De hokjes en de labels, generaties indelen in demografische groepen om ze daarna de schuld te kunnen geven van de woningnood of van klimaatschade: het leidt alleen maar tot ongekende verdeeldheid in de samenleving. Terwijl generaties juist veel overeenkomsten hebben.
Het typeren van generaties heeft alles te maken met verdeeldheid. We worden in groepen ingedeeld op basis van de periode waarin we zijn geboren, en die periode krijgt vervolgens een pakkend label, dat het goed doet in de media, waarna alle aandacht uitgaat naar de veronderstelde conflicten tussen de verschillende groepen.
We vinden het veel makkelijker om de schuld voor ongewenste veranderingen in de schoenen te schuiven van bepaalde generaties dan van willekeurig welke andere demografische groep. Zo hebben de babyboomers alle huizen ingepikt, alle rijkdom weggekaapt en de aarde verwoest; millennials zijn verantwoordelijk voor het einde van het huwelijk, de teloorgang van feestjes op kantoor en zelfs voor de ondergang van marmelade (sinds 2013 daalt de verkoop).
Ondertussen hebben de ouderen altijd al commentaar gehad op de jongeren: in 400 v.Chr. mopperde Socrates al over de jeugd met hun ‘slechte manieren, hun minachting voor gezag en hun gebrek aan respect voor ouderen’. Maar tegenwoordig beschikken we over de middelen om deze eeuwige vooroordelen op grote schaal uit te dragen.
Misleidend
Dat vormt een cruciaal element van wat inmiddels is uitgegroeid tot een generatiegekleurde cultuuroorlog. We worden bestookt met verhalen over een ‘woke’ generatie die is geobsedeerd door ‘safe spaces’ en die een ‘cancelcultuur’ cultiveert. Maar dat beeld is misleidend. Het is waar dat jonge mensen een andere kijk hebben op verschuivende sociale normen – maar dat is nooit anders geweest.
Jongere generaties voelen zich gewoon beter op hun gemak bij nieuwe culturele opvattingen, omdat ze niet zijn opgegroeid met de oude opvattingen. Sterker nog, als je over een langere termijn kijkt naar trends, is het min of meer een constante dat de jongste generatie zich twee keer zo goed op haar gemak voelt bij de nieuwste culturele opvattingen dan de oudste generatie. In de jaren tachtig, toen de babyboomers jongvolwassenen waren, speelden kwesties als de rol van vrouwen op de werkplek en de acceptatie van homoseksualiteit; voor de jongeren van nu is het belangrijkste onderwerp vermoedelijk genderidentiteit, of de manier waarop we naar de geschiedenis kijken. De hete hangijzers verschillen, maar de generationele patronen vertonen griezelig veel overeenkomsten.
Het feit dat we nu zo’n ongekend grote kloof ervaren heeft meer te maken met de tijd waarin we leven dan met fundamentele generationele kenmerken.
We hebben een ongekende toename gezien van de persoonlijke rijkdom bij ouderen
Er zijn twee wezenlijke contextuele veranderingen die een verklaring kunnen bieden. De eerste is van economische aard. We hebben een ongekende toename gezien van de persoonlijke rijkdom bij ouderen, waarbij de babyboomers op kop lopen. Zoals blijkt uit een recent rapport van de Resolution Foundation [een Britse denktank], bezit deze oudere groep meer dan de helft van al het privévermogen, zeven keer zoveel als de millennials. Natuurlijk is rijkdom in grote mate gekoppeld aan levensloop, in die zin dat vermogen wordt opgebouwd met het ouder worden. Maar deze kloof is van een andere orde dan die in het verleden, en dat patroon zien we in veel landen terug.
Neem de Verenigde Staten: toen de babyboomers gemiddeld 45 jaar waren, hadden ze 42 procent van al het Amerikaanse privévermogen in handen. Toen generatie X diezelfde mijlpaal bereikte, was dat slechts 15 procent – en voor de millennials zal dit ongetwijfeld nog lager zijn. Dat is een ingrijpende nieuwe verdeling, het gevolg van historische ontwikkelingen en van de bescherming van de belangen van de boomers, door hun electorale gewicht.
Clickbait
Daarnaast kan ons toegenomen besef van een intergenerationele kloof niet los worden gezien van onze nieuwe informatieomgeving, die ongekende verdeeldheid zaait. Conflicten zijn clickbait, en de generationele groepen staan vaak in de frontlinie.
Ik heb zonder het te weten een klein voorbeeld van die zogenaamde verdeeldheid in het leven geroepen met een onderzoek dat we in 2022 uitvoerden om na te gaan wat voor beeld de verschillende generaties in het Verenigd Koninkrijk van elkaar hebben. In een van de vragen kwam een opmerking aan de orde uit een interview met tv-persoonlijkheid Kirstie Allsopp, die leek te impliceren dat jongeren geen huis konden kopen omdat ze te veel geld uitgaven aan Netflix, sportschoolabonnementen, dure koffietjes en vakanties naar het buitenland. Het schokkende was dat de helft van het publiek het met Allsopp eens was – en nog schokkender: generatie Z was het er percentueel gezien net zozeer mee eens als oudere generaties.
De huidige lichting jongeren heeft zich duidelijk een zeker zelfverwijt eigen gemaakt, terwijl het feit dat de huizenprijzen al decennialang de hoogte in schieten, de lonen stagneren en het veel lastiger is geworden om een hypotheek te krijgen veel logischere verklaringen zijn voor het geringe eigenhuisbezit.
Maar de belangrijkste les school voor mij niet in de vraag of de bewering al dan niet klopte, het interessantste was de berichtgeving over onze opiniepeiling. De koppen waren stuk voor stuk variaties op ‘Boomers wijten het aan Netflix en afhaalmaaltijden dat jongeren geen huis kunnen kopen’, terwijl de boomers die mening niet in sterkere mate waren toegedaan dan wie ook. Nieuwssites weten als geen ander dat stukken waarin een generatiekloof wordt opgevoerd, zeker als boomers de boosdoener zijn, beter worden gelezen en meer worden gedeeld.
Ondanks alle retoriek zijn we in werkelijkheid innig verbonden met de generaties onder en boven ons
Hoe dan ook, ondanks alle geforceerde, overtrokken maar natuurlijk ook daadwerkelijke scheidslijnen is het onwaarschijnlijk dat het tot een echte breuk zal komen tussen de generaties, of dat de jongeren een politieke tegenaanval zullen inzetten. Dat komt deels doordat ze de neiging hebben hun sombere situatie aan zichzelf te wijten, maar er zijn ook nog andere redenen.
Ondanks alle retoriek zijn we in werkelijkheid innig verbonden met de generaties onder en boven ons, vanwege onze familie. We houden van onze ouders en onze grootouders en we willen, voor een belangrijk deel uit eigenbelang, dat ze het kapitaal behouden dat ze hebben vergaard, en dat ze alle mogelijke steun blijven ontvangen – want anders blijft er minder voor ons over of draaien wij op voor de kosten. De ontstellende hoeveelheid kapitaal bij de oudste generatie zal uiteindelijk doorsijpelen naar beneden. Het probleem is alleen dat het ongelijk verdeeld zal zijn – en dat ondermijnt de gezamenlijke inspanning van jongere generaties om verandering te bewerkstelligen.
Het gebrek aan woede en actiebereidheid onder jongeren is frustrerend voor diegenen onder ons die vinden dat er hoognodig een betere regeling tussen de generaties moet komen. Maar om dat voor elkaar te krijgen moeten er eerst twee reusachtige beleidskwesties worden aangepakt: de vraag hoe we kapitaal belasten, en de vraag hoe we de ontwrichte huizenmarkt weer vlot trekken. Vermogen en huisvesting zijn zo nauw verbonden aan de periode waarin je bent geboren, dat alleen radicale actie de keten van intergenerationeel privilege kan doorbreken. Maar gezien het gebrek aan wrok jegens diegenen in onze omgeving die daardoor zouden worden getroffen, is de kans op dergelijke actie niet groot. De ironie wil dat de verschillen tussen de generaties niet groot genoeg zijn, noch voldoende emotioneel beladen, om tot een eerlijkere uitkomst te leiden. We zullen dus een andere manier moeten zoeken om om dat voor elkaar te krijgen.
Kinderen in wiens leefomgeving in de eerste jaren veel ontsmettingsmiddel gebruikt is, hebben vast en zeker een ander microbioom gevormd. De vraag in dit geval is of ‘anders’ ook slecht is.
In het voorjaar van 2021 deed Brett Finlay, microbioloog aan de Universiteit van British Columbia, een gewaagde en zorgwekkende voorspelling. ‘Ik gok dat we over vijf jaar een grote groep kinderen met astma en obesitas gaan zien,’ zei hij tegen tijdschrift Wired. Hij noemt deze generatie de ‘coronakinderen’: zij die net vóór of tijdens het hoogtepunt van de crisis zijn geboren, toen het coronavirus alom aanwezig was en we collectief alles schoonmaakten om maar niet besmet te raken.
Finlays voorspelling is niet ongegrond. Zoals James Hamblin vorig jaar in The Atlantic schreef, hangt onze gezondheid af van een constante wisselwerking met triljoenen microben die op en in ons lichaam leven. De microben die tot het zogenaamde microbioom behoren, zorgen ervoor dat we ons voedsel kunnen verteren, ons immuunsysteem kunnen trainen en onze cognitieve functies optimaliseren. Die wisselwerking begint in de kindertijd, waarbij de eerste drie levensjaren cruciaal zijn: eerst moeten bacteriën zich in zogenaamde kolonies op baby’s nestelen en vervolgens moeten beide partijen fysiologisch op elkaar afgestemd raken. Als er in deze vormende periode grote verstoringen plaatsvinden, ‘kan het systeem uit balans raken’, aldus Katherine Amato, biologisch antropoloog aan de Northwestern University. En dat vergroot de kans dat een kind later allergieën, astma, obesitas en andere chronische aandoeningen ontwikkelt.
Hoe vroeger die verstoringen plaatsvinden en hoe intenser en langduriger ze zijn, hoe dramatischer de gevolgen. Zware antibioticakuren kunnen bijvoorbeeld de microbiële diversiteit vernietigen – baby’s die op jonge leeftijd zo’n kuur ondergaan, lopen een groter risico op eerdergenoemde complicaties. Min of meer hetzelfde geldt voor baby’s die via een keizersnede worden geboren, flesvoeding krijgen of opgroeien in een natuurarme omgeving. Als de coronamaatregelen zelfs maar een fractie van die effecten teweeg hebben gebracht, zijn door de strijd tegen schadelijke microben een heleboel kleine kinderen ook allerlei nuttige microben misgelopen – en dat kan grote problemen veroorzaken.
Dreiging
Nu, meer dan anderhalf jaar nadat Finlay zijn oorspronkelijke voorspelling deed, zijn kinderen weer op de crèche en op school te vinden. Mensen houden geen afstand meer en mijden niet langer de grote menigten. En, afgaand op de grote golf luchtwegvirussen die het noordelijk halfrond overspoelt, kan men stellen dat kinderhandjes en -mondjes weer druk microben uitwisselen. Maar voor de coronageneratie hangt de dreiging van de chronische ziektes die Finlay vanaf pakweg 2026 verwacht, nog steeds in de lucht. Het zal nog wel even duren voordat onderzoekers met zekerheid kunnen zeggen hoeveel verschil die maanden van microbiële leegte daadwerkelijk hebben gemaakt.
Voorlopig ‘bevinden we ons in het domein van speculatie’, aldus Maria Gloria Dominguez Bello, microbioloog aan Rutgers University. Wetenschappers weten nog niet hoe de samenstelling van onze darmflora zich in de toekomst in ons lichaam zal gedragen. Bovendien duurt het lang voordat chronische ziekten zoals obesitas en astma zich manifesteren. Er is nog geen bewijs dat ze bij de huidige generatie kinderen vaker voorkomen, en als dat inderdaad het geval blijkt te zijn, kunnen onderzoekers het pas over een paar jaar of zelfs langer vaststellen.
