Tag: gewoonten

  • Nieuwe vondsten in Pompeii: een 2000 jaar oud recept

    Nieuwe vondsten in Pompeii: een 2000 jaar oud recept

    Eind december maakten archeologen bekend dat ze een thermopolium, een Romeins eethuisje, hadden opgegraven in Pompeii, de stad waar de tijd kwam stil te staan na de catastrofale uitbarsting van de Vesuvius. De spectaculaire vondst verschaft veel informatie over het dagelijks leven van de lagere klassen in de Romeinse samenleving.
    Archeologe en culinair schrijfster Farrell Monaco bereidde op basis van de overblijfselen een ​​Pompejaanse caféhap.

    ‘In de tweede eeuw na Christus schreef Plinius de Jonge een brief aan de Romeinse historicus Tacitus, waarin hij het begin van de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus memoreert’, schrijft Farrell Monaco. ‘Hij herinnert zich dat hij vanuit zijn villa in Misenum, aan de overkant van de vulkaan aan de baai van Napels, een donkere wolk zag in de vorm van een parasoldennenboom, die de lucht vulde boven de bergen. Wat volgde was iets waarop niemand in het gebied was voorbereid.

    Een dag nadat Plinius die donkere wolk opmerkte, bezweek een kleine taverne in het noordoostelijke deel van Pompeii samen met de rest van de stad onder het gewicht van puimsteen en as. 

    Daarna volgde een snelle pyroclastische golf van heet gas, vulkanisch puin en as die de laatste verwoestende dreun van de vulkaan markeerde: degenen die waren achterbleven in Pompeii en Herculaneum werden op slag gedood door deze helse golf van hitte, die volgens schattingen opliep tot bijna 500 graden Celsius.

    De eigenaar van de genoemde taverne was een van de slachtoffers. Hij kon niet op tijd uit zijn onderkomen ontsnappen en stierf ter plekke in bed, evenals een man en een hond die hun toevlucht bij hem hadden gezocht.’

    Antieke snackbar

    In december vorig jaar maakten archeologen van het Archeologisch Park van Pompeii bekend dat ze de overblijfselen van deze twee mannen en de hond hadden gevonden bij de opgraving van een antieke ‘snackbar’, thermopolium genoemd.

    ‘Gelegen in een nog niet uitgegraven deel van Pompeii, vormen de goed bewaard gebleven toonbank van het thermopolium, de dolia, zoals keramische vaten voor opslag worden genoemd, en de kunst op de muren gezamenlijk een van de meest ontroerende vondsten die recentelijk zijn gedaan’, aldus Monaco.

    In één dolium werden de overblijfselen van een van de mannen gevonden, daar waarschijnlijk in gedeponeerd door achttiende-eeuwse plunderaars

    De grote gemetselde toonbank is versierd met fresco’s die scènes uit het dagelijkse leven in het etablissement weergeven: schalen en kookgerei hangend boven de bar, een afbeelding van een bezorger, een Griekse zeenimf rijdend op een zeepaard en afbeeldingen van wilde eenden, een kip en een hond. Tegen de toonbank leunden amforen, de keramische wijnvaten waarin lokaal geproduceerde en geïmporteerde Griekse wijnen werden bewaard.

    Sommige van de dolia bevatten de botten van verschillende soorten dieren en in één dolium werden de overblijfselen van een van de mannen gevonden, daar waarschijnlijk in gedeponeerd door achttiende-eeuwse plunderaars.

    ‘Als klassiek archeoloog wiens onderzoek zich richt op voedsel en voedselbereiding in het Romeinse Middellandse Zeegebied’, schrijft Monaco, ‘ben ik dolgelukkig met dergelijke vondsten. Ze werpen een helder licht op het dagelijkse leven van delen van de Romeinse samenleving die in oude literaire bronnen slecht zijn vertegenwoordigd, zoals slaven en de doorsnee werkende Romeinen. Plekken zoals dit thermopolium geven archeologen zoals ik een realistisch beeld van hoe de Romeinse eetcultuur eruitzag.’

    Voor Monaco en anderen bieden ze een noodzakelijk contrast met de sensationele weergaves van de Romeinse eetcultuur, zoals bekend van het satirische Trimalchio’s Banket van Petronius, of van de weelderige fresco’s die de muren van de eetkamer sieren in het Huis van de Vettii, een uitzonderlijk goed bewaard gebleven luxe woning.

    Alledaags eten

    Het opgegraven thermopolium biedt aanwijzingen over waar en wat de doorsnee Pompejaan at. In het gebied rond de Vesuvius had slechts 40 procent van de stadswoningen voor werkende armen een vuurhaard om te koken, denkt Anna Maria Sodo, directeur van het Antiquarium van Boscoreale. Van de woningen voor de middenklasse was 66 procent uitgerust met een kookgelegenheid. Dat betekent dat veel mensen buiten de deur aten.

    De site moet nog verder worden uitgegraven, maar volgens archeoloog Massimo Osanna telde Pompeii minstens tachtig eet- en drinkgelegenheden. Die bieden inzicht in het soort voedsel dat aan gewone burgers werd geserveerd.

    Om een maaltijd te reconstrueren die in de buurt komt van wat mogelijk werd opgediend, bieden de overblijfselen allerlei aanwijzingen, schrijft Monaco. Dat geldt voor zowel de fresco’s die op de toonbank zijn geschilderd, als voor de inhoud van de amforen en de dolia.

