Tag: george monbiot

  • ‘Algemene verkiezingen zijn een aanfluiting voor de democratie’

    ‘Algemene verkiezingen zijn een aanfluiting voor de democratie’

    De mankementen van een gekozen volksvertegenwoordiging vragen om een ander politiek systeem. Alternatieven, die prima uitvoerbaar zijn, worden volgens George Monbiot tegengehouden door machthebbers die vooral goed zijn in zelfpromotie en campagne voeren in plaats van problemen aanpakken.

    Alles hangt ervan af, maar er verandert weinig. Weken- of maandenlang domineren verkiezingen het nationale leven. Mediaberichten en openbare gesprekken worden gemonopoliseerd door heftig gesteggel en verwoede speculaties. Al het andere – beleidsvorming, probleemoplossing, de logica zelf – komt tot stilstand. Het zal niemand verbazen dat, wanneer de waanzin voorbij is, bijna geen van onze problemen zijn opgelost.

    Verkiezingen zijn een middel om conflicten te maximaliseren en democratie te minimaliseren. Partijen winnen terrein door verdeeldheid en woede te zaaien, vaak rond triviale kwesties die ze in hun voordeel laten spelen. Maar terwijl de grote spelers bezig zijn met lobby’en en de miljardenpers paaien, zijn ze het rampzalig genoeg vaak helemaal eens als het aankomt op veel belangrijkere kwesties, zoals bezuinigingen, geprivatiseerde openbare diensten, de enorme ongelijke verdeling van rijkdom en de zich ontvouwende genocide in Gaza. De meesten die om verkiezingen roepen manipuleren, leiden je af van waar het echt om gaat en liegen.

    Gemeenschappen worden tegen elkaar opgezet: kijk hoe de Tories een beroep doen op hun oudere basis door jongeren te behandelen als een probleem dat moet worden opgelost, momenteel door middel van de nationale dienstplicht. De verschillende partijen reduceren onze complexe keuze tot een zwart-witkwestie; soms, zoals bij de verkiezingen van 2019, tot een slogan van drie woorden (Get Brexit Done). Grote vraagstukken, zoals de milieucrisis, de rijke 1 procent, de mogelijkheid dat het voedselsysteem faalt of de heroplevende dreiging van een kernoorlog, blijven onopgelost en worden over het algemeen niet genoemd. Het enige wat ons na die ene, tien seconde durende actie een keer in de vijf jaar rest is rustig afwachten. Uiteindelijk eindigen we, in ons zogenaamde representatieve systeem, met een zeer niet-representatief parlement en een constant gevoel van teleurstelling.

    Alternatieven

    Zoals kapitalisme aantoonbaar het tegenovergestelde is van markten, zo kunnen we algemene verkiezingen zoals we ze nu kennen zien als het tegenovergestelde van democratie. Zoals in het openbare debat zo vaak gebeurt worden de concepten met elkaar verward. Verkiezingen zijn geen democratie en democratie is geen verkiezingen.

    Eerdere samenlevingen erkenden dit onderscheid. Aristoteles en Montesquieu merkten  (respectievelijk) op dat verkiezingen ‘oligarchische’ en ‘aristocratische’ heersers voortbrachten. Na de Amerikaanse en Franse revoluties kozen de ontwerpers van de nieuwe politieke systemen verkiezingen als een manier om te voorkomen dat de meerderheid, die ze niet vertrouwden, al te veel inspraak in de macht zou krijgen. Sommigen van hen, zoals John Adams, James Madison, Antoine Barnave en Boissy D’Anglas protesteerden tegen het angstaanjagende concept van democratie en drongen erop aan dat de gekozenen een aparte klasse zouden vormen, die zich van het volk onderscheidde als een ‘natuurlijke aristocratie’ van wijze, deugdzame en bekwame mensen. Inmiddels kunnen we wel bepalen hoe goed dat heeft uitgepakt.

