In deze uitzonderlijke tijden is er genoeg om bang voor te zijn – zo vreest de helft van de Duitsers dat er een derde wereldoorlog gaat uitbreken. Weekblad Stern ging op bezoek bij degenen die dagelijks proberen anderen van hun angstgevoelens af te helpen.
Enkele weken geleden, ergens midden in september, besloot ik, een volwassen man, weer eens een keer met mijn ouders op vakantie te gaan. Ze hadden een huis gehuurd in Denemarken, hetzelfde als in 2017, toen ik daar de laatste keer met hen de vakantie had doorgebracht. Een vrijstaand huis met rieten dak, de grote tuin omzoomd door bomen, als een muur tegen de wreedheid van de huidige tijd. ’s Morgens, ’s middags, ’s avonds en ’s nachts: altijd was het er rustig, het leek alsof je nergens zo ver weg was van de rest van de wereld als hier. Op de eerste dag dacht ik dat alles nog was zoals vroeger.
Maar het was niet zoals vroeger.
Want al op de tweede dag zat ik met mijn vader op het terras te bakkeleien over de Oekraïnepolitiek van de bondsregering. Ik was vóór de levering van zware wapens, en wel snel; hij had nog geen mening, was aarzelend, ik begreep niet waarom. Ik ging harder praten, ik geloof dat ik iets hoogdravends zei als: ‘Wanneer wij het Europa waarin wij leven en waarin onze waarden gelden verdedigd willen zien, moeten we toch met alle middelen voorkomen dat Rusland deze oorlog wint.’
Mijn vader werd even stil. Toen zei hij: ‘Ik ben gewoon enorm bang.’
Mijn vader is tweeënzeventig jaar. Aan het begin van zijn leven lag Duitsland in puin als gevolg van het het naziregime. Toen hij naar school ging, stationeerde Rusland middellangeafstandsraketten op Cuba; dertien dagen lang vreesde de mensheid voor haar ondergang in een atoomoorlog. Toen hij volwassen was, pleegden linkse terroristen en rechts gepeupel aanslagen in de Bondsrepubliek, explodeerde een reactor in een kerncentrale bij Tsjernobyl; de Muur viel, vliegtuigen vlogen in wolkenkrabbers in New York, er was oorlog in Vietnam, in Irak, op de Balkan, in Afghanistan, in Syrië, en weet ik waar nog meer. Toen hij met pensioen ging, verkondigden wetenschappers steeds luider dat de zeespiegel zou stijgen en dat we er iets tegen moesten doen als we niet wilden dat onze soort werd weggevaagd. Toen kwam er een pandemie die het leven van mijn vader, die tot de risicogroep behoort, heel direct bedreigde.
En toch, bezwoer hij op die dag in september, was hij waarschijnlijk nog nooit in zijn leven zo bang geweest voor de wereld als nu. Bang dat ons land, dat Europa kapot zal gaan. Door de inflatie en de stijgende energieprijzen die de mensen niet alleen in armoede zouden storten, maar ook tot extremisme zouden aanzetten. Door Poetins dreigement atoomwapens in te zetten in een oorlog die nog geen 800 kilometer van onze grens wordt gevoerd en die ons dagelijks leven heeft veranderd – vandaag, morgen en misschien voorgoed, wie zal het zeggen? Ik wilde er niet van horen. Ik schudde mijn hoofd. We staakten ons twistgesprek en bleven het oneens.
Zorgen
U vraagt zich misschien af waarom ik u vertel over mijn vader en zijn zorgen? Nou, omdat u toch net zo bang bent. Omdat we toch allemaal een beetje |zijn zoals hij. Statistisch gezien dan. Want de meeste Duitsers zijn nu bang: 67 procent vreest dat alles steeds duurder en op zeker moment onbetaalbaar zal worden. En de helft is bang voor een derde wereldoorlog.

