Tag: globalisering

  • ‘Om onze afhankelijkheid van China te verminderen moeten we weer de fabriek in’

    ‘Om onze afhankelijkheid van China te verminderen moeten we weer de fabriek in’

    Als westerse landen minder afhankelijk van China willen worden, dan moeten ze de productie in eigen huis nieuw leven inblazen, schrijft de Zweedse veiligheidsexpert Elisabeth Braw. Maar waar gaan ze de arbeiders vandaan halen? Omscholing kan een oplossing bieden.

    Nu jonge experts zo warm lopen voor deglobalisering en voor haar jongere zusje de-risking [risicomijding door banken], trekken zelfs politiek leiders die vrijhandel voorstaan de conclusie dat westerse landen hun productieafhankelijkheid van China moeten verminderen. Hoe? Door productie in eigen huis nieuw leven in te blazen, of deze te verplaatsen naar bevriende landen. Maar wie gaat er werken in al die fabrieken die er dan in het Westen zullen verrijzen?

    Als het de westerse landen ernst is met friendshoring [handel drijven met en/of produceren in ‘bevriende’ of ‘vertrouwde’ landen om politieke risico’s te vermijden], zullen we weer veel meer met onze handen moeten gaan werken – zij het geholpen door robots. En ja, daar moeten ook academici aan te pas komen. 

    Vorige week presenteerde Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, haar voorstel voor een nieuwe economische veiligheidsstrategie ten behoeve van de Europese Unie. Het zou gaan om ‘een oefening in nieuw economisch denken’. Nationale leiders moeten zich nu buigen over de strategie die als uitgangspunt heeft dat ‘een economische macht als de EU meer aandacht dient te schenken aan de veiligheidsrisico’s in haar handels- en investeringsbeleid. Uitvoering van de strategie betekent dat de EU zich op het internationale toneel meer zal gedragen als de Verenigde Staten en Japan.’

    Wat is er tegen een strategie die de EU minder afhankelijk maakt van China en in één moeite door gekwalificeerde banen creëert?

    Dit betekent minder afhankelijkheid van China en meer productiebanen en raderen in de eigen toeleveringsketen. Klinkt goed. Wat is er tegen een strategie die de EU minder afhankelijk maakt van China en in één moeite door gekwalificeerde banen creëert, zoals de Amerikanen dat doen met hun anti-inflatiewet (Inflation Reduction Act)?

    Er zal een veel grotere behoefte ontstaan aan productiemedewerkers, én aan arbeiders van het soort dat onze economie nu al draaiende houdt, zoals machinisten, vrachtwagenchauffeurs – en zelfs mijnwerkers, als de EU ook de afhankelijkheid van door China bewerkte zeldzame mineralen wil verminderen.

    Het is alleen maar goed om dergelijke banen te creëren, banen die de binnenlandse productie stimuleren, maar… zo gemakkelijk gaat dat niet. Dat blijkt wel uit ontwikkelingen in de VS, dat Europa al een stap voor was op het gebied van globalisering, en nu een hele grote stap voor is wat betreft deglobalisering. Er zijn simpelweg niet genoeg arbeiders voor de banen die het Westen hoopt te creëren omwille van de nationale veiligheid en welvaartsgroei.

    Strategische rivalen

    In de Amerikaanse mijnbouwsector bijvoorbeeld is er ‘schaarste aan ingenieurs die arbeidslocaties opzetten, mijnwerkers die ruwe metalen winnen en vrachtwagenchauffeurs die ze verplaatsen voor verwerking – een extra kopzorg voor producenten die sowieso al moeite hebben om materialen te leveren voor elektrische auto’s, zonnepanelen en windparken,’ aldus The Wall Street Journal.

    Om te begrijpen wat de toekomst voor ons in petto heeft, is het nuttig de situatie in Duitsland te bekijken: dat land heeft al 100.000 onvervulde vacatures in de transportsector, en een tekort van nog eens 100.000 werknemers in productie- en installatiediensten – en dan hebben we het nog niet eens over vacatures in de gezondheidszorg, de horeca en het onderwijs.

    De belangrijkste reden dat westerse landen moeite hebben om al die beoogde nieuwe fabrieken van personeel te voorzien, is dat ze ooit de globalisering enthousiast omarmden

    Ondertussen is Tesla – dat onlangs een nieuwe fabriek in Brandenburg heeft gebouwd – bezig met de werving van 12.000 arbeiders om daar elektrische auto’s te bouwen. Aangezien er geen 12.000 arbeiders voor de auto-industrie beschikbaar zijn, leidt het bedrijf van Elon Musk nu leerlingen op en werft het mensen die ervaring hebben op andere terreinen en schoolt die om. Vorige week heeft bondskanselier Olaf Scholz een deal gesloten waarbij Intel een halfgeleiderfabriek in Maagdenburg zal opzetten. Waar het fabriekspersoneel vandaan moet komen is vooralsnog volkomen onduidelijk. 

    De belangrijkste reden dat westerse landen moeite hebben om al die beoogde nieuwe fabrieken van personeel te voorzien, is dat ze ooit de globalisering enthousiast omarmden. Andere landen zouden goederen produceren en zijzelf gingen zich richten op de diensteneconomie. Dat pakte erg goed uit, totdat duidelijk werd dat dergelijke landen strategische rivalen konden worden. En zo kwam het dat het Westen nu weer handarbeiders nodig heeft – zowel in fabrieken als voor het vervoeren van goederen over lange toeleveringsketens.

    Hard werken

    Ondertussen hebben westerse landen hun bevolking opgeleid voor een hoogwaardige diensteneconomie. In 1993 telde Duitsland bijvoorbeeld 1.775.661 universiteitsstudenten; dat aantal was in 2021 met liefst 66 procent gestegen. Westerse landen zitten nu dus opgescheept met te veel academisch geschoolde burgers die niet staan te trappelen om met hun handen te werken, en met te weinig mensen die bijvoorbeeld een vrachtwagen kunnen besturen of vuilnis willen ophalen – taken die zelfs in de hoogtijdagen van de globalisering noodzakelijk waren.

    Nu deze landen het fabriekswerk weer in ere willen herstellen, worden ze niet alleen geconfronteerd met een algeheel tekort aan handarbeiders, maar ook met een dreigend tekort aan werknemers in de groeiende productiesector. De Europese ontkoppeling van Russische energie is om deze reden in zwaar weer terechtgekomen: 900 Noorse booreilandwerkers – van wie er al te weinig zijn – hebben gedreigd in staking te gaan.

    Mensen die op school steeds te horen hebben gekregen dat de weg naar een comfortabel middenklassebestaan en sociale status via de universiteit leidt, zullen zich waarschijnlijk niet laten omscholen voor handarbeid. Want zoals de academisch geschoolden die het hebben geprobeerd kunnen beamen: dat is hard werken. Toen enkele leden van de Baader-Meinhof-groep [een terroristische organisatie in de Bondsrepubliek Duitsland] zich in de fabriek voegden bij de West-Duitse arbeiders – namens wie de groep beweerde haar gewapende revolutie te voeren – gaven ze er al na een paar dagen de brui aan.

    Maar er is veel gebeurd sinds zo’n vijfendertig jaar geleden de moderne globalisering in het Westen aanving. De banen die in deze landen eind jaren tachtig begonnen te verdwijnen behelsden grotendeels fysiek werk. De banen waaraan nu behoefte is, zijn in hoge mate technisch en vereisen veel expertise. Breng maar eens een bezoek aan een Duitse autofabriek, dan wordt dat meteen duidelijk.

    Scholen en universiteiten doen er goed aan studenten te helpen werkervaring op te doen in de productiesector

    Het is helemaal niet zo gek te stellen dat veel toekomstige productiebanen meer vaardigheden met zich meebrengen dan een hoop kantoorbanen waarvoor je een universitair diploma nodig hebt. Het is geen verrassing dat Tesla samenwerkt met lokale universiteiten om arbeiders op te leiden voor de fabriek in Brandenburg, of dat de staat Arizona – die halfgeleiderbedrijven wil aantrekken om de productie uit China over te nemen – niet alleen de krachten heeft gebundeld met bedrijven, maar ook met Arizona State University, waar een uitgebreid programma is ontwikkeld om mensen op te leiden voor de goedbetaalde banen die er nu aankomen.

    Arbeiders hadden altijd al meer vaardigheden dan universitair geschoolden hun toedichtten, en naarmate de productie technologisch gezien steeds verfijnder wordt, zullen die vaardigheden alleen maar toenemen. Zonder arbeiders die de machines kunnen bedienen om de geavanceerde goederen te produceren die nu te riskant zijn om in China te laten maken, kunnen we bij voorbaat afscheid nemen van het idee van friendshoring. We zouden er dan ook goed aan doen onze opvattingen over handmatig werk bij te stellen.

    Scholen en universiteiten doen er dus goed aan studenten te helpen werkervaring op te doen in de productiesector. En degenen die zo verstandig zijn de waarde en vaardigheden van productiewerk in te zien, zouden moeten overwegen zichzelf op dat gebied verdienstelijk te maken. Simpel gesteld: de fabrieksarbeider is terug van weggeweest – krachtiger dan ooit. Wat zou Karl Marx hebben gedacht van deze wending in het globaliseringsverhaal?

  • Globalisering heeft niet geleid tot de economie die we nodig hebben

    Globalisering heeft niet geleid tot de economie die we nodig hebben

    Veel mensen zijn bezorgd over de slechte toestand van de wereldeconomie. Om die te verbeteren, moet de politiek een nieuw systeem bedenken dat de nationale en mondiale belangen beter in evenwicht brengt, betoogt columnist Rana Foroohar.

    Er heerst veel algemene verwarring, zo niet regelrechte angst, over de toestand van de wereldeconomie. De oorlog in Oekraïne, de schommelende gasprijzen, de torenhoge hypotheekrente, de aanhoudende gevolgen van de pandemie en het dreigende vooruitzicht van een recessie: al deze factoren lijken samen te smelten tot één grote chaos.

    Die angst is reëel. Maar de chaos is van voorbijgaande aard – deze wordt grotendeels veroorzaakt door het tumult dat gepaard gaat met elke overgang van een oude naar een nieuwe economische orde. Elke economie maakt cycli door van groei en krimp, maar de belangrijkste indicator binnen die cycli heeft niet zozeer te maken met marktprijzen of werkloosheidscijfers als wel met de onderliggende politieke filosofie.

