Tag: guerilla

  • Stad van Pablo Escobar is nu 
een paradijs voor pensionado’s

    Stad van Pablo Escobar is nu 
een paradijs voor pensionado’s

    Ooit gold Medellín als de gevaarlijkste stad op aarde. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig is de stad met zijn zachte klimaat en goede voorzieningen een populaire bestemming voor Amerikaanse bejaarden.

    In een drukbezocht café aan een lommerrijke straat in Medellín drinkt Cindy Crawford Thomas een cappuccino. De gepensioneerde lerares uit Colorado Springs vertelt dat het haar geen enkele moeite kostte om het zuiden van Florida te verlaten en zich te vestigen in wat ooit de gevaarlijkste stad van de wereld was. ‘De beslissing om weg te gaan uit Florida was zo genomen. Het leven is daar te hectisch. Je kent je buren nauwelijks. Er zijn veel mensen, maar er is geen cohesie.’

    Medellín – waar Pablo Escobar opgroeide en vroeger ’s werelds gewelddadigste drugskartel zetelde – is een warme, kosmopolitische stad, vertellen Thomas en haar man David, met betaalbare huurwoningen, aangenaam weer en goede medische voorzieningen. Bovendien voelen ze zich hier veiliger dan in Florida. ‘Er wordt nog steeds gedacht dat in Medellín het hoogste aantal moorden ter wereld wordt gepleegd,’ zegt Thomas, ‘maar dat klopt niet meer.’

    Het echtpaar maakt deel uit van een almaar groeiende golf avontuurlijke gepensioneerden die besluiten naar Colombia te emigreren. In 2017 maakte de Amerikaanse Social Security 6704 pensioenuitkeringen over naar Colombia – een stijging van 85 procent ten opzichte van 2010 en op basis van voorlopige schattingen het hoogste aantal Amerikaanse pensioenen van alle landen in Latijns-Amerika, met uitzondering van Mexico.

    Pablo Escobar

    Media die zich op gepensioneerden richten, zijn vol lof over Medellín; televisieprogramma’s als House Hunters International brengen de stad prominent in beeld. En dat terwijl Medellín decennialang een plek was waar bezoekers met een grote boog omheen liepen. De stad was de thuishaven van drugsbaron Pablo Escobar en zijn Medellín-kartel. Huurmoorden en aanslagen met autobommen hielden de op een na grootste stad van het land in een wurggreep. Gedurende een groot deel van de jaren negentig werden er de meeste moorden ter wereld gepleegd, met als dieptepunt het jaar 1995: 225 moorden per 100.000 inwoners.

    Ondanks de bloedige reputatie die nog steeds aan de stad kleeft, is het aantal moorden gedaald naar 20 per 100.000 inwoners – veel lager dan in steden als St. Louis, Baltimore, New Orleans en Detroit.

    ‘Nu de stad steeds veiliger is geworden, komen er steeds meer toeristen en gepensioneerden deze kant op,’ zegt Juliana Cardona Quirós, wethouder Toerisme van Medellín. In 2017 bezochten meer dan 735.000 bezoekers de stad, een stijging van 5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. ‘En het zijn niet alleen jonge mensen die je in cafés ziet zitten. Ook ouderen hebben de potentie van Medellín ontdekt,’ aldus Cardona. ‘Ze waarderen het zachte klimaat, het goede openbaar vervoer en een leven in een door natuur en bergen omringde stad.’

    Toch doen populaire series als Narcos of El Patrón del Mal, die zich afspelen in het gewelddadige verleden van de stad, afbreuk aan de reputatie van Medellín. Toen Nancy Kiernan en haar man met de gedachte speelden om na hun pensioen in Latijns-Amerika te gaan wonen, sprak ze een man die enorm enthousiast was over Medellín. ‘We glimlachten beleefd,’ weet ze zich nog te herinneren, ‘terwijl ik hem in gedachten voor gek verklaarde.’

    De 59-jarige Kiernan komt uit Maine en is manager medische dienstverlening. Toen ze bijna zes jaar geleden naar Medellín verhuisde, kende ze nauwelijks expats van haar leeftijd. Dat is wel anders sinds de stad zo vaak genoemd wordt in artikelen over pensioengerelateerde onderwerpen. Niet alleen trekt Medellín Amerikanen aan die in de VS wonen, maar ook Amerikanen die zich al hadden gevestigd in landen als Ecuador of Panama. ‘Sommige delen van de stad zitten vol gringo’s,’ zegt Kiernan.

     Het fraai gelegen Medellín is de tweede stad van Colombia met zo’n 2,5 miljoen inwoners. – © Jim Wyss / Getty Images
    Het fraai gelegen Medellín is de tweede stad van Colombia met zo’n 2,5 miljoen inwoners. – © Jim Wyss / Getty Images

    Het echtpaar Thomas verhuisde zes weken geleden van Boquete – een stad met ongeveer 25.000 inwoners in het noorden van Panama – naar Medellín. ‘Ik vond het daar saai, dus besloten we te kijken of Medellín beter zou bevallen,’ aldus Cindy Thomas.

    Ze vonden er een driekamerappartement dat ze delen met hun drie honden en drie katten. Ze betalen ongeveer 1400 dollar per maand. Hun maandelijkse uitgaven, inclusief lidmaatschap van een sportschool en frequente uitjes, schatten ze op ‘ruim onder de 3000 dollar’. Volgens Kiernan kan het overgrote deel van de mensen comfortabel leven voor minder dan 2000 dollar per maand. ‘Colombia is niet het goedkoopste land om in te leven, maar het is goed te doen,’ zegt Kiernan, terwijl ze haar vruchtensap drinkt in een glimmende shoppingmall vol winkels met internationale merken. ‘Het weer is fantastisch, het is een kosmopolitische stad, je kunt water uit de kraan drinken en de dienstverlening is deugdelijk.’

    De stad heeft een internationale luchthaven, waardoor Medellín makkelijk toegankelijk is vanuit de oostkust van de Verenigde Staten. Daarnaast zijn alle mogelijke medische voorzieningen aanwezig. Uit een enquête over het jaar 2017, gepubliceerd in het tijdschrift América Economía, blijkt dat 7 van de 49 belangrijkste ziekenhuizen van Latijns-Amerika in Medellín staan. Een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie plaatst Colombia op plek 22 in een ranking van medische voorzieningen in 190 landen, boven de Verenigde Staten en Canada, die op nummer 37 en 33 staan. Emigranten met een permanente verblijfsvergunning die in Medellín wonen, kunnen zich inschrijven bij het ziekenfonds, dat maar 30 dollar per maand kost. David Thomas vertelde dat een vriend met een particuliere verzekering onlangs met een hartaanval met spoed naar het ziekenhuis moest. Hij hoefde maar 14 dollar uit eigen zak te betalen.

    Colombia is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse 
realiteit

    Ondanks de juichende woorden is Medellín niet voor iedereen geschikt, vindt Brad Hinkelman, eigenaar van Casacol, een makelaarskantoor dat diensten verleent aan beleggers die in vastgoed willen investeren en aan gepensioneerden die een tweede woning zoeken. Hinkelman verwijt de media dat ze onrealistische verwachtingen scheppen van Medellín: of het is een poel van verderf waar harddrugs de dienst uitmaken, of het is ‘het Parijs van Latijns-Amerika’. ‘Er komen mensen naar ons kantoor die niet adequaat zijn voorbereid op een leven in deze stad,’ zegt hij. ‘Ze denken dat ze met een uitkering een luxeleven kunnen leiden. Aan ons de taak om hen te confronteren met de werkelijkheid.’

    Bovendien kampt Colombia nog steeds met omvangrijke en hardnekkige problemen. Het land is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse 
realiteit. Desondanks plaatste het gezaghebbende tijdschrift International Living, dat zich richt op gepensioneerden, Colombia als zesde op de lijst van landen waar je na je pensioen het best kunt gaan wonen.

    Het echtpaar Thomas gaf les op de J.P. Taravella 
High School in Broward County, op ongeveer 8 
kilometer van de Marjory Stoneman Douglas High School, waar onlangs zeventien leerlingen en 
docenten met een geweer werden afgeslacht. En de moeder van David Thomas woonde een tijd in het bejaardenhuis in Hollywood waar in 2017 twaalf 
personen omkwamen door een elektriciteitsstoring die werd veroorzaakt door de orkaan Irma. Incidenten als deze maken dat er op een andere manier naar de wereld wordt gekeken, waardoor zelfs een stad met de reputatie van Medellín veilig lijkt. ‘Ik denk niet dat we ooit nog terugkeren naar Florida,’ aldus Cindy Thomas.

    Auteur: Jim Wyss
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    El Nuevo Herald
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 42.000

    In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.

  • Wat het Venezolaanse regime nu nog rest

    Wat het Venezolaanse regime nu nog rest

    Volgens ex-guerrillero Joaquín Villalobos graaft het Maduro-regime een graf voor de Bolivariaanse Revolutie. Het politieke model is op sterven na dood; niets maar dan ook niets zal het nieuw leven kunnen inblazen.

    Er zijn in Latijns-Amerika drie veranderingen gaande die extreem-links een zware slag toedienen: het einde van de gewapende strijd in Colombia, de geleidelijke maar onomkeerbare terugkeer van Cuba naar het kapitalisme en het einde van de Bolivariaanse Revolutie. Venezuela vormt de spil van deze veranderingen. Met meer dan vierhonderd politieke gevangenen en de weigering om via vrije verkiezingen de mogelijkheid te scheppen voor een alternatief, heeft het chavistische regime zijn ware dictatoriale gezicht laten zien. Na Fujimori’s poging in Peru is het continent gevrijwaard gebleven van extreem-rechtse dictaturen, en een kleine veertig jaar democratie later zijn er nog maar twee extreem-linkse dictaturen over: Cuba en Venezuela. Dat is de context waarbinnen de honderd protestdagen tegen Maduro zijn uitgegroeid tot de langstdurende en omvangrijkste vreedzame protestactie in de geschiedenis van Latijns-Amerika. Geen enkele dictatuur zag zich ooit geconfronteerd met zo’n stellige afwijzing.