    Een van de dolia bevatte de botten van eenden, varkens, geiten en vissen, evenals schelpen van landslakken. De eendenbotten komen overeen met het fresco van twee wilde eenden op de voorkant van de toonbank, dat mogelijk diende als een picturaal menu voor de ongeletterde meerderheid van de bevolking. 

    Termopolio Regio V 8 Foto Parco archeologico di Pompei 1 1
    © Parco archeologico di Pompei

    Sommige wetenschappers denken uit deze resten op te kunnen maken dat de Pompejanen uit de eerste eeuw stoofschotels of soepen aten die werden gebrouwen van alle gevonden dieren tezamen. Monaco betwijfelt dat, want het zou ongebruikelijk zijn voor de oude Romeinse keuken. Omdat dolia normaal gesproken werden gebruikt voor het bewaren van droog en vloeibaar voedsel en niet om te koken, acht Monaco het mogelijk dat de botten en schelpen die in het dolium werden gevonden, voedselresten zijn van een eigen slagerij, van voedselbereiding die aan de toonbank plaatsvond, of van resten die werden achtergelaten door klanten.

    Bouillon

    Maar het is ook mogelijk dat deze overblijfselen op iets heel anders wijzen, aldus Monaco. De schelpen en botten zouden bestemd kunnen zijn geweest voor een basisbouillon die werd gebruikt in de gerechten. Het thermopolium bevond zich tenslotte in de buurt van een fontein en een watertoren, waardoor het makkelijk was om dagelijks een grote hoeveelheid bouillon te maken. Verwijzingen naar dergelijke gerechten komen voor in historische teksten. 

    Zo klaagt Cicero in zijn bijtende scheldrede Tegen Piso uit de eerste eeuw voor Christus over de ‘stank en rook’ van stoofhuizen. En Athenaeus van Naucratis, een Grieks-Egyptische schrijver uit de derde eeuw, verwijst naar voedsel in de ‘gewone eethuizen’ als ‘niets anders dan bouillon en wat stukjes vlees’. De historicus Dio Cassius uit de tweede eeuw heeft het zelfs over keizer Claudius die een verbod uitvaardigde op herbergen waar gekookt vlees en heet water werd verkocht, aldus Monaco.

    Thermopolium of popina

    ‘Het is zeer waarschijnlijk dat de opgegraven ruimte in feite een taverne was’, meent Monaco. ‘Ondanks het feit dat veel publicaties de eetgelegenheden in Pompeii ‘thermopolie’ noemen, vermeldt de Loeb Classical Library slechts twee voorbeelden van de gebruikte term.

    Deskundigen zoals Tonnes Kleberg, Mary Beard, Steven Ellis en Claire Holleran hebben allemaal opgemerkt dat de Latijnse term popina veel vaker voorkomt en een geschiktere naam is voor dit soort gelegenheden. Doorgaans vertaald als ‘taverne’, wordt het soms ook vertaald met ‘volkshuis’, of met het modernere ‘café’. Om je de sfeer van oude Romeinse tavernes voor te stellen, kun je gewoon naar de fresco’s kijken die de muren van dergelijke ruimtes in Pompeii sieren, met scènes van drinken, minnekozen, gokken en gestoei.

    ‘Dergelijke informatie in acht nemend’, vervolgt Monaco, ‘en ervan uitgaande dat Latijnse teksten over “gekookt vlees”, “bouillon en stukjes vlees” en de “stank en rook” van stoofschotels verwijzen naar een popina, geeft ons de mogelijkheid om te speculeren dat het bot- en schelpmateriaal in het nu opgegraven dolium bestemd was voor bouillon. Suggereert dit dat vlees gekookt in bouillon van de popina op de hoek, de Romeinse versie is van onze huidige café-hap? Ik denk van wel en het brengt ons dichterbij een voorstelling van een 1ste eeuwse Romeinse maaltijd.’

    Eend volgens Apicius

    In het kookboek De Re Coquinaria van fijnproever Marcus Gavius Apicius uit de 1ste eeuw staat een recept voor eend of kraanvogel in bouillon. Het lijkt misschien een wat duur gerecht voor een eenvoudige popina op de hoek, maar de bereiding is redelijk eenvoudig en het recept bevat enkele van de meest gebruikte ingrediënten en smaakmakers uit die tijd, aldus Monaco. Ze beschrijft vervolgens eerst het recept van Apicius:

    ‘Pluk en was de vogel en doe hem in een grote kookpot. Voeg water, zout en dille toe en kook tot de vogel stevig is. Haal hem halverwege het kookproces uit de pot en doe hem in een andere pan met olie, een bundel oregano en koriander en liquamen (vissaus van gefermenteerde vis en zout).

    Voeg als het bijna gaar is een beetje defrutum (wijnsiroop) toe voor de kleur. Maal peper, lavas, komijn, koriander, laserwortel, wijnruit in een vijzel, voeg caroenum (enigszins vergelijkbaar met defrutum) en honing toe, giet er wat van de kookvloeistof over en breng op smaak met azijn. Giet dit terug in de pan om op te warmen. Bind met zetmeel. Leg de vogel op een serveerschaal en giet de saus erover.’

    ‘Als begeleiding van het hoofdgerecht’, gaat Monaco verder, ‘koos ik ervoor om mensae toe te voegen, een platbrood dat zowel als bord als bestek werd gebruikt.’

