Tag: Geloof

  • De dansende nonnen die in Brazilië nieuwe zieltjes winnen

    De dansende nonnen die in Brazilië nieuwe zieltjes winnen

    Over de hele wereld probeert de katholieke kerk de harten van jongeren terug te winnen. In Brazilië worden daar influencers, dj’s en twee dansende en zingende nonnen voor ingezet.

    Het is feest in het klooster. Een breakdancer die zich voorstelt als de Wizard doet backflips. Een andere tolt rond op zijn rug. Een rapper, spotlights, twee cameramensen en een blitse Chevy met een geluidsinstallatie in de kofferbak en de bas op vol volume. En in het middelpunt: twee nonnen die in Brazilië plotseling sterren zijn geworden, zuster Marizele Rego en zuster Marisa Neves, omringd door danseressen compleet met kruis, habijt en nonnenkap. 

    Ze maken een videoclip voor hun nieuwe nummer ‘Vocação’: ‘Roeping’. Dat is een internethit sinds zuster Marisa enkele weken geleden in een katholiek tv-programma een dansje deed terwijl zuster Marizele het aanstekelijke refrein aanhief en begon te beatboxen. Dat tv-fragment ging meteen de wereld rond en werd tien miljoen keer bekeken. Gevolgd door memes, imitaties en optredens in talkshows. Whoopi Goldberg sprak in het tv-programma The View van een ‘real life Sister Act’.

    247 Horizon Nonnen Playback
    © Victor Moriyama

    Dus staan ze nu op de binnenplaats van hun klooster te playbacken, in een poging hun kortstondige roem te verlengen met een videoclip. God liet ze viraal gaan om meer jongeren naar de kerk te trekken, zeggen ze, en ze willen zijn missie volvoeren. ‘Hoe kon iets zo eenvoudigs en spontaans ineens zo groot worden?’ zegt zuster Marizele, die als zingende non al honderdduizend Instagram-volgers had voordat ze een wereldwijde sensatie werd. ‘Omdat de Heilige Geest de harten van de mensen wil raken.’

    ‘En naast de Heilige Geest,’ zegt ze erbij, ‘is er ook nog het algoritme.’ Zuster Marizele (46) en zuster Marisa (41) vertegenwoordigen een bredere beweging die binnen de katholieke kerk de teugels wat wil vieren, spontaner wil zijn en jongeren wil aanspreken waar ze zitten: online. Ook in Brazilië, het grootste katholieke land ter wereld, raakt de kerk al jaren gelovigen kwijt. Volgens cijfers die de overheid deze maand vrijgaf, noemt nog geen 57 procent van de tweehonderd miljoen Brazilianen zichzelf nu katholiek, tegenover 83 procent dertig jaar geleden. Katholieke influencers, zangers en popgroepen doen hun best om dat tij te keren. Sommige Braziliaanse priesters, gespierde, knappe en muzikale mannen, hebben al tientallen miljoenen volgers op Instagram. Zoals pater Marcelo Rossi, een van de bestverkopende Braziliaanse artiesten aller tijden. En katholieke dj’s spelen tegenwoordig elektronische muziek op zogenaamde katholieke raves, zoals in januari bij het enorme Christusbeeld in Rio de Janeiro.

    De katholieke Grammy’s

    Dit streven ligt in het verlengde van de charismatische vernieuwingsbeweging en andere groeperingen die al tientallen jaren proberen de katholieke kerk toegankelijker en aantrekkelijker te maken, en dat nu ook in het digitale domein doen. Volgende maand vinden in Rome met steun van het Vaticaan nieuwe evenementen plaats om katholieke influencers bij elkaar te brengen en prijzen uit te reiken aan katholieke artiesten die al zijn omschreven als ‘de katholieke Grammy’s’. Maar behalve de nieuwe paus kreeg in juni enkele dagen lang waarschijnlijk niemand meer aandacht dan zuster Marizele en Marisa. 

    De twee nonnen zijn lid van Copiosa Redenção (Overvloedige Verlossing), een vijfendertig jaar oude congregatie van zo’n tachtig nonnen en vijfentwintig broeders die jonge drugsverslaafden helpen af te kicken, waarbij ze kunst en muziek vaak als middel inzetten. Deze maand werd er in een klooster van de congregatie in Zuid-Brazilië veel gelachen. Vooral door zuster Marizele en Marisa. ‘Heb je wel een levensverzekering?’ vroeg zuster Marizele terwijl ze plaatsnam achter het stuur. Toen de auto over een helling snelde – ze waren bijna te laat voor de mis – gilde zuster Marisa het uit alsof ze in een achtbaan zat. 

    247 Horizon Nonnen Zon
    © Victor Moriyama

    Het zijn allebei dochters van maïs- en sojaboeren in de landbouwstaat Paraná, en ze zijn allebei opgegroeid in een huis vol muziek. Een van haar broers hoefde maar muziek op te zetten, zegt zuster Marisa, en zij en veel van haar tien broers en zussen stopten met het werk op de akker en begonnen te dansen. ‘Alles waar maar op gedanst kon worden,’ zegt ze. Nadat ze op haar drieëntwintigste in het klooster was gegaan, is ze blijven dansen en heeft ze hiphop- en breakdancelessen gevolgd. Later kreeg ze een positie bij een katholieke tv-zender waarvoor ze soms verslag deed van evenementen, en soms in beeld een dansje deed met een priester. 

    Zuster Marizele komt uit een familie van muzikanten. Haar grootvader bouwde gitaren en haar tantes zongen op de radio. Ze werd non op haar vijfentwintigste, nadat haar moeder door een wonder van kanker was genezen. Daarna zong ze geregeld op religieuze retraites en heeft ze met een aantal andere zusters een gospelalbum opgenomen. 

    De twee leerden elkaar kennen in 2007 en het was al snel duidelijk dat het klikte. ‘Je hoeft maar een beat te beginnen en zij begint te dansen,’ zegt zuster Marizele over zuster Marisa. Beatboxen heeft ze zichzelf geleerd, zodat ze de andere nonnen tijdens het zingen van ritme kon voorzien. ‘Ik begon gewoon ritmes te maken met mijn mond,’ zegt ze. ‘Ik wist niet eens dat zoiets beatboxen heet.’ Gaandeweg beseften ze dat beatboxen en hiphop iets is wat de jonge vrouwen in de afkickcentra aanspreekt. Die komen vaak van de straat en hebben weinig gemeen met de nonnen. ‘Het is een middel om contact te maken en muren te slechten,’ zegt zuster Marizele.

    Goud

    Vanwege die aantrekkingskracht werden zuster Marizele en Marisa door de congregatie aangewezen voor de werving van nieuwe nonnen, in een tijd waarin steeds minder vrouwen voor een leven in het klooster kiezen. Volgens het Center for Applied Research in the Apostolate, een non-profitorganisatie die onderzoek doet naar de katholieke kerk, is het aantal nonnen in de VS de afgelopen twintig jaar bijvoorbeeld met de helft gedaald tot circa 36.000. Het aantal priesters is in diezelfde periode met 18 procent gedaald tot 34.000.

    Op 20 mei kwamen zuster Marizele en Marisa in een katholieke talkshow praten over een retraite waarmee ze nieuwe nonnen willen werven. Zuster Marizele begon daar ‘Vocação’ te zingen, een jaren geleden door haar congregatie geschreven lied over de roeping van de non. Maar ze had er een nieuwe hook aan toegevoegd: ‘Voc-a-çao, oh, ohh’. En zuster Marisa moest toen wel een dansje maken, zegt ze. Ze stonden op en zuster Marizele begon te beatboxen. Buiten beeld werd de diaken die hen interviewde door de regisseur aangespoord om mee te doen, zegt zuster Marisa, die de regieaanwijzingen in haar oortje kon horen. De diaken had het ritme al snel te pakken en volgde de passen van zuster Marisa op de voet. Dat moment, samengebald in een clipje van dertig seconden, bleek op internet goud waard. Volgens de data-analisten van Tubular is het alleen al op TikTok meer dan 34 miljoen keer bekeken. Al snel stroomden van heinde en ver de interviewverzoeken binnen.

    247 Horizon Nonnen Portret
    © Victor Oriyama

    De oudere nonnen in het klooster roken hun kans. Zuster Daniely Duarte Santos, hoofd communicatie van de congregatie, riep een collega terug van vakantie, en om de ontstane aandacht optimaal te benutten begonnen ze het filmpje herhaaldelijk op sociale netwerken te plaatsen. Binnen enkele dagen hadden al ruim vijftig vrouwen geïnformeerd naar de mogelijkheid om non te worden. Normaliter werven ze maar een handjevol nieuwe leden per jaar.

    Ze schakelden een lokale dj in om een muziektrack te maken, en tussen de interviews door nam zuster Marizele de zangpartij op. Het resultaat, met bas en synthesizers en al, is volgens zuster Marizele ‘technopop’. Het nummer bestormde de Braziliaanse ranglijst van katholieke muziek op Spotify. Zuster Marizele en Marisa waren overal op tv te zien met hun beatbox en hun dansje. Ze maakten de clip, geregisseerd door zuster Daniely, met een headset onder haar nonnenkap. Op straat worden ze staande gehouden door fans die om een selfie vragen. ‘Wij vragen één weesgegroetje per foto,’ zegt zuster Marizele.

  • Filosoof Byung-Chul Han: ‘Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen’

    Filosoof Byung-Chul Han: ‘Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen’

    We hebben een universeel narratief nodig om de stukjes informatie die we dagelijks tot ons nemen te kunnen duiden, aldus de Koreaans-Duitse filosoof. Dat narratief moeten we niet in de filosofie, maar in de kunsten zoeken.

    De uit Zuid-Korea afkomstige Duitse hoogleraar filosofie en cultuurtheorie Byung-Chul Han is de auteur van onder meer Müdigkeitsgesellschaft (De vermoeide samenleving) en Vom Verschwinden der Rituale (in het Engels vertaald als The Disappearance of Rituals). Hij sprak onlangs met Nathan Gardels, de hoofdredacteur van Noema.

    Nathan Gardels: Goethe heeft ooit gezegd: ‘Tijdperken van achteruitgang en verval zijn allemaal subjectief, terwijl alle tijdperken van vooruitgang een objectieve richting hebben. Elk capabel streven richt zich niet op de binnen- maar op de buitenwereld.’ 

    Volgens dat criterium leven wij in een tijd van verval, waarin belangstelling voor de buitenwereld plaatsmaakt voor de innerlijke obsessie met identiteit en ‘authenticiteit’, zowel individueel als tribaal, dit alles aangewakkerd door de digitale connectiviteit. Paradoxaal genoeg zijn de sociale media in dit opzicht juist asociaal, ze leiden tot het uiteenvallen van gemeenschapsbanden door een soort eenzaamheid in verbondenheid. Wat is de dynamiek en wat zijn de mechanismen achter wat u een ‘gemeenschapscrisis’ noemt? Wat zijn de gevolgen voor ons alledaagse doen en laten?

    Byung-Chul Han: Het in zichzelf gekeerde, narcistische ego dat alleen nog in subjectief contact met de wereld staat, is niet de oorzaak van de sociale desintegratie, maar het gevolg van een noodlottig proces op objectief niveau. Alles wat ons met elkaar verbindt is aan het verdwijnen. We hebben bijna geen gedeelde waarden of symbolen meer, geen gemeenschappelijke verhalen die mensen verenigen. 

    De waarheid, die zin en richting aan ons leven zou moeten geven, is nu ook maar gewoon een verhaal. We zijn heel goed geïnformeerd, maar kunnen op de een of andere manier geen richting vinden. De informatisering van de werkelijkheid leidt tot de verbrokkeling ervan, tot van elkaar gescheiden sferen van wat men voor waar houdt. 

    Maar waarheid heeft een middelpuntzoekende kracht, die houdt de samenleving bijeen, anders dan informatie. Informatie is een middelpuntvliedende kracht, met zeer schadelijke gevolgen voor de maatschappelijke samenhang. Als we willen begrijpen in wat voor maatschappij we leven, moeten we goed begrijpen wat het wezen van informatie is.

    Byung-Chul Han

    Byung-Chul Han heeft een brede aanhang in de kunstwereld, waar zijn oorspronkelijk in het Duits geschreven essays over moderne omstandigheden als vervreemding, eenzaamheid, de fragmentatie en desintegratie van de werkelijkheid en de rol van de technologie, met lof en scepsis zijn ontvangen. Zijn laatste boek Undinge (Nonobjects), werd eerder dit jaar gepubliceerd.

    Stukjes informatie kunnen geen zin of richting aan ons leven geven. Ze smelten niet samen tot een verhaal, ze zijn louter cumulatief. Vanaf een bepaald punt zijn ze niet langer aan het informeren, maar aan het deformeren, ze vervormen de werkelijkheid. Ze kunnen de wereld zelfs duisterder maken. Daarin zijn ze tegengesteld aan waarheid. Waarheid verlicht de wereld, terwijl informatie leeft op de aantrekkingskracht van verrassing, ons meesleept in één lange roes van vluchtige momenten. 

    Informatie onthalen we op fundamenteel wantrouwen: alles kan ook best anders zijn. Onzekerheid is een wezenskenmerk van informatie, en daarom is nepnieuws een niet weg te denken element van de informationele orde. Nepnieuws is dus ook maar gewoon een stukje informatie, en nog voordat het kan worden getoetst heeft het zijn werk al gedaan. Het snelt de waarheid voorbij en is door de waarheid niet meer in te halen. Nepnieuws is waarheidsbestendig. 

    Fundamenteel wantrouwen

    Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen. Hoe meer we met informatie te maken krijgen, des te dieper ons wantrouwen wordt. Informatie is een januskop: ze brengt tegelijkertijd zowel zekerheid als onzekerheid voort. Fundamentele structurele ambivalentie is inherent aan de informatiemaatschappij. 

    Waarheid vermindert de onzekerheid juist. We kunnen geen stabiele samenleving of democratie bouwen op een massa onzekerheden. Democratie vereist waarden en idealen die ons verbinden en overtuigingen die we delen. Tegenwoordig maakt democratie plaats voor infocratie.

    Een andere reden voor de crisis van onze samenleving, die een crisis van de democratie is, is gelegen in de digitalisering, zoals uw vraag al suggereert. Digitale communicatie verandert de loop van de communicatiestromen. Er wordt informatie verspreid zonder dat er een publiek domein wordt geschapen. Die informatie ontstaat in de privéruimte en wordt verzonden naar andere privéruimtes. Het wereldwijde web creëert geen publieke sfeer.

    Goethe

    Alle im Rückschreiten und in der Auflösung begriffenen Epochen sind subjektiv, dagegen aber haben alle vorschreitende Epochen eine objektive Richtung. (…) Jedes tüchtige Bestreben dagegen wendet sich aus dem Innern hinaus auf die Welt.

    Dat is bijzonder schadelijk voor het democratisch proces. De sociale media versterken deze vorm van communicatie zonder gemeenschap. Influencers en volgers kun je niet tot een publieke sfeer smeden. Digitale gemeenschappen hebben de vorm van commerciële producten, en zijn dat uiteindelijk ook.

    Vroeger had je natuurlijk ook al informatie. Maar die was niet zo bepalend voor de samenleving als tegenwoordig. In de Oudheid hadden verhalen uit de mythologie een bepalende invloed op het doen en laten van de mensen. In de middeleeuwen werd dat voor velen bepaald door het christelijke narratief. Maar informatie was in die verhalen ingebed. Een uitbraak van de pest was niet louter informatie. Die maakte deel uit van het christelijke verhaal over zonde en boete.

    Tegenwoordig hebben we geen verhalen meer om ons leven zin en richting te geven. De verhalen verbrokkelen en vallen uiteen in informatie. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat er niets anders meer is dan informatie, zonder hermeneutische horizon voor de interpretatie ervan, zonder een methode om de informatie te duiden. De stukjes informatie klonteren niet samen tot kennis of waarheid, zoals in verhalen gebeurt.