De zorgen zijn al lang in onze samenleving doorgedrongen. De loon-prijsspiraal bijvoorbeeld, zo zei politicoloog Manfred G. Schmidt onlangs bij de evaluatie van het jaarlijkse angstonderzoek van verzekeraar R+V, maakt mensen in alle lagen van de bevolking bang. Dat geldt zowel voor rijke ondervraagden als voor arme, voor jong en voor oud, voor mannen en vrouwen, voor aanhangers van alle partijen in alle bondslanden. De angst is overal.
De vraag is: hoe raken we die angst weer kwijt?
Als Josephine Teske vertelt over de mensen in haar gemeente die niet weten of ze in de winter de kachel kunnen stoken, hoe ze hun woning moeten betalen, moet ze soms huilen. Teske (36) kijkt naar het houten kruis dat voor een kale betonnen wand achter het altaar staat. Ze is dominee, hier in de Rogate-kerk aan de noordoostelijke rand van Hamburg. Rogate is Latijn en betekent ‘vraag’. ‘Het ergste,’ zegt Teske, ‘was toen een vrouw wanhopig bij mij kwam omdat ze niet meer wist hoe ze haar kinderen genoeg te eten moest geven.’
‘Vreest niet’
Het overwinnen van levenscrises – de zielszorg – is al eeuwenlang een van de hoofdtaken van de kerken. Het geloof is sterk dat er uiteindelijk een paradijs op ons wacht – en niet dat er voor die tijd een wereld is die een klein mannetje aan een lange tafel in Moskou kapot zou kunnen bombarderen. ‘Vreest niet’, zegt God, zeggen de engelen, zegt Jezus.
Toen een andere vrouw haar in september op sociale media schreef dat ze nog maar 3,50 euro had voor de resterende halve maand, dacht dominee Teske: Shit. Samen met haar zocht ze hulp bij consultatiebureaus en de voedselbank.
Zielenrust
‘De toekomst ziet er stralend uit… als je er maar in gelooft!’ Het tweemaandelijkse blad L’Actualité uit Quebec wijdt zijn hoofdartikel van 5 december aan optimisme, dat een van de hoekstenen van geluk wordt genoemd. Volgens recent psychologisch onderzoek zou ongeveer de helft van een optimistische levenshouding genetisch bepaald zijn, terwijl de rest wordt beïnvloed door onze omgeving, onze levensomstandigheden en de manier waarop wij gebeurtenissen zelf interpreteren. En ‘het goede nieuws is dat je kunt leren het leven van de zonnige kant te zien’. Een van de adviezen die L’Actualité citeert is dat we onze mislukkingen of tegenslagen met een welwillende blik moeten bezien. Ook moeten we ‘concrete en meetbare actie in onze naaste omgeving ondernemen, zoals vrijwilligerswerk in onze wijk’, in plaats van te grote doelen na te streven; met het zweet des aanschijns los je de klimaatcrisis niet op. Het laatste advies dat wordt gegeven is het verrassendst: ‘Geef toe dat het leven tragisch is. We worden allemaal wel een keer getroffen door ongeluk. Wie dat erkent zal de weg naar zielenrust vinden.’
Teske is niet zo’n geestelijke die problemen probeert op te lossen met bijbelcitaten. Ze ziet zichzelf als luisterend oor, als iemand die bemoedigt. Vooral jongvolwassenen en ouders delen momenteel hun angsten en zorgen met de dominee, die zich vooral inzet voor kinderen en gezinnen. Zo was er de beginnende studente die na de dienst klaagde dat ze geen betaalbare woning kon vinden. Of de kinderen die Teske vragen stellen over de oorlog en bang zijn dat ze net als de Oekraïense kinderen hun vaderland moeten verlaten. Teske luistert, zwijgt, is gewoon aanwezig. Dat is wat mensen in nood nodig hebben, zegt ze. Niet een of ander goed advies. ‘Ik zou het aanmatigend vinden om te doen alsof ik weet hoe een moeder zich voelt die niet meer weet hoe ze het in de winter warm moet krijgen.’