    Dit blijkt onder meer uit de Aeneis van Vergilius. Nadat Aeneas en zijn mannen hun voedsel van platbroden hebben gegeten roepen ze uit: ‘Oh, kijk! Wij eten ook onze tafels op!’ 

    De keukenspullen van Monaco

    Monaco bereidt haar eend met klassiek kookgerei ‘om de originele kooktechnologieën en de “stank en rook” van Cicero’s stoofpotten zo goed mogelijk te simuleren.’ 

    ‘Ik besloot om mijn terracotta foculus (draagbare vuurpot) en ollae (kookpotten) voor dit recept te gebruiken. Maar mijn draagbare keuken is misschien meer geschikt voor een van de slaven in de Satiren van Juvenalis, dan als vervanging voor een vast fornuis in een popina. Thuiskoks kunnen een aarden pot aan een driepoot gebruiken boven barbecuekolen of hout, of gewoon kookgerei op conventionele fornuizen om een vergelijkbaar resultaat te bereiken.’

    Het recept

    Ingrediënten:

    Voor de gestoofde eend:

    2 eendenborsten of eendenbouten

    Een klein bosje dille of 1 theelepel (2 gram) gedroogde dille

    Snufje zout

    2 eetlepels (20 gram) olijfolie

    2 theelepels (6 gram) colatura d’alici of Red Boat-vissaus

    Een klein bosje verse oregano of 1 theelepel (2 gram) gedroogde oregano

    Een klein bosje verse koriander of 1 theelepel (2 gram) gedroogde koriander

    3 eetlepels (60 gram) defrutum / caroenum (die je kunt maken met dit recept) of melasse van druiven uit de winkel

    1 eetlepel (20 gram) rode wijnazijn

    1 theelepel (5 gram) honing

    1 theelepel (5 gram) gesneden groen van paardebloemen (cicoria, in het Italiaans) ter vervanging van wijnruit (die potentieel giftig is in grote hoeveelheden)

    ½ theelepel (2 gram) gedroogde gemalen zwarte peper; lavas; komijn; koriander; asafoetida (ook bekend als hing en verkrijgbaar in veel Aziatische winkels of reformzaken) ter vervanging van laser (silphium)

    1 eetlepel (15 gram) bloem

    1 eetlepel (15 gram) eendenvet, reuzel of ongezouten boter

    Takjes verse oregano (voor garnering)

    Voor de mensae:

    250 gram steengemalen volkorenmeel

    60 gram zuurdesembrood‘starter’ (Geen starter bij de hand? Maak een ‘spons’ bestaande uit gelijke delen bloem en water met 1 theelepel (5 gram) commerciële bakkersgist. Gebruik 60 gram van deze spons voor dit recept.)

    160 gram water

    2 gram zout

    Olijfolie (als je wilt frituren in plaats van grillen)

    Bereidingswijze:

    1.

    Bereid het deeg voor de mensae: los de starter op in het water, meng met de bloem en het zout, kneed het deeg, dek het af en laat een uur rusten op een warme plek.

    2.

    Doe de eend in een pan, dompel hem onder in water, voeg de dille en een snufje zout toe en breng aan de kook. Dek af en laat 45 minuten op medium-laag vuur sudderen om een lichte bouillon te creëren. Als je het durft, voeg dan een paar slakkenhuisjes, geitenbotten en varkensbotten aan de bouillon toe voor extra smaak.

    3.

    Nadat het mensae-deeg heeft gerust, snijd je het doormidden en kneed je elke helft tot een bal. Gebruik een deegroller of de palm van je hand om van elke bal vervolgens een schijf te maken. Dek af met een vochtige theedoek en laat het deeg nog eens 30 minuten rusten.

    4.

    Meng in een andere pan de olijfolie en de vissaus met de oregano en koriander en verwarm op middelhoog vuur.

    5.

    Haal de eend uit de bouillon en braad hem aan in de pan met de olie, vissaus en kruiden. Besprenkel met de helft van de defrutum (of druivenmelasse). Als de eend bruin is, haal je hem uit de pan en zet je hem apart. Bewaar het vocht in de pan.

    6.

    Meng in een kom de overgebleven defrutum (of druivenmelasse) met de rode wijnazijn, honing, het gesneden groen van paardebloemen (of cicoria), gemalen zwarte peper, lavas, komijn, koriander en asafoetida en klop het door elkaar.

    7.

    Voeg in de pan de bloem en het eendenvet (of reuzel of ongezouten boter) toe aan het overgebleven vocht en maak een roux door de bloem en het vet samen op laag vuur op te lossen. Gebruik een garde om klonteren te voorkomen.

    8.

    Maak een mengsel van honing, azijn en kruiden met 215 gram eendenbouillon en voeg de vloeistof langzaam toe aan de roux in de pan, op laag vuur, en klop het samen totdat het begint te verdikken tot een saus.

    9.

    Bereid beide mensae door een grill of een koekenpan met olijfolie op middelhoog vuur te verwarmen. Leg elke mensa op de hete grill of in de pan en verhit ze tot ze beginnen op te blazen. Draai ze dan om tot de andere kant goudbruin wordt. Verlaag de temperatuur als de mensae te snel bruin worden voordat ze zijn opgeblazen.

    10.

    Leg een grote toef saus op elke bord. Snijd het eendenvlees in hapklare stukjes en leg ze op de saus. Besprenkel de stukjes eend met extra bouillon en garneer met takjes verse oregano.

    11.

    Snijd de gegrilde mensae in partjes en serveer ze naast de gesneden eend om de saus en de bouillon op te nemen.