    Ongeveer een halve eeuw lang was onze politieke economie gebaseerd op het heersende concept van het neoliberalisme – het idee dat kapitaal, goederen en mensen grenzen moeten kunnen overschrijden op zoek naar het productiefste en meest winstgevende rendement. Veel mensen associëren dit principe met de trickledowneconomie van Ronald Reagan en Margaret Thatcher, of zelfs met de ondernemersvriendelijke economische ideeën over financiële markten en handel die Bill Clinton en Barack Obama omarmden. Maar de wortels van de filosofie gaan verder terug.

    Ongelijkheid

    De term ‘neoliberalisme’ werd in 1938 bedacht op een bijeenkomst in Parijs van economen, sociologen, journalisten en zakenlieden die zich zorgen maakten over de – in hun ogen buitensporige – staatscontrole op de markten na de Great Depression. Ze dachten dat de belangen van de natiestaat en de democratie wel eens problemen zouden kunnen gaan opleveren voor de economische en politieke stabiliteit. Het stemgerechtigde publiek kon niet worden vertrouwd, en dus moesten nationale belangen (of, meer in het bijzonder, nationalisme) worden in-geperkt door internationale wetten en instellingen, zodat markten en de samenleving als geheel goed konden functioneren.

    Mondiale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank en latere organisaties als de Wereldhandelsorganisatie – instellingen die in wezen gaan over grensoverschrijdende mondiale financiën, handel en ondernemingen – werden beïnvloed door deze neoliberale filo-sofieën. Zij pleitten krachtig voor de Washington-consensus, een reeks economische beginselen die waren afgeleid van de hoofdingrediënten marktliberalisering en onbelemmerde globalisering. Dit recept zorgde voor meer groei dan ooit tevoren; de vier jaar voorafgaand aan de financiële crisis van 2008 behoorden wereldwijd tot de sterkste groeiperioden in de afgelopen halve eeuw. Maar ze leidden ook tot grote ongelijkheid binnen de afzonderlijke landen.

    Geld beweegt zich veel sneller over grenzen dan goederen of mensen

    Hoe kon dat? Voor een deel doordat geld zich veel sneller over grenzen beweegt dan goederen of mensen. De ‘goedkoop kapitaal voor goedkope arbeid’-afspraak tussen de Verenigde Staten en Azië, vanaf de jaren tachtig, kwam voornamelijk ten goede aan multinationals en de Chinese staat, zo blijkt uit academisch onderzoek. De Reagan-Thatcher-revolutie bevrijdde het wereldkapitaal door de financiële sector te dereguleren, en de wereldhandel werd vervolgens volledig vrij-gelaten in het Clinton-tijdperk, met overeenkomsten als NAFTA en de uiteindelijke toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie. Qua beleidsbelangen sloeg de balans tussen het scheppen van binnenlandse banen en de integratie van de wereldmarkt door naar het laatste. Het idee was dat goedkopere consumentenprijzen van importgoederen de afgevlakte of zelfs dalende lonen zouden compenseren.

    martijn baudoin LAfUhkyRPOI unsplash kopie
    © Martijn Baudoin / Unsplash

    Maar dat gebeurde niet. Al vóór de pandemie en de oorlog in Oekraïne stegen de prijzen van goederen en diensten die essentieel zijn voor de middenklasse – van huisvesting tot onderwijs en gezondheidszorg – veel sneller dan de lonen. Dat is nog steeds het geval, zelfs met de recente looninflatie. Het gevoel dat de wereldeconomie te ver af is komen te staan van nationale belangen speelde een rol bij de opkomst van het populisme, nationalisme en zelfs fascisme (in de vorm van Donald Trump en de Make America Great Again-beweging) waar we nu mee worstelen. Het is van een bittere ironie dat juist de filosofieën die bedoeld waren om politiek extremisme in te dammen, het tegenovergestelde hebben bewerkstelligd, omdat ze te ver zijn gegaan.

    Neoliberale filosofie

    De neoliberale filosofie is failliet, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook elders, getuige het verzet in Groot-Brittannië tegen het mislukte experiment van oud-premier Liz Truss met belastingverlagingen met een beoogd trickledowneffect. Door arbeid uit te besteden aan meerdere landen zou de maakindustrie productiever en het bedrijfsleven efficiënter worden. Maar die vermeende efficiëntie bleek bij elke vorm van wereldwijde stress grotendeels in te storten, of het nou ging om pandemieën, tsunami’s, storingen in havens of andere onvoorziene gebeurtenissen.

    Complexe toeleveringsketens leidden al ver voor de mondiale crises van de afgelopen jaren tot verschillende rampen. Denk bijvoorbeeld aan Rana Plaza in Bangladesh, de fabriek die kleding maakte voor diverse mondiale merken (die geen idee hadden van risico’s in hun toeleveringsketen) en die in 2013 instortte, waarbij ruim elfhonderd mensen om het leven kwamen. Ondertussen werd de vrijhandel, die geacht werd de vrede tussen landen te bevorderen, zelf een systeem dat door commercieel ingestelde landen en door de staat geleide autocratieën kon worden misbruikt, met diepe politieke tegenstellingen in binnen- en buitenland als gevolg.

    Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen

    Gelukkig zwaait de slinger van de politieke economie uiteindelijk weer terug en maken uitgespeelde filosofieën plaats voor nieuwe. Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen. Zo’n verschuiving maken we nu door. De wereld is zich aan het herschikken – niet terug naar het ‘normaal’ van conventionele neo-liberale economische modellen, maar naar een nieuw normaal. Zowel in beleidskringen als in het bedrijfsleven en de academische wereld wordt nagedacht over het juiste evenwicht tussen mondiaal en lokaal.

    Het handelsbeleid houdt steeds meer rekening met arbeids- en milieunormen, vanuit de gedachte dat goedkoop niet altijd goedkoop is, bijvoorbeeld als producten het milieu aantasten of door kinderhanden worden gemaakt. Om rekening te houden met privacy en liberale waarden wordt er opnieuw nagedacht over de handel in digitale diensten. (Willen we echt dat onze persoonlijke gegevens worden overgedragen aan big tech of grote controlestaten zoals China?) Leveringsketens worden niet alleen korter vanwege de geopolitiek, maar ook door nieuwe technologieën (zoals gedecentraliseerde landbouw en 3D-printers) die het mogelijk maken om productie en consumptie dichter bij huis onder te brengen.

    En nu?

    En nu? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de economische globalisering niet opnieuw te ver vooruitloopt op de nationale politiek? En hoe kunnen we problemen oplossen zonder te verzanden in het protectionisme van de jaren dertig of in valse nostalgie naar een voorbije tijd?

    Er bestaat nog geen nieuwe ‘theorie van alles’ voor de post-neoliberale wereld. Maar dat betekent niet dat we de oude filosofie niet ter discussie moeten blijven stellen. Een van de hardnekkigste neoliberale mythen was dat de wereld plat was en dat nationale belangen ondergeschikt zouden zijn aan de wereldmarkten. De afgelopen jaren hebben dat idee onderuitgehaald. Het is aan degenen die de liberale democratie een warm hart toedragen om een nieuw systeem te bedenken dat lokale en globale belangen beter in evenwicht brengt.

  • Controverse: ‘Elites in Davos negeren reële bedreigingen’

    Controverse: ‘Elites in Davos negeren reële bedreigingen’

    Het World Economic Forum in het Zwitserse Davos staat ter discussie als symbool van ongelijkheid en internationaal kapitalisme en is de kop van Jut in tal van complottheorieën. Veel wereldleiders gaven dit jaar dan ook geen acte de présence. Heeft het nog wel een functie als internationaal discussieforum van de machtigen der aarde?

    Nee, stelt Jim Geraghty van het conservatieve Amerikaanse tijdschrift National Review. De deelnemers van het World Economic Forum (WEF) in Davos zijn te veel bezig anderen hun wereldbeeld op te dringen, zonder kritisch naar zichzelf te kijken.

    Het WEF is wel degelijk in staat om de grote uitdagingen van deze tijd te agenderen, aldus Gideon Rachman in Financial Times. ‘[Davos] zou een gelegenheid kunnen bieden om rustig te reflecteren op de vraag hoe we kunnen voorkomen dat oorlogen en natuurrampen de wereldwijde economie zullen vernietigen.’

    Lees hieronder hun betogen:

    Elites in Davos negeren reële bedreigingen

    De deelnemers aan het World Economic Forum in het Zwitserse Davos waarschuwen dat de wereld te maken heeft met ‘een “polycrisis”, die gedomineerd wordt door de levensonderhoudskostencrisis, de klimaatcrisis en politieke instabiliteit, en die de felbevochten winsten op het gebied van ontwikkeling en groei dreigt terug te draaien’. Tjonge, zo’n grimmige betiteling wekt de indruk dat ‘s werelds machtigste en invloedrijkste mensen het echt slecht doen, vind je ook niet? Ik hoop dat de vergadering in Davos die machtige, invloedrijke, rijke elites kan opsporen die falen in hun leiderschap.

    Op hol geslagen inflatie, de inval van Rusland in Oekraïne, een wereldwijde recessie, een wereldwijd voedseltekort en klimaatverandering – hmmm, je zou die reeks gelijktijdige in elkaar grijpende wereldwijde crises zelfs ‘vijf naderende stormen’ kunnen noemen.

    Het plan om de wereld te redden houdt meestal in dat de rest van ons moet veranderen

    Ik vermoed dat onder veel conservatieven de reflexmatige reactie op de conferentie in Davos minachting is, en je kunt er niet omheen dat de elites van onze wereld hun portie minachting wel hebben verdiend. Het is niet alleen afgunst op hun rijkdom en macht, want in de wereld zullen er altijd mensen zijn die rijker en invloedrijker zijn dan anderen. Nee, het is meer dat zoveel Davos-deelnemers aankomen met een ambitieus plan om de wereld te redden, en dat plan om de wereld te redden houdt meestal in dat de rest van ons moet veranderen om in hun visie te passen.

    Van wie proberen de Davos-deelnemers de wereld te redden? Wie het ook is, China in ieder geval niet. De Chinese vicepremier Liu He sprak de aanwezigen vanochtend toe en deelde hun mee dat zijn land goed aan het herstellen is van covid-19 – sceptische grom invoegen – en gebruikte elf keer de zinsneden ‘versterking van de internationale samenwerking’ en ‘handhaving van de wereldvrede’. Hé, de organisatoren van Davos zien in een kleinigheidje als de voortgaande genocide op de Oeigoeren geen reden om de vertegenwoordiging van de Chinese regering de toegang te ontzeggen.