    Als Maduro in 2016 het oppositiereferendum had erkend, dan had hij met 40 procent van de stemmen zo goed als zeker verloren. Nu verliest hij elke dag meer steun en graaft hij langzaam maar zeker een graf voor de Bolivariaanse Revolutie. Dat er in Venezuela een strijd gaande zou zijn tussen revolutionair links en extreem-rechts is totale quatsch; het regime ziet zich geconfronteerd met een voornamelijk op het politieke midden georiënteerde coalitie waarbij zich partijen, leiders, sociale organisaties en linkse intellectuelen hebben aangesloten die in de markt en de democratie geloven. Wat in Venezuela op het spel staat, is de toekomst van het politieke midden in heel Latijns-Amerika, want nu sympathiseren de democratische krachten niet met rechts of links extremisme. Het failliet van het extremisme biedt perspectief op een volwassener vorm van democratie in Latijns-Amerika.

    Oliesocialisme

    Chavez mag dan het leven van het Cubaanse regime met een aantal jaren hebben verlengd, nu probeert Cuba zich letterlijk los te rukken van de Venezolaanse oliekraan en zich vast te klampen aan de Amerikaanse geldkraan. Achttien jaar geleden wist ieder weldenkend mens dat de Bolivariaanse Revolutie beperkt houdbaar was. Door de schommelende olieprijzen en de technologische ontwikkelingen was het absurd te veronderstellen dat het oliesocialisme voor altijd zou blijven voortbestaan, dat de bomen tot in de hemel zouden blijven groeien zonder dat er geïnvesteerd werd in de economie. Toch zagen linkse groeperingen in heel Latijns-Amerika, Spanje, Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de rest van de wereld in Hugo Chavez de wederopstanding van de Messias, en in Venezuela de wedergeboorte van de utopie die in Oost-Europa niet langer bestond en in Cuba op zijn laatste benen liep.

    Maar zoals te verwachten viel, implodeerde het socialisme van de eenentwintigste eeuw, met een enorme humanitaire crisis als gevolg; het feestje van de revolutionaire spilzucht en het opportunistische zakkenvullen is voorbij. Van alle zogeheten Bolivariaanse regimes was dat van Venezuela het enige dat met zijn onteigeningsbeleid openlijk de oorlog verklaarde aan de markt en daarmee de eigen economie de nek omdraaide. Wat het regime nu nog rest is de brute, militaire kracht die het altijd al had. De denkbeelden die Chavez omarmde waren eerder een uitgelezen kans voor de militaristische traditie van Venezuela dan dat ze een bepaalde ideologie vertegenwoordigden. De bindende factor van de Bolivariaanse Revolutie was niet het politieke ideeëngoed maar het geld. De biljoenen oliedollars verklaren waarom de militairen zich zo gemakkelijk tot links bekeerden.

    Het Venezolaanse leger heeft meer generaals dan de Verenigde Staten, 
ze bekleden duizenden functies bij de overheid en in de regering, ze bewapenen paramilitaire groeperingen, ze zitten in de drugshandel, ze mengen zich in het bedrijfsleven, ze onteigenen bedrijven, ze profiteren van de corruptie, ze beheersen de zwarte markt, ze onderdrukken en arresteren leden van de oppositie, gooien hen in de gevangenis en martelen en berechten hen. In zeventien jaar tijd hebben de militairen bijna driehonderd Venezolanen vermoord omdat ze op straat protesteerden. In de geschiedenis van de Latijns-Amerikaanse dictaturen is er geen enkele militaire elite geweest die zich zo heeft kunnen verrijken, en de links-extremisten praatten dat overal op de wereld goed onder het mom van de ‘revolutie van het volk’. Het Venezolaanse oliegeld heeft ervoor gezorgd dat intellectuelen uit de westerse wereld en de Derde Wereld de voormalige extreem-rechtse kopstukken als revolutionairen zien. Vroeger joegen de Amerikanen op de Latijns-Amerikaanse revolutionairen; nu hebben de Bolivariaanse revolutionairen bezittingen en bankrekeningen in Florida. Het is niet nodig om Venezuela binnen te vallen en evenmin hoef je contrarevolutionairen van wapens te voorzien, zoals destijds in Nicaragua. De Bolivariaanse Revolutie is niet afhankelijk van Rusland of van China, maar van zijn vijand, de ‘imperialistische yankee’, die olie bij hem moet blijven kopen. Venezuela bedient maar 8 procent van Amerikaanse markt. Zouden de Verenigde Staten besluiten de olieafname te staken, dan is dat geen uiting van agressie maar een door de markt gedicteerde beslissing. Al lijkt het te gek voor woorden, Maduro zit dus nog op zijn plek dankzij de welwillendheid van Donald Trump. Anti-imperialistische argumenten gaan hier dus niet op. De Verenigde Staten hebben zich niet ingelaten met de politieke situatie in Venezuela, terwijl ze dat eerder wel deden in Chili, de Dominicaanse Republiek, Panama en El Salvador.

    Net als velen vóór hem heeft Chavez de verkeerde afslag genomen door de strijd aan te gaan met de markt, en zijn erfgenamen begaan nu precies dezelfde fout met de democratie

    De sociale en economische catastrofe in Venezuela en Cuba vormt een schril contrast met de enorm toegenomen welvaart in Costa Rica, Chili, Spanje en natuurlijk ook Zweden, Noorwegen en Denemarken, die tot stand is gekomen dankzij centrum-linkse regeringen die niet tornden aan de democratie en de markt. De koppigheid van de utopisten die het onmogelijke mogelijk willen maken is niet te bevatten. Chavez heeft geen nieuw eenentwintigste-eeuws socialistisch model bedacht; net als velen vóór hem heeft hij de verkeerde afslag genomen door de strijd aan te gaan met de markt, en zijn erfgenamen begaan nu precies dezelfde fout met de democratie.

    Met de marxistische leer in gedachten ging men ervan uit dat de Bolivariaanse Revolutie de ontwikkeling van productiekrachten zou stimuleren, maar wat er gebeurde was dat de productiekrachten, net als in Cuba, naar de filistijnen werden geholpen. De bolivarianos lieten de olieproductie teruglopen en gooiden de hoogste inkomsten uit de hele geschiedenis van Venezuela over de balk. Maar niet alleen Karl Marx trok aan het kortste eind. De bovenlaag wordt het regeren onmogelijk gemaakt, de mensen zakken steeds dieper weg in hun armoede en de volksopstanden worden steeds heftiger. Het zijn de drie omstandigheden waaraan je volgens Vladimir Lenin een revolutie herkent. Hoe droevig moet het zijn om met oliegeld een neprevolutie te financieren en te worden ingehaald door een echte revolutie: die van het volk.

    Auteur: Joaquín Villalobos

    Joaquín Villalobos (te zien op openingsbeeld) is een voormalig guerrillaleider in El Salvador. 
Tegenwoordig is hij consultant bij het oplossen van internationale conflicten.

    El País
    Spanje, dagblad, oplage 397.000

    Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers. Opgericht na de dood van Franco en politiek links georiënteerd, maar kritisch ten opzichte van de Spaanse socialisten.

  • De professor die rebellenleider werd

    De professor die rebellenleider werd

    Berhanu Nega was een geliefde hoogleraar aan Bucknell University in Pennsylvania. Tot hij op een dag in 2015 zijn koffers pakte, en de leider werd van een Ethiopische rebellengroep in Eritrea.

    Tot een paar jaar geleden was Berhanu Nega een van de meest geliefde hoogleraren op de Bucknell-universiteit. Als Ethiopische banneling met een doctoraat van de New School for Social Research in Manhattan doceerde hij Afrikaanse economische ontwikkeling, een populair vak aan de economische faculteit. Wanneer hij geen werkgroepen leidde of aan het werk was in zijn comfortabele huis in een groene wijk vijf minuten van de Bucknell-campus in landelijk Lewisburg, Pennsylvania, nam Nega deel aan academische conferenties in het buitenland of gaf hij lezingen over mensenrechten bij het Europese Parlement in Brussel.

    ‘De relatie tussen democratie en ontwikkeling hield hem sterk bezig,’ zegt John Rickard, hoogleraar Engels en een van Nega’s beste vrienden. ‘Hij betoogde altijd dat economische ontwikkeling niet levensvatbaar is zonder democratisering, en vice versa.’ Hij was actief in het sociale leven op de campus, supporter van de Philadelphia Eagles, voerde in 2008 campagne voor Barack Obama en stond bekend als een van de beste squashspelers op de faculteit van Bucknell. Hij en zijn vrouw, die ook uit Ethiopië komt en optometrist is, hebben twee zoons, die ze naar de beste scholen stuurden en die nu op de University of Pennsylvania en Carnegie Mellon studeren. In weekenden nodigde hij geregeld andere hoogleraren van Bucknell en hun gezinnen uit voor het eten en dan onderhield hij hen met verhalen over de Abessijnse cultuur en geschiedenis, onder het genot van Ethiopische gerechten die hij zelf bereidde; de kruiden haalde hij uit Addis Abeba en kneedde hij met de hand tot injera, een zacht zuurdesembrood van teffmeel.