Angst is ouder dan welke religie ook. Het is een van onze oerinstincten. De evolutie heeft ons gemaakt tot geciviliseerde wezens die steden bouwen, en auto’s waarin we tussen die steden heen en weer rijden; wezens die parlementen kiezen en diepvriespizza’s kopen, die in dierentuinen naar dieren kijken en slapen op ergonomisch perfecte matrassen; wezens die ziekten genezen en levens verlengen. Alleen de angst, daar heeft de evolutie ons niet van kunnen verlossen.
Wij zijn geprogrammeerd voor een constante inschatting van risico’s, dat is ons geluk en onze pech
Bij het geringste teken van gevaar duurt het slechts een milliseconde tot waarschuwingssignalen de plek in onze hersenen bereiken waar angst ontstaat: de amygdala. Angst fungeert als het lichaamseigen alarmsysteem, zorgt als het erop aankomt dat we het overleven. Fight, flight or freeze: vechten, vluchten of doen alsof je dood bent. Het is een oeroud mechanisme in het lichaam, dat door de signaalstof adrenaline in werking treedt.
Wij zijn geprogrammeerd voor een constante inschatting van risico’s, dat is ons geluk en onze pech. Want bij een vals alarm kunnen we de angst niet simpelweg uitschakelen. De kans dat iemand sterft op een lijnvlucht is ongeveer 0,0000005 procent; toch heeft een op de zes Duitsers vliegangst. Hoe irrationeel het scenario ook is, de angst ervoor is altijd heel reëel. De zwetende handen zijn reëel, de duizeligheid is reëel, net als het gevoel van onmacht.
Je kunt de angst van mensen niet ontkennen. Je kunt alleen maar proberen ze van hun angst af te helpen.
Levenscrises
Ongeveer 15 kilometer van Teskes kerk zit Helen Charlotte Müller in haar kantoor in het Hamburgse Marien-ziekenhuis, waar twee rode stoelen staan; haar witte jas hangt naast de deur aan de kapstok. Müller (31) is psychotherapeut, ze werkt in de polikliniek.
Hier komen mensen die in crisis verkeren. Omdat ze niet meer weten hoe het verder moet, of omdat hun arts of hun vrienden en familie erop aandringen. Eerste hulp, dat klinkt als: even zien wat nodig is. Er wordt hier op afspraak gewerkt; op het psychotherapeutisch spreekuur moet Müller de urgentie van een behandeling inschatten. Eerste contact, noemt ze dat.
Neologismen: Solastalgie en symbiotude
De discussie over klimaatverandering en de gevolgen daarvan heeft een heel scala aan neologismen het licht doen zien.
Zozeer zelfs dat twee Amerikaanse kunstenaars, Alicia Escott en Heidi Quante, het Bureau of Linguistic Reality hebben opgericht om deze neologismen te inventariseren en nieuwe te bedenken. Zo kun je bijvoorbeeld spreken van ‘solastalgie’, een term die de Australische filosoof Glenn Albrecht heeft gemunt om de ontreddering te beschrijven die wordt veroorzaakt door een verandering in onze omgeving of het verdwijnen van een troostrijke plek. Maar als tegenwicht tegen deze woorden die vertwijfeling uitdrukken heeft Albrecht ook een zachtaardiger woord bedacht, zoals hij in 2020 op het Australische onlinenetwerk The Conversation vertelde: ‘Om beter bestand te zijn tegen het gevoel van eenzaamheid [als gevolg van het ontregelde klimaat] heb ik het idee “symbiotude” bedacht.’ Deze term, die de antoniemen ‘symbiose’ en ‘solitude’ (eenzaamheid) met elkaar verbindt, herinnert ons eraan dat we moeten ‘nadenken en samenwerken met anderen om weer aansluiting te vinden bij het leven’. Kortom, dat we solidair met elkaar moeten zijn.
Het gaat in deze gesprekken vooral om acute, individuele levenscrises, bijvoorbeeld een miskraam, de diagnose van een ernstige ziekte of het verlies van een dierbare. Als het gaat om een ziekte die behandeld moet worden, bijvoorbeeld een depressie, is er aansluitend een therapie, die in het ziekenhuis, deels klinisch of ambulant, kan worden gegeven. Meestal komen patiënten dan pas te spreken over algemenere problemen die hen in hun dagelijks leven bezighouden, zegt Müller. ‘De oorlog, corona of de inflatie: het zijn dagelijkse zorgen en angsten die in onze gesprekken langskomen, zoals waarschijnlijk ook overal elders. Maar in de regel zijn die niet de directe aanleiding waarom patiënten hierheen komen.’
