Tag: god

  • Het Jeruzalemsyndroom. De vloek van de verdeelde stad

    Het Jeruzalemsyndroom. De vloek van de verdeelde stad

    In geen enkele stad ter wereld draait het dagelijks leven zo om religie als in Jeruzalem. ‘De Stad van de Vrede’ – die ironisch genoeg nooit vrede heeft gekend – herbergt zelfs burgers met het zogenoemde Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.

    Keuze uit ons archief

    Al eeuwenlang is Jeruzalem een stad die betwist wordt door christenen, moslims en joden. Ook nu zwelt het conflict tussen Israël (joods) en Palestijnse groeperingen (islamitsch) weer aan na hard optreden van de Israëlische politie tegen Palestijnse betogers bij de Al-Aqsamoskee op de Tempelberg – belangrijke heiligdommen van beide religies –, waarop Hamas reageerde met een spervuur aan raketten. Wat is toch die speciale kracht van Jeruzalem die het hart en hoofd van vele gelovigen op hol brengt, zelfs in zo’n mate dat er een syndroom naar is vernoemd? Dimitrij Kapitelman – atheïst, maar van joodse origine – zocht het uit.

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 138, april 2018.

    In de waarschijnlijk meest gloedvol beschreven stad aller tijden is het deze decemberavond rustig. Bedeesd bijna. In elk geval binnen de majestueuze muren van de Oude Stad. Niet dat er een sacrale stilte hangt, eerder een geconcentreerd zwijgen. Zodra de handelaren hun souvenirshops op slot doen, raken de dicht opeen gelegen, heuvelachtige steegjes tussen de hoge muren van Jeruzalem leeg. Uit de portofoons van de Israëlische soldaten die overal tussen de rijen huizen in groepjes op wacht staan, knetteren korte mededelingen. Het is 18 december 2017.

    Twaalf dagen eerder heeft de Amerikaanse politieke komediant Donald Trump aangekondigd dat hij het gedeelde Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent. In het Joodse West-Jeruzalem is de zevende kaars van de chanoekia [de negenarmige kandelaar die met Chanoeka wordt gebruikt] ontbrand, in het oosten de woede van de Palestijnen over dit goddeloze paternalisme. De zogeheten Arabische wereld heeft Dagen van Woede afgekondigd. Jeruzalem heeft koorts. En als Jeruzalem koorts heeft, loopt de temperatuur van de hele mensheid op. Van Bali tot Berlijn klinken brandende redevoeringen, worden dure eden gezworen en wapperen de vlaggen. En dooft het levenslicht.

    Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt?

    Ondertussen stinkt de Via Dolorosa, de lijdensweg waar Jezus ooit zijn kruis overheen sleepte, naar de pis van de krolse katers die je overal in de steegjes van de Oude Stad hoort krijsen. Tegenover het geboortehuis van de Maagd Maria staan twee lege diepvrieskisten met reclame van Ola. Iets verderop verwisselen Arabischsprekende bouwvakkers putdeksels.

    Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt? Waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam voor hij tijdelijk overleed om vervolgens in de Kerk van het Heilig Graf te worden opgebaard? Waar de profeet Mohammed opsteeg naar het hemelrijk met achterlating van de Rotskoepel? Waar de tempel van de joden heeft gestaan en waar ze aan de laatst overgebleven muur daarvan, de Klaagmuur, nog altijd bidden? En waar ze zelf in 2004 een heel grote en veel beklaagde muur hebben gebouwd om zich hermetisch af te sluiten?

    Lees ook:

    Heiligdomhoppen

    Door een beetje heiligdomhoppen kun je de symbolen van de drie wereldgodsdiensten in een kwartier aflopen. En door slechts één keer in deze stad te verblijven kun je je verstand kwijtraken. Of God vinden. Of je verstand kwijtraken én God vinden. Of God en dus pas eigenlijk je verstand vinden. Of toekijken hoe God zijn verstand verliest. De wisselwerking tussen deze vondstverlies-verliesvondsten is in Jeruzalem omstreden. Maar dat ze bestaan, valt niet te bestrijden.

    Er is een officieel erkende psychose die alleen in deze stad optreedt: het Jeruzalemsyndroom. Overweldigd door de alomtegenwoordigheid van het hemelse gaan sommige toeristen − het maakt niet uit van welke religie − denken dat ze een heilige zijn. Een engel, een apostel, soms zelfs de op dat moment wedergeboren messias. Eerst stoppen ze met slapen, dan met lichaamsverzorging en ten slotte met hun gehele burgerbestaan tot dan toe. Gehuld in beddenlakens zwerven ze door de stad en verkondigen psalmen, hun eigen wedergeboorte, soms het naderende einde.

    Uit de vakliteratuur komt niet naar voren of de alomtegenwoordigheid van de hemel in deze stad echt de ziekteverwekker is, of juist het blijkbaar teleurstellende ontbreken daarvan: de onbeheerde Ola-diepvrieskisten, het onderhoudswerk aan putdeksels. Hoe dan ook, meestal laten de zelfverklaarde verlossers zich met klinische zorg en kalmeringsmiddelen van gemiddelde sterkte weer tot individuen terugverplegen.

    De ‘Stad van de Vrede’ heeft de facto nooit vrede gekend

    Toch lijkt het nog krankzinniger dat uitgerekend de voor miljoenen gelovigen wereldwijd heiligste plaats op aarde, Yerushalayim − etymologisch: ‘Fundament van God’ of ook ‘Stad van de Vrede’ − de facto nooit vrede heeft gekend. Dit feit is bij wijze van spreken een nog kolossaler Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.

    Het gaat dus om gezond mensenverstand en het begrijpen van God in Jeruzalem. Om vermijdbare misvattingen en openbaringen, krampen en verlossingen, wonderen en niet-wonderen die hier elke dag opnieuw worden vastgesteld, alsof ze even natuurlijk zijn geschapen als de mens zelf.

    Op een bepaalde manier wordt de grootste psychiatrische kliniek van Jeruzalem, Kfar Shaul, omringd door geestelijke blijmoedigheid. Ertegenover staan twee synagogen en twee joods-orthodoxe godsdienstscholen, waar ook iedere dag en even onverstoorbaar wereldbeschouwingen worden ingestudeerd. Maar als je de leerlingen van de jesjiva naar de kliniek vraagt die een paar meter verderop staat, maken ze een wegwerpgebaar, alsof het een onwelkome indringer van wereldse verdwazing is.

    Achter de goed bewaakte ingang ligt geen knots van een kliniek maar een voormalig dorp, met verspreide huisjes en binnenweggetjes. Het Israëlische leger heeft de voorheen Arabische nederzetting in 1948 bezet. Nou ja, eigenlijk ligt er voor de ingang nog, naast een palm, een man met zijn gezicht in de modder van het grasveld. Naar zijn vuile kleding te oordelen ligt hij er al een hele tijd. Vlak daarnaast zit een groepje sombere patiënten op een houten bank naar droevige muziek te luisteren, het klinkt als een vooroorlogse crooner, maar dan op zijn Hebreeuws.

    ‘Het leven in de kliniek heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen’

    Een paar meter verder klinkt uit de kliniek martiaal geschreeuw: de kleine fitnessruimte. Een kamer verder, in het zogeheten resocialiseringscentrum, zit een man met een volle baard en roodomrande ogen in zijn eentje achter de computer en bekijkt aanbiedingen voor cruises in de Cariben. Dr. Gregory Katz is de hoofdarts van Kfar Shaul. Als overtuigd zionist emigreerde hij in 1989 vanuit Moskou naar Jeruzalem, vertelt hij. Hij is mager, begin vijftig en praat vermoeid maar geconcentreerd. Hij was er ook van overtuigd dat het Joodse volk op de berg Sion, de oorsprong van hun geloof, thuishoort. Maar van die overtuiging is nog maar weinig over en godsdienstig is hij überhaupt nooit geweest. ‘Destijds in Rusland leken joden me bijzonder, op een of andere manier verlichter, voor iets voorbestemd. Maar het leven hier heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen. En dat een idee altijd alleen een idee blijft.’

    Katz heeft het Jeruzalemsyndroom niet direct ontdekt (de eerste teksten waarin van een dergelijk syndroom sprake is dateren al uit de zestiende eeuw) maar wel in toonaangevende medische tijdschriften beschreven. En hij heeft meer patiënten met het Jeruzalemsyndroom behandeld dan enig ander. Hoewel ook dat aantal overzichtelijk blijft: vroeger waren het ongeveer vijf tot zes gevallen per jaar. De zuivere vorm, waarbij een tot dan toe psychisch onopvallende persoon in Jeruzalem manisch wordt, komt toch al extreem weinig voor. In de regel is het type B: mensen met een bestaand ziektebeeld dat in Jeruzalem heviger wordt.

    ‘Alles bij elkaar is het een ziektebeeld dat verdwijnt. Pelgrims kunnen de Oude Stad op Google Street View tot in detail bekijken. Daarom blijft de shock na aankomst uit. Bovendien reizen mensen meer, zijn ze beter opgeleid er geloven ze niet meer zo direct in religie en wonderen’, vertelt Katz

    De laatste keer dat hij een patiënt behandelde, was een halfjaar geleden. Een wat oudere Engelse toeriste, protestants, die dacht dat ze een heilige was en die een eind wilde maken aan het conflict in het Midden-Oosten. ‘Een ernstig geval, omdat ze leed aan eeen bipolaire stoornis en er rotsvast van overtuigd was dat ze een directe verbinding met God had.’

    ‘Maar hoe kun je iemand op een geloofwaardige manier, met argumenten uitleggen dat hij geen rechtstreekse verbinding met God heeft?’

    ‘Dat is ook onmogelijk. Als ze een aanval krijgen, geven we ze medicijnen.’

    ‘Wat geeft u de zekerheid dat medicijnen een goede uitleg kunnen vervangen?’

    ‘Je kunt dit probleem niet filosofisch oplossen. In individuele gevallen zijn medicijnen veel praktischer. Zeker, een religieus iemand gelooft dat God alles ziet en dat hij onder Zijn hoede staat. Na het bidden ervaart hij een zekere extase, een zekere band met God. Daar is bidden tenslotte ook voor. Maar als iemand stemmen hoort die van God komen en die hem concrete opdrachten geven, bijvoorbeeld om zich uit te kleden, dan zijn dat hallucinaties.’

    ‘Denkt u dat de meeste mensen in Jeruzalem een gezonde verhouding tot het geloof hebben?’

    ‘U kunt zich niet voorstellen hoe verschillend mensen zijn. We kunnen ze niet over één kam scheren. Iemand die in een ultra-orthodox gezin is opgegroeid kijkt op een bepaalde manier naar de wereld. Goed of niet goed: het is een andere wereld. Ja, de joodse godsdienst kent heel veel concrete voorschriften. Dat kan de basis vormen voor een manie. Maar uit onderzoek blijkt dat godsdienstige mensen minder vaak aan psychische ziektes lijden. Dat ze minder vaak zelfmoord plegen, meer motivatie hebben, na lichamelijke kwalen sneller weer gezond zijn.’

    ‘Anderzijds heeft religie er aantoonbaar toe bijgedragen dat de Stad van de Vrede altijd omstreden is gebleven, en nu gedeeld is. Het heeft geleid tot zelfmoordaanslagen en een schijnbaar onoplosbaar conflict.’