    In het Verenigd Koninkrijk werd ons politieke model vastgelegd in de achttiende eeuw, toen democratie een vies woord was en het parlement op het volk neerkeek met een mengeling van angst en minachting. Toch bleef het na de invoering van het algemeen kiesrecht vrijwel ongeschonden. Waarom blijven we mensen kiezen die qua inkomen, vermogen, belangen en psychologie enorm verschillen van ons? Omdat het systeem daarop ontworpen is.

    Er zijn veel alternatieven, die prima uitvoerbaar zijn maar worden tegengehouden door machthebbers die vastberadenheid zijn om de controle te behouden. In eerdere columns heb ik het volksvertegenwoordigingsmodel van Murray Bookchin genoemd, dat is geïmplementeerd in Rojava in het noordoosten van Syrië. Beslissingen worden hier genomen vanuit lokale gemeenschappen, in plaats van vanuit een verafgelegen centrum. Ook noemde ik het zeer succesvolle participatieve budgetteren in Porto Alegre, in het zuiden van Brazilië, dat ervoor zorgde dat geld daar terechtkwam waar het het hardst nodig was, in plaats van bij bevoorrechte groepen. Maar het gaat me er niet om voor te schrijven welke vorm deliberatieve, participatieve democratie moet aannemen. Er zijn tientallen mogelijkheden, die prima kunnen werken.

    Gewone burgers nemen snel hun verantwoordelijkheid, informeren zichzelf, luisteren respectvol en streven naar consensus

    In het uitstekende boek Tegen verkiezingen van David Van Reybrouck toont hij zich voorstander van loting: het kiezen van leden van politieke organen door loting. Zo verliep een groot deel van het politieke leven in het oude Athene en in Venetië, Florence en andere Europese steden in het tweede millennium. Vandaag de dag kunnen algoritmes worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de resultaten van de loterij een goede afspiegeling zijn van de samenleving.

    Wacht even, zeg je. Wat als incompetente, corrupte, roekeloze, egoïstische mensen zonder expertise in machtige posities terechtkomen? Dat zal ongetwijfeld gebeuren. Maar deliberatieve processen [waarbij informatievergaring, overleg en de uitwisseling van argumenten centraal staan] bezitten de buitengewone eigenschap dat ze de betrokkenen transformeren. Ze werken in de praktijk dus beter dan in theorie. Gewone burgers nemen snel hun verantwoordelijkheid, informeren zichzelf, luisteren respectvol en streven naar consensus. Hun beslissingen zijn meestal eerlijker, groener, moediger en meer inclusief dan die van verkozen kamers.

    Elk argument hiertegen gaat in grotere mate op voor een gekozen vertegenwoordiging. Incompetent, corrupt, roekeloos, zelfzuchtig? Breek me de bek niet open. Degenen die door het lot worden gekozen, van wie de selectie dus niet kan worden beïnvloed door geld of lobbyen, zijn daar waarschijnlijk beter tegen bestand. Geen expertise? Onze vertegenwoordigers zijn zeker experts, maar meestal in zelfpromotie en campagne voeren. Zoals keer op keer blijkt, zijn de meesten niet in staat om onze problemen aan te pakken.

    Snobisme

    Veel van de kritiek op de participatiedemocratie is gericht op de klassen. Men kan er niet op vertrouwen dat de arbeidersklasse zelf nadenkt; ze moet gestuurd worden door verlichte beschermers. Dit snobisme loopt helemaal van Edmund Burke, in Bespiegelingen over de revolutie in Frankrijk, tot Karl Marx, in Het communistisch manifest.

    We zouden geen enkele verandering in ons politieke systeem moeten accepteren zonder bewijs dat het werkt. Maar dat bewijs is er steeds meer, aangezien regeringen volksvergaderingen en grondwettelijke conventies inzetten om kwesties op te lossen die te verdeeld, complex of langdurig zijn voor het heersende systeem. Als deze goed zijn ingericht, blijken ze zeer effectief te zijn in het oplossen van problemen die gekozen vertegenwoordigers niet aankunnen. Ierland gebruikte burgergroepen om de debatten over het homohuwelijk en abortus op te lossen en doorbrak daarmee de schijnbaar hardnekkige verdeeldheid in een grotendeels katholieke natie. Frankrijk heeft een burgervergadering ingesteld om zich een weg te banen door de complexe en politiek gevoelige kwestie van stervenshulp.

