Tag: geneeskunde

  • ‘Een spuit of een pilletje is niet genoeg om obesitas te bestrijden’

    ‘Een spuit of een pilletje is niet genoeg om obesitas te bestrijden’

    Nieuwe medicijnen om obesitas te behandelen, zogenaamde GLP1-agonisten, zijn in korte tijd zeer populair geworden. Maar volgens John Schoonbee van herverzekeraar Swiss Re zijn medicijnen pas een laatste redmiddel, als aanpassingen in levensstijl niet aanslaan.

    Het idee van een pil of een injectie waarmee je kunt afvallen is heel aanlokkelijk voor mensen die worstelen met hun gewicht. Het is ook een droom van farmaceutische bedrijven, van wie de middelen tegen obesitas vaak tekortschoten op het gebied van veiligheid of effectiviteit. Maar dat lijkt nu te veranderen. Sinds de Amerikaanse goedkeuring van een wekelijkse injectie om af te vallen in 2021, en daarna het groen licht van de Europese toezichthouder, zijn er al verschillende geneesmiddelen op de markt of staan ze op het punt goedgekeurd te worden. Een hele reeks producenten, van grote fabrikanten tot kleinere biotechbedrijven, verkoopt al dit soort middelen of is ze aan het testen. Herverzekeraars zoals Swiss Re stellen ook veel belang in geneesmiddelen tegen obesitas en andere chronische aandoeningen die de verbetering van de levensverwachting afremmen. Hoe minder mensen ziek worden en voortijdig sterven, hoe beter onze portefeuilles presteren.

    De nieuwe middelen, zogenaamde GLP1-agonisten, verminderen het hongergevoel. Uit klinische onderzoeken blijkt dat ze leiden tot gewichtsverlies, een betere glucoseregulatie en patiënten helpen greep te krijgen op hun diabetes, de aandoening waarvoor deze middelen oorspronkelijk zijn ontwikkeld. Er is ook aangetoond dat ze de kans op hart- en vaatziekten verminderen. Daarmee kunnen ze een waardevolle bijdrage leveren aan de strijd tegen wat een groot en groeiend medisch probleem is: volgens schattingen van de Amerikaanse Centres for Disease Control and Prevention is bij meer dan 40 procent van de volwassenen in de VS sprake van obesitas (een BMI van 30 of hoger). Volgens één onderzoek zouden de economische kosten van overgewicht of obesitas (denk aan productiviteitsverlies door ziekteverzuim) in 2035 wereldwijd kunnen oplopen tot vier biljoen dollar per jaar.

    Maar in de strijd tegen deze obesitasepidemie moet een belangrijk principe leidend blijven: beslissingen over de inzet van deze geneesmiddelen moeten worden genomen op basis van wetenschappelijk inzicht, niet op basis van socialemediahypes. Obesitas is een complex probleem waarin maatschappelijke factoren, gedrag en voeding allemaal een rol spelen. Een spuit of een pilletje alleen is niet genoeg om iemand een gezondere stofwisseling te geven.

    Belangrijke nadelen

    Wie het gebruik van deze medicijnen overweegt, moet rekening houden met een aantal belangrijke nadelen. GLP1-medicijnen hebben bijwerkingen zoals misselijkheid, spijsverteringsproblemen, abdominale zwelling en braken, al nemen die na verloop van tijd vaak af. In één onderzoek stopte circa 7 procent van de proefpersonen voortijdig met de behandeling vanwege de bijwerkingen, tegen 3,1 procent in de placebogroep. Het inschatten van de bijwerkingen op langere termijn is lastiger. Hoewel het gewichtsverlies bij het onderzoek naar de goedgekeurde injectie vooral verlies van vet betrof, werd ook spierweefsel afgebroken. De mensen die de injectie kregen toegediend verloren 6,9 kilo aan spierweefsel, bijna vijfmaal zoveel als in de controlegroep. Dat is van belang: spiermassa is een belangrijke graadmeter voor de gezondheid en het herstellend vermogen van mensen, vooral naarmate ze ouder worden.