    Die narratieve leemte van de informatiemaatschappij leidt tot ontevredenheid bij burgers, zeker in tijden van crisis, zoals de pandemie. Mensen gaan dan verhalen verzinnen om de vloedgolf aan verwarrende gegevens en cijfers te verklaren. Die verhalen worden vaak complottheorieën genoemd, maar ze kunnen niet simpelweg op het conto van collectief narcisme worden geschreven. Ze leveren panklare verklaringen van de wereld. Op internet ontstaan ruimtes waar het weer mogelijkheid is een ervaring van identiteit en collectieve verbanden te ondergaan. Zo krijgt het internet een tribaal karakter, vooral onder extreemrechtse groeperingen, die een sterke behoefte hebben aan een identiteitsgevoel. In die kringen worden complottheorieën gezien als mogelijkheden om een identiteit aan te nemen.

    Nietzsche heeft ooit gezegd dat geluk voor ons schuilt in het bezit van een onomstotelijke waarheid. Tegenwoordig beschikken we niet meer over zulke onomstotelijke waarheden. In plaats daarvan hebben we een overvloed aan informatie. Ik weet niet zeker of de informatiemaatschappij wel een voortzetting is van de Verlichting. Misschien zijn we toe aan een nieuwe verlichting. Daarover schreef Nietzsche: ‘Het is niet genoeg dat je beseft in welke onwetendheid mens en dier leven, je moet die onwetendheid ook nastreven en aanleren. Je moet beseffen dat zonder dit soort onwetendheid het leven zelf onmogelijk is, dat die voor al wat leeft een voorwaarde is om stand te houden en tot bloei te komen.’

    Narratieve banden

    Nathan Gardels: In uw laatste boek schrijft u dat de objectieve narratieve banden die een samenleving bijeenhouden vroeger gesmeed werden door maatschappelijke rituelen. Die ‘stabiliseerden het leven’, schrijft u. Nu worden die rituelen belaagd door de sloopkogel van de deconstructie, het zouden slechts de producten zijn van de bevoorrechte klasse die in het verleden de macht had om anderen deze rituelen op te leggen. In de horizontaal georganiseerde wereld van nu, die geen legitieme waardenhiërarchie meer kent, wordt die leemte gevuld door subjectieve projectie.

    Hoe kunnen uit de puinhopen van deze objectieve orde de stabiliserende ankers van het ritueel ooit weer in ere worden hersteld? Op welke grondslag? Op wiens gezag? En hoe zal het leven eruitzien als dat niet mogelijk blijkt?

    Byung-Chul Han: Ik pleit er niet voor om de rituelen uit het verleden nieuw leven in te blazen. Dat is simpelweg niet mogelijk, want de rituelen van de westerse cultuur zijn zeer nauw verbonden met het christelijk narratief. En dat is nu overal sterk op zijn retour. Daar is weinig meer van over dan de kerstviering.

    Rituelen geven een gemeenschap vorm. Anders dan uw vraag suggereert, is het niet onvermijdelijk dat rituelen bestaande machtsverhoudingen bestendigen. Integendeel. Met carnaval worden die verhoudingen omgedraaid, zodat de slaven hun meesters kunnen bekritiseren en zelfs bespotten. De rollen worden dan vaak omgedraaid: de meesters bedienen hun slaven en de nar bestijgt de troon als koning. Zo’n tijdelijke rituele opschorting van de heersende machtsverhoudingen houdt een gemeenschap in evenwicht.

    In een wereld die volledig van rituelen verstoken is en volkomen seculier is, resteert alleen nog consumptie en behoeftebevrediging. Dat is de brave new world van Aldous Huxley, waarin elke behoefte onmiddellijk wordt bevredigd. De mensen worden monter gehouden met behulp van pret, consumptie en vertier. De overheid distribueert de drug ‘soma’ om het geluksgevoel van de bevolking te verhogen. In onze eigen brave new world krijgen mensen wellicht een universeel basisinkomen en onbeperkte toegang tot games. Dat zou de nieuwe versie van brood en spelen zijn.

    Nietzsche

    Es ist nicht genug, daß du einsiehst, in welcher Unwissenheit Mensch und Tier lebt: du mußt auch noch den Willen zur Unwissenheit haben und hinzulernen. Es ist dir nötig, zu begreifen, daß ohne diese Art Unwissenheit das Leben selber unmöglich wäre, daß sie eine Bedingung ist, unter welcher das Lebendige allein sich erhält und gedeiht: eine große, feste Glocke von Unwissenheit muß um dich stehen.

    Maar ik ben daar niet alleen maar pessimistisch over. Misschien ontwikkelen we wel nieuwe narratieven, verhalen zonder hiërarchie. We kunnen ons best een vlak narratief voorstellen. Elk narratief ontwikkelt zijn eigen rituelen met de bedoeling daar een gewoonte van te maken, ze in het fysieke lichaam te verankeren. Cultuur kweekt gemeenschap.

    Wat na de pandemie vooral aan herstel toe is, is de cultuur. Culturele evenementen zoals theater, dans en zelfs voetbal hebben een ritueel karakter. Alleen door middel van die rituele vormen kunnen we de gemeenschap nieuwe kracht geven. De cultuur wordt tegenwoordig alleen door instrumentele en economische relaties bijeengehouden. Maar zo creëer je geen gemeenschappen – zo isoleer je mensen juist. Vooral kunst moet een centrale rol gaan spelen bij het herbronnen van rituelen.

    Wat we vooral nodig hebben, zijn tijdelijke structuren om het leven te stabiliseren. Waar alleen nog de korte termijn bestaat, verliest het leven alle stabiliteit. Stabiliteit is iets van de lange duur: trouw, onderlinge banden, integriteit, toewijding, beloften, vertrouwen. Dat zijn de sociale praktijken die een gemeenschap bijeenhouden. Die hebben allemaal een ritueel karakter. Ze vergen allemaal veel tijd. De huidige terreur van de korte termijn – die we funest genoeg verwarren met vrijheid – is fnuikend voor de praktijken die tijd vergen. Om die terreur te bestrijden hebben we behoefte aan een heel andere tijdspolitiek.

    ​Vieringsruimtes

    In Le petit prince wil de vos dat de kleine prins elke dag op hetzelfde tijdstip bij hem langskomt, zodat zijn bezoek een ritueel wordt. De kleine prins vraagt de vos wat een ritueel is. ‘Dat is iets wat maar al te vaak vergeten wordt,’ zegt de vos dan. ‘Dat is wat een bepaalde dag anders maakt dan andere dagen, een uur anders dan andere uren.’

    Je zou rituelen kunnen definiëren als tijdstechnieken die onderdak bieden, die ‘in de wereld zijn’ veranderen in ‘thuis zijn’. Rituelen verhouden zich tot de tijd zoals dingen zich verhouden tot de ruimte. Ze stabiliseren het leven door structuur aan te brengen in de tijd. Ze geven ons als het ware vieringsruimtes: ruimtes die we kunnen betreden om iets te vieren. 

    Petit Prince

    – Qu’est-ce qu’un rite? dit le petit prince.
    – C’est quelque chose trop oublié, dit le renard. C’est ce qui fait qu’un jour est différent des autres jours, une heure, des autres heures.

    In hun hoedanigheid van tijdsstructuur leggen rituelen de tijd vast. Een tijdsruimte die je kunt betreden om iets te vieren gaat niet voorbij. Zonder zulke tijdsstructuren wordt de tijd één woeste stroom die ons uit elkaar rukt en van onszelf vervreemdt.

    Nathan Gardels: U hebt gezegd dat we voor de verlossing uit de door u beschreven toestand naar de kunsten moeten kijken, omdat de filosofie niet meer de levensveranderende kracht heeft die ze ooit had. Wat bedoelt u daarmee?

    Byung-Chul Han: Filosofie heeft de kracht om de wereld te veranderen. De wetenschap is in Europa pas begonnen met Plato en Aristoteles. Zonder Rousseau, Voltaire en Kant was de Europese Verlichting ondenkbaar geweest. Nietzsche wierp een volledig nieuw licht op de wereld. Het kapitaal van Marx luidde een nieuw tijdperk in. 

    Paul Klee

    Einer der meistzitierten Sätze von Paul Klee, vom frühen Tagebuchwort wurde es zu seiner Grabinschrift:Diesseitig bin ich gar nicht faßbar. Denn ich wohne grad so gut bei den Toten, wie bei den Ungeborenen. Etwas näher dem Herzen der Schöpfung als üblich. Und noch lange nicht nahe genug.

    Maar tegenwoordig heeft de filosofie die kracht volledig verloren. Ze is niet meer in staat een nieuw narratief voort te brengen. De filosofie is een academische, specialistische wetenschap geworden. Ze is niet meer op de wereld en op het heden gericht.

    Hoe kunnen we die ontwikkeling tenietdoen en ervoor zorgen dat de filosofie haar magische kracht om de wereld te veranderen herwint? Ik denk dat de kunsten, anders dan de filosofie, nog steeds in een positie verkeren waarin ze ons een glimp van een nieuwe vorm van leven kunnen voortoveren. Kunst heeft altijd nieuwe werkelijkheden geschapen, nieuwe manieren om naar de wereld te kijken. Zijn leven lang zei Paul Klee: ‘In het hiernumaals ben ik ongrijpbaar. Want ik woon evengoed bij de doden als bij de ongeborenen. Iets dichter bij het hart van de schepping dan gebruikelijk. En toch nog niet dichtbij genoeg.’

    Het zou best kunnen dat kunst dichter bij het hart van de schepping staat dan de filosofie. Daar kan dus iets totaal nieuws ontstaan. De revolutie kan beginnen met zoiets kleins als een ongekende kleur, een ongekend geluid. 

    Lees ook:

  • Levenslessen van een radicaal boeddhistische non: ‘Woede verlamt je’

    Levenslessen van een radicaal boeddhistische non: ‘Woede verlamt je’

    De Australische radicaal boeddhistische non Robina Courtin geeft lessen over de vraag hoe we ons hoofd helder kunnen houden in een krankzinnige wereld. ‘De boeddhistische visie is dat we onszelf vormgeven, of het nou gaat om een muzikant of om een gelukkig mens. Wij zijn de baas.’

    Het is dinsdagavond in het Australische plaatsje Milton, aan de zuidkust van New South Wales. De geur van vers gezette chai en zelfgemaakte soep wordt meegevoerd op de tocht in de zaal van de Country Women’s Association. Ondertussen wordt er gesproken over van alles en nog wat, variërend van de dood, iemand het leven benemen, tot oorlog, abortus, gevangenis en lijden.

    Zo’n vijftig mensen, van wie sommigen al heel lang lid zijn van de lokale boeddhistische club terwijl anderen voor het eerst een kijkje komen nemen, zitten in kleermakerszit op de grond of op een plastic stoel. Ze luisteren naar een boeddhistische non, terwijl een portret van een jonge koningin Elizabeth vanaf de wand op hen neerkijkt. Het gespreksonderwerp van vanavond: hoe kun je positief blijven als je wordt omgeven door negativiteit?

    ‘Het probleem is dat we denken dat de buitenwereld de voornaamste oorzaak is van ons lijden – en van ons geluk’

    ‘Het probleem is dat we denken dat de buitenwereld de voornaamste oorzaak is van ons lijden – en van ons geluk,’ zegt Eerwaarde Robina Courtin, een Australische van inmiddels 77, die eind jaren zeventig werd toegelaten tot de Gelug, een van de hoofdscholen binnen het Tibetaans boeddhisme. ‘Als je muzikant wilt worden, begrijpen we allemaal dat je jezelf vormgeeft en dat het aan jou ligt of je uiteindelijk ook echt muzikant wordt. Het werk moet worden gedaan in je hoofd, het vereist precisie, helderheid en uitgewerkte theorieën, en daarnaast moet je oefenen, steeds maar weer oefenen. We zijn ons ervan bewust dat we onszelf op die manier vormgeven.

    Maar,’ vervolgt ze, ‘als het erom gaat dat we een gelukkig mens willen worden, gaan we ineens twijfelen of we wel over dat vermogen beschikken. De boeddhistische visie is dat we onszelf vormgeven, of het nou gaat om een muzikant of om een gelukkig mens. Wij zijn de baas.’ 

    Ervaringen interpreteren

    Maar hoe zit het dan met al dat extra lijden van de afgelopen jaren, vraagt een vrouw, doelend op corona, overstromingen en de oorlog in Oekraïne. Courtin vertelt het verhaal van twee gevangengezette Tibetaanse vrouwen die gemarteld werden en seksueel misbruikt, maar die ‘deze ervaring toch wisten te interpreteren’ op een manier waardoor ze ‘het konden verdragen’. 

    De vrouw lijkt niet tevreden met het antwoord. ‘Wat is er?’ vraagt Courtin. ‘Toe maar, zeg het maar, het is belangrijk.’ Courtin kan zowel vriendelijk zijn als uitermate direct en scherp – toen iemand die een vraag had gesteld haar de avond ervoor in de rede was gevallen, reageerde ze met: ‘U hoort toch dat ik bezig ben uw vraag te beantwoorden!’ – en het duurt dan ook even voordat de vrouw haar gedachten onder woorden brengt. ‘Het lijkt me gewoon ondoenlijk om in de praktijk te brengen,’ zegt ze uiteindelijk.

    Wereldwijde treurnis?

    Naar voorbeeld van Taylor Swift, die in het begin ‘vreselijk romantisch’ was maar nu in haar werk ‘een scala aan negatieve gevoelens aanboort zoals angst, uitputting en woede’, lijken de thema’s van popsongs allengs somberder te worden, schrijft commentator David Brooks in The New York Times.

    Onderzoekers Charlotte Brand, Alberto Acerbi en Alex Mesoudi hebben vijftienduizend popsongs geanalyseerd die tussen 1965 en 2015 zijn uitgebracht en constateren in de teksten een duidelijke afname van het woord ‘liefde’, terwijl woorden met een negatieve connotatie als ‘haat’ juist toenemen. Voor krantenkoppen geldt hetzelfde. Dit negativisme weerspiegelt onze werkelijkheid: volgens de jaarlijkse peiling van het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup in honderdveertig landen hebben de cijfers die mensen aan hun eigen geluk geven – op een schaal van 0 tot 10 – een historisch dieptepunt bereikt. ‘Zestien jaar geleden gaf maar 1,6 procent van de wereldbevolking zijn leven een 0. Vorig jaar was het aantal mensen dat zei het slechtst denkbare leven te leiden meer dan verviervoudigd. Reden voor het Amerikaanse dagblad om te veronderstellen dat de ‘wereldwijde treurnis’ momenteel een hoogtepunt bereikt.

    ‘Het is wel in de praktijk te brengen als je seksueel wordt misbruikt in de gevangenis,’ antwoordt Courtin. ‘We hebben het vermogen om iets te veranderen aan de manier waarop we ons leven interpreteren, en zij waren daartoe in staat. Ze waren zelfs in staat compassie op te brengen voor de mannen die hen mishandelden. Het resultaat? Dat ze hun verstand niet verloren. Dat is niet moralistisch; het is júíst gericht op de praktijk.

    Lieve kind, luister naar me,’ zegt Courtin, nu op wat mildere toon. ‘Ons probleem is dat we niet goed uit de voeten kunnen met ons eigen lijden of het lijden om ons heen, en daarom proberen te zorgen dat het verdwijnt. Maar dat kunnen we niet. We kunnen alleen maar zo goed mogelijk ons best doen in dit krankzinnigengesticht dat Aarde heet.’

    Eerder die dag, tijdens de lunch, vertelde Courtin: ‘Ik ben altijd heel erg betrokken geweest bij de wereld. Ik hou van de wereld en ik hou van rare mensen.’ Ze is ‘verslaafd’ aan kranten en aan nieuws; de Financial Times, The Economist en The Washington Post behoren tot haar favorieten.

    Ondeugendste kind

    Courtin groeide op in Melbourne, als een van zeven kinderen in een rumoerig, arm, katholiek huishouden. Als ‘het ondeugendste kind van het gezin’ werd ze op haar twaalfde naar een nonnenschool gestuurd. ‘Ik was in de zevende hemel, het was puur geluk,’ zegt ze. Niet alleen had ze eindelijk een eigen bed, maar bovendien ‘was er geen chaos om me heen, er was discipline. Ik ging elke dag naar de mis. Ik hield van God en van de maagd Maria en de heiligen. Voor mij was het ideaal.’