    Over zijn verleden bleef Nega vaag. Maar als studenten nieuwsgierig genoeg waren om hem te Googelen, ontdekten ze dat de man die in de collegezaal het ontwikkelingsbeleid in Afrika beneden de Sahara stond uit te leggen, zelf nauw betrokken was bij de oude vete tussen Ethiopië en buurland Eritrea, een conflict dat zich al een halve eeuw voortsleept. Dat conflict vlamde aan het begin van dit millennium weer op, in een grensoorlog om een onbetekenend stukje land van amper 650 vierkante kilometer, die uitliep op een heftige confrontatie waarbij beide landen duizenden troepen van zowel hun officiële strijdkrachten als niet-officiële milities langs de grens verzamelden.

    Eén groep die aan Eritrese kant meevocht, noemde zich Ginbot 7 en bestond uit gedeserteerde Ethiopiërs. Nega had aan de wieg van deze groep gestaan: hij was in 2008 in Washington een van de oprichters geweest, samen met een andere Ethiopische banneling, Andargachew Tsege. De Ethiopische regering, die Nega twee jaar in Addis Abeba als politieke gevangene had opgesloten, veroordeelde hem nu bij verstek ter dood. Studenten van Bucknell waren onder de indruk van het verleden van hun docent. ‘Het maakte zijn colleges spannend,’ zegt Rickard.

    Tsege fungeerde vanuit zijn basis in Eritrea als politiek leider van Ginbot 7, terwijl Nega de intellectuele leider was en fondsen wierf door geld in te zamelen bij de Ethiopische diaspora in Europa en de Verenigde Staten.

    ‘Extra lange sabbatical’

    Maar op een dag in juni 2014 verandert dat allemaal, als Tsege, die door iedereen Andy wordt genoemd, onderweg naar de Eritrese hoofdstad Asmara een tussenstop maakt in Sanaa, de hoofdstad van Jemen. Terwijl hij in de transithal van het vliegveld op zijn vlucht zit te wachten, wordt hij gearresteerd door de Jemenitische veiligheidsdienst, die kennelijk samenwerkt met de Ethiopische inlichtingendienst. Hij wordt op een vliegtuig naar Addis Abeba gezet, waar hij triomfantelijk op de staatstelevisie wordt geshowd. Inmiddels is hij ter dood veroordeeld.

    Daags na Tseges arrestatie werpt Nega zich op als diens vervanger in Eritrea. ‘Ik moest kiezen,’ zal hij later tegen mij zeggen. ‘Wilde ik academicus blijven, en commentaar blijven leveren vanuit een ivoren toren? Of kwam ik in actie, als betrokken burger?’ Nega zet zijn huis te koop en neemt onbepaald verlof van de universiteit. ‘Een extra lange sabbatical,’ zegt hij tegen zijn collega’s. Slechts een handjevol intieme vrienden, zijn vrouw en zijn twee zoons weten wat hij werkelijk gaat doen.

    Op een julimiddag in 2015 pakt Nega zijn koffer, zegt zijn vrouw gedag en wordt door kameraden naar John F. Kennedy International Airport gereden. Hij heeft een laissez-passer van de Eritrese overheid, waarmee hij eenmalig het land binnen kan komen. Nega is op weg naar een nieuw leven in een straatarme dictatuur die wel het Noord-Korea van Afrika wordt genoemd; het regime is berucht om zijn steun aan de Somalische islamistische terreurbeweging Al-Shabaab, en om zijn militaire dienstplicht waardoor veel burgers van boven de achttien voor de rest van hun leven in het leger moeten dienen. Nega denkt op dat moment dat ook hij de aandacht van de regering-Obama heeft getrokken en is bang dat hij op het vliegveld zal worden tegengehouden en gerekruteerd door Homeland Security. Pas als het landingsgestel van het Egypt Air-toestel is ingetrokken en hij hoog boven de Atlantische Oceaan achteroverleunt in zijn stoel, op weg naar een van de meest geïsoleerde en repressieve landen van de wereld, kan hij zich ontspannen.

    Dr. Berhanu Nega voor zijn woning in Lewisburg, in 2009. Het contrast tussen zijn nieuwe en oude leven kon nauwelijks groter zijn. – © AP Photo / John Zeedick
    Dr. Berhanu Nega voor zijn woning in Lewisburg, in 2009. Het contrast tussen zijn nieuwe en oude leven kon nauwelijks groter zijn. – © AP Photo / John Zeedick

    Op een kille avond in juli gaan de lampen boven Nega’s hoofd uit en zit de rebellenleider in het donker in een bungalow in de op 2300 meter hoogte gelegen stad Asmara. Nega heeft net een kaart uitgespreid op een salontafel en om mij de route te laten zien voor de geheime missie die hij de volgende ochtend wil ondernemen. Bij zonsopkomst zullen hij en een kameraad 450 kilometer naar het zuiden rijden naar de gemilitariseerde, met landmijnen bezaaide grensstreek tussen Eritrea en Ethiopië, om in een basiskamp van de rebellen iemand te ontmoeten die inlichtingen komt brengen. Zijn contact heeft ‘zeer gevoelige informatie’ de grens over gesmokkeld, over de posities van Ethiopische troepen en de kracht van verzetscellen in Ethiopië, die Nega hoopt te verbinden met zijn eigen strijders aan de Eritrese kant van de grens.

    ‘Ze willen de documenten die ze bij zich hebben, alleen aan mij persoonlijk overhandigen,’ vertelt Nega. ‘Zo gaat het meestal: ze willen dat ik gevoelig materiaal als eerste zie en de informatie vervolgens verspreid naar de rest van de organisatie.’

    Nega, een zwaargebouwde, kalende achtenvijftigjarige met een haveloos voorkomen en een aangenaam bescheiden houding, wrijft over zijn voorhoofd terwijl de lampen even flikkeren en dan weer aanfloepen. Ginbot 7 is de afgelopen jaren gegroeid en tegenwoordig wordt de organisatie geleid door een raad van tachtig vertegenwoordigers over de hele wereld. Als commandant staat Nega aan het hoofd van verscheidene honderden rebellen in Eritrea en van een onbekend aantal gewapende strijders binnen Ethiopië die af en toe aanvallen uitvoeren uit naam van de beweging. Tijdens zijn vele bezoeken aan de frontlinies heeft hij ontmoetingen met medecommandanten, bekijkt hij de trainingen en geeft hij – hij blijft toch de professor – les over geschiedenis en democratie, met behulp van een schoolbord en krijtjes in een ‘lokaal’ in de bush.

    Nega wendt zich weer naar de kaart en trekt een rechte lijn naar de Tezeké-rivier, het meest westelijke deel van de grens tussen Ethiopië en Eritrea. Veel deserteurs uit het Ethiopische leger steken daar over om zich bij de rebellen te voegen, maar de afgelopen weken is die ontsnappingsroute door het oprukken van de Ethiopische troepen in gevaar gekomen. ‘Ze brengen een grote troepenmacht naar dit gebied, want wij zijn nu het belangrijkste doelwit,’ zegt Nega. Met ‘wij’ bedoelt hij Ginbot 7, dat nu bekend staat als Patriotic Ginbot 7. ‘Ze sturen een groot deel van hun leger, artillerie en tanks dit gebied in. Tot nu toe hebben ze ons nog niet beschoten.’

    Ooit waren deze twee gezworen vijanden één land. Eritrea was van 1890 tot 1941 een Italiaanse kolonie, maar werd na de Tweede Wereldoorlog geannexeerd door Ethiopië. Na een oorlog die drie decennia duurde, wisten de Eritreeërs zich in 1991 te bevrijden. Daarna onderhielden de twee buren een vreedzame relatie, tot 1998, toen een sluimerend conflict over de Yirga-driehoek, een rotsachtig stukje land langs de grens dat in koloniale kaarten nooit duidelijk was aangegeven, escaleerde en uitmondde in een twee jaar durende tank- en loopgravenoorlog, waarbij 100.000 mensen omkwamen. Ondanks bemiddeling onder auspiciën van de Verenigde Naties die het omstreden gebied aan Eritrea toekenden, houdt Ethiopië nog steeds het grensdorpje Badame bezet. Tienduizenden troepen staan tegenover elkaar, met tussen hen in een landschap van mijnen, bunkers, sluipschuttersnesten en andere stellingen.

    Gewelddadige confrontaties aan de grens komen niet vaak voor, maar als het gebeurt zijn ze onverwacht en heftig. Half juni vorig jaar lanceerde Ethiopië volgens de Eritrese regering een grootschalige aanval aan de grens bij Tsorona, de eerste grote schending van het verdrag sinds 2012, mogelijk als vergelding voor aanvallen op de Ethiopische troepen door Ginbot 7. Eritrea beweerde dat het tweehonderd vijandelijke soldaten had gedood en driehonderd verwond, al waren de verliezen volgens Ethiopië kleiner. ‘Ze ontkennen het bijna altijd,’ zegt Nega tegen mij. ‘Als je de Ethiopische regering moet geloven, sneuvelt er nooit iemand.’

    Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen

    Ethiopië mag dan een bondgenoot van de VS zijn en naar Afrikaanse maatstaven een economische toppositie innemen, het land is ook berucht om zijn repressie. Het regime van de Tigraya-minderheid heeft honderden bloggers, journalisten en oppositiefiguren gevangengezet, en blijft aan de macht door politieke tegenstander te intimideren, verkiezingen te beïnvloeden en protesten met geweld neer te slaan. Volgens mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch hebben staatsveiligheidstroepen sinds november 2015 in de regio Oromia rond Addis Abeba meer dan vierhonderd demonstranten gedood. De protesten hebben zich verder uitgebreid naar de Amhara-regio; afgelopen augustus hebben veiligheidstroepen zo’n honderd demonstranten doodgeschoten en nog eens honderden verwond. Duizenden Oromos, een minderheidsgroep die ongeveer een derde van de bevolking uitmaakt, zijn zonder vorm van proces gevangengezet op verdenking van steun aan het Oromo Bevrijdingsfront, een afscheidingsbeweging. De Ethiopische marathonloper Feyisa Lilesa, die vorig jaar zilver won op de Olympische Spelen, vestigde de aandacht van de wereld op de wreedheden van het regime toen hij op de finish zijn gekruiste armen omhooghield uit, solidariteit met zijn mede-Oromos; hij zegt nu dat hij niet meer naar huis durft en heeft politiek asiel aangevraagd.