    Ishaan Tharoor van The Washington Post herinnert zich hoe ‘in 2013 de organisatoren van het WEF de bijdrage bejubelden van de Russische premier Dmitri Medvedev, die geroemd werd als een nationale leider die begreep wat “wereldwijde verantwoordelijkheden” zijn’. Ongeveer een jaar later rolden Russische strijdkrachten de Krim binnen en pakten deze van Oekraïne af. Als de globalisering leiders aanmoedigt om elk staatshoofd als een potentiële handelspartner te zien, zal dat hun instinct om bedreigingen te onderkennen waarschijnlijk afstompen.

    Nee, in plaats van de alarmklok te luiden over China en Rusland die de rest van de wereld in gevaar brengen, lijken de deelnemers aan Davos in veel gevallen veel meer in te zitten over jou, jouw sportwagen, jouw huis, jouw dieet (vooral het vlees dat je eet), jouw politieke opvattingen en jouw twijfel of globalisering wel zo’n win-win is als Davos beweert.

    Hun voorstellen eindigen meestal met de vraag of verplichting om iets op te geven

    De leiders in Davos bieden vaak een variant van de belofte ‘we gaan uw leven beter maken’, en toch eindigen hun voorstellen meestal met de vraag of verplichting om iets op te geven. De website van het World Economic Forum Agenda bevatte in 2016 een berucht geworden opiniestuk van Ida Auken, lid van het Deense parlement, met als kop: ‘Welkom in 2030: ik bezit niets, heb geen privacy en het leven is nog nooit zo goed geweest’.

    Veel mensen op sociale media hebben beweerd dat de toekomstvisie van Auken een formeel doel is van het World Economic Forum, terwijl veel factcheckers die beweringen hebben tegengesproken en beweren dat het om desinformatie gaat. De waarheid ligt er ergens tussenin: Davos heeft het nooit formeel onderschreven, maar Aukens visie werd ook niet begroet met algemene afwijzing of spot. Het WEF verwijderde uiteindelijk haar artikel, maar het is de moeite van het herbekijken waard nu we de post-pandemische wereld van deelauto’s, gedeelde kantoorruimte, pop-uprestaurants en -winkels, enz. binnengaan.

    Hier is mijn bijdrage aan de discussie: Slechts weinigen van ons zien het bezit van een eigen huis, een eigen auto en eigen kleren als een groot probleem dat moet worden opgelost, als het soort crisis waarvoor Deense wetgevers en elites uit het mondiale bedrijfsleven bijeen moeten komen om een plan te bedenken om ons te redden. En hallo, is het jullie opgevallen dat iedereen die naar Davos gaat veel spullen bezit? Ik zie geen deelnemers aan Davos die hun huizen, luxe auto’s of privéjets opgeven of hun ondergoed uitwisselen.

    De aanwezigen in Davos behoren tot de individuen met de grootste CO2-voetafdruk op aarde

    Waar komen de grootste problemen in de wereld dan vandaan? Misschien denkt u er anders over, maar ik zou deze nomineren voor de top tien: het brein van Vladimir Poetin; de territoriale ambities van het Chinese leger; het Wuhan Instituut voor Virologie – of waar covid-19 dan ook vandaan komt; de laboratoria en kantoren van de technologische knutselaars die blijven proberen om apps als TikTok nog verslavender te maken voor kwetsbare en beïnvloedbare jongeren; de scholen in binnen- en buitenland die er niet in slagen om jonge mensen het onderwijs te geven dat ze nodig hebben zich te redden in de wereld; de bemoeials die bedrijven in het nauw drijven in een poging ze dienstbaar te maken aan een ideologische agenda; drugskartels en drugssmokkelaars; mensenhandelaars; en islamitische terroristen, die nog steeds kerken bombarderen, agenten neersteken en massavernietigingswapens in handen proberen te krijgen, ook al halen ze niet meer de krantenkoppen die ze vroeger haalden.

    En als je nummer elf, namelijk de klimaatverandering, nog wilt horen, dan kunnen we China Energy Investment erbij halen, de drijvende kracht achter China’s toenemende gebruik van steenkool. (Oh, wacht even, China Energy Investment is een medesponsor van het World Economic Forum.) Wil je problemen oplossen, Davoisie? Focus je dan op bovengenoemde.

    O, en een ander detail in Davos dat we niet over het hoofd mogen zien: president Joe Biden staat op het punt een handelsoorlog te ontketenen met onze Europese partners, van wie velen lid zijn van de NAVO die hij beloofde te versterken.

    De BBC merkt op:

    ‘De nieuwe wetgeving van Joe Biden om de groene economie van Amerika aan te zwengelen omvat 367 miljard dollar aan subsidies (oftewel 336 miljard euro) voor de aankoop van elektrische auto’s, maar alleen als deze voor het grootste deel in Noord-Amerika worden geproduceerd. De Inflation Reduction Act heeft ook gevolgen voor een groot deel van de andere productiesectoren en haalt sommige Europese bedrijven over om fabrieken naar de VS te verplaatsen. Zelfs kunstmestbedrijven schudden hun hoofd en vragen zich af waarom Europese leiders niet soortgelijke wetten invoeren. De VS suggereert dat hun nieuwe wetgeving gericht is op concurrentie met China. Maar Europese leiders zijn woedend en staan op het punt om te reageren, mogelijk met forse subsidies uit eigen zak waarin vermoedelijk ook ‘Koop Europees’-clausules zijn opgenomen.’

    De noodzaak om de CO2-uitstoot te verminderen is jaar in, jaar uit een van de belangrijkste thema’s en boodschappen van de Davos-conferentie, terwijl de aanwezigen behoren tot de individuen met de grootste CO2-voetafdruk op aarde. Vorig jaar gebruikten de aanwezigen ongeveer duizend privéjets, en ‘onderzoekers ontdekten dat alle privéjetvluchten van en naar luchthavens die Davos bedienden tijdens het World Economic Forum 2022 in totaal 9700 ton CO2 uitstootten, wat overeenkomt met de uitstoot van ongeveer 350.000 doorsnee auto’s in een week’.

    Jim Geraghty – National Review


    Het WEF is bang voor het einde van een lange periode van welvaart

    Bijna een eeuw geleden verscheen De Toverberg, de klassieke roman van Thomas Mann die zich afspeelt in Davos, tegen de achtergrond van een dodelijke ziekte en een aanstaande wereldoorlog.

    Ook dit jaar komen de afgevaardigden van het World Economic Forum weer in Davos bijeen, en lijkt de wereld van Mann akelig veel weg te hebben van de wereld waarin wij leven. Het WEF is bang dat het einde van een lange periode van vrede, welvaart en wereldwijde economische integratie in zicht is – net als in 1914.

    Dit jaar is de slogan van Davos ‘Samenwerking in een versplinterde wereld’. Die versplintering begon met de coronacrisis, met zijn lockdowns, gesloten grenzen en ontwrichte productieketens. De bijeenkomst van het WEF in 2023 – die voor het eerst sinds het begin van de pandemie weer op de vaste winterlocatie plaatsvindt – zou om die reden beschouwd kunnen worden als het startschot voor een terugkeer naar het oude normaal. Het feit dat China plotseling afstand heeft genomen van zijn zerocovidbeleid, roept angst op dat er mogelijk weer een nieuwe golf varianten aan zit te komen.

    En ook al zou een nieuwe pandemie voorkomen worden, covid-19 heeft zijn stempel gedrukt op de manier waarop overheden en bedrijven tegen globalisering aankijken. De veronderstelling dat goederen en handelswaar altijd gemakkelijk over de hele wereld vervoerd kunnen worden, is de grond in geboord.

    Er wordt meer rekening gehouden met andere scenario’s die voorheen als onwaarschijnlijk gezien werden

    Wat de productieketen betreft, zijn bedrijven van ‘just in time’-strategieën overgestapt op ‘just in case’-strategieën. Er kunnen nog meer wereldwijde gezondheidscrises in het verschiet liggen. Er wordt meer rekening gehouden met andere scenario’s die voorheen als onwaarschijnlijk gezien werden. Extreme weersomstandigheden komen steeds vaker voor, wat leidt tot nieuwe vragen over voedselveiligheid en reisgedrag. Cyberaanvallen door staten of criminelen bedreigen de infrastructuur waar de moderne economie op draait.

    Bedrijven moeten hun werkwijze aanpassen, vaak op aandringen van de regering. Het is niet verstandig om te vertrouwen op complexe productieketens die kwetsbaar zijn voor ziekte, oorlog en andere noodgevallen. Bedrijven zoals Apple – dat hoog opgaf van producten die ‘in Californië ontworpen en in China in elkaar gezet’ werden – moeten meer variatie in hun productie aanbrengen. Zo produceert Apple steeds meer in India en Vietnam. 

    De bewustwording van geopolitiek gevaar – ook wel bekend onder de naam oorlog – is toegenomen

    De inspanningen van bepaalde westerse bedrijven om minder afhankelijk van China te worden, werden gestimuleerd door de pandemie, maar zijn sindsdien in een stroomversnelling terechtgekomen doordat de bewustwording van geopolitiek gevaar – ook wel bekend onder de naam oorlog – is toegenomen.

    De Russische invasie in Oekraïne afgelopen jaar heeft aangetoond dat het ondenkbare kan gebeuren. Op nog geen 1600 km afstand van de luxe hotels van Davos wordt de grootste Europese oorlog sinds 1945 uitgevochten. 

    Aangezien het conflict in Oekraïne nog voortwoedt, blijft het risico op escalatie hoog. Een kernoorlog is het meest huiveringwekkende scenario waartoe het conflict zou kunnen leiden – een scenario waar het Witte Huis al rekening mee houdt sinds dat de gevechten in februari uitbraken. Zelfs al wordt het gebruik van kernwapens voorkomen, dan nog blijft het gevaar bestaan dat het conflict zich uitbreidt, aangezien de NAVO geavanceerde wapens aan Oekraïne levert en Iran Rusland van militaire drones voorziet.

    Politici en fabrikanten kijken al vooruit naar de volgende grote geopolitieke bedreiging

    Het conflict laat zien hoe oorlog de economische banden kan doorsnijden die de globalisering bij elkaar hielden. De EU is de import van Russische energie drastisch aan het verminderen, en op die manier wakkert ze inflatie in Europa aan en dreigt ze ervoor te zorgen dat bepaalde sectoren niet meer kunnen meeconcurreren. Rusland en Oekraïne zijn ook belangrijke graanleveranciers voor wereldmarkten. Door de oorlog tussen de twee landen zijn de voedselprijzen gestegen en dreigen miljoenen mensen in een hongersnood terecht te komen.

    Politici en fabrikanten kijken al vooruit naar de volgende grote geopolitieke bedreiging. Veel mensen hebben hun blik gericht op Taiwan, dat 90 procent van ’s werelds meest geavanceerde halfgeleiders produceert. Als China Taiwan zou binnenvallen, zou dat het einde kunnen betekenen van TSMC, de belangrijkste producent van halfgeleiders, met verwoestende gevolgen voor de wereldeconomie.