    Verder denken veel medische deskundigen dat wie met zo’n behandeling begint, er voor het leven aan vastzit. Zodra je ermee stopt, kunnen de positieve gevolgen verdwijnen. In één onderzoek daalde het gemiddelde BMI van de deelnemers in 16 maanden tijd weliswaar van 37,6 naar 31,2, maar binnen een jaar nadat ze waren gestopt hadden ze een flink deel van de verdwenen kilo’s er weer bij. Ook de verbeterde bloeddruk was tenietgedaan. En als je deze geneesmiddelen tientallen jaren gebruikt, groeit de kans dat de bijwerkingen zich opstapelen. Daarnaast heeft levenslange behandeling grote financiële consequenties. De prijs van de injecties wordt in Amerika geschat op 13.600 dollar per jaar. Zelfs als die prijs onder invloed van toenemende concurrentie in de toekomst daalt, kan het voor een verzekeraar nog een dure aangelegenheid worden als deze middelen verplicht in het pakket komen.

    Het zou dom zijn om de ogen te sluiten voor het potentieel van deze geneesmiddelen om de obesitas- en diabetesepidemie af te remmen en de levenskwaliteit van patiënten te verbeteren. Maar vanwege de mogelijke bijwerkingen en de hoge kosten van langdurig gebruik moeten de artsen die deze middelen voorschrijven en de patiënten die ze innemen goed nadenken over hoe ze worden ingepast in een duurzaam plan voor gewichtsverlies. Dat wordt des te nijpender omdat de middelen zo populair zijn: één fabrikant heeft al gewaarschuwd dat de vraag binnenkort zijn productiecapaciteit dreigt te overtreffen.

    Er moet meer onderzoek worden gedaan naar de voedingsrichtlijnen

    Verder moet er worden nagedacht over hoe breed ze kunnen worden ingezet. Ook mensen met een klein beetje overgewicht willen waarschijnlijk wel een paar kilo afvallen en zullen deze geneesmiddelen willen gebruiken voor overwegend cosmetische doeleinden. Daarom is het des te belangrijker dat mensen goed worden voorgelicht over alle mogelijkheden, te meer daar we weten dat mensen die worstelen met hun gewicht vaak ook zonder medicatie goed geholpen kunnen worden. Twee van de belangrijkste manieren waarop dat kan, hebben te maken met wat we eten en hoeveel we bewegen. Veel van wat we tegenwoordig consumeren verschilt hemelsbreed van wat onze voorouders op hun bord hadden, doordat we steeds meer grijpen naar voorbewerkt voedsel. En het leven wordt steeds meer geautomatiseerd, wat minder fysieke arbeid en meer stilzitten betekent.

    Veel mensen die gewicht willen verliezen en de daarmee samenhangende ziekten willen aanpakken hebben daarom baat bij doordachte programma’s die aanzetten tot gezonder eten en meer bewegen. Er moet meer onderzoek worden gedaan naar de voedingsrichtlijnen van de verschillende nationale voedingsbureaus, want die zijn vaak verouderd. Het advies luidt bijna altijd om minder te eten en meer te bewegen, maar daarbij wordt te eenzijdig gekeken naar de energiebalans (‘calories in, calories out’), de gedachte dat je vanzelf afvalt als je maar minder calorieën eet dan je verbrandt. Er is inmiddels veel kritiek op het voedingsparadigma van de afgelopen vijftig jaar, waarbij vooral naar calorieën werd gekeken en vet, met name verzadigde vetten, gedemoniseerd werd.

    We moeten meer inzicht krijgen in hoe ons lichaam vetten, koolhydraten en eiwitten omzet in energie, en op basis daarvan de voedingsrichtlijnen en onze bredere aanpak van overgewicht bijstellen. Zo weten we al dat het beteugelen van de insulineaanmaak, onder meer door minder suiker en koolhydraten te consumeren, dezelfde positieve effecten heeft als de nieuwe geneesmiddelen nu beloven. De werkelijkheid geworden droom van een pil of een injectie waarmee je kunt afvallen is een uitbreiding van ons arsenaal in de strijd tegen overgewicht. Die zal levens veranderen. Maar het is niet het enige wapen waarover we beschikken en er zitten haken en ogen aan. Voor een duurzame aanpak is het misschien beter om GLP1-agonisten te beschouwen als een extra optie om achter de hand te hebben, net zoals bariatrische chirurgie (maagband, maagverkleining) vaak gezien wordt als een laatste redmiddel tegen obesitas, iets waarnaar je alleen grijpt als veranderingen in de levensstijl niet aanslaan.