    ANP 59801600
    Een enorm schilderij van Boeddha wordt tentoongesteld in het Drepung-klooster in Lhasa, de traditionele hoofdstad van Tibet. Het in 1416 gebouwde klooster is het grootste van de Gelug-school van het Tibetaans boeddhisme. – © Xinhua / Purbu Zhaxi / Xinhua News Agency / Eyevine

    Als tiener ontdekte ze de jongens. Toen ze zich realiseerde dat ze ‘niet zowel God als jongens’ kon hebben, maakte ze ‘heel bewust’ een keuze: ‘Vaarwel God, hallo jongens.’ Een tweedehands elpee die ze voor een kwartje op de kop wist te tikken bracht de jazz op haar pad. ‘Ik had een langspeelplaat gekocht waar “Billie Holiday” op stond. Ik had geen idee, ik vroeg me af wie hij zou zijn. Er ging een wereld voor me open. Ik wist niet wat me gebeurde: ineens hoorde ik over het leven van zwarte Amerikanen, van mensen die leden.’

    Eind jaren zestig ging Courtin naar Londen, ‘helemaal klaar voor de revolutie’. Daar sloot ze zich aan bij demonstraties van ‘radicaal-links’ en steunde ze de Black Panther-beweging. In 1971 ging ze voltijds werken voor Friends of Soledad, een Britse groep politieke activisten die zich inzetten voor drie zwarte Amerikaanse gevangenen die werden beschuldigd van de moord op een witte gevangenbewaarder. Daarna sloot ze zich aan bij de radicaal feministische beweging. Ze verloor haar belangstelling voor mannen en werd ‘radicaal lesbisch feministe’, verdiepte zich in oosterse vechtsporten en verhuisde naar de Verenigde Staten, waar ze in een door lesbiennes beheerde dojo in New York ging wonen.

    Ongelukkigheid

    De Spanjaard Alejandro Cencerrado geeft leiding aan het Happiness Research Institute in Kopenhagen. Hij is ook de auteur van het boek En defensa de la infelicidad (Pleidooi voor ongelukkigheid) dat in 2022 verscheen. De specialist meet zijn eigen geluk al sinds zijn achttiende, meldt het Argentijnse dagblad La Nación. ‘Elke avond stel ik mezelf dezelfde vraag,’ zegt hij. ‘Wil ik de dag die ik vandaag heb beleefd morgen opnieuw beleven?’ Volgens hem is het belangrijk te analyseren wat ons op individueel niveau gelukkig of ongelukkig maakt, maar ook op grotere schaal ‘om op termijn een verandering in gang te zetten’. Uit zijn onderzoek blijkt dat geld niet per se gelukkig maakt, vooral niet in rijke landen: zodra de verschillen in rijkdom toenemen, is dat van invloed op het welzijnsniveau. Finland is minder rijk dan de Verenigde Staten, maar steekt dat land de loef af wat geluk betreft. Vooral dankzij een grotere sociale gerechtigheid.

    In 1976 keerde ze terug naar Australië, met een gebroken voet waardoor ze geen vechtsport kon beoefenen. In Queensland zag de eenendertigjarige Courtin een affiche dat een lezing aankondigde met twee Tibetaanse boeddhisten: lama Yeshe en lama Zopa Rinpoche. Ze besloot erheen te gaan. ‘Zo heb ik mijn weg gevonden,’ zegt ze. ‘Ik was altijd al op zoek naar een manier om me te verhouden tot de wereld, tot de vraag waarom er lijden is, wat de oorzaken daarvan zijn. En ik denk dat ik niemand meer kon bedenken die ik de schuld kon geven voor het lijden van de wereld.’

    Boeddhistische lessen

    Sinds haar wijding, inmiddels vierenveertig jaar geleden, werkte Courtin als redacteur van boeddhistische tijdschriften en boeken. Nadat ze in 1996 een brief had gekregen van een jonge Mexicaans-Amerikaanse ex-gangster, die tot drie keer levenslang was veroordeeld en in een zwaarbeveiligde gevangenis in Californië zat, zette ze het Liberation Prison Project op, een non-profitorganisatie die gevangenen boeddhistische lessen en steun biedt.

    Courtin heeft veertien jaar aan het hoofd gestaan van dit programma en heeft op die manier duizenden gevangen geholpen. Nog altijd onderhoudt ze contact met enkele van haar ‘gevangenisvrienden’. Onlangs nog heeft ze een van hen opgezocht, een man die al sinds 1983 in Kentucky in de dodencel zit. ‘De gevangenis waar hij zit is een soort vuilnisbelt,’ zegt ze. ‘Geen enkel zintuiglijk plezier, het eten is verschrikkelijk, hij heeft niet de vrijheid om wat dan ook te doen, hij wordt als een monster beschouwd – en toch is hij gelukkig.’ Als praktiserend boeddhist is hij ‘voldaan en tevreden’. ‘Hij heeft gewerkt aan zijn geestelijke gezondheid, heeft de verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen. Hoewel hij dolgraag vrij zou komen, accepteert hij de realiteit van zijn bestaan. “Ik ben klaar voor die elektrische schok,” zei hij tegen me.’

    Ik vraag Courtin of ze ook woede voelt als ze denkt aan de situatie waarin deze man verkeert. ‘Nee, geen woede. Ik probeer hem te helpen in de situatie waarin hij zich bevindt, meer niet,’ zegt ze. ‘Ik weet nog dat ik een radicale politiek activiste was, in Londen, begin jaren zeventig. Toen was ik kwaad, om niet te zeggen woedend. Er is nu echt niet minder racisme, seksisme en onrecht dan toen, eerder meer – het gevangenissysteem in Amerika is echt godgeklaagd – maar ik ga nu anders te werk.

    ‘Een vogel heeft twee vleugels nodig om te vliegen: wijsheid en compassie’

    Het probleem is dat we het zien van nare dingen verbinden met boos zijn. We hebben het gevoel dat we, als we onze woede opgeven, het kind met het badwater weggooien.’ Courtin zegt dat ze ‘nog altijd activist’ is, maar dat het vasthouden aan woede vergelijkbaar is met jezelf steken met een mes: ‘het verlamt je gewoon’. In plaats daarvan past ze nu onverschrokken compassie toe, om haar eigen woorden te gebruiken. ‘In het boeddhisme is er het gezegde dat een vogel twee vleugels nodig heeft om te vliegen: wijsheid en compassie. Wijsheid is het eeuwige, het vormgeven van jezelf. Compassie is de daad bij het woord voegen en je inspannen om de wereld beter te maken.’

    Zoom

    Ruim tien jaar lang was Courtin vrijwel continu op pad, om in boeddhistische centra over de hele wereld onderwijs te geven. Totdat, toen ze in 2020 in Santa Fe was, de pandemie uitbrak. Ze stapte over op lessen via Zoom – ‘Ik ben verzot op Zoom’ – en een vriend maakte socialemedia-accounts voor haar aan. Op haar TikTok-account, waar ze 85.600 volgers heeft, staan korte filmpjes, waarin ze soms reageert op dingen die op dat moment spelen, met titels als: ‘Hoe je in deze wereld kunt leven zonder je verstand te verliezen’.

    ‘Je kunt de wereld gebruiken om jezelf te ontwikkelen,’ zegt ze. ‘Neem bijvoorbeeld oud-president Donald Trump. Als ik naar Trump kijk, ga ik niet lopen schreeuwen dat hij zo’n foute man is. Nee, ik denk: Dit zijn leugens, dat herken ik. Dit is ijdelheid, dat herken ik ook. Dit is arrogantie, dat herken ik ook. Er is niet één waanidee van Trump waarin ik me niet herken. De boeddhistische visie is dat we die gemoedstoestanden allemaal hebben, we zitten in hetzelfde schuitje. Dus dan heb ik iets van: fijn dat je me duidelijk maakt hoe ik niet wil zijn.’

    ‘Ik ga proberen mezelf nuttig te blijven maken. Nuttig tot ik erbij neerval’

    Courtin schreef onlangs op sociale media dat haar zus Jan was overleden na een ongeval in huis. Ze zegt dat de enorme hoeveelheid reacties op haar post haar ‘diep heeft geraakt, omdat de mensen zo aardig waren’. Zodra ze van het ongeval had gehoord, nam ze een vliegtuig naar Australië. Toen Jans beademing werd uitgeschakeld fluisterde Courtin de boeddhistische mantra’s die bij het overlijden horen, te midden van haar familieleden die luidkeels het lijflied van de Sydney Swans zongen.

    Zodra Courtin haar huidige Australische onderwijstournee heeft afgerond, vertrekt ze naar New York. Ze is voornemens daar ‘de laatste jaren van haar leven’ door te brengen. ‘Ze is van plan te gaan schrijven en redigeren, haar persoonlijke studie en haar boeddhistische praktijk voort te zetten, en les te geven via Zoom. Ik ga proberen mezelf nuttig te blijven maken. Nuttig tot ik erbij neerval.’ 

    Lees ook:

  • ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent’

    ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent’

    In Caïro verkopen christenen hun huizen alleen aan christenen, en moslims alleen aan moslims. Een fenomeen dat terrein wint in chique wijken van de stad. ‘Het geloof van de nieuwe eigenaar is een voorwaarde om door de bewoners te worden geaccepteerd.’

    Mariam wilde een appartement kopen. De wijk Al-Daher, hartje Caïro, waar veel kopten wonen en dus ook veel kerken te vinden zijn, leek haar wel wat. Haar vriendin Chayma, die in deze oude buurt woont, vergezelde haar naar woningen in aanbouw. Een ervan was eigendom van een christen, de bewoners en de conciërge waren dat eveneens.

    ‘Het is beter dat ik niet met je meega, want de conciërge zou kunnen denken dat ik de koper ben en de verkoop kunnen dwarsbomen omdat ik moslim ben,’ zei Chayma. ‘De moslims zijn hier een vervolgde minderheid, jij behoort tot de meerderheid.’ Dat laatste zei ze lachend, maar het is in Egypte maar al te waar, vooral in buurten met een koptische meerderheid, ook al wist Mariam daar niets van. Islamitische huizenbezitters staan erop dat alle bewoners moslim zijn; evenzo willen christelijke eigenaren van onroerend goed alleen iets te maken hebben met geloofsgenoten. Het fenomeen wint terrein in de beste buurten van Caïro. 

    ‘U zou zich toch niet op uw gemak voelen, de bewoners hier zijn allemaal moslims’

    De Egyptenaren geven graag hoog op van wijken die ze beschouwen als voorbeelden van vreedzame religieuze co-existentie, waar minaretten en kerktorenspitsen elkaar gebroederlijk flankeren. Toch wonen kopten meestal in de buurt van een kerk en moslims naast een moskee. En verder voel je in zo’n gemengde wijk wel degelijk een diepe polarisatie. 

    Chérine Chérif, een jonge koptische journalist, vertelt dat ze ooit met een makelaar een van de chicste wijken van Nieuw-Caïro in ging om er een pand te kopen. ‘Ik trof de eigenaar en zijn zus, en we werden het eens over de prijs. Diezelfde avond kreeg ik een telefoontje van de echtgenoot van de zus: ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent.’ Hij voegde eraan toe: ‘U zou zich toch niet op uw gemak voelen, de bewoners hier zijn allemaal moslims.’

    Façade 

    Majdi Sameh had besloten om een appartement te huren in de wijk Ain Al-Shams. Op het terrein stond een kruis. Bij de ingang, vlak bij de lift, waren afbeeldingen van heiligen opgehangen. ‘Nadat ik het appartement had bezocht en met de eigenaar alle bijzonderheden had nagelopen, spraken we af dat ik diezelfde avond nog het contract zou ondertekenen. Mijn verloofde kwam mee om het appartement te bekijken waar we na onze bruiloft zouden gaan wonen. De eigenaar reageerde als door een adder gebeten toen hij zag dat mijn verloofde gesluierd was, alsof ik hem voor de gek had gehouden. Hij vroeg me wat mijn achternaam precies was en toen hij hoorde dat die eindigde op ‘Hussein’, verbrak hij de huurovereenkomst. Hij zou ineens hebben besloten te verkopen.’

    Shubra is een chique buurt met een op het oog onberispelijke diversiteit, waar evenveel kopten als moslims wonen. In de straten staan kerken en moskeeën zij aan zij, restaurants en patisserieën adverteren met ‘speciale levensmiddelen voor de vasten’ – dat wil zeggen: zonder dierlijke vetten voor de kopten. Maar deze façade verbergt een heel andere werkelijkheid. ‘Het geloof van de nieuwe eigenaar is een voorwaarde om door de bewoners te worden geaccepteerd,’ zegt Nabil Hakim, makelaar in Shubra. 

    Aanslagen 

    Volgens de 86-jarige makelaar Ahmad Abdel Fattah ‘zijn de kopten begonnen zich te isoleren en te hergroeperen rond de kerken, in panden die vaak familiebezit zijn, na de religieus gemotiveerde aanslagen in 1981 in Al-Zawiya Al-Hamra. Daarbij kwamen tientallen kopten om het leven en werd een aantal gebouwen van hen verbrand. Moslims zijn zich pas gaan afzonderen na de aanslagen op het World Trade Center.’

    Assem Ad-Dassouki, hoogleraar hedendaagse geschiedenis, wijst erop dat Egypte voor de Britse kolonisatie in 1882 nooit religieuze discriminatie had gekend. ‘De Britten probeerden hetzelfde regime in te stellen als ze in India hadden gedaan tussen hindoes en moslims. Toen in 1952 de revolutie uitbrak, werd de nationale eenheid tussen alle bevolkingsgroepen bevestigd, en deze hield min of meer tot stand tot Sadat, die in 1970 aan de macht kwam, artikel 2 invoerde. Daarin werd vastgelegd dat de islam de staatsgodsdienst was en de sharia de bron van wetgeving.’

    ‘Vandaag de dag zien we ook discriminatie binnen sociale klassen en beroepsgroepen, zelfs tussen mensen met hetzelfde beroep’

    Saoussan Al-Fayed, hoogleraar sociale psychologie, zegt dat gezamenlijke ​​actie van instellingen op het gebied van onderwijs, media en cultuur essentieel zijn. ‘Vandaag de dag zien we ook discriminatie binnen sociale klassen en beroepsgroepen, zelfs tussen mensen met hetzelfde beroep.’ Volgens advocaat Hoda Nasrallah is er geen wet die een eigenaar verbiedt om een koper op grond van welke criteria dan ook uit te kiezen. De eigenaar kan wel een boete krijgen, alleen moet wel bewezen kunnen worden waarom de koop niet doorging. En dat is niet eenvoudig.

  • Antonio Spadaro: ‘Ook in tijden van internet moeten we over geloof nadenken’

    Antonio Spadaro: ‘Ook in tijden van internet moeten we over geloof nadenken’

    De Italiaanse jezuïet Antonio Spadaro is een van de eersten die onderzocht hoe het internet de manier waarop het geloof beleefd wordt beïnvloedt. In zijn baanbrekende boek Cybertheologia schrijft hij over de impact van de digitale revolutie op religie. Lees de exclusieve vertaling van het voorwoord.

    Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘

    ‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven? 

    Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.

    Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De vijfde in de reeks is de Italiaanse jezuïet Antonio Spadaro.

    Is the Internet Changing the Way you Think? Dat is de titel van een in 2011 in de Verenigde Staten onder redactie van John Brockman verschenen interviewbundel over de impact van het internet op ons leven. Dat is inderdaad de echte vraag, de enige die we onszelf moeten stellen: verandert het internet onze manier van denken? Recente digitale technologieën zijn niet langer gereedschappen of hulpmiddelen die volledig losstaan van ons lichaam en onze geest. Het internet is geen hulpmiddel, maar een ‘omgeving’ waarin we leven. De ‘devices’, oftewel de apparaten die we daartoe altijd bij de hand hebben (en die vaak ook niet groter zijn dan een hand) en die ons in staat stellen altijd online te zijn, verdwijnen steeds meer, worden lichter, verliezen consistentie en vervagen tegen de achtergrond van de digitale dimensie van het leven. Het zijn open deuren die zelden gesloten worden. Wie zet nog zijn iPhone uit? Die wordt opgeladen, wordt op ‘stil’ gezet, maar wordt zelden uitgeschakeld. Er zijn mensen die niet eens weten hoe dat moet. En als we een smartphone op zak hebben die aanstaat, zijn we continu online. 