    Zelfs geopolitieke spanningen die niet leiden tot oorlog hebben de internationale handel verstoord. De steeds wantrouwigere houding van de VS tegenover China heeft de regering-Biden ertoe gebracht de uitvoer van gevoelige technologie sterk te beperken. Dit treft niet alleen Amerikaanse bedrijven, maar ook buitenlandse technologiereuzen, zoals het Zuid-Koreaanse Samsung, die Amerikaanse technologie gebruiken.

    Politieke leiders, en zeker die in het Westen, moeten zich ook zorgen maken over de binnenlandse druk van populisten. Velen van hen hebben van het WEF een symbool gemaakt van ongelijkheid en internationaal kapitalisme.

    Het idee dat Davos een besmet gebied is, heeft terrein gewonnen

    De laatste jaren heeft Davos zich de woede van antivaxers, klimaatsceptici, religieuze fanatici en onverzettelijke nationalisten op de hals gehaald. Het forum komt in een heel aantal complottheorieën ter sprake. In de uithoeken van het internet wordt het WEF ervan beschuldigd dat het de pandemie aangrijpt om de controle over de wereldeconomie in handen te krijgen. 

    Afgezien van zulke theorieën, heeft het idee dat Davos een besmet gebied is terrein gewonnen. Het is onwaarschijnlijk dat president Joe Biden, die zichzelf steevast presenteert als iemand die zich inzet voor de gewone werkende Amerikaan, op eigen risico in Davos ten tonele zal verschijnen – in tegenstelling tot Donald Trump, die het geen enkel probleem vond om zich onder de aldaar aanwezige CEO’s te scharen. 

    Zelfs centristische en conservatieve leiders uit Europa wegen zorgvuldig af of ze zullen komen of niet.

    De Franse president Emmanuel Macron, een voorstander van globalisering die in het verleden in Davos toespraken heeft gehouden, moet nog zien of hij in eigen land een hervorming van het pensioenstelsel erdoor krijgt, dus hij zou kunnen besluiten dat het hem deze keer niet uitkomt om het WEF bij te wonen. Normaliter zou men van Rishi Sunak, als de nieuwe Britse premier en iemand met een financiële achtergrond, verwachten dat hij van de gelegenheid gebruik zal maken om de harten van de machtigste CEO’s ter wereld te veroveren. Maar in het Verenigd Koninkrijk wordt een reeks stakingen verwacht, dus ook hij zal waarschijnlijk besluiten dat het verstandig is om Davos dit jaar aan zich voorbij te laten gaan.

    De wereldleiders die wel komen, doen er goed aan om de kabelbaan naar het Schatzalp Hotel te nemen die voor Mann dienstdeed als model voor het sanatorium in De Toverberg. Het uitzicht vanuit je hotelkamer is nergens zo mooi als in Davos – het zou een gelegenheid kunnen bieden om rustig te reflecteren op de vraag hoe we kunnen voorkomen dat oorlogen en natuurrampen de wereldwijde economie zullen vernietigen.

    Gideon Rachman – Financial Times

  • Pleidooi voor een universeel basisinkomen

    Pleidooi voor een universeel basisinkomen

    Het gevaar dreigt dat de toch al grote ongelijkheid in de wereld nog verder wordt vergroot door de coronacrisis, zegt de VN-hulporganisatie UNDP. Een basisinkomen biedt een vangnet en voorkomt sociale onrust. Hiermee worden naast de kosten ook de baten van globalisering eerlijk verdeeld.

    Regel 1 voor crisismanagement: maak de zaak niet erger dan die al is. Om de coronacrisis het hoofd te bieden overwegen veel landen grootschalige fiscale stimuli in te stellen en ruimhartig geld bij te drukken. Ze hopen daarmee twee vliegen in één klap te slaan: de pandemie bestrijden en de economische neergang temperen. 

    Zulke plannen zijn op zich niet slecht, maar ze moeten wel strategisch en houdbaar zijn. In onze ijver de crisis te bestrijden moeten we niet de kiem voor een nieuwe crisis zaaien: daarvoor staat er te veel op het spel.

    Wel wordt het tijd om aan alle genomen maatregelen een nieuw element toe te voegen, een oude bekende die we uit het oog hadden verloren: het universeel basisinkomen. Het zou onderdeel moeten worden van een breder pakket om ons door deze diepe crisis te loodsen.

    Ongelijkheid

    De – talrijke – tegenstanders van dit idee zullen aanvoeren dat geen enkel land het zich kan veroorloven geld uit te delen aan al zijn burgers. In die optiek zouden er onhoudbaar grote tekorten ontstaan die niet te financieren zijn.

    Die zorg is uiteraard terecht. Maar het alternatief is dat de toch al grote ongelijkheid in de wereld verder groeit. Bestaande maatschappelijke conflicten zouden op de spits worden gedreven, en dat kan ons nog veel duurder komen te staan.

    De pandemie verspreidde zich vanuit China over Azië, waarna ook de rest van de wereld werd getroffen. Ze legde daarmee de grote ongelijkheid in Azië bloot, maar ook de kwetsbaarheid van grote groepen mensen. Zoals die van informele arbeiders, naar schatting 1,3 miljard mensen, oftewel tweederde van de bevolking van het Aziatisch-Pacifisch gebied.

    Ook migranten hadden het zwaar: alleen al in India waren bijna honderd miljoen mensen op drift. Als een groot deel van een generatie zonder werk komt te zitten en een vangnet ontbreekt, zijn de maatschappelijke kosten onaanvaardbaar hoog. Economische instabiliteit zal het onherroepelijke gevolg zijn van opflakkerende sociale onrust.

    De vraag niet óf we de middelen wel hebben voor een sociaal vangnet, maar hoe we die kunnen vinden

    In deze tijden, nu we proberen onze economieën weer aan de praat te krijgen, is sociale stabiliteit een groot goed. Die overweging alleen al is een sterk argument voor de invoering van een universeel basisinkomen.

    Deze crisis vraagt om een nieuw sociaal contract dat de grote ongelijkheid overal ter wereld doet afnemen. Simpel gezegd is de vraag niet óf we de middelen wel hebben voor een sociaal vangnet, maar hoe we die kunnen vinden. Het universeel basisinkomen is een nuttig instrument om mensen zekerheid te geven waarop ze kunnen bouwen.

    De Verenigde Staten en Canada werken al aan zulke plannen. Alaska keert alle burgers zelfs jaarlijks een bepaald bedrag uit, in wezen een soort universeel basisinkomen. De Canadese premier Justin Trudeau zegde iedereen die door de pandemie zonder werk kwam te zitten 2000 Canadese dollar per maand toe. Deze eerste aanzetten moeten een blijvend en grootschaliger karakter krijgen; onmogelijk is dat zeker niet.

    Eerlijker

    Wel moeten we het anders aanpakken dan in het verleden. Het basisinkomen moet noch als een vrijblijvende uitkering worden gezien, noch als extraatje voor mensen die toch al niets te kort kwamen. In plaats daarvan moeten we deze dubbele crisis aangrijpen om na te gaan of we de dingen inderdaad niet ‘nog erger maken dan ze al zijn’.

    Belastingen zullen eerlijker moeten worden. Landen moeten meer gaan samenwerken, data uitwisselen, zodat mensen en bedrijven niet langer ongehinderd belasting kunnen ontduiken. Iedereen moet het zijne bijdragen. We kunnen niet met een zuiver geweten winsten privatiseren, terwijl we verliezen afwentelen op het collectief.

    Verder moeten we subsidies stopzetten, vooral die op fossiele brandstoffen. Door hun marktverstorende werking zitten die duurzame ontwikkeling in de weg, waardoor klimaatdoelen onbereikbaar worden. Dit is in ons aller belang; het levert geld op voor een basisinkomen, maar ook voor het overeind houden van olie- en gasmaatschappijen.

    Warren Buffett en Bill Gates, twee van de rijkste mensen op aarde, hebben ervoor gepleit de superrijken meer belasting te laten betalen. Nu betalen ze veel te weinig en daardoor groeien hun vermogens buitenproportioneel. Volgens het Global Wealth Report van Credit Suisse uit 2018 heeft wereldwijd de rijkste 10 procent van de mensen 85 procent van het bezit in handen.

    Ook multinationals betalen minder dan ze zouden moeten. Apple, Amazon, Google en Walmart, om er maar een paar te noemen, behalen duizelingwekkende winsten, terwijl ze door handig gebruik te maken van mazen in de wet absurd weinig belasting betalen. Als de duizend grootste bedrijven in de wereld een redelijke som belasting afdroegen, dan zou er uit de opbrengst nu al een bescheiden basisinkomen kunnen worden gefinancierd, op wereldschaal. Er klopt duidelijk iets niet als regeringen rechtmatige inkomsten mislopen waar ze idealiter een betere staat mee kunnen opbouwen.

    GettyImages 162036034
    Scholieren in Denver, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Colorado, hielden in 1981 een mars om hun steun te betuigen aan het recht op basisbehoeften zoals voedsel, huisvesting en kleding. Dit is een van de grondvesten van de VN-organisatie UNDP, die zich onder andere als doel heeft gesteld dat armoede en honger in 2030 de wereld uit moeten zijn. © – Glen Martin / The Denver Post / Getty

    Tegenstanders noemen het misschien linkse praat, maar de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waarschuwt al jaren voor de gevaren van belastingconcurrentie. Van deze mondiale organisatie zijn onder andere de VS, Canada en West-Europese landen lid. De fiscaal expert van de OESO zegt het volgende: ‘De wereldeconomie functioneert alleen naar behoren als er acceptabele spelregels bestaan waaraan zowel overheden als bedrijven zich dienen te houden. Die stellen bedrijven in staat om hun kapitaal daarheen te verplaatsen waar zij hun winsten kunnen maximaliseren, terwijl nationale overheden kunnen voldoen aan de legitieme verwachting van hun burgers om zowel in de kosten als baten van de globalisering te delen.’

    Om zulke ‘acceptabele spelregels’ en een ‘aandeel in zowel de kosten als baten’ te realiseren is mondiale samenwerking nodig. Legt slechts één land een belasting op, dan zal het uiterst wendbare kapitaal zich snel verplaatsen naar landen die dat niet doen.

    Complicaties

    Het zal zonder twijfel lastig worden om een universeel basisinkomen van de grond te krijgen. De voor- en nadelen dienen goed tegen elkaar af worden gewogen, er moet worden nagegaan waarom het niet op veel plaatsen al lang bestaat, en nader uitgewerkt welke vorm het precies kan krijgen.

