Tag: Greyhound

  • Waarom we vaker met vreemden moeten praten

    Waarom we vaker met vreemden moeten praten

    Velen van ons zijn opgevoed met het idee dat onbekenden gevaarlijk en eng zijn. Maar wat zou er gebeuren als we dat idee loslaten en vreemden gaan zien als een mogelijke bron van troost en saamhorigheid?

    Het grootste deel van haar leven heeft Nic andere mensen gemeden. Ze werd grootgebracht door een opvliegende vader en een moeder die haar eigen trauma op haar dochter projecteerde. Die combinatie heeft Nic angstig en eenzaam gemaakt. ‘Mijn primitieve brein was zo geprogrammeerd dat ik voor iedereen bang was, omdat ik had geleerd dat mensen slecht zijn en je pijn doen,’ vertelt ze me. (Nic heeft me gevraagd alleen haar voornaam te gebruiken, om haar privacy te beschermen.)

    Nics angst is niet ongebruikelijk in een land waar belangrijke lessen over ‘het gevaar van onbekenden’ erin kunnen resulteren dat je iedereen die je niet kent beschouwt als een potentieel gevaar. Maar Nic zag in dat dit een ongezonde houding is en heeft stappen gezet om zich te kunnen verhouden tot de rest van de wereld. Toen ze ouder werd, ging ze reizen, op zoek naar nieuwe contacten.

    Op haar zeventiende ging ze tien dagen met haar klasgenoten naar Europa en het viel haar op dat de mensen daar geregeld een praatje met haar aanknoopten. ‘Als de mensen in Europa zomaar met me wilden praten, ben ik misschien toch niet zo slecht,’ dacht ze. ‘En misschien ga ik niet per se dood als ik zelf eens iemand aanspreek.’

    Ze ging vaker op reis en leerde meer mensen kennen. Ze was altijd gespannen, voelde angst en zette zich schrap voor het ergste, maar het ging telkens goed. Ze kwam erachter dat onbekenden, anders dan wat haar altijd was voorgehouden, helemaal niet eng of gevaarlijk zijn. Sterker nog, ze boden haar troost en een gevoel van saamhorigheid. Ze verruimden haar wereld.

    ‘Greyhound Therapy’

    Nic heeft hier tegenwoordig een naam voor: ‘Greyhound Therapy’. Die term verwijst letterlijk naar gesprekjes met degene die naast je in de Greyhound-bus zit, maar is net zo goed van toepassing op gesprekken met andere onbekenden op andere plekken – in een restaurant, bij een bushalte, in een supermarkt.

    Deze manier van contact maken heeft haar leven veranderd. In tijden waarin ze het moeilijk heeft zoekt ze troost bij onbekenden en probeert zo ‘de eenzaamheid op afstand te houden’, vertelt ze me.

    ‘En werkt dat?’ vraag ik.

    ‘Ik kom vaak thuis met de meest fantastische verhalen’

    ‘God, ja,’ zegt ze. ‘Ik kom vaak thuis met de meest fantastische verhalen – oké, ik heb niemand om ze mee te delen, maar die verhalen zelf neemt niemand me meer af.’

    Nics ervaring is veelzeggend. Uit een enorme hoeveelheid onderzoek blijkt dat de kwaliteit van iemands sociale contacten van grote voorspellende waarde is voor zijn geluk en welbevinden. In de meeste van die onderzoeken is echter alleen gekeken naar hechte banden: met familie, vrienden of collega’s.

    De afgelopen vijftien jaar zijn wetenschappers zich gaan afvragen of interactie met onbekenden goed voor ons is: niet als vervanging van die hechte banden, maar als aanvulling erop. De resultaten van die onderzoeken zijn opmerkelijk. Keer op keer blijkt dat we ons na een praatje met een onbekende gelukkiger voelen, meer onderdeel van de samenleving, dat we er mentaal scherper van worden, gezonder, minder eenzaam, dat het ons vertrouwen geeft en optimisme. Toch aarzelen velen van ons, net als Nic aanvankelijk deed, voor ze dergelijke interacties aangaan, al helemaal sinds het coronavirus ons sociale leven zo aan banden heeft gelegd.

    ‘Onderschat nooit het belang van een positieve connectie’

    Tegenwoordig is Nic een succesvolle verpleegkundige die als geen ander in staat is contact te maken met haar patiënten. Ze is getrouwd met een lieve, sociale man. Ze reist nog altijd graag en probeert dan de mensen die naast haar zitten te peilen, of de mensen die in hun eentje aan een tafeltje of aan de bar zitten. Als die mensen een koptelefoon op hebben of ongeïnteresseerd lijken, laat ze hen met rust. Maar als ze ontvankelijk lijken, zegt ze: ‘Hallo, ik ben Nic’ en dan ziet ze wel hoe het verder loopt.

    Ze is niet overmoedig of naïef en ze is goed in staat mensen in te schatten, voelt het snel aan als er iets niet goed zit. Maar de gesprekken verlopen meestal prima, wat haar sterkt in het idee dat er veel goeds is in de wereld en dat mensen zich verbonden kunnen voelen met anderen. Ze zegt dat deze ervaringen haar een waardevolle les hebben geleerd: ‘Onderschat nooit het belang van een positieve connectie, hoe klein ook.’

    Minimale sociale interacties

    In de psychologie wordt het soort uitwisselingen waar Nic het over heeft ‘minimale sociale interacties’ genoemd. Psycholoog Gillian Sandstrom ervoer zo’n tien jaar geleden een vergelijkbare openbaring. Zij was opgegroeid in Canada, bij extraverte ouders die graag een praatje aanknoopten met onbekenden. Sandstrom, die zichzelf altijd als introvert had beschouwd, realiseerde zich op een dag dat ze altijd naar de grond keek als ze over straat liep. ‘Wat stom eigenlijk, dacht ik,’ zegt ze. Dus besloot ze oogcontact met mensen te maken en ze merkte al snel dat dat eigenlijk heel prettig was. Na niet al te lange tijd begon ze ook met onbekenden te praten. Het verbaasde haar hoe makkelijk en leuk dat was.

    In de metro zag ze een keer een vrouw met een doos kunstig versierde cupcakes, en daar vroeg ze iets over. ‘Ik weet niet meer precies hoe het gesprek liep, maar ik leerde van haar dat mensen op struisvogels kunnen rijden,’ zegt Sandstrom. ‘Ik was verkocht. Het was gewoon een ontzettend leuk gesprek. Dat wilde ik vaker.’ Later, tijdens een stressvolle periode in haar studie, putte Sandstrom troost uit een nog kleiner, terugkerend contactmoment: zwaaien en glimlachen naar een vrouw met een hotdogkraampje, waar ze elke dag langs kwam. ‘Ik merkte dat het me een goed gevoel gaf: ik zag haar en zij liet merken dat ze mij ook zag. Ik had echt een gevoel van: hier ben ik thuis.’

    De proefpersonen die een praatje hadden gemaakt zeiden dat ze er een beter humeur van kregen

    Sandstrom besloot zich in dit fenomeen te verdiepen. Samen met de begeleider van haar promotieonderzoek aan de Universiteit van Brits-Columbia vroeg ze een groep volwassenen een praatje te maken met de barista als ze ’s ochtends hun koffie haalden. De onderzoekers hadden het idee dat we onszelf een ‘verborgen bron van saamhorigheid en geluk’ ontzeggen door geen contact te leggen met de mensen achter de bar – door ze in feite niet als mensen te behandelen maar als gevoelloze servicemachines. Daar bleken ze gelijk in te hebben. De proefpersonen die een praatje hadden gemaakt met de barista zeiden dat ze er een sterker gevoel van gemeenschapszin en een beter humeur van kregen, en waren ook nog eens tevredener over de algehele ervaring van het koffie halen.

    Lees ook:

    Andere onderzoekers zijn tot vergelijkbare conclusies gekomen. In een experiment dat psycholoog Nicholas Epley van de Universiteit van Chicago samen met zijn toenmalige studente Juliana Schroeder uitvoerde, kreeg een groep mensen de opdracht om in het openbaar vervoer een praatje aan te knopen met medereizigers. Ook deze mensen maakten melding van een beduidend aangenamere, positievere reis dan de groep die dat niet had gedaan. De gesprekjes duurden gemiddeld maar liefst 14,2 minuten en een overweldigende meerderheid van de deelnemers vond hun onbekende gesprekspartner aardig. Allerlei verschillende persoonlijkheidstypen hadden het naar hun zin.

    De sceptici onder ons zullen nu waarschijnlijk denken wat ik ook dacht toen ik deze onderzoeken voor het eerst las: natuurlijk, een gesprekje met een onbekende kan leuk zijn als jij degene bent die het gesprek is begonnen. Maar vindt de ander het ook leuk? We hebben allemaal weleens in een kleine ruimte gezeten met iemand die onophoudelijk aan het woord is en blind is voor hints dat de ander daar niet voor in de stemming is.

    Als praten met onbekenden zo prettig is, waarom doen mensen het dan niet vaker?

    Om erachter te komen of beide partijen deze interacties waarderen, bedachten Epley en Schroeder een ander experiment. Deelnemers moesten kleine taken verrichten die niets met het bewuste onderzoek van doen hadden en konden tussendoor even pauzeren in een wachtkamer. Sommige deelnemers kregen te horen dat ze een praatje moesten beginnen met de ander die in de wachtkamer zat, een ander deel van de deelnemers kreeg te horen dat ze juist niet mochten praten; de mensen die al in de wachtkamer zaten, hadden geen instructies gekregen. De mensen die een praatje maakten – zowel de mensen die het gesprek waren begonnen als de mensen die werden aangesproken – meldden een duidelijk prettigere ervaring dan de mensen die hadden gezwegen.

    Als praten met onbekenden zo prettig is – en zo goed voor ons – waarom doen mensen het dan niet vaker? Dat is een grote vraag, die samenhangt met kwesties als etniciteit, klasse en gender, cultuur, bevolkingsdichtheid en decennia van (soms terechte) waarschuwingen voor onbekenden. Maar in de kern lijkt het antwoord tweeledig: we gaan ervan uit dat onbekenden ons niet leuk zullen vinden, en we gaan er ook van uit dat wij hen niet leuk zullen vinden.

    ‘Liking gap’

    In een onderzoek van Epley en Schroeder waren de deelnemers die in het openbaar vervoer met onbekenden moesten praten bang dat die onbekenden het geen leuk gesprek zouden vinden. Ze voorspelden dat gemiddeld minder dan de helft van de mensen die ze benaderden met hen zou willen praten. Ze verwachtten dat het moeilijk zou zijn om een gesprek aan te knopen. Maar in de praktijk bleken de mensen open te staan voor een gesprek, niet één van de deelnemers ving bot.

    Een vergelijkbaar fenomeen – de zogeheten ‘liking gap’ – deed zich voor in Sandstroms werk met een andere groep psychologen, onder leiding van Erica Boothby. Uit dat onderzoek bleek dat de deelnemers aan het experiment (met name de verlegen deelnemers) het idee hadden dat zij de onbekende leuker vonden dan andersom. Die misvatting weerhoudt mensen ervan dit soort interacties aan te gaan, en op die manier ontzeggen ze zichzelf niet alleen de kortstondige boost van geluk en saamhorigheidsgevoel, maar ook de langetermijneffecten zoals het ontmoeten van nieuwe vrienden, geliefden of zakenpartners.

    Hier speelt ook nog een diepere oorzaak. Deelnemers aan deze onderzoeken hadden zeer lage verwachtingen van het gesprekje zelf. Toen Epley en Schroeder forenzen vroegen hoe ze zich zouden voelen als ze met een onbekend iemand zouden praten, in plaats van in zichzelf gekeerd te blijven, zei vrijwel iedereen die zich daar een voorstelling van probeerde te maken dat een praatje met een onbekende de reis er bepaald niet leuker op zou maken. Die verwachting is veelzeggend. Waarom kijken we er zo van op dat een onbekende benaderbaar, aardig en interessant kan zijn?

    Met name in steden hebben mensen de neiging onbekenden als een obstakel te zien

    Een deel van de inspiratie voor de experimenten in de metro, vertelde Schroeder me, was de gedachte dat het ‘in feite een vorm van ontmenselijking is om te worden omringd door mensen zonder contact met hen te leggen’. Het is ontmenselijkend voor mij, omdat ik een kans misloop een sociaal wezen te zijn – wat in mijn aard zit – en het is ontmenselijkend voor de ander, omdat ik nooit meer dan een glimp opvang van zijn volledige mens-zijn. Met name in steden hebben mensen de neiging onbekenden als een obstakel te zien, aldus Schroeder, en daarom praten we niet met hen. En omdat we niet met hen praten, dringt het nooit echt tot ons door dat zij feitelijk ook mensen zijn.

    Dat is het probleem van de zogeheten ‘lesser minds’, zoals Epley en psycholoog Adam Waytz het in 2010 noemden. De theorie luidt als volgt: omdat we niet kunnen zien wat er in het hoofd van een ander gebeurt, hebben we ‘de neiging, die universeel lijkt te zijn, ervan uit te gaan dat de ander in intellectueel opzicht minder ontwikkeld is en oppervlakkiger dan wijzelf’, aldus Epley in zijn boek Mindwise: How We Understand What Others Think, Believe, Feel, and Want uit 2014. Misschien verklaart dat waarom we verwachten dat het contact met onbekenden moeizaam zal verlopen: onbewust denken we dat ze gewoon niet zo veel te bieden hebben.

    Praatgroepen

    Sandstrom had een andere (en simpelere) verklaring voor het feit dat we niet met onbekenden praten: ze was van mening dat mensen gewoon niet weten hoe dat moet. Daarom besloot ze hun dat te leren. In samenwerking met de inmiddels ter ziele gegane Londense groep Talk to Me organiseerde Sandstrom een reeks bijeenkomsten om duidelijk te maken hoe leuk het kan zijn om met een onbekende te praten – en om meer te leren over de reden waarom mensen daarvoor terugdeinzen. Inmiddels heeft ze verschillende technieken ontwikkeld om die angsten het hoofd te bieden. Zo zegt ze bijvoorbeeld tegen mensen dat ze hun nieuwsgierigheid moeten volgen: iets opmerken, een compliment maken of een vraag stellen. Wel laat ze mensen meestal zelf een aanpak bedenken. Zodra de eerste hobbel is genomen, blijkt de rest bijna vanzelf te gaan. ‘Soms zijn ze nauwelijks meer te stuiten,’ zegt ze. ‘Op een gegeven praten ze maar door. Echt geweldig.’

    Sandstrom heeft successen geboekt met deze sessies, maar in haar streven naar duurzame verandering liep ze op tegen een lastig obstakel: de sociale norm waar het gaat om praten met onbekenden, het idee dat je dat gewoon niet doet. De deelnemers aan haar experimenten hebben telkens opnieuw positieve ervaringen, maar ‘als je mensen vraagt naar het volgende gesprek, maken ze zich toch weer zorgen,’ zegt ze. Dus probeerde ze een situatie te creëren waarin praten met onbekenden, enkel en alleen door de herhaling, zo’n natuurlijke handeling wordt dat mensen het uit gewoonte gaan doen, zonder de gebruikelijke angsten. De truc, meent zij, is ‘mensen heel veel gesprekken te laten voeren’.

    ‘Onbekenden zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam,’ verklaarde een van de deelnemers

    Met behulp van een app, GooseChase, zette Sandstrom een soort speurtocht op touw, met een lijst van heel diverse mensen met wie de deelnemers een gesprek moesten voeren: goedlachse mensen, mensen die er artistiek uitzien, mensen met hun armen vol spullen, mensen die verdrietig lijken, mensen die er aardig of modieus uitzien, mensen die een tattoo hebben of een ‘prachtige stropdas’ dragen. Ook nu logen de resultaten er niet om. De deelnemers vonden het veel makkelijker dan verwacht om een gesprek met een onbekende aan te knopen en gaande te houden, en de gesprekken duurden bovendien drie keer zo lang als verwacht. Zo’n 80 procent zei iets nieuws te hebben geleerd, 41 procent zei contactgegevens te hebben uitgewisseld. Sommige deelnemers werden vrienden, gingen samen uit, gingen samen koffiedrinken.

    Zoals Sandstrom al had voorspeld, gingen de deelnemers veel minder pessimistisch aankijken tegen het idee een gesprek aan te knopen met een onbekende. Een week nadat ze alle verschillende soorten mensen op hun lijstje hadden afgevinkt, hadden de deelnemers meer vertrouwen in hun eigen gespreksvaardigheden en waren ze minder bang om afgewezen te worden. Ook hun kijk op andere mensen was veranderd. Zoals een van de deelnemers in de evaluatie schreef: ‘Onbekenden zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam.’

    Bij het lezen van alle evaluaties van Sandstroms onderzoek proefde ik steeds iets wat een licht gevoel van opluchting leek. Ik herkende dat gevoel, omdat ik mezelf ook al geregeld had afgevraagd waarom ik zo’n prettig licht gevoel kreeg als ik een leuk gesprekje had gevoerd met een onbekende. Toen ik Sandstrom hiernaar vroeg, zei ze iets wat me terugvoerde naar het verhaal van Nic, haar onveilige jeugd en haar ervaring met Greyhound Therapy. ‘Volgens mij komt die opluchting voort uit het feit dat we van jongs af aan de boodschap meekrijgen dat de wereld een gevaarlijke plek is. En dan voer je een gesprekje met een willekeurig iemand, en dat blijkt dan leuk te zijn, en dan heb je zoiets van: misschien is het allemaal zo erg nog niet.’

    Lees ook:

  • Vervoer voor vervoering

    Vervoer voor vervoering

    Voor zijn onlangs verschenen roman Lake Succes maakte Gary Shteyngart een roadtrip van New York naar San Diego, met de Greyhound-bus. Want als ‘mijn personage met de bus dwars door het land rijdt, dan zal ik dat verdomme ook doen’.

    Het is 6 juni in 2016 – het rampjaar van de recente Amerikaanse geschiedenis. In een warme, zwoele nacht loop ik om een uur of drie de Port Authority binnen, het sierlijke en verlaten busstation van 
New York City. Ik vervoeg me bij het Hound-loket. 
De komende vier maanden rijd ik af en aan door de Verenigde Staten in een van de meest legendarische vormen van vervoer die Amerika rijk is (vraag maar aan de stervende ‘Ratso’ Rizzo in Midnight Cowboy): 
de Greyhound-bus.

    Ben ik niet goed bij mijn hoofd, vraagt u zich misschien af? De Greyhound-bus? Ga dan tenminste nog met de trein. De avond voor vertrek ben ik begonnen aan mijn nieuwste roman, Lake Succes, waarin Barry Cohen, een hedgefondsmanager die de toezichthouder achter zich aan heeft zitten, wiens huwelijk nog maar een paar advocaten van de afgrond is verwijderd en wiens autistische kind een ondoorgrondelijk raadsel voor hem is, besluit New York te ontvluchten met de Greyhound-bus, op zoek naar een verloren liefde die in El Paso, Texas, woont.

    Er zijn schrijvers die beschikken over iets wat ‘verbeeldingskracht’ wordt genoemd, en zij werken karakters uit, con-strueren een verhaallijn enzovoort. Ik beschik helaas 
niet over verbeeldingskracht en schrijf vanuit een sterk journalistiek perspectief. Als mijn personage met de bus dwars door het land rijdt, dan zal ik dat verdomme ook doen.

    Wat zijn de regels?

    Reizen met de bus is goedkoop. Ongekend lange etappes van mijn reis hebben nog geen veertig dollar gekost. Maar in ruil voor het goedkoopste vervoer van de Verenigde Staten, moet je jezelf uitleveren aan de Hound en haar vele regels. Wat zijn die regels dan? Om te beginnen moet je vooral niet in de buurt gaan zitten van de wc achterin, zeker niet op een lange reis. De wc is niet fijn – allesbehalve.

    Je kunt het beste zo dicht mogelijk bij de chauffeur gaan zitten, al helemaal wanneer hij, zoals tijdens de eerste etappe van onze reis, op weg naar Baltimore, midden in de nacht in slaap valt. Als dat gebeurt, en de bus zwenkt uit naar de andere rijbaan, 
dan moet je zo hard mogelijk roepen: ‘Meneer! Meneer! Wakker blijven!’ Barry Cohen, mijn fictionele hedgefondsmanager op de vlucht, maakt 
iets dergelijks mee tijdens zijn eerste nacht in de bus richting de westkust.

    Een tweede regel is dat je altijd het stopcontact bij je stoel moet controleren. Greyhound is er terecht trots op dat de meeste stoelen over een functionerend stopcontact beschikken en een goede chauffeur zal zijn passagiers eraan herinneren om voor vertrek te controleren of het stopcontact het doet.

    Je kunt onderweg van alles en nog wat opladen, maar de meeste 
passagiers laden hun telefoon op. De alomtegenwoordige mobieltjes zorgen voor een interessante dynamiek. 
Vroeger praatten mensen tijdens een lange busrit over hun gezin, hun geliefde of hun huisdier, maar tegenwoordig gaan de meesten tijdens de reis geheel op in hun eigen wereldje.

    Het is verstandig van de Hound om 
te zorgen dat de stopcontacten goed functioneren, want zo kunnen de 
passagiers ontsnappen uit de niet altijd even gezonde realiteit (ik beloof dat 
dit de laatste keer is dat ik over de wc begin) en wegzakken in hun Facebook-trance. Ik vraag me af hoe Billy Hayes’ ervaring met de Turkse gevangenis in de film Midnight Express zou zijn geweest als hij vier streepjes had gehad, en toegang tot een 3G-netwerk. Maar goed, als het stopcontact het begeeft, gaan mensen toch praten. Om te vragen of ze jouw stopcontact even mogen gebruiken. 


    Ben ik niet goed bij mijn hoofd, vraagt u zich misschien af?

    Sommige chauffeurs hebben geweldige Hound-handvesten. ‘Geen sardientjes, geen blikjes tonijn’, deelt een van hen mee als we Phoenix uit rijden. (Alcohol 
is sowieso taboe – een Greyhound-rit met dronken passagiers moet hemeltergend zijn.) Andere chauffeurs zijn parttime-etiquettebewakers en proberen 
de verhitte nachtelijke discussies in goede banen te leiden. ‘Let een beetje op je woorden!’ roept er eentje terwijl we, luidkeels pratend over het leven dat achter ons ligt en onze stukgelopen relaties, door de Mojave-woestijn stuiven.

    Goede chauffeurs weten de beste wegrestaurantjes, zeker in het Zuiden, waar je dan ineens waanzinnig lekkere kip met grutten krijgt voorgeschoteld, of romige okra en grote porties ijs. Andere routes voeren je door grauwe stedelijke 
gebieden waar je bent overgeleverd aan de veel te 
dure Greyhound-cafés, die de passagiers al het geld aftroggelen dat ze hebben bespaard door met de bus te gaan. De plastic hotdog die ik eet in het Greyhound-café in Charlotte is een dieptepunt dat de herinnering aan de eetzaal van Oberlin College doet verbleken.

    Essentie van Amerika

    Wie gaat er met de Greyhound? De bus is hét symbool van de Amerikaanse democratie, een soort anti-Acela Express (de nieuwe hogesnelheidstrein, het pronkstuk van Amtrak). ‘Je vertelde elkaar in welke gevangenis je had gezeten, zoals mensen in de Acela elkaar vertellen aan welke universiteit ze hebben gestudeerd’, merkt Barry op in Lake Succes. Al doende weet ik de essentie van Amerika te vangen op een manier die ondenkbaar zou zijn als ik de Verenigde Staten zou doorkruisen met de auto (sorry, Jack Kerouac).

    
Ik ontmoet mensen die net uit de gevangenis komen, of uit een inrichting (sommigen hebben nog het polsbandje van het ziekenhuis om, wat erop kan duiden dat ze het moment van hun ontslag zelf hebben gekozen). Maar merendeels zijn het mensen die niet meer kunnen betalen dan een buskaartje, 
die vaak hun hele hebben en houwen in de buik van de Hound hebben geladen.

    1. Twee Greyhounds rijden van Washington D.C. naar Pittsburgh, Pennsylvania. 2. Passagiers wachten op het platform van de Greyhound-terminal in Pittsburgh, 1943. – © Esther Bubley
    1. Twee Greyhounds rijden van Washington D.C. naar Pittsburgh, Pennsylvania. 2. Passagiers wachten op het platform van de Greyhound-terminal in Pittsburgh, 1943. – © Esther Bubley

    De demografische opbouw van de bus verandert als we langs de oostkust richting Atlanta rijden en dan door de zomerse bloedhitte van de Biblebelt naar 
de grens tussen El Paso en Ciudad Juárez trekken, en vervolgens door Phoenix naar het verlossende zeewindje in Californië. Aan de oostkust zijn de meeste passagiers Afro-Amerikanen, terwijl de bus in de grensstreken van Texas en Arizona voornamelijk is gevuld met latino’s.

    Tussen Jackson en Dallas word 
ik voor het eerst in levenden lijve geconfronteerd met een witte nationalist die op luide toon praat over het kruisigen van moslims en joden, en die begint 
te jouwen wanneer we door Grambling rijden, dat bekend is geworden vanwege de zwarte universiteit Grambling State University. (‘Er komt een dag dat 
we onze eigen universiteiten zullen hebben’, zegt 
de aanstichter van alle commotie, een voormalig 
soldaat die er vroeger van droomde om naar een ‘priesterschool’ te gaan.)

    De Afro-Amerikaanse passagiers kijken weg of doen alsof ze door de racistische tirade heen slapen. Net als mijn Joodse held Barry Cohen overweeg ik bij de Greyhound-kiosk in 
Shreveport, Louisiana, een Nieuwe Testament-
kleurboek aan te schaffen, om niet aan het kruis te worden genageld door de proto-Klansmen die zich tegenwoordig weer gesterkt voelen.

    Sommige chauffeurs hebben geweldige Hound-handvesten. “Geen sardientjes, geen blikjes tonijn”

    Het is bijzonder leerzaam om in 2016 met de bus door het land te reizen. Op het moment dat ik in juni de busterminal binnenstap, ben ik er, net als de meeste mensen, van overtuigd dat Hillary de verkiezingen zal winnen. Tegen de tijd dat ik in september in San Diego uitstap, ben ik daar niet meer zo zeker van.

    Ik heb meer dan eens te horen gekregen dat 
Hillary niet onze 45ste president zal worden. In een kroeg in Ohio gaan sommige mensen zelfs zo ver dat ze voorspellen dat ze gaat verliezen 
in Ohio (een dubbeltje op zijn kant) en in Pennsylvania (een heuse verrassing).

    Tijdens mijn reizen groeit de Greyhound-bus uit tot een soort waarheidsserum, een plek waar mensen de ergste of juist de meest briljante dingen kunnen zeggen, totdat de buschauffeur ons allemaal de mond snoert door te roepen dat we op onze woorden moeten letten.

    Hound-zen

    Als je zo over de interstates rijdt, zoals die er tegenwoordig bij liggen, word je ook nog eens met je neus op het feit gedrukt dat Amerika ongekend mooi is – iets wat we tegenwoordig maar al te vaak dreigen te vergeten. Van de haast buitenaards groene weelde van North Carolina naar bergen met de kleur van verbrande oker en de eenarmige saguaro-cactus in Arizona – de natuur lijkt de schouders op te halen over onze collectieve idiotie en geduldig te wachten op het moment dat onze soort ofwel de problemen heeft opgelost ofwel geheel zal zijn uitgestorven.

    De Franklin Mountains in Texas hebben echt geen boodschap aan een eenzame schrijver uit New York die vanaf de voorste stoel in de Greyhound foto’s van ze maakt: de bergen hebben de blik gericht op de eeuwigheid. En de zonsondergang boven de grens van New Mexico en het oude Mexico is een van de wonderbaarlijkste, meest extatische ervaringen die ik zonder drugs heb meegemaakt. Wanneer we California binnenrijden, bedenk ik me dat we binnenkort nauwelijks meer landschap over zullen hebben om van te genieten.

    Ondanks de vele ongemakken, olfactorisch en anderszins, wil ik niet dat er een einde komt aan 
de reis. Als een wel heel brutale passagier een hartaanval veinst om vlak bij zijn huis, ergens buiten 
Los Angeles, te kunnen uitstappen en niet helemaal mee te hoeven naar de Greyhound-terminal midden in de stad, stap ik ook uit en kijk nog eens goed naar dit ranke, stalen voertuig met op de zijkant de afbeelding van een rennende hazewindhond.

    Er komt een ambulance aan, met loeiende sirenes, en de passagiers beginnen te schreeuwen en vervloeken de man met de zogenaamde hartaanval, maar ik ben heel 
erg Hound-zen, zoals ik daar in het holst van de nacht aan de kant van de weg sta, terwijl het verkeer voorbijraast en in iemands zondoorstoofde tuin 
een fanfare van krekels aan een opgewekt nummer begint. Vergeet de luxe van je auto en de geheel 
verzorgde reis langs de beste kroegen en restaurants van het land. Een tocht met de minst gerieflijke vorm van vervoer in heel Amerika staat garant voor het ene na het andere moment van vervoering.

    Auteur: Gary Shteyngart

    Gary Shteyngart, Lake Succes, Hamish Hamilton 2018.

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.