    ‘Ja, maar dat is het principiële probleem van ideeën. Groepsideeën als religie of nationalisme leiden altijd tot felle discussies. Wie aan een bepaalde god gelooft en daarnaar leeft, zal altijd in conflict komen met andersdenkenden. Natuurlijk, je kunt cynisch worden en nergens in geloven. Dan wordt het makkelijker en heb je geen last van tegenspraak. Maar kan een mens überhaupt zonder ideeën leven? Ik betwijfel het.’ Na een korte denkpauze voegt Katz eraan toe: ‘Zo ambivalent is de mens nu eenmaal.’

    ‘En uw eigen idee? U bent een niet-gelovige Jood, en een cynicus lijkt u me ook niet.’

    ‘Ik teer op de resten van mijn humanisme.’

    ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab’

    Omdat humanisme goed is, maar metaalscanners beter, staat er altijd een tiental securitymannen bij de ingang van het hoofdbusstation van Jeruzalem. Een paar dagen eerder stak een jonge Palestijn een van deze mannen een mes in de borst. Misschien het begin van de gevreesde Derde Intifada. Of alleen maar een van de gebruikelijke, als alledaagse angst geïnternaliseerde basisgruwelen in deze verscheurde stad.

    En toch komt ook het gelukkige, domweg onbezorgde Jeruzalem steeds opnieuw te voorschijn. De vader met lange lokken voor zijn oren die zich bij het verkeerslicht omdraait naar zijn kinderen op het achterzitje om een liedje te zingen of met ze te praten. De monnik die op een biscuitje staat te kauwen. De rabbi die, moge het Gode welgevallig zijn, naar een van de vele over de hele stad verspreide lottokantoortjes loopt om een kraslot te kopen. De kleine Ali die in een van de uitgestorven maar zeer steile straatjes in de Oude Stad op zijn brandweerwagen naar beneden suist, aangevuurd door zijn twee zusjes die in koor scanderen: ‘Ali, Ali!’

    Hemelsbreed vijftig meter van de onverschrokken Ali de brandweerman staat de Verlosserskerk, omringd door louter handelaren die van hun religieuze relikwieën af willen: kruisjes, iconen, beschilderde houten eieren, sieraden. Allemaal schelden ze op Trump, die uitgerekend in de kersttijd de toeristen heeft afgeschrikt.

    Kafr Aqab

    En dan is er nog de onbeschrijfelijke wijk die niemand wil hebben. Toen in het stadhuis van Jeruzalem voor de laatste keer over Kafr Aqab werd gesproken, was dat om te bezien of de wijk niet afgescheiden moest worden en overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit, die daar ook al niet buitengewoon happig op was. Tot 2004 was Kafr Aqab een onopvallende burgerlijke nederzetting met twaalfduizend voornamelijk islamitische inwoners. Officieel hoorde ze bij Jeruzalem, waaraan ook belasting werd betaald. Toen bouwde Israël de grensmuur en lag Kafr Aqab opeens op de Westelijke Jordaanoever. Dit leidde ertoe dat het stadsbestuur zich nauwelijks meer om de verwilderde wijk bekommerde, waarna die er een bouwboom inzette die het inwonertal deed vervijfvoudigen.

    Door de hoofdstraat van deze onbeschrijflijke wijk, Ramallah Road, persen zich vergeefs toeterende en God noch gebod erkennende auto’s. Hoog in de lucht stapelen bouwkranen nog meer flats op elkaar. Het kleurrijkst in deze troosteloze berg beton zijn de talloze kinderen en de enorme hoeveelheid vuilnis langs de straten. ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab. Niemand die vraagt wie u bent of waar u vandaan komt. Hier bestaan geen verkeersregels, geen politie, geen justitie,’ zegt de 69-jarige Munir Zagheir. Het buurtcomité heeft hem gekozen als hun vertegenwoordiger. Als de pseudoburgemeester van Jeruzalems onbeschrijflijke wijk in woede ontsteekt − over huizen die op instorten staan, de marginale drinkwatervoorziening, de leeggeroofde scholen of de drugsdealers − vormen zich in zijn mondhoeken speekselresten zo groot als een kwartje. Die hij even vastberaden wegslikt als zijn voortdurende hoest.

    Een van Zagheirs grootste professionele successen is dat hij voor een Israëlische administratieve rechtbank een bodemsanering van Kafr Aqab heeft bevochten. ‘Ik heb de rechtbank duidelijk gemaakt dat ik wel honden en katten bij de vuilnishopen kan weghouden, maar vogels niet, die vervolgens met hun bacillen over de apartheidsmuur naar West-Jeruzalem vliegen.’

    ‘Het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt’

    In de ontvangstruimte van zijn huis hangen aan de muur portretten van zijn oudste zoon en van sjeik Ahmad Yassin, een van de oprichters van Hamas. Zagheirs positie is even duidelijk, maar helemaal onverzoenlijk is hij niet. De grenzen van 1967, Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de soevereine staat Palestina, en dan vrede. Soms vertelt hij met zijn stralend groene ogen dat alleen wie bloemen zaait, bloemen kan oogsten. Dan weer spreekt hij met kleurloze ogen over soldaten, tegen de bezetting en gasmaskers. Toen het Israëlische parlement een paar weken geleden beraadslaagde over de afscheiding van zijn wijk, werd Zagheir uitgenodigd. ‘Ik heb gezegd: nooit van mijn leven. Want ze willen het leven in Kafr Aqab helemaal niet verbeteren. Het is alleen een demografische truc om het kiezersbestand te verschuiven ten guste van de orthodoxe joden in Jeruzalem.’

    ‘Is de ellende in Kafr Aqab het resultaat van religieuze conflicten?’

    ‘Nee, het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt. Wij moslims weten heel goed dat Jeruzalem voor alle drie de godsdiensten even belangrijk is. Waarom zouden wij dan de stad alleen voor onszelf willen? Ons aller leraar Jezus Christus predikte de wereld al: behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelden.’

    Schooluniforms

    Zagheir laat foto’s van de wijk zien: zonder vergunning neergezette gebouwen die de stad Jeruzalem inmiddels zelf moet huren voor privéscholen en klinieken. Vijf van deze wolkenkrabbers moeten worden afgebroken. Wanneer Zagheir de verslaggever door zijn wijk leidt, wordt hij onderweg door waanzinnig veel mensen gegroet. Hij kent ze allemaal, de schoolkinderen, shoarmaverkopers, sigarettenhandelaren en invaliden. ‘Salam Abu’, ‘Salam aleikum’, klinkt het uit de openstaande ramen. Een geliefd man in een liefdeloos oord. Wie wil, kan in Zagheir een profeet zien.

    Aan de met sloop bedreigde huizen wordt intussen stug doorgebouwd. Blok na blok. Of ze blijven, weten noch de bouwvakkers, noch de meubelverkopers op de hoek die de eveneens speculerende inwoners ijverig van lederen sofa’s voorzien. Op een paar balkons hangt al was te drogen, op de zevende verdieping hangen twee vogelkooitjes.

    ‘Als u me wilt verontschuldigen, ik moet nog iets zakelijks doen,’ zegt Zagheir na een kleine rondgang.

    ‘Mag ik vragen wat?’

    ‘Ik moet naar een naaiatelier.’

    ‘Een naaiatelier?’

    ‘Ja. Ontwerpen voor schooluniformen bekijken. Ik ben eigenlijk ontwerper.’

    De aanhanger van Hamas en vertegenwoordiger van de rechten van 58.000 mensen is twintig minuten later een schooluniforminspecteur geworden. Nauwkeurig bestudeert hij in het nabijgelegen Aram de op de Amerikaanse honkbalstijl gebaseerde jacks. Vierhonderd stuks voor de laatste klas van de Rhashadiaschool. Omringd door de al even geconcentreerde jacks evaluerende mannen van het atelier. De vrouwen blijven in de achterruimte achter hun naaimachines zitten, in een sober, geheel door videocamera’s bewaakt atelier. Uiteindelijk geeft Zagheir opdracht de rode kragen beter vast te zetten.

    Op de terugweg gaat de pseudoburgemeester binnendoor, door het vluchtelingenkamp Kalandia. Een kamp dat al meer dan dertig jaar bestaat en intussen qua infrastructuur wel een stad lijkt. Voor veel Palestijnen is het daarom het symbool geworden voor de nakba, de Verdrijving.

    Weer wordt Zagheir allerhartelijkst begroet.

    ‘Ze willen graag dat ik ook hier de boss word,’ geeft hij als reden voor zijn populariteit.

    ‘En wordt u dat?’

    Zagheir zwijgt even. Hoest. Onderdrukt zijn hoest weer.

    ‘Misschien. Maar het stelt hoge eisen aan je als je geliefd bent bij de mensen.

    ‘O ja, hoe dan?’

    ‘Je moet oprecht zijn. Van de mensen houden als van jezelf. Eerlijk en waarachtig blijven. Maar als je dat ter harte neemt, heb je ook succes.’

    ‘En beschikt u over al die deugden?’

    ‘Die heeft mijn godsdienst me geleerd.’

    Zagheir komt bij een kruispunt zo smal als een potlooddoosje. Drie vrachtwagens uit drie richtingen, zijn eigen gammele Toyota uit de vierde. Geen verkeersborden, geen regels. Met gebaren maken ze elkaar duidelijk wat ze willen en ze manoeuvreren langs elkaar terwijl het middaggebed van de muezzin over het onbeschrijflijke gebied schalt.

    Twee uur later zal er op Ramallah Road van begrip geen sprake zijn. Eerst is er extase, wanneer vijfduizend mensen met Palestijnse vlaggen naar de gehate grensovergang marcheren. Voor de Dag van Woede, met borden waarop staat dat Jeruzalem voor eeuwig bij Palestina hoort. Om dat mee te maken komen de burgers van Kafr Aqab trots uit hun tapijtenwinkels en garages, en staan ze op hun ongeautoriseerde en instortingsgevaarlijke balkons. Ze filmen met hun mobieltjes en zingen luidkeels. Al snel staan er barricades in brand en gooien schreeuwende jongeren uit Kafr Aqab stenen naar de soldaten. Totdat ze Israëlisch traangas inademen uit de lucht die even eerder vol was van enthousiasme.

    De nieuwe messias

    Omri Szmulewicz zit achter zijn MacBook in café HaMiffal in West-Jeruzalem, dat niets heeft meegekregen van de Dag van Woede die zich een paar kilometer daarvandaan afspeelt. HaMiffal was tot voor kort een leegstaand gebouw, nu is het superhip als verblijf voor kunstenaars uit de hele wereld. Op dit moment presenteert een Ierse kunstenares er werk dat ze, gezichten van haar onbekende mensen aftastend, met haar ogen dicht heeft getekend. Szmulewicz organiseert in HaMiffal alles wat met muziek te maken heeft. Hij zorgt voor het geluid en bespeelt zelf een groot aantal instrumenten. Daarnaast organiseert hij de fundraising voor een biomedische start-up. Maar zijn eigenlijke roeping, de reden waarom Szmulewicz überhaupt naar Jeruzalem is gekomen, heeft niets met biomedisch werk te maken. Eerder met psychologie. Hij wil de nieuwe messias worden. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik sinds mijn openbaring niet het gevoel heb dat ik de Ene ben,’ zegt hij. ‘Een stem in mijn hoofd zegt steeds opnieuw: jij hebt de gave, jij moet de boodschap verkondigen.’