    Een andere zorg, naast de hoge kosten, is het gevaar dat zo’n programma in een vacuüm terechtkomt. Het moet goed in te passen zijn in bestaande sociale programma’s en het moet die aanvullen, zowel de uitkeringen waarvoor werknemers premies hebben betaald als de werkeloosheidsuitkeringen van de staat. En natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen meerdere uitkeringen tegelijk ontvangen.

    Je kunt alleen op een dergelijk universeel systeem overgaan als het blijft lonen om een baan te hebben. Moeilijk is dat niet: een universeel basisinkomen zou voldoende moeten zijn om in de eerste basisbehoeften te voorzien, maar meer niet, zodat er genoeg redenen blijven bestaan om te werken, sparen en investeren.

    Tot slot is het een idee om er voorwaarden aan te verbinden die het publieke belang dienen. Eisen dat kinderen gevaccineerd worden en naar school gaan, bijvoorbeeld. Zulke voorwaarden hoeven de voornaamste doelstelling, armoedebestrijding, niet in de weg te zitten. Mensen met een laag inkomen kunnen dan zelf de afweging maken en ervoor kiezen de armoede achter zich te laten.

    Het alternatief voor een universeel basisinkomen is groeiende sociale onrust, strijd, oncontroleerbare massamigratie en een wildgroei van extremistische groeperingen die garen spinnen bij sociale teleurstelling. Een weinig aanlokkelijk perspectief, en daarom moeten we het instellen van een goed doordacht universeel basisinkomen ernstig overwegen. Het zal ons beter in staat stellen toekomstige klappen op te vangen. 

  • Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Tien jaar geleden verhuisde Delphi Automotive zijn onderdelenfabriek van Warren, Ohio naar Ciudad Juárez in Mexico. Zo kreeg Berta Alicia Lopez de baan van Chris Wade.

    In het donker steekt Chris Wade zijn hand uit om zijn blèrende wekker tot zwijgen te brengen. 
Het is halfvijf op een ijskoude winterochtend in Warren, Ohio en buiten ligt een verse laag sneeuw. Godzijdank, denkt Wade bij zichzelf. Nu kan hij er met zijn sneeuwschuiver opuit om 
snel een paar dollar te verdienen.

    Vroeger was geld nooit een probleem voor Wade (47). Hij bezat een huis met zwembad in de tijd dat hij voor Delphi Automotive werkte, een fabriek van auto-onderdelen die jarenlang een 
van de grootste werkgevers was in dit bebosWadte stukje in het noordoosten 
van Ohio. Tien jaar geleden besloot Delphi grote delen van de productie naar Mexico en China te verplaatsen. Wade kreeg een afvloeiingsregeling en nu behoren het huis en het zwembad tot het verleden.

    Berta Alicia Lopez (54) is het nieuwe gezicht van Delphi. Op een kille ochtend wordt ze voor dag en dauw wakker en neemt een onverwarmde bus die haar na een uur rijden afzet bij de Delphi-fabriek. Lopez verdient 1 dollar per uur met het in elkaar zetten van kabels en elektronica die uiteindelijk 
in auto’s zullen worden geïnstalleerd – hetzelfde werk dat Wade vroeger voor 30 dollar per uur deed. Als boerendochter uit een verarmd stukje Mexicaans platteland is Lopez trots op haar tweedehands Toyota en haar betonnen flatje. Vaak dankt ze God dat ze werk heeft, ook al is het in een stad die kampt met drugsgeweld en ziet ze weinig kansen op salarisverhoging of promotie.

    Tussen deze twee arbeiders ligt 2500 kilometer en een grens, en ze hebben elkaar nooit ontmoet; maar samen belichamen ze de enorme 
economische verschuiving die de opkomst van de vrijhandel met zich mee heeft gebracht.

    Onlosmakelijk verbonden

    In de Verenigde Staten heeft die verschuiving bijgedragen aan het verlies van de banen die arbeiders ooit in staat stelden om een eigen huis te kopen, een zorgverzekering te betalen en 
hun kinderen naar de universiteit te sturen. In Mexico kwamen er door 
die verschuiving juist banen hij – al brachten die niet de brede welvarende middenklasse die ze ooit in Amerika hadden opgeleverd.

    President Trump heeft gezworen de fabrieken terug te brengen. Maar het zou wel eens te laat kunnen zijn om het krachtige tij nog te keren dat 
bepalend is geweest voor het leven van Wade en Lopez, en voor de ontwikkelingen in twee steden, een Amerikaanse en een Mexicaanse, die op de kaart van de wereldeconomie onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven.

    In het verhaal van Trump hebben de vrijhandelsakkoorden en de globalisering duidelijke winnaars en verliezers opgeleverd. Maar Delphi was al jarenlang bezig zijn Amerikaanse personeelsbestand in te krimpen, voordat het bedrijf in 2006 zijn productielijnen naar het buitenland overbracht. ‘Elke keer 
als ik een Delphi zie en andere bedrijven die het land verlaten, wordt die muur een beetje hoger, en hij blijft maar omhoog gaan,’ zei Trump op een 
campagnebijeenkomst in Ohio, een paar dagen voor de verkiezingen. ‘We gaan de strijd aan met Delphi en andere bedrijven en we zeggen: verlaat ons niet, want dat zal gevolgen hebben.’

    Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: “Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?”

    Trump heeft gezworen invoerrechten te zullen heffen op producten uit Mexico en opnieuw te gaan onderhandelen over de North America Free Trade Agreement (NAFTA), het verdrag dat een eind maakte aan de meeste handelstarieven op het continent en waardoor, in de ogen van Trump, Mexico zich heeft verrijkt ten koste 
van Midden-Amerika.

    Maar de werkelijke erfenis van NAFTA, dat van kracht werd in 1994, is gecompliceerder. Niemand zal bestrijden dat het verlies aan maakindustrie pijnlijke littekens heeft achtergelaten in delen van de VS, zoals in de Rust Belt, waar lager betaalde banen in de dienstensector steeds meer de plaats innemen van middenklassebanen in de industrie. Maar volgens veel economen ligt de oorzaak daarvoor eerder bij technologische veranderingen en de concurrentie met China dan bij NAFTA. De scherpe afname van het aantal fabrieksbanen tussen 2000 en 2010, van 17 miljoen naar 11 miljoen, is volgens Gordon 
Hanson, econoom en handelsexpert aan de Universiteit van San Diego, voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de vrije import van goederen die goedkoop in China worden gemaakt en aan het toenemende gebruik van machines die het werk doen dat vroeger door mensen werd gedaan. Ten zuiden van de grens heeft de vrije handel Mexico inderdaad geholpen om te moderniseren; sinds de ondertekening van 
het NAFTA-akkoord zijn in het land 
miljoenen banen gecreëerd, heeft de investeringsstroom een stimulans gekregen en is de Mexicaanse maakindustrie diverser geworden. Mexicaanse arbeiders fabriceren nu allerlei producten, van Whirlpool-wasmachines tot Bombardier-vliegtuigen. Maar de 
lonen zijn laag gebleven, zodat Mexico aantrekkelijk blijft voor fabrikanten 
die anders in de verleiding zouden kunnen komen om zich in China of elders in Azië te vestigen. Sinds NAFTA in werking trad, is er niets veranderd 
in het aantal Mexicanen dat onder de armoedegrens leeft – meer dan de helft.

    Nu Trump bedrijven onder druk zet 
om plannen voor nieuwe fabrieken in Mexico af te blazen en bezweert dat 
hij handelsakkoorden gaat openbreken, doemen er aan de horizon nog meer dramatische veranderingen op. 
Zijn regering heeft voorgesteld om 20 procent invoerrechten te heffen 
op de import van goederen uit Mexico en andere landen waarmee de VS 
een handelstekort hebben. Volgens economen vormt dat plan een reële bedreiging voor Mexico, dat zo’n 80 procent van zijn export naar de VS verscheept en waarvan de nationale munt, de peso, sterk is gedaald als gevolg van de zorgen over wat de 
regering-Trump zal gaan doen.

    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Lopez denkt niet na over Trump – zij heeft het te druk voor politiek. Wade zegt dat hij alleen maar wil dat alles weer wordt zoals vroeger. Maar zelfs hij vraagt zich soms af: ‘Is het te laat?’

    De sneeuw blijft vallen, dus Wade 
belt een paar maten met wie hij vaak samenwerkt en start zijn sneeuwschuiver. Zijn eerste klus: de oprit schoonvegen van een industrieterrein dat ooit van Delphi was. ‘Toen waren de tijden nog goed,’ zegt Wade in zijn slepende tongval. ‘Ik kwam hier graag.’

    De geschiedenis van Delphi begint in 1890, toen het bedrijf onder de naam Packard Electric in Warren begon met de productie van gloeilampen. Later kwamen daar auto-onderdelen bij. In 1932 werd het bedrijf onderdeel van General Motors en breidde het zich steeds verder uit, tot het overal in de VS fabrieken had.

    De vestigingen in Warren betaalden middenklassesalarissen en droegen zo bij aan de bouw van een welvarende stad met aantrekkelijke bakstenen gebouwen aan levendige straten. Wades beide ouders werkten voor 
Packard Electric en verdienden genoeg om zomers met het gezin op vakantie te gaan en zich een zwembad in de achtertuin te kunnen veroorloven. Wade groeide op met de verhalen die elke avond aan tafel werden verteld over wat er die dag op de werkvloer in de fabriek was gebeurd. Packard was toen al begonnen met het reduceren van het personeelsbestand in de VS, door delen van de productie over te brengen naar Mexico. Daar kon het bedrijf profiteren van de lagere loonkosten in steden als Ciudad Juárez, dat fabrieken van buitenlandse bedrijven lokte door ze heel weinig belasting te laten betalen. De dreiging dat er nog meer banen naar het buitenland zouden verdwijnen dwong de vakbonden in Ohio tot concessies op het gebied van salarissen en arbeidsvoorwaarden.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen

    Toch gingen Wades broer en schoonzus na de middelbare school bij de fabriek in Warren werken, en Wade ging ervan uit dat hij dat ook zou doen. Toen het zover was, werkten er nog krap negenduizend mensen bij de vestiging in Warren, tegen dertienduizend tien 
jaar daarvoor. Maar Wade was tevreden met zijn leven. Hij werkte in de avonddienst aan de lopende band en kon elke donderdagavond zijn looncheque gaan verzilveren in de bar aan de overkant van de straat. Op zijn vrije dagen ging hij eenden jagen met zijn chocoladebruine labrador Hunter.