Veerkracht
Dat is eigenlijk goed nieuws. Het getuigt van veerkracht in uitzonderlijke tijden. Ook de statistieken wijzen in die richting. Hoewel in onze wereld juist de crises met elkaar versmelten tot één grote kluwen van zorgen, is het aantal mensen dat jaarlijks te kampen heeft met angsten die behandeld moeten worden de laatste tijd redelijk stabiel gebleven; dat ligt op ongeveer 15 procent.
‘Bezorgdheid over de huidige oorlog of de economische situatie heeft niets te maken met angststoornissen,’ zegt ook Arno Deister, bondsvoorzitter van de actiegroep Psychische Gezondheid. ‘Controleverlies en onzekerheid, het gevoel iets niet meer in de hand te hebben: daaruit ontstaan vaak angsten.’ Je zorgen maken over de actuele situatie is daarom om te beginnen normaal. ‘Mensen met een angststoornis ervaren angst op een dieper niveau, dat zich onttrekt aan rationele overwegingen. Er is sprake van ziekelijke angst wanneer mensen bij angst niet meer in staat zijn hun gedachten en gevoelens te controleren, en als er een angst voor de angst ontstaat.’
Dat doet enigszins denken aan de uitspraak van Franklin Roosevelt die de laatste jaren vaak werd geciteerd: ‘Het enige wat we te vrezen hebben, is de vrees zelf.’
Dat klopt natuurlijk ook niet helemaal. Angst is niet alleen maar slecht. Angst kan een waardevolle helper zijn. In 1908 beschreven de Amerikaanse psychologen Robert Yerkes en John Dillingham Dodson de relatie tussen prestatievermogen en stressniveau, indertijd met behulp van muizen. Hun observaties leidden tot de zogenaamde wet van Yerkes-Dodson, die in een grafiek de vorm heeft van een omgekeerde U. Te weinig of te veel angst vermindert volgens die wet de prestaties, terwijl het hoogste punt, het moment van optimaal prestatievermogen, samenvalt met een gemiddeld angstniveau. Dat is de good anxiety, de goede angst. De Amerikaanse neurowetenschapper Wendy Suzuki heeft daar onlangs een boek aan gewijd. De boodschap: angst kan het beste uit onszelf halen, mits ze in de juiste dosis komt.
Maar de waarheid is ook dat die prestatieverhoging, oftewel die zelfoptimalisatie door angst, niet voor iedereen is weggelegd. Neem nu de bankier die vertelt dat hij klanten heeft die voor een fortuin aan auto’s in de garage hebben staan, maar nu toch hun verwarming terugdraaien tot 19 graden, zodat de gasvoorraden niet te snel op raken.
Voor de mensen die zich tot Bernd Siggelkow wenden is het beslist geen optie om de angst toe te laten. Die beheerst hun dagelijks leven al.

Siggelkow is de oprichter van kinderhulpcentrale Die Arche [De Ark]. Hij neemt al weken waar hoe de zorgen van ouders over inflatie groeien. Zijn medewerkers melden telefoontjes van huilende moeders die zeggen dat ze al dagen niets meer in de koelkast hebben. Verzoeken om levensmiddelen zouden toenemen, ook omdat de voedselbanken op veel plaatsen geen nieuwe klanten meer aannemen, zegt Siggelkow. Nu komen ook veel mensen die zich tot dusver schaamden naar de oude school in [het Berlijnse district] Marzahn-Hellersdorf, een van de negenentwintig vestigingen van Die Arche.