    Tussen 2021 en 2023 werden honderdzestig nieuwe volksvergaderingen opgericht om moeilijke problemen op te lossen. Veertig van deze organen zijn nu permanent. Ze helpen bijvoorbeeld bij de aanpak van dakloosheid in Parijs, stadsplanning in Lissabon en klimaatbeleid in Brussel. In het Duitstalige deel van België vormt een burgerraad de tweede kamer van het regionale parlement.

    Een volgende stap, die ook Van Reybrouck en anderen voorstellen, kan zijn om dit model gangbaar te maken en één parlementaire kamer, zoals het Hogerhuis of de Amerikaanse Senaat, te vervangen door een volksvergadering. Zo zou een volledig participatief systeem kunnen ontstaan, grotendeels gebaseerd op loting, waarin iedereen evenveel mogelijkheid heeft om mee te beslissen over de zaken die ons leven bepalen. Geef je om democratie? Dan moet je hopen dat er een einde komt aan de huidige verkiezingen.

  • George Monbiot: ‘Bijna niets is schadelijker voor het milieu dan biologisch rundvlees’

    George Monbiot: ‘Bijna niets is schadelijker voor het milieu dan biologisch rundvlees’

    Als wij ons voedingssysteem niet radicaal veranderen kunnen we de strijd tegen klimaatverandering niet winnen, zegt de Britse milieuactivist George Monbiot. Ten eerste moeten we af van de veeteelt. Zijn boek Regenesis is een fundamentele kritiek op de landbouw.

    Voor een veganist vertoont George Monbiot een opmerkelijke verachting voor veel dieren. Kippen, vooral hun mest, houdt hij verantwoordelijk voor het veranderen van hele ecosystemen in weerzinwekkende riolen. Koeien ziet hij als ‘reusachtige machines die koolstof vrijmaken en veel land bezetten’. Zelfs honingbijen zijn voor hem productiedieren die grote schade aanrichten aan het milieu doordat ze wilde insectensoorten verdringen.

    Voor zijn documentairefilm Apocalyps Cow heeft hij zelfs een keer een ree geschoten en gegeten. Het stond hem weliswaar vreselijk tegen, schreef hij in The Guardian, hij had liever gehad dat een wolf dat voor hem had opgeknapt, maar ‘het voelde juist om dit dier te eten. Het doden ervan veroorzaakt geen ecologische schade, integendeel.’ Waar het leefde, in de Schotse hooglanden, was het aantal reeën geëxplodeerd en het aantal bomen waarvan ze de spruiten eten was daardoor extreem afgenomen. Dankzij de jacht op het wild heroverden de bomen het land nu weer ‘met een opmerkelijke snelheid’.

    Maar Monbiots grootste vijanden zijn schapen. Dat ligt vooral aan de enorme ruimte die ze nodig hebben. In Groot-Brittanië wordt vier miljoen hectare bergland benut als schapenweide, dat is twee keer zo veel oppervlakte als alle steden, fabrieken, opslagloodsen, tuinen, parken, straten en vliegvelden bij elkaar beslaan. Sinds er – ook door royale landbouwsubsidies – in de twintigste eeuw schapen werden losgelaten op het Britse hoogland, zijn ze effectieve verwoesters gebleken van ecologische niches. Omdat de dieren zich bij voorkeur voedden met ontkiemende bomen zouden ze die streken in de loop van de tijd hebben veranderd in ‘dode zones’, waarin behalve een enkele grassoort nauwelijks nog iets groeit.

    Lees ook dit artikel van George Monbiot:

    Maar het ernstigste probleem van deze vorm van landbouw is de schamele opbrengst ervan. Om met lamsvlees 100 gram proteïne te produceren is er 185 m2 land nodig, ongeveer 26 keer zoveel als voor kippen nodig is en 84 keer zoveel als voor soja. In calorieën omgerekend betekent dat dat 22 procent van de totale Britse landbouwgrond de Britten voorzien van 1 procent van hun proteïnebehoefte.