    Aan het begin van deze eeuw, nadat Packard was omgedoopt tot Delphi Automotive Systems en los van General Motors verder was gegaan, bezat Wade zijn huis met zwembad. Zijn vrouw reed in een gloednieuwe Trailblazer 
en hijzelf in een nieuwe Chevrolet pick-up. Hij had geen idee wat hem boven het hoofd hing.

    Lopez groeide op in Bermejillo, een stoffig stadje in de staat Durango, 
waar haar stiefvader hele dagen in de brandende zon werkte op zijn katoen- en meloenakkers. Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: ‘Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?’

    En inderdaad: op haar zeventiende kreeg ze een zoon, de eerste van haar vijf kinderen. De mensen in Bermejillo verdienden al eeuwenlang de kost op hun akkers en Lopez had weinig reden om aan te nemen dat voor haar iets anders weggelegd zou zijn.

    Maar het NAFTA-verdrag maakte het 
de kleine Mexicaanse boeren moeilijk. Zij moesten nu concurreren met de importproducten van reusachtige agrobedrijven uit de VS, die vaak flinke subsidies kregen van de Amerikaanse regering. In plaatsjes als Bermejillo raakte een hele generatie jonge 
mensen werkloos en velen trokken naar het noorden, de VS in. Anderen gingen naar grenssteden zoals Ciudad Juárez.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen. De bevolking groeide sneller dan de overheid snelwegen, scholen en andere infrastructurele voorzieningen kon bouwen.

    Lopez werkte voor 5 dollar per avond in een café, toen een vrachtwagenchauffeur op doorreis haar vertelde over de nieuwe banen in de fabrieken in het noorden. In 1996 arriveerde ze met haar man en vijf kinderen in Ciudad Juárez. Haar oudste zoon was toen zestien en vond meteen werk in een maquiladora, zoals ze de Amerikaanse fabrieken noemden die zich in hoog tempo aan de Mexicaanse kant van de grens 
vestigden. Dat gold ook voor Lopez, 
die zo nerveus was dat ze op haar eerste dag op het werk aanbood om de toiletten schoon te maken in plaats van op de fabrieksvloer te werken.

    ‘God hielp me,’ vertelt ze nu. ‘We hadden tenminste werk, hoe goed of slecht dat ook was.’ Ze raakte gewend aan het fabriekswerk – roddelde met de andere arbeiders tijdens de pauzes, volgde lessen die na werktijd werden aangeboden en waarmee ze een diploma algemene ontwikkeling behaalde, legde zich neer bij het leven in een grote stad ver van huis. Toen, in 2001, pleegde haar op één na oudste zoon zelfmoord. Na zijn dood was ze zo verslagen dat ze voor het eerst thuisbleef van haar werk.

    Een van haar leidinggevenden kwam haar thuis opzoeken en haalde haar over om weer naar de fabriek te komen. Lopez overwoog vervolgens om naar Durango terug te gaan, maar ze wist dat daar geen goede banen waren. Ze legde zich neer bij het feit dat de Delphi-fabriek waarschijnlijk de beste plek was waar ze ooit zou kunnen werken en dat Ciudad Juárez nu haar thuis was. ‘Zonder die baan had ik niet te eten,’ zegt ze.

    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Delphi had een notering aan de beurs van New York, maar was nog steeds afhankelijk van zijn grootste klant, General Motors. Toen die in 2004 instortte, raakte ook de transnationale auto-onderdelenfabrikant in een vrije val. Het jaar daarna volgde bovendien een boekhoudfraudeschandaal waarin verscheidene topmanagers werden bestraft, en Delphi stevende af op een faillissement.

    Er kwam een nieuwe topman, Robert Miller, die klaagde dat de Amerikaanse personeelsleden van het bedrijf te 
veel betaald kregen, waardoor de loonkosten in de VS-vestigingen drie keer zo hoog waren als die van andere 
auto-onderdelenleveranciers. In maart 2006 kondigde Delphi de sluiting van 21 van zijn 29 Amerikaanse fabrieken aan, waarmee 29.000 banen verloren gingen, zo’n twee derde van het totale personeelsbestand. De productie werd overgebracht naar fabrieken in China en Mexico, waar Delphi nu zo’n 70.000 mensen in twintig steden aan het werk heeft.

    De meeste bedrijfsonderdelen in 
Warren bleven wel open, maar met veel minder mensen. Terwijl Miller een vertrekregeling meekreeg die volgens sommigen 35 miljoen dollar waard was, kregen de arbeiders het dringende advies om een afvloeiingsregeling 
te accepteren en werden ze gewaarschuwd dat hun salaris, als ze bleven, gemiddeld van 29 naar 16,50 dollar 
per uur zou dalen.

    Op de dag dat hij Delphi verliet met een vertrekregeling van in totaal 140.000 dollar, was Wade, zoals hij het noemt, ‘laaiend’. ‘De directeuren en 
de mannen aan de top verdienen 
miljoenen, terwijl alle anderen maar nauwelijks overleven,’ zegt hij. ‘Dat deugt niet.’

    in Trumbull County, het vroeger 
fabricage- en staalbastion waar Warren toe behoort, voelde men de ontslagen bij Delphi als een laatste dodelijke dreun. Wades jaren na Delphi waren niet gemakkelijk. Kort na zijn vertrek bij de fabriek maakte hij een scheiding door en hij ontsnapte op een haar na aan gevangenisstraf, nadat hij dronken achter het stuur was aangehouden met in zijn achterbak een paar wapens waarvoor hij geen vergunning bezat. Hij had zijn groot rijbewijs gehaald om vrachtwagenchauffeur te kunnen worden, maar zijn veroordeling voor rijden onder invloed haalde een streep door dat carrièreplan. Hij behaalde een certificaat om verzekeringen te mogen verkopen, maar ook dat werd geen succes.

    Nu werkt hij ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer. Na tien jaar verdient hij ongeveer wat hij ook bij Delphi kreeg, maar zonder de zekerheid van een pensioen, doorbetaalde vakanties of een ziektekostenverzekering. Had hij zijn baan bij Delphi behouden, dan had hij over zeven jaar met pensioen gekund.

    Wade wil geen woord horen over de Mexicaanse arbeiders die zijn plaats hebben ingenomen. Hij kookt van woede als hij hoort hoe weinig zij betaald krijgen en windt zich al even erg op over immigranten die illegaal 
in de VS werken.

    Stem aan Trump

    Hij vond het goed dat Trump Mexico op dit onderwerp aanviel. Dat is dan ook de reden waarom Wade, die zijn hele leven Democraat en vakbondslid was geweest, dit keer besloot zijn stem aan Trump te geven. Net als veel 
anderen in Trumbull County, dat bij 
de afgelopen presidentsverkiezingen voor het eerst sinds 1972 in meerderheid Republikeins stemde.

    Vakbondsman Brian Lutz van de bond die ooit ook Wade vertegenwoordigde, zegt dat hij die woede tegen het 
establishment wel begrijpt. ‘Ik hoor voortdurend mensen zeggen: waarom zou ik op een Democraat blijven stemmen, als alle mensen met wie ik heb gewerkt weg zijn en de Democraten niet gedaan hebben waarvoor wij ze hadden gekozen?’ Zijn bond heeft onlangs een cao afgesloten waarin arbeiders een startsalaris krijgen van 13 dollar per uur. Dat is zo’n tien keer zoveel als Lopez nu verdient, na twintig jaar werken bij de Delphi-fabriek 
in Ciudad Juárez.

    Het effect van Trumps waarschuwingen aan bedrijven om hun productie in Amerika te houden, wordt al zichtbaar in de Mexicaanse economie. Autofabrikant Ford had plannen om een fabriek van 1,6 miljard dollar in Mexico te 
bouwen, maar kondigde vorige maand aan daarvan af te zien, na kritiek van Trump via Twitter. In plaats daarvan gaat het bedrijf in Michigan extra mensen aannemen.

    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.
    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.

    Maar sommige bedrijven die nu in Mexico hun producten fabriceren, zeggen dat ze zeker niet terug zullen gaan naar de VS. Dat geldt ook voor Delphi. Het bedrijf heeft net een plan aangekondigd voor nieuwe ontslagen in Warren, waar dan nog 1500 medewerkers overblijven.

    Op de Barclay’s Automotive Conference in New York zette Delphi’s financieel directeur Joe Massaro afgelopen december uiteen wat er met Delphi zou gebeuren bij verschillende handelsscenario’s van Trump. Als Trump de grens met Mexico helemaal zou sluiten, zouden ‘alle mensen in 
Michigan en Ohio die op hem hebben gestemd binnen een week zonder werk zitten’, omdat, zo benadrukte Massaro, veel fabrieken in de VS, waaronder autofabrikanten in Detroit, afhankelijk zijn van onderdelen die in Mexico 
worden gemaakt.

    Als de Verenigde Staten zich terugtrekken uit NAFTA en weer invoerrechten gaan heffen voor producten uit Mexico, blijft Delphi in Mexico produceren, 
zei Massaro. Het bedrijf zou de extra kosten dan doorberekenen aan zijn leveranciers of aan de consumenten, 
of op zoek gaan naar een manier om zijn productiekosten te verlagen – wat ontslagen of salarisverlagingen in Mexico zou kunnen betekenen.

    Wat de gevolgen van dit alles voor Lopez en haar gezin zullen zijn, weet ze niet. Drie van haar vier kinderen werken in een fabriek. De afgelopen paar jaar is elke peso die ze kon missen opgegaan aan de universitaire opleiding voor haar jongste zoon, Sergio, 
die computerwetenschappen studeert. Zijn droom is om een eigen softwarebedrijf te starten dat de concurrentie met Amerikaanse bedrijven aankan. Hij heeft gezien hoe het leven van zijn moeder eruitzag en wil meer dan een fabrieksloontje verdienen. ‘Dat is hard werken voor weinig geld,’ zegt hij.

    Auteur: Kate Linthicium
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: © Katie Falkenberg

    Los Angeles Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 657.000

    Meest links georiënteerde van de grote Amerikaanse kranten. Belangrijke nieuwsbron voor de entertainmentindustrie en winnaar van vele Pulitzerprijzen. Eigendom van de Tribune Company in Chicago.

  • Scrabbelen op het wereldbord

    Scrabbelen op het wereldbord

    ‘Kunnen we het zonder Amerika?’ vraagt de Duitse journalist Georg Meck zich af in het dossier over deglobalisering. Waarschijnlijk niet. Alleen al de uitvoer van auto’s naar dat continent levert Duitsland 200.000 arbeidsplaatsen op.