    Szmulewicz is een uit de kluiten gewassen, modern geklede man van begin dertig met lang zwart haar en de aanstekelijke open grijns van een echte schelm. Hij beschikt over een aanmerkelijke tegenwoordigheid van geest, een bombastische welbespraaktheid en zelfspot. Het tegendeel dus van een in beddenlakens wandelende manische Jeruzalemsyndroomzwamneus, zou je denken. Zijn openbaring, of ‘opwekking tot de psycho magic’ zoals hij het zelf noemt, heeft ook niet plaatsgevonden op een heilige plaats, maar in een psychotherapeutische praktijk waar hij therapie volgde.

    Eigenlijk komt hij uit een welgesteld voorstadje van Tel Aviv. Met weldenkende ouders, een huis met kasten vol filosofieboeken en een frequent bespeelde concertvleugel in een woonkamer met glazen pui. ‘Waar ik weinig liefde heb ervaren en ben opgevoed tot scepticus.’ Daarom ook heeft hij in therapie geprobeerd het klaarblijkelijk nutteloze, naar contact snakkende kind in zichzelf te vermoorden. ‘Het zit op de punt van een driehoek. En wat ik ook probeer, ik slaag er niet in het te bereiken. Ik weet dat ik zal sterven als ik val. Ik zit gevangen tussen twee werelden. Ik word gruwelijk depressief, ga zitten, probeer een sigaret te draaien en val omlaag. Maar op dat moment verschijnen er engelen boven me die me opvangen. Ik haal drie keer diep adem, de drie beste ademteugen in mijn leven. Ik realiseer me dat ik het kan. Begin weer op te stijgen, langzaam, beetje bij beetje. Nu om het kind in mezelf te omarmen. En ik begrijp: dit is het dilemma van de mensheid. De top en de afgrond, het gewicht en de gewichtloosheid, het tijdrovende scheppen en het ellendig snelle verwoesten.’

    ‘God is precies de idee die je van de onverdraaglijkheid van de wereld redt, die met open ogen doet dromen’

    Sindsdien begrijpt Szmulewicz het leven als een magische droom die iedereen door liefde kan vormgeven. Daarbij ziet hij heel goed dat veel om ons heen een voorliefde heeft voor het doden: ‘Rationeel beschouwd is de wereld onverdraaglijk. En dat altijd geweest. Maar God is precies de idee die je van deze onverdraaglijkheid redt, die met open ogen doet dromen.’

    Szmulewicz wil een avondwandeling maken in de Oude Stad. Op weg daarheen zien we op veel gebouwen affiches hangen met het opschrift ‘God bless Trump’. De achtste kaars van de chanoekia is aangestoken, en de Mamilla Mall die naar de Oude Stad loopt, met zijn luxe winkels, is vol kleurige rijen lampjes en dikke portemonnees. ‘So, so you think you can tell heaven from hell?’ covert een grijze, orthodoxe man Pink Floyd op zijn gitaar. Zonder haast slaat Szmulewicz een van de stille zijstraatjes in. Toevallig lopen we tegen het kerkje van de Arameeërs aan, de eerste leerlingen van Jezus. Voor de onverlichte toeschouwer toevallig, maar voor Szmulewicz een teken.

    ‘Toeval bestaat niet. Vandaag moest ik deze plaats zien. Eraan herinnerd worden dat ook de grote godsdiensten een paar duizend jaar geleden zijn gevestigd door mensen met openbaringen. En dat geen van hen in zijn tijd erg geliefd was. Abraham heeft zijn familie verlaten om de epische weg naar het beloofde Land op te gaan. Jezus was een jood vol pretenties die iedereen tegensprak. Daarom is hij vermoord. Zelfs Boeddha kwam uit een streng religieus milieu en verklaarde ooit: u kletst allemaal maar wat. Religies hebben behoefte aan iemand die van tijd tot tijd de decadent geworden orthodoxie overwint.’

    Smalle treden leiden naar een dak waar je de gouden Rotskoepel bijna kunt aanraken. Eigenlijk is het een aaneengesloten areaal van daken, en ze zeggen dat je over deze daken de Oude Stad helemaal kunt doorkruisen. Achter de al-Aqsamoskee strekt zich de Tempelberg uit, daarboven schitteren zachtgouden sterren. Op een moment als dit is er misschien wel geen plaats op de wereld die wereldser is dan Jeruzalem.

    ‘We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten’

    Szmulewicz gaat zitten om te mediteren. Na ongeveer twintig minuten gaat hij verder: ‘Ik heb de laatste maanden zo veel tekens gekregen en gezien. Soms moet ik ergens aan denken, dan sla ik de kabbala op een willekeurige plaats open, en precies datgene waaraan ik dacht staat daar geschreven. Altijd als ik duistere gedachten krijg, klop ik driemaal op hout om ze te verdrijven. Zo doen wij joden dat. Toen ik het onlangs in de kelder van mijn ouders deed, vormde zich uit deze punten opeens een driedimensionale davidster om me heen.’

    Syndroomsteden

    Jeruzalem is niet de enige stad waaraan een bepaald syndroom is toegerekend.

    Heel ‘betoverend’ bijvoorbeeld is het Florencesyndroom. Dit al in het begin van de negentiende eeuw door de Franse schrijver Stendhal beschreven syndroom zou vooral kunstenaars overkomen die zich in Florence tegenover de alomtegenwoordige kunst opeens bewust worden van hun eigen onbeduidendheid. En als gevolg daarvan symptomen als ademhalingsproblemen en hartritmestoornissen ontwikkelen.

    Bekender is het zogenoemde Stockholmsyndroom, waarbij een gijzelaar tijdens een gijzeling sympathie voor zijn gijzelnemer ontwikkelt. Het omgekeerde bestaat ook: een gijzelnemer ontwikkelt positieve gevoelens voor zijn gijzelaar; in zo’n geval spreekt men van het Limasyndroom. Minder extravagant, maar niet minder ernstig is het New Yorksyndroom, dat paradoxaal genoeg niet het verlies van realiteitszin, maar juist het verkrijgen daarvan beschrijft. Achter een bedrukte stemming zitten existentiële angsten en depressies verborgen die zich voordoen bij jonge mensen die hopend op de American dream en een succesvol leven naar New York komen. Om dan te concluderen dat hun droom niet zo eenvoudig te realiseren is.

    ‘Bent u weleens bang dat u de controle verliest? Dat u uzelf van louter verlichting niet meer herkent?’

    ‘Ik ben al heel erg veranderd. En dat maakt me een beetje bang. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook de zin van bekering. Natuurlijk is God in de mensen en natuurlijk bezoekt de messias ons af en toe.’

    ‘En nu bent u de messias?’

    ‘Misschien. Maar te geloven dat je “de Ene” bent, is tegelijk infantiel. Ik heb de gave, niet mijn ego. En zolang ik mijn ego niet heb overwonnen, ben ik terughoudend. We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten.’

    Op donderdag, een dag voor de sabbat, zijn de nachten in de meest bezongen stad van de wereld het levendigst. De Ben-Yehudastraat staat vol gouden keeltjes, breakdancers, trommelaars en jongleurs en de uitpuilende cafés doen een wedstrijdje wiens installatie het hardst kan. Opgedoft, vrolijk van de wodka, opgewonden van de drugs: het kan er hier bijna carnavalesk uitzien. Ook al heeft de stad steeds minder seculiere inwoners.

    Zowel de orthodox-joodse als de moslimmoeders in Jeruzalem krijgen gemiddeld 6,5 kind, en die gaan op donderdagen echt niet feestvieren. Ze krijgen in de eerste plaats zo veel kinderen omdat hun God hun voorschrijft dat ze vruchtbaar moeten zijn. In de tweede plaats omdat met de grootte van hun groep ook hun macht bij de verkiezingen toeneemt. Daar komt nog bij dat veel orthodoxe joden van een wereldlijke broodwinning afzien om zich helemaal aan de studie van de Heilige Schrift te wijden. Mede daardoor is de beroemdste stad van de wereld ook de armste stad in het Heilig Land. Hoe dan ook, op donderdag feesten degenen die overdag werken en doorgaans voorbehoedmiddelen gebruiken.

    1. Christenen op weg naar Via Dolorosa en de Kerk van de wederopstanding; 2. Nonnen bereiden kerst voor; 3. Zwaaien met kip als Joodse voorbereiding op Jom Kippoer, grote verzoendag; 4. Ultra-orthodoxe Jood speelt viool voor Chanoeka. – © Oded Balility
    Christenen op weg naar Via Dolorosa en de Kerk van de wederopstanding. – © Oded Balility / HH

    Een stukje bij deze levensader vandaan, aan een achterafpleintje met regenboogvlaggetjes, ligt de Videobar, de enige bar − zo niet de enige plek − in Jeruzalem voor homo’s. Opzettelijk in de buurt van een politiebureau, voor het geval er weer met molotovcocktails wordt gegooid. Af en toe komen er nachtvlinders naar de deur van de Videobar, blijven even staan en gaan weer weg. Om later terug te komen, iets dichterbij, en opnieuw haastig om te keren. Een paar van deze donderdagavondklanten vatten pas bij hun derde aanloop voldoende moed om echt naar binnen te gaan.

    Tegen een van de muren staan Batman en Robin te vrijen, het achterste gedeelte heeft een kleine dansvloer. Britney Spears zingt over de ‘taste of a poison paradise’. Arabisch en Hebreeuws klinken zo uitgelaten door elkaar als in deze stad maar zelden voorkomt. Waarom ook niet? Het is moeilijk voor te stellen dat de door alle religies uitgestotenen elkaar in de Videobar in de lange haren van hun toupetjes vliegen over de toegang tot de al-Aqsamoskee.

    ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop’

    Alona, vandaag meer vrouw dan man, met luipaardjas, rode lippenstift en hoge hakken, voorkomt dat homo’s die door hun familie zijn verstoten zelfmoord plegen. Dat zegt ze in elk geval, terwijl ze staat te roken op de veranda. ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop. Geloof me, er zitten verdomd veel verkapte flikkers onder de orthodoxen.’

    ‘En hoe leer je die kennen?’

    ‘Dat hoeft niet. Zij kennen mij en komen naar me toe. Heel verlegen, overdag of bij het boodschappen doen op de Mahane Yehuda-markt.’

    ‘En dan?’

    ‘Dan geef ik ze waar ze zo hevig naar verlangen. Ik vind ze sexy in hun zwart-witte pakjes. Met hun maagdelijkheid.’

    ‘Het klinkt alsof je hier in Jeruzalem als queer een nogal vrij leven leidt, Alona.’

    ‘Ik kan met iedereen goed overweg, ook in Jeruzalem. Ik ben gewoon ik, ik heb geen andere keus.’

    ‘Zo,’ moppert Joat, Alona’s metgezellin − eveneens flink opgemaakt, meer vrouw dan man, en met een volumineuze paarse sjaal gedrapeerd om haar gouden jurk, die op zijn beurt strak om haar tamelijk dikke lichaam zit. ‘Als jij zo vrij bent, waarom ga je dan niet in deze outfit naar je werk? Of op zijn minst opgemaakt?’