    En dus wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar hoe het internet ons dagelijks leven en, in algemenere zin, onze relatie met de wereld en de mensen om ons heen verandert. Maar als het internet onze manier van leven en denken verandert, zal het dan niet ook onze manier van denken over, en beleven van, het geloof veranderen (…hetgeen ook al gebeurt)? 

    Lees ook de artikelen van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:

    » Nadia Harhash: ‘Worden mannen geboren als vrouwenhaters?’

    » Patrick J. Deneen: ‘De nieuwe aristocratie verbloemt haar bevoorrechte positie

    » Minouche Shafik: ‘We hebben een nieuw sociaal contract nodig’

    » Colombe Cahen-Salvador: ‘Mondiaal is het nieuwe normaal’

    Geloof en internet

    Die vraag kent voor mij een precies ontstaansmoment. In januari 2010 werd ik door Mgr. Domenico Pompili gevraagd om een lezing te geven op een congres georganiseerd door de Italiaanse Bisschoppenconferentie, getiteld Digital Witnesses. Hij vroeg me om te praten over geloof en internet. Tot dan toe had ik, vanaf 1999, voor La Civiltà Cattolica een aantal artikelen geschreven over afzonderlijke aspecten van het internet en over afzonderlijke sociale netwerken. Daarmee zette ik de traditie van grote betrokkenheid voort van het tijdschrift waarvan ik in oktober 2011 hoofdredacteur werd, een traditie die in gang was gezet door pater Enrico Baragli, een ware pionier in het onderzoek naar massamedia, voortgezet door pater Antonio Stefanizzi met artikelen over nieuwe communicatietechnologieën. 

    Toen Mgr. Pompili me benaderde, had ik twee boeken over het onderwerp geschreven: Verbindingen. Nieuwe vormen van cultuur in het internettijdperk (2006) en Web 2.0. Relatienetwerken (2010). Maar zijn uitnodiging bezorgde me toch een ongemakkelijk gevoel. Ik begreep dat hij me met zijn verzoek niet vroeg om een fenomenologische beschouwing over internettools voor evangelisatie, noch om een ​​sociologische bespiegeling over religiositeit op internet. Dat wil zeggen, dergelijke bespiegelingen volstonden mijns inziens niet. Ik herinner me dat ik, toen ik probeerde mijn betoog voor te bereiden, voor het lege scherm van mijn computer zat zonder te weten hoe te beginnen, wat te schrijven. Maar ik snapte wel dat ik een ​​‘theologisch’ betoog moest houden. Dit was het moment om iets te zeggen dat de vrucht was van de cognitieve impuls die van het geloof uitgaat in een tijd als de onze, waarin de logica van het internet haar stempel drukt op onze manier van denken, weten, communiceren, leven. 

    Welke impact heeft het internet op de manier waarop er naar de Kerk en de kerkelijke gemeenschap wordt gekeken?

    Daarmee drong ik een gebied binnen dat me aanvankelijk nogal onontgonnen en weinig populair toescheen. Bij het zoeken naar literatuur over het onderwerp ontdekte ik dat er inmiddels weliswaar veel geschreven is over de pastorale dimensie, waarin het internet als een instrument van evangelisatie wordt gezien, maar dat er van een systematisch-theologische reflectie daarentegen amper sprake was. Mijn vragen waren: welke impact heeft het internet op de manier waarop er naar de Kerk en de kerkelijke gemeenschap wordt gekeken? En welke invloed heeft het op de manier waarop over de Openbaring, de genade, de liturgie, de sacramenten – en dus over de klassieke thema’s van de systematische theologie – wordt gedacht? Mijn lezing van 23 april 2010 op het congres Digital Witnesses was de eerste stap in een persoonlijke reflectie die nog maar net in gang is gezet. 

    De gedachte dat we deze vragen onder ogen moeten durven zien wordt steeds meer gedeeld. Benedictus XVI zelf sprak de deelnemers aan de plenaire vergadering van de Pauselijke Raad voor Sociale Communicatie op 28 februari 2011 als volgt toe: ‘Het is niet alleen zaak de evangelieboodschap te verkondigen in de taal van nu, maar het is ook noodzakelijk de moed op te brengen om, zoals ook is gedaan in andere tijden, dieper na te denken over de relatie tussen het geloof, het leven van de Kerk en de veranderingen die de mens doormaakt. Het is de verplichting om degenen die verantwoordelijkheid dragen in de Kerk te helpen de “nieuwe taal” van de media te begrijpen, te interpreteren en te spreken bij het pastorale werk en in de dialoog met de hedendaagse wereld, en zich af te vragen: voor welke uitdagingen worden het geloof en de theologie gesteld door het zogenaamde “digitale denken”? Voor welke vragen en verzoeken? De communicatiewereld beïnvloedt het hele culturele, sociale en spirituele universum van de mens. Als die nieuwe talen een impact hebben op zijn manier van denken en leven, heeft dat in zekere zin ook betrekking op zijn geloofswereld, zijn intelligentie en zijn expressie. Volgens een klassieke definitie is theologie het begrijpen van het geloof, en we weten dat begrip, opgevat als beschouwende en kritische kennis, niet terugdeinst voor culturele veranderingen. De digitale cultuur stelt nieuwe eisen aan ons vermogen om een symbolische taal te bezigen en te horen die spreekt van transcendentie. Ook Jezus zelf maakte bij de verkondiging van het Koninkrijk gebruik van elementen uit de cultuur en de omgeving van zijn tijd: de kudde, de velden, het feestmaal, de zaden enzovoort. Vandaag de dag wordt ons gevraagd om, ook in de digitale cultuur, symbolen en metaforen te ontdekken die voor mensen betekenisvol zijn, die van nut kunnen zijn bij het tot de hedendaagse mens spreken over het Koninkrijk van God.’

    Spirituele blik

    Nadenken over geloof in deze internettijd is echter niet alleen reflectie in dienst van het geloof. In werkelijkheid is de inzet zelfs nog hoger en allesomvattender. Als christenen nadenken over internet, is dat niet alleen om te leren hoe ze het goed kunnen ‘gebruiken’, maar ook omdat christenen geroepen zijn om de mensheid te helpen begrijpen hoe ze de diepe betekenis van het internet in Gods plan moeten opvatten: niet als een instrument om te ‘gebruiken’, maar als een omgeving om te ‘bewonen’. Zoals Johannes Paulus II in 2005 schreef in zijn apostolische brief De snelle ontwikkeling: ‘De Kerk, die op grond van de haar door de Heer toevertrouwde heilsboodschap ook leermeesteres van de mensheid is, is zich bewust van haar plicht zelf bij te dragen tot een beter begrip van de perspectieven en verantwoordelijkheden met betrekking tot de huidige ontwikkelingen van de communicatiemiddelen.’ Dit is de grootste bijdrage van de Kerk aan het internet, althans vanuit haar eigen gezichtspunt: de mensheid helpen de diepe betekenis van communicatie en van de media beter te begrijpen. En dat vooral omdat die ‘het geweten van individuen beïnvloeden, hun mentaliteit vormen en hun kijk op dingen bepalen’. In de ontwikkeling van communicatie ziet de Kerk de handeling van God die de mensheid de weg naar vervulling wijst. Het internet, met zijn vermogen om, op zijn minst in potentie, een ruimte voor gemeenschap te zijn, maakt deel uit van de reis van de mens naar deze vervulling in Christus. En dus dienen we met een spirituele blik naar het internet te kijken en daarbij Christus te zien die de mensheid oproept om steeds meer verenigd en verbonden te zijn. 

    Ik ben geen socioloog of technicus: ik ben academisch opgeleid in de geesteswetenschappen – eerst filosofie en daarna theologie – en het was de literaire kritiek, waarmee ik me sinds 1994 bezighoudt voor La Civiltà Cattolica, die me ertoe aanspoorde te gaan nadenken over het internet. Het kritisch lezen van poëzie bracht me ertoe me met technologie bezig te houden en de theologie stelde me in staat de juiste nieuwsgierigheid aan de dag te leggen en de juiste categorieën te hanteren om die te begrijpen. Ik putte troost en inspiratie uit de bevindingen van Marshall McLuhan, die de nieuwe media met een vernieuwende blik benaderde, te weten als literair criticus en katholiek denker en niet als socioloog. Vervolgens was het de dichter Gerard Manley Hopkins die me de rol van technologische innovatie hielp begrijpen, was het de jazz die me de rol van sociale netwerken deed begrijpen, waren het theologen – van Thomas van Aquino tot Teilhard de Chardin – die me verlichtten inzake de krachten die de mens actief maken in de wereld door deel te nemen aan de schepping, en die de mens optillen naar een doel dat hoger is dan hijzelf en elk cognitief surplus te boven gaat. Het is de onuitputtelijke zoektocht naar betekenis die me de waarde van de USB-kabel in mijn hand heeft doen inzien. En ik weet dat mijn iPad verband houdt met mijn onuitblusbare verlangen om de wereld te leren kennen, terwijl mijn iPhone me (zelfs als hij op stil staat) vertelt dat ik gemaakt ben om niet alleen te zijn. Maar het is Whitmans poëzie die mijn belangstelling voor vooruitgang aanwakkert. En het is Eliot die me ervoor behoedt in haar valkuilen te lopen. Maar het is ook Flannery O’Connor die me doet inzien dat ‘de genade in hetzelfde gebied leeft als de duivel’ en dat langzaam in bezit neemt. En dus begrijp ik dat ik, hoeveel slechts ik ook zie op het net, er nooit een negatief oordeel over zal kunnen vellen om vervolgens op mijn lauweren te rusten, als ik God aan het werk in de wereld wil zien. En als ik zie hoe elektriciteit mijn computer binnenstroomt, waardoor die aanspringt en op wonderbaarlijke wijze begint op te starten, is het de gedachte aan de bezielde poëzie van Karol Wojtyla die mijn verwondering stuurt. 

    Cyberspace benadrukt onze eindigheid en roept op tot volkomenheid

    De technologie geeft uitdrukking aan het verlangen van de mens naar een volkomenheid die altijd groter is dan hijzelf, zowel op het niveau van aanwezigheid en verbinding als op het niveau van kennis: cyberspace benadrukt onze eindigheid en roept op tot volkomenheid. Daarnaar op zoek gaan betekent in zekere zin opereren in een veld waarin, zoals ik al zei, spiritualiteit en technologie elkaar kruisen. 

    Op 23 april 2010 begon ik aan een reeks artikelen voor La Civiltà Cattolica, en vervolgens heb ik mijn bevindingen getoetst op verschillende conferenties en bijeenkomsten, zowel in Italië als in het buitenland. Hoewel de resultaten van mijn studie, die ik heb gedefinieerd als ‘cybertheologie’, vooral zijn geboekstaafd in een aantal essays in La Civiltà Cattolica, voelde ik de behoefte om die ook open te stellen voor online raadpleging en debat. En dus heb ik op 1 januari 2011 het blog Cyberteologia.it gestart, en vervolgens ook de Facebookpagina ‘Cybertheology’, een Twitteraccount (@antoniospadaro) en de krant The CyberTheology Daily (http://www.cyber-theology.net), een service voor contentbeheer. Op die manier heb ik geprobeerd mijn reflecties ‘sociaal’ te maken. Ten slotte redigeer ik sinds april 2011 een maandelijkse column over cybertheologie in het maandblad Jesus

    Antropologische verandering

    Nu ik dit boek aan de lezer ter hand stel, wil ik enkele punten eruit aanstippen die samen een soort conceptueel uitgangspunt vormen. Allereerst wil ik benadrukken dat men zich, alvorens te beginnen met lezen, de vraag moet stellen wat de nieuwe, door de media gegenereerde existentiële context behelst, en de daaruit voortvloeiende ‘antropologische verandering’. Wat betekent die voor het geloof? In welke wereld leven we? Is die hetzelfde als vroeger? Als iemand vraagt ‘Waar woon je?’, wat zouden we dan antwoorden? We bewonen ook een ‘digitaal grondgebied’. Welke waarde kennen we in het digitale tijdperk toe aan het feit dat ‘het Woord vlees is geworden en onder ons is komen wonen’? 

    Ik wil er derhalve graag op wijzen dat het mijn bedoeling is om mogelijke scenario’s te schetsen en het verlangen te voeden om niet te stoppen bij de ‘wonderen’ van de techniek, maar om verder te gaan en te begrijpen hoe de wereld verandert en hoe deze verandering invloed heeft op het geloofsleven. Technologieën zijn niet alleen ‘nieuw’ omdat ze anders zijn dan wat eraan voorafgaat, maar ook omdat ze het begrip ‘ervaren’ ingrijpend veranderen. We moeten niet zo naïef zijn te geloven dat ze ons ter beschikking staan zonder dat ze op enigerlei wijze tornen aan onze manier om de werkelijkheid waar te nemen. Het is de taak van de Kerk, zoals van alle kerkelijke gemeenschappen, om de mens te begeleiden op zijn reis, en het internet maakt inmiddels onlosmakelijk deel uit van die reis. 

    Als je naar het internet kijkt, dien je niet alleen naar de toekomstperspectieven te kijken die het biedt, maar ook naar de verlangens en de verwachtingen die de mens altijd heeft gekoesterd en ten aanzien waarvan hij naar antwoorden zoekt, te weten: verbinding en kennis. We weten heel goed dat het bestaan van de Kerk altijd op twee fundamentele pijlers ​​heeft gerust: de verkondiging van een boodschap en gemeenschapszin. En dus is de Kerk vanzelfsprekend dáár aanwezig waar de mens zijn vermogen tot kennis en verbinding ontwikkelt. Dat is de reden waarom het internet en de Kerk ‘altijd al’ waren voorbestemd elkaar te ontmoeten. En daarom is het vandaag de dag ook noodzakelijk om na te denken over het geloof in tijden van internet, oftewel over ‘cybertheologie’.

    Antonio Spadaro

    Antonio Spadaro, S.J. is een Italiaanse Jezuïet, journalist en schrijver, maar bovenal vertrouweling en een van de voornaamste adviseurs van paus Franciscus. In 1988 deed hij zijn intrede bij de Sociëteit van Jezus en in 1998 raakte hij betrokken bij het tweewekelijkse jezuïtische tijdschrift La Civiltà Cattolica, waarvan hij sinds 2011 hoofdredacteur is.

    In 2014 publiceerde hij zijn invloedrijke boek Cybertheology, waarin hij ingaat op de invloed van de digitale revolutie en het internet op onze kijk op leven en geloof, en klassieke theologische begrippen als de openbaring, gratie, liturgie en sacramenten. Spadaro is lid van de Pauselijke Raad voor de Cultuur en lid van de Pauselijke Academie voor Kunst en Literatuur. In 2013 nam hij het eerste interview van paus Franciscus af, dat wereldwijd in verschillende vertalingen verscheen.

  • Het Jeruzalemsyndroom. De vloek van de verdeelde stad

    Het Jeruzalemsyndroom. De vloek van de verdeelde stad

    In geen enkele stad ter wereld draait het dagelijks leven zo om religie als in Jeruzalem. ‘De Stad van de Vrede’ – die ironisch genoeg nooit vrede heeft gekend – herbergt zelfs burgers met het zogenoemde Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.

    Keuze uit ons archief

    Al eeuwenlang is Jeruzalem een stad die betwist wordt door christenen, moslims en joden. Ook nu zwelt het conflict tussen Israël (joods) en Palestijnse groeperingen (islamitsch) weer aan na hard optreden van de Israëlische politie tegen Palestijnse betogers bij de Al-Aqsamoskee op de Tempelberg – belangrijke heiligdommen van beide religies –, waarop Hamas reageerde met een spervuur aan raketten. Wat is toch die speciale kracht van Jeruzalem die het hart en hoofd van vele gelovigen op hol brengt, zelfs in zo’n mate dat er een syndroom naar is vernoemd? Dimitrij Kapitelman – atheïst, maar van joodse origine – zocht het uit.

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 138, april 2018.