    Aan de andere kant van de kamer in Nega’s bungalow zitten vier mederebellenleiders, allemaal leden van de Ethiopische diaspora, te eten. De mannen scheuren stukken injera af, dopen het brood in de shiro, een dikke saus, en spoelen alles weg met flesjes van het lokale Asmarabier. Op de televisie in de hoek van de kamer zijn beelden te zien van Esat, een satellietzender van de Ethiopische oppositie die uitzendt vanuit Europa en de VS. De mannen maken deel uit van een wisselend contingent van commandanten die van tijd tot tijd terugkomen naar Asmara om hun e-mail te checken en even te ontsnappen aan de primitieve omstandigheden in de bush. ‘We zijn nu met zijn vijven,’ zegt Nega, en hij stelt me voor aan zijn kameraden uit Dallas, Arlington, Calgary en Luxemburg. ‘Er is er ook nog een uit Engeland, die komt morgenochtend hierheen. Dan zijn we met zijn zessen. Vorige week waren we met zijn achten – we zijn zelfs ooit met elf man geweest.’

    Het huis doet ook dienst als ziekenboeg voor rebellen die ziek zijn of in de strijd gewond geraakt, en biedt een tijdelijk toevluchtsoord voor deserteurs uit het Ethiopische leger die door de frontlinies heen weten te komen. Zo verscheen hier onlangs een voormalige piloot van de Ethiopische luchtmacht, een Oromo die na een reis van 42 uur per bus en te voet de Tekezé-rivier over was gezwommen naar Eritrea. Hij nam het besluit om te deserteren nadat hij in de gevangenis van Addis Abeba was beland, ‘valselijk beschuldigd,’ zo zegt hij tegen mij, ‘van het lidmaatschap van de Oromo-afscheidingsbeweging’.

    ’Zoals hij hebben we er veel,’ zegt Nega.

    Nega trekt zijn jas aan om op zoek te gaan naar dieselolie voor de ochtendrit naar de grens. Met nog een andere rebel, ook uit Virginia, rijden we door de verlaten, onverlichte straten van Asmara, op zoek naar een benzinestation dat open is, maar het enige station dat we vinden heeft geen diesel meer; Nega zal de volgende ochtend moeten terugkomen, wat betekent dat hij later dan gepland naar de frontlinies kan vertrekken. Als we bij zijn huis terugkomen, wijst Nega op een stapel medische artikelen in de gang – verband, spalken, antibiotica, antimalariamiddelen – die hij naar zijn strijders wil gaan brengen, samen met drie kartonnen dozen vol zonnecellen die voor wat primitieve elektriciteit kunnen zorgen in de bush. In de kampen was Nega afhankelijk geweest van zijn mobiele telefoon voor contact met de buitenwereld, maar zelfs daar kan hij nu niet meer op rekenen. ‘Ze hebben de dekking voor telefoons afgesloten sinds de inval van de Ethiopiërs in Tsorona, vertelt hij, ‘Ik zal dagenlang onbereikbaar zijn.’

    Opgegroeid met geweld

    De eerste keer dat ik Nega ontmoet, eind mei 2016, is dat onder heel wat comfortabeler omstandigheden. Na tien maanden in Asmara was Nega teruggevlogen naar de Verenigde Staten voor een aantal besprekingen en om naar de diplomauitreiking van zijn jongste zoon Iyassu te gaan, die deze dagen afstudeert aan de University of Pennsylvania. Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen. Drie jaar geleden is het ‘reisdocument’ dat Nega, die geen Amerikaans staatsburger is, van het ministerie van Buitenlandse Zaken had gekregen, zelfs opgeschort en zijn aanvraag voor het staatsburgerschap van de Verenigde Staten is voor onbepaalde tijd stopgezet. Hij reist nu op een Eritrees paspoort dat in combinatie met zijn green card voldoende is om hem toegang te geven tot dit land – deze keer.

    Het ministerie van Buitenlandse Zaken weigert iets te zeggen over Nega of over Ginbot 7, maar Nega vermoedt dat de Amerikaanse regering niet positief staat tegenover zijn activiteiten. Maar, benadrukt hij, ‘niemand zegt ook dat ik ermee op moet houden. Ik denk dat ze weten dat dit niet tegen de VS gericht is. Wij vechten voor de basisprincipes waarop de Verenigde Staten zijn gegrondvest.’

    We spreken elkaar in het weekend van Memorial Day op het terras van het chique Café Dupont aan Dupont Circle in Washington. Ook zijn zus Hiwot, die een techstart-up leidt in New York, zit aan tafel, net als zijn zoon Iyassu, een eenentwintigjarige die in zijn schooljaren een verdienstelijk hardloper was en binnenkort aan de slag gaat bij een investeringsbank in New York. Onder het genot van witte wijn en kipsalade hebben we het over de toespraak van Lin-Manuel Miranda bij de diploma-uitreiking, en Nega vertelt enthousiast dat hij na die uitreiking Donald Trump en vicepresident Joe Biden is tegengekomen (Trumps dochter en Bidens kleindochter studeerden tegelijk met Iyassu af). Ik vraag Iyassu of hij zich heeft verzoend met zijn vaders nieuwe leven in de frontlinie en hij knikt. ‘Uiteindelijk moet hij blijven streven naar waar hij in gelooft.’ Maar hij toont weinig animo om bij zijn vader op bezoek te gaan in diens Eritrese rebellenkamp, of om dieper in te gaan in de drijfveren van de Ginbot 7-beweging. ‘Ik ben net afgestudeerd – mijn leven heeft een eigen richting. Ik kan er niet zomaar tussenuit gaan. (…) Ik ben ook van een andere generatie dan hij.’

    De oudere Nega hoort bij een generatie van Ethiopiërs die zijn opgeroeid te midden van opstand en geweld. Bij de lunch vertelt hij hoe het was om middelbare scholier te zijn, terwijl een marxistische junta, de door de Sovjets gesteunde Derg, keizer Haile Selassie omverwierp en een keiharde dictatuur vestigde. Nega was beschut opgegroeid, als zoon van een rijke ondernemer en moest nu toezien hoe het regime zich meester maakte van de uitgestrekte mais- en sojabonenboerderijen van zijn vader en hoe de veiligheidstroepen duizenden dissidenten, onder wie veel studenten, oppakten, gevangenzetten en executeerden. Hij en zijn twee oudere zussen werden lid van een verzetsbeweging, de Ethiopian People’s Revolutionary Army (E.P.R.P). Ze gingen ondergronds, sliepen in safe houses, probeerden uit handen van de politie te blijven. Zijn oudste zus is in die tijd opgepakt en in Dergs gevangenis verdwenen. Zijn familie heeft overal naar haar gezocht.

    ‘Er kwamen vaak mensen naar ons huis die tegen mijn ouders zeiden: “Ik heb haar daar en daar gezien.” Mijn moeder ging dan altijd weer naar haar op zoek,’ herinnert Nega zich. Later hoorde hij van haar vroegere celgenoten dat ze in de gevangenis was gestorven, waarschijnlijk door zelfmoord te plegen met de cyanidecapsule die ze om haar hals droeg. ‘Veel mensen hadden cyanide bij zich, want als je werd opgepakt, zou je gemarteld en uiteindelijk geëxecuteerd worden, en dan kon het zijn dat je door de martelingen werd gedwongen anderen te verraden,’ vertelt Nega. Toen de onderdrukking in Addis Abeba steeds harder werd, stuurde de E.P.R.P. Nega naar het noorden naar de provincie Tigray, het hart van een groeiende guerrillabeweging tegen de Derg; daar voerde hij aanvallen uit op regeringsstrijdkrachten. In 1978 barstte binnen de E.P.R.P. een strijd om de macht los, en Nega werd in de gevangenis gegooid. Een dag voordat de bewakers hun geweren op de resterende gevangenen richtten en er vijftien doodschoten, werd hij vrijgelaten. Nega vluchtte naar Soedan, woonde bijna twee jaar als vluchteling in Khartoem en kreeg in 1980 politiek asiel in de Verenigde Staten.

    Zalambessa, Ethiopië, aan de grens met Eritrea, werd tijdens de laatste oorlog bijna geheel verwoest. De meeste mensen wonen nog altijd in tenten van het Rode Kruis of in de ruïnes van hun voormalige huizen. – © AP Photo / Boris Heger
    Zalambessa, Ethiopië, aan de grens met Eritrea, werd tijdens de laatste oorlog bijna geheel verwoest. De meeste mensen wonen nog altijd in tenten van het Rode Kruis of in de ruïnes van hun voormalige huizen. – © AP Photo / Boris Heger

    Hij haalde zijn bachelor aan de State University of New York op New Palz, waar hij ook in het voetbalteam speelde. Tijdens zijn doctoraalstudie aan de New School for Social Research woonde hij in Brooklyn en schreef zijn proefschrift over de mislukking van de Ethiopische landbouw onder het communistisch regime. Ondertussen werd de toestand in Ethiopië steeds rampzaliger. Toen de guerrillabewegingen halverwege de jaren tachtig in Tigray steeds meer aanvallen uitvoerden, blokkeerde de Derg-dictator Mengistu Haile Mariam de aanvoer van voedsel naar deze regio, en creëerde zo een verwoestende hongersnood waarin een miljoen mensen omkwamen.