    ‘En dan’, schrijft Monaco, ‘neem je je bord met gestoofde eend en je brood, en stel je je voor dat je in een Pompejaanse popina bent. Zoek een kruk op een plek met voldoende licht om je eten te kunnen zien. Misschien kom je naast een vreemde terecht, dus pas op je portemonnee. Het beste kun je nu stoppen met wijn drinken. De grond trilt altijd onder je voeten als je te veel hebt gedronken en dat gebeurt nu.

    Maak je geen zorgen, de bouillon en het brood zullen je net genoeg ontnuchteren om de voordeur uit te kunnen strompelen, langs die hond die maar blijft blaffen naar iets in de verte. Aai hem over zijn kop om hem af te leiden en ga er dan vandoor. Tijd om op pad te gaan nu er nog daglicht is.’

    Een verslag van de ontdekking door archeoloog Massimo Osanna.
  • Controverse: Moeten we jongensbesnijdenis verbieden?

    Controverse: Moeten we jongensbesnijdenis verbieden?

    Een groep IJslandse parlementariërs heeft een wetsvoorstel ingediend om het besnijden van jongens te verbieden. Moeten andere Europese landen dit voorbeeld volgen?

    NEE

    Onder de morele scherpslijpers van Europa is het de laatste jaren een cause célèbre geworden om de besnijdenis van jongetjes 
uit te bannen en religieuze vrijheden te demoniseren. Onlangs diende een groep IJslandse parlementariërs, met steun van 
422 dokters, een wetsvoorstel in om joodse en islamitische ouders te verbieden hun pasgeboren zoontjes te besnijden.

    Voor joodse mensen is de besnijdenis altijd een integraal onderdeel geweest van hun religie en identiteit, en dat is het nog steeds. De huidige kruistocht tegen besnijdenis komt elke jood met een minimum aan historisch besef dan ook voor als een afgezwakte variant van de aloude pogingen hun hun identiteit 
te ontnemen en te dwingen net als andere mensen te worden.

    Leidster van de IJslandse antibesnijdeniscampagne is het parlementslid van de Progressieve Partij Silja Dögg Gunnarsdóttir. Haar recente uitlatingen laten zien dat ze absoluut niet beseft welke consequenties haar plannen hebben voor de vrijheid van joden en moslims om hun godsdienst vrijelijk uit te oefenen. 
Zij vond het ‘niet nodig’ om joodse en islamitische groepen over dit gevoelige thema te raadplegen. Want, zei ze; ‘ik zie het niet als een religieuze kwestie.’

    Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling

    Het feit dat zij het uitbannen van 
zo’n fundamenteel religieus ritueel niet als ‘religieuze kwestie’ beschouwt, getuigt van diepgaande culturele en historische naïviteit. De simpele waarheid is namelijk dat een eventueel verbod het joden onmogelijk zou maken om hun godsdienst 
nog langer in IJsland uit te oefenen.

    Het voornaamste argument van de IJslandse antibesnijdeniskruisvaarders is dat ouders niet het recht hebben hun zoons te besnijden zolang die daar zelf niet expliciet mee akkoord gaan. 
Zij zeggen op te komen voor de rechten van deze kinderen en 
hen te beschermen tegen hun ouders. Maar zo’n verbod zou vaders en moeders de autoriteit ontnemen die hun toekomt.

    Het gaat de IJslandse activisten om besnijdenis, maar hun bewering dat ze kinderen tegen hun ouders willen beschermen heeft implicaties voor alle moeders en vaders. Ouders krijgen steeds vaker het verwijt van zogenaamde kinderrechtenactivisten dat ze hun kinderen religieuze waarden zouden ‘opleggen’. Kinderen gaan er in deze optiek niet mee ‘akkoord’ katholiek te worden, 
of zich aan te sluiten bij een evangelisch kerkgenootschap. Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling.

    Maar er bestaat niet zoiets als kinderrechten. Als je mensen rechten toekent, veronderstelt dat dat zij in staat zijn om die uit te oefenen. Kinderen zijn daar echter te jong voor, dus moeten welwillende buitenstaanders die rechten dan maar opeisen uit hun naam. Uiteraard kregen mensen als Gunnarsdóttir nooit toestemming van deze kinderen om uit hun naam 
te spreken, dus is de obsessie die de antibesnijdenisactievoerders hebben met toestemming, ongegrond.

    Auteur: Frank Furedi

    Spiked | Londen
    Verenigd Koninkrijk, spiked-online.com

    Frank Furedi is emeritus hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Kent. Hij werd internationaal bekend met zijn studie Culture of Fear (1997) en schrijft geregeld voor Spiked en 
The Guardian.

    1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.
    1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.

    JA

    Toen bekend werd dat IJsland overwoog de besnijdenis van 
jongetjes te verbieden, werden zoals verwacht meteen de loopgraven betrokken. Voor islamofoben biedt zo’n verbod welkome munitie. Het stelt ze in staat om religieuze scheidslijnen te benadrukken en de islam als barbaars voor te stellen. Aan de andere kant zijn joodse en islamitische groepen oprecht woedend over het idee dat deze traditie ooit verboden zou kunnen worden.

    Omdat besneden mannen zelden klagen, hebben progressieve politici het onderwerp jarenlang kunnen vermijden. Maar de waarheid is dat besnijdenis van jongetjes minder onschuldig is dan het lijkt.