    Nerd

    George Monbiot is een echte nerd als het om zulke cijfers gaat. Als journalist en milieuactivist is hij in Groot-Brittannië allang een begrip; sinds 1996 behoren zijn columns tot de vaste inventaris van The Guardian. De stilistische scherpte waarmee hij zich onderscheidt, richt zich ook graag tegen zogenaamd gelijkgezinden. In zijn boek Regenesis keert hij zich nu tegen al die bioboeren die nog geloven in het project van een duurzame landbouw. Want voor Monbiot is de landbouw als zodanig ‘de meest verwoestende menselijke activiteit die de aarde ooit heeft meegemaakt’. De ruimte die zij inneemt, ziet hij als ‘de belangrijkste van alle milieuproblemen’. 

    Hoe zorgen we voor een voedselproductie die het klimaat ontziet?

    George Monbiot
    Regenesis. Feeding the World without Devouring the Planet van George Monbiot verscheen in 2022 bij uitgeverij Allen Lane.

    Dat dit onderwerp in het klimaatdebat tot op heden verregaand verwaarloosd werd in vergelijking met de energietransitie, ligt ook aan het feit dat deze verwoesting van de bodem, in tegenstelling tot het delven van fossiele grondstoffen, al duizenden jaren wordt geromantiseerd. Ook al heeft ze allang industriële proporties aangenomen, toch laat de agrarische cultuur ons nog altijd het beeld zien van een boerenidylle, bijna alsof de uitbuiting van de natuur zelf iets heel natuurlijks is. Bovendien is juist de biologische landbouw deel van het probleem: hoe voordelig ze ook is voor dieren en bodemkwaliteit, ze verergert het ruimtebeslag. Als middel om gras in proteïne te veranderen zijn schapen en runderen erbarmelijk inefficiënt; als ze in de wei gehouden worden, groeien de dieren nog langzamer en gebruiken ze veel meer ruimte. ‘Er is nauwelijks een landbouwproduct dat schadelijker is voor het milieu dan biologisch rundvlees van weidevee’, aldus Monbiot.

    Lees ook dit artikel van George Monbiot:

    Wat zijn boek zo interessant maakt, is behalve het concrete onderwerp ook het koelbloedige realisme waarmee hij het thema beziet. Vaak ligt Monbiots standpunt voorbij de ideologische bastions van waaruit het debat over klimaatverandering gevoerd wordt. Tegenover de illusie van een groene groei wordt ofwel onthouding geplaatst, of men speelt de milieubescherming uit tegen de existentiële behoeften van grote delen van de wereldbevolking. Monbiots inzichten zijn zonder meer radicaal. Het effectiefste middel om CO2 uit de atmosfeer te halen is volgens hem het reduceren van de oppervlakte aan landbouwgrond tot een minimum; het moet worden veranderd in natte gebieden en bossen. In een vorig boek, Feral. Searching for Enchantment on the frontiers of rewilding, beschreef hij zijn visioen van een verwildering op grote schaal van weiden en velden om de ineenstorting van het klimaat en de zogeheten zesde grote soortensterfte te voorkomen. Daarbij hoorde ook de terugkeer van olifanten naar Europa.

    Een fragment uit de documentaire Apocalypse Cow van George Monbiot over soleïne.

    Potentieel

    In Regenesis. Feeding the World without Devouring the Planet gaat het hem nu om de vraag die daar noodzakelijk uit volgt: hoe valt zijn utopie te verenigen met het voeden van een voortdurend groeiend aantal mensen? Hoe zorgen we voor een voedselproductie die het klimaat ontziet – en niet alleen voor degenen die zich duur biologisch voedsel kunnen veroorloven? Het is duidelijk, zo rekent Monbiot voor, dat we het landbouwoppervlak met 76 procent zouden kunnen reduceren als iedereen zou ophouden vlees en zuivelproducten te consumeren. Maar hoewel hij zelf allang vegetarisch eet en de trend van vermindering van de vleesconsumptie in rijke landen aanhoudt, denkt hij niet te kunnen rekenen op een snelle bewustzijnsverandering die de opwarming van de aarde tijdig zou kunnen stoppen.