Finlay blijft bij zijn oorspronkelijke voorspelling dat de pandemie een netto negatief microbioom zal opleveren. ‘We hebben een enorme maatschappelijke verschuiving ondergaan,’ vertelt hij. ‘Ik weet zeker dat we daarvan de gevolgen gaan zien.’ En hij is niet de enige die dat denkt. ‘Ik denk dat gevolgen haast onvermijdelijk zijn, zegt Graham Rook, medisch microbioloog aan University College London. Als zich halfweg dit decennium geen incidenten voordoen, zou Rook ‘zeer verbaasd zijn’. Andere onderzoekers zijn minder overtuigd. ‘Ik denk niet dat we een generatie kinderen de verdoemenis in hebben geholpen,’ zegt Melissa Manus, antropoloog en microbioomonderzoeker aan de Universiteit van Manitoba. Enkele wetenschappers menen zelfs dat de pandemie het microbioom van de coronakinderen wellicht ten positieve heeft beïnvloed. Martin Blaser, microbioloog aan de Rutgers University, gelooft dat het aantal astma- en obesitasgevallen de komende jaren ‘met een beetje geluk’ zelfs zou kunnen dalen.
Het is bekend dat het microbioom van mens tot mens sterk varieert: soms is er tussen individuen geen enkele overlap
Wat de mogelijke gevolgen van de pandemie betreft, zijn de onderzoekers het over één ding eens: de coronababy’s hebben een ongewone kindertijd gehad. Hun micriobioom zal er dus gemiddeld heel anders uitzien. Maar anders hoeft niet per se slecht te zijn. ‘Het is niet zo dat er één winnend microbioom is,’ zegt Efrem Lim, microbioloog aan de Arizona State University. Neem bijvoorbeeld de zonen van Liz Johnson. Die werden geboren in maart 2018, augustus 2020 en maart 2022, alle drie vaginaal, in hetzelfde ziekenhuis, met de hulp van dezelfde vroedvrouw. Vervolgens kregen ze alle drie borstvoeding, en geen van hen onderging op jonge leeftijd een zware antibioticakuur. En toch ‘begonnen ze allemaal met een ander microbioom aan hun leven,’ vertelt Lim.
Op zich is dat niks zorgbarends. Het is bekend dat het microbioom van mens tot mens sterk varieert: mensen kunnen honderden bacteriesoorten op en in hun lichaam dragen en het is dus ook mogelijk dat er tussen individuen geen enkele overlap is. Bacteriële gemeenschappen lijken in zekere zin op kookrecepten: als je een ingrediënt niet bij de hand hebt, kun je het meestal door iets anders vervangen.
Lucas, Johnsons tweede zoon, kwam op een heel andere manier ter wereld dan zijn oudere broer – en in veel opzichten ook anders dan zijn jongere broer. Lucas werd geboren in een verloskamer vol gemaskerde gezichten. In de dagen na zijn geboorte kwam er geen familie op bezoek in het ziekenhuis. En terwijl zijn broers gedurende de eerste maanden van hun leven met hun moeder meegingen op werkreisjes over de hele wereld, bleef Lucas thuis. ‘Bijna niemand wist überhaupt dat hij geboren was,’ vertelt Johnson. Maar tijdens zijn eerste twee levensjaren kreeg Lucas wel borstvoeding en had hij veel contact met zijn familie thuis en met kinderen op de crèche. Bovendien was hij vaak in de natuur.
Maar Johnson en anderen weten nog niet precies in hoeverre dat alles opweegt tegen de extreme hygiëne en het weinige sociale contact tijdens Lucas’ eerste dagen. Zowel een teveel als een gebrek aan voorzichtigheid kunnen negatieve gevolgen hebben. Als het erop aankomt, weten wetenschappers gewoonweg niet hoeveel microbiële blootstelling precies goed is.
Arm en rijk
Onder coronababy’s zal het microbioom waarschijnlijk eveneens variëren, afhankelijk van wat voor beslissingen hun ouders op het hoogtepunt van de pandemie namen – wat weer afhangt van de financiële en sociale middelen waarover deze beschikten. Amato maakt zich vooral zorgen kinderen van wie de gezinnen niet alleen flink hebben ontsmet, maar wier microbiome diversiteit daarnaast ook op andere manieren is aangetast: bijvoorbeeld door keizersneden, flesvoeding en antibioticagebruik. Meghan Azad, onderzoekster op het gebied van kindergezondheid aan de Universiteit van Manitoba, legt uit dat het voor sommige nieuwe ouders tijdens de ergste fases van de pandemie aanzienlijk moeilijker kan zijn geweest om borstvoeding te geven. Bijvoorbeeld doordat het lastig was om persoonlijke begeleiding te krijgen, of door werkonzekerheid. Het microbioom kan ook zijn aangetast door een aanhoudend slecht dieet en door stress, waar veel mensen de afgelopen jaren mee te maken hebben gehad.
Volgens Rook is het probleem deels dat veel risicofactoren onevenredig veel voorkomen bij mensen die sociaaleconomisch zijn achtergesteld en daardoor vaak toch al een minder divers microbioom hebben. ‘Ik ben bang dat deze ontwikkeling de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk verder zal vergroten. Zelfs coronabesmettingen zelf lijken het microbioom te veranderen, en die komen nog steeds het meest voor onder mensen met essentiële beroepen en mensen die dicht op elkaar leven. Hoewel de verandering bij volwassenen misschien maar tijdelijk is, kan dat bij zuigelingen anders liggen, aangezien hun microbioom nog geen stabiele toestand kent.
Veel gezinnen zitten ertussenin. Het ene gezin vond het bijvoorbeeld belangrijk om het huis te ontsmetten, maar kon vanwege het thuiswerken gemakkelijker borstvoeding geven en gezonde maaltijden koken. Het andere gezin hield de kinderen weg van peuters op de crèche, maar had wel gelegenheid om ze buiten te laten spelen, wat ook contact met bijvoorbeeld honden mogelijk maakte. Wetenschappers hebben nog geen handige formule gevonden om aan de hand van de verschillende factoren de gezondheid van een kind kunnen bepalen. Momenteel wordt uitgezocht hoe zwaar elke component weegt en hoe eventuele aanvullende factoren kunnen worden geïdentificeerd.
Zelfs in het geval van mensen die niet in aanraking kwamen met extra buitenlucht of hondenkwijl, maakt Lim zich geen zorgen over de gedragsbeperkingen waaraan ze zich moesten houden. We worden allemaal ‘voortdurend blootgesteld aan duizenden microben’, vertelt Lim, die zelf een dochtertje van anderhalf jaar oud heeft. Wat vaker handen wassen, een mondkapje dragen en wat meer tijd thuis doorbrengen verandert daar niet zoveel aan. Zelfs kinderen die behoorlijk afgezonderd waren, ‘hebben niet in een bubbel geleefd’. Mogelijk hebben ze zelfs geprofiteerd van de sociale beperkingen. Kinderen die de crèche of kleuterschool hebben overgeslagen, hebben mogelijk een hele reeks virussen kunnen omzeilen die hen anders een antiobioticakuur hadden opgeleverd en zo hun microbioom hadden beschadigd. Het antibioticagebruik daalde in de ambulante zorg in 2020 aanzienlijk ten opzichte van het jaar ervoor. Volgens Blaser is het mogelijk dat het voordeel van afgenomen antibioticagebruik zwaarder weegt dan de relatief kleine tol van de coronamaatregelen. Als antibioticakuren afnemen, daalt bijvoorbeeld ook het aantal astmagevallen.
Deskundigen hebben goede hoop dat bepaalde microbiële verliezen nog kunnen worden hersteld door een combinatie van voeding, buitenspelen en genoeg sociaal contact (met mensen die niet ziek zijn)
Finlay en anderen houden de komende jaren hun ogen open voor mogelijke signalen. Kinderen wier familie in de eerste paar maanden van hun leven in de ‘hyper-hygiënemodus’ gingen, lopen het grootste risico. Die eerste maanden zijn cruciaal, aangezien microben het immuunsysteem in die fase leren hoe het op gepaste wijze op ziekteverwekkers moet reageren. Als kinderen die kans mislopen, kunnen hun afweercellen vijanden voor bondgenoten gaan aanzien, of andersom, wat zeer ernstige infecties of auto-immuunziekten tot gevolg kan hebben. Als een kind dergelijke aanpassingen eenmaal heeft geïnternaliseerd, kunnen ze moeilijk ongedaan worden gemaakt, zo stelt Finlay. Maar andere deskundigen hebben goede hoop dat bepaalde microbiële verliezen nog kunnen worden hersteld door een combinatie van voeding, buitenspelen en genoeg sociaal contact (met mensen die niet ziek zijn). Die herstellende interventies vinden idealiter zo vroeg mogelijk plaats. ‘Hoe eerder we het oplossen, hoe beter,’ aldus Blaser.
Niemand kan kiezen aan welke microben hij of zij precies wordt blootgesteld: het tegengaan van de overdracht van bekende ziekteverwekkers kan ook de overdracht van goedaardige bacteriën stoppen. Maar de context waarin dat gebeurt, is belangrijk. Microben-gunstig gedrag, zoals buitenspelen, kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met tactieken die microben uit de weg gaan, zoals het ventileren van binnenruimtes. Tijdens de pandemie zorgden de coronamaatregelen er tevens voor dat griepgevallen en RSV afnamen. Nu die virussen weer actief zijn, herinneren deskundigen ons eraan dat we dus weten hoe we ze kunnen tegenhouden.
Coronakinderen kunnen dat concept ook onderschrijven. Zo was Koziks zevenjarige zoon een peuter toen de pandemie begon. Zelfs te midden van de algemene hygiënegekte rolde hij met plezier rond in de modder en speelde hij graag met de twee honden van het gezin. ‘Ik heb hem geleerd dat niet alle bacillen hetzelfde zijn,’ zegt Kozik. Haar zoon heeft bovendien een hygiënische gewoonte opgepakt waar zijn moeder erg trots op is: elke dag als hij uit school komt, loopt hij naar de wasbak om zijn handen te wassen. ‘Het is het eerste wat hij doet,’ vertelt Kozik, ‘zelfs zonder dat het hem gevraagd wordt.’
In plaats van de wereld te verkennen, zaten Europese jongeren thuis. In plaats van verliefd te worden, hielden ze afstand. De pandemie heeft hun een heleboel dingen afgepakt die horen bij jong zijn. Hoe pakken ze de draad weer op? Zesentwintig getuigenissen.
Onze laatste zorgeloze zomer is algauw twee jaar geleden. Als je jong bent, lijkt dat wel een half leven. Die zomer hadden we nog nooit gehoord van besmettingsaantallen. We lagen op het gras, op het strand of bij het zwembad, samen op een badhanddoek en zo dicht bij elkaar als nu verboden is. We wisselden blikken met mensen die we nog niet kenden en die we leuk vonden. We trokken het ene biertje na het andere open, speelden volleybal, voetbalden, omhelsden elkaar na elk doelpunt en na een tijdje gingen we ergens anders heen, tot diep in de nacht. We waren nog niet gearriveerd, natuurlijk niet, we waren pas net op zoek.
Bij volwassen worden hoort dat je nog niet hoeft te weten wie je bent en wie je wilt worden, dat je de plek waar je thuishoort nog mag vinden. Maar wat als de zoektocht al voorbij is voor je de kans hebt om ergens aan te komen?
Uitgerekend in de fase van je leven dat je alles het liefst samen doet, voelden wij ons vooral heel alleen. Erger nog: in de steek gelaten
De pandemie heeft alles wat volwassen worden is, veranderd in het tegendeel: in plaats van dichter bij elkaar te komen, moesten we afstand houden. Grenzen respecteren in plaats van overschrijden, thuis blijven in plaats van de wereld in te trekken. De eerste zoen, voor het eerst alleen met vrienden op vakantie, de eerste stage: allemaal uitgesteld. Voor onbepaalde tijd. En dat kunnen we nooit allemaal inhalen: als je op je achttiende verjaardag thuis zat, kun je een jaar later niet met vrienden en vriendinnen gaan vieren dat je meerderjarig bent geworden. Als je tijdens de pandemie eindexamen hebt gedaan, kun je met je klasgenoten niet meer maanden later proosten op het begin van het nieuwe leven. En als je een studie bent begonnen, kun je waarschijnlijk niet gaan dansen op het introductiefeest.
In plaats van eindelijk rond te kijken in de wereld zaten wij, scholieren, studenten en mensen die voor het eerst gingen werken, weer bij onze ouders aan tafel te luisteren hoe zij zich moed inspraken door herinneringen op te halen aan de goede oude tijd. Terwijl wij jongeren nog amper herinneringen hadden. Uitgerekend in de fase van je leven dat je alles het liefst samen doet, voelden wij ons vooral heel alleen. Erger nog: in de steek gelaten.