    In de waarschijnlijk meest gloedvol beschreven stad aller tijden is het deze decemberavond rustig. Bedeesd bijna. In elk geval binnen de majestueuze muren van de Oude Stad. Niet dat er een sacrale stilte hangt, eerder een geconcentreerd zwijgen. Zodra de handelaren hun souvenirshops op slot doen, raken de dicht opeen gelegen, heuvelachtige steegjes tussen de hoge muren van Jeruzalem leeg. Uit de portofoons van de Israëlische soldaten die overal tussen de rijen huizen in groepjes op wacht staan, knetteren korte mededelingen. Het is 18 december 2017.

    Twaalf dagen eerder heeft de Amerikaanse politieke komediant Donald Trump aangekondigd dat hij het gedeelde Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent. In het Joodse West-Jeruzalem is de zevende kaars van de chanoekia [de negenarmige kandelaar die met Chanoeka wordt gebruikt] ontbrand, in het oosten de woede van de Palestijnen over dit goddeloze paternalisme. De zogeheten Arabische wereld heeft Dagen van Woede afgekondigd. Jeruzalem heeft koorts. En als Jeruzalem koorts heeft, loopt de temperatuur van de hele mensheid op. Van Bali tot Berlijn klinken brandende redevoeringen, worden dure eden gezworen en wapperen de vlaggen. En dooft het levenslicht.

    Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt?

    Ondertussen stinkt de Via Dolorosa, de lijdensweg waar Jezus ooit zijn kruis overheen sleepte, naar de pis van de krolse katers die je overal in de steegjes van de Oude Stad hoort krijsen. Tegenover het geboortehuis van de Maagd Maria staan twee lege diepvrieskisten met reclame van Ola. Iets verderop verwisselen Arabischsprekende bouwvakkers putdeksels.

    Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt? Waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam voor hij tijdelijk overleed om vervolgens in de Kerk van het Heilig Graf te worden opgebaard? Waar de profeet Mohammed opsteeg naar het hemelrijk met achterlating van de Rotskoepel? Waar de tempel van de joden heeft gestaan en waar ze aan de laatst overgebleven muur daarvan, de Klaagmuur, nog altijd bidden? En waar ze zelf in 2004 een heel grote en veel beklaagde muur hebben gebouwd om zich hermetisch af te sluiten?

    Lees ook:

    Heiligdomhoppen

    Door een beetje heiligdomhoppen kun je de symbolen van de drie wereldgodsdiensten in een kwartier aflopen. En door slechts één keer in deze stad te verblijven kun je je verstand kwijtraken. Of God vinden. Of je verstand kwijtraken én God vinden. Of God en dus pas eigenlijk je verstand vinden. Of toekijken hoe God zijn verstand verliest. De wisselwerking tussen deze vondstverlies-verliesvondsten is in Jeruzalem omstreden. Maar dat ze bestaan, valt niet te bestrijden.

    Er is een officieel erkende psychose die alleen in deze stad optreedt: het Jeruzalemsyndroom. Overweldigd door de alomtegenwoordigheid van het hemelse gaan sommige toeristen − het maakt niet uit van welke religie − denken dat ze een heilige zijn. Een engel, een apostel, soms zelfs de op dat moment wedergeboren messias. Eerst stoppen ze met slapen, dan met lichaamsverzorging en ten slotte met hun gehele burgerbestaan tot dan toe. Gehuld in beddenlakens zwerven ze door de stad en verkondigen psalmen, hun eigen wedergeboorte, soms het naderende einde.

    Uit de vakliteratuur komt niet naar voren of de alomtegenwoordigheid van de hemel in deze stad echt de ziekteverwekker is, of juist het blijkbaar teleurstellende ontbreken daarvan: de onbeheerde Ola-diepvrieskisten, het onderhoudswerk aan putdeksels. Hoe dan ook, meestal laten de zelfverklaarde verlossers zich met klinische zorg en kalmeringsmiddelen van gemiddelde sterkte weer tot individuen terugverplegen.

    De ‘Stad van de Vrede’ heeft de facto nooit vrede gekend

    Toch lijkt het nog krankzinniger dat uitgerekend de voor miljoenen gelovigen wereldwijd heiligste plaats op aarde, Yerushalayim − etymologisch: ‘Fundament van God’ of ook ‘Stad van de Vrede’ − de facto nooit vrede heeft gekend. Dit feit is bij wijze van spreken een nog kolossaler Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.

    Het gaat dus om gezond mensenverstand en het begrijpen van God in Jeruzalem. Om vermijdbare misvattingen en openbaringen, krampen en verlossingen, wonderen en niet-wonderen die hier elke dag opnieuw worden vastgesteld, alsof ze even natuurlijk zijn geschapen als de mens zelf.

    Op een bepaalde manier wordt de grootste psychiatrische kliniek van Jeruzalem, Kfar Shaul, omringd door geestelijke blijmoedigheid. Ertegenover staan twee synagogen en twee joods-orthodoxe godsdienstscholen, waar ook iedere dag en even onverstoorbaar wereldbeschouwingen worden ingestudeerd. Maar als je de leerlingen van de jesjiva naar de kliniek vraagt die een paar meter verderop staat, maken ze een wegwerpgebaar, alsof het een onwelkome indringer van wereldse verdwazing is.

    Achter de goed bewaakte ingang ligt geen knots van een kliniek maar een voormalig dorp, met verspreide huisjes en binnenweggetjes. Het Israëlische leger heeft de voorheen Arabische nederzetting in 1948 bezet. Nou ja, eigenlijk ligt er voor de ingang nog, naast een palm, een man met zijn gezicht in de modder van het grasveld. Naar zijn vuile kleding te oordelen ligt hij er al een hele tijd. Vlak daarnaast zit een groepje sombere patiënten op een houten bank naar droevige muziek te luisteren, het klinkt als een vooroorlogse crooner, maar dan op zijn Hebreeuws.

    ‘Het leven in de kliniek heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen’

    Een paar meter verder klinkt uit de kliniek martiaal geschreeuw: de kleine fitnessruimte. Een kamer verder, in het zogeheten resocialiseringscentrum, zit een man met een volle baard en roodomrande ogen in zijn eentje achter de computer en bekijkt aanbiedingen voor cruises in de Cariben. Dr. Gregory Katz is de hoofdarts van Kfar Shaul. Als overtuigd zionist emigreerde hij in 1989 vanuit Moskou naar Jeruzalem, vertelt hij. Hij is mager, begin vijftig en praat vermoeid maar geconcentreerd. Hij was er ook van overtuigd dat het Joodse volk op de berg Sion, de oorsprong van hun geloof, thuishoort. Maar van die overtuiging is nog maar weinig over en godsdienstig is hij überhaupt nooit geweest. ‘Destijds in Rusland leken joden me bijzonder, op een of andere manier verlichter, voor iets voorbestemd. Maar het leven hier heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen. En dat een idee altijd alleen een idee blijft.’

    Katz heeft het Jeruzalemsyndroom niet direct ontdekt (de eerste teksten waarin van een dergelijk syndroom sprake is dateren al uit de zestiende eeuw) maar wel in toonaangevende medische tijdschriften beschreven. En hij heeft meer patiënten met het Jeruzalemsyndroom behandeld dan enig ander. Hoewel ook dat aantal overzichtelijk blijft: vroeger waren het ongeveer vijf tot zes gevallen per jaar. De zuivere vorm, waarbij een tot dan toe psychisch onopvallende persoon in Jeruzalem manisch wordt, komt toch al extreem weinig voor. In de regel is het type B: mensen met een bestaand ziektebeeld dat in Jeruzalem heviger wordt.

    ‘Alles bij elkaar is het een ziektebeeld dat verdwijnt. Pelgrims kunnen de Oude Stad op Google Street View tot in detail bekijken. Daarom blijft de shock na aankomst uit. Bovendien reizen mensen meer, zijn ze beter opgeleid er geloven ze niet meer zo direct in religie en wonderen’, vertelt Katz

    De laatste keer dat hij een patiënt behandelde, was een halfjaar geleden. Een wat oudere Engelse toeriste, protestants, die dacht dat ze een heilige was en die een eind wilde maken aan het conflict in het Midden-Oosten. ‘Een ernstig geval, omdat ze leed aan eeen bipolaire stoornis en er rotsvast van overtuigd was dat ze een directe verbinding met God had.’

    ‘Maar hoe kun je iemand op een geloofwaardige manier, met argumenten uitleggen dat hij geen rechtstreekse verbinding met God heeft?’

    ‘Dat is ook onmogelijk. Als ze een aanval krijgen, geven we ze medicijnen.’

    ‘Wat geeft u de zekerheid dat medicijnen een goede uitleg kunnen vervangen?’

    ‘Je kunt dit probleem niet filosofisch oplossen. In individuele gevallen zijn medicijnen veel praktischer. Zeker, een religieus iemand gelooft dat God alles ziet en dat hij onder Zijn hoede staat. Na het bidden ervaart hij een zekere extase, een zekere band met God. Daar is bidden tenslotte ook voor. Maar als iemand stemmen hoort die van God komen en die hem concrete opdrachten geven, bijvoorbeeld om zich uit te kleden, dan zijn dat hallucinaties.’

    ‘Denkt u dat de meeste mensen in Jeruzalem een gezonde verhouding tot het geloof hebben?’

    ‘U kunt zich niet voorstellen hoe verschillend mensen zijn. We kunnen ze niet over één kam scheren. Iemand die in een ultra-orthodox gezin is opgegroeid kijkt op een bepaalde manier naar de wereld. Goed of niet goed: het is een andere wereld. Ja, de joodse godsdienst kent heel veel concrete voorschriften. Dat kan de basis vormen voor een manie. Maar uit onderzoek blijkt dat godsdienstige mensen minder vaak aan psychische ziektes lijden. Dat ze minder vaak zelfmoord plegen, meer motivatie hebben, na lichamelijke kwalen sneller weer gezond zijn.’

    ‘Anderzijds heeft religie er aantoonbaar toe bijgedragen dat de Stad van de Vrede altijd omstreden is gebleven, en nu gedeeld is. Het heeft geleid tot zelfmoordaanslagen en een schijnbaar onoplosbaar conflict.’

    ‘Ja, maar dat is het principiële probleem van ideeën. Groepsideeën als religie of nationalisme leiden altijd tot felle discussies. Wie aan een bepaalde god gelooft en daarnaar leeft, zal altijd in conflict komen met andersdenkenden. Natuurlijk, je kunt cynisch worden en nergens in geloven. Dan wordt het makkelijker en heb je geen last van tegenspraak. Maar kan een mens überhaupt zonder ideeën leven? Ik betwijfel het.’ Na een korte denkpauze voegt Katz eraan toe: ‘Zo ambivalent is de mens nu eenmaal.’

    ‘En uw eigen idee? U bent een niet-gelovige Jood, en een cynicus lijkt u me ook niet.’

    ‘Ik teer op de resten van mijn humanisme.’

    ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab’

    Omdat humanisme goed is, maar metaalscanners beter, staat er altijd een tiental securitymannen bij de ingang van het hoofdbusstation van Jeruzalem. Een paar dagen eerder stak een jonge Palestijn een van deze mannen een mes in de borst. Misschien het begin van de gevreesde Derde Intifada. Of alleen maar een van de gebruikelijke, als alledaagse angst geïnternaliseerde basisgruwelen in deze verscheurde stad.

    En toch komt ook het gelukkige, domweg onbezorgde Jeruzalem steeds opnieuw te voorschijn. De vader met lange lokken voor zijn oren die zich bij het verkeerslicht omdraait naar zijn kinderen op het achterzitje om een liedje te zingen of met ze te praten. De monnik die op een biscuitje staat te kauwen. De rabbi die, moge het Gode welgevallig zijn, naar een van de vele over de hele stad verspreide lottokantoortjes loopt om een kraslot te kopen. De kleine Ali die in een van de uitgestorven maar zeer steile straatjes in de Oude Stad op zijn brandweerwagen naar beneden suist, aangevuurd door zijn twee zusjes die in koor scanderen: ‘Ali, Ali!’

    Hemelsbreed vijftig meter van de onverschrokken Ali de brandweerman staat de Verlosserskerk, omringd door louter handelaren die van hun religieuze relikwieën af willen: kruisjes, iconen, beschilderde houten eieren, sieraden. Allemaal schelden ze op Trump, die uitgerekend in de kersttijd de toeristen heeft afgeschrikt.

    Kafr Aqab

    En dan is er nog de onbeschrijfelijke wijk die niemand wil hebben. Toen in het stadhuis van Jeruzalem voor de laatste keer over Kafr Aqab werd gesproken, was dat om te bezien of de wijk niet afgescheiden moest worden en overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit, die daar ook al niet buitengewoon happig op was. Tot 2004 was Kafr Aqab een onopvallende burgerlijke nederzetting met twaalfduizend voornamelijk islamitische inwoners. Officieel hoorde ze bij Jeruzalem, waaraan ook belasting werd betaald. Toen bouwde Israël de grensmuur en lag Kafr Aqab opeens op de Westelijke Jordaanoever. Dit leidde ertoe dat het stadsbestuur zich nauwelijks meer om de verwilderde wijk bekommerde, waarna die er een bouwboom inzette die het inwonertal deed vervijfvoudigen.

    Door de hoofdstraat van deze onbeschrijflijke wijk, Ramallah Road, persen zich vergeefs toeterende en God noch gebod erkennende auto’s. Hoog in de lucht stapelen bouwkranen nog meer flats op elkaar. Het kleurrijkst in deze troosteloze berg beton zijn de talloze kinderen en de enorme hoeveelheid vuilnis langs de straten. ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab. Niemand die vraagt wie u bent of waar u vandaan komt. Hier bestaan geen verkeersregels, geen politie, geen justitie,’ zegt de 69-jarige Munir Zagheir. Het buurtcomité heeft hem gekozen als hun vertegenwoordiger. Als de pseudoburgemeester van Jeruzalems onbeschrijflijke wijk in woede ontsteekt − over huizen die op instorten staan, de marginale drinkwatervoorziening, de leeggeroofde scholen of de drugsdealers − vormen zich in zijn mondhoeken speekselresten zo groot als een kwartje. Die hij even vastberaden wegslikt als zijn voortdurende hoest.

    Een van Zagheirs grootste professionele successen is dat hij voor een Israëlische administratieve rechtbank een bodemsanering van Kafr Aqab heeft bevochten. ‘Ik heb de rechtbank duidelijk gemaakt dat ik wel honden en katten bij de vuilnishopen kan weghouden, maar vogels niet, die vervolgens met hun bacillen over de apartheidsmuur naar West-Jeruzalem vliegen.’

    ‘Het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt’

    In de ontvangstruimte van zijn huis hangen aan de muur portretten van zijn oudste zoon en van sjeik Ahmad Yassin, een van de oprichters van Hamas. Zagheirs positie is even duidelijk, maar helemaal onverzoenlijk is hij niet. De grenzen van 1967, Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de soevereine staat Palestina, en dan vrede. Soms vertelt hij met zijn stralend groene ogen dat alleen wie bloemen zaait, bloemen kan oogsten. Dan weer spreekt hij met kleurloze ogen over soldaten, tegen de bezetting en gasmaskers. Toen het Israëlische parlement een paar weken geleden beraadslaagde over de afscheiding van zijn wijk, werd Zagheir uitgenodigd. ‘Ik heb gezegd: nooit van mijn leven. Want ze willen het leven in Kafr Aqab helemaal niet verbeteren. Het is alleen een demografische truc om het kiezersbestand te verschuiven ten guste van de orthodoxe joden in Jeruzalem.’

    ‘Is de ellende in Kafr Aqab het resultaat van religieuze conflicten?’

    ‘Nee, het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt. Wij moslims weten heel goed dat Jeruzalem voor alle drie de godsdiensten even belangrijk is. Waarom zouden wij dan de stad alleen voor onszelf willen? Ons aller leraar Jezus Christus predikte de wereld al: behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelden.’

