik mijn vlassnorrige porem in de spiegel zag en dacht: Hoe word ik ooit gelukkig in de liefde? Zo’n pak zou mijn vorm ontstijgen en direct mijn persoonlijkheid kleden. Het zou me vergezellen naar ’s werelds grootste salons, interviews op televisie en, niet te vergeten, goedbetaalde lezingen op universiteiten in het hele land. Het pak zou een verlengde van mijzelf zijn, een bediende die mij voorgaat en deftig aankondigt: ‘Meneer Gary en zijn pak zijn gearriveerd.’ Als ik zo’n pak weet te bemachtigen, een pak van de beste stof, gemaakt door de beste kleermaker, zou ik een metamorfose ondergaan.
Wat er aan het pak voorafging
Ik ben in 1972 in de Sovjet-Unie geboren en kwam als zevenjarig jongetje in New York met slechts de kleren die ik aan had. De Hebreeuwse school waartoe ik acht jaar lang veroordeeld was, zamelde kleding voor me in, waardoor ik er, gehuld in oude Batman & Robin-shirts, uitzag als de typische Sovjetvluchteling. Ik moet hierbij opmerken dat ik nooit dacht: Ze mogen me niet vanwege mijn kleren, mijn armoede of mijn gebrekkige Engels. Dat zou ik pas veel later inzien. Lange tijd dacht ik dat ze me puur en alleen niet mochten omdat ik was wie ik was. Mijn school mocht dan joods zijn, ik kampte met een gevoel van calvinistische voorbeschikking: zolang ik mezelf was, verdiende ik deze kleren. Daarmee kwam ook voor het eerst het idee bij me op dat ik iemand anders kon worden – Hoe word ik ooit gelukkig in de liefde? Zo! –, een idee dat veertig jaar lang groeide, met als eindpunt: Het Pak.

Op de middelbare school probeerde ik erbij te horen en droeg de standaardkleding die ons inmiddels tot de middenklasse opgeklommen gezin eindelijk kon betalen, vooral surfer-T-shirts van Ocean Pacific en andere merken die je je zult herinneren als je in de jaren tachtig in suburbia bent opgegroeid: Generra, Aéropostale, Unionbay. Helaas ging ik niet naar school in suburbia maar in Manhattan, waar ik met mijn shirts meteen voor lul stond. (Dit is sindsdien vaker voorgekomen. Tegen de tijd dat ik de mode ontdek, is die alweer uit de mode.)
Na de universiteit kreeg ik een vriendengroep die bestond uit semikunstzinnige, ketamineverslaafde hipsters met wie ik eind jaren negentig flink heb bijgedragen aan de gentrificatie van enkele wijken in Brooklyn. Een modebewuste vriendin begon zich over mijn garderobe te ontfermen in de dure tweedehandswinkel Screaming Mimis. De kleren die ik van haar moest kopen, jeukten, maar ze gaven me het gevoel dat ik een rol speelde op het grotere toneel.
En later, als schrijver, was mijn bed mijn kantoor dus had ik geen pak nodig. Ik ben heel zuinig en dure dingen kopen is slecht voor mijn bloeddruk.
De droom
Op mijn vijftigste – ik was inmiddels getrouwd, had een gezin en was in redelijk goeden doen – ontmoette ik een man genaamd Mark Cho. We hadden elkaar gevonden via een gedeelde voorliefde voor horloges en ik wist dat hij de eigenaar was van de Armoury, een zaak voor klassieke herenmode, met filialen in New York en Hongkong. We gingen uit eten in het Union Square Café, en ik was meteen gecharmeerd door hem en zijn kleding. Mark droeg bijna altijd jasje-dasje, en vaak een vest en een bril van een of ander bijzonder metaal. Ik vond het mooi om te zien dat hij zich zo comfortabel voelde in zijn klassieke outfits, die hij vast en zeker zorgvuldig had uitgekozen. Toch zag het eruit alsof hij nauwelijks aandacht had besteed aan de vraag in welke ademende stoffen hij zijn afgetrainde lichaam zou hullen.
Voor deze quasiachteloze stijl gebruiken de Italianen het woord sprezzatura, ontdekte ik. En het waren de Japanners die deze Italiaanse nonchalance hadden bestudeerd en geperfectioneerd met hun versie van de Amerikaanse Ivy League-stijl. Als dertiger had ik in Italië gewoond, waar ik veel aristocraten ontmoette die een en al sprezzatura waren, maar mij grijnzend aankeken als ik ze vroeg waar ze hun kleding vandaan haalden. Het was vaak het werk van één specifieke kleermaker in Napels of Milaan. Aha, zit het zo, dacht ik bij mezelf. Een maatpak was duidelijk niet voor mij weggelegd.