Gedesillusioneerde jeugd
Het is een collectief gevoel, dat in heel Europa wordt ervaren. Dat blijkt uit een gezamenlijk enquête van Süddeutsche Zeitung, The Guardian, La Stampa, Le Monde en La Vanguardia. Honderden jongeren hebben in deze enquête verteld hoe het afgelopen jaar hen heeft veranderd, met name in Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Frankrijk en Spanje. De enquête is niet representatief, maar geeft een beeld van een gedesillusioneerde jeugd. In de antwoorden, waarvan we hier een selectie laten zien, is sprake van een verloren jaar, van een leven in vliegtuigmodus. Veel jongeren hebben het afgelopen jaar de hoop verloren dat ze door de politiek worden gezien, en al helemaal dat ze serieus worden genomen.
‘Wij zijn degenen die zogenaamd de regels overtreden en stiekem feestjes houden,’ zegt er een. ‘Dat we alleen thuis zitten, met de last van school of universiteit op onze schouders, maar zonder dat we als compensatie iets van een leven mogen hebben, daar horen we politici niet over.’ Een ander: ‘Ik ben zwaar teleurgesteld en verbijsterd hoe consequent allerlei beslissingen eerst te laat en dan verkeerd worden genomen.’ Nog iemand: ‘Mijn doel is zonder blijvende geestelijke schade uit deze crisis te komen.’
Psychische gezondheid
Een onderzoek van het academisch ziekenhuis van Hamburg-Eppendorf, waarvoor tussen half december 2020 en half januari 2021 meer dan duizend kinderen en jongeren zijn ondervraagd, laat zien dat bijna een derde van de jongeren ‘psychologisch opvalt’. In de loop van de pandemie is hun psychische gezondheid steeds verder achteruitgegaan: veelvoorkomende symptomen zijn depressie en psychosomatische gevolgen als maag- en hoofdpijn. Vergelijkbare resultaten geeft een onderzoek van de Donau-Universität Krems in Oostenrijk van dit voorjaar, dat bij meer dan de helft van de drieduizend ondervraagde jongeren symptomen van depressie heeft geconstateerd en bij de helft angststoornissen. Ongeveer 16 procent had regelmatig suïcidale gedachten, een enorme toename vergeleken met de laatst beschikbare cijfers.
Heeft de pandemie van ons, de jonge mensen die de hele tijd ‘weinig risico’ liepen, te veel gevergd? Is de samenleving, die solidariteit van ons eiste, misschien onvoldoende solidair met ons geweest? Tenslotte moesten scholen en universiteiten sluiten, terwijl veel bedrijven juist open mochten blijven. Tenslotte lijken kinderen en jongeren de laatsten te zijn die door een vaccinatie terug kunnen keren naar een vrij leven.
Antwoorden zijn er haast nog niet, wel voortdurend nieuwe vragen.
Inhaalprogramma om te leven
De belangrijkste vraag is misschien wel: hoe heeft de pandemie ons toekomstbeeld beïnvloed? Wat gaan we doen als alles eindelijk echt voorbij is? Blijven we thuis op de bank zitten, omdat we niet weten dat het ook anders kan? Berusten we, en laten we de politiek de politiek? Of gaan we de straat op om te vechten voor een betere toekomst, voor ons recht om mee te doen, mee te beslissen?
Ook daar is nu nog geen antwoord op te gegeven, maar één reactie heb ik al. Een reactie op het ‘inhaalprogramma’ waartoe de regering onlangs heeft besloten, om met miljarden euro’s de leerachterstanden van de afgelopen maanden in te halen. We hebben geen inhaalprogramma nodig om te leren. We hebben een inhaalprogramma nodig om te leven.
Een inhaalprogramma voor een jaar van gemiste kansen en gemiste vriendschappen. Drukke cafés en feestjes waar je over de hoofden kunt lopen, dat is wat we nodig hebben. We hebben een quotum nodig van dagen dat we mogen spijbelen, van school, van de universiteit, van ons werk, omdat we in plaats van leren en werken nu eerst eens naar het zwembad moeten. Allemaal tegelijk naar het strand, een bergwandeling maken, of gewoon de hele zomer op een picknickdeken liggen, heel dicht bij elkaar. We hebben niet alleen de middagen nodig, of de zomervakantie, maar ook de ochtenden om elkaar te zien en te lachen en eindelijk weer onze armen om elkaar heen te kunnen slaan. Als er één inhaalslag is die we moeten maken, dan echt alleen die ene: leren om weer zorgeloos te zijn.
Antje Fischbach, 23, studente osteopathie in München
‘Ik mis het ongedwongene. Ik mis het uitgaan, onder de mensen zijn, een beetje aangeschoten voor een club hangen met vrienden. Iets idioots doen en er achteraf samen om lachen. Als ik vroeger ontevreden was over mijn leven, veranderde ik iets. Dat kan nu niet. Dit jaar ben ik volwassener geworden, wat niet alleen positief bedoeld is. Ik vind het heel erg dat we voor de politiek geen enkele rol spelen. Wij zijn degenen die zogenaamd de regels overtreden en stiekem feestjes organiseren. Maar dat we in ons eentje thuis zitten, met de last van school of universiteit, zonder enige compensatie waardoor we toch iets van een leven hebben, daar hoor je de politiek niet over. Je hebt het gevoel dat er niet naar je geluisterd wordt en dat je niet serieus wordt genomen. Daar word ik soms echt boos en wanhopig van. Vaak stel ik me voor hoe het is als het leven weer echt begint. Net zoiets als een fantastische vakantie, waar je je al maanden tevoren op verheugt. Maar dan nog beter. Alleen al iedere keer dat je je armen om iemand heen slaat, voelt het een beetje als zomer.
In geloof dat we onderschatten hoeveel kracht deze tijd ons later zal geven. Ik bedoel: nu deze shitpandemie ons niet klein heeft gekregen, kunnen we alles aan. Ooit zijn we er weer, onder de mensen, met harde muziek. Ik weet zeker dat we dan op een gegeven moment allemaal even stilstaat en denken: Fuck, ik heb het gered. Ook al wist ik soms niet of ik het wel aan kon. En nu sta ik hier. Tussen een massa mensen, aan de vooravond van een leven dat nog afwisselender en opwindender zal zijn dan hiervoor.’
Tijdens de crisis heb ik alles wat ik wilde doen ter discussie gesteld en ontdekt dat ik een andere weg wil kiezen
Matthieu Baubry, 19, student vreemde talen in La Roche-sur-Yon, Frankrijk
‘Ik heb de indruk dat we hier nooit uit zullen komen. Het lijkt me een utopie dat we over tien jaar geen mondkapje meer dragen. Ik ben bang dat vandaag of morgen alles voorbij is. En ik ben niet eens boos: tenslotte is het niemands schuld. Ik leg me er gewoon steeds meer bij neer. Tijdens de crisis heb ik alles wat ik wilde doen ter discussie gesteld en ontdekt dat ik een andere weg wil kiezen. Volgend jaar wil ik taal en literatuur gaan studeren om later journalist te worden, gespecialiseerd in videogames. Online wereldkampioenschappen kijken vind ik echt helemaal te gek. Bovendien is het internet een terrein met grote toekomstmogelijkheden, dan hoef ik me geen zorgen te maken of ik wel werk vind.
In elk geval heb ik van de zomer een baan. Ik ga in de bediening werken in een restaurant aan de westkust, aan het strand, bij Saint-Jean-de-Monts in de Vendée. Ik blijf gewoon bij mijn ouders in Challans wonen, maar dat gaat wel lukken omdat ik niet meer 24 uur per dag thuis ben. En als ik werk, staat er eindelijk weer geld op mijn rekening. Tijdens de tweede lockdown ben ik mijn baan in de supermarkt kwijtgeraakt, en ondanks dat ik een beurs had kon ik de huur niet meer betalen. Zonder mijn ouders stond ik op straat.’
Sandra Birner, 26, kinderverpleegkundige in München
‘Wat ik enorm mis, is dansen. Je laten gaan in de roes van het ritme en één zijn met de menigte om je heen. Mensen ontmoeten, ook partners, want ik ben single en heel open over mijn seksleven. Ik prijs me gelukkig dat ik als kinderverpleegkundige kan blijven werken, dat ik iets te doen heb en in mijn levensonderhoud kan voorzien. Toch is het moeilijk om zo vaak alleen te zijn, in een flatje van 24 vierkante meter, zonder balkon, zonder man, zonder medebewoners. Daardoor ben ik gaan roken. Op een vrije dag is roken voor mij de enige reden om op te staan. Afgelopen winter was ik zwaar depressief, ik moest bijna aan de medicijnen, ik at niet meer en deed niets meer. Waarom zou ik? Des te dankbaarder ben ik voor mijn vrienden, we steunen elkaar geweldig in deze moeilijke tijden. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit weer in een disco zal staan, of in een bar of een biertent en kan dansen en zoenen en lachen. Misschien moet ik een poes nemen, want als je voor corona geen partner had, vind je er nooit meer een.’
Dalila Regesta, 19, uit Imperia, Italië, student economie in Straatsburg, Frankrijk
‘Ik ben een van de weinigen die kan zeggen dat het afgelopen jaar positief is geweest. Tijdens de pandemie heb ik begrepen wat echt belangrijk voor me is. Dichtbij mijn vrienden en familie zijn bijvoorbeeld. En ik heb het afgelopen jaar daadwerkelijk weer oude vriendschappen kunnen oppakken. De sociale media hebben daarbij echt geholpen, omdat je over allerlei grenzen heen contacten kunt leggen, al is het maar in een video call of via een story op Instagram. Als ik naar de toekomst kijk, is mijn grote zorg dat er niet naar ons wordt geluisterd. Wij zijn digital natives, en vergeleken met de vorige generatie maken de sociale media voor ons van alles mogelijk. Maar dat betekent nog niet dat er aan de andere kant van het scherm automatisch iemand naar je luistert.’
Conor Spielberg, 23, journalist in Dublin, Ierland
‘Net als veel jonge mensen hier in Dublin woon ik bij mijn ouders, en het ergste is dat ik op mijn drieëntwintigste financieel nog steeds van hen afhankelijk ben. Ik schrijf recensies over stripverhalen, maar dat levert niet echt veel op. Ik kan gewoon geen ander werk vinden. Het afgelopen jaar heb ik in elk geval heel veel geschreven, maar voor een baan met het minimumloon zou ik een moord doen. Het moeilijkste aan de lockdown vond ik dat ik tegenover vrienden nu eenmaal veel opener ben dan tegenover mijn familie. Het is best vreemd dat ik in een camera kan kijken of in een headset kan zeggen: “Ik ben verdomd ongelukkig” en het tegelijk onvoorstelbaar vind om dat tegen iemand te zeggen die tegenover me zit. Het enige goede aan dit verschrikkelijke jaar is, dat we nu het duidelijke bewijs hebben wat er gebeurt als je de wetenschap negeert omwille van de winst. Hopelijk gaan we daardoor anders denken over klimaatverandering. Grote bedrijven en regeringen hebben dat probleem decennialang genegeerd, en ik ben echt verbijsterd dat er nog steeds mensen zijn die proberen te voorkomen dat we een oplossing vinden voor de klimaatcrisis.’
‘De grootste uitdaging voor mijn generatie is om al het geld terug te krijgen dat nu wordt uitgegeven om te voorkomen dat bedrijven failliet gaan’
Mariska Faassen, 17, scholier in Nederland
‘Het gaat er niet om dat ik wil feesten of met mijn vrienden rondhangen. Het gaat me er vooral om dat het niet eerlijk is: ieder bedrijf en ieder restaurant dat dicht ging, heeft geld gekregen van de staat. En nu mogen wij, de jongeren, in de toekomst een kapitaal aan belasting gaan betalen. Onze toekomst staat op het spel, en wij hebben er niets over te zeggen. Ik ben heus bereid mijn stem te laten horen, maar ik zou niet weten hoe. We leven in een democratie, maar beslissingen die extreem veel invloed op ons dagelijks leven hebben, worden zonder enige discussie met de burgers genomen. De burgers in ons land zijn de slachtoffers van de fouten van het kabinet, zoals bij het vaccinatieprogramma en de capaciteit van de ziekenhuizen. De grootste uitdaging voor mijn generatie is om al het geld terug te krijgen dat nu wordt uitgegeven om te voorkomen dat bedrijven failliet gaan.’