    Schooluniforms

    Zagheir laat foto’s van de wijk zien: zonder vergunning neergezette gebouwen die de stad Jeruzalem inmiddels zelf moet huren voor privéscholen en klinieken. Vijf van deze wolkenkrabbers moeten worden afgebroken. Wanneer Zagheir de verslaggever door zijn wijk leidt, wordt hij onderweg door waanzinnig veel mensen gegroet. Hij kent ze allemaal, de schoolkinderen, shoarmaverkopers, sigarettenhandelaren en invaliden. ‘Salam Abu’, ‘Salam aleikum’, klinkt het uit de openstaande ramen. Een geliefd man in een liefdeloos oord. Wie wil, kan in Zagheir een profeet zien.

    Aan de met sloop bedreigde huizen wordt intussen stug doorgebouwd. Blok na blok. Of ze blijven, weten noch de bouwvakkers, noch de meubelverkopers op de hoek die de eveneens speculerende inwoners ijverig van lederen sofa’s voorzien. Op een paar balkons hangt al was te drogen, op de zevende verdieping hangen twee vogelkooitjes.

    ‘Als u me wilt verontschuldigen, ik moet nog iets zakelijks doen,’ zegt Zagheir na een kleine rondgang.

    ‘Mag ik vragen wat?’

    ‘Ik moet naar een naaiatelier.’

    ‘Een naaiatelier?’

    ‘Ja. Ontwerpen voor schooluniformen bekijken. Ik ben eigenlijk ontwerper.’

    De aanhanger van Hamas en vertegenwoordiger van de rechten van 58.000 mensen is twintig minuten later een schooluniforminspecteur geworden. Nauwkeurig bestudeert hij in het nabijgelegen Aram de op de Amerikaanse honkbalstijl gebaseerde jacks. Vierhonderd stuks voor de laatste klas van de Rhashadiaschool. Omringd door de al even geconcentreerde jacks evaluerende mannen van het atelier. De vrouwen blijven in de achterruimte achter hun naaimachines zitten, in een sober, geheel door videocamera’s bewaakt atelier. Uiteindelijk geeft Zagheir opdracht de rode kragen beter vast te zetten.

    Op de terugweg gaat de pseudoburgemeester binnendoor, door het vluchtelingenkamp Kalandia. Een kamp dat al meer dan dertig jaar bestaat en intussen qua infrastructuur wel een stad lijkt. Voor veel Palestijnen is het daarom het symbool geworden voor de nakba, de Verdrijving.

    Weer wordt Zagheir allerhartelijkst begroet.

    ‘Ze willen graag dat ik ook hier de boss word,’ geeft hij als reden voor zijn populariteit.

    ‘En wordt u dat?’

    Zagheir zwijgt even. Hoest. Onderdrukt zijn hoest weer.

    ‘Misschien. Maar het stelt hoge eisen aan je als je geliefd bent bij de mensen.

    ‘O ja, hoe dan?’

    ‘Je moet oprecht zijn. Van de mensen houden als van jezelf. Eerlijk en waarachtig blijven. Maar als je dat ter harte neemt, heb je ook succes.’

    ‘En beschikt u over al die deugden?’

    ‘Die heeft mijn godsdienst me geleerd.’

    Zagheir komt bij een kruispunt zo smal als een potlooddoosje. Drie vrachtwagens uit drie richtingen, zijn eigen gammele Toyota uit de vierde. Geen verkeersborden, geen regels. Met gebaren maken ze elkaar duidelijk wat ze willen en ze manoeuvreren langs elkaar terwijl het middaggebed van de muezzin over het onbeschrijflijke gebied schalt.

    Twee uur later zal er op Ramallah Road van begrip geen sprake zijn. Eerst is er extase, wanneer vijfduizend mensen met Palestijnse vlaggen naar de gehate grensovergang marcheren. Voor de Dag van Woede, met borden waarop staat dat Jeruzalem voor eeuwig bij Palestina hoort. Om dat mee te maken komen de burgers van Kafr Aqab trots uit hun tapijtenwinkels en garages, en staan ze op hun ongeautoriseerde en instortingsgevaarlijke balkons. Ze filmen met hun mobieltjes en zingen luidkeels. Al snel staan er barricades in brand en gooien schreeuwende jongeren uit Kafr Aqab stenen naar de soldaten. Totdat ze Israëlisch traangas inademen uit de lucht die even eerder vol was van enthousiasme.

    De nieuwe messias

    Omri Szmulewicz zit achter zijn MacBook in café HaMiffal in West-Jeruzalem, dat niets heeft meegekregen van de Dag van Woede die zich een paar kilometer daarvandaan afspeelt. HaMiffal was tot voor kort een leegstaand gebouw, nu is het superhip als verblijf voor kunstenaars uit de hele wereld. Op dit moment presenteert een Ierse kunstenares er werk dat ze, gezichten van haar onbekende mensen aftastend, met haar ogen dicht heeft getekend. Szmulewicz organiseert in HaMiffal alles wat met muziek te maken heeft. Hij zorgt voor het geluid en bespeelt zelf een groot aantal instrumenten. Daarnaast organiseert hij de fundraising voor een biomedische start-up. Maar zijn eigenlijke roeping, de reden waarom Szmulewicz überhaupt naar Jeruzalem is gekomen, heeft niets met biomedisch werk te maken. Eerder met psychologie. Hij wil de nieuwe messias worden. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik sinds mijn openbaring niet het gevoel heb dat ik de Ene ben,’ zegt hij. ‘Een stem in mijn hoofd zegt steeds opnieuw: jij hebt de gave, jij moet de boodschap verkondigen.’

    Szmulewicz is een uit de kluiten gewassen, modern geklede man van begin dertig met lang zwart haar en de aanstekelijke open grijns van een echte schelm. Hij beschikt over een aanmerkelijke tegenwoordigheid van geest, een bombastische welbespraaktheid en zelfspot. Het tegendeel dus van een in beddenlakens wandelende manische Jeruzalemsyndroomzwamneus, zou je denken. Zijn openbaring, of ‘opwekking tot de psycho magic’ zoals hij het zelf noemt, heeft ook niet plaatsgevonden op een heilige plaats, maar in een psychotherapeutische praktijk waar hij therapie volgde.

    Eigenlijk komt hij uit een welgesteld voorstadje van Tel Aviv. Met weldenkende ouders, een huis met kasten vol filosofieboeken en een frequent bespeelde concertvleugel in een woonkamer met glazen pui. ‘Waar ik weinig liefde heb ervaren en ben opgevoed tot scepticus.’ Daarom ook heeft hij in therapie geprobeerd het klaarblijkelijk nutteloze, naar contact snakkende kind in zichzelf te vermoorden. ‘Het zit op de punt van een driehoek. En wat ik ook probeer, ik slaag er niet in het te bereiken. Ik weet dat ik zal sterven als ik val. Ik zit gevangen tussen twee werelden. Ik word gruwelijk depressief, ga zitten, probeer een sigaret te draaien en val omlaag. Maar op dat moment verschijnen er engelen boven me die me opvangen. Ik haal drie keer diep adem, de drie beste ademteugen in mijn leven. Ik realiseer me dat ik het kan. Begin weer op te stijgen, langzaam, beetje bij beetje. Nu om het kind in mezelf te omarmen. En ik begrijp: dit is het dilemma van de mensheid. De top en de afgrond, het gewicht en de gewichtloosheid, het tijdrovende scheppen en het ellendig snelle verwoesten.’

    ‘God is precies de idee die je van de onverdraaglijkheid van de wereld redt, die met open ogen doet dromen’

    Sindsdien begrijpt Szmulewicz het leven als een magische droom die iedereen door liefde kan vormgeven. Daarbij ziet hij heel goed dat veel om ons heen een voorliefde heeft voor het doden: ‘Rationeel beschouwd is de wereld onverdraaglijk. En dat altijd geweest. Maar God is precies de idee die je van deze onverdraaglijkheid redt, die met open ogen doet dromen.’

    Szmulewicz wil een avondwandeling maken in de Oude Stad. Op weg daarheen zien we op veel gebouwen affiches hangen met het opschrift ‘God bless Trump’. De achtste kaars van de chanoekia is aangestoken, en de Mamilla Mall die naar de Oude Stad loopt, met zijn luxe winkels, is vol kleurige rijen lampjes en dikke portemonnees. ‘So, so you think you can tell heaven from hell?’ covert een grijze, orthodoxe man Pink Floyd op zijn gitaar. Zonder haast slaat Szmulewicz een van de stille zijstraatjes in. Toevallig lopen we tegen het kerkje van de Arameeërs aan, de eerste leerlingen van Jezus. Voor de onverlichte toeschouwer toevallig, maar voor Szmulewicz een teken.

    ‘Toeval bestaat niet. Vandaag moest ik deze plaats zien. Eraan herinnerd worden dat ook de grote godsdiensten een paar duizend jaar geleden zijn gevestigd door mensen met openbaringen. En dat geen van hen in zijn tijd erg geliefd was. Abraham heeft zijn familie verlaten om de epische weg naar het beloofde Land op te gaan. Jezus was een jood vol pretenties die iedereen tegensprak. Daarom is hij vermoord. Zelfs Boeddha kwam uit een streng religieus milieu en verklaarde ooit: u kletst allemaal maar wat. Religies hebben behoefte aan iemand die van tijd tot tijd de decadent geworden orthodoxie overwint.’

    Smalle treden leiden naar een dak waar je de gouden Rotskoepel bijna kunt aanraken. Eigenlijk is het een aaneengesloten areaal van daken, en ze zeggen dat je over deze daken de Oude Stad helemaal kunt doorkruisen. Achter de al-Aqsamoskee strekt zich de Tempelberg uit, daarboven schitteren zachtgouden sterren. Op een moment als dit is er misschien wel geen plaats op de wereld die wereldser is dan Jeruzalem.

    ‘We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten’

    Szmulewicz gaat zitten om te mediteren. Na ongeveer twintig minuten gaat hij verder: ‘Ik heb de laatste maanden zo veel tekens gekregen en gezien. Soms moet ik ergens aan denken, dan sla ik de kabbala op een willekeurige plaats open, en precies datgene waaraan ik dacht staat daar geschreven. Altijd als ik duistere gedachten krijg, klop ik driemaal op hout om ze te verdrijven. Zo doen wij joden dat. Toen ik het onlangs in de kelder van mijn ouders deed, vormde zich uit deze punten opeens een driedimensionale davidster om me heen.’

    Syndroomsteden

    Jeruzalem is niet de enige stad waaraan een bepaald syndroom is toegerekend.

    Heel ‘betoverend’ bijvoorbeeld is het Florencesyndroom. Dit al in het begin van de negentiende eeuw door de Franse schrijver Stendhal beschreven syndroom zou vooral kunstenaars overkomen die zich in Florence tegenover de alomtegenwoordige kunst opeens bewust worden van hun eigen onbeduidendheid. En als gevolg daarvan symptomen als ademhalingsproblemen en hartritmestoornissen ontwikkelen.

    Bekender is het zogenoemde Stockholmsyndroom, waarbij een gijzelaar tijdens een gijzeling sympathie voor zijn gijzelnemer ontwikkelt. Het omgekeerde bestaat ook: een gijzelnemer ontwikkelt positieve gevoelens voor zijn gijzelaar; in zo’n geval spreekt men van het Limasyndroom. Minder extravagant, maar niet minder ernstig is het New Yorksyndroom, dat paradoxaal genoeg niet het verlies van realiteitszin, maar juist het verkrijgen daarvan beschrijft. Achter een bedrukte stemming zitten existentiële angsten en depressies verborgen die zich voordoen bij jonge mensen die hopend op de American dream en een succesvol leven naar New York komen. Om dan te concluderen dat hun droom niet zo eenvoudig te realiseren is.

    ‘Bent u weleens bang dat u de controle verliest? Dat u uzelf van louter verlichting niet meer herkent?’

    ‘Ik ben al heel erg veranderd. En dat maakt me een beetje bang. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook de zin van bekering. Natuurlijk is God in de mensen en natuurlijk bezoekt de messias ons af en toe.’

    ‘En nu bent u de messias?’

    ‘Misschien. Maar te geloven dat je “de Ene” bent, is tegelijk infantiel. Ik heb de gave, niet mijn ego. En zolang ik mijn ego niet heb overwonnen, ben ik terughoudend. We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten.’

    Op donderdag, een dag voor de sabbat, zijn de nachten in de meest bezongen stad van de wereld het levendigst. De Ben-Yehudastraat staat vol gouden keeltjes, breakdancers, trommelaars en jongleurs en de uitpuilende cafés doen een wedstrijdje wiens installatie het hardst kan. Opgedoft, vrolijk van de wodka, opgewonden van de drugs: het kan er hier bijna carnavalesk uitzien. Ook al heeft de stad steeds minder seculiere inwoners.

    Zowel de orthodox-joodse als de moslimmoeders in Jeruzalem krijgen gemiddeld 6,5 kind, en die gaan op donderdagen echt niet feestvieren. Ze krijgen in de eerste plaats zo veel kinderen omdat hun God hun voorschrijft dat ze vruchtbaar moeten zijn. In de tweede plaats omdat met de grootte van hun groep ook hun macht bij de verkiezingen toeneemt. Daar komt nog bij dat veel orthodoxe joden van een wereldlijke broodwinning afzien om zich helemaal aan de studie van de Heilige Schrift te wijden. Mede daardoor is de beroemdste stad van de wereld ook de armste stad in het Heilig Land. Hoe dan ook, op donderdag feesten degenen die overdag werken en doorgaans voorbehoedmiddelen gebruiken.

    1. Christenen op weg naar Via Dolorosa en de Kerk van de wederopstanding; 2. Nonnen bereiden kerst voor; 3. Zwaaien met kip als Joodse voorbereiding op Jom Kippoer, grote verzoendag; 4. Ultra-orthodoxe Jood speelt viool voor Chanoeka. – © Oded Balility
    Christenen op weg naar Via Dolorosa en de Kerk van de wederopstanding. – © Oded Balility / HH

    Een stukje bij deze levensader vandaan, aan een achterafpleintje met regenboogvlaggetjes, ligt de Videobar, de enige bar − zo niet de enige plek − in Jeruzalem voor homo’s. Opzettelijk in de buurt van een politiebureau, voor het geval er weer met molotovcocktails wordt gegooid. Af en toe komen er nachtvlinders naar de deur van de Videobar, blijven even staan en gaan weer weg. Om later terug te komen, iets dichterbij, en opnieuw haastig om te keren. Een paar van deze donderdagavondklanten vatten pas bij hun derde aanloop voldoende moed om echt naar binnen te gaan.

    Tegen een van de muren staan Batman en Robin te vrijen, het achterste gedeelte heeft een kleine dansvloer. Britney Spears zingt over de ‘taste of a poison paradise’. Arabisch en Hebreeuws klinken zo uitgelaten door elkaar als in deze stad maar zelden voorkomt. Waarom ook niet? Het is moeilijk voor te stellen dat de door alle religies uitgestotenen elkaar in de Videobar in de lange haren van hun toupetjes vliegen over de toegang tot de al-Aqsamoskee.

    ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop’

    Alona, vandaag meer vrouw dan man, met luipaardjas, rode lippenstift en hoge hakken, voorkomt dat homo’s die door hun familie zijn verstoten zelfmoord plegen. Dat zegt ze in elk geval, terwijl ze staat te roken op de veranda. ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop. Geloof me, er zitten verdomd veel verkapte flikkers onder de orthodoxen.’

    ‘En hoe leer je die kennen?’

    ‘Dat hoeft niet. Zij kennen mij en komen naar me toe. Heel verlegen, overdag of bij het boodschappen doen op de Mahane Yehuda-markt.’

    ‘En dan?’

    ‘Dan geef ik ze waar ze zo hevig naar verlangen. Ik vind ze sexy in hun zwart-witte pakjes. Met hun maagdelijkheid.’

    ‘Het klinkt alsof je hier in Jeruzalem als queer een nogal vrij leven leidt, Alona.’

    ‘Ik kan met iedereen goed overweg, ook in Jeruzalem. Ik ben gewoon ik, ik heb geen andere keus.’

    ‘Zo,’ moppert Joat, Alona’s metgezellin − eveneens flink opgemaakt, meer vrouw dan man, en met een volumineuze paarse sjaal gedrapeerd om haar gouden jurk, die op zijn beurt strak om haar tamelijk dikke lichaam zit. ‘Als jij zo vrij bent, waarom ga je dan niet in deze outfit naar je werk? Of op zijn minst opgemaakt?’