    Lees ook:

  • Zo mens, zo dier

    Zo mens, zo dier

    Katten verminken zichzelf, zeeotters hebben puberteitscrises en een op 
de twee honden krijgt na het tiende levensjaar een vorm van kanker. 
Dat er parallellen tussen mensen en dieren bestaan, is geen nieuws. Vreemd genoeg is er maar weinig kruisbestuiving tussen artsen en dierenartsen. Daar moet verandering in komen, zeggen onderzoekers.

    Popeye heeft duidelijk een probleem. Zodra 
de blonde adonis wordt losgelaten, dartelt hij de hele behandelkamer door om te laten zien hoe blij hij is. Maar algauw stopt de jonge labrador om zijn snuit tegen de grond te duwen. Als een 
borstel in een autowasstraat draait hij zijn dikke kop in het rond. Zijn vrouwtje heeft met hem te doen: ‘Hij zit zich alsmaar als een gek te krabben.’

    Niet veel later is Popeye onder narcose gebracht en ligt hij op de behandeltafel. Zijn buik is aan de linkerkant geschoren, op de lichtroze huid verschijnen minuscule knobbeltjes. De dermatologen van de diergeneeskundige kliniek van de Universiteit van Wenen doen een huidtest om erachter te komen wat Popeyes allergie veroorzaakt. ‘Steeds meer honden worden allergisch. Daarbij is Popeye ook nog eens blond, en lichtkleurige honden zijn er extra vatbaar voor. Net als bij mensen’, vertelt immunoloog en allergoloog Erika Jensen-Jarolim.

    Een van de knobbels op Popeyes buik zwelt inmiddels rood op, tot de omvang van een erwt.

    Het is 
duidelijk: Popeye is allergisch voor huisstofmijt, en mogelijk ook nog eens voor grassen. Popeye klachten hebben veel weg van die van een mens met een 
allergie. Diagnose en zelfs behandeling bij een hond verlopen op dezelfde wijze als bij een mens. Straks krijgt Popeye immunotherapie.

    Qua gezondheid verschillen mens en dier minder van elkaar dan doorgaans wordt gedacht. Zo zijn 
er dikhoornschapen die verslaafd zijn aan papaver, katten die zichzelf verminken, zeeotters met een puberteitscrisis en golden retrievers met borst-
kanker. Dat zulke parallellen bestaan, is geen nieuws. Toch worden de mogelijkheden die dat biedt tot nu toe nauwelijks opgemerkt. Veel ziektebeelden bij mensen zouden namelijk sneller en goedkoper onderzocht kunnen worden, als artsen zouden 
kijken naar wat er al bij veterinairs bekend is over 
de dierlijke pendant. Omgekeerd zouden dieren kunnen profiteren van al bestaande therapieën voor mensen. En soms zou het zinvol zijn te kijken naar de gezondheid van zowel mens als dier, bijvoorbeeld wanneer een epidemie overspringt van de ene soort op de andere.

    Gemeenschappelijke voorouders

    Enkele onderzoekers wagen zich reeds aan zo’n 
overstijgende blik. Zoals in het geval van Popeye, waarbij ook een medicus betrokken is: Erika Jensen-Jarolim, hoogleraar vergelijkende geneeskunde 
aan het Weense Messerli-instituut voor mens-
dierrelaties. Haar leerstoel is ondergebracht bij twee faculteiten tegelijk: de medische en de diergeneeskundige – in de academische wereld ongehoord.