Sara-Besme Shabib, 21, scholier in München
‘Tot voor kort zat ik op het mbo, maar door corona heb ik de hoop mijn examen te halen opgegeven en ben ik ermee opgehouden. Terwijl het mijn grootste wens was om scheikunde te studeren. Maar in de huidige omstandigheden kan ik dat niet aan. Het hoogtepunt van de week is mijn uurtje therapie. Mijn therapeut zie ik vaker dan wie ook. Dat is een constante waaraan ik kracht ontleen, omdat ik er het huis voor uit moet. Bovendien is me duidelijk geworden dat ik mijn sociale contacten niet als vanzelfsprekend mag beschouwen, en ben ik dankbaar voor elke minuut die ik met mijn vrienden kan doorbrengen. Over de regering hoef ik het niet te hebben, neem ik aan? Economie voor, economie na, het komt me mijn oren uit. Ik krijg voortdurend het gevoel dat ik in het beeld moet passen dat de maatschappij van ons jongeren heeft. Maar veel jongeren zijn aan het eind van hun Latijn. Toch verwachten ze van leerlingen dat ze studeren, bijblijven en examen doen. En daarna liefst meteen solliciteren of met een opleiding of een studie beginnen. “Jullie zijn de toekomst,” laat me niet lachen. Niemand helpt ons. Ze zouden iedereen die nu van school komt gelijk een tegoedbon voor een burn-outkliniek bij moeten geven.’
Bang voor de toekomst
Volgens een enquête van de Bertelsmann Stiftung vreest 65 procent van de vijftien- tot dertigjarigen in Duitsland dat de politiek geen oog heeft voor hun zorgen over de pandemie. Krap de helft van de zevenduizend ondervraagden is bang voor de toekomst.
Benoît Frimon-Richard, 25, uit Égly, Frankrijk, studeert farmacie in Parijs
‘Voor de pandemie had ik eigenlijk besloten om naast mijn studie farmacie in Parijs ook een master in bestuurskunde te gaan doen om ooit bij een instantie in de gezondheidszorg te gaan werken. Maar toen de pandemie begon, ben ik teruggegaan naar mijn ouders in Égly, in de provincie, in het zuiden van het departement Essonne. Van daaruit studeer ik nu online en daarnaast werk ik parttime in een apotheek. Ook al maak ik grappen dat ik leef als een monnik: sinds ik terug ben op het platteland slaap ik beter, eet ik beter, drink ik helemaal geen alcohol meer en doe ik meer aan sport. Ik heb zelfs spieren gekregen! Ik verdien geld en geef praktisch niets uit omdat ik thuis woon. Ondertussen zijn mijn toekomstpannen radicaal veranderd en heb ik besloten dat ik liever in een apotheek op het platteland werk dan op een kantoor. In het contact met mensen voel ik me nuttiger. Mijn plan is al tamelijk concreet: over twee jaar neem ik vermoedelijk een apotheek over, in de gemeente Angervilliers met vijftienhonderd inwoners.’
Matthias Montesano, 21, barkeeper in Turijn, Italië
‘Ik ben barkeeper en heb lang helemaal niet kunnen werken. Thuis heb ik geprobeerd mijn cocktails te verbeteren en nieuwe technieken uit te proberen. Maar het viel niet mee om me te concentreren. Ik geloof dat de politiek in Italië al met al goed heeft gereageerd, ook al zijn er natuurlijk fouten gemaakt. Waarom waren bijvoorbeeld kerken wel open, terwijl musea en theaters dicht moesten blijven? Waarom was het ja tegen godsdienst en nee tegen cultuur? In allebei die sectoren kunnen ze toch dezelfde veiligheidsmaatregelen nemen? Dan zou het allemaal veel beter zijn gegaan. Het virus heeft ons natuurlijk ook volkomen onverwachts overvallen. Misschien moeten we het allemaal als een waarschuwingssignaal zien. We moeten onze levensstijl veranderen en onze extreme consumptiedrift afremmen. Nadenken over wat echt belangrijk is. Deze pandemie heeft ons te veel afgenomen om het allemaal gewoon achter ons te laten zonder het ook als een kans op verandering te zien. Ook wat betreft mijn familie: ik heb gemerkt dat je die in moeilijke momenten om je heen wilt hebben. In het gewone leven wil je dat nog wel eens vergeten.’
‘Ik wil gewoon dat alles weer normaal is. Ook al kan ik me niet voorstellen hoe dat normaal eruitziet’
Lucas Hoorn, 23, leerling-docent aardrijkskunde en sociale studies in Dresden
‘Tijdens de pandemie heb ik veel tijd voor allerlei beeldschermen doorgebracht. Ik heb er eigenlijk geen moeite mee om alleen te zijn, maar zoveel eenzaamheid doet pijn. Mijn medebewoners en -bewoonsters helpen geholpen, maar steeds vaker voel ik me vanbinnen leeg. Gewoon niets. Op een ander moment ben ik van binnen des te impulsiever, mijn internetbubble maakt dat ik steeds bozer word op wappies en coronaontkenners, maar ook op onze politieke leiders. In wezen ben ik heel dankbaar dat we in een echte democratie leven, en waardeer ik ons federalisme. Eigenlijk was ik er ook van overtuigd dat we hier in Duitsland ondanks allerlei democratische hindernissen snel en efficiënt kunnen handelen. Maar blijkbaar mankeert het ons aan daadkracht. Ik ben zwaar teleurgesteld dat beslissingen constant eerst te laat en daarna verkeerd genomen worden. Het gevoel in de steek gelaten te zijn, geeft dat heel goed weer. Ik wil gewoon dat alles weer normaal is. Ook al kan ik me niet voorstellen hoe dat normaal eruitziet.’
Niet systeemrelevant
Lena Iris Brendel, 25, student muziek in Stuttgart
‘Het afgelopen jaar zou mijn jaar zijn. Ik studeer muziek en zat in mijn buitenlandsemester, klaar om de wereld te veroveren. In plaats daarvan zat ik weer in mijn kinderkamer en moest ik ook nog toekijken hoe mijn beroep verdween. Opeens moest ik me afvragen: ‘Waarom zou ik nog oefenen? Zeven jaar keihard studeren, de allerbeste cijfers. Waarvoor? Opeens was ik bezig op internet te zoeken naar “beroepen voor zij-instromers”, “bedrijfseconomie online” en “met welke opleidingen verdien je het meest?” Wat me daarvan het meest op de zenuwen werkt? Vaak vraag ik andere mensen wat hun leven de moeite waard maakt. Het antwoord is nooit “De winst van mijn bedrijf” of “Het bruto binnenlands product”. Maar: festivals, concerten, film, theater. En wie maakt die hele zooi? Wij, die niet systeemrelevant zijn.
Wat wel heel mooi was: ik heb nog nooit in mijn leven zoveel tijd met mijn vader doorgebracht. Opeens waren we lotgenoten: thuiswerker en thuisstudent. Samen wandelen, samen koffiepauze. Voor het eerst in mijn leven had ik gelegenheid veel over mezelf te vertellen en hij was veel beter in staat begrip te hebben voor zijn gekke kunstenaarsdochter. Als ik ooit iets over deze tijd zou moeten vertellen, zou ik me alleen nog herinneren hoe fijn het was dat ik zo veel met mijn vader was.’
Alba Fernandez, 24, verpleger in Madrid, Spanje
‘Ik ben verpleegster in een ziekenhuis in Madrid. In de afgelopen veertien maanden heb ik het leed en de eenzaamheid van heel dichtbij meegemaakt. En het sterven. Het was afschuwelijk. Niemand is op zoiets voorbereid. Onze gezondheidszorg kon het niet aan, en wij konden van achter onze gezichtsbescherming amper met onze patiënten communiceren. We glimlachten dan en raakten ze aan, ook al was het met latexhandschoenen. Maar wij in de Spaanse ziekenzorg hebben elkaar geholpen, en veel levens gered.’
Phoebe Hanson, 19, uit Staffordshire, Engeland, studeert politiek in Lancaster
‘Mijn hele leven speelt zich af in en rond mijn studentenhuis. Mijn relatie, vrienden, werk, studie, vrije tijd, slaap. Ik voel me net als in een Big Brotherhuis, hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Mijn geestelijke gezondheid heeft eronder geleden. Ik was voor het eerst weg van mijn familie in Staffordshire, kon maandenlang niet naar ze toe. In die periode hebben mijn ouders ook nog corona gekregen en zijn ze ziek geworden. En ik kon niets doen. Dat was zwaar.
Door de pandemie heb ik me gerealiseerd hoe afhankelijk wij mensen ervan zijn dat we elkaar zien. Als ik nu een keer naar huis bel, eindigt dat inmiddels altijd met zwijgen, omdat er niets meer is waar we het over kunnen hebben. We zitten allemaal de hele dag thuis. De pandemie heeft me in elk geval laten zien met wie ik plichtmatig verbonden ben en met wie uit oprecht verlangen om dingen te delen. Mijn vriendschappen van school bijvoorbeeld zijn allemaal voorbij.
Echt teleurgesteld ben ik over de politiek en het onderwijssysteem. Eerst zouden de examens gewoon doorgaan, toen weer niet, toen weer wel. Totale chaos. Ik heb het gevoel dat die negenduizend pond collegegeld dit jaar gewoon weggegooid geld is. En na onze studie staan we voor de afgrond: mensen hebben ongelooflijk hoge verwachtingen van afgestudeerden: we moeten jaren ervaring meenemen, maar we kunnen ons in deze crisis absoluut niet permitteren onbetaald stage te lopen of tijdrovend vrijwilligerswerk te doen. Mijn carrière is nu voor mij dan ook het belangrijkste.’
Om de tijd de verdrijven hielp het erg dat de Bundesliga doorspeelde
Leonard Strickler, 24, werkzaam in Freiburg
‘Ik (…) merk in gesprekken met mensen van boven de veertig dat ze me vaak proberen op te vrolijken. Terwijl ik helemaal niet het gevoel heb dat ik opgevrolijkt hoef te worden. Ik heb het geluk dat ik al veel heb beleefd en daar met vrienden met veel plezier herinneringen aan kan ophalen. De hele zaak doet kinderen en jongeren duidelijk meer kwaad. Om de tijd de verdrijven hielp het erg dat de Bundesliga doorspeelde. In het weekend voetbal ik zelf een beetje met een paar vrienden, hoewel 80 procent van mijn sociale contacten de afgelopen maanden online verliep. Mijn gameconsole was een verbazingwekkend zinvolle investering van mijn zestienjarige ik. In plaats van mezelf tijdens een zoomconferentie achter mijn laptop op een fles wijn te trakteren, kon ik met vrienden op mijn Playstation spelen. Alcohol heb ik alleen ’s maandags gedronken wanneer ik met mijn pubquizmaten had afgesproken voor een online quiz. Dat was best geinig, maar er gaat niets boven afspreken in levende lijve. Pas toen dat echt niet meer kon, werd me duidelijk hoe belangrijk het kan zijn om af en toe naar het café te gaan.’
Michela Petrini, 21, student in Bra, Italië
‘Ik zou graag hoop uitstralen, maar eerlijk gezegd ben ik door de pandemie verbitterd geraakt. Inmiddels neem ik niets meer als vanzelfsprekend aan, ook vriendschappen niet. Tijdens de eerste lockdown namen maar weinig vrienden de moeite iets van zich te laten horen. Veel van die oppervlakkige contacten heb ik uiteindelijk beëindigd. Ik geloof dat de regering-Conte heeft gedaan wat mogelijk was; want met een crisis in de gezondheidszorg als deze heeft nog nooit iemand te maken gehad. Maar ik denk steeds vaker dat de regering-Draghi niet doet wat ze zou kunnen. Misschien verliezen wij jongeren nu de hoop, en dat mag eigenlijk niet gebeuren. We moeten vertrouwen hebben in ons land, al is het maar omdat er geen alternatief is. Nu moeten we op de zak van onze ouders teren en die zijn door de pandemie even aangeslagen als wij en hebben moeite om rond te komen.’
