De recent gelekte berichten uit een Signal-groepschat tussen hooggeplaatste Amerikaanse functionarissen hebben velen verstomd achtergelaten, waaronder Hillary Clinton. In deze column uit The New York Times deelt de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en First Lady haar ergernissen en zorgen over het beleid van de regering-Trump.
Het is niet eens de hypocrisie die me zo stoort, maar de domheid. We zijn allemaal geschokt – geschokt! – dat president Trump en zijn team zich niets gelegen laten liggen aan het beschermen van geheime informatie of het naleven van federale dataretentiewetten. Maar dat is niets nieuws. Wat veel erger is, is dat hooggeplaatste functionarissen binnen de regering-Trump onze troepen in gevaar hebben gebracht door militaire aanvalsplannen te delen op een commerciële berichtendienst en per ongeluk een journalist hebben uitgenodigd voor de groepschat. Dat is gevaarlijk. En het is oerstom.
Dit is het nieuwste incident in een hele reeks zelf aangebrachte wonden die de kracht van Amerika ondermijnen en onze nationale veiligheid in gevaar brengen. Honderden mensen ontslaan die zijn belast met de bescherming van onze kernwapens is ook dom. Net als het stopzetten van alle inspanningen om pandemieën te bestrijden, net nu in Afrika een dodelijke ebola-uitbraak om zich heen grijpt. Het is gespeend van elke logica om zuiveringsacties uit te voeren onder getalenteerde generaals, diplomaten en spionnen in een tijd waarin rivalen als China en Rusland hun mondiale invloedssfeer proberen te vergroten.
In een gevaarlijke en complexe wereld voldoet het niet om sterk te zijn. Je moet ook slim zijn. Als minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Obama heb ik me sterk gemaakt voor slimme kracht, voor het samenbrengen van de harde kracht van ons leger en de zachte krachten van onze diplomatie, ontwikkelingshulp, economische macht en culturele invloed. Geen van deze elementen afzonderlijk is in staat de klus te klaren. Samen maken ze het Amerika van nu tot een supermacht. De Trumpaanpak is die van de domme kracht. In plaats van een sterk Amerika dat al onze krachten gebruikt om een wereldleider te zijn en onze vijanden het hoofd te bieden, zal het Amerika van Trump in toenemende mate blind en blunderend te werk gaan, ontdaan van macht en vrienden.
Massaontslagen
Laten we beginnen met het leger, waarvan Trump beweert dat hij het hoog in het vaandel heeft staan. Laat u niet misleiden door zijn bravoure. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth (bekend van de groepschat), hebben duidelijk meer affiniteit met hun strijd voor de bühne tegen woke dan met de voorbereidingen voor de echte strijd met Amerika’s tegenstanders. Is er werkelijk iemand die gelooft dat ons land veiliger wordt door elk eerbetoon aan de Tuskegee Airmen [een groep voornamelijk Afro-Amerikaanse piloten uit de tweede Wereldoorlog] te verwijderen? Het Trump-Pentagon heeft beelden verwijderd van het vliegtuig dat de atoombom afwierp, waarmee een einde werd gemaakt aan de Tweede Wereldoorlog, enkel en alleen omdat het vliegtuig Enola Gay heette. Dom.
In plaats van samen te werken met het Congres om het defensiebudget te moderniseren zodat het aansluit op de veranderende dreigingen, ontslaat de president zonder geloofwaardige argumentatie hooggeplaatste generaals. Vijf voormalige ministers van Defensie, zowel Republikeinen als Democraten, hebben terecht gewaarschuwd dat dit onze ‘geheel vrijwillige krijgsmacht ondermijnt en onze nationale veiligheid in gevaar brengt’. Ook inlichtingendiensten hebben te maken gekregen met massaontslagen. Om de woorden van een voormalig spion te gebruiken: ‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet.’ Ook niet slim.
‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet’
Als er al zo roekeloos wordt omgegaan met Amerika’s hard power, zal het geen verbazing wekken dat ook onze soft power het moet ontgelden. Als voormalig minister van Buitenlandse Zaken maak ik me met name zorgen over de plannen van de regering om ambassades en consulaten te sluiten, diplomaten te ontslaan en USAID te ontmantelen. Ik zal uitleggen waarom dat ertoe doet, want het belang hiervan wordt vaak minder goed begrepen dan dat van tanks en straaljagers.
Als Amerikaanse topdiplomaat heb ik 112 landen bezocht en bijna anderhalf miljoen kilometer gereisd, en ik heb gezien hoe belangrijk het voor ons land is om in afgelegen gebieden te worden vertegenwoordigd. Het Amerikaanse leger is zich er al heel lang van bewust dat onze troepen proactief moeten worden ingezet om de Amerikaanse macht te beschermen en om snel te kunnen reageren in het geval van een crisis. Hetzelfde geldt voor onze diplomaten. Onze ambassades zijn onze ogen en oren, en ze leveren informatie voor de beleidsbeslissingen die in Washington worden genomen. Ze fungeren als uitvalsbases voor de operaties die onze veiligheid en welvaart borgen, variërend van het trainen van buitenlandse antiterrorisme-eenheden tot het helpen van Amerikaanse bedrijven bij het aanboren van nieuwe markten.
China begrijpt de waarde van diplomatie ter plaatse en heeft dan ook overal ter wereld nieuwe ambassades en consulaten geopend, waardoor het er inmiddels meer heeft dan Amerika. Als de regering-Trump zich terugtrekt, laat ze het speelveld open voor Beijing, dat ongehinderd haar invloedssfeer verder kan uitbreiden.
Diplomatie
Diplomaten sluiten vriendschappen waardoor Amerika er niet alleen voor staat in deze competitieve wereld. Zo waren mijn collega’s en ik in staat om zware sancties op te leggen aan het nucleaire programma van Iran, waardoor we Teheran uiteindelijk wisten te dwingen de ontwikkeling van een bom te staken – iets wat Trump met zijn stoere praat niet is gelukt. (Sterker nog, hij heeft de financiering stopgezet van de inspecteurs die toezicht hielden op Iraanse onderzoeksfaciliteiten. Dom.)
Diplomatie is betrekkelijk goedkoop, zeker in vergelijking met militair ingrijpen. Het is goedkoper om oorlogen te voorkomen dan om ze uit te vechten. Trumps eigen voormalige minister van Defensie, Jim Mattis, een gepensioneerde viersterrengeneraal van het Korps Mariniers, heeft tegen het Congres gezegd: ‘Als u het ministerie van Buitenlandse Zaken niet volledig financiert, zal ik meer munitie moeten kopen.’
Onze ontwikkelingshulp, die nooit meer dan een klein deel heeft uitgemaakt van het federale budget, heeft een ongekende invloed gehad op de internationale stabiliteit, zeker in combinatie met effectieve diplomatie. Wanneer Amerikaanse hulpgelden een hongersnood of een uitbraak weten te voorkomen, wanneer we te hulp schieten bij een natuurramp of wanneer we scholen openen, winnen we de hearts and minds van de bevolking, van wie de loyaliteit anders misschien zou uitgaan naar terroristen of rivalen als China. We zorgen voor een vermindering van het aantal migranten en vluchtelingen. We versterken bevriende regeringen die anders wellicht omvergeworpen zouden worden.
We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen
Ik zal niet beweren dat het allemaal makkelijk is, of dat het Amerikaanse buitenlandbeleid niet gebukt is gegaan onder verkeerde inschattingen. Leiderschap is bepaald niet eenvoudig. Maar we maken de meeste kans om het goed te doen, en om ons land sterker te maken, door onze overheid te versterken in plaats van te verzwakken. We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen.
Door slimme hervormingen kunnen federale instanties, waaronder het Ministerie van Buitenlandse Zaken en USAID, efficiënter en effectiever worden. Tijdens de regering-Clinton is met het Reinventing Government Initiative van mijn man, onder leiding van vicepresident Al Gore, in samenwerking met het Congres op doordachte wijze de bureaucratie gestroomlijnd en het personeelsbestand gemoderniseerd, waardoor er miljarden dollars zijn bespaard. In meerdere opzichten was dit het tegenovergestelde van de sloophameraanpak van de regering-Trump. Het overheidsapparaat wordt nu niet hervormd; het wordt met de grond gelijk gemaakt.