    Foto’s van uitgehongerde kinderen, verspreid door de nieuwsmedia, gaven de aanzet tot een internationale hulpactie, Live Aid, en vormden de inspiratie voor de pophit ‘We Are The World’, waarmee Ethiopië wereldwijd een synoniem werd voor honger. Toen Nega in 1990 een aanstelling als assistent-hoogleraar op Bucknell kreeg, was de hongersnood voorbij en bereikte de strijd van de opstandelingen zijn hoogtepunt. ‘Hij praatte nooit veel over zijn achtergrond of over het feit dat hij guerrillastrijder was geweest,’ zegt Dean Baker, een vroegere collega op Bucknell die nu aan het hoofd staat van het Center for Economic and Policy Research in Washington.

    De drie opstandige groeperingen – het Volksbevrijdingsfront van de Tigraya, het Oromo Bevrijdingsfront en het Eritrese Volksbevrijdingsfront – versloegen in 1991, na tien jaar strijd, de Derg en marcheerden Addis Abeba binnen. De nieuwe regering, geleid door de Tigraya-rebellenleider Meles Zenawi, begon met de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste land. Eindelijk had Nega reden tot optimisme. Hij kende Meles goed – de premier had tegelijk met zijn dode zuster gestudeerd en nadat de Tigraya aan de macht waren gekomen nam Nega verlof bij Bucknell en vloog met zijn vrouw en twee zoons, die allebei nog peuters waren, terug naar Addis om bij de wederopbouw te helpen. Nega geloofde in Meles’ ‘goede bedoelingen’.

    Maar Nega’s enthousiasme voor de nieuwe regering taande al snel. Op de universiteit van Addis, waar hij parttime doceerde (hij had ook een aantal van zijn vaders bedrijven overgenomen), werden geen afwijkende meningen getolereerd; de studentenraad en de universiteitskrant werden verboden. Toen Nega zijn studenten aanmoedigde om academische vrijheid te eisen, viel de politie hen en andere demonstranten aan. Later, terwijl de onrust zich over de stad verspreidde, schoten ze 41 mensen dood. Nega zat een maand in de gevangenis wegens opruiing. ‘’s Nachts hoorde ik hoe gevangenen werden gemarteld, geslagen,’ vertelt hij.

    In mei 2005, terwijl de economie snel groeide en de populariteit van de regering groot leek, hield Ethiopië verkiezingen – de eerste keer in de geschiedenis van het land dat de mensen werkelijk tussen verschillende partijen konden kiezen – en nodigde het internationale waarnemers uit om daarbij aanwezig te zijn. Maar de uitslag beviel Meles niet. Nega’s Coalition for Unity and Democracy won 137 van de 138 zetels in de gemeenteraad van Addis Abeba. Nega stond in de startblokken om burgemeester te worden, maar de regering weigerde de overwinning van zijn partij te erkennen en zette hem gevangen, samen met andere CUD-leiders. Amerikaanse collega’s voerden actie voor de bevrijding van Nega. ‘De Bucknell-faculteit keurde een motie goed om hem te steunen en aandacht te vragen voor zijn situatie,’ vertelt Rickard. ‘We spraken met journalisten, ambassadeurs, om te zorgen dat hij in de aandacht bleef.’ Mede dankzij internationale druk werd Nega na 21 maanden vrijgelaten en hij keerde terug naar de Verenigde Staten. De ervaring had hem ‘harder gemaakt’, zegt Samuel Adamassu, een lid van de Ethiopische diaspora die Nega en zijn gezin al sinds de jaren tachtig kent. ‘Hij realiseerde zich nu dat deze mensen alleen met geweld tot veranderingen gebracht kunnen worden.’

    ‘Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord’

    Na onze lunch in Washington ben ik op een bijeenkomst in het Georgetown Marriotthotel, waar geld wordt ingezameld voor Ginbot 7 en waar zo’n vijfduizend leden van de Ethiopische diaspora aanwezig zijn. Nega staat op het podium voor een decor van Ethiopische en Amerikaanse vlaggen. Het zal een strijd op leven en dood worden, verzekert hij zijn enthousiaste publiek. ‘Je kunt niet onderhandelen met iemand die je komt verkrachten,’ gaat hij verder in het Amhaars, de belangrijkste taal van Ethiopië. ‘We moeten ze stoppen.’ Het verschil tussen de zachtaardige academicus die ik op het terras van Café Dupont heb gesproken en deze vurige rebel is enorm. Nega kondigt aan dat hij nieuws uit de frontlinie heeft: guerillero’s die zich loyaal aan zijn beweging hebben verklaard, hebben hun belangrijkste aanval tot nu toe uitgevoerd, bij de stad Arba Minch in Zuid-Ethiopië, op de plek van een voormalige Amerikaanse dronebasis. ‘We hebben twintig soldaten gedood en er vijftig verwond,’ zegt hij, en hij noemt dit ‘een nieuwe fase in de strijd’. (De Ethiopische regering beweerde later dat regeringstroepen de aanval hadden afgeslagen en dat slechts een paar militairen waren omgekomen.)

    Bij de oprichting van Ginbot 7 in 2008, het jaar waarin hij weer op Bucknell ging doceren, had Nega nog verklaard dat de beweging ‘burgerlijke ongehoorzaamheid zou organiseren, de bestaande gewapende groepen binnen en buiten Ethiopië zou steunen en druk zou uitoefenen op de regering en de internationale gemeenschap om te onderhandelen’. Toch riep het Ginbot 7-platform later op om de regering te destabiliseren ‘met alle noodzakelijke middelen’, waaronder aanvallen op militairen en politie.

    Het was een tegenstrijdige boodschap vanuit een Amerikaanse liberale universiteit die ooit in 1846 zijn eerste college had gegeven in de kelder van de First Baptist Church of Lewisburg. ‘Er is een grens overschreden,’ zegt Rickard, de hoogleraar Engels die Nega’s pleidooi voor geweld ‘verontrustend maar begrijpelijk’ vindt. ‘Hij is nooit een pacifist geweest, heeft de gewapende strijd nooit afgewezen. Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord. Zijn zuster is omgekomen en zijn beste vriend zit in de gevangenis, en verkeert in levensgevaar. Hij ziet geweld als acceptabel en nodig. Het is een beetje choquerend in zeker opzicht.’

    Economische groei

    Terwijl Ginbot 7 het vuur van het verzet aanblies, was Ethiopië bezig zichzelf opnieuw op de kaart te zetten als economisch succesverhaal. In navolging van het Zuid-Koreaanse en Chinese model van staatsgeleide ontwikkeling, leende Meles geld van staatsbanken en gebruikte hij westerse fondsen om zwaar te investeren in dammen, luchtvaartmaatschappijen, landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. De Ethiopische economie nam een hoge vlucht en kende de afgelopen tien jaar een gemiddelde jaarlijkse groei van 11 procent, een van de hoogste groeipercentages van Afrika. Addis Abeba werd het pronkstuk van die transformatie, met een lightrailnet, talloze wolkenkrabbers, luxe hotels, chique restaurants en wijnbars afgeladen met kersverse miljonairs. Tegelijkertijd fungeerde het land als bolwerk tegen de verspreiding van de radicale islam in de hoorn van Afrika. Op dit moment levert Ethiopië 4400 manschappen voor een vredesmacht van de Afrikaanse Unie in Somalië en helpt het de vrede te bewaren langs de gespannen grens tussen Noord- en Zuid-Soedan. In juli 2015 bracht president Obama, op rondreis door Afrika, als eerste zittende Amerikaanse president in de geschiedenis een bezoek aan Ethiopië.

    Toch beweerde Nega zowel in de collegezaal als in het buitenland, dat de gedaanteverwisseling van Ethiopië een luchtspiegeling was, geschapen om westerse waarnemers die zich zorgen maakten over het gebrek aan democratie in het land, te sussen. ‘In 2005 werd duidelijk dat ze via het politieke proces geen legitimiteit zouden krijgen, dus kwamen ze met dit nieuwe verhaal – ontwikkeling,’ zegt hij tegen mij. Nega houdt vol dat Ethiopië ‘de boeken heeft vervalst’ en dat het groeipercentage van het land grotendeels toe te schrijven is aan enorme infrastructurele projecten en westerse ontwikkelingshulp, terwijl de particuliere sector er nauwelijks aan bijdraagt. ‘De Wereldbank pompt maar geld in Ethiopië, alsof het niet op kan,’ zegt hij tegen mij. Het werkelijke groeipercentage komt volgens hem dichter bij de 5 tot 6 procent – het inkomen per hoofd van de bevolking is nog steeds het laagste in de wereld – en de zwakheid van de overheidsinstellingen zal uiteindelijk betekenen dat zelfs dat percentage niet vol te houden is.

    Twee maanden voor het bezoek van Obama hield de regering verkiezingen, die in brede kring werd gezien als doorgestoken kaart, en waarin de regeringspartij alle 547 zetels in het parlement won. Maar Obama maakte duidelijk dat de veiligheid belangrijker was dan de andere problemen in de Hoorn van Afrika: staande naast Meles opvolger, premier Haile Mariam Desalegne, noemde hij de regering ‘democratisch gekozen’.

    ‘Ik was er ondersteboven van,’ zegt Nega tegen mij. ‘Ik begrijp de realiteit van de macht en snap wel waarom hij de Ethiopische regering steunt, maar om nou te zeggen dat die “democratisch gekozen” is? Ik walgde ervan.’