    ‘Dat mag niet,’ antwoordt Alona, die als veiligheidsbeambte in een openbaar gebouw in Jeruzalem werkt.

    De dansvloer is inmiddels propvol en het aantal seksuele toespelingen per nummer benadert het Jeruzalemse religieuze vruchtbaarheidscijfer.

    Mea Shearim

    Of een van de dansers bij het aanbreken van de dag terug zal sluipen naar Mea Shearim, de oudste ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem? Heel ver liggen beide werelden niet uit elkaar, te voet misschien tien minuten. Maar wie over de drempel stapt, ziet een Joods leven dat nauwelijks door de moderne tijd is beroerd, tussen bouwvallige huisjes, met een oerwoud van stroomdraden en vreselijk vervuilde straten waar desondanks orde heerst. Een leven in liefdevolle, nauwe dorpsstraatjes, waar de buitenwereld niet binnenkomt. Waar kinderen, kinderen en nog eens kinderen hand in hand over straat lopen en sommige moeders zich geheel bedekken. Ze dragen een sluier over hun hoofd en ook van hun lichaam is niets te zien.

    Hier kent iedereen iedereen, een donderdags uitje zal hier niet lang verborgen blijven, ook al is het vlak voor sabbat heel erg druk. Iedereen moet zijn vrijdagse vis en zijn pretzels nog in huis halen. Ingewikkelde consumentenverlangens moet je hier niet hebben, Britney Spears’ ‘Toxic’ of een tv-toestel zijn in Mea Shearim niet te vinden. Om drie uur ’s middags klinken overal in de wijk de luidsprekers. Melancholieke Hebreeuwse muziek schalt door Mea Shearim en kondigt het begin van de sabbat aan. De wijk wordt dan afgesloten, om een dag lang nog ongestoorder met God, met zichzelf en met nietsdoen bezig te zijn. Hoe mooi moet die muziek niet klinken als die je je leven lang het wonderschone, strikt voorgeschreven dolce far niente heeft verkondigd? Hoe moeilijk moet het niet zijn om hier weg te gaan en deze muziek nooit meer te horen, om niet alleen op donderdagavond stiekem een vrije zondaar te zijn?

    ‘Deze stad rukt iedereen zijn masker af. Ze duldt geen veinzerij,’ bevestigt pater Nikodemus Schnabel, priester en hoofd van de Dormitio-abdij, een benedictijnenklooster op de berg Sion. Hij woont sinds zestien jaar in Jeruzalem, is in 1978 in Stuttgart geboren en volgens zijn gelofte tot het eind van zijn leven aan zijn orde in het Nabije Oosten gebonden. En hier wilde pater Nikodemus ook precies naartoe. Zijn abdij staat op de plaats waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam. Een plaats van diepe contemplatie, hoog verheven boven het alledaagse lawaai van de Heilige Stad. ‘Om vijf uur in de ochtend, tijdens het eerste gebed bij zonsopgang, is Jeruzalem juist door die diepe godsvrucht om verliefd op te worden. Dan heeft Jeruzalem geen syndroom en al helemaal geen behoefte aan therapie.’

    ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden’

    Als er geen aanslagen met brandbommen op zijn klooster werden gepleegd. Of als er niet op de voorgevel werd gekalkt dat alle christenen dood moeten. Vlakbij liggen de nederzettingen van de radicaal-religieuze Heuveljoden. Vanwege hen moest er een permanente politiepost voor zijn deur worden neergezet. ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden. Op gewone dagen word ik, als ik het klooster uitga, bespuugd, beledigd en geschopt. De radicale religieuzen roepen graag: “Oprotten naar Rome!” Hier is niets hetzelfde, iedereen is hier naakt. Ik ook.’

    Als je pater Nikodemus ziet, is hij een open, zachtaardige en levenslustige man met rode wangen. Je kunt je de pas 39-jarige pater makkelijk voorstellen als gangmaker in het café, terwijl hij met zijn diepe joviale lach handen schudt en moppen vertelt. Een indruk die meteen vervliegt als de pater op de empathische toon van een zielzorger spreekt.

    ‘En welk gezicht zag u in de spiegel toen Jeruzalem u ontmaskerde?’

    ‘Ik zag en ik zie mijn valkuilen. Soms wil ik degenen die me bespuwen gewoon op hun bek slaan. Maar als ik mijn zoektocht naar God serieus neem, met de gedachte dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, dan is zoeken naar God ook zoeken naar de mens. Wie ben ik, als ik me van iemand afmaak? Als ik iemand in een la stop?’

    ‘Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’

    Ook van degenen die in de spiegel plotseling een godheid ontwaren en bij dr. Katz terechtkomen, wil de pater zich niet afmaken. ‘Die hebben we hier altijd. Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’ Het zou in elk geval een probleem worden als deze zwaarbelaste mensen troost vinden in de tuin van het klooster en daar helemaal niet meer weg willen. Over een paar uur zal pater Nikodemus de nachtmis lezen. Waarschijnlijk als enige katholiek op de wereld preekt hij voor een gehoor dat voor het grootste deel joods is.

    Bethlehem

    Ondertussen is in Bethlehem, de geboorteplaats van Christus, het feest al aan de gang. Eigenlijk maar negen kilometer, maar ook een omweg om een hele lange grensmuur heen verder. Op de markt waar de Geboortekerk en de Omarmoskee oog in oog staan, is een parade. Een bigband in militair ogende uniformen speelt ‘Jingle Bells’ met een Arabisch accent. Maar het Palestijnse Bethlehem lijkt op dit moment niet zo ontvankelijk voor kerstliedjes uit Trumpistan. Een affiche met een in het paars geklede Sinterklaas wenst ons Merry Christmas, een nog groter affiche dat eroverheen geplakt is herinnert ons eraan dat Jeruzalem voor eeuwig de hoofdstad van Palestina blijft.

    De bewoners van de stad volgen de parade met een merkwaardige mengeling van plichtsbewustzijn, kijklust en ergernis. Tussen de rijen door dringen minderjarige kauwgom- en parapluverkopers naar voren. Eromheen cirkelen geconcentreerde Palestijnse soldaten en een groot aantal internationale cameraploegen. En om iedereen heen jaagt een akelige wind die maling heeft aan het milde winterzonnetje. En hoe verder je van de theoretisch zo feestelijke markt af komt, in de richting van Jeruzalem, in de richting van de gemilitariseerde scheidingsmuur, des te voelbaarder het wordt dat Bethlehem weinig zin heeft om feest te vieren.

    De wind die over het feest joeg heeft tegen de avond dankzij de talloze regenbuien een zee van plassen in de Oude Stad veroorzaakt. Desondanks is de Dormitio-abdij voor de nachtmis van pater Nikodemus tot de laatste plaats bezet. Ook Omri Szmulewicz, die zich in staat acht de erfgenaam van de jarige te zijn, is gekomen. Hij luistert met gesloten ogen, een steentje dat zijn derde oog moet symboliseren tegen zijn voorhoofd gedrukt. Soms glimlacht hij enthousiast, dan weer kijkt hij een beetje mistroostig.

    ‘Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij’

    Pater Nikodemus weet het verrassend jonge joodse publiek snel voor zich te winnen. In een wit met gouden kazuifel schertst hij vanaf de preekstoel: ‘Ik ben hier niet om u te bekeren. Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij.’ De pater verklaart dat God niet alleen een over ons wakende en wraakzuchtige God is. ‘Maar vol liefde en hartstocht. Almachtig, zeker, maar een God van vrede, van licht en van vergeving.’

    Szmulewicz vergeeft de pater na afloop snel dat de mis ‘te mainstream’ was. En ook wil hij wel door de vingers zien dat het publiek zijn aandacht niet voldoende bij de dienst hield en dat ze ondertussen foto’s maakten met hun mobieltjes. ‘Maar misschien is het alleen mijn ego dat kritiek heeft. Waar moet de pater anders over preken dan over liefde en vergeving? Religie moet niet te ingewikkeld zijn.’

    Een paar kilometer verderop staan de straten van de onbeschrijflijke wijk Kfar Aqab een halve meter onder water. De Dagen van Woede gaan verder. Dr. Gregory Katz moet over een paar uur met zijn restje humanisme in een dokterstas naar zijn werk. In de meest aanbeden stad ter wereld is het vandaag geen feestdag.

    Life of Brian

    Nooit is het Jeruzalemsyndroom zo prachtig en komisch ad absurdum gevoerd als in de klassieker Monty Python’s Life of Brian: in deze satirische film uit 1979 wordt de jonge Brian tegen zijn zin tot messias uitgeroepen, terwijl hij alleen de mooie Judith voor zich wil winnen. Verder wil hij met rust gelaten worden. Aan het bittere slot van de film klinkt de song ‘Always Look on the Bright Side of Life’, terwijl Brian en een tiental andere veroordeelden aan kruisen bungelen. De song werd even beroemd als de film: de laatste werd door het British Film Institute ondanks veel controverse gekozen als een van de honderd beste Engelse films.

    De auteur

    Dmitrij Kapitelman (31) heeft Jeruzalem in zijn leven tot nu toe drie keer bezocht, en de stad als ‘waanzinnig vermoeiend’ ervaren. Maar ook als een bijzondere plaats. ‘Het is moeilijk in woorden uit te drukken,’ zegt hij, ‘maar je voelt daar veel directer dan elders hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn.’ Kapitelman is zelf van joodse origine, maar noemt zichzelf een ‘Hebreeuws gevormde atheïst’.

  • Hoe te overleven in een tijd van extremisme en islamofobie

    Hoe te overleven in een tijd van extremisme en islamofobie

    Omar Saif Ghobash, de ambassadeur van de Verenigde Arabische Emiraten in Rusland, schreef na de aanslagen van 11 september een reeks brieven aan zijn zoon die nog niets aan actualiteit hebben ingeboet. ‘Ik wilde nieuw terrein ontginnen op het gebied van denken, taal en verbeelding, om hem duidelijk te maken dat de wereld zo veel meer heeft te bieden dan de verwrongen fantasieën van extremisten.’

    Saif, de oudste van mijn twee zoons, is geboren in december 2000. In de zomer van 2001 namen mijn vrouw en ik hem mee op een tripje naar New York. Ik herinner me dat ik hem in een draagzak op mijn borst had. Een paar dagen nadat we weer terug waren in Dubai, volgden we op CNN de verschrikkelijke gebeurtenissen van 11 september. Toen duidelijk werd dat de aanvallen waren uitgevoerd door jihadterroristen, voelde ik een nieuw soort verantwoordelijkheid tegenover mijn zoon, nog los van alle andere heftige gevoelens die het ouderschap in je doet ontwaken. Ik wilde nieuw terrein ontginnen op het gebied van denken, taal en verbeelding, om hem – en mezelf en al mijn medemoslims – duidelijk te maken dat de wereld zo veel meer heeft te bieden dan de verwrongen fantasieën van extremisten. Hier ben ik de afgelopen jaren mee bezig geweest. De opdracht die ik mezelf heb gesteld lijkt alleen maar urgenter te worden naarmate de wereld steeds meer verstrikt raakt in een cyclus van jihadistisch geweld en islamofobie.

    Tegenwoordig woon en werk ik in Rusland, als ambassadeur van de Verenigde Arabische Emiraten, en ik probeer in mijn werk een sfeer te creëren die ruimte biedt voor ideeën en mogelijkheden. In die geest heb ik een reeks brieven aan Saif geschreven, met de bedoeling hem de ogen te openen voor enkele van de vragen waarmee hij in de loop van zijn leven geconfronteerd zal worden, en voor een scala aan mogelijke antwoorden.

    Ik wil dat mijn zoons en hun generatie moslims begrijpen hoe ze trouw kunnen zijn aan de islam en zijn diepste waarden, maar tegelijkertijd hun eigen koers kunnen uitstippelen in een complexe wereld. Ik wil dat ze leren observeren en nadenken, en zo tot de ontdekking komen dat er geen conflict hoeft te zijn tussen de islam en de rest van de wereld. Ik wil dat ze begrijpen dat we zelfs op het gebied van religie vele keuzes moeten maken. Ik vind dat de generatie moslims van mijn zoons het recht – en de plicht – heeft om na te denken over wat goed en fout is, over wat al dan niet behoort tot het wezen van de islam, en op grond daarvan haar eigen beslissingen te nemen.

    Verantwoordelijkheid

    Lieve Saif,
    Hoe zouden jij en ik verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het leven dat wij als moslim leiden? Natuurlijk, het belangrijkste is om een goed mens te zijn. En als we goede mensen zijn, wat is er dan nog voor connectie tussen ons en de mensen die terreurdaden plegen en die beweren in naam van het geloof te handelen?’

    Veel moslims komen in opstand tegen dergelijke misdaden en veroordelen ze publiekelijk. Anderen zeggen dat de gewelddadige extremisten die deel uitmaken van groeperingen als Islamitische Staat geen echte moslims zijn. ‘Die mensen hebben niets van doen met de islam,’ luidt het refrein. Die bewering klinkt mij niet helemaal goed in de oren. Het lijkt een al te makkelijke manier om bepaalde ingewikkelde vragen uit de weg te gaan.

    Hoewel ik het handelen van de terroristen verafschuw, realiseer ik me dat zij op grond van de basale toelatings-eisen voor de islam onbetwist moslim zijn. De islam verlangt niet meer van een gelovige dan dat hij erkent dat er geen andere God is dan Allah en dat Mohammed zijn profeet is. Gewelddadige jihadisten geloven dit zonder meer. Dat is de reden dat belangrijke religieuze instituties binnen de islamitische wereld terecht hebben geweigerd hen als niet-moslims te bestempelen, hoewel ze hun daden veroordelen. Het is makkelijk om te zeggen dat jihadistische extremisten niets met ons te maken hebben. Hoewel hun lezing van de Koran ouderwets en vertekend lijkt, weten ze toch aanhang te winnen.

    Het is makkelijk om te zeggen dat jihadistische extremisten niets met ons te maken hebben

    Wat mij zorgen baart, is dat de ideeën van de extremisten steeds meer navolging lijken te vinden, terwijl de groep moslims die vasthoudt aan een andere opvatting van de islam steeds kleiner lijkt te worden. En naarmate die groep kleiner en kleiner wordt, lijkt hij ook stiller en stiller te worden, totdat het uiteindelijk lijkt alsof alleen nog de extremisten spreken en handelen in naam van de islam.

    Wij moeten ons uitspreken, maar het volstaat niet om in het openbaar te zeggen dat de islam niet gewelddadig is, of radicaal of kwaad, maar dat de islam een vreedzaam geloof is. We moeten verantwoordelijkheid nemen voor die islam van vrede. We moeten laten zien hoe die tot uiting komt in onze manier van leven en de manier waarop onze samenleving functioneert.

    Ik zeg niet dat moslims zoals jij en ik de schuld op ons moeten nemen voor wat de terroristen doen. Wat ik zeg, is dat we verantwoordelijkheid kunnen nemen door ons sterk te maken voor een ander begrip van de islam. We kunnen zowel moslims als niet-moslims duidelijk maken hoe wij de islam zien, en laten zien op welke manier de islam doorwerkt in ons leven. Ik vind dat we dat verschuldigd zijn aan alle onschuldige mensen, zowel moslims als niet-moslims, die hebben geleden onder het handelen van onze medegelovigen die op een extremistisch dwaalspoor zijn beland.

    Het is niet makkelijk om een dergelijke verantwoordelijkheid te nemen, al helemaal niet nu veel mensen buiten de moslimwereld overtuigd islamofoob zijn en mensen zoals jij en ik haten en vrezen, soms aangemoedigd door politieke leiders. Als je het gevoel hebt dat je ten onrechte apart wordt gezet en wordt aangevallen, is het niet makkelijk om met een kritische blik naar je geloof te kijken, al helemaal in het openbaar. Woorden en ideeën zijn hachelijk en kunnen zich zomaar aan je greep onttrekken. Je kunt de ene dag nog volledig overtuigd zijn van bepaalde opvattingen en de volgende ochtend bij het ontwaken vervuld zijn van twijfel. Vandaag de dag is het riskant om dat te erkennen; veel moslims worden wantrouwig zodra er kritisch wordt gekeken naar hun geloof.