    Het onderzoeksgebied van Jensen-Jarolim is de immunotherapie, het raakvlak van allergologie en kankeronderzoek. Ze wil achterhalen hoe het immuunsysteem kan worden ingezet tegen kankercellen. Dat is tot nu toe al gelukt voor longkanker 
en melanoomkanker. In andere gevallen zijn er 
nog veel bijwerkingen of slaat de therapie niet aan.

    Jensen-Jarolim heeft nu een voor de mens ontwikkelde antistof zodanig aangepast dat die voor honden te verdragen is. ‘De voordelen voor beide soorten liggen voor de hand’, vertelt ze. ‘Met deze antistof kan een moderne kankertherapie worden ontwikkeld voor honden, die daar enorm voordeel bij zouden hebben – een op de twee honden krijgt na het tiende levensjaar een vorm van kanker. En tegelijkertijd kunnen we uit onze ervaring met honden veelzeggende data vergaren en te weten komen hoe we deze het best op mensen kunnen toepassen.’

    Met deze benadering ontwijkt Jensen-Jarolim tevens een dilemma bij de 
traditionele ontwikkeling van geneesmiddelen. Deze moeten namelijk met gestandaardiseerde proeven op gestandaardiseerde dieren worden getest. Meestal zijn dat genetisch aangepaste ratten en muizen. ‘Maar standaardmensen bestaan niet’, zegt evolutie-bioloog Josef Reichholf. ‘Wereldwijd zijn mensen heel verschillend, en dat heeft bijvoorbeeld invloed op de manier waarop medicijnen werken en worden verdragen. Daarom worden veel bijwerkingen pas bekend als de werkzame stoffen al geruime tijd op de markt zijn, als het ware na langlopend onderzoek op mensen.’

    Wanneer het medisch onderzoek 
rekening zou houden met wetenschappelijke data, ervaringen en onderzoeken uit de diergeneeskunde, zou er van begin af aan een veel beter overzicht zijn van de werkingsmechanismen van een stof in verschillende organismen met verschillende genetische grondslagen. Tegelijkertijd lijken mensen 
en dieren in essentie sterk op elkaar:

    mensdier2
    ‘Veel mechanismen in ons lichaam 
zijn veel ouder dan onze soort. Ze gaan terug op de gemeenschappelijke voorouders van alle zoogdieren’, zegt Reichholf. Zo zijn infectieziekten zo oud dat de afweersystemen van het lichaam bij de meeste zoogdieren sterk op elkaar lijken. ‘Wij zijn nu eenmaal ook dieren – maar ongeveer 1 procent van onze genen onderscheidt ons van onze naaste verwanten, de mensaap.’

    Daarbij komt dat de ratten, muizen en andere knaagdieren die bij onderzoeken als modelorganismen dienen, 
biologisch niet heel erg op de mens lijken en al evenmin onder vergelijkbare omstandigheden leven. Externe factoren als omgeving, voeding en beweging zijn echter in hoge mate van invloed op de ontwikkeling van een ziekte. Honden zijn juist aan dezelfde invloeden blootgesteld als hun baasjes: ze leven bij hen in huis, bewegen zich dus veel in dezelfde omgeving en worden vaak even dik. Het zijn veel complexere zoogdieren dan muizen en ze zijn vatbaar voor dezelfde kankersoorten en allergieën als mensen. 
Maar bij het onderzoek naar een ziekte besteedt vrijwel geen enkele arts 
aandacht aan de inzichten uit de 
diergeneeskunde – of omgekeerd.

    Volgens evolutiebioloog Reichholf is die kloof tussen de wereld van dieren en mensen kunstmatig en bovendien een verspilling van middelen. ‘Wetenschappelijke data van dieren die meer van mensen weghebben dan laboratoriummuizen, zijn immers al lang beschikbaar: in de diergeneeskunde of in de wildbiologie. Maar in plaats van er gebruik van te maken en er iets van te leren voor mensen, zijn we massaal laboratoriummuizen aan het kwellen.’

    Minderwaardigheidscomplex

    Hoewel de voordelen van interdisciplinaire uitwisseling duidelijk zijn, 
stuitte de methode van de Weense allergoloog Jensen-Jarolim op verzet. ‘We dachten eerst dat we met hetzelfde geneesmiddel voor hond en baas verder zouden kunnen gaan; dat is eigenlijk voor beide partijen logisch.’ Maar de relatie tussen mens- en diergeneeskunde blijkt beladen.