    Dus wat te doen? Op zoek naar alternatieve manieren om de bodem te gebruiken presenteert Monbiot een paar geëngageerde boeren die het is gelukt hun land door creatieve verbouwingsmethoden niet alleen ecologisch gezonder, maar ook productiever te maken. Ook in deze portretten doorbreekt hij de gangbare clichés: zijn helden zijn op het eerste gezicht bioboeren uit het boekje, die hun velden met houtsnippers in plaats van fosfaat bemesten, of ze sparen ze met een directzaadmethode in plaats van ze te verwoesten door te ploegen. Maar ze zijn vooral pioniers van een experimentele landbouw in hun pogingen met veldonderzoek in de letterlijke zin van het woord en met wetenschappelijke nauwkeurigheid de complexiteit van de bodem te begrijpen en te benutten. 

    Slechts 10 procent van de duizenden diersoorten in de bodem zou geïdentificeerd zijn

    De succesvolle aanzetten van deze pioniers, dat weet Monbiot ook, bieden geen model voor de industriële productie van voedingsmiddelen die nodig is voor het voeden van de wereldbevolking. Maar ze geven een idee van het potentieel dat een transformatie van de agrarische cultuur in zich bergt. En ze laten zien hoezeer de kennis van de leefruimte onder onze voeten en van de betrekkingen tussen aarde, bacteriën, planten en micro-organismen, van de soortenrijkdom en de vruchtbaarheid van dit ecosysteem is verwaarloosd.

    Tot op heden zou slechts 10 procent van de duizenden diersoorten in de bodem geïdentificeerd zijn, schrijft Monbiot. Als er al middelen voor het onderzoek van de bodem beschikbaar gesteld worden, dan is het in hoofdzaak om ‘nieuwe manieren te vinden om ze te doden’; voor bestrijdingsmiddelen. Hij verlangt daarentegen ‘de integrale ontwikkeling van een nieuwe agronomie’, een soort ‘verkenningsprogramma van de aarde’, dat ‘in plaats van Mars in een tweede aarde te veranderen, de oppervlakte van onze eigen planeet onderzoekt’.

    Lees ook dit artikel van George Monbiot:

    Het is dus niet zo verrassend dat Monbiot de oplossing van het voedselprobleem verwacht van een technologie die elke bioboer moet toeschijnen als een sciencefictiondystopie: proteïne uit microbiële fermentatie. In Finland bezoekt hij een bedrijf met de naam Solar Foods, dat uit lucht, zon en een paar bacteriën een sterk geconcentreerd eiwitpoeder maakt. Om dat zogeheten soleïne te verkrijgen, worden bacteriën gevoed met waterstof en kooldioxide uit de lucht; door fermentatie ontstaat uiteindelijk het proteïnepoeder. Het procédé is niet eens erg nieuw, het werd al in de jaren zestig ontwikkeld door de NASA, maar pas nu wordt duidelijk hoe nuttig het kan zijn. 

    Problematisch is dat het maken van waterstof veel energie verbruikt – en veel ruimte, wanneer men daarvoor zonne-energie gebruikt. Niettemin, rekent Monbiot voor, zou voor de productie van proteïne door bacterieculturen 1700 maal minder land nodig zijn dan voor soja, de ruimtelijk gezien meest efficiënte plantaardige bron van proteïne.

    Met dalende prijzen voor zonne-energie zou ook de prijs voor de proteïne van Solar Foods en concurrenten dalen tot het niveau van soja en een goed alternatief voor plantaardige of dierlijke voeding worden. Soleïne zou juist in armere, warme landen voordelig en ‘regionaal’ geproduceerd kunnen worden. En als het ooit ook cultureel geaccepteerd wordt, dan zouden op culinair gebied heel nieuwe mogelijkheden ontstaan: ‘Hapjes die smaken als biefstuk, maar de textuur hebben van Jacobsschelpen,’ stelt Monbiot zich voor; of ‘een mousse die op de tong smelt als pannacotta, maar smaakt naar Iberische ham’.