    Het nieuwe antiglobalisme dat president Trump de wereld 
in twittert, past in het politieke spectrum van zowel extreem-rechts als extreem-links en is onlosmakelijk verbonden met het oprukkende populisme. Het leidt immers alleen maar tot banenverlies en terrorisme. De onhoudbaarheid 
van de Eigen Land Eerst-doctrine is voor leiders die met 
kreten hun kiezers weten te bereiken niet opportuun. En daarom een belangrijke call voor tegenstanders die naar emoties hengelende ismes met feiten kunnen weerleggen. Want elk land en America first besteedt veel werk uit, 
anders zou de binnenlandse markt veel te duur worden voor consumenten. Welk land is volledig zelfvoorzienend?

    Maar het internationale handelsverkeer en de uitwisseling van arbeid, kennis en goederen heeft behalve tot ongekende welvaart ook voor enorme ongelijkheid gezorgd. Door met Oost-Europa, India en China te moeten concurreren, werden arbeidsvoorwaarden tot op het bot uitgebeend, terwijl 
men zich aan de bovenkant juist heeft kunnen verrijken 
aan de globalisering.

    Trump mag dan wel blaffen, de karavaan zal verder trekken – en dan voornamelijk langs de zijderoute richting China

    Trump heeft dus een punt, dat hij echter meteen weer 
verliest in zijn eigen verbale kabaal. Met enige moeite kunnen we er in ieder geval uit afleiden dat de nieuwe president van de Verenigde Staten een voorstander is van economisch protectionisme en isolationisme.

    Amerika is gelukkig groter dan zijn president, en de wereldeconomie omvangrijker dan de VS. Voor zover Trump nog aanzien genoot binnen de eigen Republikeinse Partij, is dat in de eerste maand van zijn presidentschap al fors afgebladderd. Hij kan zich op economisch vlak weinig capriolen veroorloven, wil hij niet het risico lopen dat hij door Congres of Senaat – of beide instituties – wordt gecensureerd.

    We kunnen helemaal niet zonder de Verenigde Staten, en dat hoeft ook niet. Ze zijn nog altijd ’s werelds grootste importeur, maar komen als het om export gaat op de tweede plaats. Trump mag dan wel blaffen, de karavaan zal verder trekken – en dan voornamelijk langs de zijderoute richting China.

    Je kunt wel merken dat de voormalige hotelier niet van jongs af aan heeft gescrabbeld, en dat zijn cognitieve vaardigheden behoorlijk zijn verkommerd. Anders (lees het hier) beschikte hij nu wel over wat meer geduld en was hij beter in staat geweest gestructureerd te denken.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Een met LED verlicht en draadloos werkend scrabblebord moet het spel sexyer maken. – © Mind Sports International

  • 2. Hoe het volk verraden werd

    2. Hoe het volk verraden werd

    Met de val van de Sovjet-Unie bezweek de laatste dijk die de vloedgolf van de neoliberale globalisering tegenhield. Sindsdien zijn de midden- en arbeidersklasse overal in de steek gelaten door de sociaaldemocraten en de radicale intellectuelen, en opnieuw het ‘lijdend voorwerp’ van de geschiedenis geworden. De analyse van een linkse Russische politicoloog.

    In de moderne sociologie is bestudering van de elite meer in de mode dan die van het volk. In feite heeft het politieke leven van de afgelopen kwart eeuw geprivilegieerde groepen in de kaart gespeeld die over macht en rijkdom beschikten en controle hadden over de informatiestromen, ten koste van andere sociale lagen die aan de zijlijn bleven staan. Waar de conservatieve Spaanse filosoof Ortega y Gasset aan het begin van de twintigste eeuw geïrriteerd over de ‘opstand der horden’ sprak, had de Amerikaanse denker Christopher Lasch het aan het eind van diezelfde eeuw over de ‘opstand van de elite’.

    De verwerping van de politiek door het gewone volk is inmiddels bijna een wereldwijd fenomeen en manifesteert zich met wisselende heftigheid in de meest uiteenlopende regio’s. Natuurlijk zijn de volksmassa’s niet van het scherm verdwenen: ze blijven stembiljetten in bussen stoppen, nemen deel aan betogingen, komen soms zelfs in opstand en zoeken de confrontatie met de politie. Maar hun belangen, hun problemen, hun ideeën zijn niet meer aan de orde van de dag. Aan de ene kant heeft een deel van de elite het ontevreden (of juist loyale) volk gebruikt voor hun eigen doelstellingen en als stemvee. Aan de andere kant zijn de pogingen van volksbewegingen om zich in de ‘echte politiek’ te storten en de leidende klassen te verplichten over hun problemen te debatteren en rekening te houden met hun meningen, over het algemeen vergeefs gebleken.

    Amusante fantasie

    Beslissingen die voorheen onderwerp waren van publiek debat werden opeens als ‘technisch’ gekwalificeerd en gereserveerd voor deskundigen. De mening van de man in de straat was hooguit nog een amusante fantasie. De overtuiging dat ‘impopulaire hervormingen objectief gezien onvermijdelijk’ waren en ondanks de publieke opinie moesten worden doorgedrukt, is de richtlijn geworden voor alle regeringen, een enkele uitzondering daargelaten. Het verschil tussen links en rechts is teruggebracht tot nauwelijks waarneembare culturele nuances die het volk niet meer interesseren. Tegelijkertijd zijn kwesties die niet meer dan enkele procenten van de bevolking aangaan, in welk land dan ook (zoals het homohuwelijk), tot de kern van het nationale (en soms internationale) publieke debat doorgedrongen en in een machtsstrijd ontaard. En dat alleen maar omdat deze kwesties op geen enkele manier verband houden met de echte problemen van de meeste mensen.

    Waar tussen het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de politieke evolutie de volksmassa’s van lijdend voorwerp tot historisch en politiek onderwerp had verheven, is dit proces honderd jaar later omgekeerd. Wanneer heeft deze breuk zich voorgedaan? Waardoor is hij veroorzaakt en waarom heeft hij zulke proporties aangenomen?

    Zeker is dat in het Westen de breuk is opgetreden doordat de twee grote sociale bewegingen van de jaren tachtig de vakbonden monddood hebben gemaakt. Toen Margaret Thatcher de opstand van de Britse mijnwerkers neersloeg en Ronald Reagan korte metten maakte met de staking van de Amerikaanse luchtverkeersleiders, zijn de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal in de democratische en ontwikkelde landen op een duidelijke en onverbiddelijke manier omgedraaid ten gunste van het kapitaal. De klassenstrijd was niet langer het parool van het proletariaat, maar het levensprincipe van de bourgeoisie. De sociale verworvenheden van de voorgaande decennia werden in toenemende mate beperkt of zelfs afgeschaft.

    De ontmanteling van het Oostblok in 1989 was de volgende etappe van dit proces. Niet alleen namen de landen die tot dan toe communistisch waren geweest een voor een het kapitalistische model over, waarbij ze zo snel mogelijk en tegen elke prijs in de wereldeconomie wilden integreren, ze stuitten daarbij op geen enkele tegenstand omdat de voormalige communisten met verbazingwekkend gemak de volstrekt liberale, nationalistische, sociaaldemocratische of zelfs conservatieve praktijken hadden omarmd.

    Voor alle ideologieën en alle symbolen liep men warm, behalve voor de systemen die door de leidende klassen van het oude systeem werden gepropageerd. Overigens waren de vertegenwoordigers van de voormalige communistische elite niet de enigen die als een blad aan een boom omdraaiden, ook veel tot dan toe sociaaldemocratische en links-liberale dissidenten hebben zich razendsnel tot het conservatisme of nationalisme bekeerd.

    Boris Kagarlitski.
    Boris Kagarlitski.

    De val van de Sovjet-Unie betekende de genadeklap. Niemand betwist inmiddels meer dat de leidende klassen in het Westen, die niets meer van de Sovjets te vrezen hadden, elke vorm van sociaal compromis in hun eigen land op de schroothoop hebben gegooid. Tijdens de Koude Oorlog waren de twee kampen verplicht naar de meerderheid van hun burgers te luisteren en hun rekenschap te verschaffen. De formele steun van het volk was niet voldoende. De ervaring in de Oost-Europese landen, waar het systeem toch stabiel was maar in 1989 binnen enkele weken te gronde ging toen de vrees voor de ‘grote broer’ was verdwenen, is het bewijs van het tegendeel.

    In het Westen daarentegen zat de democratie zodanig in elkaar dat elke poging tot destabilisering van buitenaf uiteindelijk niet alleen op verzet van de politiek of de inlichtingendiensten stuitte, maar ook van het volk zelf, dat het plaatselijke systeem accepteerde en steunde. De arbeidersklasse kon door op de sociaaldemocraten of zelfs de communisten te stemmen uitdrukking geven aan haar verzet tegen het kapitaal, waarmee ze voortdurend in conflict was, maar de twee kampen hadden dezelfde wens om de spelregels en de instellingen te behouden, uit vrees voor chaos en een radicale confrontatie. De arbeiders wilden geen revolutie die hen van burgerlijke vrijheden zou beroven, zoals in de Sovjet-Unie. Het kapitaal had de politieke steun van de arbeiders nodig om de liberale democratie te verdedigen.

    De ontwikkelingslanden en Oost-Europa waren de eerste slachtoffers van de globalisering

    Door het verdwijnen van de Sovjet-Unie is de situatie veranderd. En ook al is het neoliberalisme heel wat eerder ten tonele verschenen (deels als reactie op de kosten van de verzorgingsstaat en de keynesiaanse regulering, maar ook door het besef dat het Sovjetsysteem onvermijdelijk ten dode was opgeschreven), het is juist na 1991 hard, agressief, compromisloos en mondiaal geworden. De communistische partijen waren op dat moment niet de enigen die instortten, uiteenvielen en van etiquette veranderden. Ook met de sociaaldemocratie ging het rap bergafwaarts. Omdat die was ontstaan onder de comfortabele omstandigheden van het naoorlogse mondiale evenwicht, was ze niet in staat het hoofd te bieden aan een plotseling verhevigde klassenstrijd.

    De meesters in het onderhandelen en de virtuozen van het compromis stuitten plotseling op de bourgeoisie, die in enkele jaren, of zelfs enkele maanden, van een vreedzame ‘sociale partner’ in een onverzoenlijke vijand was veranderd. Na enkele vernederende tegenvallers, zoals vakbonden die van koers veranderden tijdens verkiezingen, maar ook als gevolg van stakingsacties en openbare debatten, hebben de sociaaldemocraten zich uiteindelijk aan de kant van de overwinnaars geschaard. Terwijl ze, anders dan de communisten, hun naam en hun symbolen behielden, zijn ze van ideologie en programma veranderd. Door hun loyaliteit aan de winnende bourgeoisie te betuigen waren ze ervan verzekerd dat hun kiezers, al waren ze keer op keer verraden, op hen zouden blijven stemmen, bij gebrek aan beter.