Claire-Lyse Thomann, 18, middelbare schoolstudent in Rennes, Frankrijk
‘Begin dit jaar heb ik mijn achttiende verjaardag gevierd. Ik dacht altijd dat ik dan eindelijk naar een nachtclub mocht! Mooi niet. Dat kan ik nooit meer inhalen. En ik ben bang voor de toekomst. Ik vraag me bijvoorbeeld steeds vaker af of het wel een goed idee is om kinderen op deze wereld te zetten. Ik heb het er met vriendinnen over gehad of we kinderen willen of niet. Ik was de enige die het niet wilde of die het in elk geval niet zeker wist. Wat hebben mijn kinderen eraan om in een tijd van klimaatverandering in de ene crisis na de andere te leven? Ik weet dat er als vrouw van je wordt verwacht dat je kinderen krijgt. Maar dat het kan, betekent nog niet dat het moet.’
Egoïsme
Chloé Lassel, 22, rechtenstudent in Versailles, Frankrijk
‘Toen ik alleen nog maar thuis zat, is me duidelijk geworden dat ik al een tijdje niet meer zo enthousiast ben over mijn studie rechten. In het weekend help ik altijd in een boekwinkel hier in de buurt. Die kant wil ik op. Ik wil iets anders, ik hou ervan onder de mensen te zijn, om klanten boeken aan te raden. Ook tijdens de pandemie kwamen er veel mensen in de boekwinkel, om iets te kopen en om een praatje te maken. Al wilden sommige geen mondkapje opdoen of hun handen desinfecteren. Als ik dat dan vriendelijk vroeg, begonnen ze te betogen dat ze jeuk kregen van het desinfectiemiddel, of dat ze last hadden van het mondkapje. We moeten ons afvragen hoe we met dat soort egoïsme willen omgaan. Tenslotte zitten we allemaal in hetzelfde schuitje, en alleen komen we daar niet uit. De crisis heeft veel dingen zichtbaar gemaakt, ook dingen die we eigenlijk niet willen zien.’
Lara Oreiro, 24, student in A Coruña, Spanje
‘Jong zijn is nooit makkelijk geweest, ook tegenwoordig niet. Mijn generatie moet vechten tegen het stigma dat ze “altijd alles had”. Maar op het ogenblik hebben we weinig en verliezen we een heleboel. Dit zou het jaar zijn dat ik volwassen werd. Ik zou mijn studie afronden en gaan werken. Ik wilde groeien, persoonlijk en in mijn beroep. Die droom heb ik ondertussen laten varen. Veel jonge mensen hier in La Coruña zitten vol opgekropte woede. We lijden aan slapeloosheid en voelen ons machteloos en onrustig. We denken dat het ergste leed geleden is, maar we moeten onszelf niets wijsmaken. Het ergste moet nog komen, zodra we met de nawerkingen van de coronacrisis worden geconfronteerd. Wanneer we proberen een baan met een fatsoenlijk salaris te vinden om zelf een onafhankelijk bestaan op te bouwen. We zullen moeten vechten zoals al heel lang geen jong mens meer heeft hoeven vechten.’
Risico op depressie
64 procent van de 18- tot 34-jarigen in de Europese Unie loopt het risico een depressie te ontwikkelen. Dat blijkt uit een enquête uit het voorjaar van 2021 van Eurofound, een agentschap van de Europese Unie. In dezelfde periode in 2020 was dat 53 procent.
Ana Carrasco, 23, student communicatiewetenschappen in Sevilla, Spanje
‘Toen de lockdown begon, kreeg ik paniekaanvallen door het bombardement van cijfers over aantallen besmettingen en doden. Ik ben opgehouden met mijn onlinecursussen en heb de tv uitgezet. In plaats daarvan heb ik de radio aangezet, alleen om naar muziek te luisteren, en ben ik boeken gaan lezen, maar alleen als ze goed aflopen. Ik heb Trivial Pursuit gespeeld met mijn vader, liedjes gezongen met mijn zus en films gekeken met mijn moeder. We aten tussen de middag en ’s avonds altijd met zijn vieren en hebben elkaar op moeilijke momenten gesteund. Zo is het ons gelukt in balans te blijven. Nu ga ik beginnen aan een master journalistiek in Barcelona en heb ik weer zin om te studeren.’
Paula Mols, 23, student maatschappelijk werk in Münster
‘Omdat ik sinds het begin van de pandemie van mijn partner af ben, moest ik eerst uitzoeken wie ik was zonder hem. Dat heeft voor mij de pandemie, stom gezegd, draaglijker gemaakt. Toen ik weer klaar was om andere mensen te leren kennen, voelde het toch oneerlijk dat ik mijn singlebestaan niet kon uitleven. Kortgeleden heb ik via Tinder mijn nieuwe vriend leren kennen. Op onze eerste date gingen we samen wandelen. Wat moet je anders. Nu breng ik de meeste tijd met hem door en helpt hij me door deze moeilijke maanden heen.
Voor de pandemie vond ik politieke onderwerpen taai, maar inmiddels begrijp ik altijd wat er aan de hand is en blijf ik op de hoogte door de corona-update met Christian Drosten en de Tagesschau. Ik moet zeggen dat ik heel teleurgesteld ben over onze regering en het idee heb dat ze gefaald heeft. Het coronajaar heeft me zo uitgeput dat ik haast lethargisch ben. Het liefst zou ik naar bed gaan en slapen tot de pandemie eindelijk voorbij is!’
‘Ik geef de politiek en de regering bijvoorbeeld niet de schuld. Integendeel, zij hebben hun best gedaan’
Greta Carosso, 18, scholier in Bra, Italië
‘Vroeger had ik nooit veel haast om bepaalde ervaringen op te doen. Inmiddels is dat anders geworden en vind ik het belangrijk zodra een gelegenheid zich voordoet die te benutten. Voor mij is niets vanzelfsprekend meer. Een paar van mijn vrienden en ik zijn inmiddels onder behandeling bij een psycholoog. We zijn vanbinnen ontzettend kwaad en weten niet wat we daarmee aan moeten. Ik geef de politiek en de regering bijvoorbeeld niet de schuld. Integendeel, zij hebben hun best gedaan. Wij jongeren moeten nu gewoon weer energie vinden.’
Francesco Piacentini, 20, student in Ferrara, Italië
‘De laatste drie jaar van het gymnasium heb ik op een militaire school gezeten. Tijdens de pandemie was ik gedwongen al mijn tijd daar door te brengen. Toen heb ik gemerkt dat wat ik in het leven echt wil, niets met het leger te maken heeft. Ik wil liever proberen een onbezorgd en vreedzaam leven te leiden, een leven waarin ik anderen kan helpen. Op school heb ik nooit problemen gehad, maar nu ik op de universiteit zit, staat het water me aan de lippen. Eerlijk gezegd geloof ik dat de mensen de coronatijd het liefst zo snel mogelijk willen vergeten. Vooral de arbeidersklasse, die het zwaarst getroffen is. Daarom geloof ik ook dat er uiteindelijk niets verandert, en ik denk ook niet dat dat nodig is.’
Ruaidhrí Ó Conaill, 24, docent sport en Ierse taal in Cork, Ierland
‘Door mijn werk als leraar heb ik geleerd hoe groot de behoefte aan een reorganisatie van het Ierse onderwijssysteem is. Een voorbeeld: alles is gericht op één eindexamen in het laatste schooljaar, het Leaving Cert. Na de catastrofe van het afgelopen jaar toen het centrale eindexamen gewoon doorging, wat zelfs tot processen heeft geleid, is het echt de hoogste tijd om de leerlingen continuer te toetsen.
Een ander probleem: sommige scholieren werken sinds het begin van de pandemie alleen nog op hun smartphone, terwijl we tegelijkertijd proberen de smartphoneverslaving van deze generatie te bestrijden. Ook al wordt Ierland steeds liberaler, de regering heeft de laatste tijd het contact met de jonge mensen verloren. Dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat zoveel jonge Ieren nog steeds weg willen. Wat me ook bezighoudt: met het oog op de klimaatverandering moeten we onze manier van leven aanpassen. Hoe we eten, reizen, wat voor kleren we dragen, bijna alles in ons leven moet anders. Kortom: het kapitalisme moet verdwijnen en worden vervangen door een meer bewuste, groenere en meer holistische levenswijze. Had u me tien jaar geleden verteld dat de wereld ten onder zou gaan, dan had ik u voor gek verklaard. Nu beaam ik het.’
Geen student, maar een robot
Victor Volmer, 20, student jazz in Berlijn
‘In september ben ik naar Berlijn gegaan, een compleet vreemde, grote stad, om aan mijn muziekstudie te beginnen. Ik wilde andere musici ontmoeten, in plaats daarvan zat ik opgesloten op mijn veel te dure kamertje en deed ik ongelooflijk mijn best om de virtuele lessen leuk te vinden. Muziek moet het tenslotte hebben van het samen spelen met anderen. Ik heb een tot nog toe onbekend potentieel aan agressie in mezelf ontdekt, wat ik verklaar uit mijn algehele ontevredenheid.
Ik geloof dat de grote uitdaging voor mij is de hedonist in mezelf uit te schakelen ten bate van de ander en tegelijk in de gaten te houden dat het met mij ook goed blijft gaan, vooral mentaal. Daarin een balans vinden is echt heel moeilijk. Jezelf niet helemaal isoleren, maar ook niet naar een feestje van een vriend of een vriendin gaan waar ook nog tien anderen zijn uitgenodigd. Mijn doel is in elk geval om zonder blijvend geestelijk letsel uit deze crisis te komen.’
Isabelle Koch, 22, uit Freiburg, studeert management in München
‘Het voelt alsof je het belangrijkste stuk van je leven gewoon overslaat. De hoorcolleges aan de technische universiteit in München, te midden van studiegenoten en vrienden, zijn veranderd in studie op afstand: in mijn eentje thuis achter mijn laptop. Ik heb mijn kamer in de woongroep, waar ik zoveel heb gefeest, opgezegd en woon weer bij mijn ouders in de buurt van Freiburg, op het platteland. Ik voel me geen student meer, maar een robot. Ik ben dankbaar dat we in deze crisis nog kunnen studeren. Toch heb ik het gevoel dat we door de regering zijn vergeten. Over studenten hebben ze het nooit. Voor de pandemie zou ik gezegd hebben dat het de grootste uitdaging voor mijn generatie is om tot een besluit te komen. Omdat voor ons bijna te veel mogelijkheden open liggen en we zo veel kansen hebben die we moeten benutten. Tijdens de pandemie is dat veranderd. Ons grootste probleem nu is het gebrek aan perspectief. Ik hoop dat dat snel verandert.’
Fotoreeks van Tommaso Ausili
De Itialaanse fotograaf Tommaso Ausili maakte een reeks portretten van jongeren tijdens de lockdown, die hier te bekijken is. ‘De psychologische gevolgen van de pandemie werden vooral opgemerkt bij adolescenten’, aldus de fotograaf op de pagina. ‘In deze levensfase beleeft de persoon een groeiproces, de ontwikkeling van zijn eigen persoonlijkheid en de ontdekking van zichzelf. Adolescenten streven naar een cognitieve en emotionele band met de sociale omgeving en omgeving. Een van de belangrijkste doelstellingen van adolescenten is het bereiken van autonomie, wat een innerlijke reis vereist langs zekerheid en verwarring, tevredenheid en onvrede. (…) De meeste adolescenten ervoeren gevoelens van angst en ontmoediging die hun dagelijkse levensstijl sterk beïnvloedden.’
De lokale fluittaal van de Canarische eilanden is tot immaterieel cultureel erfgoed verklaard. Kinderen leren het op school. Soms is het lastig om het verschil tussen gallina en ballena te verstaan. Maar als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als spreken.
Gezeten op een hoge klif op Gomera, een van de Canarische Eilanden, kan Antonio Márquez Navarro tot in de wijde omtrek buren bij hem uitnodigen (‘Kom naar ons, we gaan het varken slachten’) zonder dat er een woord over zijn lippen komt: hij hoeft zijn uitnodiging maar te fluiten. In de verte blijven aan de overkant van een ravijn drie wandelaars staan als ze die schrille klanken van de rotswanden horen weerkaatsen.