    ‘Dat mag niet,’ antwoordt Alona, die als veiligheidsbeambte in een openbaar gebouw in Jeruzalem werkt.

    De dansvloer is inmiddels propvol en het aantal seksuele toespelingen per nummer benadert het Jeruzalemse religieuze vruchtbaarheidscijfer.

    Mea Shearim

    Of een van de dansers bij het aanbreken van de dag terug zal sluipen naar Mea Shearim, de oudste ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem? Heel ver liggen beide werelden niet uit elkaar, te voet misschien tien minuten. Maar wie over de drempel stapt, ziet een Joods leven dat nauwelijks door de moderne tijd is beroerd, tussen bouwvallige huisjes, met een oerwoud van stroomdraden en vreselijk vervuilde straten waar desondanks orde heerst. Een leven in liefdevolle, nauwe dorpsstraatjes, waar de buitenwereld niet binnenkomt. Waar kinderen, kinderen en nog eens kinderen hand in hand over straat lopen en sommige moeders zich geheel bedekken. Ze dragen een sluier over hun hoofd en ook van hun lichaam is niets te zien.

    Hier kent iedereen iedereen, een donderdags uitje zal hier niet lang verborgen blijven, ook al is het vlak voor sabbat heel erg druk. Iedereen moet zijn vrijdagse vis en zijn pretzels nog in huis halen. Ingewikkelde consumentenverlangens moet je hier niet hebben, Britney Spears’ ‘Toxic’ of een tv-toestel zijn in Mea Shearim niet te vinden. Om drie uur ’s middags klinken overal in de wijk de luidsprekers. Melancholieke Hebreeuwse muziek schalt door Mea Shearim en kondigt het begin van de sabbat aan. De wijk wordt dan afgesloten, om een dag lang nog ongestoorder met God, met zichzelf en met nietsdoen bezig te zijn. Hoe mooi moet die muziek niet klinken als die je je leven lang het wonderschone, strikt voorgeschreven dolce far niente heeft verkondigd? Hoe moeilijk moet het niet zijn om hier weg te gaan en deze muziek nooit meer te horen, om niet alleen op donderdagavond stiekem een vrije zondaar te zijn?

    ‘Deze stad rukt iedereen zijn masker af. Ze duldt geen veinzerij,’ bevestigt pater Nikodemus Schnabel, priester en hoofd van de Dormitio-abdij, een benedictijnenklooster op de berg Sion. Hij woont sinds zestien jaar in Jeruzalem, is in 1978 in Stuttgart geboren en volgens zijn gelofte tot het eind van zijn leven aan zijn orde in het Nabije Oosten gebonden. En hier wilde pater Nikodemus ook precies naartoe. Zijn abdij staat op de plaats waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam. Een plaats van diepe contemplatie, hoog verheven boven het alledaagse lawaai van de Heilige Stad. ‘Om vijf uur in de ochtend, tijdens het eerste gebed bij zonsopgang, is Jeruzalem juist door die diepe godsvrucht om verliefd op te worden. Dan heeft Jeruzalem geen syndroom en al helemaal geen behoefte aan therapie.’

    ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden’

    Als er geen aanslagen met brandbommen op zijn klooster werden gepleegd. Of als er niet op de voorgevel werd gekalkt dat alle christenen dood moeten. Vlakbij liggen de nederzettingen van de radicaal-religieuze Heuveljoden. Vanwege hen moest er een permanente politiepost voor zijn deur worden neergezet. ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden. Op gewone dagen word ik, als ik het klooster uitga, bespuugd, beledigd en geschopt. De radicale religieuzen roepen graag: “Oprotten naar Rome!” Hier is niets hetzelfde, iedereen is hier naakt. Ik ook.’

    Als je pater Nikodemus ziet, is hij een open, zachtaardige en levenslustige man met rode wangen. Je kunt je de pas 39-jarige pater makkelijk voorstellen als gangmaker in het café, terwijl hij met zijn diepe joviale lach handen schudt en moppen vertelt. Een indruk die meteen vervliegt als de pater op de empathische toon van een zielzorger spreekt.

    ‘En welk gezicht zag u in de spiegel toen Jeruzalem u ontmaskerde?’

    ‘Ik zag en ik zie mijn valkuilen. Soms wil ik degenen die me bespuwen gewoon op hun bek slaan. Maar als ik mijn zoektocht naar God serieus neem, met de gedachte dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, dan is zoeken naar God ook zoeken naar de mens. Wie ben ik, als ik me van iemand afmaak? Als ik iemand in een la stop?’

    ‘Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’

    Ook van degenen die in de spiegel plotseling een godheid ontwaren en bij dr. Katz terechtkomen, wil de pater zich niet afmaken. ‘Die hebben we hier altijd. Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’ Het zou in elk geval een probleem worden als deze zwaarbelaste mensen troost vinden in de tuin van het klooster en daar helemaal niet meer weg willen. Over een paar uur zal pater Nikodemus de nachtmis lezen. Waarschijnlijk als enige katholiek op de wereld preekt hij voor een gehoor dat voor het grootste deel joods is.

    Bethlehem

    Ondertussen is in Bethlehem, de geboorteplaats van Christus, het feest al aan de gang. Eigenlijk maar negen kilometer, maar ook een omweg om een hele lange grensmuur heen verder. Op de markt waar de Geboortekerk en de Omarmoskee oog in oog staan, is een parade. Een bigband in militair ogende uniformen speelt ‘Jingle Bells’ met een Arabisch accent. Maar het Palestijnse Bethlehem lijkt op dit moment niet zo ontvankelijk voor kerstliedjes uit Trumpistan. Een affiche met een in het paars geklede Sinterklaas wenst ons Merry Christmas, een nog groter affiche dat eroverheen geplakt is herinnert ons eraan dat Jeruzalem voor eeuwig de hoofdstad van Palestina blijft.

    De bewoners van de stad volgen de parade met een merkwaardige mengeling van plichtsbewustzijn, kijklust en ergernis. Tussen de rijen door dringen minderjarige kauwgom- en parapluverkopers naar voren. Eromheen cirkelen geconcentreerde Palestijnse soldaten en een groot aantal internationale cameraploegen. En om iedereen heen jaagt een akelige wind die maling heeft aan het milde winterzonnetje. En hoe verder je van de theoretisch zo feestelijke markt af komt, in de richting van Jeruzalem, in de richting van de gemilitariseerde scheidingsmuur, des te voelbaarder het wordt dat Bethlehem weinig zin heeft om feest te vieren.

    De wind die over het feest joeg heeft tegen de avond dankzij de talloze regenbuien een zee van plassen in de Oude Stad veroorzaakt. Desondanks is de Dormitio-abdij voor de nachtmis van pater Nikodemus tot de laatste plaats bezet. Ook Omri Szmulewicz, die zich in staat acht de erfgenaam van de jarige te zijn, is gekomen. Hij luistert met gesloten ogen, een steentje dat zijn derde oog moet symboliseren tegen zijn voorhoofd gedrukt. Soms glimlacht hij enthousiast, dan weer kijkt hij een beetje mistroostig.

    ‘Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij’

    Pater Nikodemus weet het verrassend jonge joodse publiek snel voor zich te winnen. In een wit met gouden kazuifel schertst hij vanaf de preekstoel: ‘Ik ben hier niet om u te bekeren. Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij.’ De pater verklaart dat God niet alleen een over ons wakende en wraakzuchtige God is. ‘Maar vol liefde en hartstocht. Almachtig, zeker, maar een God van vrede, van licht en van vergeving.’

    Szmulewicz vergeeft de pater na afloop snel dat de mis ‘te mainstream’ was. En ook wil hij wel door de vingers zien dat het publiek zijn aandacht niet voldoende bij de dienst hield en dat ze ondertussen foto’s maakten met hun mobieltjes. ‘Maar misschien is het alleen mijn ego dat kritiek heeft. Waar moet de pater anders over preken dan over liefde en vergeving? Religie moet niet te ingewikkeld zijn.’

    Een paar kilometer verderop staan de straten van de onbeschrijflijke wijk Kfar Aqab een halve meter onder water. De Dagen van Woede gaan verder. Dr. Gregory Katz moet over een paar uur met zijn restje humanisme in een dokterstas naar zijn werk. In de meest aanbeden stad ter wereld is het vandaag geen feestdag.

    Life of Brian

    Nooit is het Jeruzalemsyndroom zo prachtig en komisch ad absurdum gevoerd als in de klassieker Monty Python’s Life of Brian: in deze satirische film uit 1979 wordt de jonge Brian tegen zijn zin tot messias uitgeroepen, terwijl hij alleen de mooie Judith voor zich wil winnen. Verder wil hij met rust gelaten worden. Aan het bittere slot van de film klinkt de song ‘Always Look on the Bright Side of Life’, terwijl Brian en een tiental andere veroordeelden aan kruisen bungelen. De song werd even beroemd als de film: de laatste werd door het British Film Institute ondanks veel controverse gekozen als een van de honderd beste Engelse films.

    De auteur

    Dmitrij Kapitelman (31) heeft Jeruzalem in zijn leven tot nu toe drie keer bezocht, en de stad als ‘waanzinnig vermoeiend’ ervaren. Maar ook als een bijzondere plaats. ‘Het is moeilijk in woorden uit te drukken,’ zegt hij, ‘maar je voelt daar veel directer dan elders hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn.’ Kapitelman is zelf van joodse origine, maar noemt zichzelf een ‘Hebreeuws gevormde atheïst’.

  • Israëls reputatie ligt aan scherven

    Israëls reputatie ligt aan scherven

    Met de protserige opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem en het geweld in Gaza, heeft het land nog meer goodwill verspeeld, aldus Haaretz.

    Het op 14 mei op alle televisieschermen ter wereld getoonde contrast tussen de Israëlische feestelijkheden in Jeruzalem en de Palestijnse slachtoffers in Gaza, was het begin van Dickens onvergankelijke roman A Tale of Two Cities waardig: ‘Het waren de beste en de slechtste tijden, […] een periode van hoop en wanhoop.’

    Of je nu het meeste geloof hecht aan de Palestijnse lezing van uitgehongerde massa’s die demonstreren voor hun waardigheid en door soldaten worden neergemaaid, of aan de Israëlische versie die rept van cynische en criminele exploitatie van levens door Hamas – het lijdt geen twijfel dat de tientallen dode en honderden gewonde Palestijnen aan de grens van Gaza een smet hebben geworpen op het protserige vertoon van de Israëlische premier Benjamin Netanyahu en de Amerikaanse president Donald Trump.

    Hoe hoger het aantal slachtoffers die dag – die de bloedigste was sinds 
Operatie ‘Protective Edge’ in 2014 –, des te groter werden de arrogantie, de onthechting en het totale gebrek aan mededogen van de hoogwaardigheidsbekleders op de plek van de nieuwe Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. En des te cynischer en grotesker de bewering dat de verplaatsing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem de vrede dichterbij brengt.