    Promotie

    Deze tactiek heeft haar vruchten afgeworpen: de sociaaldemocratische partijen zijn weer aan de macht gekomen, niet als hervormers maar als eenvoudige handhavers van het systeem, die niet eens hun mening meer durfden te geven. Daarmee hebben ze zich aangesloten bij de politieke klasse van de bourgeoisie en zijn ze daar definitief in opgegaan.

    Tegelijkertijd heeft een analoge, hoewel autonome beweging tot de integratie van de linkse intellectuelen in de academische elite en de bourgeoiscultuur geleid. Dat manifesteerde zich erin dat links-radicalen, die voordien als marginalen en rebellen werden beschouwd, plotseling op hoge posten bij de media, de universiteiten en tal van andere openbare instellingen werden benoemd. Maar deze promotie had niets te maken met het terugwinnen van politieke of ideologische invloed door links. Integendeel, ze was omgekeerd evenredig aan de stijgende macht van de antikapitalistische bewegingen.

    Deze paradox laat zich verklaren door het feit dat de rebellen van gisteren het systeem hebben omarmd om te slagen. Ze hebben niet de macht gegrepen in de instellingen (zoals de ‘nieuw-linkse’ denker Rudi Dutschke eind jaren zestig voorspelde), ze zijn erdoor geabsorbeerd. De ‘linkse’ intellectuelen ontlenen hun legitimiteit en hun invloed niet meer aan de steun van de arbeidersklasse, maar aan de erkenning van de liberale elite die hen als gelijken behandelt in de academische, culturele en ideologische instellingen.

    Deze integratie van de intellectuelen heeft het ‘radicale discours’ (feminisme, minderhedencultus, homohuwelijk et cetera) tot officiële ideologische norm verheven, tot in de hoogste kringen van de staat, waarbij de ‘subversieve’ en antiburgerlijke ideeën, formules en slogans verloren gingen. Zo heeft het kapitaal het feminisme en de strijd voor gelijke rechten van seksuele minderheden geïncorporeerd, zonder ze het recht op radicale retoriek te ontnemen waarmee ze zichzelf konden legitimeren.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    De derdewereldlanden hebben een soortgelijke evolutie doorgemaakt. Na de val van de Sovjet-Unie waren de op Moskou georiënteerde regimes verzwakt en gedemoraliseerd. De Sovjethulp stopte, en daarmee het ontwikkelingsmodel dat hen aan de overwinning moest helpen. Toen ze eenmaal alleen stonden tegenover het Westen en zijn mondiale instituties, schudden de vroegere revolutionairen hun ideologische veren af en trokken in allerijl kapitaal aan, onder welke voorwaarden dan ook.

    Met hun scherpe markteconomische draai schoeiden ze hun respectievelijke economieën (althans op papier) op een nog liberalere leest dan de landen die het westerse model hanteren. Door deze radicale verandering werden deze landen niet alleen afhankelijk van buitenlands kapitaal, maar ook van internationale experts en technocraten, die in toenemende mate werden vervangen door in het Westen of naar westers model opgeleide jongeren uit eigen land. Zo drong de nieuwe technocratische elite de oude steeds meer naar de achtergrond. En hoe meer de kapitalistische markt geglobaliseerd werd, des te effectiever deze nieuwe school bleek en hoe verder ze haar invloed kon uitbreiden.

    Helaas stuitten de technocraten op een probleem: niet de hele economie en niet alle sociale lagen konden deelnemen aan het liberaliseringsproces van de wereldmarkten. Erger nog, naarmate het neoliberale kapitalistische model zich verder over de wereld verspreidde, werden zijn contradicties en zijn disproportionele karakter steeds zichtbaarder, te beginnen met de toename van de materiële ongelijkheid, die verantwoordelijk was voor de dalende marktvraag.

    De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden

    Toch leken deze problemen anekdotisch zolang de wereld over een continue groeimachine beschikte, namelijk de Chinese economie. Uitgerekend China, dat zijn rode vlaggen en zijn communistische ideologie had behouden, speelde aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw de rol van belangrijkste stabilisator van het liberale kapitalisme. Omdat het de wereldmarkten kon overspoelen met goedkope producten – waardoor de arbeiders in andere landen met lagere lonen genoegen moesten nemen – slokte dat land tegelijkertijd enorme hoeveelheden kapitaal, informatietechnologie en geavanceerde apparatuur op en ondersteunde daarmee bepaalde relatief welvarende sectoren van de westerse economieën. Resultaat: de loyaliteit van een deel van de arbeiders en de zakenwereld was gegarandeerd, terwijl die onder andere omstandigheden bereid zouden geweest tegen het systeem in opstand te komen.

    De culturele transformatie van de bureaucratie en de politieke en culturele elite van China heeft zich op dezelfde manier voltrokken als die in de voormalige landen van het Sovjetblok en hun ‘niet-kapitalistische’ bondgenoten, met dien verstande dat het langzamer, gecontroleerder en dus minder verwoestend verliep. Demografisch, sociologisch en cultuur-evolutionistisch gezien verwachtte niemand dat zich in China een crisis zou voltrekken zoals in 1989-1991 in Rusland. Maar door de instabiliteit van het mondiale systeem zien de Chinese machthebbers zich met absoluut nieuwe uitdagingen geconfronteerd, waarbij het risico bestaat dat China niet langer een stabiele maar een onzekere factor zal zijn voor de wereldeconomie.

    De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden. De overwinning die de technocraten halverwege de jaren negentig bijna overal op de populisten hadden behaald zorgde ervoor dat de plaatselijke valuta’s werden gestabiliseerd, dat er buitenlands kapitaal kon worden aangetrokken, dat de export kon worden opgevoerd en dat er een nieuwe middenklasse ontstond naar Europees model.

    Maar aan het begin van deze eeuw vertrokken het kapitaal en de productie naar Azië, met name naar China. Er wordt altijd gezegd dat de globalisering funest is geweest voor de werkgelegenheid in de Verenigde Staten en West-Europa. In werkelijkheid waren de ontwikkelingslanden en Oost-Europa de eerste slachtoffers. De westerse landen hebben hun industrie precies zo groot laten blijven als hun elite wilde. Groot-Brittannië heeft bewust een de-industrialiseringsbeleid gevoerd, anders dan Duitsland, dat zijn industrie door modernisering juist heeft versterkt. Dit alles in tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse landen en de meest ontwikkelde Arabische landen – Egypte, Tunesië en Algerije – die de kapitaalbewegingen niet hebben kunnen beïnvloeden.

    Links front

    De explosieve groei en de sociale crisis die volgde, en die gepaard ging met een reeks financiële crises en economische stagnatie, heeft in Zuid-Amerika tot een ware opstand tegen het systeem geleid. Deze opstand heeft het volk en de ondernemers die op de binnenlandse markt actief waren verenigd, evenals een flink deel van de ambtenaren die woedend waren op de technocraten met een commerciële westerse opleiding. Zo ontstond het beroemde Zuid-Amerikaanse ‘linkse front’. Helaas zijn de linkse regeringen niet in staat gebleken het ontwikkelingstraject in hun land om te buigen. De Zuid-Amerikaanse opstand tegen het neoliberalisme heeft het afgelegd tegen de wereldwijde economische crisis. Een crisis die heeft bewezen dat het onontkoombaar is om de prioriteiten van de mondiale ontwikkeling te verleggen.

    In feite heeft deze crisis aangetoond dat de liberale elite maar in beperkte mate in staat is om de situatie te beheersen, terwijl hun bronnen opdrogen. Het sinds de jaren tachtig en negentig toegenomen risico dat dit economische model uit elkaar klapt maakt een politieke en culturele crisis onvermijdelijk, en vooral onoverkomelijk. Omdat de neoliberale verandering de dialoog en de communicatie met het volk heeft vervangen door manipulatie, die steeds minder effectief wordt, zit de elite momenteel in een soort sociaal vacuüm en is ze gestrest en gedesoriënteerd.

    Paradoxaal genoeg blokkeren het conservatisme van de elite en het gebrek aan communicatie tussen haar en het volk alle gebruikelijke hefbomen om de hervormingsmechanismen in de maatschappij zonder al te veel schade in gang te zetten. De protestbewegingen, die verstoken zijn van de gebruikelijke dialoog met de politieke klasse en de progressieve intelligentsia, laven zich aan nationalistische, traditionalistische en religieuze bronnen, die een vruchtbare voedingsbodem zijn voor populisten, zowel van links als van rechts. Toch zullen deze bewegingen na heel wat beproevingen uiteindelijk aan de wieg staan van een nieuwe democratische cultuur, die de kwalijke gevolgen van de ‘opstand van de elite’ te boven zal komen.

    Auteur: Boris Kagarlitski
    Vertaler: Peter Bergsma

    Journalist en politicoloog Boris Kagarlitski (1958) staat aan het hoofd van het Instituut voor globalisering en sociale bewegingen (IGSO), een onafhankelijk onderzoekscentrum in Moskou. Hij leidt ook het onlinemagazine Rabkor. Kagarlitski is een kenner van de Europese sociaaldemocratie en de Europese vakbeweging, en tevens een van de weinige voormalige Russische dissidenten die hun links-democratische opvattingen zijn trouw gebleven na het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Hij heeft tal van publicaties op zijn naam staat, waaronder Neoliberalisme en revolutie (Uitgeverij Poligraf, 2013).

    Ekspert
    Rusland | weekblad | oplage 90.000

    Ekspert is een Russisch zakenweekblad dat in 1995 werd opgericht door een groep journalisten afkomstig van het financiële dagblad Kommersant. Het blad heeft een oplage van 90.000 en de redactie heeft een meerderheidsbelang in de onderneming. Zij wordt sinds 1998 geleid door Valery Fadejev, die overigens ook zitting heeft in het bestuur van de politieke partij Verenigd Rusland, de ‘partij van Poetin’.

    Maar het blad is niet eenkennig. Het kiest, in navolging van het Amerikaanse Time, een ‘Persoon van het Jaar’ (tot dusver steeds mannen). In 2003 was dat de oligarch Michaïl Chodorkovski, die kort daarop in ongenade viel, jaren in de gevangenis zat en in 2013 gratie kreeg (hij woont nu in Zwitserland, zijn fortuin nog grotendeels intact). In 2007 riep het blad Chodorkovski’s tegenstander Vladimir Poetin uit tot ‘Man van het Jaar’.

    Tot de Ekspert-groep behoort ook het weekblad Roesski Reporter, dat voornamelijk reportages bevat.