In zijn jeugd, zegt Márquez (71), wandelden er geen toeristen over de ruige steile voetpaden van dit eiland, maar liepen er louter schaapherders, die zo’n uitnodiging meteen met luid en duidelijk gefluit zouden hebben beantwoord. Maar aan de wandelaars was zijn boodschap niet besteed, dus die hervatten al snel hun route over het eiland. Márquez is de trotse hoeder van het Silbo Gomero, de fluittaal die hij ‘de poëzie van mijn eiland’ noemt. En net als poëzie, voegt hij eraan toe, ‘hoeft het fluiten geen nut te hebben om mooi en waardevol te zijn’.
Gefloten versie
De fluittaal van de inheemse bevolking op het eiland werd in de vijftiende eeuw al vermeld in verslagen van ontdekkingsreizigers die de weg plaveiden voor de Spaanse verovering van het eiland. Aanvankelijk was het een gefloten versie van de inheemse taal, maar in de loop der eeuwen stapten de eilandbewoners ook voor hun fluittaal over op de taal van de Castiliaanse veroveraars.
Het Silbo Gomero bestaat uit meerdere fluittonen van verschillende lengte en toonhoogte die ieder een van de klinkers of medeklinkers van de gesproken taal vertegenwoordigen. Helaas zijn er minder verschillende fluittonen dan het Spaans letters telt en zijn de gefloten versies van sommige woorden dus meerduidig, wat tot misverstanden kan leiden. Sommige Spaanse woorden klinken in gefloten vorm identiek: korte woordjes zoals sí (ja) en ti (jij) bijvoorbeeld, maar ook langere woorden die al een beetje op elkaar lijken, zoals gallina en ballena (respectievelijk kip en walvis). ‘Binnen een zinsverband is altijd duidelijk welk dier er wordt bedoeld, maar niet als je alleen een los woord fluit,’ zegt Estefanía Mendoza, die de fluittaal onderwijst.
Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan
In 2009 werd het Silbo Gomero door Unesco op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed geplaatst als ‘de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld die nog in gebruik is bij een grote gemeenschap’ – de 22.000 inwoners van La Gomera dus. Maar nu de taal niet meer onmisbaar is voor het communiceren over grotere afstanden, is het voortbestaan ervan vooral afhankelijk van de wet uit 1999 die het Silbo verplichte lesstof maakte op de scholen op het eiland.
In het havenstadje Santiago blijkt een klas met kinderen van zes weinig moeite te hebben met het herkennen van de fluittonen voor de verschillende kleuren of de dagen van de week. Lastiger wordt het als daarmee zinnen worden gevormd, zoals: ‘Hoe heet het kind met de blauwe schoenen?’ Sommige kinderen horen ‘geel’ in plaats van ‘blauw’.
En levert het verstaan van de klanken soms al problemen op, nog veel moeilijker is het om ze correct te fluiten. De meeste leerlingen steken daartoe een vingerkootje in hun mond, anderen hooguit één of twee vingertoppen, en weer anderen doen het met één vinger van elke hand. ‘Daar zijn geen regels voor, je gebruikt gewoon de vinger waarmee jij het makkelijkst fluit, en sommigen lukt het helaas helemaal niet,’ zegt Francisco Correa, de coördinator van het schoolfluitprogramma. ‘Er zijn ook oudere mensen die het Silbo al van kindsbeen af prima verstaan, maar het zelf nooit verstaanbaar uit hun mond hebben gekregen.’
Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan en zullen de ander soms vragen een zin te herhalen, net als sprekers die ieder een ander dialect van dezelfde taal spreken. Maar ‘als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als Spaans spreken’, zegt Correa.
Generatiekloof
Zoals bij zoveel talen, of ze nu gefloten of gesproken worden, is ook op Gomera sprake van een generatiekloof. Ciro Mesa Niebla, een boer van 46, zegt dat hij soms moeite heeft om in de fluittaal te converseren met de jongere generatie die het fluiten op school heeft geleerd. ‘Ik ben een jongen uit de bergen die thuis de woorden heeft leren fluiten die we in onze familie op de boerderij gebruikten,’ zegt hij, ‘maar ik heb niet de woordenschat van die jonge salonfluiters, die allemaal dure woorden kennen.’
Er zijn ook bejaarde bewoners die gestopt zijn met fluiten omdat ze niet meer al hun tanden hebben. Márquez heeft een kunstgebit en fluit nog wel, ‘maar het gaat niet meer zo makkelijk en klinkt niet meer zo hard als toen ik nog met mijn vingers op mijn eigen tanden kon drukken,’ zegt hij.
Als je het landschap hier ziet, begrijp je wel waarom de mensen hun toevlucht namen tot deze fluittaal: de meeste Canarische Eilanden bestaan uit hoge bergen doorsneden door diepe ravijnen, waar zelfs het afleggen van kleine afstanden heel wat tijd en moeite kost. Zo ontstond dit alternatief, omdat fluiten veel verder draagt dan schreeuwen – als de wind goed staat, in sommige ravijnen tot wel vier kilometer. Daarbij weten oudere bewoners van Gomera ook nog goed dat de eilandbewoners het Silbo vroeger gebruikten om elkaar te waarschuwen voor politie op zoek naar smokkelwaar. In de recente film La Gomera (The Whistlers) gebruiken gangsters het als hun geheimtaal.
De andere Canarische Eilanden hebben weer andere fluittalen, maar die zijn grotendeels in onbruik geraakt – al wordt die van El Hierro tegenwoordig weer onderwezen. ‘Het Silbo is niet uitgevonden op Gomera, maar dat is wel het eiland waar de taal het best behouden is gebleven,’ zegt de etnomusicoloog David Díaz Reyes. Gomera is tegenwoordig sterk afhankelijk van toerisme, en dat levert weer kansen op voor jonge fluiters zoals de zestienjarige Lucía Darias Herrera, die in een van de hotels op het eiland elke week een fluitshow geeft. Ze fluit normaal gesproken in het Spaans, maar ze kan haar Silbo aanpassen aan de talen van de mensen in het publiek – meestal Duitsers op vakantie.
In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen
Helaas zet corona sinds vorig voorjaar niet alleen een streep door deze optredens, maar ook door de praktijkles op school. In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen. De kleinere kinderen ‘kost het nog veel moeite en ze blazen veel lucht uit, waardoor het soms meer spuwen dan fluiten wordt,’ zegt schoolcoördinator Correa. Om verspreiding van het virus te voorkomen kunnen de kinderen tijdens de wekelijkse les dus voorlopig niet zelf fluiten, maar alleen naar opnamen van het Silbo luisteren.
Bijkomend probleem is dat er buiten de les weinig gelegenheid is om in het Silbo te communiceren. In de eerdergenoemde schoolklas steken maar zeventien leerlingen hun hand op bij de vraag of ze het Silbo thuis ook gebruiken. ‘Mijn broer kan heel hard fluiten, maar hij wil het niet voordoen, want als hij niet op zijn PlayStation zit, is hij wel met vrienden op stap,’ klaagt een van de meisjes, Laura Mesa Mendoza.
Toch fluiten sommige tieners elkaar wel in het Silbo toe als ze elkaar tegenkomen in de stad, en ze gebruiken de taal ook om gesprekken te voeren die veel volwassenen om hen heen niet kunnen volgen. Sommige ouders hebben als kind op school immers geen les in het Silbo gehad, of ze zijn pas op latere leeftijd op het eiland komen wonen. De vijftienjarige Erin Gerhards kan haar smartphone niet missen, maar ze lijkt vast van plan om beter te leren fluiten en zo te helpen de traditie van haar eiland in stand te houden. ‘Het is een eerbetoon aan de mensen die hier vroeger leefden,’ zegt ze. ‘Om te beseffen waar we vandaan komen, dat al die technologie er niet altijd al was, maar dat we heel simpel zijn begonnen.’
De Amerikaanse kunstenaar Jean-Michel Basquiat liep vooruit op de digitale cultuur; zijn kunst past bij het levensgevoel van de Instagramgeneratie. Een tentoonstelling in Frankfurt documenteert zijn bliksemcarrière.
Het korte leven van Jean-Michel Basquiat laat zich lezen als een actiestrip: uit een teenager met een spuitbus groeide een superster van de kunstwereld, die op 27-jarige leeftijd stierf aan een overdosis heroïne. Hij schiep in nog geen tien jaar ongeveer duizend werken – waarvan er maar weinig in openbare musea te zien zijn, want al tijdens zijn leven verkocht Basquiat heel goed. Op zijn eenentwintigste was hij de jongste deelnemende kunstenaar tot dan toe van documenta 7 in Kassel en tegenwoordig geldt hij als een van de belangrijkste kunstenaars van onze tijd. In het afgelopen jaar bracht zijn schilderij Untitled (1982) op een veiling 110,5 miljoen dollar op. Waanzinnig.
Toen Jean-Michel Basquiat de eerste golf van roem achter de rug had, was hij nog maar net twintig jaar. Als graffitiartiest had hij onder het pseudoniem SAMO (same old shit) in Manhattan naam gemaakt met cryptisch-poëtische schrifttekens. Vanaf die tijd werd hij steeds opnieuw gefotografeerd, gefilmd, in kranten beschreven – hij was eerzuchtig en werkte onafgebroken, maar behield tegelijkertijd ook zijn jeugdige charme en coolness, waardoor alles zo moeiteloos leek.
De tentoonstelling Boom for Real in de Schirn Kunsthalle Frankfurt toont nu een groot retrospectief dat eerder in Londen te zien was. Het probeert te verklaren waarom de hyperactieve zwarte jongen uit de Brooklynse middenklasse een kunstenaar werd die uitzonderlijk was in zijn tijd.
Want waarom dat zo was, is niet meteen duidelijk. De kunstkritiek heeft zo nu en dan van alles op Basquiat aan te merken: is zo’n komeetachtige carrière als van een popster wel gerechtvaardigd zonder enige formele opleiding? Zijn zijn portretten eigenlijk niet alleen maar neergekwakte pictogrammen? Is die 110 miljoen dollar niet een groteske overwaardering door de kunstmarkt? Is hij misschien alleen maar door zijn vroegtijdige drugsdood een mythe geworden?
Aan de drugs die zijn ondergang betekenden, maakt Boom for Real, ondanks een duidelijk biografisch accent, geen woord vuil. In plaats daarvan komen we veel te weten over de New Yorkse scene rond 1980. In het trappenhuis ontvangt Basquiat de bezoeker op een videowand, trippelend op de muziek van Duke Ellington; in de volgende ruimtes zijn krantenartikelen uit eind jaren zeventig te zien, polaroids met Grace Jones, Madonna, Fab 5 Freddy en andere creatievelingen uit de postpunkunderground. Dan komen de portretten van en met zijn vriend Andy Warhol. De bezoeker wordt geïnformeerd over waar Basquiat ging dansen, wanneer hij Warhol leerde kennen, hoe de uitnodiging voor zijn verjaardagsfeestje eruitzag, hij kan Basquiats brieven, ansichtkaarten, cheques en huurcontracten bekijken. Een hele zaal toont uitsluitend bladzijden uit zijn notitieboekjes.
Brok energie
Hoort een zo gedetailleerde biografische documentatie thuis in een kunsttentoonstelling? Zou de kunst niet voor zichzelf moeten spreken? Misschien niet in het geval van Basquiat, want zijn kunst is een mix van zijn leven, politiek-maatschappelijke invloeden en de samplemethode van de hiphopcultuur die toen ontstond. ‘Hij verslond ieder beeld, ieder woord, ieder snippertje informatie dat op zijn pad kwam’, schreef de auteur Glenn O’Brien na Basquiats dood in 1988. ‘De stortvloed aan informatie waarmee wij leefden veranderde zo in iets dat een verbluffende nieuwe betekenis opleverde.’
Deze hoogbegaafde brok energie zoog alles op, reageerde op elke impuls in zijn omgeving, schijnbaar ongefilterd. Het zelfportret Dos cabezas (1982) met Andy Warhol schilderde hij in twee uur en hij schonk het aan zijn idool terwijl de verf nog nat was. Zelfs de teksten op zijn cornflakesdoos zou hij af en toe verwerkt hebben, steeds omringd door bergen boeken, alsook een tv en een platenspeler die tegelijk aan staan. Zo schilderde hij zich als eerste zwarte de elitaire witte kunstwereld in.