    ‘Er wordt nog sterk in hiërarchieën gedacht’, zegt ze. Medici voelen zich doorgaans ver verheven boven een dierenarts en hebben zo goed als geen belangstelling voor de diergeneeskunde. En ook dierenartsen zijn nog niet bereid tot uitwisseling: die lijden op hun beurt aan een minderwaardigheidscomplex. Zo mislukte het project van Jensen-Jarolim aanvankelijk, omdat de Europese farmaceutische industrie geen belangstelling had.

    Het National Cancer Institute in de VS had wel 
interesse. Hier lopen momenteel de eerste studies met gewone huishonden. In de VS erkennen veel wetenschappers al langer de mogelijkheden tot samenwerking tussen mens- en diergeneeskunde. Sinds 2010 bestaat daar onder de naam Zoobiquity een vereniging van geneeskundigen en diergeneeskundigen. De naam van de vereniging is een combinatie van het Griekse begrip voor dier (zoon) en het Latijnse woord voor overal (ubique). Ook wel: het dier is overal. Inmiddels zijn er in de VS ook verschillende leerstoelen Comparitive Medicine (een vorm van geneeskunde die zich bezighoudt met de ziekten 
van mens en dier en de onderlinge samenhang).

    Cardioloog Barbara Natterson-Horowitz van de Universiteit van Californië heeft in 2012 met haar boek over Zoobiquity bijgedragen aan een zekere populariteit ervan. Ze kwam op het idee toen ze in het voorjaar van 2005 werd gevraagd naar de dierentuin van Los Angeles te komen. Dat was op zich niets bijzonders voor haar: als waardevolle wilde dieren een gecompliceerde ziekte hebben, doen dieren-
tuinen graag een beroep op specialisten. Maar deze keer betekende haar visite aan een keizertamarin, een kleine primaat, het begin van een reis door een jungle van veterinaire onderzoeksresultaten.

    De dierentuinarts vroeg haar destijds terloops het aapje niet rechtstreeks te benaderen, omdat het anders capture myopathy (‘vangmyopathie’) zou kunnen krijgen: een plotselinge hartstilstand bij 
een dier als gevolg van zware stress, bijvoorbeeld wanneer mensen het proberen te vangen. Natterson-Horowitz moest onmiddellijk denken aan Takotsubo-cardiomyopathie, een hartspierziekte die bij mensen pas sinds begin deze eeuw bekend is. Mensen die hieraan lijden, hebben bijvoorbeeld een geliefde zien sterven of zijn op hun huwelijksdag in de steek gelaten – de ziekte wordt daarom ook wel het ‘gebrokenhartsyndroom’ genoemd. Net als bij een aapje dat een uitzichtloze situatie ervaart, leiden ook bij deze mensen extreme emoties tot hartsymptomen.

    ‘Artsen schepten aan het begin van deze eeuw op over een exotisch inzicht dat bij iedere dierenarts al vanaf het eerste studiejaar bekend is’

    ‘Plotseling realiseerde ik me dat Takotsubo 
bij mensen en vangmyopathie bij dieren hoogstwaarschijnlijk met elkaar te maken hebben – waarschijnlijk ging het zelfs om een en hetzelfde syndroom met alleen maar een andere naam’, schrijft 
de cardioloog in haar boek. Haar verbazing was groot: ‘Al minstens veertig jaar weten dierenartsen dat extreme schrik bij dieren kan leiden tot schade aan hartspieren.’ Ze ontdekte dat dierenartsen al in hun basisopleiding leren welke voorzorgsmaatregelen hiertegen genomen moeten worden. ‘Dus artsen schepten aan het begin van deze eeuw op over een exotisch inzicht dat bij iedere dierenarts al vanaf het eerste studiejaar bekend is.’