In het souterrain ruikt het naar eten. Aan een buffet kunnen kinderen en jongeren zich dagelijks een vers gekookte maaltijd laten opscheppen, zoals in een kantine. Daarbij zijn er dranken, een kleine salade, een toetje en fruit. Allemaal gratis. Met het dienblad in de hand zoeken ze een plaatsje aan de tafels. Van maandag tot en met vrijdag worden alleen al in de Berlijnse Arche-filialen dagelijks zeshonderd middagmaaltijden verstrekt. In heel Duitsland zijn het er bijna vijfendertighonderd.
Greta Thunberg
‘Soms vind ik het raar, omdat ik weet dat veel mensen gedeprimeerd zijn door de klimaatcrisis, maar ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. Misschien omdat ik me nuttig voel,’ zei Greta Thunberg tegen de Süddeutsche Zeitung. De Duitse krant vroeg diverse mensen naar hun idee over geluk in tijden van crisis. De jonge Zweedse klimaatactiviste vertelde ook dat ze op haar negentiende soms moeite heeft met het nemen van beslissingen, maar dat de belangrijkste keuzes haar vaak juist het duidelijkst voor ogen staan.
Siggelkow zet zich sinds 1995 in voor arme kinderen en hun ouders. Hij kent hun situaties. ‘Ik heb de indruk dat de mensen nu bedrukter en gespannener zijn,’ zegt hij. ‘Je kunt merken dat ze wanhopig zijn omdat ze achttien uur per dag worstelen met zorgen en problemen.’
Onder de ouders die zich tot Die Arche wenden, zijn ook veel alleenstaande moeders die bang zijn dakloos te raken omdat ze zich een nabetaling of hogere bijkomende kosten niet kunnen permitteren. ‘Veel ouders zijn al eens hun woning kwijtgeraakt vanwege huurschulden,’ zegt Siggelkow. De kinderen dreigen dan in de opvang terecht te komen, dat is een veelbesproken thema in deze gezinnen. Als de belangrijkste taak van Die Arche ziet Siggelkow niet alleen de verdeling van levensmiddelen, maar ook de morele ondersteuning. ‘Veel arme gezinnen hebben niemand die naar hen luistert. Maar Die Arche is er al zevenentwintig jaar. De mensen weten: daar krijg ik niet alleen mijn brood, maar ook een mentaal opkikkertje.’
Onder woorden brengen
Naar elkaar luisteren, elkaar serieus nemen: het klinkt misschien als een cliché, een holle frase. En toch, dominee Teske en psychotherapeut Müller zeggen ook dat een van de belangrijkste stappen tegen angst erin bestaat de mensen eerst eens hun zorgen te laten uitspreken. Ook Gabriele Stark, hoofd telefonische zielszorg van de katholieke kerk in Stuttgart, zegt: ‘Als de mensen hun zorgen onder woorden kunnen brengen en daarmee begrip vinden, los je al iets op.’
Onze samenleving wordt aangetast door een soort geprikkeldheid
Een partner hebben die niet oordeelt is ook uit wetenschappelijk oogpunt een belangrijke steunpilaar van mentale weerbaarheid, van dat wat psychologen resilience (veerkracht) noemen. Daar komen al die dingen bij waarvan we al weten dat ze helpen, maar die we toch zo zelden doen: bewegen, pauzes inlassen in het werk en in de hectische stroom van pushberichten, sociale contacten onderhouden. Beslissend is ook de zelfwerkzaamheid: beseffen dat je niet overgeleverd bent aan de situatie in de wereld, maar dat je de loop van je leven zelf kunt beïnvloeden.
Gelatenheid lijkt niet zo moeilijk. In theorie.
In de werkelijkheid neemt socioloog Stephan Lessenich waar hoe de steeds sneller op elkaar volgende crises ertoe leiden dat onze samenleving wordt aangetast door een soort geprikkeldheid. Over deze diagnose van de tijdgeest heeft hij onlangs een boek uit-gebracht, Nicht mehr normal: Gesellschaft am Rande des Nervenzusammenbruchs (‘Niet meer normaal: Samenleving op de rand van een zenuwinzinking’). Lessenich zegt: ‘Een uiting van deze fundamentele nervositeit is ook dat een afgewogen discussie over de inhoud nauwelijks meer mogelijk is. In plaats daarvan zien we snelle tegenwerpingen, snelle stellingnames, alles is heel opgewonden.’