    Nega in gevangenschap nadat hij tot burgemeester van Addis Ababa was gekozen. – © Petterik Wiggers / HH
    Nega in gevangenschap nadat hij tot burgemeester van Addis Ababa was gekozen. – © Petterik Wiggers / HH

    Drie dagen na mijn eerste ontmoeting met Nega in Asmara, en kort nadat hij is teruggekeerd van zijn afspraak aan de grens, rijden we aan het eind van de dag in zijn witte Hilux pick-uptruck door het landschap van zijn nieuwe leven. We passeren het armoedig uitziende en vrijwel verlaten Asmara Palace Hotel, dat vroeger een Intercontinental Hotel was, en een grote katholieke kerk waarvan Nega de naam niet weet. ‘Ik ben een beroerde toeristengids,’ zegt hij verontschuldigend. Als hij in Asmara is, brengt hij het grootste deel van zijn tijd door achter de computer, ofwel in zijn huis of in een geleend kantoor in het stadscentrum – een van de weinige plekken in de stad met een snelle internetverbinding. Eritrea heeft de slechtste internetdekking ter wereld, slechts 1 procent van de bevolking heeft toegang, en dankzij deze zeldzame breedbandverbinding kan hij via Skype bijpraten met zoons en zijn vrouw. ‘Ik geloof niet dat zij erg blij is dat ik hier zit,’ geeft hij toe, terwijl hij ongemakkelijk heen en weer schuift op zijn stoel. ‘We hebben het er maar niet meer over.’

    Meteen na de onafhankelijkheid begin jaren negentig, onder Isaias Afewerki, de rebellenleider die president was geworden, werd Eritrea even als een voorbeeld gezien, een van de landen die de hoop van Afrika vormen. Toen ik in 1996 een bezoek aan het land bracht, vijf jaar nadat het zich van Ethiopië had losgemaakt, begonnen de voormalige rebellen de verwoeste economie nieuw leven in te blazen – ze herstelden wegen, bruggen en spoorlijnen naar de kust en deden een beroep op de Eritrese diaspora om in het land te investeren. Maar na de grensoorlog die van 1998 tot 2000 duurde, raakten de Eritrese leiders naar binnen gericht, en werden ze steeds wantrouwiger tegenover de buitenwereld. Afewerki onderdrukte dissidente geluiden, stuurde westerse journalisten en ngo’s het land uit, weigerde buitenlandse hulp, nationaliseerde bedrijven en ontmoedigde buitenlandse investeringen; volgens de Wereldbank is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking nu 1400 dollar per jaar.

    In 2009 legde de VN-Veiligheidsraad sancties aan Eritrea op, waaronder een wapenembargo en een reisverbod en het bevriezen van de aandelen van Eritrese topfunctionarissen, omdat het land wapens had geleverd aan Al-Shabaab, de radicaalislamitische organisatie die honderden terroristische aanslagen heeft gepleegd in Somalië en buurland Kenia. (Eritrea noemde de beschuldiging ‘bewuste leugens’.) In een VN-rapport uit juni 2016 wordt de Eritrese regering beschuldigd van ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waaronder marteling, het gevangenzetten van andersdenkenden en een militaire dienstplicht zonder einde, die volgens de regering noodzakelijk is als voorbereiding op een nieuwe Ethiopische invasie.

    ‘Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen’

    Nu er vrijwel geen investeringsgeld het land meer binnenkomt, is Asmara een stad die bevroren is in de tijd. Twee ezels sjokken over Harnet Avenue, de hoofdboulevard van de stad en staan af en toe stil om aan het gras rond een palmboom te knabbelen. We zien hoe grote groepen mensen over de keurige avenue lopen, langs een indrukwekkende roodbakstenen kathedraal, een art-decobioscoop uit de jaren dertig en scheefgezakte Italiaanse bakkerijen en cappuccinobars, en Nega verdedigt tegenover mij zijn besluit om zich tot de dictatuur te wenden om steun.

    ‘Moeten we het werkelijk hebben over het soort dictaturen waarmee de VS in bed liggen?’ vraagt hij me. ‘Dit is een land dat bereid was ons een toevluchtsoord te bieden, een land dat ooit deel van Ethiopië is geweest. Ik kijk naar al deze mensen, ik praat met ze en ze zijn net als ik, ze zijn even Ethiopisch als ik. Waarom zou ik geen hulp van ze krijgen?’

    Nega houdt vol dat hij ook positieve kanten aan de dictatuur ziet. ‘Hoe arm het ook is, dit is het enige land dat zegt: “Wij gaan onze eigen koers varen – of je het leuk vindt of niet.” Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen. Dit is als een strijd tussen David en Goliath.’

    Volgens hem is het rapport van de Verenigde Naties over de misdaden tegen de menselijkheid ‘overdreven’. (Een westerse diplomaat in Asmara, die me vroeg om zijn naam niet bekend te maken vanwege zijn politiek gevoelige positie, was het met Nega’s oordeel over het rapport eens; volgens hem was het gebaseerd op de getuigenissen van vluchtelingen in Europa, die er ‘belang bij hadden hun land zo kwaad mogelijk af te schilderen, om hun vluchtelingenstatus te rechtvaardigen’.)

    Het is duidelijk dat Nega weinig geneigd is om kwaad te spreken over het land dat zijn beweging onderdak biedt – en dat elk moment weer kan intrekken. ‘Ik wil me niet in hun aangelegenheden mengen,’ zegt hij omzichtig. ‘Ze zijn tegenover ons altijd vriendelijk geweest.’ Privé kan de rebellenleider echter kritischer zijn. ‘Hij maakt zich geen illusies over Eritrea,’ vertelt zijn vriend en vroegere collega op Bucknell Dean Baker.

    Ik vraag Nega of hij er vertrouwen in heeft dat de druk van de rebellengroepen de Ethiopische regering ten val kan brengen. Nega zegt te geloven dat hij op dit moment de beste kaarten heeft. ‘Dit verzet tegen de staat komt nu van alle kanten, uit alle delen van het land.’ Hij geeft zichzelf ‘vier of vijf jaar’ voor hij en zijn rebellenleger Ethiopië binnen zullen gaan als onderdeel van een nieuwe democratische orde. ‘Het duurt zeker geen tien jaar,’ zegt hij.

    Tot het zover is zal Nega doorgaan met plannen maken en voorbereidingen treffen vanuit een onzeker en eenzaam schemergebied. Terug in de bungalow gaat hij me voor door de gang en laat me zien waar hij slaapt: een spartaanse kamer met alleen een eenpersoonsbed, een ladenkast en een nachtkastje met potjes vitaminepillen en medicijnen tegen hoge bloeddruk. (Hij heeft geen eigen ziektekostenverzekering meer sinds zijn vertrek bij Bucknell, maar valt nog wel onder de dekking van de Amerikaanse verzekering via zijn vrouw en heeft in mei in de VS voor drie maanden medicijnen gehaald.) Hij haalt een fles Absolut uit de vriezer en schenkt twee glazen in. We gaan op de betonnen binnenplaats zitten, naast een waslijn waaraan Nega’s was te drogen hangt. Weer valt de stroom uit en zitten we in de duisternis, tot het licht na een paar seconden weer aangaat. Het contrast met zijn vroegere leven in de VS – juichen voor de Lewisburg Green Dragons, het middelbare schoolhardloopteam van zijn zoon; vakanties aan de stranden van Maryland en North Carolina met zijn uitgebreide gezin – kon nauwelijks groter zijn.

    ‘Als gesteld bent op comfort en dat is je drijfveer, zul je dit nooit doen,’ zegt hij tegen me, terwijl hij een slokje van zijn ijskoude wodka neemt. ‘Maar soms sta je echt verbaasd. Ben je eenmaal een verbintenis aangegaan, dan worden al die dingen waarvan je dacht dat ze bij het dagelijks leven hoorden, ineens overbodige luxe.’

    Auteur: David M. Herszenhorn
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Aisha maakt jacht op Boko Haram

    Aisha maakt jacht op Boko Haram

    De Nigeriaanse Aisha Bakari Gombi jaagde vroeger met haar vader op antilopen en bavianen. Tegenwoordig jaagt ze op Boko Haram.

    Terwijl zeven ontvoerde vrouwen en vier kinderen werden meegevoerd in het Sambisawoud, kreeg Aisha Bakari Gombi een telefoontje. De stem die ze hoorde was vertrouwd: een legercommandant die haar vroeg een groep jagers te verzamelen om de ontvoerden op te sporen. De elf waren eerder die dag verdwenen nadat een groep militanten van Boko Haram hun dorp, Daggu, had aangevallen. Ze schoten drie inwoners dood en staken auto’s, huizen en winkels in brand.

    Daggu ligt op een halfuur rijden van Chibok, waar in april 2014 tweehonderd schoolmeisjes werden ontvoerd. Beide dorpen liggen in de staat Borno in het noordoosten van Nigeria, waar dit soort aanvallen door de dodelijkste terreurgroep ter wereld vaker voorkomen.

    ‘Boko Haram kent me en is bang voor me’

    Bakari Gombi groeide op in de buurt van het Sambisawoud, waar de extremisten, ondanks het militaire offensief van vorig jaar, waarbij veel van hun kampen werden vernietigd, nog steeds actief zijn. Vroeger jaagde ze met haar grootvader op antilopen, bavianen en parelhoenders. Nu jaagt ze op Boko Haram.

    In het gebied bevinden zich duizenden jagers die tijdelijk door het leger zijn ingezet. Bakari Gombi is een van de weinige vrouwen, en zowel voor de jagers als voor de bevolking is ze een heldin geworden. Haar moed heeft haar de titel ‘koningin van de jagers’ opgeleverd.

    De eerste reddingsactie in Daggu mislukte ‘omdat Boko Haram zwaar bewapend was. Maar we zagen de plek waar de meisjes vastgehouden werden,’ legt Bakari Gombi uit. ‘We zouden ze kunnen bevrijden als het leger ons betere wapens zou geven,’ voegde ze er nog aan toe, met een blik op het dubbelloopsgeweer op haar schoot.


    Evenals veel mensen op het platteland in het noordoosten is Bakari Gombi moslim, maar ze gelooft ook in traditionele geesten. In een van haar rituelen besprenkelt ze de andere jagers met een ‘geheime’ vloeistof om ze te beschermen tegen kogels.

    De 38-jarige vrouw staat aan het hoofd van een commando mannen van vijftien tot dertig jaar, die communiceren via gebarentaal, dierengeluiden en zelfs door middel van vogelzang. ‘Boko Haram kent me en is bang voor me,’ zegt Bakari Gombi. Haar groep jagers heeft honderden mannen, vrouwen en kinderen gered.

    Het Nigeriaanse leger begon in 2011 vrouwen te rekruteren, en hoewel de aantallen nationaal gezien laag blijven, hebben sommige vrouwen in dit gebied persoonlijke redenen om de terreurgroep te bestrijden. Zoals Hamsat Hassan, wier zus twee jaar geleden door Boko Haram werd gekidnapt. De zus is sindsdien niet meer teruggezien.

    ‘Ik kon nog niet met een geweer omgaan toen ik vroeg of ik me mocht aansluiten bij de Vereniging van Jagers. Ik wist alleen dat ik wraak wilde nemen op de mensen die mijn zus hadden ontvoerd,’ vertelt ze. Hassans grootouders zorgen voor haar zeven kinderen, zodat zij op jacht kan gaan als er een beroep op haar wordt gedaan.

    Geldgebrek

    Hoewel de meeste mensen in de groep vrijwilligers zijn, behoren Bakari Gombi en Hassan tot de 228 mannelijke en vrouwelijke jagers die vorig jaar op een meer officiële basis werden gerekruteerd door een lokale regeringsvertegenwoordiger. Maar in oktober stopten de toelagen van 10.000 naira (30 euro) die de jagers ontvingen. Twee maanden later had het grootste deel van het team zich teruggetrokken, al bleven sommigen, onder wie Bakari Gombi en Hassan, toegewijd aan de strijd.

    Bukar Jimeta, de commandant van de Vereniging van Jagers in Gombi, zegt dat ze door het failliet van de missie en het gebrek aan geld niet meer in staat zijn om de toenemende dreiging af te wenden van Boko Haram, dat zich in de omliggende gebieden aan het hergroeperen is.

    De jagers zijn niet de enigen die geldproblemen hebben. In december stuurde een groep Nigeriaanse soldaten een video naar YouTube waarin ze om een betere uitrusting, voedsel en water vroegen. Het leger heeft ook te maken met een corruptieschandaal op het hoogste niveau. Voormalig veiligheidsadviseur Sambo Dasuki moet voor de rechter verschijnen wegens het verduisteren van 2,1 miljard euro die bestemd was voor de strijd tegen Boko Haram.

    De jagers vinden dat hun opsporingstechnieken van essentieel belang zijn voor de strijd van het leger tegen de terreurgroep, hoe weinig financiële middelen ze ook tot hun beschikking hebben. ‘Ik wacht op een oproep om terug te gaan en die vrouwen en kinderen uit Daggu te redden, maar ik weet niet of we meer wapens zullen krijgen,’ zegt Bakari Gombi.

    Of ze die wapens nu krijgt of niet, ze zweert dat ze zal doorgaan met haar missie om Boko Haram te verdrijven uit het woud waarin zij is opgegroeid.

    Auteur: Rosie Collyer
    Vertaling: Tineke Funhoff

    Openingsbeeld: Vrouwelijke slachtoffers van Boko Haram. – © CNN / YouTube

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Onder de naam Guardian News and Media is het een van de meest succesvolle mediabedrijven van Groot-Brittannië, met als vlaggenschip guardian.co.uk, een van ’s werelds meest bezochte nieuwssites. Hoewel de krant dicht bij Labour zou staan, houdt zij de traditie van redactionele onafhankelijkheid in ere: het commentaar is vaak zeer kritisch over de regering.

  • Vrede sluiten om de pijn van het verleden te vergeten

    Vrede sluiten om de pijn van het verleden te vergeten

    Voor de Colombiaanse schrijver Héctor Abad is de waarheid over de guerillamoorden belangrijker dan de straffen die daar normaliter voor gelden. Ook al hebben de paramilitairen zijn vader vermoord en werd zijn neef twee keer gegijzeld. Hij stemt dus voor het vredesakkoord. Zijn neef stemt tegen.

    Mijn kennis van de recente geschiedenis van mijn land is niet theoretisch, die heb ik uit de eerste hand via familiegeschiedenissen opgedaan. Als je uit een grote familie komt heb je haast geen fictie nodig, alles heeft zich wel een keer voorgedaan. Aan de hand van familiegeschiedenissen heb ik me een beeld kunnen vormen van wat er gebeurd is en nog steeds gebeurt in Colombia, zodat mijn gevolgtrekkingen niet alleen politiek-ideologisch bepaald zijn, maar ook worden gevoed door verbeelding en levenservaring. Ik probeer me in te denken hoe we beter samen kunnen leven, zonder elkaar op zo grote schaal af te maken, met minder menselijk leed en meer gemoedsrust.

    Vredesakkoord

    Om uit te leggen waarom ik zo blij ben met het vredesakkoord tussen de Colombiaanse regering van Santos en het commando van de FARC zal ik proberen om samen met u, lezers, mijn gedachten te laten gaan over, wederom, een familiegeschiedenis.

    Ik heb nooit sympathie gehad voor de FARC. Een van mijn zwagers, Federico Uribe (geen familie van de Colombiaanse ex-president), werd twee keer door de guerrilla gegijzeld. De eerste keer door Frente 36, een guerrillagroep binnen de FARC, achtentwintig jaar geleden, toen hij vijfendertig was. Elf jaar later werd hij opnieuw, door een andere groep, gegijzeld, en die lui die hem toen in de bergen moesten bewaken waren zo jong dat ze hem, een man van zesenveertig, ‘opa’ noemden.

    Federico was en is niet rijk. Misschien had hij de verkeerde achternaam. Hij was ook niet arm, en het zou me niet verbazen als de allerarmsten in Colombia hem als een rijkaard zagen.

    De guerrilla was zo aardig hem drie jaar de tijd te geven om alles te betalen

    Mijn zwager (ex-zwager inmiddels, want in alle families komen scheidingen voor) had en heeft 120 melkkoeien in een dorpje op 2600 meter hoogte in de bergen van Oost-Antioquia. Na een maand gegijzeld te zijn geweest en na een ‘eerste aanbetaling’ te hebben gedaan voor zijn vrijlating, moest hij drie jaar lang de rest van het losgeld in (niet al te grote) maandelijkse termijnen afbetalen. De guerrilla was zo aardig hem drie jaar de tijd te geven om alles te betalen.

    Nu zult u vragen: Maar waarom ging hij niet naar de politie? Waarom riep hij niet de hulp in van het leger of de plaatselijke overheid? Dan zou hij antwoorden: ‘Neem me niet kwalijk, maar daar moet ik een beetje om lachen.’ Op het Colombiaanse platteland bestond de overheid niet. Er zijn nu nóg streken waar de overheid niet bestaat: hoe verder weg van de grote steden, hoe minder overheid er is. Als Federico zijn losgeld niet betaalde kon hij ook zijn koeien niet melken en daarvan leefde hij. Als hij zijn losgeld niet betaalde konden ze hem tussen zijn eigen koeien vermoorden. Als hij zijn losgeld niet betaalde konden ze een van zijn kinderen, een van mijn neefjes, ontvoeren.

    Enfin, bij afwezigheid van een overheid die haar burgers beschermt had hij geen andere keus dan maar te betalen. Of te doen wat andere veehouders deden: zich inlaten met een paramilitaire groep die hen beschermde in ruil voor een ongeveer evenveel maandgeld. Federico Uribe was niet iemand die licht dacht over het vermoorden van mensen en de paramilitairen doodden zonder eerst te vragen. Bovendien hadden de paramilitairen zijn schoonvader, mijn vader, vermoord en het gaf geen pas een verbond te sluiten met die moordenaars.

    Federico – ik heb hem zojuist gebeld om het hem te vragen – gaat Nee stemmen bij het referendum over het vredesakkoord. ‘Ik ben niet tegen vrede,’ vertelde hij me, ‘maar ik wil dat die lui minstens twee jaar de cel in gaan: in de tijd dat ze mij gegijzeld hielden vermoordden ze twee gijzelaars.’ Ik begrijp hem, ik waardeer hem en ik beschouw hem niet als een vijand van de vrede, ook al ben ik het niet met hem eens. Het is niet aan mij om hem te veroordelen en hij heeft het volste recht Nee te gaan stemmen. Maar van de andere kant hoop ik dat hij mij ook begrijpt als ik nu schrijf dat ik vóór ga stemmen.

    Ik begrijp zijn standpunt over straffeloosheid. Maar toch vind ik dat ik het recht heb te zeggen dat het me niet uitmaakt dat de FARC-leden geen gevangenisstraf krijgen, omdat ik, toen president Uribe vrede sloot met de paramilitairen, een artikel schreef waarin ik betoogde dat het me niet interesseerde of de moordenaars van mijn vader wel of niet de gevangenis in gingen, al was het maar voor één dag. Dat ze maar de waarheid vertelden en daarmee uit, dat ze maar op vrije voeten werden gesteld en van ouderdom stierven.

    Foto midden, vlnr.: de ouders van Héctor Abad, zijn zus Eva met baby op schoot en de toenmalige echtgenoot van Eva, Federico Uribe.
    Foto midden, vlnr.: de ouders van Héctor Abad, zijn zus Eva met baby op schoot en de toenmalige echtgenoot van Eva, Federico Uribe.

    Van de 28.000 paramilitairen die zich tijdens het presidentschap van Uribe lieten demobiliseren zijn er maar een handvol tot gevangenisstraf veroordeeld, en niet omdat de president het wilde, maar omdat het Constitutionele Hof het afdwong. De president wilde aanvankelijk totale amnestie. Wij hebben de tekst van het Verdrag van Ralito (waarbij de paramilitairen zich overgaven) nooit kunnen inzien. Wij slachtoffers van de paramilitairen hebben nooit de kans gekregen met hen in dialoog te gaan en hun recht in het gezicht te zeggen welk verdriet ze ons hebben aangedaan en hen te verwelkomen in de burgermaatschappij, zoals wij in onze familie graag hadden willen doen. Evenmin is dat verdrag in een referendum aan het Colombiaanse volk voorgelegd. Dat is geen verwijt, maar slechts een vergelijking.

    Santos heeft het Verdrag van Havana (een ontzettend lange, brijige tekst) in extenso gepubliceerd, hij heeft groepen van slachtoffers uitgenodigd om deel te nemen aan de dialoog (ook mij heeft hij uitgenodigd, maar ik bedankte voor de eer, omdat ik me geen slachtoffer meer voel) en nu legt hij het verdrag in een referendum aan het Colombiaanse volk voor.

    Als ik er in het geval van de moordenaars van mijn vader mee eens was dat de daders amnestie kregen op voorwaarde dat de paramilitairen de waarheid vertelden en ophielden met moorden, dan denk ik dat ik nu moreel in de positie ben om te zeggen dat ik het ook eens ben met het Vredesverdrag dat is gesloten met de FARC, de ontvoerders van mijn zwager. Ook ten aanzien van de FARC ben ik bereid een fikse dosis straffeloosheid te aanvaarden in ruil voor de waarheid.

    De FARC had op haar hoogtepunt 20.000 geüniformeerde leden onder de wapenen

    Bedenk ook dat het niet zeker is dat het verdrag voor zware misdrijven, waaronder ook ontvoering valt, volledige amnestie bepaalt. De verantwoordelijken (alleen als ze alles vóór aanvang van hun rechtszaak bekennen) moeten ten hoogste acht jaar in ‘effectieve beperking van hun vrijheid’ doorbrengen, niet in een gewone gevangenis, maar in omstandigheden die het Buitengewoon Vredestribunaal nog dient te bepalen. Als de verantwoordelijken hun daden pas tijdens hun rechtszaak bekennen, moeten ze die acht jaar in een gewone gevangenis doorbrengen. En als ze niet bekennen maar hun rechtszaak verliezen, krijgen ze een gevangenisstraf van twintig jaar in een staatsgevangenis.

    Dus ik verschil van mening met mijn ex-zwager, die ik wel begrijp en op wie ik even gesteld blijf, over het feit dat er een akkoord is bereikt waarin sprake is van totale amnestie. Het akkoord is ongetwijfeld heel genereus ten opzichte van de FARC en ik zou, net als Federico, ook wel willen dat de guerrilla een gevangenisstraf van minstens twee jaar voor alle daders had geaccepteerd. Maar dit was het beste wat de regering eruit kon slepen, na vier jaar onderhandelen met een guerrilla die nog steeds niet volledig verslagen is.

    Als ik voor Spaanse media schrijf, of als ik met Spanjaarden praat, krijg ik altijd het voorbeeld voorgeschoteld van de ETA, om het argument kracht bij te zetten dat de staat terroristen geen duimbreed mag toegeven en ze ook geen vergeving mag schenken. Ik vind dat die twee gevallen onvergelijkbaar zijn. De FARC ontstond in een gewelddadig land met een grote ongelijkheid en een gebrekkig justitieel apparaat, wat geen rechtvaardiging is, maar wel voor een deel haar succes verklaart. De FARC had op haar hoogtepunt 20.000 geüniformeerde leden onder de wapenen, ze kreeg de hoofdstad Mitú van het departement Vaupés in handen en voerde de heerschappij uit over uitgestrekte gebieden, als een alternatieve staat die ‘recht’ sprak en plaatselijke geschillen beslechtte.

    Héctor Abad (r) naast het lichaam van zijn vermoorde vader in 1987. Op de achtergrond wordt zijn huilende moeder getroost door haar dochter Clara en haar toenmalige man. – © Gabriel Buitrago
    Héctor Abad (r) naast het lichaam van zijn vermoorde vader in 1987. Op de achtergrond wordt zijn huilende moeder getroost door haar dochter Clara en haar toenmalige man. – © Gabriel Buitrago

    De FARC is zonder meer een wrede, meedogenloze, bloederige guerrillabeweging. Een guerrillabeweging die rotsvast en met een messianistisch fanatisme gelooft in de laatste religie van de twintigste eeuw: het marxistisch-leninistisch communisme. Ik geloof dat de guerrilla zich in haar gewapende strijd, haar ideologie, haar terreurdaden gruwelijk heeft vergist. Maar in meer dan een halve eeuw waarin ze de staat uitdaagde is de staat er niet in geslaagd haar met de wapenen te verslaan. Colombia heeft het hoogste defensiebudget van heel Latijns-Amerika en het grootste staande leger, en wat we aan wapens uitgeven, geven we niet uit aan gezondheidszorg en onderwijs.

    We hebben een president gehad, Álvaro Uribe, wiens grootste obsessie gedurende acht jaar was het uitroeien van de guerrilla die zijn vader had gedood. Hij heeft de FARC zo ernstig verzwakt dat ze nog geen 10.000 actieve strijders meer over had, maar ook hij heeft haar niet kunnen verslaan. Zijn minister van Defensie, Juan Manuel Santos, kwam aan de macht en bood de FARC in haar verzwakte toestand aan wat alle voorgaande presidenten (inclusief Uribe) haar hadden aangeboden: om de tafel gaan zitten voor vredesbesprekingen. En Santos slaagde waar alle vorige presidenten hadden gefaald: hij kreeg de FARC zover dat ze bereid was de wapens neer te leggen en zichzelf in een politieke partij te veranderen, op voorwaarde van een vrijgeleide en zelfs met een kleine vertegenwoordiging in het parlement bij de volgende verkiezingen.

    Kinnesinne

    In alle families komt onderlinge kinnesinne voor: zelfs broers en zussen zijn jaloers op elkaar. Daarom begrijp ik zo goed, daarom vind ik het zo invoelbaar en zo menselijk, dat de twee voorafgaande presidenten (Pastrana en Uribe) jaloers zijn op Santos. Hij is geslaagd waar zij hebben gefaald. Ook is het te begrijpen dat ze hun afgunst willen bedekken met een allernobelst masker, het masker van de ‘straffeloosheid’ waar zij zogenaamd zo tegen zijn. Maar ik weet zeker dat als zij aan de macht waren geweest, ze evenveel straffeloosheid of nog meer zouden hebben geboden.

    Een veel oudere president, van bijna honderd jaar, die nog niets aan intellectuele scherpte verloren heeft en nog voor de duvel niet meer bang is, Belisario Betancourt, een president bovendien die dertig jaar geleden op het punt stond een vredesakkoord met de guerrilla te sluiten, dat echter gesaboteerd werd door extreemrechts – een samenraapsel van paramilitairen, grootgrondbezitters en een deel van het leger, die alle linkse kopstukken uitroeiden en zelfs een hele politieke partij, de Unión Patriótica –, deze oude president, die conservatief en katholiek is, gaat daarentegen vóór stemmen. Ook de ex-presidenten Gaviria en Samper gaan campagne voeren vóór het vredesakkoord.

    Op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik gerechtigheid kon doen geschieden door precies te vertellen wat er gebeurd was

    Tot besluit: het zijn familiegeschiedenissen, waargebeurde romans als het ware, die me gevoel voor de gebeurtenissen hebben bijgebracht en me goed hebben leren nadenken over lijden en gerechtigheid en machteloosheid, over vernedering en woede, over wraak en vergeving. Schrijven over het onrecht dat mijn vader is aangedaan, de moord op een mens van goede wil, heeft me genezen van de behoefte om in de realiteit gerechtigheid te doen geschieden: alle moordenaars achter de tralies. Op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik gerechtigheid kon doen geschieden door precies te vertellen wat er gebeurd was.

    Ik ben ervan overtuigd dat als mijn zwager het verhaal van zijn ontvoering had kunnen vertellen zoals Ingrid Betancourt of Clara Rojas dat konden, hij nu veel gelijkmoediger zou zijn geweest en zich bij ons kamp zou hebben geschaard, het kamp dat vóór het vredesakkoord is. Daarom zou ik, nu ik het verhaal van Federico heb verteld en mijn positie in een Spaanse krant heb uiteengezet, aan mijn ex-zwager het volgende willen vragen: Is ons land niet beter af wanneer jouw ontvoerders de politiek in gaan, in plaats van dat ze in de buurt van je landgoed komen rondhangen, waar ze je kinderen, mijn neefjes en nichtjes, en de kinderen van je kinderen, je eigen kleinkinderen, met de dood bedreigen?

    Vrede sluit je niet om volledige genoegdoening te krijgen. Vrede sluit je om de pijn van het verleden te vergeten, om de pijn van het heden te verminderen en de pijn van de toekomst te voorkomen.

    Auteur: Héctor Abad
    Vertaler: Jos den Bekker

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.