    Vanaf dat moment stelde Natterson-
Horrowitz zich tot taak diagnoses uit de geneeskunde na te slaan in publicaties uit de diergeneeskunde. In haar boek heeft ze verschillende gevallen verzameld waarbij een gezondheidsprobleem van een mens een pendant heeft in de 
dierenwereld. Hiertoe behoren grote volksziekten zoals obesitas, diabetes, kanker en hartinfarcten, maar ook 
specifieke aandoeningen als eet- en gedragsstoornissen.

    One Health

    De kloof tussen mens- en diergeneeskunde is een modern verschijnsel. Nog geen honderd jaar geleden zorgde een plattelandsarts vaak voor zowel mensen als dieren. Van Rudolf Virchow, de grondlegger van de moderne pathologie, is bekend dat hij krachtig de stelling 
verdedigde ‘dat er tussen mens- en diergeneeskunde wetenschappelijk geen grensscheiding bestaat’.

    Dat er vele voordelen te behalen zijn bij een verbinding tussen beide disciplines, bewijst veterinair Jakob Zinsstag van het Zwitserse Tropen- en Volksgezondheidsinstituut. Decennia geleden ontdekte 
hij tijdens een veldstudie in Tsjaad dat nomadenstammen wel hun koeien inentten, maar niet hun kinderen. Dus zette hij een inentingsdienst op met een voor mens en dier gezamenlijke keten van transport en diepvriesopslag.

    Bij een ander project konden Zinsstag en zijn medeonderzoekers met behulp van een wiskundig model aantonen dat een aanvankelijk kostbaar lijkende inenting van straathonden tegen hondsdolheid goedkoper en effectiever was dan wanneer alleen zieke mensen zouden worden behandeld en alle honden gedood. Het zijn simpele voorbeelden die ook toegepast kunnen worden in westerse zorg-
systemen. ‘Samenwerking tussen beide disciplines leidt niet alleen tot meer gezondheid bij mens en dier, het bespaart ook nog eens veel geld’, zegt Zinsstag, die spreekt van One Health: één zorgsysteem voor mens en dier. De Wereldbank schat de mogelijke kostenbesparing door One Health wereldwijd op minimaal 6 miljard dollar per jaar.

    Ook in Europa zijn er mogelijkheden. 
Zo vertelt Zinsstag over een brucellose-uitbraak van enkele jaren geleden in Nederland. Koeien en varkens hadden deze infectieziekte overgedragen op mensen. De ‘mensenartsen’ waren daar helemaal niet op voorbereid, terwijl de dierenartsen er al lang veel van wisten.

    Als elke zorgsector onmiddellijk geïnformeerd zou worden over het voorkomen van meldingsplichtige infectieziekten, zouden er eerder maatregelen getroffen kunnen worden. ‘Een stap verder zijn aan elkaar gekoppelde kankerregisters’, zegt Zinsstag. 
‘De veroorzakers van kanker komen bij zowel mens als dier voor en kunnen zo dus veel sneller worden geïdentificeerd. We weten bijvoorbeeld dat huisdieren van rokers ook een verhoogd risico op longkanker hebben.’ Net zo nuttig zou een soort overstijgend register zijn van antibioticaresistenties, die zich immers ook kunnen ontwikkelen in een stal.

    Canada is tot nu toe het verst met het in praktijk brengen van One Health: alle onderzoeken naar voor mens en dier besmettelijke ziekten worden in een 
en hetzelfde laboratorium uitgevoerd. De zorgsector heeft er een uniform controlesysteem opgezet voor antibioticaresistenties en diarreeveroorzakers bij mens en dier.

    Voor Zinsstag is het nog niet genoeg. Zijn visie gaat veel verder: ‘De zorg voor gezondheid moet niet alleen naar mensen en dieren kijken, maar ook naar ecosystemen, dus factoren zoals luchtvervuiling, 
klimaatopwarming en bodemvruchtbaarheid.’ One Health ziet hij als niet meer dan een onderdeel van EcoHealth, een soort universeel zorgsysteem. ‘Alles hangt met alles samen’, zegt hij. ‘Eigenlijk weten 
we dat toch allang.’

    Auteur: Judith Blage

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 445.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.