    De Israëlische premier Netanyahu en zijn vrouw Sara met Ivanka Trump en Jared Kushner bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. – © Israel Press Office / Handout
    De Israëlische premier Netanyahu en zijn vrouw Sara met Ivanka Trump en Jared Kushner bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. – © Israel Press Office / Handout

    Netanyahu en zijn collega’s hebben voor eens en altijd aangetoond dat zij de internationale publieke opinie minachten. Israël kent slechts één vorst: Donald Trump. En dat is nogal een vorst. De deelname aan de ceremonie in Jeruzalem van antisemitische predikanten als John Hagee en Robert Jeffress onderstreepte de verandering die de betrekkingen tussen Israël en de VS hebben ondergaan: niet langer dragen die het karakter van een politieke alliantie, er is nu sprake van een messianistisch verbond. Hagee beschreef Adolf Hitler ooit als Gods eigen jager, Jeffress verwees onbekeerde Joden naar de hel. Wat Netanyahu hier allemaal mee opschiet? Het gaat om de combinatie van de gestoorde utopie van evangelische fundamentalisten met 
de gemeenschappelijke haat jegens de islam en de ongeremde steun aan het project van religieus-nationalistische kolonisten.

    Deze ommekeer in de Israëlisch-Amerikaanse betrekkingen is niet zonder gevolgen gebleven. Enerzijds was daar de afwezigheid van Amerikaanse Democratische Congresleden, terwijl Democraten en Republikeinen op het gebied van Israël tot voor kort een verenigd front vormden. Anderzijds dient opgemerkt dat leden van de Israëlische oppositie acte de présence gaven. Niet uit overtuiging, maar omwille van de publieke opinie. Uitzondering was Tamar Zandberg, voorzitter van de partij Meretz, die het uitstekende idee had om thuis te blijven. Hoewel oprecht links en oprecht pacifistisch, is zij niet principieel tegen de verhuizing van de ambassade, maar wenste zij part noch deel te hebben aan de nationalistisch-messianistische orgie die door de Amerikaanse ambassadeur David Friedman was georkestreerd.

    Kloof met de diaspora

    Voor de meeste Amerikaanse Joden, 
en dan vooral degenen die nog belang hechten aan het bestaan en het overleven van Israël, was deze ceremonie niets minder dan een klap in het gezicht. De aanwezigheid van de predikanten Hagee en Jeffress wekte al hun walging, en de politieke vuurwerkshow ter ere van Donald Trump heeft de kloof tussen Israël en de grootste gemeenschap in de Joodse diaspora alleen maar verder verdiept. De Amerikaanse progressieven, of ze nu wel of niet Joods zijn, hebben ondertussen niet meer bewijs nodig dat het zowel vanuit ethisch als strategisch oogpunt noodzakelijk is om afstand te nemen van het Israël van Netanyahu, want 
dat is een Israël dat steeds meer naar rechts opschuift, dat zich hysterisch gedraagt en toegeeft aan de persoonsverheerlijking van een Amerikaanse president die de vleesgeworden bedreiging is van vrijheid en rechtvaardigheid in alle democratieën.

    Daar zit Netanyahu voorlopig niet 
mee. Op de golven van een Israëlische publieke opinie die hem gunstig gezind is, rijgt de premier de successen aaneen: van Trumps beslissing om uit het nucleaire akkoord met Iran te stappen tot de Amerikaanse erkenning van Jeruzalem als hoofdstad van de Joodse staat, tot de overwinning van zangeres Netta Barzilai op het Eurovisie Songfestival. Zijn bondgenootschap met Trump blijft hem voordeel opleveren. 
Is de laatste niet tot ‘Vorst van het Mededogen’ uitverkoren door de Sefardische opperrabbijn Yitzhak Yosef, die zwarten onlangs vergeleek met apen?

    De reputatie van Israel ligt aan scherven. En wel voor langere tijd. Wanneer een zeer modern, met alle toeters en bellen uitgerust leger een menigte aanvalt die slechts gewapend is met stenen en vliegers, dan is een pr-ramp onvermijdelijk. Geen enkel theaterstukje kan de doden en gewonden wegwissen.

    Als katalysator van de herdenking van de Nakba [de Palestijnse nederlaag in 1948], kon Hamas zich niets beters wensen dan de ambassadeceremonie en de onvermijdelijke woede-uitbarsting van de Palestijnen. Voor langere tijd zal de internationale publieke opinie niets anders zien dan een strijd tussen sterk en zwak, tussen bezetters en zij die worden bezet, tussen de onzindelijke hoop van een harteloze staat (Israël) en wanhoop.

    Ach, naar de hel met de rampzalige en voorspelbare gevolgen van die ambassadeverhuizing! De ultieme hoop op vrede is voor lange tijd gesmoord en het uitbreken van een Derde Intifada heeft nog nooit zo dichtbij geleken. Laten we gewoon doorgaan tot het 
te laat is! Wat telt is dat de Israëliërs schaamteloos hun fortuin tentoonspreiden, in de hoop dat de Palestijnen kopje-onder gaan in moedeloosheid en neerslachtigheid. Geduld zal ons leren of deze ‘historische dag’ van 14 mei vol ongeluk en bloed de voorbode was van een ‘lente van hoop’, of – wat meer voor de hand ligt – van een winter van wanhoop, een seizoen en een stemming die wij zo goed delen met andere volkeren in het Midden-Oosten.

    Auteur: Chemi Shalev
    Vertaler: Carl Stellweg

  • ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. 
Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.

    Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.

    Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als 
ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een 
professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.

    Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de 
oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?

    Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.

    Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?

    Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en 
hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.

    Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.

    Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik 
me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.

    Zou u dat geluk een religieus gevoel willen 
noemen?

    Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit 
de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, 
is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.

    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH
    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH

    U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?

    Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. 
De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.

    U bent gelovig uit hedonisme.

    Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik 
heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. 
Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?

    Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net 
als aan de mis.

    Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in 
Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?

    En tot welke conclusie kwam u?

    Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij 
het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les 
te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat 
de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.

    In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken

    Omdat we zien dat we deel uitmaken van een 
groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, 
anderen zoeken dat in de wetenschap.
    Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in 
de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van 
onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer 
dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.

    Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent 
geworden.

    Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een 
Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.

    U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?

    Waarom zou dat moeten?

    Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw 
kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van 
uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.

    Een metafoor. Hopelijk.

    Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?

    U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. 
Het een brengt het ander met zich mee.

    Soms.

    In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is 
heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.

    In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus 
in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.

    Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. 
Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de 
zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.

    Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?

    Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving 
doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren 
worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.

    Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?

    Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in 
die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren 
dat de wereld groter is dan onze drie tenten.

    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH
    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH

    Waarom midden in de nacht?

    Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En 
omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.

    Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel 
weinig wetenschappers die religieus zijn.

    Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken 
schrikken wetenschappers ervoor terug om over 
religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.

    Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. 
In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse 
Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.

    Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.

    Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie 
hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. 
En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op 
de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.

    Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar 
het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen 
kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.

    Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We 
kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.

    We moesten astronomie bedrijven om daarachter 
te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.

    Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?

    Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles 
wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en 
liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische 
kennis zich uit.

    Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.

    Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde 
men de aanwezigheid van monsters op de 
onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels 
ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn 
als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.

    Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.

    De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.

    Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven

    In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?

    Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.

    Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.

    Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en 
zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.

    En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.

    Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God 
die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.

    Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?

    Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. 
Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.

    Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind 
het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. 
Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en 
handelend optreedt?

    Ja.

    Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter 
de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.

    Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.

    Dan moeten we maar eens een wonder tegen 
het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?

    Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.

    Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?

    De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.

    Hebt u een verklaring voor het fenomeen?

    Natuurlijk niet.

    En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?

    Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik 
verder over God weet. Het perpetuum mobile 
daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over 
machines weet.

    Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.

    Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het 
universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of 
het model niet.

    Welke data?

    De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.

    Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.

    Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en 
omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie 
die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.

    Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel 
die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.

    Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en 
de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.

    Twijfelt u wel eens aan uw geloof?

    Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.

    Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.

    Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom 
u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.

    Auteur: Stefan Klein
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | oplage 540.000

    Tolerant en liberaal met grote politieke analyses. 
Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • ‘Hier tellen alleen woorden.’ Scrabble als topsport

    ‘Hier tellen alleen woorden.’ Scrabble als topsport

    Op het wereldkampioenschap scrabble in het Grand Palais in Lille strijden Engelsen, Nigerianen en Israëliërs om de titel. Stuk voor stuk briljante rekenaars, gezegend met een reusachtig vocabulaire. Toch draait het eigenlijk maar om één man: Nigel Richards, de god van het spel.

    Keuze uit het archief

    Terwijl wereldwijd de ogen gericht zijn op de schaatsers, snowboarders, ijshockeyers en kunstschaatsers in Beijing, wordt door een stel taalvirtuozen een heel ander soort topsport beoefend, haast als een religie, met een eigen god. Het scrabbelen werd nooit echt als professionele sport erkend, ondanks miljoeneninvesteringen en bovendien een maatschappelijk belang: door de verkommering van onze cognitieve vaardigheden, zouden steeds meer mensen naar ‘de simpelste verklaringen van de nationalisten’ luisteren.
    Zal scrabble de verdiende erkenning ooit krijgen?
    ‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is.’

    De plek waar vele duizenden woorden bedacht worden – sterker nog: waar alleen woorden tellen – is tegelijkertijd misschien wel de zwijgzaamste van de stad. Door de hallen van het Grand Palais in Lille klinkt alleen het rammelen van de letters, die de spelers met een plechtig gezicht uit de groene zakjes pulken. Daarom klinkt het wereldkampioenschap scrabble niet als een evenement dat meer dan vierhonderd mensen uit dertig landen in een congrescentrum bijeengebracht heeft. Eerder als een bos vol tjirpende plastic krekels. Diep geconcentreerd zitten de tegenstanders aan lange rijen tafels tegenover elkaar. Verdiept in duels waarin ze maar al te snel een anagram over het hoofd zien, bonuspunten laten liggen, of de letters van de tegenstander verkeerd inschatten. De jarenlange dagelijkse trainingen, de uit het hoofd geleerde woordenboeken en niet in de laatste plaats de sociale ontberingen zouden vergeefs zijn geweest als U, Q, A, L, T, I, E niet snel genoeg ‘TEQUILA’ oplevert. En ook het prijzengeld van 7000 euro zou verspeeld zijn. Omdat de meeste deelnemers welgestelde academici zijn, zou dit nog de overkomelijkste narigheid zijn. Maar de roem en erkenning in deze kleine maar tegelijkertijd wereldwijde, op het maniakale af hartstochtelijke gemeenschap, zouden onherroepelijk buiten bereik blijven.

    Wie gezien heeft hoe toegewijd al deze hyperintelligente mensen zitten te staren naar klompjes letters, een week lang, volkomen ongevoelig voor de uit alle macht lokkende Franse septemberzon, die vraagt zich niet af wat scrabble is, maar: wat is scrabble voor wie? Welnu, voor het grootste deel van de ongeveer honderd miljoen huishoudens die het bordspel intussen bezitten, is het een aardig puzzelspel voor af en toe. Een familiespel waarbij het erom gaat uit zeven willekeurig getrokken letters zo lang mogelijke woorden te maken en deze horizontaal of verticaal aan elkaar te leggen.

