Tag: goethe

  • Filosoof Byung-Chul Han: ‘Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen’

    Filosoof Byung-Chul Han: ‘Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen’

    We hebben een universeel narratief nodig om de stukjes informatie die we dagelijks tot ons nemen te kunnen duiden, aldus de Koreaans-Duitse filosoof. Dat narratief moeten we niet in de filosofie, maar in de kunsten zoeken.

    De uit Zuid-Korea afkomstige Duitse hoogleraar filosofie en cultuurtheorie Byung-Chul Han is de auteur van onder meer Müdigkeitsgesellschaft (De vermoeide samenleving) en Vom Verschwinden der Rituale (in het Engels vertaald als The Disappearance of Rituals). Hij sprak onlangs met Nathan Gardels, de hoofdredacteur van Noema.

    Nathan Gardels: Goethe heeft ooit gezegd: ‘Tijdperken van achteruitgang en verval zijn allemaal subjectief, terwijl alle tijdperken van vooruitgang een objectieve richting hebben. Elk capabel streven richt zich niet op de binnen- maar op de buitenwereld.’ 

    Volgens dat criterium leven wij in een tijd van verval, waarin belangstelling voor de buitenwereld plaatsmaakt voor de innerlijke obsessie met identiteit en ‘authenticiteit’, zowel individueel als tribaal, dit alles aangewakkerd door de digitale connectiviteit. Paradoxaal genoeg zijn de sociale media in dit opzicht juist asociaal, ze leiden tot het uiteenvallen van gemeenschapsbanden door een soort eenzaamheid in verbondenheid. Wat is de dynamiek en wat zijn de mechanismen achter wat u een ‘gemeenschapscrisis’ noemt? Wat zijn de gevolgen voor ons alledaagse doen en laten?

    Byung-Chul Han: Het in zichzelf gekeerde, narcistische ego dat alleen nog in subjectief contact met de wereld staat, is niet de oorzaak van de sociale desintegratie, maar het gevolg van een noodlottig proces op objectief niveau. Alles wat ons met elkaar verbindt is aan het verdwijnen. We hebben bijna geen gedeelde waarden of symbolen meer, geen gemeenschappelijke verhalen die mensen verenigen. 

    De waarheid, die zin en richting aan ons leven zou moeten geven, is nu ook maar gewoon een verhaal. We zijn heel goed geïnformeerd, maar kunnen op de een of andere manier geen richting vinden. De informatisering van de werkelijkheid leidt tot de verbrokkeling ervan, tot van elkaar gescheiden sferen van wat men voor waar houdt. 

    Maar waarheid heeft een middelpuntzoekende kracht, die houdt de samenleving bijeen, anders dan informatie. Informatie is een middelpuntvliedende kracht, met zeer schadelijke gevolgen voor de maatschappelijke samenhang. Als we willen begrijpen in wat voor maatschappij we leven, moeten we goed begrijpen wat het wezen van informatie is.

    Byung-Chul Han

    Byung-Chul Han heeft een brede aanhang in de kunstwereld, waar zijn oorspronkelijk in het Duits geschreven essays over moderne omstandigheden als vervreemding, eenzaamheid, de fragmentatie en desintegratie van de werkelijkheid en de rol van de technologie, met lof en scepsis zijn ontvangen. Zijn laatste boek Undinge (Nonobjects), werd eerder dit jaar gepubliceerd.

    Stukjes informatie kunnen geen zin of richting aan ons leven geven. Ze smelten niet samen tot een verhaal, ze zijn louter cumulatief. Vanaf een bepaald punt zijn ze niet langer aan het informeren, maar aan het deformeren, ze vervormen de werkelijkheid. Ze kunnen de wereld zelfs duisterder maken. Daarin zijn ze tegengesteld aan waarheid. Waarheid verlicht de wereld, terwijl informatie leeft op de aantrekkingskracht van verrassing, ons meesleept in één lange roes van vluchtige momenten. 

    Informatie onthalen we op fundamenteel wantrouwen: alles kan ook best anders zijn. Onzekerheid is een wezenskenmerk van informatie, en daarom is nepnieuws een niet weg te denken element van de informationele orde. Nepnieuws is dus ook maar gewoon een stukje informatie, en nog voordat het kan worden getoetst heeft het zijn werk al gedaan. Het snelt de waarheid voorbij en is door de waarheid niet meer in te halen. Nepnieuws is waarheidsbestendig. 

    Fundamenteel wantrouwen

    Informatie gaat gepaard met fundamenteel wantrouwen. Hoe meer we met informatie te maken krijgen, des te dieper ons wantrouwen wordt. Informatie is een januskop: ze brengt tegelijkertijd zowel zekerheid als onzekerheid voort. Fundamentele structurele ambivalentie is inherent aan de informatiemaatschappij. 

    Waarheid vermindert de onzekerheid juist. We kunnen geen stabiele samenleving of democratie bouwen op een massa onzekerheden. Democratie vereist waarden en idealen die ons verbinden en overtuigingen die we delen. Tegenwoordig maakt democratie plaats voor infocratie.

    Een andere reden voor de crisis van onze samenleving, die een crisis van de democratie is, is gelegen in de digitalisering, zoals uw vraag al suggereert. Digitale communicatie verandert de loop van de communicatiestromen. Er wordt informatie verspreid zonder dat er een publiek domein wordt geschapen. Die informatie ontstaat in de privéruimte en wordt verzonden naar andere privéruimtes. Het wereldwijde web creëert geen publieke sfeer.

    Goethe

    Alle im Rückschreiten und in der Auflösung begriffenen Epochen sind subjektiv, dagegen aber haben alle vorschreitende Epochen eine objektive Richtung. (…) Jedes tüchtige Bestreben dagegen wendet sich aus dem Innern hinaus auf die Welt.

    Dat is bijzonder schadelijk voor het democratisch proces. De sociale media versterken deze vorm van communicatie zonder gemeenschap. Influencers en volgers kun je niet tot een publieke sfeer smeden. Digitale gemeenschappen hebben de vorm van commerciële producten, en zijn dat uiteindelijk ook.

    Vroeger had je natuurlijk ook al informatie. Maar die was niet zo bepalend voor de samenleving als tegenwoordig. In de Oudheid hadden verhalen uit de mythologie een bepalende invloed op het doen en laten van de mensen. In de middeleeuwen werd dat voor velen bepaald door het christelijke narratief. Maar informatie was in die verhalen ingebed. Een uitbraak van de pest was niet louter informatie. Die maakte deel uit van het christelijke verhaal over zonde en boete.

    Tegenwoordig hebben we geen verhalen meer om ons leven zin en richting te geven. De verhalen verbrokkelen en vallen uiteen in informatie. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat er niets anders meer is dan informatie, zonder hermeneutische horizon voor de interpretatie ervan, zonder een methode om de informatie te duiden. De stukjes informatie klonteren niet samen tot kennis of waarheid, zoals in verhalen gebeurt.

    Die narratieve leemte van de informatiemaatschappij leidt tot ontevredenheid bij burgers, zeker in tijden van crisis, zoals de pandemie. Mensen gaan dan verhalen verzinnen om de vloedgolf aan verwarrende gegevens en cijfers te verklaren. Die verhalen worden vaak complottheorieën genoemd, maar ze kunnen niet simpelweg op het conto van collectief narcisme worden geschreven. Ze leveren panklare verklaringen van de wereld. Op internet ontstaan ruimtes waar het weer mogelijkheid is een ervaring van identiteit en collectieve verbanden te ondergaan. Zo krijgt het internet een tribaal karakter, vooral onder extreemrechtse groeperingen, die een sterke behoefte hebben aan een identiteitsgevoel. In die kringen worden complottheorieën gezien als mogelijkheden om een identiteit aan te nemen.

    Nietzsche heeft ooit gezegd dat geluk voor ons schuilt in het bezit van een onomstotelijke waarheid. Tegenwoordig beschikken we niet meer over zulke onomstotelijke waarheden. In plaats daarvan hebben we een overvloed aan informatie. Ik weet niet zeker of de informatiemaatschappij wel een voortzetting is van de Verlichting. Misschien zijn we toe aan een nieuwe verlichting. Daarover schreef Nietzsche: ‘Het is niet genoeg dat je beseft in welke onwetendheid mens en dier leven, je moet die onwetendheid ook nastreven en aanleren. Je moet beseffen dat zonder dit soort onwetendheid het leven zelf onmogelijk is, dat die voor al wat leeft een voorwaarde is om stand te houden en tot bloei te komen.’

    Narratieve banden

    Nathan Gardels: In uw laatste boek schrijft u dat de objectieve narratieve banden die een samenleving bijeenhouden vroeger gesmeed werden door maatschappelijke rituelen. Die ‘stabiliseerden het leven’, schrijft u. Nu worden die rituelen belaagd door de sloopkogel van de deconstructie, het zouden slechts de producten zijn van de bevoorrechte klasse die in het verleden de macht had om anderen deze rituelen op te leggen. In de horizontaal georganiseerde wereld van nu, die geen legitieme waardenhiërarchie meer kent, wordt die leemte gevuld door subjectieve projectie.

    Hoe kunnen uit de puinhopen van deze objectieve orde de stabiliserende ankers van het ritueel ooit weer in ere worden hersteld? Op welke grondslag? Op wiens gezag? En hoe zal het leven eruitzien als dat niet mogelijk blijkt?

    Byung-Chul Han: Ik pleit er niet voor om de rituelen uit het verleden nieuw leven in te blazen. Dat is simpelweg niet mogelijk, want de rituelen van de westerse cultuur zijn zeer nauw verbonden met het christelijk narratief. En dat is nu overal sterk op zijn retour. Daar is weinig meer van over dan de kerstviering.

    Rituelen geven een gemeenschap vorm. Anders dan uw vraag suggereert, is het niet onvermijdelijk dat rituelen bestaande machtsverhoudingen bestendigen. Integendeel. Met carnaval worden die verhoudingen omgedraaid, zodat de slaven hun meesters kunnen bekritiseren en zelfs bespotten. De rollen worden dan vaak omgedraaid: de meesters bedienen hun slaven en de nar bestijgt de troon als koning. Zo’n tijdelijke rituele opschorting van de heersende machtsverhoudingen houdt een gemeenschap in evenwicht.

    In een wereld die volledig van rituelen verstoken is en volkomen seculier is, resteert alleen nog consumptie en behoeftebevrediging. Dat is de brave new world van Aldous Huxley, waarin elke behoefte onmiddellijk wordt bevredigd. De mensen worden monter gehouden met behulp van pret, consumptie en vertier. De overheid distribueert de drug ‘soma’ om het geluksgevoel van de bevolking te verhogen. In onze eigen brave new world krijgen mensen wellicht een universeel basisinkomen en onbeperkte toegang tot games. Dat zou de nieuwe versie van brood en spelen zijn.

    Nietzsche

    Es ist nicht genug, daß du einsiehst, in welcher Unwissenheit Mensch und Tier lebt: du mußt auch noch den Willen zur Unwissenheit haben und hinzulernen. Es ist dir nötig, zu begreifen, daß ohne diese Art Unwissenheit das Leben selber unmöglich wäre, daß sie eine Bedingung ist, unter welcher das Lebendige allein sich erhält und gedeiht: eine große, feste Glocke von Unwissenheit muß um dich stehen.

    Maar ik ben daar niet alleen maar pessimistisch over. Misschien ontwikkelen we wel nieuwe narratieven, verhalen zonder hiërarchie. We kunnen ons best een vlak narratief voorstellen. Elk narratief ontwikkelt zijn eigen rituelen met de bedoeling daar een gewoonte van te maken, ze in het fysieke lichaam te verankeren. Cultuur kweekt gemeenschap.

    Wat na de pandemie vooral aan herstel toe is, is de cultuur. Culturele evenementen zoals theater, dans en zelfs voetbal hebben een ritueel karakter. Alleen door middel van die rituele vormen kunnen we de gemeenschap nieuwe kracht geven. De cultuur wordt tegenwoordig alleen door instrumentele en economische relaties bijeengehouden. Maar zo creëer je geen gemeenschappen – zo isoleer je mensen juist. Vooral kunst moet een centrale rol gaan spelen bij het herbronnen van rituelen.

    Wat we vooral nodig hebben, zijn tijdelijke structuren om het leven te stabiliseren. Waar alleen nog de korte termijn bestaat, verliest het leven alle stabiliteit. Stabiliteit is iets van de lange duur: trouw, onderlinge banden, integriteit, toewijding, beloften, vertrouwen. Dat zijn de sociale praktijken die een gemeenschap bijeenhouden. Die hebben allemaal een ritueel karakter. Ze vergen allemaal veel tijd. De huidige terreur van de korte termijn – die we funest genoeg verwarren met vrijheid – is fnuikend voor de praktijken die tijd vergen. Om die terreur te bestrijden hebben we behoefte aan een heel andere tijdspolitiek.

    ​Vieringsruimtes

    In Le petit prince wil de vos dat de kleine prins elke dag op hetzelfde tijdstip bij hem langskomt, zodat zijn bezoek een ritueel wordt. De kleine prins vraagt de vos wat een ritueel is. ‘Dat is iets wat maar al te vaak vergeten wordt,’ zegt de vos dan. ‘Dat is wat een bepaalde dag anders maakt dan andere dagen, een uur anders dan andere uren.’

    Je zou rituelen kunnen definiëren als tijdstechnieken die onderdak bieden, die ‘in de wereld zijn’ veranderen in ‘thuis zijn’. Rituelen verhouden zich tot de tijd zoals dingen zich verhouden tot de ruimte. Ze stabiliseren het leven door structuur aan te brengen in de tijd. Ze geven ons als het ware vieringsruimtes: ruimtes die we kunnen betreden om iets te vieren. 

    Petit Prince

    – Qu’est-ce qu’un rite? dit le petit prince.
    – C’est quelque chose trop oublié, dit le renard. C’est ce qui fait qu’un jour est différent des autres jours, une heure, des autres heures.

    In hun hoedanigheid van tijdsstructuur leggen rituelen de tijd vast. Een tijdsruimte die je kunt betreden om iets te vieren gaat niet voorbij. Zonder zulke tijdsstructuren wordt de tijd één woeste stroom die ons uit elkaar rukt en van onszelf vervreemdt.

    Nathan Gardels: U hebt gezegd dat we voor de verlossing uit de door u beschreven toestand naar de kunsten moeten kijken, omdat de filosofie niet meer de levensveranderende kracht heeft die ze ooit had. Wat bedoelt u daarmee?

    Byung-Chul Han: Filosofie heeft de kracht om de wereld te veranderen. De wetenschap is in Europa pas begonnen met Plato en Aristoteles. Zonder Rousseau, Voltaire en Kant was de Europese Verlichting ondenkbaar geweest. Nietzsche wierp een volledig nieuw licht op de wereld. Het kapitaal van Marx luidde een nieuw tijdperk in. 

    Paul Klee

    Einer der meistzitierten Sätze von Paul Klee, vom frühen Tagebuchwort wurde es zu seiner Grabinschrift:Diesseitig bin ich gar nicht faßbar. Denn ich wohne grad so gut bei den Toten, wie bei den Ungeborenen. Etwas näher dem Herzen der Schöpfung als üblich. Und noch lange nicht nahe genug.

    Maar tegenwoordig heeft de filosofie die kracht volledig verloren. Ze is niet meer in staat een nieuw narratief voort te brengen. De filosofie is een academische, specialistische wetenschap geworden. Ze is niet meer op de wereld en op het heden gericht.

    Hoe kunnen we die ontwikkeling tenietdoen en ervoor zorgen dat de filosofie haar magische kracht om de wereld te veranderen herwint? Ik denk dat de kunsten, anders dan de filosofie, nog steeds in een positie verkeren waarin ze ons een glimp van een nieuwe vorm van leven kunnen voortoveren. Kunst heeft altijd nieuwe werkelijkheden geschapen, nieuwe manieren om naar de wereld te kijken. Zijn leven lang zei Paul Klee: ‘In het hiernumaals ben ik ongrijpbaar. Want ik woon evengoed bij de doden als bij de ongeborenen. Iets dichter bij het hart van de schepping dan gebruikelijk. En toch nog niet dichtbij genoeg.’

    Het zou best kunnen dat kunst dichter bij het hart van de schepping staat dan de filosofie. Daar kan dus iets totaal nieuws ontstaan. De revolutie kan beginnen met zoiets kleins als een ongekende kleur, een ongekend geluid. 

    Lees ook:

  • Wandelen naar de 
wijsheid

    Wandelen naar de 
wijsheid

    Wandelen is een hype onder hoogopgeleide Duitse jongeren. Niet zo gek, schrijft journalist Dirk Schümer. Filosofen weten al eeuwenlang dat lopen dé manier is om je hoofd vrij te maken.

    De meest filosofische van alle vragen luidt: hoe gaat het? Het meest onpeilbare van alle antwoorden is: gaat wel. Nergens beter dan in onze taal laten zin en succes van het bestaan zich terugbrengen tot een trektocht. Dat is meer dan een taalkundig toeval. Wanneer we het bestaan een ‘lange tocht in het onbekende’ noemen, is dat zeker geen platte surrogaatreligie, waarbij alle tegenslag en vreugd overgoten wordt met een mystiek sausje.

    Het tegendeel is waar: wandelen is de laatste jaren echt een trendy bezigheid geworden voor intellectuelen en jonge mensen. Voorbij is de tijd dat lopen over bospaden een plezierige vrijetijdsbesteding betekende voor de bejaarden van de bergvereniging. Wandelen – dat klonk naar bezwete blokhemden, benauwde avondjes in een trekkershut, romantiek bij het kampvuur, en groepsuitstapjes met bijbehorende semimilitaire opsmuk. Het rook naar een Duitsland dat liefst zo snel mogelijk moest verdwijnen: wandeldagen, wandelspeldjes, wandelliederen, wandelgidsen.

    De therapeutische werking van het lopen is door de medische wetenschap intussen te uit en te na aangetoond. Wandelen helpt tegen zo’n beetje elke welvaartsziekte, van hoge bloeddruk en burn-out tot artrose en depressie. Maar wandelen helpt vooral ook het hoofd vrij te maken: het opent nieuwe wegen en perspectieven voor vastgeroeste denkmodellen.

    Vandaag leven hele landstreken, van de Lüneburger Heide tot aan het Beierse Woud, van de nieuwe wandelhype. In plaats van gezette heren in kniebroek 
en klederdrachtjasje lopen hippe stadsgirls kleurig functioneel gekleed de gecertificeerde top-trails die Bonn verbinden met Wiesbaden (Rheinsteig), 
Hamburg met Celle (Heidschnuckenweg) of Trier met Boppard (Saar-Hunsrück-Steig). De producenten van wandelkleding, stokken, navigatiesystemen groeien harder dan de auto-industrie.
    Maar wat heeft dat allemaal met filosofie te maken? Hebben we bij het stappen soms een handboek westerse filosofie nodig? Nee natuurlijk: iedereen kan zonder boek en leermeester wandelen, dat simpele is er juist zo mooi en democratisch aan. Maar de omgekeerde vraag is wel interessant: kunnen we eigenlijk wel op hoog niveau denken zonder dat we ons voortbewegen?

    Heideggeriaanse dwaalwegen

    Dit is geen nieuw inzicht, denk maar aan de Duitse romantici en de heideggeriaanse dwaalwegen in het Zwarte Woud. Maar de wandelboom van de filosofen is Duitsland allang ontgroeid. Het is een wereldwijde beweging geworden. Niet zozeer een Duits exportproduct, als wel een denkrichting met een groot respect voor de pioniers van het lopend denken zoals Goethe, Nietzsche en Heidegger. Op de kronkelpaden van de wandelfilosofie vindt het al te intellectuele denken weer opnieuw zijn wortels: aan de voeten.

    Neem de Italiaanse filosoof Duccio Demetrio die in zijn vaderland behalve de stichting van een Accademia del silenzio ook verschillende boeken over wandelen op zijn naam heeft staan. En dat terwijl Italië doorging, en -gaat, voor het land van Ferrari, of toch in elk geval Fiat-rijders, die de 500 meter voor een pakje sigaretten het liefst met ronkende motor afleggen.

    Worden wandelaars in Italië dan beschouwd als rare snuiters die in een snikhete woestenij verdwaald zijn geraakt tussen espressobar en ijssalon? Absoluut niet. En dat niet alleen omdat de afgelopen jaren de oeroude pelgrimsweg tussen Lucca en Rome door de Apennijnen, de Via Francigena, logistiek werd ontsloten, bewegwijzerd en naar het lucratieve voorbeeld van de route naar Santiago de Compostella nieuw leven werd ingeblazen. Demetrio levert de 
Italiaanse wandeltheorie er meteen bij: hij gaat terug naar de oudste filosofenschool in Athene, waar Aristoteles zijn leerlingen peripatetisch – dus op en neer wandelend – onderrichtte.

    De Duitse filosoof en wandelaar Martin Heidegger in zijn tuin, rond 1964. – © Getty Images
    De Duitse filosoof en wandelaar Martin Heidegger in zijn tuin, rond 1964. – © Getty Images

    Dat causale verband tussen je bewegen en inzicht krijgt volgens Demetrio zijn vervolg in de kruisgangen van de westerse abdijen en in de pelgrimstochten naar Jeruzalem, Rome en Compostella. En was de eerste man van wie geschreven staat dat hij uit honger naar kennis een berg beklom, niet ook een Italiaan? Vrijwel geen enkel wandelboek kan voorbij aan Francesco Petrarca die al in het jaar 1356 de steile Mont Ventoux in de Provence beklom, omdat hij als denker overzicht wilde krijgen.

    Demetrio spreekt in dit verband van een ‘mediterrane meditatie’ – wandelen als een mediterrane bestaansvorm van een in gelatenheid loslaten: alleen wie voortgaat, verlaat zijn standpunt, laat zich inhalen en krijgt steeds weer nieuwe in- en uitzichten. Leven vanuit deze Europese traditie betekent je niet afzonderen in geboden en axioma’s, maar voortdurend onderweg zijn.

    Voor Demetrio is Goethe, die in Rome zijn volmaakte landschap zag, de wandelaar die bij uitstek als schakel kan dienen tussen de Middellandse Zee en de donkere wouden van de romantiek. Na Goethe waren het de tragische Duitse intellectuelen die in de bossen een tegenwicht ontdekten voor de vervuilende industrie en de rationele Verlichting.

    Voor de Franse wandelfilosoof Jean-Louis Hue vormt natuurdenker Jean-Jacques Rousseau het ideaaltype. In zijn essay ‘L’ apprentissage de la marche’ (Leren lopen) schetst landloper Hue zijn voorbeeld Rousseau als de man die in gepeins verzonken van nature beweegt.

    Hue laat ook zien dat de esthetische praktijk van het wandelen niet in Europa werd uitgevonden, maar in het Verre Oosten: door Chinese monniken die zoekend naar verheffing rondstapten tussen drakenbergen. Of in het klassieke Japan, waar men al eeuwen geleden tien wandellandschappen onderscheidde en die al naar gelang de stand van de zon, het jaargetijde en het weer, bij de echte kenners aanbeval. Wat stellen in vergelijking hiermee onze eigen moderne routeplanners, wandelspeldjes en vaste bagagetarieven dan eigenlijk voor?

    Echte wandelaars lopen het risico de weg kwijt te raken, dwaalwegen te volgen, zich nat te laten 
regenen en het soms met blaren onder de voeten het allemaal niet meer te weten

    Hue kwam op het geniale idee om de wandelfilosofie zogezegd ‘fenomenologisch’ te schragen door de wandelstokken van zijn idool Rousseau te bestuderen. Met een ervan mocht hij zelfs een paar stappen zetten. Ook Thomas Hobbes, die in het handvat van zijn stok een inktpotje en een ganzenveer bewaarde om zijn ideeën te kunnen noteren, kon trouwens niet zonder attributen. En dat gold ook voor Friedrich Nietzsche, die nooit zonder gele paraplu door de bergen van het Engadin liep: dat gaf houvast op steil terrein, beschermde de denker bij regen tegen een verkoudheid en gaf zijn ogen bescherming tegen de zon.

    Zo zie je maar dat de wereldwijde wandelfilosofie niet over uitgesleten paden gaat. De Californische kunstcritica en feministe Rebecca Solnit heeft het genre zelfs verankerd in een landstreek waar banneling Günther Anders in 1940 nog gearresteerd werd omdat hij het waagde te gaan wandelen in Los Angeles.

    In Solnits voetsporen is de politieke trektocht momenteel uitermate populair bij pacifistische natuurfreaks. Alleen de oorspronkelijke titel van haar prachtige handboek vormt natuurlijk al een hommage aan het model van het Duitse middelgebergte: Wanderlust. Dit romantische begin past naadloos in de praktijk van demonstraties, van kritische bewaking van plekken en van fysiek verzet die door de feministe Solnit uit een referentieloze verplaatsing zijn ontwikkeld. We hoeven alleen maar terug naar de wijsheid van de peuter die leert lopen door voortdurend te vallen.

    Dat politieke ‘gaan’ zien we ook terug in de antikoloniale protestmarsen van Gandhi en de weerspannige stedelijke Stalker-groep rond de Italiaanse stadfilosoof Francesco Careri. Zij meten de kwaliteit van de ruimte aan verlaten industrieruïnes, bouwgaten en groenstroken naast asfalt, rails en beton.

    Careri’s leer van het junglewandelen door de stad past bij rappers die freestyle langs brugleuningen en door tunnels turnen of bij wildgolfers die in parken en metro’s spelen. Maar sport, dat weet Foucault-expert Frédéric Gros ook slaapwandelend zeker, dat nooit.

    Onthaasting

    Deze persoonlijke, niet te meten en te commercialiseren onthaasting heeft de Franse filosoof ook meesterlijk beschreven in zijn in het Nederlands vertaalde boek Wandelen – een filosofische gids. Op zijn poëtische zwerftochten beziet Gros het genre van alle kanten. Met hem creëert het meanderende denken en passant een antiwereld tegen de razende stilstand van de digitale beweging. Waar de nerds hun kunstmatige wereld betreden met een elektronische handschoen om zich door de software te worstelen, blijven ze toch steken in het siliconen foedraal van het postmoderne.

    Echte wandelaars lopen het risico de weg kwijt te raken, dwaalwegen te volgen, zich nat te laten 
regenen en het soms met blaren onder de voeten het allemaal niet meer te weten. Die relativering door de realiteit doet het denken alleen maar goed, terwijl de profeten van het beeldscherm net zo vast aan hun stoel blijven plakken als de rationalisten van 
het zinnelijk-concrete.

    Zijn hele leven heeft hij gewandeld, schrijft Jean-Louis Hue, om het nu, nu hij oud wordt en zijn voeten zwaar zijn, eindelijk te kunnen. Dat sluit aan op de opmerking van Lao Zi dat ook de verste reis altijd met een kleine stap begint. En is deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid niet de kwintessens van wijsheid? Als 
je na lange wegen eindelijk hebt leren lopen, is het inderdaad zo ver: tijd om te gaan.

    Auteur: Dirk Schümer

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.