    Farmfree

    Veel van zijn critici zien zijn visioen als naïef. Het maken van waterstof is gewoon te duur en bovenal zou zo’n soort voedsel uit het laboratorium een uitnodiging zijn aan de voedingsconcerns die het huidige voedselsysteem beheersen om de productie nog ongebreidelder te monopoliseren met patenten. Monbiot is zich van dit gevaar bewust, maar dat verandert voor hem niets aan de noodzaak en de mogelijkheden van de voedselvoorziening met zulke ‘farmfree’-producten. ‘Deze verandering zal zich waarschijnlijk linksom of rechtsom wel voltrekken, hoe heftig de verdedigers van de oude orde ook verzet bieden. Die volgt gewoon uit een onstuitbare economisch logica. Het is aan ons om dit proces snel en rechtvaardig vorm te geven’, schrijft hij.

    Daartoe moet nog slechts één tegenstander overwonnen worden – de langdurige cultuur van verheerlijking van akkerbouw en veeteelt. ‘Een van de grootste bedreigingen voor al het leven op aarde is de lyriek,’ beweert Monbiot, en hij zet uiteen hoe sinds de bucolische gedichten van Theocritus in de Griekse oudheid de mythe ontstond van een harmonieus herdersleven, met schaapherders ‘die hun trage uren doorbrengen met zingen, fluitspelen en vooral met onderdoorgaan aan onbeantwoorde liefdes’. Tegenwoordig zijn de motieven van de pastorale lyriek zo diep geworteld dat ze in de vorm van kinderboeken en westerns, kinderboerderijen en boerderijspeelgoed nog altijd geweldig floreren. Het zijn verhalen die zelfs een overtuigde stadsbevolking zichzelf ‘zonder een zweem van onbehagen vertelt’.

    Dat zijn futuristische voorstelling van een voedingsmiddelenproductie de complete cultuur van de mensheid ter discussie zou stellen, is eveneens een bezwaar dat Monbiot vaak te horen krijgt. Ja, zou hij daar wellicht op antwoorden. Precies!

    Lees ook:

  • In 2008 stortte de financiële sector in – ons voedselsysteem wacht hetzelfde lot

    In 2008 stortte de financiële sector in – ons voedselsysteem wacht hetzelfde lot

    We produceren meer voedsel dan ooit, tóch lijden miljoenen mensen honger. Grootschalige voedselproducenten hebben te veel macht en toezichthouders begrijpen nauwelijks wat er aan de hand is. Guardian-columnist George Monbiot klinkt dit akelig bekend in de oren.

    Wetenschappers luiden al een paar jaar koortsachtig de noodklok terwijl regeringen weigeren te luisteren: het wereldwijde voedselsysteem begint te lijken op het wereldwijde financiële systeem in de aanloop naar 2008.

    Een financiële ineenstorting was al verwoestend voor het menselijk welzijn. De ineenstorting van het voedselsysteem zal nog veel verwoestender zijn. Toch nemen de aanwijzingen in rap tempo toe dat er iets heel erg fout gaat. De huidige stijging van de voedselprijzen lijkt het meest recente teken van systemische instabiliteit te zijn.

    Veel mensen gaan ervan uit dat de voedselcrisis wordt veroorzaakt door een combinatie van de pandemie en de invasie van Oekraïne. Dit zijn belangrijke factoren, maar ze zorgen eerder voor verergering van een onderliggend probleem. Jarenlang zag het ernaar uit dat honger zou verdwijnen. Het aantal ondervoede mensen daalde van 811 miljoen in 2005 tot 607 miljoen in 2014. Maar in 2015 begon die trend te keren. Sindsdien nam de honger toe: tot 650 miljoen in 2019, en weer tot 811 miljoen in 2020. Dit jaar zal het aantal waarschijnlijk nog veel hoger liggen.