    Sport

    Voor de Amerikaanse architect Alfred Mosher Butts, die in 1931 de oervorm van scrabble (toen nog Lexiko geheten) op de markt bracht, was zijn uitvinding decennialang allesbehalve een commercieel succes. Butts, geïnspireerd door kruiswoordraadsels, wilde een spel maken dat alleen gewonnen kon worden door iemand die er niet alleen goed in is, maar ook geluk heeft.

    De ondernemer in geluk en vaardigheid raakte ál zijn tweehonderd zelfgemaakte spellen kwijt. En in 1948 ook de rechten op zijn idee, die de Britse advocaat James Brunot voor een heel schappelijke prijs van hem kocht. Butts behield een aandeel van 2,5 cent per verkocht exemplaar. Of Brunot nu commercieel bedrevener was of gewoon meer geluk had: algauw was Lexiko, dat hij omdoopte tot Scrabble, zijn ticket naar rijkdom. In slechts drie jaar verkocht Brunot in totaal 90.000 exemplaren. Niet veel later volgden contracten voor de massaproductie in Noord-Amerika, Canada en Europa.

    Voor de spelers in Lille is scrabble heel duidelijk een sport. Al sinds 1991 nemen de coryfeeën elk jaar in hun eigen landstaal deel aan het wereldkampioenschap scrabble. Onbetwist het belangrijkste is het Engelstalige toernooi, waaraan slechts de eerste 72 spelers op de wereldranglijst mogen deelnemen. Voor hen is scrabble een hartstochtelijk bedreven sport waar je veel voor moet laten, en waarin het niet om fonetische schöngeisterei gaat, maar om mathematische berekening. Want een woord is maar zo goed als de positie waarin het ligt. In wezen opent elke zet nieuwe aanlegmogelijkheden voor de tegenspeler, ook dat moet berekend worden. Waarbij je tegelijkertijd moet taxeren welke waarden de komende letters van de tegenstander zullen hebben.

    Behalve talent voor tellen en rekenen moet je ook een schier onmenselijke woordenkennis bezitten. Een normale sterveling heeft een vocabulaire van omstreeks vierduizend woorden. Een professionele scrabblespeler ongeveer het tienvoudige. (Er zijn 140.000 door het scrabblewoordenboek SOWPODS erkende [Engelse] woorden.)

    In een professionele scrabblewedstrijd beschikken de spelers elk over in totaal 25 minuten speeltijd. Wie klaar is met zijn beurt, drukt op de klok. Zijn tijd staat stil en die van de tegenstander begint te tikken – net als bij schaken. Tijdoverschrijding wordt bestraft met puntenaftrek. Een scheidsrechter is er niet. Beide spelers zijn verplicht de eigen zetten en die van de tegenspeler op formulieren in te vullen. Bestaat er onenigheid over een woord, dan kan men het aanvechten. Dan lopen de partijen naar een computer, tikken het problematische woord in en laten de scrabblesoftware het oordeel vellen.

    Na 24 voorronden gaan de acht best geplaatste spelers door naar de play-offs, waar ze met elkaar uitmaken wie er kampioen wordt. Voor deze acht uitverkorenen is scrabble geen speelveld voor woordacrobaten of slimme rekenaars. Voor hen is het het slagveld van de grote strategen: het leven zelf.

    Nigel Richards in de finale van de National Scrabble Championships in Bu alo, waar hij eindigde op de 16de plaats. – © Gary Wiepert / AP
    Nigel Richards in de finale van de National Scrabble Championships in Bu alo, waar hij eindigde op de 16de plaats. – © Gary Wiepert / AP

    Wellington Jighere uit Nigeria is een van de uitverkorenen die de scrabble-Olympus tot dusver beklommen hebben. (Waarom in al die jaren uitsluitend mannen op deze eenzame top gestaan hebben, daar komen we nog op terug.) En hoe! Bij het wereldkampioenschap van 2015 in het Australische Perth triomfeerde de sociale wetenschapper in de finale tegen Lewis Mackay. Geen Afrikaanse speler was het ooit gelukt om de eindzege te behalen. Dat Jighere van een Brit won, en dus van een vertegenwoordiger van de oude koloniale macht, ja, dat hij hem overklaste – in zijn eigen taal – dat kun je politiek interpreteren. Maar Jighere doet dat niet: ‘Veel mensen vatten mijn overwinning inderdaad politiek op. We leven nu eenmaal in een politieke wereld. Maar dat is niet hoe ik de dingen zie.’ Hoe hij het wel ziet, wil hij echter ook niet zeggen. En het wordt nog onduidelijker als hij eraan toevoegt: ‘Het is de taal van de Engelsen. Maar wij hebben die onder de knie gekregen.’

    In de politieke wereld belde de Nigeriaanse president hem in elk geval op, enkele minuten na afloop van de partij, om hem persoonlijk te feliciteren en te bedanken voor de dienst die hij het vaderland had bewezen. Op de luchthaven van Abuja kreeg Nigeria’s scrabbledelegatie vervolgens een heldenontvangst. ‘Delegatie’ is geen overdrijving, het is de officiële benaming van de ploeg, want scrabble wordt in Afrika’s dichtstbevolkte land door de staat gesubsidieerd. Op scholen is het een verplicht vak, en er bestaat een bruisend verenigingsleven. In het door bloedige conflicten tussen christenen en moslims geplaagde Nigeria heeft scrabble een neutraliserend, welhaast verbroederend effect. Om het zevenkoppige, multireligieuze team samen te stellen vonden maandenlange trainingskampen plaats, waarvoor de minister van Sport de vijftien beste spelers van het land had uitgenodigd. En toch stond tot kort voor de start van het toernooi niet vast of de Nigerianen wel mee konden doen, want de Franse ambassade weigerde visa te verstrekken. In een of ander ambassadekantoor in Parijs geloofden de ambtenaren niet dat zeven Nigerianen een week lang scrabble wilden spelen in Lille – en dan weer zouden verdwijnen.

    Toen de visa toch nog kwamen, was dat voor een paar woordatleten al te laat, zodat nu slechts vier delegatieleden, vermoeid door een reis van twintig uur, aan de wedstrijd beginnen. Die vermoeidheid is Wellington Jighere, Karo Eta, Dennis Ikekeregor en Jack Mpakaboari aan te zien: vooral de wat katachtige oogleden in het gladde, ondoorgrondelijke gezicht van Jighere vallen steeds weer dicht. Toch is de 37-jarige kampioen er zeer op gebrand zich zijn rang waardig te tonen. Aan zijn hand fonkelt een zilveren polshorloge. Aan zijn voeten prijkt gepoetst krokodillenleer. Hij draagt een kostbaar blauw colbert om zijn schouders, die onder druk van de verwachtingen niet mogen gaan afhangen. Meneer de president heeft Jigheres telefoonnummer nog opgeslagen. ‘Een echte kampioen moet met druk om kunnen gaan, anders is hij geen kampioen. Ik had een heel goed toernooi en geluk in Australië. Maar HIJ is nog steeds de grootste,’ zegt Jighere eerbiedig. ‘HIJ’. Jighere spreekt het woord uit alsof hij over een god spreekt.

    De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen

    God in de scrabblewereld heet Nigel Richards en komt uit Nieuw-Zeeland, waar hij geboren werd in de plaats met de beloftevolle naam Christchurch. Als God aankomt in het Grand Palais, scharen zijn bewonderaars zich onmiddellijk om hem heen, en hij schenkt menigeen een vriendelijk woord terwijl hij door hun rijen schrijdt. Al drie keer werd hij uitgeroepen tot de Engelstalige wereldkampioen. Vijf keer triomfeerde hij in Noord-Amerika. Zulke wonderen vermocht geen mens voor hem te verrichten. Onsterfelijk werd zijn geprezen naam echter pas toen hij in 2015 ook nog het Franstalige kampioenschap won. In een voorbereidingstijd van negen weken had hij zonder enige voorkennis een Frans woordenboek uit zijn hoofd geleerd!

    Hoe fascinerend zou het niet zijn om van hem te horen wat de sleutel is tot de scrabblehemel, wat hem tot God heeft gemaakt, wat hem drijft, waarom God naar Kuala Lumpur is verhuisd, en of het klopt dat hij ieder woord identificeert met een getal voordat hij het in zijn onfeilbaar fotografisch geheugen opslaat. Maar God beantwoordt geen vragen. Principieel niet. ‘Zou u dan ten minste willen onthullen waarom u niet met de pers spreekt, mister Richards?’ God houdt heel even de pas in, laat een welwillend glimlachje doorschemeren, en verkondigt met een hoge, bijna overslaande stem: ‘Omdat u mij vragen zult stellen.’

    Zo rest ons alleen de vrome aanschouwing van de hemelse verschijning uit de verte. Zijn golvende volle baard heeft Richards onlangs afgeschoren. Hij ziet er een beetje uit als Russell Crowe die zich uitstekend heeft voorbereid op zijn rol als meganerd. De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen. Sommigen beweren dat God zijn brood alleen met scrabbelen verdient. En dat hij in de voorbije twaalf jaar 200.000 dollar aan prijzengeld heeft opgehaald. Anderen berichten dat de Enige Echte vastgoed heeft geërfd, en dat zeer winstgevend verkocht heeft. Dat hij op werkdagen als ingenieur de bewakingssystemen van een Maleisisch beveiligingsbedrijf perfectioneert.

    Het toernooi van de anderen

    Omri Rosenkranz en Evan Cohen zijn niet vanuit Israël hierheen gepelgrimeerd om met God te concurreren. Rosenkranz, van nature uit de kluiten gewassen en stevig gebouwd, maar uit vrije wil mollig en feminien, zeker niet. De 38-jarige professor in de sociologie speelt in de B-divisie, de tweede rang om zo te zeggen, waarvoor iedereen zich kan kwalificeren door betaling van 100 euro. Waarschijnlijk is deze spelklasse daardoor demografisch duidelijk diverser: vijftienjarige Pakistani’s duelleren er met Finse senioren, vrouwen en mannen zijn bijna evenredig vertegenwoordigd. Het feit dat er in de A-divisie slechts twee vrouwelijke spelers meedoen, verklaart Rosenkranz als volgt: ‘Vrouwen zijn gewoon niet zo stom om zo veel voor dit spel op te offeren. Wil je in de wereldranglijst bovenaan staan, dan mag je eigenlijk noch een privéleven noch een gezin hebben.’ Een inschatting die Karen Richards en Natalie Zolty, de twee atypische vrouwen, voorzichtig bevestigen. Als enige speler van de Nigeriaanse delegatie neemt Jack Mpakaboari deel aan dit B-wereldkampioenschap, dat weinig gewaardeerd wordt door de rest van de Afrikaanse afgevaardigden, die in de A-divisie spelen. En zelfs die zuinige waardering verdwijnt als Mpakaboari zijn eerste vier partijen verliest.

    Evan Cohen, de levensgezel van Omri Rosenkranz, jaagt in de A-divisie, ‘het haaienbassin’, zoals hij het zelf noemt. Helemaal in het strakgesneden zwart, het haar kortgeschoren. Cohen is linguïst en heeft al een paar gerenommeerde toernooien gewonnen. Met een lepe glimlach verklaart hij alleen maar bij de laatste tien te willen eindigen. Omdat een van de verhinderde Nigerianen niet meedoet, rukt Rosenkranz plotseling voor het eerst op tot in de A-divisie. Hij slaat zich er op de eerste speeldag dapper doorheen, wint drie van de acht partijen – een statistiek waarmee ook Cohen de dag besluit, duidelijk minder tevreden. Vooral de verpletterende nederlaag (bijna 300 punten) tegen de Brit Brett Smitheram zit hem dwars.