Basquiats schilderijen spiegelen deze permanente toestand van overprikkeling. Ze zijn wild, geïmproviseerd, direct, vol energie en rusteloosheid, elk schilderij als een fragment uit zijn tijdlijn. Hij vermengt citaten met anatomische tekeningen, krantenknipsels met grove verfstreken, hij vervreemdde elementen van Picasso en Leonardo da Vinci, kopieerde en voegde in: een copy-pastekunstenaar. En hij hield van selfies, steeds weer schilderde hij zelfportretten. Je zou kunnen zeggen: hij liep vooruit op de huidige digitale cultuur, waarin veel mensen voortdurend druk zijn met het verwerken van de input die op ze af komt.
Untitled (1982).
Misschien is dat wel de reden waarom Basquiat zo veel mensen bevalt – omdat bij hem uit de synthese van onsamenhangende futiliteiten een nieuwe betekenis lijkt te ontstaan. Het zijn snelle, spontane werken die de thema’s van zijn tijd symbolisch samenvoegen; Basquiat is bovendien de zwarte held tegen een witte achtergrond. Steeds opnieuw toont hij zich in zelfportretten als donkere schedel, omgeven door politiek aandoende slogans, zoals in Famous (1982) of Glenn (1984).
Racisme, politiegeweld, kritiek op het kapitalisme – Basquiats thema’s zijn ook nu nog actueel. Hij verplaatst ze, doordat hij het private en het openbare in elkaar laat overgaan – ook daarin lijkt zijn werk op de huidige digitale cultuur. In Boom for Real is er daarom geen sprake van smetvrees of academische drempels, want het levensgevoel van de Facebook- en Instagramgeneratie lijkt sterk op de directheid waarmee Basquiat werkte.
Zijn grote formaten, zoals Ishtar (1983), bevatten zo veel dat je er moeilijk niet van kunt houden. Basquiat raakt aan alles tegelijk: muziek, wetenschap, politiek, economie, tv. Het zijn schilderijen als overvloedige buffetten, waarin iedereen iets voor zichzelf kan vinden.
Auteur: Carola Padtberg
Vertaler: Piet Meeuse
Tentoonstelling Basquiat. Boom for Real. Schirn Kunsthalle Frankfurt, Frankfurt am Main. Tot 17 mei 2018
Openingsbeeld: Jean-Michel Basquiat met American Football-helm in 1981.
Tot voor kort stond de Cubaanse gemeenschap in Florida bekend als oerconservatief. Maar met Emma González, het gezicht van het antiwapenprotest, staat een generatie op met progressievere idealen.
In de nasleep van de afschuwelijke schietpartij van 14 februari op de Marjory Stoneman Douglas High School in Florida is een nieuwe beweging ontstaan die oproept tot aanscherping van de wapenwetgeving op automatische wapens, het sterkste protest sinds het Columbine-bloedbad in 1999. Emma González ontpopte zich tot het gezicht van de beweging met een gloedvolle toespraak voor het gerechtsgebouw van Broward, waar ze president Trump en andere politici de mantel uitveegde voor het aannemen van donaties van de National Rifle Association. González en haar schoolgenoten David Hoog en Cameron Kasky vertegenwoordigen een jeugdprotestbeweging die misschien eindelijk strengere wapenwetgeving zal kunnen afdwingen.
Emma, dochter van advocaat Jose González die Cuba in 1968 ontvluchtte, is de voorbode van een nieuwe generatie latinojongeren die de potentie hebben belangrijke politieke spelers te worden vanwege hun talent om verschillende groepen kiezers aan te spreken en een duidelijke boodschap voor verandering uit te dragen. Ze komt rond voor haar identiteit uit. ‘Ik ben achttien jaar oud, Cubaan en biseksueel’, zegt ze in de inleiding van haar essay dat onlangs in Harper’s Bazaar werd gepubliceerd. Hoewel het Spaanstalige televisiestation Univision wist te melden dat ze geen Spaans spreekt, steekt González haar Cubaanse identiteit niet onder stoelen of banken. En al meldde The Sun Sentinel dat haar gemillimeterde haar is ingegeven door praktische overwegingen – ‘Haar is gewoon een extra laag kleding [in dit warme klimaat],’ protesteerde ze –, maakt ze gezien haar inzet voor een veilige schoolomgeving voor LHBT’ers en het feit dat ze onlangs zelf uit de kast is gekomen geen geheim van haar seksuele geaardheid. Maar terwijl ze als adolescent met verschillende rollen jongleert, weet ze ondertussen haarscherp in te zoomen op het probleem dat de Amerikaanse politiek en de democratie bedreigt. ‘Het ergste is dat het merendeel van de Amerikaanse bevolking zich heeft neergelegd bij het zinloze onrecht dat overal om hen heen wordt aangericht’, schrijft ze in Harper’s Bazaar. ‘Het ergste is dat de meeste Amerikaanse politici zich eerder door geld laten leiden dan door de mensen die op hen hebben gestemd.’
Ana María Dopico, hoofddocent aan de New York University, zegt dat González doet denken aan de legendarische Cubaanse revolutionair José Martí. ‘Als kenner van José Martí, die als tiener al politiek gevangene was en later een bekend dichter en politieke ster werd, is het fascinerend om naar Emma González te kijken,’ zegt Dopico. ‘De openhartige manier waarop ze over zichzelf vertelt, de rouwklacht over haar gestorven vrienden, het opeisen van een leiderschapsrol voor de jeugd, het appelleren aan een betere toekomst, een nieuwe invulling geven aan het burgerschap, dit alles maakt deel uit van de Cubaanse en Amerikaanse politieke geschiedenis.’
Eind februari namen González, die op Twitter inmiddels meer volgers heeft dan de NRA, en Republikein Marco Rubio, senator voor Florida, deel aan de meest bekeken ‘town hall meeting’ op CNN. Tijdens deze discussiebijeenkomst tussen onder anderen overlevenden van de schietpartij en politici weigerde Rubio, zoon van Cubaanse immigranten, te zeggen of hij nog donaties zou aannemen van de NRA. Hij draaide om de hete brij heen en zei dat donaties van de organisatie niet ter zake deden maar dat het erom ging dat de kiezers ‘instemmen met mijn politieke agenda’ om het tweede amendement van de grondwet [het recht om wapens te dragen] te steunen.
Emma González zet een trend voort die al jaren te zien is in Florida. Terwijl de rechtse agenda van de oorspronkelijke ballingen uit het Fidel Castrotijdperk aan politiek belang heeft ingeboet, verschuiven de Cubaanse kiezers geleidelijk aan van de Republikeinen naar de Democraten. Rubio doet zijn best om beide groepen te bedienen. Uit exitpolls bleek dat hij bij zijn laatste verkiezing beter scoorde onder oudere kiezers en Cubaanse Amerikanen dan bij kiezers onder de veertig jaar en andere latino’s. Bij de presidentsverkiezingen van 2016 haalde Trump 54 procent van de Cubaans-Amerikaanse stemmen binnen. Anti-Castro-hardliners hebben Trump wellicht gesteund vanwege zijn voornemen een einde te maken aan Obama’s toenaderingsbeleid, maar het percentage van 54 procent verbleekt bij de 78 procent Cubaanse Amerikanen die George W. Bush in 2004 steunden. Die daling is te danken aan de jongere generatie Cubanen die in de VS zijn geboren.
De ruk naar links werd in gang gezet door de recessie van 2008, waarbij de oudere millennials hun loopbaanperspectieven zagen verslechteren en hun kansen op een koophuis snel zagen slinken
Emma González vertegenwoordigt niet alleen deze jongere Cubaanse-Amerikaanse generatie, die een andere kijk heeft op de betrekkingen met Cuba, maar ook de millennials en de opkomende generatie Z, die er progressievere idealen op nahouden. De ruk naar links werd in gang gezet door de recessie van 2008, waarbij de oudere millennials hun loopbaanperspectieven zagen verslechteren en hun kansen op een koophuis snel zagen slinken. En nu eist een protestbeweging, opgezet door tieners die hun leven niet zeker zijn in een omgeving die juist hun veiligheid zou moeten garanderen, strengere wapenwetgeving. Hoewel er overeenkomsten zijn tussen de beweging waarvan Emma het boegbeeld is en jongerenbewegingen elders in de wereld, bijvoorbeeld in Chili, heeft de zoveelste aanslag op Amerikaanse scholieren een politieke woede ontketend die herinnert aan het activisme dat mede tot de beëindiging van de Vietnamoorlog leidde. Destijds gingen studenten de straat op omdat ze niet als kanonnenvoer wilden dienen in een oorlog waar ze het nut niet van inzagen, nu gaan ze de straat op omdat ze niet in hun eigen onderwijsinstituten willen worden afgeslacht.
Na een jaar Trump zijn talloze groepen – vrouwen, moslims, latino-immigranten, Afro-Amerikanen – aangevallen en gekleineerd, niet alleen door het tactloze gedrag van de president maar ook door het politieke spel van de rechterflank van de Republikeinen. Emma vertegenwoordigt als scholier niet alleen jongeren, maar ook vrouwen, latino’s en de LHBT-gemeenschap. ‘Het is interessant dat ze ervoor heeft gekozen te zeggen dat ze tot verschillende gemeenschappen behoort,’ zegt Jorge Duany, hoofd van het Cuban Research Institute van de Florida International University. ‘Daarmee benadrukt ze de gedeelde belangen tussen de gemeenschappen.’ NYU-hoofddocente Dopico stelt dat González’ homoseksualiteit haar zowel met de Amerikaanse politiek van sociale rechtvaardigheid als met de Cubaanse en Cubaans-Amerikaanse strijd voor homorechten verbindt. ‘Ze behoort tot een generatie die zich vrijer voelt met betrekking tot hun identiteiten en loyaliteiten.’
Kan Emma González bepalend worden voor de latinopolitiek in Florida en een impuls geven aan een nieuwe intersectionele beweging onder Amerikaanse jongeren om de conservatieve politieke trends van de komende jaren een halt toe te roepen? Hoewel Emma in haar essay in Harper’s Bazaar beweert zo besluiteloos te zijn dat ze niet eens een lievelingskleur kan kiezen, is dat misschien niet eens een bezwaar. Door haar verschillende identiteiten te integreren heeft ze de kracht gevonden om een zaak te verdedigen die een stempel zou kunnen drukken op haar generatie.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Met Sebastian Kurz en Emmanuel Macron staat in Europa een nieuwe generatie politici aan het roer. Zij verschillen fundamenteel van hun voorgangers, schrijft de Duitse journalist Sidney Gennies.
Vroeger zou zoiets onmogelijk zijn geweest. Zo’n Sebastian Kurz die met een niet afgemaakte rechtenstudie binnen vijf maanden zijn partij ÖVP overneemt, overhoophaalt en er ook nog de parlementsverkiezingen in Oostenrijk mee wint – en kanselier wordt. Op zijn eenendertigste! De jongste regeringsleider ooit in de EU. Hoe kan dat?
Jonge politici wachten niet meer tot eerbiedwaardige partijcommissies het besluit nemen dat hun tijd gekomen is. Er is een nieuw tijdperk aangebroken. En eigenlijk is het verbazingwekkend dat dat in de politiek zo laat gebeurt.
Kurz is ondanks zijn jonge leeftijd een ervaren staatsman. Hij heeft als minister van Buitenlandse Zaken met succes positie gekozen tegenover Angela Merkel en bijna in zijn eentje de sluiting van de Balkanroute voor vluchtelingen doorgezet.
Dat hij de coup waagde door de ÖVP in mei voor de keus te stellen ‘zoals ik het wil of helemaal niet’, een greep naar het partijvoorzitterschap deed en nieuwe verkiezingen eiste, was dus geen jeugdige onbezonnenheid die goed voor hem heeft uitgepakt. Het was berekenend en Sebastian Kurz is niet de eerste. In Frankrijk heeft de 39-jarige Emmanuel Macron in even korte tijd iets dergelijks voor elkaar gekregen. Een half jaar voor de presidentsverkiezingen van 2017 lanceerde hij zijn beweging En Marche – en won. De twee zullen niet de laatsten van deze generatie zijn die de macht zoeken en weten te grijpen.