    Overvloed

    Maar hier is het echt slechte nieuws: dit gebeurde allemaal in een periode van grote overvloed. De wereldvoedselproductie stijgt al meer dan een halve eeuw gestaag en heeft de bevolkingsgroei ruimschoots overtroffen. De tarweoogst was vorig jaar groter dan ooit. Verbazingwekkend genoeg nam het aantal ondervoede mensen toe, precies toen de wereldvoedselprijzen begonnen te dalen. In 2014, toen minder mensen honger leden dan ooit tevoren, stond de mondiale voedselprijsindex op 115 punten. In 2015 daalde deze tot 93 en hij bleef tot 2021 onder de 100.

    Maar de afgelopen twee jaar is de index weer gestegen. De stijging van de voedselprijzen is nu een belangrijke aanjager van de inflatie, die vorige maand in het Verenigd Koninkrijk 9 procent bereikte. Voedsel wordt onbetaalbaar, zelfs voor veel mensen in rijke landen. De gevolgen in armere landen zijn nog veel erger.

    Wat is er aan de hand? Welnu, mondiaal voedsel is, net als mondiale financiën, een complex systeem dat spontaan ontstaat uit miljarden interacties. Complexe systemen hebben contraintuïtieve eigenschappen. Ze zijn veerkrachtig onder bepaalde omstandigheden, omdat ze worden gestabiliseerd door hun zelforganiserende eigenschappen. Maar als de druk blijft toenemen, beginnen diezelfde eigenschappen het netwerk te verstoren. Boven een bepaald punt kan een kleine verstoring het hele systeem over een kritische drempel tillen, waardoor het plotseling en onvermijdelijk ineenstort.

    Volgens een schatting controleren slechts vier bedrijven 90 procent van de wereldgraanhandel

    We weten inmiddels genoeg over systemen om te voorspellen of ze veerkrachtig of kwetsbaar zijn. Wetenschappers stellen complexe systemen voor als een netwerk van knooppunten en verbindingen. De knooppunten zijn als de knopen in een ouderwets net; de verbindingen zijn de touwtjes ertussen. In het voedselsysteem behoren bedrijven die graan, zaaigoed en landbouwchemicaliën verhandelen tot de knooppunten, evenals de belangrijkste exporteurs en importeurs en de havens waarvandaan het voedsel wordt doorgevoerd. De verbindingen worden gevormd door commerciële en institutionele relaties.

    Als de knooppunten zich op uiteenlopende manieren gedragen en hun onderlinge verbindingen zwak zijn, is het systeem waarschijnlijk veerkrachtig. Maar als bepaalde knooppunten gaan domineren, zich op gelijke wijze gaan gedragen en sterk met elkaar verbonden zijn, dan is het systeem waarschijnlijk kwetsbaar. Bij de aanpak van de crisis in 2008 ontwikkelden de grote banken overeenkomstige strategieën en manieren om risico’s te beheren, omdat zij aasden op dezelfde winstbronnen. Ze raakten sterk met elkaar verbonden op manieren die regelgevers nauwelijks begrepen. Met als gevolg dat toen Lehman Brothers failliet ging, iedereen ten onder dreigde te gaan.

    Kwetsbaar

    Dat is dus waarom het angstzweet uitbreekt bij ieder het mondiale voedselsysteem bestudeert. Net als in de financiële wereld in de jaren 2000, zijn de belangrijkste knooppunten in het voedselsysteem de afgelopen jaren opgezwollen, hun onderlinge banden zijn sterker geworden, bedrijfsstrategieën zijn naar elkaar toegegroeid en gesynchroniseerd, en de kenmerken die een systeeminstorting zouden kunnen verhinderen (‘redundantie’, ‘modulariteit’, ‘stroomonderbrekers’ en ‘reservesystemen’) zijn verdwenen. Zo wordt het systeem blootgesteld aan verstoringen die wereldwijd doorwerken.