    De slaperige kampioen Jighere wint vijf van zijn acht openingspartijen en is op plaats zestien ver verwijderd van presidentiële telefoontjes. Zichtbaar chagrijnig verlaat hij het gebouw, op zoek naar niets anders dan verkwikkende slaap. En hoe is het met God? Die kent een voor hemelse begrippen onderaardse start: hij verliest eveneens drie partijen. ‘Bij Nigel betekent dat niets. Ik zou al mijn geld toch op hem zetten, gewoon omdat hij is wie hij is,’ zegt Ganesh Asirvatham. Deze leraar Engels uit Maleisië is verantwoordelijk voor het verloop en de organisatie van het wereldkampioenschap. Hij hangt tabellen en lijsten op, en kondigt per microfoon de lunchpauze aan. Maar achter deze taken, die hij zo ijverig vervult, gaat een zwaar scrabblenoodlot schuil. Als Asirvatham zegt dat God nu eenmaal God blijft, dan spreekt hij uit bittere ervaring. Toen hij nog in menselijke macht geloofde, speelde hij zelf scrabble, en zelfs op een buitengewoon begenadigde manier. In 2007 bereikte hij de finale van het wereldkampioenschap. Daar wachtte vanzelfsprekend Richards, en die maakte Asirvatham in drie partijen in. Desondanks bleef Asirvatham belangrijke kampioenschappen winnen in India, Maleisië en Singapore. Zelfs het Guinness Book of Records vermeldt zijn naam als de speler die het simultaan tegen de meeste spelers wist op te nemen. Van de 25 tegen hem scrabbelende tegenstanders versloeg hij er 21. Maar dat alles was niet genoeg. Nog altijd troonde HIJ boven iedereen uit. Dus trok Asirvatham zich voor een jaar terug om woordenboeken te bestuderen en beter te worden dan God. Na een scrabblesabbatical van twaalf maanden keerde hij verbaal gestaald terug – en ging opnieuw onderuit tegen Richards! Steeds weer! Daar ging Asirvatham aan kapot. Nu tikt hij koortsachtig vreemde speluitslagen in zijn rekenmachine, goed afgeschermd achter de informatiestand van de toernooileiding.

    De wereld buiten de scrabblewereld begint onopvallend bij de uitgang van het Grand Palais. De vele vlaggenmasten voor het congrescentrum zijn leeg, hoewel het wereldkampioenschap toch reden genoeg zou moeten zijn om het gebouw op te sieren. Dat kan natuurlijk zijn omdat het WK scrabble eerder een nichegebeuren is. Of vanwege de angst voor terreur. Want in Frankrijk is in deze milde herfst van 2016 officieel de noodtoestand van kracht. Voor de vierde maal binnen een jaar, na evenzoveel aanslagen. De vijfde moet verhinderd worden door een samenscholingsverbod en idioot veel controles. Groepen soldaten patrouilleren door de stad, de handen demonstratief aan de trekker van hun geweer. Vooral op het hoofdstation Lille Europe is de militaire aanwezigheid merkbaar.

    In deze geschokte Franse vrijheid zijn dus scrabbelaars uit de hele wereld aangekomen. ’s Avonds zwerven ze door de streng bewaakte steegjes van het uitgaansgebied. Zelf worden ze overdag bewaakt door een klein, mager securitymannetje, dat met chocoladevlekken op zijn blauwe securityoverhemd en een metaaldetector in de hand voor de ingang zit. ‘Hoe voelt het om verantwoordelijk te zijn voor de veiligheid van de scrabble-elite van de wereld?’ Het mannetje kijkt de ruimte in en haalt vrolijk zijn schouders op. Het is toch ondenkbaar dat IS het op het WK scrabble voorzien zou hebben?

    Jighere wil vandaag per se dichter bij de kopgroep komen. De omslagdoek heeft hij afgelegd, nu draagt hij een niet minder representatief Nigeria-trainingspak. Bovendien een diep over zijn gezicht getrokken Nigeria-pet, waaronder zijn linkeroog steeds heftiger samentrekt, waarschijnlijk omdat het halve toernooi al gespeeld is en hij met een score van 7-5 nog altijd op plaats zeventien vastzit. Hoe zijn partijen tot dusver verlopen zijn, is moeilijk te zien. Behalve de spelers mag niemand zich bij de speeltafels ophouden. De concentratie van de atleten zou daaronder kunnen lijden. Na meerdere overtredingen worden verslaggevers gemaand om afstand te houden, op straffe van verwijdering uit de zaal.

    Ondertussen staat God er maar één plek beter voor dan Jighere. Ook hij heeft al vijf keer verloren. Maar niemand waagt te betwijfelen dat hij het nog tot bij de beste acht en dus de play-offs zal brengen. ‘Omdat Nigel nu eenmaal Nigel is. Andere spelers worden nerveus in de beslissende partijen. Hij niet,’ zegt Cohen vol eerbied, als hij na afloop van de speeldag met Rosenkranz naar de Vieille Bourse, de Oude Beurs, wandelt. Cohen zelf heeft met zeven verloren partijen nauwelijks nog uitzicht op een goed resultaat. Zijn partner Rosenkranz vertoont dankzij een respectabele score van 6-6 twee blozende wangen. De ranglijst wordt aangevoerd door de Britten Allan Simmons, David Webb en Mark Nyman, met elk tien gewonnen partijen. ‘Op dit niveau kan eigenlijk iedereen van de eerste twintig het halen,’ zegt Cohen een beetje afwezig. Hij lijkt afgeleid door de schietklare groep soldaten die langs de patisserie marcheert waar hij zijn chocolade-eclair wilde kopen.

    ‘Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten’

    Op de derde dag van de voorronden zal het noodlot toeslaan: Jighere en Richards moeten tegen elkaar spelen! De omstandigheden zouden nauwelijks zenuwslopender kunnen zijn: God heeft elf zeges en zeven nederlagen achter zich. De regerend kampioen staat op 10-8 en moet minstens vijf van de resterende zes partijen winnen als hij Simmons, die achtste staat (11-6), nog wil inhalen. Al is het idee dat hij nooit faalt, God staat bekend om zijn aan onverschilligheid grenzende gelijkmoedigheid, die hij ook stoïsch blijft praktiseren als hij duidelijk slechtere letters trekt dan Jighere. Ineengedoken zit hij op de zwarte plastic stoel in een vergeeld shirt van het WK 2010 in Dallas. Het lettergeluk blijft aan Jigheres kant. Hij trekt beide blanco stenen, de jokers die als elke letter inzetbaar zijn, en gaat al vroeg met 90 punten aan de leiding.

    Als er spelers zijn tegen wie je niet op achterstand wilt komen, dan zijn het wel Nigerianen. De delegatie gebruikt sinds decennia een uiterst defensieve speelwijze. Ook al hebben ze lucratieve letters, dan nog leggen ze korte woorden, zo destructief mogelijk op de sappigste bonusvelden; wat de aanvalsmogelijkheden voor de tegenstander sterk beperkt. Vanwege deze speelstijl én hun overtuiging dat ze de meest fantastische scrabblenatie ter wereld zijn, zijn Nigeriaanse spelers niet erg geliefd. Wat Jighere er geenszins van weerhoudt de ontmoeting met 424 tegen 337 uit te spelen. Maar het is vergeefs zoeken naar een teken van vreugde. ‘I won,’ mompelt hij toonloos, en begeeft zich naar de volgende tafel, waaraan hij het onderspit delft tegen een man die Winter Winter heet. Als Jighere nog slechts theoretische kansen resteren om verder te komen, wacht hem in de volgende partij ook nog Mark Nyman. Die geen god is, maar toch wel een scrabblelegende, die de ranglijst aanvoert met zestien gewonnen partijen en die ook al eens wereldkampioen was. Hij herinnert zijn tegenstanders van die fatale vrijdag daar ook graag aan door zijn lichtblauwe kampioenstrui van Maleisië 1993 te dragen. Hoewel Jighere duidelijk beter in zijn tijd zit en beide blanco stenen trekt, neemt Nyman toch de leiding van hem over. En legt bij zijn laatste beurt, in de minusminuut 26, een sterk ‘instead’. Over deze tijdoverschrijding ontstaan vervolgens grote meningsverschillen. Jighere haalt coördinator Asirvatham erbij. Nyman krijgt tien punten aftrek, maar behoudt nog altijd duidelijk de leiding met 471 tegen 388. En zo wordt het een feit: Wellington Jighere, de eerste Afrikaanse wereldkampioen scrabble in de geschiedenis van de mensheid, zal zijn titel niet prolongeren! De kampioen is dood. De Nigeriaanse president zal hem niet opnieuw bellen. De onttroonde verheft zich wankelend op zijn benen en dwaalt doelloos door de hal, terwijl hij apathisch over zijn gladgeschoren kin wrijft. Zo komt hij aan de tafel te staan waaraan ook God vecht om te overleven.

    De speler die in Lille het meest te verliezen heeft, speelt helemaal niet mee. Hij heet Dave Brannan en heeft meer dan 1 miljoen euro in het professionele scrabble geïnvesteerd. Om misverstanden te voorkomen: eigen geld. ‘Zo’n beetje alles wat ik had,’ zegt de eind-veertiger met een mix van Britse kalmte en zwaarmoedigheid in zijn stem. In zijn slechtzittende pak ziet hij er niettemin uit als een man van formaat, hij straalt een ongedwongen autoriteit uit. Vier jaar geleden verwierf Brannan de rechten op de scrabbletoernooien van spelfabrikanten Mattel en Collins, en stichtte de Mind Sports Academy als een soort plaatsvervangende bond voor het spel, waarvan hij een winstgevende, mediagenieke sport wil maken. Brannans cv wekt de indruk dat hij precies de juiste man voor deze missie zou kunnen zijn. In 1989 nam hij een klein marketingbedrijf over en zes jaar later verkocht hij het voor iets meer dan 10 miljoen pond. Hij richtte vervolgens weer een reclamefirma op en deed ook die met winst van de hand. Bovendien was Brannan lange tijd een succesvolle professionele pokerspeler, hij heeft dus verstand van toernooiorganisatie en van de spelersziel. Op grond van zijn levensloop zou je verwachten een ondoorgrondelijk pokerface te ontmoeten, die inhoudsloze managersfrasen debiteert. Maar Brannan praat verrassend openhartig. Dat hij veel te veel voor die scrabblerechten heeft betaald, verleid door de statistiek dat een op de drie Europese huishoudens een scrabblespel bezit. Zonder te bedenken dat er tussen zelf een keer scrabbelen en interesse voor het professionele sportgebeuren een diepe kloof gaapt, die slechts met dure promotie te overbruggen is. ‘Ik heb in het begin veel fout gedaan en grote bedragen verprutst. Ook omdat ik het werk van mijn voorgangers overschatte.’