Politiek gokspelletje
Dit alles is zowel dom als gevaarlijk. En dan heb ik het nog niet eens over de schade die Trump aanricht door aan te pappen met dictators zoals de Russische Vladimir Poetin, door onze bondgenootschappen op te blazen – samenwerkingsverbanden die onze invloedsfeer vergroten en onze lasten verlichten – en door met het ondergraven van de Amerikaanse rechtsstaat onze morele invloed te verkwanselen. Of kijk hoe hij onze economie ondermijnt en onze staatsschuld laat oplopen. Propagandisten in Beijing en Moskou weten dat er wereldwijd een debat op gang is gekomen over verschillende staatsvormen.
Over de hele wereld kijken mensen en leiders toe, benieuwd of democratie nog altijd vrede en voorspoed kan garanderen, of überhaupt nog kan functioneren. Als Amerika wordt bestuurd als een bananenrepubliek, met een stuitende corruptie en een leider die zichzelf boven de wet plaatst, verliezen we die discussie. Dan verliezen we ook de kwaliteiten die Amerika uniek en onmisbaar maken.
Als er al sprake mocht zijn van een alomvattende strategie, dan zou ik niet weten wat die is. Misschien hoopt Trump terug te keren naar negentiende-eeuwse invloedssferen. Misschien wordt hij enkel gedreven door persoonlijke rancune en groeit het hem allemaal boven het hoofd. Als zakenman heeft hij zijn casino’s in Atlantic City failliet laten gaan. Nu heeft hij de veiligheid van de Verenigde Staten als inzet genomen. Als dit zo doorgaat, is een stommiteit met een groepschat wel het minste wat ons zorgen moet baren en zullen alle vuist- en vlagemoji’s ter wereld ons niet kunnen redden.
Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van What Happened, het boek waarin Hillary Clinton terugblikt op haar verkiezingsnederlaag. In een interview met Le Monde rekent ze af met haar rivalen Trump en Sanders.
Hillary Clinton is aan een grote promotietour begonnen voor haar boek What Happened, dat in de Verenigde Staten op 12 september is uitgekomen [de Nederlandse vertaling verscheen op 3 oktober bij Kosmos Uitgevers] en al snel de verkooprecords heeft gebroken. Op donderdag 21 september ontmoette ze de verslaggevers van Le Monde in een plattelandshotel in Chappaqua in de staat New York. In dit welgestelde dorpje hebben de Clintons zich gevestigd na hun vertrek uit het Witte Huis in 2001. En hier heeft de voormalige minister van Buitenlandse Zaken lange tijd nagedacht over haar nederlaag op 8 november 2016. Zoals altijd vergezeld door haar adviseur Huma Abedin geeft een strijdvaardige Clinton haar analyse van de onverwachte overwinning van Donald Trump.
In uw boek vertelt u wat er gebeurde tijdens het tweede debat met Donald Trump. U sprak tegen het publiek en hij stond achter u. ‘Ik voelde letterlijk zijn adem in mijn nek’, schrijft u. U hebt niet gereageerd. Werkte u door uw terughoudendheid niet de agressieve manier van doen in de hand waardoor hij heeft gewonnen?
‘Ik denk niet dat hij daardoor heeft gewonnen, maar het was wel onderdeel van de uitdagingen waarvoor ik me gesteld zag toen ik het moest opnemen tegen een kandidaat uit een realityshow, een man die seksistische opmerkingen maakte en zich denigrerend uitliet over vrouwen. Toen ik het hoofdstuk over seksisme en vrouwenhaat schreef, heb ik geprobeerd deze gebeurtenis als voorbeeld te gebruiken, omdat het laat zien hoe moeilijk het is om je als vrouw op het openbare toneel te begeven. Het was een bijzonder ongemakkelijk moment. Ik was voorbereid op zulk gedrag en ik had me voorgenomen kalm te blijven en mijn zelfbeheersing te bewaren, wat er ook zou gebeuren.’