Op de vraag wat je zou moeten doen om de mensen van die nervositeit af te helpen, zegt hij: ‘Je zou eigenlijk beschermde ruimtes moeten scheppen waar mensen van gedachten kunnen wisselen over hun eigen zorgen, noden en angsten. Fysieke ruimtes waarin mensen elkaar ontmoeten en kunnen praten over de betekenis van wat er gebeurt, zonder dat ze elkaar meteen naar de strot vliegen.’ Dat doet denken aan plekken als de kerk van Teske, de telefonische zielszorg van Stark, de spreekuren van Müller, Die Arche van Siggelkow.
Zelfs mensen met milieuangst nemen het er weleens van
Onder de redenen voor neerslachtigheid neemt de klimaatcrisis een belangrijke plaats in. Het Duitse weekblad Die Zeit sprak met zes milieuactivisten van tussen de 20 en 62 jaar, die vertelden over hun manieren om op adem te komen en voor zichzelf te zorgen.
‘Angst is verlammend, ook die voor klimaatverandering’, begint Die Zeit. In deze periode van ‘gelijktijdige crises’ zien de klimaatactivisten tot hun wanhoop dat de ecologische crisis op de achtergrond raakt. Ze hebben dus ‘een stevige strategie’ nodig om de zaak weer vlot te trekken. Clara Mayer, een 21-jarige student geneeskunde in Berlijn en lid van de klimaatbeweging Fridays for Future, vertelt bijvoorbeeld aan het blad dat ze troost vindt in handenarbeid: ‘Soms heb ik alleen maar zin om te knutselen.’ Haar hobby heeft kortgeleden ‘een heel nieuwe dimensie’ gekregen. ‘Ik heb voor een vriend een adventskalender gemaakt in de vorm van een miniatuur-kamertje vol kerstversiering. Daar ben ik dagen mee bezig geweest.’
Op diezelfde manier heeft Aimée van Baalen haar toevlucht gezocht tot tekenen en schilderen. Deze 22-jarige vrouw, die aanvankelijk tatoeëerder was maar daarna ‘voltijdsactivist’, legt wat haar dwarszit vast op het doek. ‘De oorlog in Oekraïne, al dat extreme weer van de afgelopen zomer, de mislukte oogsten en de watertekorten kan ik maar moeilijk van me afzetten. Maar als ik mijn creativiteit tot uitdrukking laat komen, kan ik mijn hoofd een beetje leegmaken.’
‘Alleen in boomtoppen voel ik me werkelijk vrij,’ zegt de 40-jarige Française Cécile Lecomte, die actievoert tegen kern- en kolencentrales. Ondanks haar handicap – ze heeft polyartritis – klimt ze in bomen om haar zinnen te verzetten. Jakob Blasel, een 21-jarige milieuactivist, zoekt afleiding in hardlopen: deze rechtenstudent, die tijdens de Duitse verkiezingen van 2021 op de kieslijst van Die Grünen stond, rent graag in zijn eentje grote afstanden om zijn geest leeg te maken. (Hij geeft ook eerlijk toe dat hij regelmatig naar ‘grappige filmpjes op TikTok’ kijkt.)
Lichaam en geest zijn hecht met elkaar verbonden tijdens het beoefenen van tai chi, waarvan de 62-jarige Thomas Gärtner een liefhebber is. Deze oprichter van het collectief Omas for Future [‘Oma’s voor de toekomst’] noemt het een vorm van ‘bewegingsmeditatie’: ‘Als ik bezig ben met tai chi is mijn hele geest maar op één ding geconcentreerd, ik denk nergens anders meer aan. Elke beweging vereist de souplesse van een kat.’ Om enig tegenwicht te bieden aan ‘het slechte nieuws over de uitputting van de natuur’ doet de zestiger ook elke avond voor het slapengaan zijn best om ‘zich de goede momenten van de afgelopen dag te herinneren’, bijvoorbeeld dat hij naar wilde ganzen heeft gekeken of gewoon zijn kleinkinderen heeft gezien. ‘Het klinkt misschien vreemd,’ zegt de 20-jarige Helena Marschall, maar als ze studeert en zich overgeeft aan het plezier van het leren, vergeet ze haar milieuangst. ‘Als ik een uur per dag langer aan het klimaat besteed – met het risico dat ik de redenen voor mijn betrokkenheid vergeet – zal de planeet daar heus niet beter van worden,’ zegt ze.