    Maar geloof me: het is volstrekt normaal om je af te vragen of je het bij het goede eind hebt. Enkele van de grootste islamgeleerden hebben perioden van verwarring en twijfel gekend. Denk aan de filosoof en theoloog Abu Hamid al-Ghazali, die in de elfde eeuw in Perzië werd geboren en die van ongekend grote invloed is geweest op het islamitisch gedachtengoed. Vandaag de dag wordt hoog opgegeven van zijn werk, maar tijdens zijn leven kampte hij zelf met zo veel twijfels dat hij zich een decennium lang uit de maatschappij terugtrok. Het leek erop dat hij een spirituele crisis doormaakte. Hoewel we maar weinig weten over wat hem dwarszat, is duidelijk dat hij onzeker was, angstig zelfs. Maar de uitkomst van zijn
    periode van twijfel en zelfopgelegde afzondering was positief: Ghazali, die tot dan toe hoog was aangeslagen als geleerde van de orthodoxe islam, zorgde ervoor dat het soefisme, een spirituele tak van de islam, een plaats kreeg binnen de bredere stroming van het geloof. Hij bood ruimte aan spiritualiteit en poëzie binnen de islam, wat destijds volgens velen strijdig was met het geloof.

    Vandaag de dag zijn enkele van onze medemoslims van mening dat we alleen ideeën mogen aannemen die zijn terug te vinden in het oorspronkelijke islamitische gedachtengoed – oftewel ideeën die voorkomen in de Koran, de vroege woordenboeken van het Arabisch, de uitspraken van de Profeet en de biografieën van de Profeet en zijn metgezellen. Onder-tussen benadrukken ze dat we vreemde ideeën, zoals democratie, van de hand moeten wijzen. Geconfronteerd met liberalere opvattingen, die stellen dat discussiëren, debatteren en het zoeken naar consensus oude islamitische tradities zijn, betogen ze dat democratie een zonde is tegen de macht van Allah, tegen zijn wil, en tegen zijn soevereiniteit. Sommige extremisten zijn zelfs bereid te doden om dat standpunt te verdedigen.

    Maar weten zulke mensen überhaupt wat democratie is? Ik denk van niet. Sterker nog, uit veel van hun verklaringen blijkt dat ze maar weinig begrijpen van hoe mensen bij elkaar kunnen komen om gemeenschappelijke besluiten te nemen. De regering die ik vertegenwoordig is een monarchie, maar ik voel geen noodzaak om de tegenstanders van democratische hervormingen weg te zetten als afvalligen. Ik ben het misschien niet altijd met ze eens, maar dat maakt hun opvattingen nog niet onislamitisch.

    Een andere ‘vreemde’ praktijk die moslims veel zorgen baart, is de vermenging van de seksen. In sommige landen met een moslimmeerderheid wordt een scheiding van mannen en vrouwen verplicht gesteld op scholen en universiteiten, en op het werk. (In ons eigen land zijn de meeste lagere en middelbare scholen gescheiden, evenals sommige universiteiten.) De autoriteiten in die landen zeggen dat dergelijke wetten volgens ‘de ware islam’ zijn en dat ze voorkomen dat er buitenechtelijke relaties ontstaan. Misschien is dat zo. Maar onderzoek naar dergelijke zaken – onderzoek dat meestal wordt verboden – zou weleens kunnen aantonen dat er helemaal geen sprake is van een dergelijk effect.

    En zelfs als een strikte scheiding van de seksen bepaalde voordelen zou hebben, welke prijs wordt daar dan voor betaald? Zou het kunnen zijn dat het leidt tot psychische verwarring en onrust, bij zowel mannen als vrouwen? Zou het kunnen zijn dat het leidt tot een onvermogen om leden van de andere sekse te begrijpen wanneer je daar dan eindelijk mee mag omgaan? Regeringen van veel moslimlanden hebben geen bevredigend antwoord op die vragen, omdat ze niet de moeite nemen zich erin te verdiepen.

    Vrouwen als minderwaardig behandelen is geen religieuze plicht; het is domweg de gang van zaken binnen patriarchale gemeenschappen.

    Mannen en vrouwen

    Lieve Saif,
    Je bent opgegroeid in een huishouden waar vrouwen – onder wie je moeder – sterk zijn, goed opgeleid, doelgericht, hardwerkend. Als iemand zou suggereren dat mannen belangrijker of getalenteerder zijn dan vrouwen, zou jij je achter de oren krabben. Maar toen ik zo oud was als jij, kreeg ik tijdens de preken in de moskee te horen dat vrouwen inherent inferieur waren. Mannen waren sterk, intelligent en emotioneel stabiel – natuurlijke kostwinners. Vrouwen waren aanhangsels: er diende voor hen gezorgd te worden, maar je hoefde ze niet serieus te nemen.

    Die kijk op vrouwen doet nog altijd opgang in delen van de moslimwereld – en, eerlijk is eerlijk, ook op andere plekken. Het is zeker niet de enige kijk op vrouwen die de islam ons biedt, maar het is een krachtige overtuiging die veel politieke, juridische en financiële steun geniet. Ik ben er trots op dat je moeder en je tantes allemaal hebben doorgeleerd en werk doen dat ze zelf hebben gekozen. Het heeft hen er niet echt van weerhouden kinderen te krijgen en voor hun man te zorgen – de rol die de conservatieve lezing van de islamitische teksten van hen verlangt.

    De vrouwen in jouw leven onttrekken zich aan de traditionalistische lezing, waarin vrouwen worden voorgesteld als inherent passieve schepsels die door mannen moeten worden beschermd tegen de gevaren van de wereld. Het heeft veel weg van een selffulfilling prophecy: in veel moslimgemeenschappen hameren mannen erop dat vrouwen niet zijn opgewassen tegen de grote, boze buitenwereld, en tegelijkertijd onthouden ze vrouwen de basale rechten en vaardigheden die nodig zijn om je tot die wereld te verhouden.

    Andere traditionalisten baseren hun opvatting over vrouwen op een andere redenering, die zelden openlijk wordt besproken, al helemaal niet ten overstaan van niet-moslims, omdat het enigszins taboe is. Het komt hierop neer: als vrouwen zich zelfstandig zouden kunnen verplaatsen, als ze onafhankelijk zouden zijn, als ze zouden samenwerken met mannen die niet tot hun familie behoren, dan zouden ze verboden romantische of zelfs seksuele relaties kunnen aanknopen. En ja, natuurlijk is dat een mogelijkheid. Maar dergelijke relaties kunnen ook ontstaan als een vrouw binnen het gezin weinig liefde en respect krijgt. Vrouwen worden maar al te vaak gestraft voor dergelijke relaties, terwijl de mannen er zonder repercussies van afkomen – een onacceptabele ongelijkheid.

    Dit traditionalistische standpunt komt, in wezen, voort uit een verlangen om vrouwen onder de duim te houden. Maar vrouwen moeten niet onder de duim worden gehouden; ze moeten vertrouwen en respect krijgen. We vertrouwen en respecteren onze zussen, onze moeders, onze dochters en onze tantes, en we moeten andere vrouwen datzelfde vertrouwen en respect geven. Als we dat zouden doen, zouden we in de moslimwereld
    misschien niet met zo veel gevallen van seksueel geweld en uitbuiting te maken hebben.

    Saif, ik wil dat je weet dat nergens staat geschreven dat moslimvrouwen minder zijn dan moslimmannen. Vrouwen als minderwaardig behandelen is geen religieuze plicht; het is domweg de gang van zaken binnen patriarchale gemeenschappen. Binnen de islamitische traditie zijn er vele voorbeelden hoe moslimvrouwen trouw aan hun geloof kunnen blijven. Zo zijn er moslimvrouwen die zich hebben verdiept in de oorsprong van
    de hidjab [de traditionele doek die het hoofd en het haar bedekt] en die tot de conclusie zijn gekomen dat nergens met zoveel woorden staat geschreven dat ze die moeten dragen – laat staan dat er een voorschrift zou zijn om een boerka of nikab te dragen, die nog veel meer bedekken. Veel mannen zijn tot dezelfde conclusie gekomen. De islam roept vrouwen op zich ingetogen te kleden, maar de gezichtsbedekking is feitelijk een pre-islamitische traditie.

    De beperkingen die vrouwen wordt opgelegd in traditionele moslimgemeenschappen, zoals verplichte gezichtsbedekking, regels die hun mobiliteit aan banden leggen of beperkingen op het gebied van werk en scholing, stoelen niet op de islamitische doctrine maar op de angst van mannen dat ze vrouwen niet onder de duim kunnen houden – en de angst dat vrouwen, als ze niet onder de duim worden gehouden, mannen het nakijken geven omdat ze gedisciplineerder en meer gefocust zijn, en harder werken.

    Islam en de staat

    Lieve Saif,
    Je zult onvermijdelijk moslims tegenkomen die hoofdschuddend naar de moderne islamitische samenleving kijken en mompelen: ‘Als iedereen nou maar een goede moslim was, zou dit allemaal nooit gebeuren.’ Hoe vaak heb ik deze klaagzang niet moeten aanhoren. Je hoort het zeggen door mensen die kritiek uiten op corrupte overheden in moslimlanden, of die de vermeende toename van zedeloos gedrag aan de kaak stellen. Anderen zeggen het als ze verschillende vormen van islamitische wetgeving willen promoten.

    De bekendste uiting van dit idee is de slogan: ‘De islam is de oplossing’, die wordt gebruikt door de Moslimbroederschap en vele andere islamitische groeperingen. Het is een briljante slogan. Veel mensen geloven erin. (Toen ik jonger was, geloofde ik erin met heel mijn hart.) De slogan is een ultrakorte samenvatting van het uitgangspunt dat alle grootse gebeurtenissen binnen de islamitische geschiedenis – de veroveringen, de rijken, de kennisproductie, de rijkdom – hebben plaatsgevonden onder een of andere vorm van religieus bewind. Dus als we deze vergane glorie nieuw leven willen inblazen in de moderne tijd, moeten we weer een dergelijk systeem in het leven roepen. Als een beetje islam goed is, is meer islam alleen nog maar beter, luidt de redenering. En als meer islam beter is, dan is totale islam het beste.

    Als een beetje islam goed is, is meer islam alleen nog maar beter, luidt de redenering

    De invloedrijkste hedendaagse voorvechter van deze opvatting is IS, met zijn ongebreidelde enthousiasme voor een kalifaat, een alomvattende religieuze staat. Het kan moeilijk zijn om je tegen dat uitgangspunt te verweren zonder de indruk te wekken dat je de oorsprong van de islam in twijfel trekt: de profeet Mohammed was tenslotte niet alleen een religieus leider maar ook een politiek leider. En het islamistische argument stoelt op de hardnekkige logica van extreem geloof: als we zeggen dat we handelen in naam van Allah, en als we de wetten van de islam opleggen, en als we zorgen dat de moslimbevolking in een bepaald gebied de juiste houding heeft, dan zal Allah ons te hulp schieten en al onze problemen oplossen.

    Het geniale schuilt in de bewering – of die nou wordt uitgedragen door de fanatieke jihadisten van IS of door de genuanceerdere theocraten van de Moslimbroederschap – dat alle problemen of mislukkingen kunnen worden toegeschreven aan onvoldoende vroomheid of loyaliteit onder de bevolking als geheel. Leiders hoeven de schuld niet te zoeken bij zichzelf of bij hun beleid; de burgers hoeven niet te twijfelen aan hun eigen normen en waarden, of aan hun gebruiken.

    Maar vroomheid is niet alles, en wie ervan uitgaat dat Allah wel voor ons zal zorgen, dat hij al onze problemen zal oplossen, onze kinderen zal voeden, scholen en kleden, neemt Allah niet serieus. De enige manier om het lot van de moslims op deze wereld te verbeteren is doen wat mensen elders hebben gedaan, en wat moslims in eerdere eeuwen hebben gedaan om te welslagen: kennis opdoen, hard werken en de lastige vragen van het leven onder ogen zien, in plaats van je terug te trekken in religieus obscurantisme.

    De individuele moslim

    Lieve Saif,
    Op school, in de moskee en in het nieuws heb je waarschijnlijk veel gehoord over de Arabische staat, de Arabische samenleving, de vrome moslims en de islamitische oemma. Maar heb je ooit iemand gehoord over de moslim als individu of over moslim-individualisme? Waarschijnlijk niet – en dat is een probleem.

    De Profeet sprak over de oemma, of de moslimgemeenschap. In de zevende eeuw was dat niet zo gek. Mohammed had uit het niets een grote schare volgelingen weten te vergaren; op zeker moment kon je met recht spreken van een aparte entiteit. Maar het concept van de oemma heeft het mogelijk gemaakt dat zelfbenoemde religieuze leiders spreken in naam van alle moslims, zonder de rest van ons te vragen hoe wij erover denken. Het idee van een oemma maakt het ook makkelijk voor extremisten om de islam – en alle moslims over de hele wereld – lijnrecht tegenover het Westen te plaatsen, tegenover het kapitalisme, tegenover van alles en nog wat. In dat beeld van de moslimwereld komt de stem van het individu op de tweede plaats, na de stem van de groep.

    We zouden kunnen besluiten elkaar als individu te zien, ongeacht onze achtergrond

    In de loop der jaren hebben we geleerd dat de gemeenschap voor het individu gaat. Daarom klinkt het vreemd om het zelfs maar over ‘de moslim als individu’ te hebben. Het klinkt me bijna tegennatuurlijk in de oren, alsof het verwijst naar een niet-bestaande categorie – in ieder geval binnen het wereldbeeld dat moslims lange tijd dienden te koesteren. Je hoeft niet terug te vallen op een groots verleden om een grootste toekomst op te bouwen. Ik zou niet willen dat dat voor jou en jouw generatie opgaat.

    Door dialoog en een openbare discussie over wat het betekent om een individu te zijn in een moslimwereld, zouden we helderder kunnen nadenken over de persoonlijke verantwoordelijkheid, de ethische keuzes en het respect en de waardigheid van ménsen in plaats van families, stammen of sekten. Dan zouden we ons misschien niet langer blindstaren op onze verantwoordelijkheden jegens de oemma en kunnen we gaan nadenken over onze verantwoordelijkheid jegens onszelf en anderen, die we dan niet langer zouden beschouwen als onderdeel van een groep die gekant zou zijn tegen de islam, maar als individuen. In plaats van te informeren naar iemands familienaam en stamboom en sekten, zouden we kunnen besluiten elkaar als individu te zien, ongeacht onze achtergrond.

    We zouden geleidelijk onder ogen kunnen gaan zien hoe krankzinnig veel mensen in de moslimwereld zijn vermoord tijdens burgeroorlogen, of zijn omgekomen bij terroristische aanslagen die niet zijn gepleegd door buitenstaanders maar door medemoslims. We zouden deze mensen kunnen gedenken, niet als groep maar als individuen met een naam, een gezicht en een levensverhaal – niet om de doden op te hemelen maar om onze verantwoordelijkheid te erkennen om hun waardigheid en integriteit te bewaren, net als de waardigheid en de integriteit van alle overlevenden.

    Op deze manier kan het idee van de moslim als individu misschien leiden tot betere discussies over politiek, economie en veiligheid. En als jij en je generatiegenoten jezelf op de eerste plaats als individu leren zien, kunnen jullie misschien een betere samenleving tot stand brengen. Jullie zouden je lot meer in eigen hand kunnen nemen, meer in het heden kunnen leven, in het besef dat je niet hoeft terug te grijpen op een groots verleden om een grootse toekomst op te bouwen.

    Onze persoonlijke, individuele belangen vallen misschien niet altijd samen met die van de patriarch, de familie, de stam, de gemeenschap of de staat. Maar meer oog voor de individualiteit van elke afzonderlijke moslim zal misschien leiden tot een herijking van de islamitische gemeenschap, met meer medeleven, meer begrip en meer empathie. Als je de individuele diversiteit accepteert van je medemoslims, zul je waarschijnlijk ook eerder hetzelfde doen bij mensen met een ander geloof.

    Moslims kunnen en moeten in harmonie leven met de diversiteit van de mensheid buiten ons geloof. Maar dat zal grote moeite kosten, zolang we onszelf niet echt als individu durven zien.