    Er is weinig onderzoek naar het onderwerp gedaan, maar een studie uit 1999 bekritiseerde het gebrek aan aandacht in de bestaande medische literatuur voor het ‘genot en de dynamiek van beweging, gevoel en lubricatie’ die de voorhuid ‘tijdens 
masturbatie, voorspel en geslachtsgemeenschap’ oplevert. Het artikel vervolgde: ‘Er is geen wetenschappelijke grond voor de aanname dat mannen die als kind besneden zijn daar tevreden mee zijn of er geen nadelige effecten van ondervinden.’ Ofwel: die aanname klopt niet, maar we praten er niet over.

    Als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, 
zelfs tegen hun eigen familie

    Besneden mannen vermijden het onderwerp meestal liever. ‘Voor een man is het erg moeilijk om erover te klagen,’ vertelt antibesnijdenisactivist Richard Duncker. ‘Ten eerste gaat het over zijn geslachtsdeel. Dan moet hij ook nog eens vraagtekens plaatsen bij de keuze van zijn ouders. Verder trekt hij zijn cultuur en de waarden van zijn religieuze gemeenschap in twijfel. En 
tot slot wordt hij vaak belachelijk gemaakt als hij erover begint.’

    Een Deens onderzoek concludeerde dat besneden mannen niet zelden moeite hebben om een orgasme te bereiken. Bij andere enquêtes klaagden mannen over zichtbare littekens, een te 
korte penishuid om een prettige erectie te beleven, en pijn.

    Een kind geeft voor deze ingreep geen toestemming. Het joodse geloof vereist immers dat de besnijdenis op de achtste dag na de geboorte wordt uitgevoerd; bij moslims moet het op de zevende dag gebeuren. Wanneer je je ermee bemoeit, wordt dat gezien als een onacceptabele aantasting van de religieuze vrijheid. 
Maar hoe zit het met de religieuze vrijheid van een kind om zelf zijn spirituele identiteit te bepalen?

    Zodra iemand er uit vrije wil mee akkoord gaat, heeft de 
overheid er niets mee te maken. Maar als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, 
zelfs tegen hun eigen familie. Wanneer iemand zonder goede medische noodzaak om het even welke andere chirurgische ingreep op een baby zou uitvoeren, zouden we geschokt zijn. Maar alleen omdat deze ingreep als religieuze traditie vermomd is, vinden we het acceptabel. Dat is het geenszins. Het zou dus mooi zijn als IJsland het voortouw neemt en als eerste Europese land de besnijdenis van jongetjes verbiedt.

    Auteur: Ian Dunt

    iNews | Londen
    Verenigd Koninkrijk | 
inews.co.uk

    Ian Dunt is hoofdredacteur van Politics.co.uk 
en auteur van het boek Brexit: What The Hell Happens Now? Hij schrijft voor verschillende kranten en weekbladen.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • Negentien wijsjes per minuut

    Negentien wijsjes per minuut

    Vogels zijn verbluffend intelligente wezens, bewijst Jennifer Ackerman in haar nieuwe boek De genialiteit van vogels. Ze kunnen spellen en rekenen, geven cadeautjes en troosten elkaar. In dit fragment neemt Ackerman de zang- en imitatiekunsten van verschillende soorten onder de loep.

    Alle vogels vocaliseren. Ze schreeuwen, jodelen, krassen, jammeren, ratelen, tsjitten, 
ziiiten en zingen als engelen. Ze roepen om andere vogels te waarschuwen voor predatoren, en om familie, vrienden en vijanden te identificeren. 
Ze zingen om hun territorium te verdedigen, uit te zetten of af te bakenen en om partners het hof te maken.

    Roepen zijn in de regel kort, simpel, bondig en 
aangeboren, net als een menselijke gil of lach; beide seksen brengen er een bepaalde boodschap mee over. Zang is over het algemeen langer, complexer en 
aangeleerd; in tropische gebieden zingen doorgaans zowel de mannetjes als de vrouwtjes, in gematigde streken meer gebruikelijk de mannetjes, en dan alleen tijdens het broedseizoen. Maar er loopt geen nette scheiding tussen roep en zang en er bestaan tal van uitzonderingen. Zo vallen de roepen van kraaien in een tiental categorieën (oproepend tot de aanval, scheldend, begroetend, bedelend, verkondigend, in duet) en sommige daarvan zijn aangeleerd. En de roepen van de Amerikaanse matkop zijn aanzienlijk complexer dan de tweetonige zang van de koolmees.

    Maar met dat zingen is iets speciaals aan de hand. ‘Bijna alle dieren die vocaal communiceren doen 
dit instinctmatig,’ zegt Erich Jarvis, die aan Duke University onderzoek doet naar vocaal leren. ‘Bij de geboorte weten ze al hoe ze moeten krijsen of roepen of schreeuwen.’ Deze uitingen zijn aangeboren of ingeprent, net als het mèè van een schaap. ‘Vocaal leren daarentegen behelst het vermogen een geluid te horen en vervolgens, door de spieren van je strottenhoofd of je syrinx te gebruiken, dat geluid zelf te herhalen,’ legt Jarvis uit, ‘of dit nu een geluid is dat met spraak wordt aangeleerd of een noot bij vogelzang.’

    Syrinx

    Bijna de helft van alle vogels op aarde behoort tot 
de zangvogels, circa vierduizend soorten. Hun zang varieert van het prevelende, melancholische gegrinnik van de sialia tot de uit veertig noten opgebouwde aria van de koevogel, van het lange, ingewikkelde lied van de rietzanger tot het heldere fluiten van de heremietlijster en de verbluffend naadloze duetten van mannetje- en vrouwtjewenkbrauwwinterkoning.