Of het perron van metrostation Emilienstrasse in Hamburg. Hier zit Christoph Busch – een tengere man met grijs haar, een ronde bril en een waakzame blik – achter het raam van zijn luisterkiosk. Op het perron tussen twee sporen in, omringd door de 8900 in- en uitstappers per dag, zit hij met een milde glimlach te wachten. Vierenhalf jaar geleden was het groot nieuws toen deze man hier een luisterkiosk opende. Dat iemand daar gewoon zat om te… luisteren, en niet meer dan dat – niet uit financieel belang en zonder enige bedoeling om voordeel te halen uit de ontboezemingen. Inmiddels is de luisterkiosk van Busch een vertrouwde verschijning. Om reden van discretie mag je de gesprekken niet afluisteren, maar Busch kan er wel over vertellen.
Zijn er nieuwe angsten? Nee, dat gelooft hij niet. Wat je hier merkt, is dat veel mensen voor corona, de inflatie en de Russische inval al kapot waren, velen leefden ook daarvoor al op de grens van hun krachten. Soms, wanneer er niemand binnenkomt, kijkt Busch naar de metrostellen en naar de reizigers die zich aan de lussen vasthouden. ‘Die vermoeidheid op de gezichten! Die uitputting!’ zegt hij.
Maar de mensen komen niet bij hem om te vertellen over hun hoge gasrekening. Dat soort alledaagse dingen is hoogstens de grondverf van de verhalen, achtergrondruis. Bij wat er verteld wordt gaat het meestal om privézorgen: teleurstellingen in de relaties met anderen, wonden van vroeger, kwetsuren uit de kindertijd. Hoogte- en dieptepunten in het leven, zegt Busch. Maar meestal dieptepunten. Zijn kiosk is dan een biechtstoel, een safe space voor de zorgen.
Luisterend oor
Dus hoe ernstiger de toestand in de wereld, hoe individueler de zorgen. Ja, dat zou je misschien kunnen zeggen, zegt Busch. ‘De angsten die nu gangbaar zijn, zijn vaak zo reusachtig en abstract en diffuus dat ze de mensen terugwerpen op zichzelf. Wat wil ik van het leven? Wat vind ik belangrijk? Wat is er misgegaan? Waar heb ik spijt van?’ vertelt hij, het hoofd steunend op zijn hand.
En misschien schuilt daarin ook een belangrijk inzicht: dat, omgekeerd, vaak juist het ontbreken van een luisterend oor de angst nog versterkt, ja aanwakkert: het onbegrip, het ontkennen van angsten die er niet mogen zijn. Het morele oordeel over de angsten die ze desondanks toch hebben. Zo krijgen ze het gevoel dat ze door die angsten idioten worden die volkomen alleen staan met hun zorgen.
‘Je kunt niks anders doen dan het allemaal op je af te laten komen en het proberen te ontwijken’
Bovendien is in uitzonderlijke tijden juist voortdurend solidariteit nodig. Maar betekent solidair zijn met elkaar niet ook dat je niet tegen elkaar moet opbieden met je angsten, maar die van de anderen moet erkennen als wat ze zijn: reëel?
Voordat ik deze tekst schreef, belde ik nog een keer met mijn vader. Ik vroeg hoe het met hem ging. ‘Niet veel beter,’ zei hij. ‘Je kunt niks anders doen dan het allemaal op je af te laten komen en het proberen te ontwijken.’
Hij zei ook: ‘Dat we nog zulke tijden moeten meemaken, dat zou ik ons allemaal niet hebben toegewenst.’ Ik zei: ‘Ik ook niet.’ Daar waren we het over eens.
Lees ook:






