Tag: groene energie

  • EU: uitstoot van broeikasgassen in 2023 met 8,3 procent gedaald

    EU: uitstoot van broeikasgassen in 2023 met 8,3 procent gedaald

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duitsland sluit Iraanse consulaten na executie van Iraans-Duitse dissident

    » Zeven doden in Israël door raketaanvallen van Hezbollah

    ’De weg naar energieneutraliteit is echter nog lang‘

    ’Dit is de grootste jaarlijkse daling in decennia, met uitzondering van 2020, toen Covid-19 leidde tot een emissiereductie van 9,8 procent‘, maakte de Europese Commissie donderdag bekend. De uitstoot van elektriciteitsproductie en verwarming is met 24 procent gedaald ten opzichte van 2022, mede dankzij de ontwikkeling van windturbines en zonnepanelen. Maar ’de weg naar energieneutraliteit is nog lang‘, merkt Le Soir op. Brussel wil deze klimaatdoelstelling tegen 2050 halen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Een van de eerste taken van het nieuwe team van Ursula von der Leyen zal zijn om te onderhandelen over de doelstelling voor 2040, waarvoor de Commissie een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 90 procent ten opzichte van 1990 bepleit. Maar rechts, de belangrijkste kracht in het Europees Parlement, heeft er een hard hoofd in dat dit cijfer zal worden gehaald.

  • De Chinese greentech-industrie ziet steeds meer kansen in Zuidoost-Azië

    De Chinese greentech-industrie ziet steeds meer kansen in Zuidoost-Azië

    ‘Schone energie’ is voor steeds meer Zuidoost-Aziatische landen, van Indonesië tot Vietnam, reden om de banden met Beijing aan te halen. Spanningen in de Zuid-Chinese Zee veranderen daar niets aan.

    Op het Indonesische eiland Bintan, aan een smalle zeestraat tegenover Singapore, verrijst op maar een steenworp afstand van een toeristische badplaats een nieuw industrieel complex.

    Het begon met een aluminiumraffinaderij, die wordt gerund door Bintan Alumina Indonesia en deels eigendom is van het Chinese Shandong Nanshan Aluminium. Het volgende project is een aluminiumsmelterij, waarvan de opening staat gepland voor eind 2023, en een aluminiumfabriek die naar verluidt eind 2028 aluminiumblokken zal gaan leveren voor elektrische voertuigen.

    De uitbreiding van het complex wordt door omwonenden met gemengde gevoelens gadegeslagen. Jongeren op Bintan zijn voor werk niet langer alleen aangewezen op toerisme of visserij. Maar er is ook milieuschade. Er stroomt afvalwater in zee en de kolencentrale die het complex van energie voorziet spuit roet de lucht in.

    De milieutol van de productie van aardmetalen voor ‘greentech’ zijn voor veel Indonesiërs een bekend verhaal. Maar deel uitmaken van de groene productieketen van China wordt als groot goed beschouwd door de Indonesische regering, die alles op alles zet om buitenlandse investeerders aan te trekken in de aardmetaalwinning en daarmee werkgelegenheid te creëren en een moderne productie-economie te worden. 

    Steeds meer kansen

    De Chinese greentech-industrie ziet steeds meer kansen in Zuidoost-Azië. De komst van Chinese investeerders is zeer welkom in de regio, die vooral door het Westen onder druk wordt gezet om zijn CO2-emissies te reduceren zonder dat daar financiële middelen tegenover staan. De Chinese investeringen stellen de Zuidoost-Aziatische landen ook in staat aan te haken bij een van de opwindendste opkomende bedrijfstakken ter wereld en hun eigen waardeketens te ontwikkelen op het gebied van ‘schone’ technologie.

    Chinese bedrijven zien de regio op hun beurt als een politiek vriendelijke locatie voor buitenlandse productiefaciliteiten, niet in de laatste plaats om milieutechnische redenen, zoals in het geval van de aluminiumraffinaderij op Bintan. 

    Geopolitiek wordt van steeds groter belang naarmate de VS China meer uit hun hightech-sector proberen te weren en hun eigen productieketens voor groene technologie proberen te creëren die de invloedssfeer van China omzeilen. Daarmee is Zuidoost-Azië verstrikt geraakt in de steeds fellere strijd van de supermachten om technologische suprematie, waarbij landen zich soms gedwongen zien te kiezen tussen Washington en Beijing. Maar veel regeringen in de regio proberen beide kanten tot investeringen te verleiden.

    Het Internationaal Energieagentschap (IEA) meldde afgelopen januari in een rapport dat China het leeuwendeel voor zijn rekening zal nemen van de wereldwijde toename in productiecapaciteit voor een aantal greentech-producten die naar verwachting de komende zes jaar zal plaatsvinden, waaronder 85 procent van alle zonnemodules en windturbinebladen en meer dan 90 procent van al het anode- en kathodemateriaal voor accu’s.

    Het IEA voegde daaraan toe dat de Chinese investeringen in de productieketen voor schone energie ‘een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het wereldwijd verlagen van de kosten van cruciale technologie, waarvan de transitie naar schone energie op tal van manieren heeft geprofiteerd’. Zo zijn volgens een afgelopen mei gepubliceerd rapport van Wood Mackenzie Chinese zonnemodules 57 procent goedkoper dan die welke in de VS en de Europese Unie worden geproduceerd.

    Strafheffingen

    Intussen worden er stappen gezet om de Chinese dominantie te pareren, zoals de Inflation Reduction Act (IRA) die in augustus 2022 werd aangenomen door het Amerikaanse Congres en die bedrijven op het gebied van schone energie die zich in de VS vestigen flinke belastingvoordelen biedt, met uitzondering van Chinese bedrijven. 

    In de EU is intussen kortgeleden een onderzoek gestart naar de mogelijkheid om strafheffingen op Chinese EV’s in te voeren en daarmee de eigen fabrikanten van elektrische voertuigen te beschermen. BYD, dat gevestigd is in Shenzen en inmiddels meer elektrische auto’s verkoopt dan Tesla, heeft overal in Zuidoost-Azië investeringen gedaan, net als veel andere Chinese autofabrikanten. Ook producenten van zonnepanelen en accu’s hebben de nieuwe markt bestormd.

    Ontwikkelde landen onder leiding van de VS en de EU hebben vorig jaar in het kader van het zogeheten Just Energy Transition Partnership gezamenlijk 35,5 miljard dollar toegezegd om Indonesië en Vietnam te helpen bij het uitfaseren van kolencentrales en het versneld overstappen op duurzame energie, maar tot dusver is er geen cent uitgekeerd. Dit in schril contrast met de miljarden dollars die China al in greentech-gerelateerde projecten in Zuidoost-Azië heeft gestoken. Over de Amerikaanse betrokkenheid bij de regio rezen kortgeleden opnieuw twijfels nadat president Biden afgelopen september verstek had laten gaan bij de ASEAN-top in Jakarta. Ondertussen was de Chinese premier Li Qiang niet alleen wel bij de top aanwezig, maar smeedde hij ook sterkere economische banden met Zuidoost-Aziatische leiders door het ondertekenen van een uitgebreidere versie van het vrijhandelsverdrag tussen ASEAN en China, inclusief bepalingen ten aanzien van groene economie en productieketens.

    Door hun pogingen hun eigen greentech-industrie te beschermen lopen de VS en de EU ook het gevaar sommige Zuidoost-Aziatische landen van zich te vervreemden. Een duidelijk voorbeeld is Indonesië, de grootste economie in de regio. De Indonesische ambities op het gebied van accu’s en EV’s zijn in gevaar gebracht door de Inflation Reduction Act omdat Indonesië geen vrijhandelsverdrag heeft met de VS en de meeste accu-gerelateerde projecten van het land worden gesteund door Chinese investeringen. Onderhandelingen over een beperkt vrijhandelsverdrag met Washington slepen zich al maanden voort.

    Andere Zuidoost-Aziatische landen waar Chinese fabrikanten van zonnepanelen actief zijn, voelen de druk eveneens. Het Amerikaanse ministerie van Handel verklaarde afgelopen augustus dat het forse invoerrechten zal instellen voor bepaalde zonne-energieproducten uit Cambodja, Maleisië, Thailand en Vietnam nadat ze ontdekten dat deze in wezen worden geproduceerd door Chinese bedrijven ‘die hun zonne-energieproducten via deze landen verschepen om antidumpingheffingen en antisubsidierechten te ontlopen’.

    Dit voorbeeld illustreert de hachelijke positie van Zuidoost-Aziatische landen die de ambitie hebben een hub te worden voor de door de Chinees-Amerikaanse spanningen verstoorde productieketens. Cui Tiankai, een gepensioneerde Chinese diplomaat en de langstzittende ambassadeur die China ooit in Washington heeft gehad, bekritiseerde de Inflation Reduction Act tijdens een recent bezoek aan Jakarta: ‘Nu hebben ze een nieuwe term, “deriskeren”. Maar wat is deriskeren? Volgens mij is het Amerikaanse beleid het risico, niet China. De Amerikaanse regering probeert de productieketen te veranderen of zelfs af te snijden. Dat druist heel erg in tegen de logica van de markt. Die strategie zal schadelijk zijn voor onze gezamenlijke pogingen om met behulp van nieuwe energiebronnen de klimaatverandering tegen te gaan en het milieu te redden.’

    Met medewerking van Francesca Regalado in Bangkok, Ramon Royandoyan in Manila, Lien Hoang in Ho Chi Minh City, Ismi Dayamanti in Jakarta en Norman Goh in Kuala Lumpur.

  • Qatar promoot aardgas als ‘groener’ alternatief voor steenkool

    Qatar promoot aardgas als ‘groener’ alternatief voor steenkool

    Qatar probeert van de energietransitie te profiteren door de productie van ‘transitiebrandstof’ aardgas op te voeren. ‘Elk brokje steenkool dat door gasmoleculen wordt vervangen is winst voor het klimaat’, aldus columnist Javier Blas.

    De energietransitie is een wedstrijd met winnaars en verliezers, dus tegenover elke energiebron die wint zal er uiteindelijk ook een zijn die verliest. De belangrijkste strijd is die tussen hernieuwbare energie en fossiele brandstoffen. Maar binnen het kamp van de fossiele brandstoffen woedt tussen aardgas en steenkool ook een strijd om de eerste plaats. En één land probeert die strijd in het voordeel van aardgas te beslissen. 

    Voorstanders van aardgas noemen het een ‘transitiebrandstof’, een stapsteen waarmee de wereld de stroomproductie kan vergroenen door steenkoolcentrales te verruilen voor aardgascentrales. 

    Nog afgezien van het probleem van methaanlekken zijn er twee obstakels die het moeilijk maken om koning steenkool van de troon te stoten: de prijs en de verkrijgbaarheid. Steenkool is spotgoedkoop en in veel ontwikkelingslanden in overvloed aanwezig. Gas moet in vloeibare vorm geïmporteerd worden en is de afgelopen twee jaar, sinds de Russische inval in Oekraïne, schrikbarend duur geworden. Het is dan ook geen verrassing dat Aziatische landen zoals Bangladesh, Pakistan en Thailand, die in lng (liquefied natural gas, oftewel vloeibaar aardgas) ooit een niet al te moeilijke en niet al te dure manier zagen om te vergroenen, daar nu twijfels over beginnen te krijgen. China en India, samen goed voor ongeveer een derde van de wereldbevolking, hebben de laatste jaren weer zwaarder ingezet op steenkool en hechten vooral aan de energiezekerheid die dat biedt. Het steenkoolverbruik blijft dus hoog en bereikte vorig jaar zelfs een recordhoogte.

    Overschot

    Maar dan komt Qatar, dat kleine emiraatje in het Midden-Oosten met een van de grootste fossiele brandstofschatten ter wereld in zijn bodem: voor biljoenen dollar aan aardgasreserves. Al is het nog zo rijk aan fossiele brandstoffen, Qatar heeft paradoxaal genoeg belang bij een succesvolle energietransitie – afhankelijk van hoe je ‘succes’ definieert. Voor Qatar, en voor veel andere spelers van Team Realpolitik in het energie- en klimaatdebat, betekent succes eerst en vooral dat steenkool verruild wordt voor aardgas. Vanuit dat oogpunt is het niet moeilijk te begrijpen waarom Qatar, als de op twee na grootste lng-exporteur ter wereld, haast maakt met een enorme uitbreiding van zijn productiecapaciteit, ook al zal daarmee volgens velen de productie straks de vraag overtreffen. De Qatarese minister van Energie Saad Al-Kaabi heeft een simpele verklaring voor die snelle uitbreiding. ‘Het enige wat ons van nieuwe projecten kan weerhouden, is de gedachte dat er geen markt voor is,’ zei hij op 25 februari.

    Al is het nog zo rijk aan fossiele brandstoffen, Qatar heeft paradoxaal genoeg belang bij een succesvolle energietransitie

    De aankondiging van Qatar kwam net een maand nadat het Witte Huis had besloten voorlopig geen toestemming meer te geven voor nieuwe lng-projecten in eigen land – wat door sommige complotdenkers werd opgevat als een teken dat Doha van Washington wil profiteren. Maar dat denk ik niet. De werkelijkheid is dat Qatar goed let op wat er in Azië gebeurt en daarop inspringt. Wat het emiraat niet openlijk zegt, maar wat elke gasconsument zelf kan bedenken, is dat het land de markt met aanbod overspoelt in de hoop dat aardgas dan zo goedkoop en makkelijk verkrijgbaar wordt dat het de vraag zal aanjagen. Simpel gezegd: Qatar probeert Aziatische landen gerust te stellen dat gas een betrouwbare transitiebrandstof is, waarmee ze van steenkool kunnen afstappen zonder hun financiën of energiezekerheid in gevaar te brengen. 

    Momenteel kan Qatar ongeveer 77 miljoen ton lng per jaar exporteren, waarmee het land na de VS en Australië de grootste mondiale leverancier is. Tot een paar dagen geleden streefde het naar een uitbreiding van zijn productiecapaciteit met 60 procent tot 126 miljoen ton. Samen met de verwachte aanboduitbreiding van de VS was dat al genoeg om tot een overschot op de lng-markt te leiden. Maar op 25 februari kwam Qatar met plannen voor een nog agressievere uitbreiding: een verhoging met 85 procent naar 142 miljoen ton vóór 2030. ‘Dat is een enorme hoop’, is mijn eufemistische samenvatting van de reactie van andere marktpartijen.

    Belang

    Niet alleen wil Qatar de markt overspoelen, het trekt zich ook niets aan van de gebruikelijke manier waarop exportfaciliteiten voor lng worden gebouwd. Normaliter laten de exporterende landen hun afnemers eerst langetermijncontracten tekenen en gebruiken ze die toezeggingen dan om het project te financieren en te bouwen. Qatar gaat gewoon aan de slag nog voor het afnemers heeft, het betaalt de faciliteiten uit eigen zak en zoekt er later wel kopers bij. Het helpt dat Qatar van alle gasproducerende landen waarschijnlijk de laagste kosten heeft. En voor een soeverein land is het makkelijker dan voor een commercieel bedrijf om voor zo’n langetermijnstrategie te kiezen.

    Qatar overspoelt de markt met aardgas in de hoop dat het dan zo goedkoop en makkelijk verkrijgbaar wordt dat het de vraag zal aanjagen

    Gaat het Qatar lukken? Voor de mate van succes zullen niet de gasprijzen maar de volumes bepalend zijn. Qatar is in 2019 uit de OPEC gestapt en is er duidelijk op gebrand de gasmarkt te vergroten, ook al leidt dat tot lagere prijzen. In Azië zijn de lng-prijzen al tot onder de tien dollar per miljoen BTU [BTU is een Amerikaanse eenheid voor energie. 1 BTU is de hoeveelheid energie die er nodig is om de temperatuur van een pond water te verhogen met 1 graad Fahrenheit en staat ongeveer gelijk aan 1060 joule] gezakt, van de recordprijs van ruim zeventig dollar in 2022. Het ergste wat een gasrijk land kan overkomen, is dat de herinnering aan de schaarste en de hoge prijzen van de afgelopen jaren de groei van het lng-gebruik van twee kanten afknijpt: doordat landen steenkool blijven gebruiken als primaire fossiele brandstof voor stroomproductie, terwijl ze bovendien werken aan de uitbouw van hun zonne- en windenergiecapaciteit. 

    Niet iedereen ziet in lng een ideale transitiebrandstof in de strijd tegen de klimaatcrisis. Maar elk brokje steenkool dat door gasmoleculen wordt vervangen is winst voor het klimaat, dus hebben we er allemaal belang bij dat het plan van Qatar slaagt.

  • Uruguay, een voorbeeld op het gebied van groene energie

    Uruguay, een voorbeeld op het gebied van groene energie

    In 2008, het jaar van de torenhoge olieprijzen, begon Uruguay aan een snelle overstap naar andere energiebronnen. Inmiddels wordt tot wel 98 procent van de elektriciteit in het land duurzaam opgewekt.

    Het waren de eerste jaren van deze eeuw en wereldwijd gingen de prijzen van fossiele brandstoffen omhoog. Nadat de prijs van ruwe olie in de jaren tachtig een tijdlang had gefluctueerd en eind 2001 een dieptepunt van 20 dollar per vat had bereikt, verdrievoudigde hij gedurende de zes jaar daarna, totdat een nieuwe oliecrisis de prijs op 3 juli 2008 opjoeg tot een record van 145 dollar per vat. Uruguay importeert zijn olie, dus dat was een probleem.

    De vraag naar energie was het jaar ervoor met 8,4 procent gestegen en de energierekening van de Uruguayaanse huishoudens steeg navenant. Onder de 3,4 miljoen mensen tellende bevolking groeide de onrust. Bij gebrek aan alternatieven zag president Tabaré Vázquez zich gedwongen tegen een hogere prijs energie te kopen van buurlanden, hoewel Argentinië, Uruguay en Paraguay een akkoord hadden gesloten om elkaar te helpen in tijden van nood.

    Vázquez moest snel een beslissing nemen om uit deze val te ontsnappen

    Vázquez moest snel een beslissing nemen om uit deze val te ontsnappen. Hij nam een onwaarschijnlijke adviseur in de arm, de kernfysicus Ramón Méndez Galain, die het elektriciteitsnet van het land zou omvormen tot een van de schoonste ter wereld. Momenteel komen aan het opwekken van elektriciteit in Uruguay vrijwel geen fossiele brandstoffen meer te pas. Afhankelijk van het weer is 90 tot 95 procent van de elektriciteit van het land van duurzame oorsprong. In sommige jaren werd zelfs 98 procent bereikt.

    Het uitfaseren van fossiele brandstoffen was een van de hoofdthema’s tijdens de klimaattop in Dubai, eind vorig jaar. Na een week lang gespannen onderhandelen werd besloten om af te stappen van fossiele brandstoffen voor het opwekken van energie, al zijn lobbyisten, regeringen en milieuexperts het nog niet eens over de manier waarop die transitie moet plaatsvinden.

    Een oplossing zou kunnen liggen in wat Uruguay de afgelopen vijftien jaar heeft bereikt.

    Transitie

    ‘Ik had veertien jaar in het buitenland gewerkt en toen ik terugkwam was er die energiecrisis. Maar de enige oplossing die werd overwogen was de bouw van een kerncentrale, en verder niets,’ zegt Galain. ‘Ik was kernfysicus, dus ik had wel enige kijk op het probleem.’ Hoe meer hij zich in de kwestie verdiepte, des te sterker hij ervan overtuigd raakte dat kernenergie niet de oplossing was voor Uruguay. In plaats daarvan pleitte Galain voor duurzame bronnen. Hij publiceerde zijn bevindingen in een rapport en betoogde dat het land volledig moest inzetten op windenergie. Kort daarna werd hij gebeld met de vraag of hij de nieuwe Uruguayaanse minister van Energie wilde worden, zodat hij zijn plan ten uitvoer kon brengen.

    Maar economisch gezien is het een Zuid-Amerikaans succesverhaal

    Uruguay is een klein land dat zit ingeklemd tussen twee reuzen. Buenos Aires, de almaar uitdijende hoofdstad van Argentinië, ligt 50 kilometer ten zuiden van de monding van de Rio de la Plata, die een deel vormt van de grens tussen de twee landen, terwijl Uruguay in het noorden aan Brazilië grenst. In die context wordt het land gemakkelijk over het hoofd gezien. Maar economisch gezien is het een Zuid-Amerikaans succesverhaal. Het bnp per hoofd van de bevolking bedroeg in 2022 ruim 25.000 euro, volgens de Wereldbank het hoogste op het continent; slechts een fractie van de bevolking leeft in extreme armoede. Het land kent een snelgroeiende middenklasse, zo’n 60 procent van de bevolking, en de verwachtingen voor de toekomst zijn rooskleurig.

    Door deze demografische verandering is de behoefte aan de verlokkingen van een moderne, eenentwintigste-eeuwse levenswijze toegenomen. Huizen worden uitgerust met was- en afwasmachines en airconditioning is de normaalste zaak van de wereld geworden, net als reusachtige flatscreen-tv’s en op internet aangesloten apparatuur. Voor dat alles is elektriciteit nodig. In de afgelopen tien jaar heeft Uruguay onder de bezielende leiding van Galain een vijftigtal windmolenparken geïnstalleerd, het elektriciteitsnetwerk CO2-neutraal gemaakt en het aantal waterkrachtcentrales opgevoerd.

    Het ‘narratief’

    Maar de grootste uitdaging was het veranderen van het ‘narratief’ over duurzame energiebronnen. Er bestonden in die tijd nog veel misvattingen over duurzame energie, zegt Galain: het was te duur, te instabiel en het zou tot meer werkloosheid leiden. Om alle lagen van de maatschappij mee te krijgen was het van groot belang om met andere verhalen te komen.

    ‘Niemand geloofde dat het ons zou lukken. We hadden nieuwe oplossingen nodig. We moesten dingen anders gaan doen,’ zegt Galain. ‘Vandaag de dag zeggen zelfs leden van het toenmalige kabinet tegen me: “Toen je die dingen in 2008 op tv zei, vroegen we ons af hoe we het moesten uitleggen als het zou mislukken.”‘

    Volgens Galain was er een ‘sterk nationaal narratief’ nodig om het verduurzamingsplan te laten lukken. ‘Ik zei tegen mensen dat dit de beste optie was, zelfs als ze niet in klimaatverandering geloofden. Het is het goedkoopst, en niet afhankelijk van idiote schommelingen [in olieprijzen].’ Met dit verhaal probeerde de regering een sceptische bevolking voor zich te winnen.

    Een van de aanvankelijke zorgen was dat er banen verloren zouden gaan in de energiesector. Maar in plaats daarvan werden er zo’n vijftigduizend nieuwe banen gecreëerd, een enorm aantal voor een land met zo’n kleine bevolking. Het idee van een ‘rechtvaardige transitie’, waarbij niemand zou achterblijven, kwam centraal te staan en sommige werknemers kregen een omscholingscursus om zich te kunnen aanpassen aan het nieuwe normaal.

    Schaich zei tegen Revello dat de familieboerderij een locatie zou kunnen worden voor een windmolenpark

    Ook anderen deden hun voordeel met de veranderingen. Santiago Revello (52) bezit een rundvleesboerderij in het binnenland van Uruguay, zo’n 280 kilometer ten noorden van de hoofdstad Montevideo. Vanwege de uitgestrekte weilanden is rundvleesproductie een van de belangrijkste inkomstenbronnen van het land. De boerderij was rendabel, maar in 2009 dacht de familie Revello erover het bedrijf te verkopen. Toen kwam Revello in contact met Fernando Schaich, de eigenaar van een voormalig energieadviesbureau die lucht had gekregen van de overstap naar duurzame energiebronnen waarop Uruguay inzette.

    Schaich zag al van meet af aan kansen in het transitieplan. Zijn bedrijf had tot dan toe geld verdiend door mensen te adviseren hoe ze hun energieverbruik konden beperken, maar had inmiddels zijn aandacht verlegd naar windmolenparken. Schaich zei tegen Revello dat de familieboerderij een locatie zou kunnen worden voor een windmolenpark, en dat de bouw daarvan geen nadelige gevolgen hoefde te hebben voor zijn vee. Het tweetal stelde een contractvoorstel op en ging daarmee naar een projectontwikkelaar, maar tevergeefs. ‘Fernando was daar doodziek van,’ zegt Revello. ‘Hij zei tegen me dat ik maar met een ander bedrijf in zee moest gaan. Maar hij was altijd eerlijk tegen me geweest, dus ik zei hem dat het me niet alleen maar om geld ging.’

    Momenteel biedt Revello’s boerderij plaats aan 22 windturbines, wat de familie flink wat neveninkomsten oplevert.

    Logistiek

    Toch is de groene transitie van Uruguay niet zonder slag of stoot gegaan. Een van de problemen was van logistieke aard, aldus Gonzalo Casaravilla, tussen 2010 en 2020 bestuursvoorzitter van het nationale energiebedrijf UTE. Buiten de steden zijn de Uruguayaanse wegen smal en er zijn maar weinig snelwegen. De onderdelen van windturbines daarentegen zijn allesbehalve smal, en het viel dan ook niet mee om ze op de plaats van bestemming te krijgen. Om zo min mogelijk overlast te veroorzaken bij de bouw van nieuwe windmolenparken werden er verrijdbare wegblokkades ingezet en werden de onderdelen in konvooien vervoerd.

    ‘Het was grappig. In het begin zeiden de technische mensen van mijn bedrijf: ho ho, voorzichtig aan. Anderhalf jaar later zeiden ze: oké, goed idee,’ zegt Casaravilla. ‘In het begin was er frictie, maar daarna konden we ons geen beter team wensen.’

    De transitie valt niet bij iedereen in goede aarde. Af en toe klinkt er gemor van mensen die zich afvragen waarom hun energierekening niet is gedaald als duurzame energie ‘gratis’ is. Dit is een klacht waarover Galain zijn schouders ophaalt. ‘Mensen vragen zich af hoe het komt dat hun rekening niet lager is,’ zegt hij. ‘Maar in diezelfde periode is het armoedepercentage van 40 naar 10 gezakt en is extreme armoede bijna verdwenen. Mensen hebben nu airconditioning, iets wat ze eerst niet hadden, en ze verbruiken steeds meer elektriciteit.’

    Het land is ‘gezegend door de natuur’ vanwege de sterke winden en een aanzienlijke hoeveelheid waterkracht

    Xavier Costantini, partner van consultancybureau McKinsey in Montevideo, noemt het idee dat duurzame energie gratis zou zijn een misvatting. Er zijn onderhoudskosten, al zijn die relatief laag, maar het belangrijkste is dat de aanvankelijke investering moet worden terugverdiend. De vraag of de Uruguayaanse transitie een blauwdruk voor de wereld is, is niet eenvoudig te beantwoorden. Bepaalde kenmerken hebben het land voordeel opgeleverd, zegt Costantini.

    Het land is ‘gezegend door de natuur’ vanwege de sterke winden en een aanzienlijke hoeveelheid waterkracht, waarvan het eventuele surplus soms aan Brazilië wordt verkocht. Een alternatieve energiebron als waterkracht is van vitaal belang om hiaten in een duurzaam elektriciteitsnet op te vullen, omdat wind en zon niet altijd voorhanden zijn.

    Gunstige voorwaarden

    Anders dan sommige andere landen in de regio is Uruguay politiek gezien erg stabiel, wat het volgens Costantini voor buitenlandse bedrijven aantrekkelijker maakte om er langetermijninvesteringen te doen. Ook was de invoerbelasting relatief hoog, wat als argument kon worden gebruikt om buitenlandse investeringen aan te moedigen.

    Maar zulke gunstige voorwaarden zijn ook elders te vinden. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld beschikt Schotland over een aanzienlijk waterkrachtpotentieel. ‘Volledig CO2-vrij worden is kostbaar, maar je kunt een heel eind komen,’ zegt Costantini. ‘Volgens mij is er grote kans dat een land als het VK aan het eind van het komende decennium over een elektriciteitsnet beschikt dat in sterke mate CO2-vrij is, tegen een zeer concurrerend tarief.’

    Uruguay is intussen begonnen aan wat de tweede transitiefase wordt genoemd. Bussen en overheidsvoertuigen worden geleidelijk geëlektrificeerd en ook taxichauffeurs worden aangemoedigd om over te stappen. Als dit goed uitpakt, kan het een wereldwijd voorbeeld zijn voor andere landen die hun economie CO2-vrij willen maken.

  • Links Europa moet vuist maken tegen dubbele rechtse moraal, aldus Frans Timmermans

    Links Europa moet vuist maken tegen dubbele rechtse moraal, aldus Frans Timmermans

    De Nederlandse politicus en voormalig EU-commissaris Frans Timmermans noemt de ommezwaai op klimaatgebied van landen als Engeland ‘verbijsterend’. In een interview met The Guardian vertelt hij hoe hij bouwt aan een groene toekomst in een gefragmenteerd politiek landschap. 

    Frans Timmermans, de politicus die zijn hoge positie bij de EU heeft opgegeven om mee te doen aan de Nederlandse verkiezingen, roept alle progressieve partijen in Europa op om zich te verenigen tegen de ‘verbijsterende’ ondermijning van de klimaatdoelen door rechts. De voormalige vicevoorzitter van de Europese Commissie voert nu de gezamenlijke lijst van GroenLinks en de PvdA aan en is van mening dat links zich moet mobiliseren tegen het streven van radicaal-rechts om klimaatmaatregelen als ‘onbetaalbaar’ weg te zetten. Hij gaf The Guardian een van zijn eerste campagne-interviews en zei daarin dat het Verenigd Koninkrijk een van de eerste landen was waarvan de regering terugkomt op haar klimaatbeloften. 

    De Britse premier Rishi Sunak zwakte de klimaatplannen van zijn regering vorige maand danig af met de mededeling dat het verbod op de verkoop van nieuwe diesel- en benzineauto’s vijf jaar wordt uitgesteld en ook de afschaffing van gasboilers minder snel zal worden ingevoerd. ‘Het grote gevaar is nu dat rechts gaat zeggen, en Sunak is daar een goed voorbeeld van: we kunnen ons geen klimaatbeleid veroorloven, het is te duur, vooral voor mensen met een smalle beurs,’ zegt Timmermans. ‘Het is vrij verbijsterend om te zien dat politici die meestal weinig oog hebben voor mensen met lage inkomens zich ineens wel sterk voor hen maken nu dat in hun strijd tegen het klimaatbeleid past,’ vindt hij. ‘Daar zitten duidelijk economische belangen achter. Het gevaar voor links, voor progressieve partijen, is dat deze tegenstelling tussen sociale rechtvaardigheid en klimaatrechtvaardigheid door rechts wordt uitgebuit en bij links verdeeldheid kan zaaien.’

    ‘Het grote gevaar is nu dat rechts gaat zeggen: we kunnen ons geen klimaatbeleid veroorloven’

    Timmermans wil de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen in 2030 hebben teruggebracht met 65 procent (meer dus dan de 55 procent die de EU zich ten doel stelt) en hij denkt dat het bedrijven en consumenten alleen maar in verwarring zal brengen als klimaatmaatregelen nu weer worden afgezwakt. Net als het Verenigd Koninkrijk heeft ook Zweden onlangs aangekondigd in zijn klimaatbeleid te gaan snijden, en in Duitsland wordt geklaagd over de kosten van het isoleren van gebouwen. Maar Timmermans’ scherpste kritiek geldt de beleidsvoornemens van Sunak. Hij waarschuwt dat de Conservatieve Partij ‘door de radicalen lijkt te worden overgenomen’. Uitstel van het verbod op benzineauto’s is volgens hem een schijnbesparing. ‘Ik hoop dat we onze burgers ervan kunnen overtuigen dat hoe langer je wacht met het nemen van klimaatmaatregelen, hoe duurder ze worden en hoe moeilijker het zal zijn om nog te veranderen,’ zegt hij.

    Historisch dieptepunt

    De populaire sociaaldemocraat en oud-minister, die vermaard is om zijn talenkennis en sinds kort met een grijze baard rondloopt, werd vrij recent tot lijsttrekker uitgeroepen en op slag stond de nieuwe fusiepartij bovenaan in de peilingen. Op dit moment moet hij maar twee partijen voor zich laten: de centrumrechtse VVD van de huidige premier Rutte en het pas opgerichte Nieuw Sociaal Contract van de ‘gematigde outsider’ Pieter Omtzigt. Maar het vertrouwen in de politiek bevindt zich op een historisch dieptepunt. Mede dankzij de kritiek van Omtzigt in de Kamer viel het vorige kabinet Rutte in 2021 over een schandaal waarbij duizenden ouders, vaak mensen met een dubbele nationaliteit, onterecht van fraude met kindertoeslagen waren beschuldigd. En het land betaalt momenteel een ereschuld van 22 miljard euro aan de provincie Groningen, waar 85.000 woningen zijn beschadigd door de decennialange gaswinning. 

    Timmermans heeft net een rondgang van vijf weken door het land gemaakt en beloofd de bureaucratie terug te dringen en te streven naar meer vertrouwen tussen burger en overheid. ‘Als iemand die uit een mijnstreek komt, sta ik nog steeds versteld [van Groningen]. Want in de mijnstreek hadden we precies hetzelfde probleem, dat woningen schade opliepen, maar daar werd meteen iets aan gedaan,’ zegt hij. Een recent schandaal waarbij de fiscus zich bij fraude-onderzoek schuldig bleek te hebben gemaakt aan etnisch profileren, waarvan de minister van Financiën achteraf heeft erkend dat het een vorm van ‘institutioneel racisme’ was, wordt door Timmermans genoemd als een andere reden voor het gebrek aan vertrouwen in de Nederlandse politiek. Hij vindt het ‘vreselijk, vreselijk pijnlijke’ onthullingen en erkent dat het ‘een hele tijd zal duren’ voordat het vertrouwen bij de kiezer is hersteld.

    Ruttes huidige vierpartijenkabinet is in juli weliswaar gevallen over ‘onoverbrugbare’ verschillen van mening over de asielproblematiek, maar volgens Timmermans zal immigratie in de aanloop naar de verkiezingen op 22 november geen splijtzwam worden. ‘Onbeheersbare migratie is een van de factoren die bijdragen aan de onzekerheid in onze samenleving, dus daar moet links net zo goed als rechts een aanpak voor vinden,’ zegt hij. ‘We hebben een verantwoord migratiebeleid nodig, en dat begint met onze internationale overeenkomsten.’ En hij neemt het Verenigd Koninkrijk weer op de korrel, waar minister van Binnenlandse Zaken Suella Braverman in een populistische toespraak vorige week waarschuwde voor een ‘orkaan’ van massa-immigratie: ‘Wij zijn Braverman niet. Dat zijn onze grondbeginselen. Dat is waar de hele westerse democratie om draait.’

    Veerkracht

    Zijn verkiezingsprogramma belooft een verhoging van het minimumloon en meer tegemoetkomingen aan de lage inkomens, meer belasting op vervuiling en op de winsten van bedrijven, een nieuw toptarief voor de inkomstenbelasting, een extra ‘miljonairsbelasting’ en hardere aanpak van belastingontduiking. Maar hij heeft ook voorstellen die de gewone burger in de portemonnee zullen raken, zoals de geleidelijke afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Hij beseft dat dit weerstand kan oproepen: ‘Op sommige mensen werkt klimaatbeleid als een rode lap, ze winden zich daar enorm over op, en in de rechtse media word ik al heel lang als “klimaatpaus” weggezet.’ Maar hij zegt te staan voor een ‘betere samenleving’. ‘Er heerst een diep gevoel van onrechtvaardigheid in onze samenleving, en we moeten het vraagstuk van de herverdeling aanpakken,’ meent hij. ‘Dat zal ook tot meer zelfvertrouwen leiden. Onze mentaliteit van “er is niks wat wij niet kunnen oplossen, want wij zijn Nederlanders” is omgeslagen in “er is niks wat wij kunnen oplossen, want wij zijn Nederlanders”.’

    ‘Als je geen vertrouwen meer hebt in je eigen veerkracht, wordt alles een probleem’

    Deze Monty Python-fan, gekleed in een keurig hemd en jasje met daaronder een spijkerbroek en sneakers, schreef na brexit een verdrietige liefdesbrief aan Groot-Brittannië en ziet nog steeds grote overeenkomsten tussen dat land en Nederland. ‘Om het te zeggen zoals mijn kinderen zouden doen: we zijn onze swag kwijt,’ zegt hij. ‘Herinneren jullie je de tijd van Cool Britannia nog? Niemand heeft het daar nog over. Maar als je trots bent op je land, heb je ook meer veerkracht. Als je geen vertrouwen meer hebt in je eigen veerkracht, wordt alles een probleem.’ De kracht van verenigd links, het bouwen aan een groene toekomst in een gefragmenteerd politiek landschap, is zijn oplossing voor dat probleem. ‘Een van de redenen dat ik weer de nationale politiek in ben gegaan,’ zegt hij, ‘is dat we nu een kans hebben om tot een beweging in de andere richting te komen.’

  • Franse musea vergroenen. ‘We verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is’

    Franse musea vergroenen. ‘We verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is’

    Franse musea proberen hun energiegebruik te verminderen door hun kunstwerken op een andere manier te bewaren en te vervoeren. De grootste winst valt echter te behalen bij de gasten: 99 procent van de CO2 die het Louvre uitstoot, wordt veroorzaakt door de bezoekers.

    Alle toevoer afsnijden! Water, gas, elektriciteit! Afgelopen lente heeft het Maison des arts de Malakoff in het departement Hauts-de-Seine zijn energiegebruik uit eigen beweging volledig stilgezet: geen enkele expositie meer, een radicale stop van vijf maanden. ‘We hadden al veel milieumaatregelen genomen, zoals het opvangen van regenwater, het planten van een boomgaard en het installeren van andere verlichting,’ vertelt directeur Aude Cartier. ‘We moeten de milieuangst omzetten in initiatieven die mensen mobiliseren en de wereld veranderen in plaats van haar te versomberen, en onze instellingen kunnen daarbij een rol spelen.’

    Lampen op zonne-energie, emmers water in de wc’s… Aude Cartier en haar team hebben elk onderdeel van het dagelijks leven een nieuwe invulling gegeven. In de vorm van sculpturen, een broodoven in de tuin, fermentatieworkshops voor het maken van miso, kombucha en kimchi, het middels allerlei acrobatische toeren kweken van paddenstoelen en het voeren van talloze discussies over morgen.

    Niet alle Franse musea en kunstencentra gaan zo ver, maar aandacht voor het milieu is onontkoombaar sinds de coronapandemie. De klimaatrampen van 2022 hebben alles nog in een stroomversnelling gebracht. Er is geen groot museum meer zonder duurzaamheidsadviseur. Doel, volgens het collectief Les Augures dat de groene transitie in de beeldende kunst begeleidt, is ‘het reduceren van de negenduizend ton CO2 die een gemiddeld museum jaarlijks uitstoot, de voetafdruk van achthonderd Fransen’. In Malakoff heeft het collectief een maximaal aantal gegevens verzameld, variërend van de wijze waarop bezoekers naar het museum komen tot de psychologische impact die bepaalde veranderingen hebben op het team. Alles is geïnventariseerd en geanalyseerd, ‘om te kunnen bepalen wat werkt en wat niet, en om ook anderen van onze bevindingen te laten profiteren’, legt Aude Cartier uit.

    ‘Musea weten vaak niet waar ze moeten beginnen‘

    Want dat is het grootste struikelblok. ‘Musea weten vaak niet waar ze moeten beginnen, het valt buiten hun competentie en stelt ze voor een aantal heel uiteenlopende uitdagingen,’ onderstreept Fanny Legros, die drie jaar geleden Karbone Prod heeft opgericht, een ander bureau dat zich in procesbegeleiding op dit gebied heeft gespecialiseerd.

    Een toekomstig museum dat 100 procent duurzaam is? Daarvoor moet je het verbruik van een vrachtauto kunnen berekenen, expert worden op het gebied van isolatie, de herkomst van de vis in je restaurant kunnen vermelden, op de hoogte zijn van het Franse decreet van 2019 dat bepaalt dat het energieverbruik van openbare gebouwen in 2030 met 40 procent verminderd moet zijn, in 2040 met 50 procent en in 2050 met 60 procent, je bezoekers aansporen om op de fiets te komen, de levenscyclus van de bekleding van je banken achterhalen, een toekomst bedenken voor afgedankte vloerbedekking. Een duizelingwekkende hoeveelheid uiteenlopende expertises.

    Recycling

    ‘Maar we hebben geen keus: binnen enkele jaren zal Frankrijk het klimaat van Andalusië hebben,’ benadrukt Sandra Patron, die een voortvarend actieplan heeft gelanceerd voor het Musée d’Art Contemporain in Bordeaux dat ze sinds 2019 leidt. ‘Ons hoofdgebouw? Het is binnenkort misschien te warm om daar exposities te houden. Maar we verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is. De vragen die voorliggen zijn even fascinerend als beangstigend. En hoe meer je op de zaken vooruitloopt, des te intelligenter de antwoorden.’ Patron zet vooral in op recycling: komende herfst zal Bordeaux een ondergrondse recyclinginstallatie in gebruik nemen die het ‘afval’ van de culturele instellingen van de stad zal inzamelen en herverdelen. Een prijzenswaardig initiatief dat is gestart door de Réserve des arts de Pantin in het departement Seine-Saint-Denis en sinds 2020 ook in Marseille is gerealiseerd. In 2022 heeft de organisatie 722 ton materiaal ingezameld bij tal van grote en kleine musea en kunstenaars; 520 ton daarvan is weer in gebruik genomen door de 13.000 aangeslotenen. Vooral hout, maar ook metaal, textiel, leer. Een succes dat helaas wordt bedreigd: omdat de Réserve binnenkort moet verhuizen wordt wanhopig naar een nieuwe locatie gezocht, terwijl er nog nooit zo’n groot beroep op de organisatie is gedaan. Want veel instellingen hebben zich met name op het meest voor de hand liggende afvalitem gestort: expositiepanelen. Deze worden voor elke tentoonstelling op maat gemaakt en belandden voorheen systematisch in de afvalcontainer. Maar dat is nu verleden tijd.

    ‘Het wordt hoog tijd dat een expositie van begin tot eind milieubewuster verloopt’

    En verder? De musea wisselen steeds meer ervaringen uit, maar ieder voor zich blijft de regel. Frankrijk kent geen equivalent van de in het Verenigd Koninkrijk opgerichte Gallery Climate Coalition, waarbij momenteel 800 musea aangesloten zijn, van PS! in New York tot Barbican in Londen, die tussen nu en 2030 hun CO2-uitstoot willen halveren en streven naar 0 procent afval. Het enige aangesloten Franse museum is het Musée Picasso in Parijs.

    ‘Frankrijk loopt een beetje achter, want het ontbreekt ons aan gegevens over de werkelijke voetafdruk van de cultuursector, die geen deel uitmaakt van de koolstofarme strategie die de overheid voorstaat,’ zegt Fanny Legros spijtig. Karbon Prod en Augures hebben daarom de handen ineengeslagen om een instrument voor dataverzameling te ontwikkelen waarvoor ze de financiering op korte termijn hopen rond te krijgen; een tiental Franse musea zou als ‘bêtatesters’ fungeren. ‘Het wordt hoog tijd dat een expositie van begin tot eind milieubewuster verloopt en dat er meetinstrumenten komen voor elk afzonderlijk geval,’ aldus Legros. 

    Permacultuur als model

    Intussen voltrekt de facelift zich zo goed en zo kwaad als het gaat: de exposities worden langer, er wordt vaker een beroep gedaan op plaatselijke collecties, koolstofboekhouding vindt steeds meer ingang. Maar dat volstaat in de ogen van Guillaume Désanges niet voor een duurzaam ontwikkelingsbeleid: de directeur van het Palais de Tokyo in Parijs wil verder gaan en permacultuur, een duurzame landbouwmethode, als model gebruiken. ‘Natuurlijk moeten we de koolstofuitstoot beperken, maar we moeten vooral weer ontdekken dat het nodig is om dingen anders te doen. Wij gaan prat op onze vrolijke, creatieve nederigheid. Voor ons is duurzaamheid geen gespreksonderwerp, maar het uitgangspunt van de manier waarop we werken.’

    Dankzij sponsorgelden heeft het Palais de Tokyo het bureau Utopies in de arm kunnen nemen voor het opstellen van een koolstofboekhouding. In 2021 heeft het museum 7200 ton CO2 uitgestoten, constateert het rapport. Oftewel 16 kilo per bezoeker, twee keer zo veel als het Gugenheim in Bilbao. Drie kwart daarvan wordt veroorzaakt door de bezoekers van exposities, die voor het overweldigende merendeel uit het buitenland komen. Een situatie die op nationale schaal aangepakt zou moeten worden: van de 4 miljoen ton CO2 die het Louvre uitstoot wordt 99 procent veroorzaakt door de bezoekers.

    Voor het overige beschikt het Palais de Tokyo nog over de nodige manoeuvreerruimte, verzekert de directeur. Doel is 42 procent minder CO2-uitstoot in 2030. Eerst genomen beslissing in de zomer van 2023 was de sluiting van de glazen zaal op de begane grond, die tijdens grote hitte onbruikbaar is. De tienduizend vierkante meter met airco koelen is ondenkbaar. Het hele parcours is herzien: vanuit de frisse tuinen komt men binnen via het souterrain en de expositie van Laura Lamiel wordt omsloten door dikke muren. ‘Deze initiatieven helpen om het cynisme te doorbreken van de kunstwereld, waar veel over duurzaamheid wordt gesproken zonder werkelijk te beseffen wat er aan de hand is. Maar het belangrijkste is dat we een opwaartse spiraal creëren,’ vervolgt Guillaume Désanges. ‘Het Palais is een levend ecosysteem dat niet als monocultuur mag worden gebruikt, maar waar de gebruiksintensiteit varieert en er soms ruimte onbenut blijft.’

    Op het programma van dit duurzame Palais staat een intensievere dialoog met andere instellingen en het afwijzen van ‘concurrentiestrategieën zodat de artistieke en intellectuele inbreng voorrang krijgt. Altijd haantje de voorste zijn? Die logica is zijn doel voorbijgeschoten. Wij houden ons liever aan de tijd van de kunstenaars.’ En ook aan hun vergroeningstempo, dat ze zichzelf inmiddels heel vaak opleggen. Zo heeft Davide Balula het project Artists Commit gelanceerd, dat de voetafdruk van een expositie haarfijn wil analyseren.

    Grote oceaanstomer

    Bij musea met oude kunst speelt deze aandrang minder. Hoe kunnen we deze grote oceaanstomers een draai laten maken? ‘Bij al onze projecten houden we de energietransitie in het oog; daar staan we met onze teams dagelijks bij stil,’ verzekert Virginie Donzeau, directielid van het Musée d’Orsay.

    ’s Winters één graad minder, ’s zomers één graad meer: eind 2021 heeft Orsay een plan aangenomen voor een haarfijne afstelling van verwarming en airconditioning, aldus Donzeau. Resultaat is dat de energiekosten in de winter van 2022 met 16 procent zijn gedaald. Er zal onder geen beding een beroep worden gedaan op de uitzonderingsclausule voor monumenten die in het energiedecreet van 2019 is opgenomen: voor 2024 wordt gemikt op een daling van het energiegebruik met 25 procent, en voor 2050 met 60 procent, conform de eisen die het decreet stelt aan alle openbare gebouwen van meer dan duizend vierkante meter. ‘Ons gebouw, een spoorstation uit de negentiende eeuw dat aan vier windrichtingen is blootgesteld, is onze grootste uitdaging, maar we zien die complicatie ook als een kans,’ verzekert Donzeau.

    In alle tentoonstellingszalen is inmiddels ledverlichting aangebracht, en de andere ruimtes zullen binnenkort volgen. De renovatie van de entree zal het verbruik ook doen dalen. Er wordt zelfs aan gedeeltelijke geothermie gedacht. ‘De daling van de CO2-uitstoot die in 2022 is gerealiseerd heeft ons een beetje verrast,’ vervolgt ze, ‘want die is nogal contra-intuïtief. Als je de bezoekers niet meetelt komen de exposities zelf pas op de vierde plaats qua energieverbruik, na het gebouw, de winkelactiviteiten en de horeca.’ Transporteurs bewegen tot verduurzaming van hun wagenpark, met verzekeraars onderhandelen om een of twee kunstwerken meer in dezelfde vrachtwagen of hetzelfde vliegtuig te mogen vervoeren, elk detail wordt onder de loep genomen om de uitstoot van broeikasgassen tussen nu en 2030 met 30 procent te verminderen.

    Het beheer van de museumcollecties, waar nog heel wat werk aan de winkel is, blijft een knelpunt

    Origineler is nog dat het museum een project heeft geïnitieerd voor vergroening van de oevers van de Seine in Argentueil in het departement Val d’Oise, naar voorbeeld van de impressionistische doeken waarop het destijds nog ongerepte landschap staat afgebeeld.

    Maar er blijft een knelpunt, namelijk het beheer van de museumcollecties, waar nog heel wat werk aan de winkel is. Zelfs de International Council of Museums breekt zich daar het hoofd over: ‘Sommige normen voor preventieve conservering dateren van dertig jaar geleden. Zijn die nog valide en werkbaar in de huidige tijd?’ Sandra Patron gaat nog verder: ‘Kun je nog werken in koelcellen conserveren à raison van 15.000 euro per jaar? Je moet verder durven denken, zelfs als dat in strijd is met de regels.’

    Lees ook:

  • Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Voor de groene transitie waar Europa op inzet zijn veel metalen nodig. Het kleine Estland loopt voorop in het duurzaam recyclen van microchips en zet de eerste stap in de richting van een gezamenlijke Europese toeleveringsketen van essentiële grondstoffen.

    ‘Stelt u zich een goudmijn voor waarin elke ton erts een kilo goud bevat,’ zegt Priit Joers. ‘Elk mijnbouwbedrijf zou staan te popelen.’ Hij overdrijft niet: specialisten beschouwen een groeve met 10 gram goud per ton al als een schatkist. Dan moet een kilo echt een klapper zijn. Joers draagt in een kleine emmer een minuscuul deel uit zo’n wonderlijke mijn met zich mee, wanneer hij in Tartu, de tweede stad van Estland, zijn gast ontvangt. Het is restafval van elektrische apparaten in de vorm van elektrische circuits, die eerst door de shredder zijn gegaan en daarna tot een fijn poeder zijn vermalen.

    Overigens is Joers geen mijnbouwkundig ingenieur, maar moleculair bioloog, en werkt hij niet in een groeve, maar in een laboratorium. Wel houdt hij zich bezig met het winnen van goud en andere edelmetalen, want zijn expertise ligt bij het zogenoemde microbiële uitlogen van erts (bioleaching). Bij dit proces wordt het metaal niet, zoals momenteel de gangbare methode is, met behulp van agressieve oplosmiddelen uit erts geïsoleerd. In plaats daarvan laat men micro-organismen het werk doen. Joers en zijn team willen onderzoeken welke bacteriën dat voor welke delfstof het best en het snelst kunnen.

    Op een paar vragen hebben ze al antwoorden gevonden, maar Joers is erop bedacht die voor zich te houden. ‘We zijn in afwachting van een besluit over de octrooiaanvraag voor onze procedure, daarom kan ik niets concreets verklappen,’ zegt hij. Met ‘we’ bedoelt hij het bedrijf Biotatec, waar hij als wetenschappelijk directeur aan verbonden is.

    Grote ambities

    De start-up staat de laatste tijd in het centrum van de belangstelling. Prestigieuze instituties, zoals de Innovatieraad van de Europese Unie en de Estse rijksdienst voor het ondersteunen van nieuwe technologische ontwikkelingen, hebben al ettelijke miljoenen euro’s financiering toegezegd. Verder heeft PricewaterhouseCoopers Biotatec op de lijst van de belangrijkste bedrijven op het gebied van veelbelovende milieutechnologie in de regio Centraal- en Oost-Europa geplaatst.

    Het jonge bedrijf koestert grote ambities: het wil binnen vijf jaar op internationaal niveau een leidende rol spelen binnen de microbiële uitloging, een sector die weliswaar niet nieuw is, maar decennialang een bestaan als muurbloempje heeft geleid.

    Europa zet nu op ambitieuze wijze in op de groene transitie: windmolens, zonnepanelen, een waterstofeconomie, elektrische auto’s. Daar zijn hopen metaal voor nodig, onder meer edelmetalen en zeldzame aardmetalen.

    Hiervoor beschikt Europa echter nog niet over een waardeketen (een eigen keten van grondstoffen tot eindproduct), waardoor het continent afhankelijk is van autoritaire regimes zoals China of Rusland. Wat zeldzame aardmetalen betreft is China momenteel bijvoorbeeld goed voor ongeveer twee derde van de winning van ertsen en ongeveer 85 procent van de verwerkte eindproducten – je kunt dus vooralsnog niet om Beijing heen. De coronacrisis en de Russische invasie in Oekraïne hebben echter laten zien hoe snel er problemen kunnen ontstaan in wereldwijde toeleveringsketens.

    Oftewel: als Europa zijn groene transitie veilig wil stellen, moet het meer zelf gaan produceren in een sector die vaak op gespannen voet staat met het milieubeleid en waarvoor de benodigde installaties dus niet altijd steun vinden bij de bevolking. De technologie van microbiële uitloging biedt oplossingen voor deze problemen.

    Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie

    Een eerste uitweg ligt in het beter hergebruiken van elektronisch en elektrisch restafval (ook wel e-afval genoemd). Daar kun je niet alleen goud uit halen, maar ook zilver, palladium of platina – dat laatste wordt gezien als het sleutelelement voor een efficiënte waterstofproductie. Van het e-afval waar we reeds over beschikken wordt momenteel slechts ongeveer een vijfde benut, zegt Joers. Dat komt doordat de bestaande methodes voor recycling te traag en te duur zijn. Met optimale microbiële uitloging zou dit proces daarentegen zelfs al op kleine schaal winstgevend zijn, om nog maar te zwijgen over industriële schaal.

    Tegelijkertijd is e-afval niet het enige afval dat Biotatec op het oog heeft. Ook fosforgips en zogenoemde rode modder zijn interessant. Beide zijn industriële restproducten uit de kunstmest- en aluminiumproductie. Alleen in Europa liggen er al miljoenen tonnen van op afvalbergen. Omdat ze giftige en radioactieve materialen bevatten, worden ze nauwelijks hergebruikt, hoewel ze van alles te bieden hebben – onder meer zeldzame aardmetalen. ‘Wat op deze afvalhopen ligt,’ zegt Joers, ‘zou Europa voor de komende decennia onafhankelijk van import kunnen maken.’

    Maar waarom zijn dan niet allang overal in Europa bacteriën aan het werk gezet om de begeerde stoffen uit het industriële afval en e-afval te halen, of zelfs uit ertsvindplaatsen met lage concentraties metaal, waar exploitatie tot nu toe niet loonde? Die vraag dringt zich temeer op omdat de technologie achter microbieel uitlogen welbekend is en in bepaalde gevallen ook al op industriële schaal toegepast wordt.

    Het probleem is dat deze technologie vergeleken met de traditionele aanpak voor uitloging van erts tot dusver te traag en te duur was. Mijnbouwbedrijven zagen daarom geen reden om van hun beproefde methodes over te stappen op een andere technologie of te investeren in nieuwe productielijnen.

    Autarkie

    Maar die redenering begint te rammelen. Om te beginnen hebben de laatste paar jaar bewezen hoe rap het raderwerk van de wereldeconomie tot stilstand kan komen. Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie. Ten tweede is het waarschijnlijk dat de vraag naar strategische grondstoffen die nodig zijn voor de ‘groene transitie’ zienderogen zal toenemen en de prijzen zal opdrijven, zolang het aanbod de vraag niet kan bijbenen.

    En als Europa bovendien een bepaalde mate van autarkie wil bereiken in de waardeketen, zullen ook milieuvraagstukken een rol gaan spelen. Vergeleken met de klassieke uitlogingsmethodes heeft microbieel uitlogen wat dit betreft evidente voordelen. Ook op het gebied van de snelheid werden in het laboratorium van Biotatec al aanzienlijke vorderingen gemaakt.

    Wist Sirli Sipp Kulli dat dit in het verschiet lag, toen ze ruim tien jaar geleden besloot de traditionele mijnbouw in Estland achter zich te laten en een start-up op te richten die deze weg zou inslaan? ‘Het was intuïtie,’ zegt de gepromoveerde scheikundige van midden veertig, ‘op een of andere manier wist ik gewoon dat dit groots kon worden.’ Vooralsnog moet de laatste stap – toepassing op industriële schaal – nog gezet worden. Maar met de nieuwste generatie bioreactoren staat Biotatec op het punt ook deze horde te nemen en kan het bedrijf aantonen dat hun methode binnen de sector een serieuze concurrent zal worden.

    Daarvoor zou een potentiële industriepartner zowat om de hoek liggen. In het oosten van Estland staat namelijk de enige fabriek van Europa (en tegelijkertijd een van de weinige buiten China) voor het op grote schaal isoleren van zeldzame aardmetalen.

    De Estse Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld

    Het complex is gebouwd in de periode van de Sovjet-Unie. Die had in de provinciestad Sillamäe een uiterst geheime fabriek voor de vervaardiging van uraniumconcentraat in bedrijf. Later werden daar ook zeldzame aardmetalen gezuiverd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd de Estse fabriek aanvankelijk als staatsbedrijf onder de naam Silmet voortgezet en vervolgens geprivatiseerd.

    Tegenwoordig is Silmet in het bezit van een Canadees concern, dat zowel in China als daarbuiten materialen produceert die in toenemende mate voor de nieuwe milieutechnologieën worden gebruikt. De Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld en bedient daarmee een klantenbestand dat al net zo internationaal is.

    Daarnaast speelt de wens Estland als investeringsland op te waarderen. In Narva, niet ver van Sillamäe, wil het moederconcern 80 miljoen euro investeren in een fabriek voor de productie en het recyclen van sterke magneten, die in elektrische auto’s en windmolens gebruikt worden. De Estse regering gooit nog zo’n twintig miljoen euro tegen het project aan via het Just Transition Fund van de EU, een financieringsinstrument voor de economische diversificatie van zwakkere regio’s en de bevordering van milieuvriendelijke technologieën.

    Voor de Ida-Viru-regio, die al jaren door industriële teloorgang wordt bedreigd, betekent dat ongeveer duizend nieuwe en zeer gewenste banen. Potentieel worden dat er zelfs nog meer, want een toekomstige uitbreiding van de magnetenfabriek wordt al uitgetekend. Volgens Kristian Järvan, de Estse minister voor Ondernemerschap en IT, komt er op deze manier een geïntegreerde productieketen voor hoogwaardige sterke magneten tot stand, die de EU momenteel nog niet heeft en goed kan gebruiken.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-kassandra-van-europa/
  • Europa legt het af tegen de Verenigde Staten in de strijd om kernfusie

    Europa legt het af tegen de Verenigde Staten in de strijd om kernfusie

    Kernfusie zou binnen enkele decennia kunnen uitgroeien tot een onuitputtelijke bron van schone energie. Maar de veelbelovendste projecten voor deze nieuwe manier van kernenergie opwekken lijken allemaal naar de Verenigde Staten te trekken.

    De resultaten die het Amerikaanse Lawrence Livermore National Laboratory (LLNL) boekt met kernfusie hebben ook Europa opgeschrikt. De doorbraak in de VS houdt namelijk evengoed een boodschap in voor ons: we kunnen ons beter richten op experimenteren en participeren dan op verbieden en stopzetten. Zodat de ‘toekomst van energie’ ook made in EU zal zijn.

    Het criterium is de dynamiek in de VS. Daar is kernfusie een zaak voor het allerhoogste niveau. President Joe Biden zette de technologie in maart van dit jaar centraal op een topbijeenkomst van onderzoekers, ondernemers, ambtenaren en politici in het Witte Huis. Zijn regering deelt de waarneming van veel wetenschappers en zakenlieden dat kernfusie na tientallen jaren weleens vlak voor een doorbraak zou kunnen staan.

    ‘Wanneer de geschiedenisboeken over de fusietechnologie eenmaal geschreven zijn, zullen de achter ons liggende twaalf maanden worden gezien als een keerpunt waarop duidelijk werd dat de fusietechnologie zich uit de laboratoria naar de markt gaat bewegen’, schrijft de Fusion Industry Association in haar in juli verschenen jaarverslag 2022.

    Zonnevuur

    Anders dan bij kernsplitsing draait het bij kernfusie om het samensmelten van atoomkernen van een stof tot de kern van een andere stof. Uit waterstof wordt helium gemaakt. Een proces dat in de natuur op deze wijze alleen in sterren zoals de zon voorkomt. Daarom wordt bij kernfusie ook wel van zonnevuur gesproken. Deze vorm van kernenergie geldt als schoon, klimaatneutraal en vrijwel onuitputtelijk.

    ‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd’

    En dus hebben de VS grote plannen: binnen de komende tien jaar moeten in het hele land diverse fusiepilotcentrales met uiteenlopende grootte en technologie van de grond komen. De voortekenen zijn gunstig. Enerzijds maakt de wetenschap grote vorderingen en pompt de regering veel geld in onderzoek. Zo accordeerde het Congres onlangs een programma van 713 miljoen dollar voor onderzoek en bouw, waarvan 50 miljoen voor public-privatepartnership. De klimaatmaatregelen uit de Inflation Reduction Act voegen daar nog eens een geldstroom van honderden miljoenen voor fusieprojecten aan toe. Anderzijds zijn de VS ook het land van de vrije markt – en die zet er vaart achter. De Duitse hoogleraar natuurkunde, laseronderzoeker en oprichter van de Duits-Amerikaanse fusiestart-up Focused Energy Markus Roth zegt: ‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd.’ Bij het omzetten van de resultaten van fundamenteel onderzoek in praktische toepassingen staan de Amerikanen met hun pragmatische aanzet ook in het geval van kernfusie aan de top. 

    Van de drieëndertig bedrijven wereldwijd die werken aan de ontwikkeling van bruikbare kernfusietechnologieën zijn er eenentwintig gevestigd in de VS. Technologiemiljardairs met ook maar een beetje gevoel van eigenwaarde permitteren zich investeringen in een kernfusiestart-up. Of het nu om Jeff Bezos gaat, Bill Gates, Peter Thiel, John Doerr, George Soros, Dustin Moskovitz (Facebook) of Reid Hoffman (LinkedIn) – ze doen allemaal mee. Over de hele wereld hebben kernfusie-ondernemingen dit jaar 4,74 miljard dollar aan kapitaal van private investeerders aangetrokken. De grootste onder hen kunnen terugvallen op comfortabele kapitaalreserves. Commonwealth Fusion, dat in 2018 als spin-off van het Massachusetts Institute of Technology ontstond, wist dankzij Gates, Doerr en Salesforce-oprichter Marc Benioff ruim 2 miljard dollar binnen te halen. Het door Thiel en Moskovitz gesteunde Helion verzekerde zich van 2,2 miljard dollar.

    Tegenvallers

    In de zomer leverde behalve Google en Chevron ook het Japanse Sumitomo Corp een bijdrage aan de financiering van de Amerikaanse start-up TAE Technologies. Het wil op industriële schaal fusiereactoren fabriceren en die vanaf 2030 aansluiten op de elektriciteitsvoorziening. Google is al sinds 2014 bij het bedrijf betrokken en voorziet het van computertechnologie en kunstmatige-intelligentiesystemen.

    En in Europa? Wie zijn oor te luisteren legt stuit allereerst op het mammoetproject ITER in Zuid-Frankrijk. De oorsprong ervan gaat terug tot de tijd van de Koude Oorlog. Een gigantisch project dat zich echter al lange tijd voortsleept. Nog altijd zijn Europeanen, Amerikanen, Russen en Chinezen betrokken bij de bouw van de testreactor. Anders dan het project aan het Lawrence Livermore werkt ITER niet op basis van laser- maar van magneettechnologie. Een tot 100 miljoen graden Celsius verhit plasma wordt door magneten vrij zwevend in de lucht gehouden om via een complex procedé waterstof samen te smelten tot helium. Bij ITER is telkens weer sprake van tegenvallers. Ook liepen de kosten geregeld uit de hand. De reactor is sinds 2007 in aanbouw en moet halverwege dit decennium klaar zijn, in het komende decennium een kernfusie tot stand brengen en vanaf 2050 in serie kunnen worden geproduceerd.

    ‘Revolutionair’ en ‘bemoedigend’ noemt ITER de resultaten uit de VS. Maar qua commerciële toepasbaarheid ziet men daar nog altijd meer in de eigen opzet. Andere projecten, ook in Europa, beloven sneller te leveren dan ITER. Naast de eveneens op magneettechnologie gebaseerde en met publiek geld gefinancierde projecten Jet in Engeland, Wendelstein 7-X en Asdex in Duitsland spelen met Marvel Fusion en Focused Energy ook twee Duitse start-ups een vooraanstaande rol op het wereldwijde fusietoneel.

    Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen

    Zij maken gebruik van de laseropzet en zitten met hun methodiek dicht bij wat de Amerikanen bij het LLNL doen. ‘Dat is een fantastisch resultaat,’ zegt Markus Roth, hoogleraar natuurkunde aan de TU Darmstadt en oprichter van Focused Energy. ‘Het laat zien dat we op de goede weg zijn.’ Roth werkte enkele jaren bij het Lawrence Livermore en trekt voor zijn start-up nu een hele reeks toponderzoekers aan, onder wie twee wetenschappers van het LLNL.