    Vogels weten waar ze moeten zingen en wanneer. 
In de openlucht draagt het geluid het verst circa een meter boven de begroeiing, dus zingen vogels vanaf een zangpost om zo min mogelijk last te hebben van interferentie. Vogels die in de onderlaag van het bos zingen gebruiken tonale geluiden en lagere frequenties dan vogels die in de kroonlaag zingen. Sommige vogels gebruiken frequenties die het lawaai van insecten en verkeer omzeilen. Vogels die in de buurt van luchthavens leven beginnen hun ochtendkoor eerder dan normaal, zodat er minder overlapping is met het kabaal van de vliegtuigen.

    In zijn gedicht ‘Ode aan het vogelkijken’ vraagt Pablo Neruda zich af: ‘Hoe / kan uit zijn keel / kleiner dan een vinger / het water vallen / van zijn lied?’

    Door één enkele uitvinding: een uniek instrument, de syrinx, genoemd naar de nimf die in een rietstengel veranderde toen ze achterna werd gezeten door Pan, god van de velden, het vee en de vruchtbaarheid. Het heeft lang geduurd voor wetenschappers de details van dit orgaan hadden achterhaald, aangezien het diep in de vogelborstkas huist, op het punt waar de luchtpijp zich opsplitst in de bronchiën die lucht naar de longen geleiden. Pas enkele jaren terug zijn onderzoekers er met behulp van MRI-scans en micro-CT eindelijk in geslaagd een verbluffend driedimensionaal hogeresolutiebeeld van het orgaan in actie te creëren.

    Vogelconcert, toegeschreven aan Paul de Vos (Hulst 1595 - Antwerpen 1678).
    Vogelconcert, toegeschreven aan Paul de Vos (Hulst 1595 – Antwerpen 1678).

    Dit hightechbeeld laat een buitengewoon bouwwerkje zien. Het bestaat uit fijne kraakbeenringen en twee membranen – één aan elke kant van de syrinx – die door de luchtstroom supersnel in trilling worden gebracht en zo twee onafhankelijke klankbronnen vormen. Getalenteerde zangvogels zoals de spotlijster en de kanarie kunnen die membranen onafhankelijk van elkaar laten vibreren, waardoor ze gelijktijdig twee verschillende, harmonisch ongerelateerde tonen kunnen produceren – links één met een lage frequentie, rechts één met een hoge. Bovendien kunnen ze het volume en de frequentie van elk van de twee met een adembenemende snelheid variëren. De klanken die ze zo voortbrengen behoren tot de akoestisch meest complexe en gevarieerde in de natuur. (Dit fenomeen is zeer bijzonder. Wanneer een mens praat, bewegen alle toonhoogten en harmonieën van onze vocalisaties in dezelfde richting.)

    Dit alles wordt gecontroleerd door minuscule, maar krachtige spieren. Sommige zangvogels, zoals de spreeuw en de zebravink, kunnen die spiertjes met een precisie van minder dan een milliseconde (meer dan honderd keer zo snel als het knipperen van een mensenoog) samentrekken en ontspannen. Dit staaltje van supersnelle spiercontractie komt slechts bij een handvol dieren voor, zoals in het orgaan dat het geratel van de ratelslang voortbrengt. De Oost-Amerikaanse winterkoning, een klein bruin bolletje dat bekendstaat om zijn vliegensvlugge zang, kan wel zesendertig tonen per seconde aan – veel meer dan onze oren of hersenen kunnen waarnemen of opnemen. Sommige vogels kunnen hun syrinx zelfs zo manipuleren dat ze menselijke spraak kunnen nabootsen.

    Vogels met een uitgebreider stel syrinxspieren produceren over het algemeen complexere zang. De spotlijster in die ceder beschikt over wel zeven paar spieren, die hem in staat stellen zijn vocale acrobatiek schijnbaar moeiteloos vol te houden – zeventien, achttien, negentien wijsjes per minuut wanneer hij goed op dreef is. Tussen de noten door houdt hij de luchttoevoer op gang met kleine ademhalinkjes.

    Een Australische natuurfilmer merkte eens op dat het een verrassende ervaring is om door het bos te lopen en plotseling geconfronteerd te worden “met een fazantachtige bruine vogel die naar je blaft als een hond”

    Maar ook al wordt zijn fantasmagorische zang door de syrinx uitgevoerd, zijn brein initieert en coördineert het geheel. Elk spiertje wordt via prikkels vanuit een ingewikkeld netwerk van gebieden in de linker- en rechterhersenhelft aangestuurd. De prikkels coördineren de spiertjes in elk van de helften van de syrinx en zorgen daar voor precies de juiste luchtstroom voor de honderden geïmiteerde frasen die de spotlijster voortbrengt.

    Het lijkt allemaal zo moeiteloos te gaan.

    Maar is dat wel zo? Stel dat je een Duits of Portugees zinnetje wil nazeggen. Dan moet je zorgvuldig luisteren naar de persoon die het uitspreekt en je moet het ook nog accuraat horen. Dat is nog niet zo eenvoudig, verzekert psycholoog Tim Gentner, en al helemaal niet wanneer je op een feestje of in een rumoerige straat bent, waar je dat zinnetje uit een kakofonie van geluiden moet zien te pikken, een fenomeen dat ‘auditieve stroomsegregatie’ of ‘selectieve aandacht’ wordt genoemd. Vogels hebben veel met dit soort kabaal te stellen, vooral tijdens zangpieken zoals het ochtendkoor. ‘Veel vogels zijn sociale wezens; ze communiceren met elkaar in relatief grote groepen,’ aldus Gentner, werkzaam aan de University of California, San Diego. ‘Er zijn een hele hoop signalen, en niet alles daarvan is op elk moment even nuttig voor elk individu, dus één belangrijke taak is uitvogelen welke akoestische stromen relevante informatie dragen.’

    Wanneer je eenmaal een doelfrase uit al dat rumoer hebt geïsoleerd, moet je deze in gedachten houden terwijl je brein de klankenstroom vertaalt naar een set motorische opdrachten, die vervolgens weer naar je strottenhoofd worden gezonden, in de hoop dat dit een vergelijkbare klankenstroom zal voortbrengen. 
Je zal het zinnetje echter zelden al de eerste keer goed hebben. Het vergt oefening, vallen en opstaan, je eigen fouten horen en ze verbeteren. Als je het zinnetje wil vasthouden, moet je het zo vaak herhalen dat de hersenbanen die de herinnering in de eerste plaats hebben gecreëerd, worden versterkt. En als je het voor altijd wil onthouden, moet je het ook nog archiveren in een veilige langetermijnopslagplaats.

     Kleine galapagosspotlijsters. – © Keith Levit / Getty Images
    Kleine galapagosspotlijsters. – © Keith Levit / Getty Images

    Spotlijsters zijn hier buitengewoon bedreven in. Het bewijs wordt geleverd door sono- of spectrogrammen. Dankzij deze visuele omzettingen van auditieve signalen (met de frequentie of toonhoogte op de verticale as en de tijd op de horizontale) kunnen wetenschappers subtiele verschillen in vogelzang zichtbaar maken.

    Als je het sonogram van het prototype van een vogellied naast dat van de imitatie van een spotlijster legt, blijkt dat de spotlijster zich vrijwel perfect aan het oorspronkelijke script van de boomklever, de lijster of de whippoorwill houdt. Wetenschappers hebben ontdekt dat wanneer een spotlijster het lied van een rode kardinaal nazingt, hij zelfs de spierpatronen van die vogel nabootst. Als bepaalde tonen van zijn model buiten zijn normale frequentiebereik vallen, vervangt hij ze door andere of laat ze weg, maar in dat laatste geval zal hij andere tonen verlengen om de lengte van het lied gelijk te houden. Wanneer het snelvuur van tonen (bijvoorbeeld van kanariezang) hem te snel gaat, zal hij tonen clusteren en korte pauzes inlassen om adem te kunnen halen, maar nog steeds een identieke liedlengte aanhouden. Een whippoorwill of een lijster vliegt er misschien niet in, maar mij leidt hij met gemak om de tuin.

    Natuurlijk is de spotlijster niet de enige imitator van het vogelrijk. De rosse spotlijster, eveneens van de familie der Mimidae, kan tien keer zo veel liedjes nabootsen als de spotlijster, maar niet zo nauwkeurig. Ook spreeuwen zijn begaafde imitatoren, evenals nachtegalen, die circa zestig verschillende wijsjes kunnen nazingen na elk slechts een paar keer te hebben gehoord. Van bosrietzangers is bekend dat 
ze een woeste, gedreven, internationale potpourri zingen, doorspekt met de wijsjes van meer dan 
honderd andere soorten. Sommige van die wijsjes zijn Europees, opgepikt in zijn broedgebied, maar 
de meeste zijn Afrikaans, verzameld in de streken 
in Oeganda waar hij zijn winters doorbrengt. Zijn imitaties van de borangraszanger, de wijntortel en de broebroe vormen een soort akoestische landkaart van zijn Afrikaanse reizen.

    De liervogel is de geluidsdief bij uitstek. Een Australische natuurfilmer merkte eens op dat het een verrassende ervaring is om door het bos te lopen en plotseling geconfronteerd te worden ‘met een fazantachtige bruine vogel die naar je blaft als een hond’. De treurdrongo, die schrandere Afrikaanse vogel die eksterbabbelaars om de tuin leidt, imiteert niet alleen de alarmroep van de babbelaars, maar ook die van verrassend veel andere soorten. Zijn truc dient altijd hetzelfde doel: rechtschapen vogels of zoogdieren de stuipen op het lijf jagen, zodat hij 
hun moeizaam vergaarde hapjes kan stelen.

    Er zijn gevallen bekend van een goudvink die erop getraind was ‘God Save the King’ te zingen, van een katvogel die de taptoe liet horen (wellicht opgepikt van ceremonies op de begraafplaats in de buurt) en van een kuifleeuwerik in het zuiden van Duitsland die zich de vier fluittonen eigen had gemaakt waarmee een plaatselijke herder zijn honden aan het werk zette. Zijn imitaties waren zo accuraat dat de honden de gefloten commando’s van de vogel direct opvolgden: ‘Naar voren! Snel! Halt! Hier komen!’ 
Die commando’s verspreidden zich vervolgens weer onder andere leeuweriken, waardoor een gebiedje met lokale ‘kreten’ (en waarschijnlijk enkele zeer kortademige herdershonden) ontstond.