SEBASTIAN KURZ – Kanselier van Oostenrijk, 32 jaar
▶ In functie sinds december 2017
▶ Österreichische Volkspartei (ÖVP)
▶ De jongste in deze functie
Beroepservaring: 2009 Voorzitter van de jongerenafdeling van de ÖVP op 23-jarige leeftijd 2010 Lid van de gemeenteraad van Wenen 2011 Staatssecretaris 2013 Minister van Buitenlandse Zaken Juli 2017: Gekozen tot leider van de ÖVP, die in oktober de algemene verkiezingen wint
Het succes van de jongeren geeft blijk van de crisis waarin de zogenaamde volkspartijen verkeren, die tegenwoordig overal in Europa blij mogen zijn als ze nog eenderde van hun land vertegenwoordigen. En van de behoefte van de kiezers die daarvan is af te lezen, namelijk die aan echte, voel- en zichtbare verandering. Maar aan die behoefte konden bijvoorbeeld in de VS ook de samen bijna honderdvijftig jaar oude Donald Trump en Bernie Sanders voldoen.
Het succes van de jongeren getuigt daarom eerder van het zelfvertrouwen van een nieuwe generatie politici. Toen Sebastian Kurz op zevenentwintigjarige leeftijd net minister van Buitenlandse Zaken was geworden, heeft hij eens op een vraag naar zijn voorbeelden geantwoord dat hij die niet had. En misschien is dat ook wel symptomatisch voor een generatie die is opgegroeid in de wetenschap dat niets zo hoeft te blijven als het is. Die is opgegroeid met Mark Zuckerberg, die – slechts twee jaar ouder dan Kurz – giganten als Microsoft en Apple passeerde en met Facebook een website neerzette die de wereld helemaal opnieuw met elkaar verbond. Een wereld waarin muzikanten niet meer hopen te worden ontdekt door producers, maar hun liedjes meteen op YouTube zetten. En waarin ondernemers hun businessplan niet aan een bank voorleggen, maar op Kickstarter zetten om aan startkapitaal te komen.
De generatie start-up heeft nu haar intrede gedaan in de grote politiek. Dat betekent meer innovatie, meer flexibiliteit, meer kansen, maar ook minder zekerheid, minder planbaarheid, minder controle
De generatie start-up heeft nu haar intrede gedaan in de grote politiek, met alles wat daarmee samenhangt. Dat betekent meer innovatie, meer flexibiliteit, meer kansen, maar ook minder zekerheid, minder planbaarheid, minder controle.
Met de plannen van Emmanuel Macron om de arbeidsmarkt te dereguleren en het pensioenstelsel te hervormen krijgt Frankrijk een voorproefje van wat dat kan gaan betekenen. En Sebastian Kurz heeft weliswaar de verkiezingen gewonnen met de belofte van een harde lijn in de vluchtelingenkwestie, maar hoe hij die wil nakomen zonder Oostenrijk binnen Europa te isoleren, valt nog te bezien. Voor beiden geldt:
dat ze aan de macht hebben weten te komen betekent alleen dat het anders wordt, niet noodzakelijkerwijs beter.
Degelijke kwaliteitskrant. Opgericht in 1945 in Berlijn, waar zich nog altijd het merendeel van de lezers bevindt.
Sebastian Kurz, een man met haast
Met zijn 31 jaar is de nieuwe Oostenrijkse kanselier Sebastian Kurz een model van politieke voorlijkheid. Hij meldt zich in 2004 als 17-jarige bij de Jonge Oostenrijkse Christen-Democraten (JVP) en wordt voorzitter van die club in 2009. In 2011 wordt hij als 24-jarige staatssecretaris voor Integratie en twee jaar later minister van Buitenlandse Zaken.
In mei 2017 haalt hij het stoute stukje uit en werpt zich op tot leider van de Österreichische Volkspartei (ÖVP), als de voorzitter van die partij, Reinhold Mitterlehner, tevens vicekanselier in de regeringscoalitie, na geharrewar binnen de coalitie met de sociaal-democraten van de SPÖ en binnen zijn eigen partij, al zijn politieke functies neerlegt. Kurz wordt met 98,7 procent van de stemmen gekozen tot zijn opvolger. Hij weet voorwaarden te bedingen waaronder hij het vrijwel geheel voor het zeggen krijgt en verwerft bovendien de steun van een belangrijk deel van de Oostenrijkse haute finance en de industriëlen. Bij de algemene verkiezingen in oktober 2017 wordt de ÖVP met 31,7 procent de grootste partij.
De sleutels tot het succes van Kurz zijn, naast zijn leeftijd, zijn verzet tegen de migratiepolitiek van Angela Merkel en zijn taalgebruik, dat aanschurkt tegen dat van de rechts-radicale FPÖ, waarmee hij in december 2017 een regeerakkoord sluit. Op 18 december wordt Kurz – die volgens het Weense weekblad Profil mikt op een conservatief beleid, politieke moed en persoonlijke bescheidenheid – officieel kanselier. Met zijn 31 jaar is hij de jongste regeringsleider binnen de EU.
Sinds september bouwen demonstranten piramides van boeken voor het regeringsgebouw in Boekarest. Hun doel: behoud van het pluralisme in het onderwijs.
Er is al heel wat onzin gedebiteerd over de kwestie schoolboeken. Ministers, ouders, iedereen vond dat hij zijn steentje moest bijdragen. Een gedachte die op zichzelf niet verkeerd is, behalve dat er in deze kakofonie van een werkelijk debat amper sprake is. Laat ons de feiten eens op een rij zetten, om af te rekenen met allerlei mythes.
Waarom hebben wij nog schoolboeken nodig terwijl de Finnen er juist afstand van hebben gedaan? Omdat wij ons niet in dezelfde situatie bevinden als de Finnen, die een goed functionerend onderwijsstelsel hebben met voldoende financiële middelen. Het schoolboek is een leermiddel dat de leerlingen nodig hebben, waarin ze de basiskennis kunnen vinden van het onderwezen vak – oefeningen, toetsen en opgaven. En dat geldt voor alle leerlingen, ongeacht hun sociale klasse. Leerlingen uit iets gegoedere milieus hebben verder nog toegang tot aanvullende leermiddelen.
Voor arme kinderen is het schoolboek het enige leermiddel en voor de meeste kinderen is het schoolboek het enige boek dat ze ooit zullen lezen. want naar schatting leest vijftig procent van de Roemenen na zijn schooltijd geen enkel boek meer. Dus laten wij, in plaats van rondjes te lopen rond het schoolboek zoals indianen rond een totempaal, het eens hebben over wat nodig is om er op lange termijn voor te zorgen dat leerlingen toegang hebben tot voldoende en diverse leermiddelen.
2 euro per stuk
Eind augustus maakte minister van Onderwijs Liviu Pop bekend dat particuliere uitgeverijen geen schoolboeken meer mogen uitgeven en aan de staat mogen verkopen. De staatsuitgeverij Editura Didactica si Pedagogica (‘Didactische en pedagogische uitgeverij’) zal voortaan het monopolie hebben. Hij beschuldigde particuliere uitgeverijen ervan schoolboeken van slechte kwaliteit te hebben gedrukt om leerlingen te verplichten aanvullende leermiddelen aan te schaffen [de leermiddelen die scholen gebruiken naast de schoolboeken].
In zijn ogen hebben de ‘baronnen’ van de aanvullende leermiddelen enorme fortuinen vergaard, naar schatting 100 miljoen euro, terwijl de kinderen eronder lijden en de staat belastinginkomsten misloopt. De winsten die genoemd worden zijn enorm. Als de boekensector in zijn geheel toch eens zo veel zou opbrengen als alleen al de schoolboekensector! Maar in Roemenië gaat er helemaal niet zo veel geld om in deze sector.
Later kwam de minister op zijn standpunt terug: sommige van deze aanvullende leermiddelen mogen worden gebruikt, maar alleen met uitdrukkelijke toestemming van zijn eigen ministerie. Maar het echte probleem is dat schoolboeken bij ons nooit duur zijn geweest, ze kosten twee euro per stuk. Voor dat geld is het lastig een kwalitatief goed schoolboek aan te bieden, dus de uitgevers doen wat ze kunnen. In andere Europese landen kost een schoolboek tien à twaalf euro. Zijn wij armer dan de overige lidstaten? Natuurlijk. Maar als we blijven weigeren in onderwijs te investeren, zullen we niet alleen letterlijk arm blijven, maar ook figuurlijk, in ons brein [volgens Eurostat investeert Roemenië het minst in onderwijs, namelijk 3,1 procent van het bbp].
De aanvullende leermiddelen zijn inderdaad overal verkrijgbaar. Sommige zijn goed, andere zijn slecht, sommige zijn duur, andere niet. Wie moet het kaf van het koren scheiden? De leraren, want zij weten welke aanvullende leermiddelen hun leerlingen nodig hebben. In plaats van dat het ministerie voor hen besluit om slechts één lesmethode per vak te gebruiken, zou het wat meer vertrouwen moeten hebben in hun oordeel en zou het hen moeten laten aangeven wat werkt en wat niet werkt. Kan het dat doen? Ja. Doet het dat? Nee.
Toch gaat het overal zo in de EU: er bestaat een markt voor schoolboeken en een markt voor aanvullende leermiddelen die voortdurend met elkaar concurreren, en de kwaliteit geeft de doorslag. Maar ons ministerie verklaart liever dat er een schoolboekenmaffia is, dat ‘baronnen’ fortuinen verdienen en dat, om deze grijze economie aan banden te leggen, er slechts één lesmethode mag worden gebruikt – waarmee het voorbijgaat aan het feit dat de Roemeense staat over genoeg instrumenten beschikt om illegale praktijken tegen te gaan. In plaats van justitie haar werk te laten doen verklaart de minister dat het schoolboek een ‘gemeen goed van nationaal belang’ is en besluit hij dat alle schoolboeken voor alle vakken door één uitgeverij worden gedrukt en uitgegeven, namelijk de staatsuitgeverij.
Bovendien wordt de minister hierin bijgevallen door allerlei parlementsleden en ministers die argumenten van het niveau van de stamtafel aanvoeren, zoals die van de voorzitter van de Kamer van Afgevaardigden die riep: ‘Echt, in onze tijd, toen wij op school zaten, waren wij misschien dommer dan de generaties van tegenwoordig, maar wij hadden per vak maar één schoolboek en kijk eens, het leverde waardevolle mensen op voor het land – ingenieurs, leraren, economen.’
Er gaat geen najaar voorbij of er breekt weer een schandaal uit over schoolboeken
In mijn tijd, dat klopt, hadden wij per vak slechts één schoolboek. En omdat we maar één boek hadden, werd het jaar in, jaar uit gebruikt. En er waren er nooit genoeg voor alle leerlingen, vaak moesten twee leerlingen een exemplaar delen.
Maar waar hebben we het eigenlijk over? Dat weet inderdaad niemand meer. Iedere dag worden er enorme hoeveelheden energie gestoken in discussies over schoolboeken (alsof we geen deel uitmaken van de Europese Unie, nog in het socialistische Roemenië leven, als zusterstaat van Noord-Korea), over de taalfouten van de minister van Onderwijs, de financiële belangen van uitgeverijen, de opvattingen van de premier. In plaats daarvan kunnen we beter nuchter vaststellen dat het desbetreffende ministerie bestuurlijk incapabel is, wat het ieder jaar weer aantoont, want er gaat geen najaar voorbij of er breekt weer een schandaal uit over schoolboeken. Vijf jaar geleden ging het over de digitale schoolboeken, nu over het feit dat er maar één schoolboek per vak mag worden gebruikt. De instellingen die er iets over zouden moeten zeggen, zoals de Academie of toonaangevende universiteiten, hullen zich in stilzwijgen.
Ondertussen wordt er gedemonstreerd. We vechten tegen ideologieën in plaats van ons te herinneren dat er een onderwijspact bestaat dat getekend is door alle partijen, waar we niemand meer over horen. We stellen stompzinnige vragen over de noodzaak om al dan niet één schoolboek per vak te hebben in plaats van ons zorgen te maken over de kwaliteit van het onderwijs. En van de schoolboeken.
Is dat normaal? Het gaat allemaal ten koste van onze kinderen die ons over twintig jaar zullen zeggen dat er weer een generatie is ‘opgeofferd’. Door ons.
Cultureel tijdschrift met sociologische en soms politieke inslag. Drijvende kracht achter het weekblad is Andrei Plesu, een vooraanstaand Roemeens intellectueel en voormalig minister van Cultuur. Het ‘Oude Dilemma’ staat bij uitstek te boek als Europa minnend.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.