Met genoeg geld, de sterkste stoffen en de beste kleermakers kon er een fantastisch pak gemaakt worden voor iedereen, zelfs voor mij
Maar onder het genot van martini’s en onglets au poivre begon ik in gesprek met Mark te begrijpen wat er allemaal bij zo’n pak komt kijken, inclusief op maat gemaakte overhemden en schoenen. Voorzichtig informeerde ik naar het financiële plaatje en kreeg te horen dat zoiets met alles erop en eraan makkelijk 10.000 dollar of meer kon kosten. Dat vond ik iets te prijzig. Een kort maar productief gesprek met de redacteuren van The Atlantic beloofde mijn droom waar te zullen maken. Het zou veel werk, onderzoek en enkele intercontinentale vluchten vereisen, maar het was mogelijk. Met genoeg geld, de mooiste, sterkste Italiaanse stoffen en de beste Japanse kleermakers kon er een fantastisch pak gemaakt worden voor iedereen, zelfs voor mij.
De aankomst van Yamamoto-San
Op 24 mei 2024 landde er in New York een vliegtuig uit Tokio met daarin een van de best geklede mannen op aarde. Zijn naam is Yuhei Yamamoto en hij is het gezicht van de Ivy League-stijl, een kledingstijl die de Amerikanen waarderen maar alleen de Japanners echt begrijpen.
Het Britse pak, met zijn serieuze uitstraling, heeft overal op de wereld verschillende vormen aangenomen. Vooral de Italianen hebben er iets bijzonders van gemaakt. In Amerika groeide het pak ondertussen uit tot een soort uniform zonder verdere opsmuk, dat het gemeenschappelijke en rechtschapene van het protestantse leven benadrukte. Dit model werd bekend onder de naam sack suit. In de jaren vijftig werkte Brooks Brothers dit concept uit en gaf er een bijna rebels nonchalante uitstraling aan: een recht vallend jasje met een natuurlijke schouderlijn en een pantalon zonder vouw.
Ik ontmoette Yamamoto-san in Mark Cho’s zaak aan de Upper East Side, en ik schrok toen ik hem zag. Niemand kon zo goed gekleed gaan. Niemand kon zo zelfverzekerd overkomen in een driedelig crèmekleurig streepjespak dat bijna verwachtingsvol om zijn brede schouders leek te zweven. En dan nog die bruine zijden stropdas die zo goed combineerde met zijn bruine, gestippelde pochet en de stevige, ietwat grijzende haardos boven zijn perfect gebeitelde gezicht. Ging deze man een pak voor mij maken? Dat was beneden zijn waardigheid.
Na me even te hebben bestudeerd, zei Yamamoto-san: ‘Sack suit.’
Die diagnose deed aanvankelijk pijn.
‘Sack suit,’ herhaalde Yamamoto. Via een tolk legde hij me vervolgens uit dat ik volgens hem ‘veel karakter’ had. Dat had ik eerder gehoord, en niet altijd als compliment, dus vroeg ik wat hij precies bedoelde. ‘U heeft karakter,’ zei hij. ‘U bent een echte New Yorker. Met de mode meegaan is niets voor u. Een echte New Yorker draagt een sack suit.’
Hij en Mark begonnen een masterplan uit te denken. Yamamoto-san zou een drape-snit maken die mijn slanke figuur accentueerde en waarin mijn borst mooi uitkwam. De broek zou ervoor zorgen dat ik langer oogde dan mijn 1,69 meter.

‘Het beste lichaam voor een pak is niet heel atletisch en ietwat krom, dan valt het beter.’ Dat ben ik! dacht ik. Kennelijk waren mijn tekortkomingen juist een pluspunt.
‘Ik ga een pak voor je maken uit de gouden eeuw van de Amerikaanse mode,’ zei de kleermaker. We bekeken indrukwekkende staalboeken met stoffen. Ik had aangegeven dat ik een pak wilde voor de lusten én de lasten; voor dronken avonden in restaurants maar ook voor lezingen en interviews. Daarmee kwamen we uit op donkere kleuren, en de keuze viel uiteindelijk op nachtblauw. ‘Zesdraads gaat langer mee, en je kan ermee reizen zonder dat het kreukt,’ zei Mark.
Dat klonk allemaal heel mooi, maar ik zat met een heleboel vragen. Wat betekende ‘zesdraads’ nou weer? Hoe werd garen überhaupt gemaakt? Mark stelde voor dat we naar de stoffenbeurs in Milaan zouden gaan. Daarna zouden we naar Hongkong vliegen voor op maat gemaakte overhemden en vervolgens naar Tokio voor de tweede sessie met Yamamoto-san.
‘Prima,’ zei ik.