    Sommige vogels zijn buitengewoon goed in het 
imiteren van menselijke spraak. De grijze roodstaartpapegaai is er een van. De beo komt beslist ook in aanmerking, evenals de kaketoe. Die paar soorten worden als de grote redenaars van de vogelwereld beschouwd. Over een paar andere soorten uit de kraaien- en papegaaienfamilies, zoals parkieten, 
verschillen de meningen. The New Yorker berichtte 
ooit eens: ‘De eerste woorden die een parkiet uit Westchester na weken van stilte sprak, waren 
“Zeg wat, verdorie, zeg wat!”’


    Het imiteren van menselijke geluiden vraagt veel van een vogel. Wij vormen onze klinkers en medeklinkers met onze lippen en tong, die tot de meest soepele, flexibele en onvermoeibare delen van het menselijk lichaam behoren. Voor vogels, die geen lippen hebben en een tong die in de regel niet wordt gebruikt voor het maken van klanken, is het nogal wat om de nuances van de menselijke spraak onder de knie te krijgen. Dit verklaart wellicht waarom slechts een handvol soorten die vaardigheid heeft verworven. Papegaaiachtigen zijn in die zin bijzonder dat ze hun tong gebruiken bij het roepen en hem kunnen manipuleren om klinkers te vormen, eigenschappen die waarschijnlijk ten grondslag liggen aan hun vermogen om spraak te imiteren.

    De grijze roodstaartpapegaai is de parlementariër van het vogelrijk. Irene Pepperberg maakte deze papegaaien en hun spraakvermogen beroemd door haar werk met Alex, misschien wel de beroemdste sprekende vogel ter wereld. Pepperberg placht verschillende soorten vragen over voorwerpen te combineren, en Alex kon ze met een bijna perfecte precisie beantwoorden. Als ze hem bijvoorbeeld een groen vierkant van hout liet zien, vertelde hij welke kleur het had, welke vorm en, nadat hij het had aangeraakt, van welk materiaal het was gemaakt. Hij had een voorliefde voor zinnetjes die hij in het lab hoorde, zoals ‘Let op!’, ‘Rustig maar’ en ‘Doei, ik ga nu eten, ik zie je morgen weer!’

    Alex was niet de enige vogel die grapjes maakte. Ik ken een grijze roodstaart die zijn naam, Throckmorton, met een shakespeareaanse precisie uitspreekt. Throckmorton is genoemd naar de man die tussenpersoon was voor de Schotse koningin Maria Stuart (en in 1584 werd opgehangen wegens samenzwering tegen koningin Elizabeth i). Hij heeft een breed repertoire aan geluiden uit het gezinsleven, waaronder de stemmen van zijn baasjes Karin en Bob, die hij in zijn eigen voordeel gebruikt. Hij roept Karins naam met een ‘Bob-stem’, die volgens Karin heel goed is – ze kan het verschil niet horen. Ook imiteert hij de ringtonen van hun mobieltjes. Een van zijn favoriete trucs is dat hij Bob uit de garage roept door zijn ringtoon na te doen. Als Bob dan komt aanrennen, ‘neemt’ Throckmorton de telefoon ‘op’ met de stem van Bob: ‘Hallo? Uh-huh, uh-huh, uh-huh.’

    Hij sluit het gesprek af met de vlakke toon die je hoort als de verbinding is verbroken.

    Favoriete Bob-woord

    Throckmorton imiteert het klok-klokgeluid van Karin die water drinkt en het geslurp van Bob als hij kleine slokjes neemt van zijn te hete koffie, en ook het blaffen van de vroegere hond van het gezin, een jack russell die al negen jaar dood is. Hij beheerst ook het keffen van de huidige hond, een dwergschnauzer, en doet doodleuk mee als hij blaft, ‘waardoor mijn huis wel een kennel lijkt’, aldus Karin. ‘En ook dit doet hij weer perfect. Niemand merkt dat er een papegaai zit te blaffen in plaats van een hond.’ Toen Bob eens snipverkouden was, breidde Throckmorton zijn repertoire uit met snuiten, hoesten en niezen. Een andere keer kwam Bob met een vreselijke buikgriep terug van een zakenreis; Throckmorton maakte nog zes maanden daarna kokhalsgeluiden.

    Een tijd lang was zijn favoriete Bob-woord ‘shhhhhhhiiiit’.

    Er zijn gevallen bekend van papegaaiachtigen die andere papegaaiachtigen leerden vuilbekken. Een jaar of wat geleden kreeg een natuurkenner die bij de Search & Discover-desk van het Australian Museum werkte telefoontjes van mensen die wilde kaketoes in de outback hadden horen vloeken. Een aan het museum verbonden ornitholoog zinspeelde erop 
dat de wilde vogels dat hadden geleerd van voorheen gekooide kaketoes en andere papegaaiachtigen die ontsnapt waren en zo lang wisten te overleven dat ze zich konden aansluiten bij een groep, met wie ze de woorden deelden die ze in gevangenschap hadden opgepikt. Als het inderdaad zo is gegaan, is dat een mooi voorbeeld van culturele overdracht.

    Auteur: Jennifer Ackerman

    Jennifer Ackerman (1959) schrijft al bijna dertig jaar 
over wetenschap, natuur en biologie. Ze publiceert regelmatig in Scientific American, National Geographic en The New York Times.

    De genialiteit van vogels (vertaling: Hanneke Bos) verscheen onlangs bij Prometheus.
    De genialiteit van vogels (vertaling: Hanneke Bos) verscheen onlangs bij Prometheus.