    Zijn team werkt momenteel aan de ontwikkeling van een klein proef- en een wat groter teststation. De standplaats van het proefstation wordt Texas, terwijl het teststation mogelijk in Darmstadt komt. Wel heeft Washington al duidelijk zijn interesse in dit tweede station laten blijken en nodigde het deze zomer vertegenwoordigers van de start-up uit in het Witte Huis. Aan het eind van dit decennium wil het team van Roth beide stations operationeel hebben. De kosten daarvan kunnen al met al oplopen tot meer dan 2 miljard euro.

    Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen. Sinds de oprichting hebben de Münchenaren tot nog toe 65 miljoen euro bijeengebracht – volledig privaat kapitaal, zoals directeur ir. Heike Freund benadrukt. Zij hoopt voor operationalisering nu ook op politieke rugwind uit Europa, waar de publieke investeringen zich tot nog toe vooral concentreerden op ITER, met bouwkosten die tot 45 procent worden betaald door de EU. De start-up werkt samen met concerns als Trumpf, Siemens Energy en Thalens. Om binnen een termijn van ongeveer tien jaar fusiereactoren in serie te kunnen fabriceren, moeten er nog heel wat stappen worden gedaan.  

    Verwijzend naar het Roemeense Magurele (waar momenteel een sterke laserinstallatie van de grond komt) en de gigantische behoefte aan schone en betrouwbare energie geloven ze zowel bij Marvel Fusion als bij Focused Energy in Europa’s potentieel. ‘Het zal er niet vandaag of morgen zijn, maar als wij nu niet investeren, zal het er over tien jaar ook niet zijn,’ aldus Freund.

    Lees ook:

  • Groene energie als er geen zon en wind is? Dit Duitse bedrijf heeft de oplossing

    Groene energie als er geen zon en wind is? Dit Duitse bedrijf heeft de oplossing

    De overstap naar hernieuwbare energiebronnen slaagt alleen als we de elektriciteit uit zon en wind kunnen opslaan. Zijn de ijzer-zoutbatterijen van start-up VoltStorage uit München de ontbrekende bouwsteen voor de energietransitie?

    In de kelder bij hem thuis zette Michael Peither zijn eerste laboratorium op. Als student elektrotechniek begon hij bij het licht van een neonbuis te experimenteren met water, zout en metaal. Zijn doel was een vloeibare batterij te construeren waarin de energie van de zonnepanelen op het dak kon worden opgeslagen. Met een doe-het-zelfhandleiding van internet ging Peither aan de slag. Zonder resultaat. Zijn eerste batterij functioneerde prima, maar had onvoldoende capaciteit om de elektriciteit van de zonnepanelen op te slaan.

    Peither gaf niet op. Vooral omdat hij niet alleen was geïnteresseerd in de elektriciteit van zijn eigen dak. Met zijn zelfgemaakte batterij wilde hij een fundamenteel probleem van de energietransitie oplossen. Want hoe meer wordt ingezet op hernieuwbare energiebronnen, hoe meer opslagcapaciteit er nodig is. Alleen daarmee kunnen we ons ook van elektriciteit uit zonne- en windenergie voorzien wanneer de zon niet schijnt en er niet genoeg wind is. Er zijn wel bestaande technologieën, maar geen daarvan heeft echt voet aan de grond gekregen. Als alleen de elektriciteit uit de bestaande opslagfaciliteiten voor hernieuwbare energie zou worden gebruikt, gaat in het ergste geval al na een half uur het licht uit.

    Spoedcursus

    Acht jaar na de eerste experimenten in zijn kelder staan Peither en zijn start-up VoltStorage op het punt om in elk geval een deel van de oplossing voor dit probleem te realiseren. Om aan zijn batterij te kunnen blijven sleutelen, nam hij indertijd een semester vrij. Bij manifestaties voor start-ups aan de TU München vond hij in Jakob Bitner en Felix Kiefl twee medestrijders. In 2016, het jaar van hun afstuderen, richtten ze hun onderneming op. Daarna ging alles opeens heel snel. Hoewel ze nog midden in de ontwikkeling zaten, haalden ze bij investeerders binnen een paar maanden meer dan 1,6 miljoen euro op. Kort daarna vlogen ze naar Shenzhen voor een spoedcursus batterijen in de ‘Silicon Valley voor hardware’.

    Voor de opslag van stroom uit hernieuwbare energiebronnen richten de drie mannen zich op ijzer-zoutbatterijen. Die bestaan in wezen uit een cel die elektrische energie omzet in chemische energie en die opslaat in twee tanks met een oplossing van water, zout en ijzer. Om de energie weer vrij te laten komen, wordt de chemische energie omgezet in elektrische energie. Daarmee onderscheiden de oprichters zich bewust van de concurrentie uit China, die vooral werkt met lithium-ionbatterijen. Terwijl lithium een schaarse en dure grondstof is, zijn ijzer en zout bijna overal ter wereld goedkoop en goed verkrijgbaar. ‘Je zou zelfs ijzer van verroeste spoorrails of fietsframes kunnen recyclen,’ zegt Peither. Zijn hun ijzer-zoutbatterijen de ontbrekende bouwsteen voor de energietransitie?

    ‘De meeste periodes van windstilte of gebrek aan zonneschijn kunnen zo worden overbrugd’

    De drie mannen werken nog steeds aan hun uitvinding en hebben hem nog niet op de markt gebracht. Kai Peter Birke, onderzoeker aan de universiteit van Stuttgart naar opslagsystemen voor elektrische energie: ‘Het idee is in elk geval veelbelovend.’ Als langetermijnopslagsysteem voor zonne- en windenergie kan het bijdragen aan het slagen van de energietransitie. ‘Maar daarvoor moet de technologie echt volwassen zijn. Zo kan bijvoorbeeld de batterij exploderen als bij het overladen knalgas (oxywaterstofgas) ontstaat.’

    Bij vloeibare batterijen bestaat inderdaad het gevaar dat in de oplossing waterstof wordt gevormd, die in combinatie met zuurstof tot een explosie kan leiden. Maar de oprichters van VoltStorage menen ook daarvoor een oplossing te hebben gevonden: ‘Wij scheiden de waterstof af voordat die kan reageren met zuurstof. Het waterstofgas wordt vervolgens teruggevoerd naar de elektrolyt. Voor dat proces hebben we patent aangevraagd,’ zegt medeoprichter Bitner. In het algemeen lijkt VoltStorage de belangrijkste problemen van deze batterijtechnologie in de afgelopen jaren te hebben opgelost. Zo gaan de oprichters ervan uit dat hun opslagunits een enorme levensduur hebben: ze zouden tienduizend laadcycli moeten kunnen doorlopen, dat wil zeggen dat ze twintig jaar zonder capaciteitsverlies kunnen blijven werken. In principe kunnen de opslagunits in containers bij elk wind- of zonnepark worden geplaatst. Er passen vijf ijzer-zoutmodules in een container. Elektriciteit uit zon en wind kan zo achtenveertig uur lang worden opgeslagen.

    ‘De meeste periodes van windstilte of gebrek aan zonneschijn kunnen zo worden overbrugd,’ zegt Bitner. ‘Dat zal ons niet alleen permanent onafhankelijk maken van Russisch gas en gasgestookte elektriciteitscentrales, maar ook de elektriciteitsprijzen doen dalen.’

    Als hun technologie succesvol blijkt, kan het een enorme business worden. De markt voor langdurige energieopslag groeit gigantisch: McKinsey becijfert het potentieel op één tot drie biljoen dollar tegen 2040. Ook durfkapitalisten lijken zich dit te realiseren, want ze hebben in juli nog eens 24 miljoen euro in VoltStorage geïnvesteerd. Het enige hartzeer: ‘Duitse investeerders zijn jammer genoeg nog steeds terughoudend. Nu zijn we een Duits bedrijf dat in meerderheid in buitenlandse handen is,’ zegt Peither met lichte spijt in zijn stem.

    Het bedrijf heeft momenteel zestig werknemers, maar VoltStorage zoekt dringend dertig nieuwe medewerkers en meer kantoor- en productieruimte in München. Vanaf 2024 willen ze hun ijzer-zoutbatterij in serie gaan produceren. Voor die tijd moet de onderzoeksfase zijn afgerond en moeten de eerste pilotsystemen zijn geïnstalleerd.

    Energiedichtheid

    Peither en Bitner willen in het openbaar nog niet praten over concrete orders, winstverwachtingen of plannen om naar de beurs te gaan. Maar ze laten zich wel ontvallen dat er twee tot drie grotere pilots met wind- en zonneparken in Duitsland en Europa gepland staan. Er komen al aanvragen uit Amerika, Oceanië en Afrika.

    De enige vraag die resteert: als het zo’n goed idee is, waarom heeft dan niemand er eerder aan gedacht? Eén reden zou de lage energiedichtheid kunnen zijn, vermoeden de uitvinders. De batterijen zijn aanzienlijk zwaarder en groter dan de alternatieven met lithium. ‘Daarom zijn ze ook niet geschikt voor elektrische auto’s,’ zegt Birke. De oprichters van VoltStorage geven dat openlijk toe. ‘Zelfs voor huiseigenaren met zonnepanelen op het dak is onze batterij nog niet rendabel,’ zegt Peither. Het opslagprobleem voor huizen heeft hij dus ook na jaren experimenteren in zijn kelder nog niet opgelost. Maar een veel groter probleem mogelijk wel.

    Lees ook:

  • Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.

    Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen. 

    Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.

    Gekanteld

    Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd. 

    De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.

    Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn

    Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten. 

    Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.

    Tien keer zo hoog

    Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.

    Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.

    Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten

    Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.

    De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.

    Snelheid van handelen

    Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit. 

    Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.

    In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren. 

    Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.