Milaan
De Milano Unica-beurs vond plaats in een mistroostig congrescentrum aan de rand van de stad. We liepen naar de kraam van Vitale Barberis Canonico, de fabriek die de nobele taak had de stof voor mijn pak te produceren. Daar kreeg ik een staal te zien van de beoogde stof voor mijn pak: de 21 Micron.
‘21 Micron is een exclusieve stof,’ zei de vertegenwoordiger. ‘Het is strak gesponnen wol die goed ademt; hij kreukt niet.’ In tegenstelling tot de meeste pakken werd het mijne dus van zesdraadse wol gemaakt.
‘Zesdraads is voor de dapperen,’ zei de goedgeklede man. Ik begreep niet helemaal wat hij bedoelde, maar waardeerde de opmerking toch.
‘Het wordt een superieur pak,’ zei Mark. ‘Je kunt het tot in de kist dragen.’
Ik staarde naar de stof, diepblauw als de eeuwigheid waarin ik bij mijn verscheiden hoop te verzinken, vele vadems dieper dan de Baltische Zee waaraan mijn geboortestad ligt. Binnenkort, dacht ik, zal deze betoverende stof mij van mijn nek tot aan mijn enkels bedekken. En misschien word ik dan een ander mens.
Hongkong
Maar we waren nog maar net begonnen, en we zetten de reis voort naar Azië.
Mark en ik wandelden door de benauwde hitte van Hongkong naar een winkelcentrum waar zich een van de zaken van de beroemde kleermaker Ascot Chang bevindt. Justin Chang, de kleinzoon van de oprichter – de familie maakt al sinds 1953 overhemden in Hongkong – heette ons welkom en trok balen stof tevoorschijn (de winkel heeft ruim 7000 soorten op voorraad).
We waren daar om mijn pak van vier bijpassende overhemden te voorzien. Justin en Mark waren druk in gesprek terwijl ik aan de knisperende stoffen voelde.
Ik keek naar mezelf in de spiegel en daar stond ik: een goedgeklede man van middelbare leeftijd
We kozen stoffen uit voor de verschillende hemden: een net overhemd met wijde boord van piquékatoen, een traditioneel wit Oxford-overhemd, een katoenen overhemd met blauwe streepjes in jarenzeventigstijl en – mijn favoriet – een overhemd van chambray met een boord met knoopjes, die vanwege de gespikkelde stof een informelere uitstraling had. Aangezien ik een horlogeliefhebber ben, vroeg Mark of de linkermanchet iets wijder kon, zodat het klokje af en toe uit mijn mouw kon kijken. Een van de overhemden zou met spoed moeten worden gemaakt om op tijd klaar te zijn voor mijn tweede pasbeurt bij Yamamoto-san in Tokio.
De volgende dag was het chambray overhemd klaar. Gespannen paste ik mijn allereerste op maat gemaakte kledingstuk. In het warme, houten interieur van de Ascot Chang-winkel onderging ik mijn eerste metamorfose. Voor het eerst zat iets goed. Zat iets mooi. Zat iets perfect. Ik keek naar mezelf in de spiegel en daar stond ik: een goedgeklede man van middelbare leeftijd.
De terugkeer van Yamamoto-san
Met één Ascot Chang-overhemd in mijn koffer – en drie in de maak – vlogen we van Hongkong naar Tokio voor de laatste stap in het maatwerkproces: de tweede pasbeurt bij Yamamoto-san. Ik liep de trap op naar de eerste verdieping van zijn atelier in de hippe buurt Shibuya.
In het atelier schitterde Yamamoto-san wederom in een streepjespak, deze keer een lichtblauwe met een donkerblauw pochet voor het contrast. Op de platenspeler draaide Ella Fitzgerald, een van haar zeldzame Japanse albums getiteld Ella and Nice Guys. En ten slotte hing daar aan een houten kleerhanger het werk in uitvoering: mijn nachtblauwe pak, dat met rijggaren in elkaar was gezet.

Met trillende handen trok ik het pak aan. In dit stadium werd het nog ontsierd door het rijggaren en de knoopjes waren met stickers aangegeven, maar ik kon al een glimp opvangen van het uiteindelijke wonder.
‘De schouder is wat breder, maar zonder opvulling,’ legde Yamamoto-san via zijn tolk uit, waarmee hij erin was geslaagd om mijn afhangende rechterschouder te compenseren en tegelijkertijd die verschrikking uit de jaren tachtig te vermijden. ‘Uw borstkas is enigszins ingevallen,’ zei Yamamoto-san. Omdat ik zo’n kromme houding heb, had hij de drape-techniek gebruikt, waardoor, zoals Mark het verwoordde, ‘je borst iets meer volume krijgt’.
‘Shit, man, dit ziet er verdomd goed uit,’ zei Mark, die normaal gesproken heel ingehouden reageert.