    Zijn voorgangers zijn de Engelse en de Amerikaanse spelersverenigingen (WESPA en WASPA). Die organiseren de wedstrijden sinds 1991 – als doel op zich, niet met commerciële bedoelingen zoals Brannan die heeft. Nu ligt hij met ze in de clinch, omdat de verenigingen vrezen verdrongen te worden uit wat ze zelf hebben opgebouwd. Vooral met de WESPA is het moeilijk praten. ‘Ik zeg ze ook waarom. Omdat wij Engelsen nog altijd geloven dat de wereld van ons is. Ik houd van mijn land, maar het loopt zo verschrikkelijk achter. Aan de andere kant: kijk om u heen, heel Europa en Amerika vallen ten prooi aan het populisme.’ En juist daarom gelooft Brannan dat de wereld scrabble dringend nodig heeft. ‘De mensen kunnen zich niet meer concentreren. Ik zie het al bij mijn smartphone-verslaafde kinderen. Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten. Scrabble leert de kinderen weer geduld te hebben en gestructureerd te denken.’

    De Brit Brett Smitheram is de winnaar van het World Scrabble Championship 2016 in Lille. Het cruciale woord was BRACONID, een soort wesp, dat 176 punten opleverde. – © Michael Bowles / HH
    De Brit Brett Smitheram is de winnaar van het World Scrabble Championship 2016 in Lille. Het cruciale woord was BRACONID, een soort wesp, dat 176 punten opleverde. – © Michael Bowles / HH

    Zijn motieven zijn niet alleen zakelijk maar ook filantropisch van aard, wat uit zijn mond verbazend geloofwaardig klinkt. Om zijn kapitaal en de mensheid te redden predikt Brannan een revolutie in het profscrabble en maakt hij het zichtbaar en begrijpelijk in de media. Sinds kort worden de belangrijke WK-wedstrijden in een geluiddichte glazen container beslist, waar ze opgenomen worden en live op de website van Mind Sports worden gestreamd. Deze partijen worden gespeeld op een bord van 20.000 pond dat eruitziet als een ruimteschip en dat bestaat uit negen printplaten met radiofrequenties. Zo kan ieder scrabblevierkant gelezen en direct uitgezonden worden: naar een satelliet, maar ook naar een tweede, eraan gekoppelde container, waarin commentatoren zitten die de wedstrijd met behulp van eveneens nieuw ontwikkelde scrabblesoftware tot in alle details bespreken.

    Het grootste structurele probleem bij dit Masterplan is wederom de mens. Zoals misschien al uit dit verhaal bleek, zijn scrabblespelers geen geboren entertainers. Ze worden geenszins gedreven door de wens stadions vol te krijgen, in de schijnwerpers te staan en geaaid te worden. Wat Brannan intussen weinig kan schelen. ‘Ik ken de menselijke natuur. Ze zijn als een primitief volkje dat bang is voor al wat nieuw is. Dit evenement, dat me overigens 100.000 euro kost, verloopt nu voor de laatste keer op hun manier. Ik heb het lang op een vriendelijke manier geprobeerd, maar vanaf nu kom ik met de stoomwals.’

    Het zou unfair zijn om Brannan af te schilderen als de geldbeluste stoomwalsbaas, die geen gevoel heeft voor zijn personeel. De scrabblemecenas geniet van de partijen, blijft bij de borden staan (op gepaste afstand), bewondert het immense talent van de spelers, noemt ze bij de voornaam en gaat hartelijk met ze om.

    Zo hartstochtelijk als deze doorsnede van de mensheid scrabbelt, zo bespreekt ze ook het steeds waarschijnlijker wordende falen van God. Richards staat met 14-10 op de elfde plaats. De piepkleine kans Joel Wapnick (15-9) nog van de achtste plaats te verdringen bestaat alleen omdat Gods puntensaldo met +1014 drie keer zo hoog is. Zijn tegenstander is Brett Smitheram, die Cohen al op indrukwekkende wijze kansloos liet. Hij heeft zich al gekwalificeerd voor de eindronde. Maar zijn ambitie om tot godendoder op te klimmen staat de naar succes hongerende Smitheram op het voorhoofd geschreven. Helemaal als hij met Richards de glazen container van de wereldpubliciteit betreedt en naar het laserblauw stralende ruimteschipbord loopt. De spanning waarmee de andere spelers om de container van de waarheid heen staan is aanstekelijk. Misschien is Brannans visioen werkelijk uitvoerbaar. Maar als je de tactische finesses niet begrijpt, vervliegt die hoop bij de aanblik van de twee oude mannen die daar vijftig minuten lang zitten te piekeren. Juist die finesses wil Brannan door experts laten uitleggen. Hoe dan ook, goddelijk bloed is niet moeilijk te begrijpen. En het vloeit. Het wordt 406 tegen 379 voor Smitheram. God is dood!

    Zwijgende God

    Onderdeel van de live-uitzendingen is dat de deelnemers meteen na afloop van het spel een kort interview geven voor de Mind Sports-website. Maar een dode God is daar niet toe te bewegen. Dus spreekt Smitheram voor twee. Eerst over een waanzinnige, hard bevochten partij en over zijn reusachtige respect voor Richards. Daarna leest hij een zin voor die de mokkend zwijgende God heeft opgeschreven: ‘Ik ga nu mijn haar wassen.’ Als God de container verlaat, zwermen troostende discipelen rond zijn nog onbeschuimde hoofd. Maar alle geloofsbelijdenissen ten spijt – er is iets veranderd.

    De beide joodse deelnemers kan in elk geval niemand als godendoders bestempelen. Rosenkranz is na een gemene serie nederlagen van negen partijen afgezakt tot plaats 67. Maar hij is tevreden. Cohen moet verzuurd genoegen nemen met plaats 54. De eerste plaats in de voorronden is voor Mark Nyman, die jarenlang van de aardbodem verdwenen leek. Jighere is als drieëntwintigste geëindigd, en dus niet eens de succesvolste Nigeriaanse afgevaardigde, want dat is Dennis Ikekeregor, op plaats elf. Goed, Jack Mpakaboari is er ook nog, die in de B-divisie tot de play-offs is doorgedrongen. Maar de rest van de ploeg feliciteert hem nogal halfhartig met dit B-succes.

    In de kwartfinale treft de nieuwe favoriet Nyman Joel Wapnick. Zeggen dat die twee een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, is een understatement. Ze zijn elkaars trauma. In 1993 verloor Wapnick, de gepensioneerde muziekdocent uit Canada, de finale van het wereldkampioenschap tegen Nyman. ‘Dat liet me vijf jaar lang niet met rust,’ zegt hij. In 1999 vond Wapnick eindelijk vrede toen hij Nyman met zegge en schrijve één punt verschil versloeg in de finale. Wat op zijn beurt Nyman in een zware depressie stortte, tot een zenuwinzinking aan toe. Hij verdween enkele jaren uit beeld, zijn huwelijk liep stuk. Naar verluidt nam Nyman in deze periode heel onvoordelige financiële beslissingen. Maar de Nyman die nu weer met Wapnick de ruimteschip-container instapt, is een goed geconserveerde, weldoorvoede man van begin vijftig.

    In de play-offs gaat degene die als eerste drie zeges boekt door – een best-of-fiveserie. Na drie partijen staat het 2-1 voor trauma-Nyman. In de vierde partij vecht trauma-Wapnick voor zijn leven en haalt bijna een achterstand van 136 punten in. Bijna. ‘Dat waren heel typerende partijtjes voor ons,’ becommentarieert de verslagen maar beheerste Wapnick. Nyman is het met hem eens en benadrukt hoe beslissend mentale kracht is in het scrabble. Die heeft hij dringend nodig in de aansluitende halve finale tegen Adam Logan, die hij pas in het vijfde spel in zijn voordeel beslist. Godendoder Smitheram schakelt eerst de duidelijk favoriete David Webb uit. En in de halve finale de ervaren en ook sterker ingeschatte ex-finalist Lewis Mackay. Jack Mpakaboari bereikt de finale van de B-divisie, die uitgevochten wordt tegen de Amerikaanse (ja, hier duikt een vrouw op!) Sandy Nang. Zijn Nigeriaanse collega’s nemen er welwillend maar opvallend terloops kennis van.

    ‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is’

    Op de zondag van de finale zijn twee mensen bijzonder opgewonden: de CEO van Mind Sports, David Brannan, en de door God gebroken noodlotscoördinator Asirvatham. Ze zijn, net als de nog niet afgereisde spelers, getuige van een zeer eenzijdig eerste eindspel in de A-divisie. Omdat Nyman voortdurend onvruchtbare letters trekt en geen kans heeft tegen de met geluk grabbelende en foutloos opererende Smitheram. In het tweede spel leidt Nyman met 170 punten, maar hij wordt onvoorzichtig en geeft het zeker geachte gelijkspel weg. Nu heeft de godendoder nog maar één gewonnen spel nodig tot aan de Olympus. Ondertussen is de kampioen van de B-divisie al bekend. Hij heet Jack Mpakaboari en heeft het rechtstreeks in drie partijen beslist. Onverhoeds straalt Nigeria’s scrabblester met een gouden gloed in Lille! De hele delegatie valt de lange en mollige Mpakaboari in de armen en jubelt alsof ze nooit op iets anders uit waren dan de titel in de B-divisie. Om de overwinning te vieren vertrekken ze in feeststemming naar de Kentucky Fried Chicken. De stemmen van de luidkeels zingende mannen schallen door de zondagsrust in binnenstad.

    Nyman, met de rug naar de glaswand, begint de derde partij voorzichtig. Maar hij wordt door Smitheram vrij snel tot aanvallender spel gedwongen. Hij legt ‘dartled’ en gaat met 164 tegen 92 aan de leiding. Het zal de laatste keer zijn, want algauw volgt de gouden zet, die de godendoder Smitheram de eindzege oplevert: ‘Braconid’ – een parasitaire wespensoort in Zuid-Amerika. Perfect uitgespeeld met driemaal woordwaarde, maximaal vergoed met 178 punten. Van deze klap herstelt Nyman niet meer, en hij gaat vernederd ten onder met 351 tegen 628. Zijn smartelijke en toch milde glimlach in deze laatste, uitzichtloze minuten ontroert de toeschouwers. ‘Mark heeft er vrede mee,’ fluisteren de andere spelers.

    Een beetje op de achtergrond hangt financier Brannan op een plastic stoeltje. Als een uitgetelde zwaargewichtbokser, afwezig voor zich uit starend. ‘Bent u tevreden over de manifestatie, mister Brannan?’ ‘Wel, we hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is,’ krast hij hees. Hij is zichtbaar oververmoeid.

    Daar komt Asirvatham aangeruist: ‘Dave, een journalist van The New York Times wil je spreken.’ De zojuist nog uitgetelde Brannan springt overeind en staat in een seconde stevig op twee benen. Nadat Smitheram zijn bokaal overhandigd heeft gekregen en met het winnende bord van de laatste partij is gefotografeerd, vraagt het publiek hem of hij nu officieel beter is dan God (die al afgereisd is). Smitherams ogen lichten giftig op en hij antwoordt: ‘Ik zie hem hier niet op mijn plaats. Dus zonder enige twijfel: ja! Maar hij is van harte uitgenodigd om het tegendeel te bewijzen.’

    De scrabbleonderdanen weten zich geen raad van vreugde. Hun lang gekoesterde vrees slaat, onder vreugdekreten, om in heiligschennis.