    Volgens een schatting controleren slechts vier bedrijven 90 procent van de wereldgraanhandel. Diezelfde bedrijven hebben zich ingekocht in zaaigoed, chemicaliën, verwerking, verpakking, distributie en detailhandel. In achttien jaar tijd is het aantal handelsverbindingen tussen exporteurs en importeurs van tarwe en rijst verdubbeld. Landen ontwikkelen zich nu verder tot superimporteurs en superexporteurs. Veel van de handel passeert kwetsbare knelpunten, zoals de Turkse Zeestraten (nu geblokkeerd door de Russische invasie in Oekraïne), het Suez- en het Panamakanaal en de Straat van Hormuz, van Bab el-Mandeb en van Malakka.

    Slechts vier gewassenzijn goed voor bijna 60 procent van de calorieën die door boeren worden verbouwd

    Een van de snelste culturele verschuivingen in de geschiedenis van de mensheid was die naar een ‘Global Standard Diet‘: ons voedsel is plaatselijk diverser geworden, maar wereldwijd is het juist minder divers. Slechts vier gewassen – tarwe, rijst, maïs en soja – zijn goed voor bijna 60 procent van de calorieën die door boeren worden verbouwd. De productie van deze gewassen is nu sterk geconcentreerd in een paar landen, waaronder Rusland en Oekraïne. Deze Global Standard Diet-producten worden verbouwd door Global Standard-boerderijen, die worden bevoorraad door dezelfde bedrijven met dezelfde pakketten zaden, chemicaliën en machines, en ze zijn onderhevig aan dezelfde milieuschokken.

    De voedingsindustrie raakt nauw verweven met de financiële sector, en dat leidt tot een toename van wat wetenschappers de ‘netwerkdichtheid’ van het systeem noemen, waardoor het vatbaarder wordt voor cascading failure, ofwel opeenvolgende verstoringen door een domino-effect. Overal ter wereld zijn handelsbarrières geslecht en wegen en havens gemoderniseerd, waardoor het mondiale netwerk is gestroomlijnd. Je zou denken dat dit soepele systeem de voedselzekerheid ten goede zou komen. Integendeel: het heeft bedrijven in staat gesteld de kosten van opslag te ontlopen door in plaats van voorraden aan te leggen, te vertrouwen op een constante stroom van producten. Meestal werkt deze lastminutestrategie. Maar als de leveringen worden onderbroken of de vraag plotseling toeneemt, kunnen de schappen plotseling leeg raken.

    Een artikel in Nature Sustainability meldt dat in het voedselsysteem ‘de hoeveelheid verstoringen in de loop der tijd op een wereldwijde schaal is toegenomen, zowel op land als op zee’. Tijdens onderzoek voor mijn boek Regenesis kwam ik tot de ontdekking dat deze escalerende reeks van ‘besmettelijke schokken’, die wordt verergerd door financiële speculatie, de wereldwijde honger heeft aangewakkerd.

    Ecologische crises

    Nu moet het wereldvoedselsysteem niet alleen zijn interne zwakheden zien te overleven, maar ook de ecologische en politieke crises die op elkaar in kunnen werken. Om een recent en actueel voorbeeld te geven: midden april suggereerde de regering van India dat zij het tekort in de wereldwijde voedselexport als gevolg van de Russische invasie in Oekraïne zou kunnen aanvullen. Maar amper een maand later werd de uitvoer van tarwe uit India verboden als gevolg van een verwoestende hittegolf waardoor de oogsten waren verschrompeld.

    We moeten de mondiale voedselproductie dringend diversifiëren, niet alleen geografisch maar ook wat betreft gewassen en landbouwtechnieken. We moeten de greep van grote bedrijven en financiële speculanten doorbreken. We moeten reservesystemen in het leven roepen en op een heel andere manier voedsel gaan produceren. We moeten reservecapaciteit introduceren in een systeem dat bedreigd wordt door zijn eigen efficiëntie.

    Als zovelen honger kunnen lijden in een tijd van ongekende overvloed, dan moeten we er niet aan denken wat grote mislukte oogsten als gevolg van klimaatverandering kunnen veroorzaken. Het systeem moet veranderen.

    Lees ook: