Tag: groen

  • India: van grootvervuiler tot groene supermacht?

    India: van grootvervuiler tot groene supermacht?

    Een van ’s werelds meest vervuilende landen investeert grootschalig in schone technologie. De Indiase premier Modi wil in 2030 de emissie met een miljard ton verminderen.

    India haalt bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. Het graaft en verbrandt meer van het spul dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow was het land het stinkdier op het tuinfeest en blokkeerde het pogingen om de brandstof die het meest verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde geleidelijk af te schaffen.

    Die met roet besmeurde onverzettelijkheid leidt echter af van een opmerkelijke, tegengestelde trend. Terwijl zijn ondergeschikten steenkool verdedigden, deed de Indiase premier Narendra Modi in Glasgow een reeks beloften die, als ze worden nagekomen, van zijn land een groene energiecentrale zullen maken. Zijn belofte dat India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’ van broeikasgassen (ghg’s) zal hebben, sprong het meest in het oog. Het betekent dat elke emissie die tegen die tijd nog niet is geëlimineerd, op de een of andere manier zal worden gecompenseerd.

    Modi onderbouwde zijn streven met twee strenge doelstellingen voor 2030: de emissie met een miljard ton verminderen ten opzichte van nu. Daartoe is meer dan een verdrievoudiging nodig van de niet-fossiele energieproductie (waaronder kernenergie en waterkracht, naast wind- en zonne-energie): van ruwweg 150- naar 500GW.

    Nationale missie

    India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld. Als het de doelstellingen van Modi haalt, zou het niet alleen zijn eigen energiemix radicaal hebben omgegooid, maar ook een grote impuls hebben gegeven aan de wereldwijde inspanningen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Bovendien heeft Modi het tot een ‘nationale missie’ verklaard om ‘groene waterstof’ te ontwikkelen. Dat is een schone brandstof op basis van hernieuwbare energiebronnen die industrieën die hardnekkige vervuilers blijven, kan helpen CO2-vrij te worden. Maar hoe plausibel zijn deze ambities?

    India’s totale opwekkingscapaciteit, zowel schoon als vuil, bedraagt nu slechts 400GW. Modi wil dus in slechts acht jaar tijd een compleet tweede elektriciteitsnet aan groene stroom opbouwen. Om dat doel te bereiken, moet India ongeveer 500 miljard dollar investeren in schone energie en verbeteringen aan het net, aldus een schatting van onderzoeksbureau Bloomberg New Energy Finance (BNEF). 

    Een dergelijke prestatie zou niet ongekend zijn. China ging van 44GW aan zonnecapaciteit naar 300GW in zes jaar, en in elf jaar van 50GW aan windenergie naar 330GW. Maar het werd geholpen door een enorme productiebasis in hernieuwbare energie en door een economie die excelleert in het sturen van kapitaal naar begunstigde industrieën – voordelen die India niet heeft.

    India een van de goedkoopste plekken ter wereld om zonne-energie te produceren

    Hernieuwbare energie groeit razendsnel in India. De opwekkingscapaciteit voor zonne-energie is sinds 2012 vervijftigvoudigd tot bijna 50GW eind vorig jaar. In de eerste helft van 2022 kwam daar nog eens 7,4GW aan zonne-energie bij. Wat betreft nieuwe opwekkingscapaciteit hebben hernieuwbare energiebronnen de steenkool al verdrongen. De capaciteit van nieuwe zonne-, wind- en waterkrachtcentrales die vorig jaar werden gebouwd, was bijna dubbel zo groot als die van nieuwe kolengestookte centrales (zie grafiek 1).

    Maar om de doelstellingen van Modi te halen, gaan de investeringen in hernieuwbare energiebronnen niet snel genoeg. De 11GW aan hernieuwbare capaciteit die in 2021 werd toegevoegd, is veel minder dan de vereiste jaarlijkse toename. Toch zijn er goede redenen om de nieuwe groene revolutie van India serieus te nemen.

    Om te beginnen is het terugdringen van de uitstoot niet het enige motief om het energiesysteem van India te herzien. Modi wil ook de productie aanjagen en de kosten voor geïmporteerde brandstof terugdringen. ‘Hoe lang zullen we op het gebied van energie afhankelijk blijven van anderen?’ vroeg hij tijdens zijn toespraak op Onafhankelijkheidsdag medio augustus. India besteedde vorig jaar meer dan 4 procent van het bbp aan de invoer van fossiele brandstoffen: bijzonder vervelende kosten voor een land met een aanhoudend tekort op de lopende rekening.

    Vergroening van de energievoorziening zou ook bijdragen tot vermindering van de luchtverontreiniging, een dodelijke plaag voor veel inwoners. De Wereldgezondheidsorganisatie gaat ervan uit dat de luchtverontreiniging in 93 procent van het land ver boven haar richtlijnen ligt. Het Britse medische tijdschrift The Lancet publiceerde in 2019 een studie waaruit blijkt dat jaarlijks meer dan een miljoen Indiërs sterven als gevolg van luchtverontreiniging. De verstikkende smog die vooral in deze tijd van het jaar een groot deel van Noord-India bedekt, is een eeuwig hoofdpijndossier voor de regering.

    Het mooie is dat een grote verschuiving naar hernieuwbare energiebronnen de kosten van elektriciteitsopwekking kan helpen drukken. Dankzij het zonnige klimaat en de lage arbeidskosten is India een van de goedkoopste plekken ter wereld om zonne-energie te produceren. In een analyse van het Internationaal Energieagentschap (IEA), waakhond annex denktank voor energieverbruikende landen, werd zelfs geconcludeerd dat, als de effecten van overheidssubsidies buiten beschouwing werden gelaten, alleen de Verenigde Arabische Emiraten met India kunnen wedijveren (zie grafiek 2). Dat betekent dat zonnecentrales een goedkopere optie zijn voor nieuwe elektriciteitsopwekking in India dan kolen- of gascentrales. Stroom uit windmolens is in India weliswaar niet de goedkoopste ter wereld, maar ook altijd nog minder kostbaar dan stroom uit fossiele brandstoffen.

    Bovendien komt de Indiase regering met allerlei inventieve beleidsmaatregelen om investeringen in schone energie te stimuleren. Een van de grote obstakels voor een herziening van de elektriciteitsindustrie is de erbarmelijke toestand van de bedrijven die elektriciteit distribueren (DISCOMS). Veel van die staatsbedrijven zijn zo goed als failliet en hebben een gezamenlijke schuld van zo’n 73 miljard dollar. Het lijken niet de veiligste partijen voor investeerders die schone energie willen verkopen. Daarom heeft de regering van Modi een mechanisme ingevoerd waardoor de federale regering van India in feite fungeert als financiële buffer bij nieuwe langetermijncontracten voor de levering van hernieuwbare energie aan het net. Ook wordt het zonne- en windgeneratoren toegestaan om de DISCOMS volledig te omzeilen en energie rechtstreeks te verkopen aan fabrikanten van groene waterstof.

    In augustus hield India een van ’s werelds grootste veilingen voor grootschalige batterijopslag

    Om het immer aanwezige probleem van bureaucratie en NIMBY’isme [een alles-is-best-maar-niet-hiermentaliteit; ‘not in my backyard’] in India te overwinnen, zetten ambtenaren schone-energieparken op met aansluitingen op het net zorgen ze ervoor dat de nodige vergunningen snel geleverd worden. De regering maakt ook gebruik van ‘omgekeerde’ veilingen om investeringen in hernieuwbare energie tegen de laagst mogelijke kosten te maximaliseren: ontwikkelaars geven aan welke minimumprijs zij bereid zijn te aanvaarden voor de stroom die ze opwekken, en de laagste biedingen winnen. Soortgelijke veilingen zijn gehouden voor groene stroom ‘rond de klok’, dat wil zeggen: hernieuwbare energie in combinatie met een of andere vorm van energieopslag, om de wisselvalligheid van wind en zon het hoofd te kunnen bieden.

    Het beleid werkt. Investeerders zoals Adani Group, een van India’s grootste conglomeraten, haasten zich bijvoorbeeld naar een park voor hernieuwbare energie in Kutch, een zonovergoten en winderige regio in de deelstaat Gujarat. Met een geplande productie van 30GW wordt dat het grootste gecombineerde wind- en zonnepark ter wereld.

    India zal dit jaar bij zijn veilingen voor zonne-energie waarschijnlijk aanbiedingen ontvangen voor de bouw van opwekkingscapaciteit van meer dan 25GW. Dat is ruim tien keer zoveel als in enig ander land (zie grafiek 3). In augustus hield India een van ’s werelds grootste veilingen voor grootschalige batterijopslag.

    Hardwerkende industriëlen

    Het enthousiasme van investeerders is een sterke aanwijzing dat de groene ambitie van India meer is dan gebakken lucht. Mukesh Ambani, de baas van Reliance Industries, een ander wijdvertakt conglomeraat, glunderde in zijn laatste bericht aan zijn aandeelhouders: ‘We zullen in dit decennium de meest betaalbare groene energie ter wereld hebben, en dan zullen onze oplossingen naar andere landen worden geëxporteerd.’

    Mundra, een drukke haven in Kutch ontwikkeld door Adani Group, vat de veranderde prioriteiten van de Indiase industriëlen samen. Het is een van de drukste kolenhavens ter wereld, die twee enorme kolencentrales in de buurt bedient. Maar er staat ook een nieuwe fabriek voor zonnepanelen, een proefinstallatie voor de bouw van  windturbines van 160 meter hoog op land (behorend tot de grootste ter wereld) en nieuwe gebouwen waar apparatuur voor de productie van waterstof zal worden gemaakt.

    ‘Wij heten u welkom in een toekomst die wordt aangedreven door de ZONNE-REVOLUTIE’ schreeuwt een reclamebord. Adani ‘realiseert hier de hele toeleveringsketen’ voor schone energie, zegt Arun Kumar Sharma, een senior manager.

    Gautam Adani, de oprichter en voorzitter van de groep – wiens persoonlijke fortuin van meer dan 100 miljard dollar hem tot een van de rijkste mensen ter wereld maakt – beweert dat tegen 2030 zijn bedrijven 70 miljard dollar zullen besteden aan groenvoorzieningen in India. Met bijna 5GW aan zonne-energiecapaciteit vanaf medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green als ’s werelds grootste ontwikkelaar van zonne-energie.

    Ambani laat dat niet op zich zitten en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Reliance heeft, net als Adani Group, munt geslagen uit fossiele brandstoffen. Maar nu ontwikkelt het een cluster voor schone energie in Jamnagar, een andere haven in Gujarat, waar ook het enorme petrochemische complex van het bedrijf is gevestigd. Ambani wil in 2025 20GW aan zonne-energiecapaciteit gebouwd hebben, die volledig door de groep zelf zal worden gebruikt. ‘Zodra het op schaal is bewezen,’ zegt hij, ‘zijn we bereid onze investeringen te verdubbelen.’ Investeringsbank Morgan Stanley omschrijft de strategie van Ambani als het ‘volledige spectrum’, dat zich uitstrekt van de productie van zonnepanelen en batterijen tot de ontwikkeling van apparaten om groene waterstof te maken en te gebruiken.

    Niet alleen Indiase giganten omarmen de groene visie van Modi; ook kleinere bedrijven investeren fors. Het bedrijf Greenko bijvoorbeeld, bouwt ’s werelds grootste netwerk voor grootschalige energieopslag met behulp van een technologie die pumped hydro wordt genoemd. Daarvoor wordt stroom van zonnepanelen of windmolens gebruikt om water in hoge reservoirs te pompen. Door het water naar beneden te laten stromen, kunnen turbines aan het draaien worden gebracht om stroom op te wekken wanneer er elektriciteit nodig is. Mahesh Kolli, voorzitter van Greenko, zegt dat in 2025 het bedrijf 5 miljard dollar zal investeren om 50GW aan opslagcapaciteit te bouwen.

    ArcelorMittal Nippon Steel, een Indiase joint venture van staalgiganten uit Europa en Japan, heeft onlangs een overeenkomst van 600 miljoen dollar gesloten met Greenko om een van zijn fabrieken 24 uur per dag van schone stroom te voorzien. Het bedrijf koos niet alleen voor deze optie omdat de stroom groen zal zijn, maar ook omdat het goedkoper is dan de bouw van een kolencentrale. 

    Op langere termijn ziet Kolli zijn technologie als de oplossing voor de wisselvalligheid van stroom die door windmolens en zonnepanelen wordt opgewekt. Hij wil een landelijke, op het net aangesloten ‘energiecloud’ bouwen, vergelijkbaar met de datacloud van Amazon. Als er geen wind is of het is in Gujarat bewolkt, dan kunnen de pompcentrales van het bedrijf in Andhra Pradesh, in het zuiden, via het nationale net een compenserende hoeveelheid schone stroom leveren aan aluminiumsmelterijen in Odisha, in het oosten, die worden geëxploiteerd door Hindalco Industries, een grote nieuwe klant. In tegenstelling tot Amerika, waar slechts beperkte verbindingen tussen regionale netten bestaan, heeft India een goed geïntegreerd nationaal net, waardoor een dergelijk idee haalbaar is. De IEA verwacht dat India in 2026 meer pompwaterkracht heeft dan enig ander land.

    India begint binnenlandse toeleveringsketens voor schone energie te ontwikkelen. Pune bijvoorbeeld, een stad in de deelstaat Maharashtra, waar al een cluster van fabrikanten van auto-onderdelen is gevestigd, wordt ook een centrum voor schone energie. Siddharth Mayur, inwoner en oprichter van H2E Power en homiHydrogen, ontwikkelde accu’s voor elektrische motorscooters en autoriksja’s die wanneer ze leeg zijn, snel kunnen worden vervangen door volledig opgeladen accu’s. Hij maakt nu stacks, een onderdeel van brandstofcellen (waarmee uit waterstof elektriciteit kan worden gegenereerd), en helpt de lokale productie van andere onderdelen te bevorderen. ‘Volgend jaar zal 98 procent worden gemaakt binnen een straal van 60 kilometer van waar wij zitten in Pune,’ zegt hij.

    Ravi Pandit, voorzitter van KPIT, een Indiaas softwarebedrijf dat grote, buitenlandse autofabrikanten als klant heeft, denkt dat het goedkope software- en engineeringtalent dat enkele decennia geleden India’s succes in de informatietechnologie aanwakkerde, nu ook zal helpen bij groene energie. Mede dankzij de wijdverbreide wens om de productie niet te veel in China te concentreren, wijst hij erop dat buitenlands kapitaal en technologie binnenstromen.

    Het leeuwendeel van de 500 miljard dollar die nodig is om de doelstellingen van Modi te halen, moet waarschijnlijk uit het buitenland komen

    Veel van de investeringen zijn gericht op groene waterstof, waarmee grote industrieën zoals de staal- en kunstmestindustrie hopelijk CO2-uitstoot kunnen uitbannen. India produceert daar nu nog bijna niets van, hoewel het wel ongeveer 7 miljoen ton gewone waterstof per jaar verbruikt. Die wordt met behulp van fossiele brandstoffen gemaakt. Investeerders denken dat India een goede plek is om groene waterstof te produceren, aangezien het proces veel schone energie vereist, die de Indiase zonne-industrie goedkoop kan leveren. India produceert ook weinig aardgas, dus er zijn weinig lobbyisten die campagne voeren tegen de ontwikkeling van een concurrerende industrie. De regering heeft beloofd steun te geven aan groenewaterstofbedrijven in een gedetailleerd plan dat binnenkort wordt bekendgemaakt.

    Met de hulp van Stiesdal, een Europees bedrijf voor schone technologie, bouwt Reliance een grote fabriek in Jamnagar om elektrolyse-apparatuur te produceren. De apparaten, aangedreven door schone elektriciteit van de geplande zonneparken van Reliance, zullen vervolgens worden gebruikt om groene waterstof te produceren. Ambani beweert dat die investeringen van India binnen tien jaar het eerste land zullen maken dat groene waterstof produceert voor 1 dollar per kilo, tegen de huidige kosten van meer dan 4 dollar per kilo. Hij wuift sceptici weg door te wijzen op zijn recente succes bij het leveren van gegevens aan mobiele telefoons voor ’s werelds laagste prijs.

    Indian Oil, een energiereus in staatshanden en de grootste verbruiker van vuile waterstof in het land, kondigde in augustus aan ook in de groenewaterstofbusiness te stappen. Het bedrijf is van plan om in 2046 25 miljard dollar te hebben geïnvesteerd in deze en andere schone technologieën, als onderdeel van de poging om in dat jaar nettonulemissies te behalen. ‘Wij maken van India een centrum voor groene waterstof,’ zegt S.M. Vaidya, voorzitter van het bedrijf. 

    Eerste elektrolytische cellen

    Ook buitenlandse investeerders zijn enthousiast. John Cockerill, een Belgisch technologiebedrijf, ging met Greenko een joint venture aan om jaarlijks voor 2GW aan elektrolyseapparatuur te produceren. Ohmium, een Amerikaanse start-up die elektrolyseert, heeft zijn enige fabriek in India staan. Het hoopt tegen het einde van dit jaar een jaarlijkse productie van 2GW te behalen. Het bedrijf exporteerde onlangs naar Amerika de eerste elektrolytische cellen die India ooit produceerde en verwacht binnenkort ook zendingen naar Spanje te gaan doen.

    De Amerikaanse investeringsbank Goldman Sachs nam een belang in ReNew Power, een bedrijf in hernieuwbare energie dat met Indian Oil samenwerkt aan de plannen voor groene waterstof. TotalEnergies, een grote Franse oliemaatschappij, kocht een kwart van een divisie van Adani Group die groene waterstof ontwikkelt.

    Indiase groenewaterstofbedrijven wagen zich zelfs in het buitenland. Acme Cleantech Solutions, een pionier op het gebied van zonne-energie, stapte over op de productie van schone brandstoffen. Samen met Scatec, een Noors bedrijf voor schone energie, investeert het meer dan 6 miljard dollar in de productie van groene ammoniak (een afgeleide van groene waterstof) in Oman. Het project is het eerste in zijn soort dat als CO2-neutraal is gecertificeerd. Het kreeg ook commerciële bevestiging toen Yara, een Noorse kunstmestgigant, in juli een langetermijncontract afsloot om de groene ammoniak te kopen.

    Rystad voorspelt dat India in 2025 meer dan 8GW aan elektrolyse-apparatuur per jaar zal produceren (ruwweg de helft van de geplande productie van wereldleider Europa). Investeringsbank Sanford C. Bernstein schat dat in 2030 de waterstofmarkt in India 15 tot 20 miljard dollar per jaar waard kan zijn. Hoewel hij niet zo optimistisch is als Ambani, denkt Bernstein dat ‘minder dan 2 dollar per kilo haalbaar lijkt tegen het einde van het decennium’.

    Niet risicoloos

    Er kan nog veel misgaan. Om te beginnen is het mogelijk dat de Indiase tycoons niet al hun grote beloften nakomen om miljarden uit te geven aan de nieuwe groene revolutie. Onderzoeksbureau CreditSights uitte zijn bezorgdheid over de hoge schuldenlast van de Adani Group. Vooral nu de rente wereldwijd stijgt, kunnen Indiase conglomeraten moeite krijgen om enorme investeringen in schone energie te financieren.

    En zelfs als de miljardairs zo gul spenderen als ze hebben beloofd, zal het leeuwendeel van de 500 miljard dollar die nodig is om de doelstellingen van Modi te halen, waarschijnlijk uit het buitenland moeten komen. Buitenlandse investeerders zien India niet als risicoloos. De roepie is in de loop der jaren gestaag in waarde gedaald, waardoor het rendement voor buitenlanders is afgenomen. Modi’s neiging om sektarische spanningen aan te wakkeren, brengt politieke risico’s met zich mee. En ook buitenlandse beleggers kunnen de pijn gaan voelen als de rente stijgt en de wereldeconomie vertraagt.

    Toch groeit de Indiase economie sneller dan die van China. De vraag naar elektriciteit stijgt zo snel dat het land in 2040 evenveel opwekkingscapaciteit gebouwd moeten hebben als de Europese Unie momenteel bezit, al dan niet groen. De ongeveer 30 miljard dollar die India volgens BNEF jaarlijks moet investeren in hernieuwbare energiebronnen om de doelstelling van Modi te halen, is weliswaar een ontzagwekkend bedrag naar lokale maatstaven maar is slechts een tiende van het geld dat vorig jaar wereldwijd in wind- en zonne-energie werd gestoken. 

    Het is nog vroeg voor India’s tweede groene revolutie, maar de eerste stappen zijn al gezet. Pandit merkt op dat het Westen een voorsprong van honderd jaar had in de conventionele automobielindustrie. Het was een lange, zware strijd voor Indiase bedrijven om hun achterstand in te halen en te kunnen concurreren. Maar op veel terreinen van schone technologie heeft India geen vergelijkbaar nadeel. Pandit voorspelt dan ook dat het land zal excelleren. ‘India gaat voor waterstof doen wat China deed voor accu’s.’

  • Indonesië begint met bouw van ’s werelds grootste ‘groene’ industriepark

    Indonesië begint met bouw van ’s werelds grootste ‘groene’ industriepark

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israëlische vrouwen verdienen bijna 30 procent minder na geboorte eerste kind

    » Marokko streeft naar ‘normale’ betrekkingen met Duitsland

    Borneo krijgt naast nieuwe hoofdstad ook nieuwe industrie

    Op het eiland Borneo, waar de toekomstige nieuwe hoofdstad van het land moet komen, is de Indonesische regering onlangs begonnen met de aanleg van een reusachtig industriepark. Dit ambitieuze project heeft tot doel een einde te maken aan de uitvoer van grondstoffen uit de archipel en deze om te zetten in ‘groene’ producten met een hoge toegevoegde waarde.

    ‘We maken een begin aan de transformatie van de Indonesische economie,’ zei president Joko Widodo, bekend als ‘Jokowi’, toen hij op dinsdag 21 december 2021 het 30.000 hectare grote ‘groene’ industriepark in Tanah Kuning, op het noordelijke eiland Borneo, bezocht.

    Lees ook:

    The Jakarta Post meldt dat het reusachtige industriële complex tot doel heeft het land tot een belangrijke schakel te maken in de wereldwijde toeleveringsketen voor groene producten. ‘Het industriepark zal worden aangedreven door waterkracht- en zonne-energiecentrales en zal fabrieken huisvesten voor hoogtechnologische en precisieproducten, zoals halfgeleiders, lithium-ionbatterijen, zonnepanelen, industrieel silicium en “groen aluminium“, vervaardigd via emissiearme processen.’

    Waterkrachtcentrale

    Het project lag sinds 2015 stil, omdat industriële investeerders wachtten op de bouw van de waterkrachtcentrale en de uitbaters van de centrale wachtten op zekerheid dat er gebruikers zouden zijn.

    ‘Er werd om elkaar heen gedraaid en er werd geen vooruitgang geboekt,’ vatte coördinerend minister voor Maritieme Zaken en Investeringen Luhut Pandjaitan samen tegenover Koran Tempo.

    Nu is er geen tijd te verliezen. Jokowi wil dat de aanleg van het industriepark in 2024 voltooid is, net voor het einde van zijn tweede en laatste ambtstermijn als president. Tegen diezelfde tijd moet de verhuizing van de hoofdstad rond zijn, eveneens naar Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. Het investeringsbedrag wordt geraamd op 132 miljard dollar, oftewel 117 miljard euro.

    Volgens Koran Tempo behoort de grond toe aan Boy Thohir, die ook eigenaar is van Pat Adaro Energy, de op één na grootste steenkoolproducent van het land. Deze industrieel zal worden vergezeld door tien buitenlandse bedrijven.

    ‘Dit is een uitstekende samenwerking tussen investeerders uit Indonesië, China en de Verenigde Arabische Emiraten. We hopen dat het de grootste groene industriezone ter wereld wordt,’ zei president Jokowi tegen de krant.

    Lees ook:

  • Bangkok wil kanalen in ere herstellen

    Bangkok wil kanalen in ere herstellen

    De Thaise hoofdstad Bangkok slibt dicht. Daarom wil men de kanalen nieuw leven inblazen die de stad ooit de bijnaam ‘het Venetië van het Oosten’ opleverden.

    Op straat lopen in Bangkok is verschrikkelijk. Autorijden in de stad is al niet veel beter, maar dan vermijd je tenminste de trottoirs, die een soort vieze, kapotte hindernisbanen zijn. Ook betekent autorijden minder directe blootstelling aan de lucht die almaar vervuilder wordt – voor een deel vanwege al die auto’s.

    Hoe kan die vicieuze cirkel doorbroken worden? Stel dat je, als je zo’n twee kilometer verderop moet zijn, door een groene corridor van bomen en stromend water zou kunnen lopen of fietsen in plaats van de motor of een taxi te nemen? Het klinkt misschien als een onwaarschijnlijke fantasie, maar het kan bereikt worden door terug te keren naar Bangkoks verleden en de kanalen, die zijn verwaarloosd of onder het asfalt begraven liggen om de auto ruim baan te geven, in ere te herstellen.

    Dat is het idee achter een proefproject om het uitgebreide netwerk van khlong, of kanalen, waardoor de hoofdstad ooit het ‘Venetië van het Oosten’ werd genoemd, nieuw leven in te blazen. Door die waterwegen op te knappen en ze aan te sluiten op het transportnetwerk ziet het Cycling Canal and Community Project mogelijkheid een einde te maken aan de verkeersnachtmerrie en te voorkomen dat Bangkok wegglijdt in een onleefbare, vieze dystopie.

    ‘Kanalen waren een uniek kenmerk van Bangkok, maar we hebben ze afgedankt toen we wegen ontwikkelden. Nu zijn de kanalen een probleem geworden’

    ‘Bangkok is gebouwd op netwerken van rivieren en kanalen,’ zegt Kanjanee Budhimedhee, hoofd van het project. ‘Kanalen waren een uniek kenmerk van Bangkok, maar we hebben ze afgedankt toen we wegen ontwikkelden. Nu zijn de kanalen een probleem geworden. Ze worden verstopt door vuilnis en ze verspreiden een smerige stank.’

    Het doel is te beginnen met een autovrije route langs de tien kilometer aan kanalen in zuidwest-Bangkok, tussen de districten Thung Khru en Chom Thong. Als dat een succes wordt, zouden zo’n tienduizend mensen in ongeveer tien gemeenschappen van die doorgang kunnen profiteren. ‘Dit soort corridors langs kanalen bestaat al door heel Bangkok, maar ze zijn niet met elkaar verbonden,’ zegt Kanjanee.

    Als de corridors aaneengeschakeld worden en gaan dienen als toevoerwegen naar het transportsysteem in de stad – boten, bussen en treinen – zullen ze volgens haar ‘een belangrijk alternatief en een wezenlijke optie vormen voor mensen’ die geen gebruik willen maken van de auto. Het zou ook meer veilige en efficiënte vormen van lokaal vervoer betekenen, terwijl de mensen tegelijkertijd worden aangemoedigd om te lopen en te fietsen, waardoor het aantal auto’s op straat zal afnemen. En als de kanalen worden opgeknapt, zal ook de khlong-stank afnemen.


    Het is een idee dat succesvol is gebleken in steden over de hele wereld, waar men in onbruik geraakte rivieren en kanalen heeft opgeknapt om de kwaliteit van het leven te verhogen – en daarmee ook de waarde van het onroerend goed.

    Tien jaar geleden veranderde Seoel zijn extreem vervuilde rivier de Cheonggyecheon in een wonder van groen dat de natuur terugbracht naar bewoners in het hart van de asfaltjungle. Daardoor daalde ook de temperatuur, nam de vervuiling af en bloeide het dierenleven weer op.

    Iets dergelijks hoopt Kanjanee te bereiken met haar initiatief. Nadat het project in 2016 werd goedgekeurd en er geld voor werd vrijgemaakt, is het team erachter nog steeds in onderhandeling met lokale partijen over het ontwerp en de constructie.

    ‘We hebben vaak geprobeerd het er in districten door te krijgen bij het bestuur, maar er zijn veel conflicten. Sommige routes die we hadden uitgekozen, stuitten op onvrede bij de mensen die er woonden,’ vertelt Kanjanee. ‘We hebben tegen het bestuur gezegd dat we, als zij dat goed vinden, zo nodig met elk huishouden daar willen gaan praten.’


    Bangkoks oude, op water gebaseerde vervoersnetwerk ‘was niet voorbereid op straten en trottoirs’ en nu ‘kunnen we geen ruimte meer vinden voor wegen’, zegt Yossapon Boonsom, een vooraanstaande landschapsarchitect die al meer dan tien jaar werkzaam is in stadsplanning.

    Straten beslaan slechts zeven procent van de grond in Bangkok, terwijl dat percentage volgens een studie van het Urban Design and Development Center of Chulalongkorn University in de meeste steden twintig tot vijfentwintig bedraagt.

    Gevangen in de auto

    Hij vindt dat de hoofdstad mensen ontmoedigt om te lopen of gebruik te maken van het openbaar vervoer, waardoor velen te lang gevangen zitten in hun auto. Die factoren zorgen er weer voor ‘dat we te weinig andere mensen ontmoeten’ en geen kans krijgen om ons in de stad op ons gemak te voelen. ‘We missen mogelijkheden om deel te nemen aan het stadsleven,’ voegt hij eraan toe.

    Meer wegen aanleggen is geen duurzame oplossing en de ruimte terugeisen van auto’s zal ook niet werken. Kanjanee zegt dat ze, in de tien jaar dat ze nu in stadontwikkeling werkt, heeft gemerkt dat pogingen om meer voetgangers- en fietszones aan te leggen door de ruimte te confisqueren die oorspronkelijk voor auto’s was bedoeld, ‘niet werken’. Daarom zag ze een potentiële oplossing in de veronachtzaamde gebieden langs de 1161 kanalen in de hoofdstad die wel 2200 kilometer lang zijn.

    Hoewel het project maar langzaam vordert, blijft Kanjanee van mening dat de voordelen – en de lage kosten – de steun van de lokale inwoners zullen krijgen.

    Yossapon meent dat het meer investeringen in gedeelde ruimten zal opleveren als je mensen zover krijgt dat ze de auto laten staan. ‘Als het publiek veel gebruikmaakt van de openbare ruimte, dan is de regering verplicht die in goede staat te houden,’ zegt hij. ‘Dat zal uiteindelijk leiden tot een verbetering van de stadsomgeving.’

    Auteur: Jintamas Saksornchai

    Openingsbeeld: Kinderen spelen in een kanaal bij een sloppenwijk in het centrum van Bangkok. – © Getty Images

    Khaosod
    Thailand | dagblad | oplage 950.000

    Khaosod (‘vers nieuws’ of ‘actueel nieuws’) is de derde krant van Thailand. Het dagblad richt zich op een groot publiek, maar focust behalve op misdaad, lokaal nieuws en entertainment ook op politieke en sociale thema’s. Er is ook een Engelstalige editie.

  • ‘Yimby’ pikt de woningnood niet langer

    ‘Yimby’ pikt de woningnood niet langer

    Na de nimby’s heb je nu ook de yimby’s (yes, in my backyard). Deze snelgroeiende beweging van boze millennials eist dat er betaalbare woningen worden gebouwd. Oók als daarvoor een moestuintje moet sneuvelen.

    Toen een vrouw deze zomer tijdens een gemeenteraadsvergadering van de stad Berkeley opstond en met een courgette zwaaide, terwijl ze klaagde dat haar moestuin door een nieuw woningbouwproject geen zonlicht meer zou krijgen, ging 
ze er waarschijnlijk van uit dat haar medeburgers aan haar kant zouden staan. Het waren tenslotte haar soort klachten – kleinschalig, zinnig, herkenbaar – die overal ter wereld jarenlang stedelijke woningbouwprojecten hadden tegengehouden.

    De toorn van de yimby’s viel haar koud op haar dak. ‘Hebt u het over courgettes? Echt waar? Want ik kan mijn huur nauwelijks opbrengen,’ foeterde een verontwaardigde Victoria Fierce tijdens die vergadering op 13 juni. Fierce voegde eraan toe dat juist door het tekort aan nieuwe woningen de huren in San Francisco de pan uit rijzen, zodat ze het zich nauwelijks nog kan permitteren in de Bay Area te wonen.

    Victoria Fierce leidt een afdeling van een nieuwe beweging die in tal van steden de kop opsteekt, van Seattle tot Sydney en van Austin tot Oxford, en die niet tégen nieuwbouw lobbyt maar ervóór. Ze zeggen dat hun leven wordt bedreigd door de woningnood en de torenhoge huurprijzen. Ze noemen zichzelf ‘yimby’s’, een afkorting van ‘yes, in my backyard’. En aan courgettes hebben ze maling.

    Schreeuwen

    De beweging teert op de woede van jongeren van de millenniumgeneratie, van wie velen nu achter in de twintig of begin dertig zijn. In plaats van lijdzaam te zwijgen terwijl ze uit alle macht betaalbare woonruimte proberen te vinden, bezoeken ze en masse inspraakbijeenkomsten om te betogen voor meer huisvesting – bij voorkeur het soort opvulprojecten in dichtbebouwde binnensteden waartegen 
dikwijls heftig werd geprotesteerd 
door nimby’s (‘not in my backyard’).

    De geboorteplaats van de yimby-beweging, de San Francisco Bay Area, kent de hoogste huurprijzen van Amerika. Volgens schattingen van de staat Californië kwamen er tussen 2010 en 2013 circa 307.000 banen bij in het gebied, maar nog geen 40.000 nieuwe woningen. ‘Er is duidelijk een woningtekort, en het antwoord is nieuwbouw,’ zegt Lara Foote Clark, die leiding geeft aan het in San Francisco gevestigde Yimby Action. ‘Beleid dwing je af als je over dingen gaat schreeuwen.’

    Clark en andere leden van yimby-bewegingen beschouwen zichzelf als progressief en milieubewust, maar ze zijn niet bang om af en toe de knuppel in het gebruikelijke linkse hoenderhok te gooien. Ze richten hun pijlen veelvuldig op eigenaren van ruimteslurpende eengezinswoningen en brengen antikapitalistische groeperingen in verwarring door de kant van projectontwikkelaars te kiezen, zelfs ontwikkelaars van luxeprojecten. Ze zijn een ‘klaag de buitenwijken aan’-campagne begonnen tegen steden die geen grote woningbouwprojecten goedkeuren.

    San Francisco, de geboorteplaats van de yimby-beweging, kent de hoogste huurprijzen van de VS. – © David Paul Morris / Getty Images
    San Francisco, de geboorteplaats van de yimby-beweging, kent de hoogste huurprijzen van de VS. – © David Paul Morris / Getty Images

    Door hun bereidheid om te lobbyen voor vrijesectorwoningen in traditionele minderheidswijken zijn ze afgeschilderd als loopjongens van projectontwikkelaars. Ook heeft hun voorkeur voor vrijesectoroplossingen hun een reputatie opgeleverd van ‘libertariërs’ die uitgaan van het ‘economische doorsijpeleffect’ [een theorie die zegt dat belastingvoordeel voor de rijken uiteindelijk ten goede komt aan iedereen].

    Tijdens een yimby-conferentie, afgelopen zomer in Oakland, werd geprotesteerd door Gay Shame, een radicale groep homoactivisten. Een stuk of tien van hen stonden buiten leuzen te roepen als ‘Homo’s vermoorden tech-yuppen’ en ‘Het is jullie achtertuin niet’. Maar van dat gescheld trekken de yimby’s zich niets aan. Na die gemeenteraadsvergadering in Berkeley hebben ze de courgette als mascotte voor 
hun woede gekozen. Ze maken online courgettegrappen, geven tips voor het kweken van courgettes in de schaduw en deelden zelfs een foto van een jager met een geweer op ‘de openingsdag van het courgetteseizoen’.

    ‘De reden van onze huidige woningnood 
is honderd procent politiek’

    Sonja Trauss (35), een voormalige 
wiskundelerares die in San Francisco woont, zegt dat de woningnood waarmee veel grote westerse steden kampen niet financieel, technisch of het gevolg van materiële tekorten is. ‘De reden van onze huidige woningnood 
is honderd procent politiek’, schreef Trauss in 2015 in een bericht op internet, wat haar hielp een leger volgelingen op te bouwen die spreken tijdens inspraakbijeenkomsten, brieven sturen en online steun verwerven voor woningbouw.

    Het idee verspreidde zich razendsnel. De yimby-beweging, die Trauss in 2013 startte als een brievenschrijfcampagne, heeft overal ter wereld navolging gevonden. In Oakland hielpen plaatselijke yimby-organisatoren om plannen goedgekeurd te krijgen voor een 24 verdiepingen hoge woontoren in de buurt van het metrostation MacArthur, waar alleen maar laagbouw stond. In Seattle hebben activisten het stadsbestuur er mede toe gedwongen dichtere bebouwing toe te staan in bepaalde wijken, zoals het University District.

    In Vancouver organiseren yimby-groeperingen rondleidingen langs delen van de stad waar de meeste ruimte wordt verspild, zoals een chique wijk waar maar vierhonderd mensen wonen op 60 hectare. Engeland kent inmiddels groepen in Londen, Oxford en Cambridge die kijken hoe de overheid ertoe kan worden bewogen meer nieuwbouw toe te staan. In Australië proberen pas opgerichte yimby-groepen wetten te veranderen zodat mensen de vliering boven hun garage kunnen verhuren.

    In Californië hebben yimby-activisten de Democraten geholpen om er een ingrijpend pakket nieuwe staatswetten door te drukken dat de bouw van betaalbare woningen mogelijk maakt. In San Francisco is zelfs een politieke yimby-partij opgericht; Sonja Trauss heeft zich voor 2018 kandidaat gesteld voor een plaats in de Raad van Toezichthouders van het gelijknamige district.

    Potentiële huizenkopers in San Francisco na een bezichtiging in de populaire wijk Castro. – © David Paul Morris / Getty Images
    Potentiële huizenkopers in San Francisco na een bezichtiging in de populaire wijk Castro. – © David Paul Morris / Getty Images

    David Chiu zegt dat toen hij nog voorzitter was van de Raad van Toezicht van het district San Francisco, bewoners maar zelden voorstander waren van plaatselijke woningbouwprojecten. ‘De enige stemmen die we hoorden waren vaak van buren die ertegen waren,’ zegt Chiu, die dit jaar de steun van de yimby-beweging inriep om wetten voor betaalbare woningbouw goedgekeurd te krijgen. ‘Ik denk dat 
ze een nieuw tegenwicht bieden. Ze hebben de discussie in andere banen geleid, zowel op plaatselijk niveau 
als op staatsniveau.’

    Yimby-groeperingen willen de behoefte aan auto’s verminderen door middel van geconcentreerde woningbouw in de buurt van het openbaar vervoer. 
Ze willen af van de weids opgezette buitenwijken. En vóór alles willen ze een plek om te wonen. Die eenvoudige roep om huisvesting kan in de praktijk allerlei complicaties met zich meebrengen. In de loopgraven van de 
lokale politiek kan elk gevecht om 
één enkel project in een genadeloze buurtoorlog ontaarden.

    Nergens zijn deze gevechten verbitterder geweest dan in het Mission District in San Francisco, traditioneel een buurt met voornamelijk latino’s met lage inkomens, die zich in hoog tempo heeft ontwikkeld tot een enclave voor voornamelijk blanke, gefortuneerde werknemers van de techindustrie. Het gigantische aantal techbanen dat in San Francisco en het nabije Silicon Valley is gecreëerd heeft de huren in het Mission District opgedreven tot gemiddeld 4250 dollar per maand. Deels als gevolg van huisuitzettingen en het gebrek aan betaalbare woningen is het aantal latino’s in de wijk drastisch gedaald. Volgens een studie uit 2014 zullen tussen 2000 en 2020 meer dan tienduizend latino’s, oftewel eenderde van de Latijns-Amerikaanse bevolking van de Mission, uit de wijk verdwenen zijn.

    Boze betogers

    Boze betogers hebben gezworen de gentrificatie een halt toe te roepen door alle nieuwbouwprojecten tegen 
te houden die niet in een aanzienlijk aantal sociale huurwoningen voorzien. Yimby-groeperingen hebben onmiddellijk op deze discussie ingespeeld door te betogen dat elk nieuwbouwproject beter is dan helemaal geen project. Op 14 september hebben Trauss en andere yimby-activisten bij de Commissie Ruimtelijke Ordening van San Francisco gepleit voor plannen voor de bouw van een project van 75 woningen in de Mission die voornamelijk voor de vrije sector bestemd zullen zijn. Latinoactivisten protesteerden daartegen. ‘Van de woningen die zullen worden gebouwd, zal 89 procent buiten het inkomensbereik vallen van de 
overgrote meerderheid van de latinobevolking van het Mission District,’ zei Carlos Bocanegra van La Raza Centro Legal, een organisatie die rechtsbijstand aan latino’s verleent.

    Maar Trauss wierp tegen dat niet bouwen geen antwoord op het woningtekort is. ‘Het honderdtal mensen met hogere inkomens dat niet in dit project gaat wonen als het niet wordt gebouwd, gaat ergens anders wonen,’ zei ze. ‘Ze zullen ergens anders iemand verjagen, want de vraag zal niet verdwijnen.’

    Yimby-groeperingen hebben financiële steun ontvangen van oprichters van diverse hightechbedrijven, waaronder 10.000 dollar van Jeremy Stoppelman, medeoprichter van Yelp, en van het Open Philantropy Project, dat mede gefinancierd wordt door Dustin Moskovits, een van de oprichters van 
Facebook.

    Deepa Varma, directeur van de Huurdersbond van San Francisco, zegt dat het frustrerend is geweest om latino’s die voor het behoud van hun buurt vochten, door een nieuwe groepering afgeschilderd te zien worden als nimby’s. ‘Ze hebben de zaak omgedraaid. Het zijn voornamelijk blanke, voornamelijk jonge, voornamelijk gezonde mensen die suggereren dat bewoners van arbeidersbuurten nimby’s zijn,’ zegt Varma.

    Wat tegenstanders van gentrificatie ook irriteert, is dat yimby’s vaak lobbyen voor projecten die ver van hun bed zijn. ‘Het helpt om je buurt een tijdje te kennen voordat je besluit hem te veranderen,’ zegt Andy Blue, een activist van Plaza 16 Coalition, een groepering die de latinocultuur van 
de Mission probeert te behouden. 
‘De mensen in de Mission voelen zich enorm geschoffeerd door die mensen die hun vertellen wat goed voor ze is.’


    Volgens Young Invincibles, een onderzoeks- en advocatenkantoor in Washington, is de nettorijkdom van de millennials in de VS momenteel ongeveer half zo groot als die van de generatie van hun ouders – de babyboomers – in 1989, toen die ongeveer net zo oud waren. De typische millennial heeft voor ongeveer 29.000 dollar aan bezittingen verzameld, terwijl babyboomers in 1989 gemiddeld 61.000 dollar bezaten. ‘Ze verdienen minder, hebben meer studieschuld en komen moeilijker aan een koophuis,’ zegt Tom Allison, adjunct-directeur Beleid en Onderzoek van Young Invincibles. Maar hij voegt eraan toe dat ze meer dan andere generaties bereid zijn om de wereld te veranderen. ‘Deze generatie is veerkrachtig. Ze reageren op tegenslagen door dingen te veranderen. Dat is de zonnige kant van het verhaal.’

    Greg Magofna (33), een werknemer van een non-profitorganisatie, is opgegroeid in de lommerrijke stad Alameda in de East Bay. Hij heeft zijn eigen yimby-afdeling opgericht in zijn geboortestad, omdat hij financieel het hoofd bijna niet meer boven water kon houden. Hij heeft het geluk dat de instanties in Berkeley erop toezien dat de huur van zijn minuscule appartementje van 28 vierkante meter beperkt blijft tot 1200 dollar per maand. Maar hij kan zich nog steeds geen auto permitteren en zijn fietsen, koelkast, ketel en lievelingsstoel vechten om ruimte langs één overvolle muur van zijn woning. ‘Er is een generatiekloof. Veel mensen van de oudere generatie zien niet in dat de wereld veranderd is,’ 
zegt hij, om eraan toe te voegen dat 
het nogal confronterend kan zijn voor yimby’s om naar een openbare bijeenkomst te gaan waar tegenstanders hen voor gentrificeerders of erger uitmaken. ‘De wereld verandert en er is veel om boos over te zijn,’ zegt hij. ‘De yimby’s zeggen: “Wij kunnen er wat aan doen.”’

    Auteur: Erin McCormick

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

    CONTEXT: Yimby’s in drie soorten

    Niet alle groepen die zich achter het vaandel van ‘yimby’ 
scharen (of die daar door de media toe worden gerekend) lijken op elkaar. Sommige lopen te hoop tegen ongelijkheid tussen 
de generaties, terwijl andere zich bezighouden met het lot van de meest kwetsbaren, los van hun leeftijd. Sommige richten zich vooral op de volkshuisvesting, andere willen op een breder front de problemen van de jeugd aanpakken.

    Lobbyisten. Generation Squeeze (de ‘Uitgeperste Generatie’) wil ‘de problemen van de millennials (de generatie geboren tussen begin jaren tachtig en medio jaren negentig) onder de aandacht van de politiek brengen’, zo legt The Toronto Star uit. De oprichter van de beweging, Paul Kershaw, is lector aan de Universiteit van Brits-Columbia. Geïnspireerd door diens werk over de ongelijkheid tussen de generaties, wil Generation Squeeze vooral opkomen voor de belangen van de generatie onder de veertig op het gebied van huisvesting, maar ook met betrekking tot salaris, openbaar vervoer en kinderopvang. In 2015 was de beweging vooral bezig op Twitter om, onder de hashtag #donthaveonemillion, de exorbitant hoge huizenprijzen in Vancouver aan de kaak te stellen.

    Altruïsten. ‘Praten over manieren om wonen betaalbaarder te maken spoort mensen er niet noodzakelijkerwijs toe aan om maatregelen te steunen die de bouw stimuleren’, schrijft The Atlantic. Volgens het blad is de beweging voor betere huisvesting niet louter een optelsom van de individuele klachten van jongere werknemers die zich druk maken om hun eigen toekomst. Het gaat ook om het streven naar sociale rechtvaardigheid. Het blad citeert Clayton Nall, een politicoloog aan de Stanford-universiteit, die stelt dat er ‘een sterk verband is 
tussen mensen die menen dat de rijken zwaarder belast moeten worden, en mensen die streven naar voor iedereen betaalbare huisvesting’.

    Deze progressieve filosofie ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan het project A Place for You, dat wordt uitgevoerd door Multnomah County in de Amerikaanse staat Oregon, waaronder de stad Portland valt. Het project financiert de bouw van kleine zelfstandige woningen op het terrein van een handvol grondbezitters, die zich vrijwillig hebben aangemeld. Die moeten in ruil daarvoor een dakloos gezin (doorgaans een eenoudergezin) vijf jaar lang gratis huisvesten, meldt de plaatselijke website Willamette Week. Als het project aanslaat, zal het worden uitgebreid.

    Festivalgangers. Yimby Town in Oakland (Californië), het Yimby Festival in Toronto en zelfs Yimby Con in de Finse hoofdstad Helsinki: de laatste jaren wemelt het van bijeenkomsten waar de schaarste aan betaalbare huisvesting centraal staat, met inbegrip van manieren om daar een einde aan te maken. Zoals de website Citylab meldt, trok de tweede versie van Yimby Town (de eerste werd in 2016 georganiseerd in Boulder in Colorado) in de voorbije zomer ‘honderden deelnemers uit alle landen, onder wie onderzoekers, mensen van techbedrijven en zelfs leden van de Senaat van Californië, die debatteerden over de politiek achter en de oplossingen voor de huidige crisis in de volkshuisvesting.

    ‘De term nymby wordt steeds vaker in ongunstige zin gebruikt’

    CONTEXT: ‘Niet in mijn achtertuin’

    Het acroniem ‘nimby’ (voor: not in my backyard – letterlijk: niet in mijn achtertuin) wordt in de Angelsaksische wereld gebezigd ter aanduiding van een bewonersgroep die wordt gevormd om een woningbouw- of infrastructuurproject tegen te houden. Zoals het Amerikaanse weekblad The Atlantic onderstreept wordt de term steeds vaker in ongunstige zin gebruikt om groepen aan te duiden die het erom te doen is ‘de waarde van vastgoedbezittingen hoog te houden, maar ook om via de huisvesting de scheiding tussen inwonersgroepen in stand te houden’ (bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat scholen in de buurt uitsluitend door kinderen uit eenzelfde milieu worden bezocht).

    Het letterwoord ‘yimby’ (voor: yes in my backyard) wordt gebruikt voor een nieuw soort actievoerders, die proberen een einde te maken aan wat zij beschouwen als plaatselijke vormen van egoïsme. Sommige schrijvers over het onderwerp zien desalniettemin positieve kanten aan bepaalde vormen van protest die als nimby worden bestempeld. In haar boek This Changes Everything: Capitalism vs The Climate (in het Nederlands verschenen onder de titel No Time: verander nu voordat het klimaat alles verandert) ziet de Canadese journaliste Naomi Klein lokale protestbewegingen tegen grote infrastructurele projecten die als een gevaar voor het milieu worden beschouwd ‘niet als een nimby-achtige uitdrukking van verontwaardiging, maar als een absoluut moreel gebod’, benadrukt de Canadese krant The Globe and Mail (Toronto).