‘U ziet eruit als een Fransman in de jaren vijftig,’ zei Yamamoto-san, ‘of Alain Delon in de jaren zestig.’
We bespraken wat er nog verbeterd moest worden. Ik tilde mijn armen op en draaide me om. ‘Wat gaan we doen met Gary’s achterste?’ vroeg Mark terwijl de twee mannen op zoek gingen naar mijn kont. ‘Blijkbaar ben je wat derrière kwijtgeraakt sinds de laatste pasbeurt.’
‘Hij moet de broek zo strak mogelijk dragen,’ zei Yamamoto-san. ‘Als de broekband boven de navel zit, is alles goed.’
‘Hij zou wat squats kunnen doen,’ zei Mark, waarop ik me niet verwaardigde te antwoorden.
Voor een mooi contrast met de sobere buitenkant kozen we een schitterende, turquoise voering, en marineblauwe knoopjes gemaakt van noten. ‘Into each life, some rain must fall,’ zong Ella op de langspeelplaat, maar ik luisterde nauwelijks.
De metamorfose
Twee maanden later kwam Yamamoto-san terug naar New York met mijn pak. Op de avond van de onthulling organiseerde Mark een feestje in zijn winkel aan de Upper East Side. Het was een warme avond, bijna zomerachtig. Voordat ik het pak aantrok, liet Yamamoto-san me met zijn eigen Panasonic reisstrijkijzer zien hoe ik het moest strijken.
Ik kwam uit het pashokje en keek in de spiegel. Ik werd omhuld door nachtblauw, op mijn schouders het plezierige gewicht van zesdraads Italiaans garen.
‘Yokatta!’ riep Yamamoto-san, wat zoiets betekent als ‘Godzijdank!’
‘Yokatta,’ zei Mark glimlachend.
Terwijl ik woorden van dank stamelde, merkte ik dat mijn broek ondanks de inspanningen van de kleermaker nog steeds van mijn non-existente billen gleed. Om daar iets aan te doen werd ik in bretels gehesen, en Mark knoopte liefdevol een gestippelde das om mijn nek.
Ik kwam de paskamer uit en onderwierp me aan het oordeel van het deskundige gezelschap uit de herenmodewereld. Er werd gevoeld aan de stof. Er werd gevoeld aan mijn schouders. Aan mijn armen en mijn boord.
‘Het lijkt wel op je lichaam te zijn geschilderd,’ zei een man.
‘De rug is zo elegant!’
‘Je schouders hangen een beetje en toch zit het perfect.’
‘De boord zit glad tegen de nek.’
‘Het stiksel is een visueel extraatje.’
‘Door de zware stof valt het mooi.’
‘Goede lengte voor de revers.’
‘Vanavond stel je ons allemaal in de schaduw.’
Yamamoto-san nam me apart en zei dat ik mijn pak vaak moest dragen, niet alleen bij speciale gelegenheden. ‘Als het alleen iets wordt voor speciale gelegenheden, dan heb ik gefaald,’ zei hij. Ik beloofde dat ik het pak niet in de kast zou laten hangen. Elke week zou ik een gelegenheid vinden om het te dragen.
En ik ben mijn belofte nagekomen. Ik draag het pak vaak en graag. De overhemden van Ascot Chang kunnen gecombineerd worden met de gestippelde das of een minder formele zijden das met een patroontje, en dat schept verschillende karakters. ‘Je ziet eruit als een smartlappenzanger uit de jaren vijftig,’ zei mijn vrouw Esther over een van de combinaties. Bij een andere was ik meer een Engelse pastoor, vond ze.

‘Je loopt opeens heel anders,’ zei Sara, een vriendin van me. ‘Je schrijdt bijna.’
Alleen mijn elfjarige zoon Johnny was niet onder de indruk. ‘Zoiets draag ik elke dag naar school, maar dan zit het minder lekker,’ zei hij, terwijl hij aan de kraag van zijn schooluniform trok.
Nu deed ik steeds mijn pak aan als ik buiten de deur ging eten, en ik hield bij het bestellen rekening met zijn voorkeuren. Wat zou mijn pak willen eten? vroeg ik me dan af. Het pak wilde een garnalencocktail. Ik reisde samen met mijn pak naar de Universiteit van Pennsylvania om een lezing te geven. Het was uitstekend gezelschap. Als een golden retriever sprong het mijn koffer uit, met niet het minste kreukeltje erin.
Ik ben altijd tevreden geweest over mijn geest, maar nu hou ik ook van mijn lichaam. Het roept niet langer ongemak en spot op. Ik hou van de kleine trillende spieren in mijn borst. Ik hou van mijn gebogen houding, mijn uitgekristalliseerde vorm. Zoals een personage uit een roman van James Salter hou ik van mijn figuur, mijn lichamelijkheid. Ik hou van mezelf.