Hebt u daar geen spijt van?
‘Daarom heb ik mijn boek geschreven. Je kunt zeggen dat hij een ongebruikelijke kandidaat was, met een ongebruikelijke campagne. Misschien was het niet doeltreffend om me tijdens de campagne op te stellen als iemand met ervaring die zich wist te gedragen. Maar als ik me had omgedraaid en tegen hem had gezegd: “Wegwezen, engerd”, dan zou ik met aanvallen van de pers, het publiek en zijn campagne zijn bestookt, met als motto: “Ze kan het niet, ze is niet sterk genoeg, ze reageert overdreven.” Ik heb me gehouden aan wat ik als een goede benadering beschouwde, maar ik geef dit voorbeeld om te laten zien dat dit soort beslissingen niet makkelijk zijn voor een vrouw tijdens een campagne.’
‘Ik denk dat de pers agressief moet zijn omdat de rechterflank ook erg agressief is’
Hij was begonnen met de andere Republikeinse kandidaten…
‘En die hadden geen antwoord. Sommigen hebben geprobeerd hem met gelijke munt terug te betalen, zoals Marco Rubio, maar dat heeft niet gewerkt.’
Vindt u president Trump, nu hij negen maanden op zijn post zit, gevaarlijk of machteloos?
‘Ik denk dat hij momenteel een duidelijk gevaar voor ons land en voor de wereld vormt, want hij was absoluut niet voorbereid op het presidentschap, hij heeft er niet het juiste temperament voor en hij is niet van presidentieel niveau. Zijn daden en zijn gedrag zaaien verdeeldheid, zowel in ons land als onder onze vrienden en bondgenoten in de rest van de wereld. Hij heeft het internationale toneel instabiel en onvoorspelbaar gemaakt. Ik denk dat hij eerder gevaarlijk is dan onmachtig. Want een president van de Verenigde Staten heeft veel macht: hij kan regelingen afschaffen, zich uitlaten over onderwerpen en gevaarlijke redevoeringen houden zoals bij de Verenigde Naties.’
Toch heeft men het gevoel dat de tegenkrachten werken en dat ze deze zeer bijzondere president in toom houden…
‘Wat u daarbij vergeet is dat de regering en de ministers alles in het werk stellen om het land op achterstand te zetten. Ze herroepen milieumaatregelen, ze proberen onder het klimaatakkoord van Parijs uit te komen, wat minder makkelijk blijkt dan ze dachten maar wat wel hun vaste voornemen blijft; ze willen van het nucleaire akkoord met Iran af, wat een ramp zou zijn als het gebeurt. Ze trekken arbeidsovereenkomsten in en nemen enorm veel maatregelen die niet door het Congres hoeven te worden goedgekeurd. Daar moet je op letten. Trump heeft geen succes gehad met zijn grote beloftes, maar zelfs in het Congres zijn al heel wat regelingen afgeschaft.’
Dat Donald Trump geen enkele ideologie heeft, maakt hem toch juist flexibel genoeg om akkoorden te sluiten met de Democraten?
‘Dat was een belangrijk moment, maar alleen maar een moment. Afgezien van het schuldenplafond, dat enkel uitstel is, is er nog niets bereikt. We hebben zelfs nog geen akkoord om de Dreamers [de 800.000 migranten die als minderjarigen in de VS zijn gekomen en onder Barack Obama werden geduld] in de Verenigde Staten te laten blijven. Er is meer lawaai dan dat er concrete resultaten zijn.’
Is dit niet het begin van een driehoeksverhouding?
‘Nee.’
Een nieuw begin?
‘Nee. De pers heeft het al tien keer over een nieuw begin gehad. Deels omdat de mensen zouden willen dat er een kwam. We zijn niet gewend aan dit abnormale gedrag, we zijn niet gewend aan dit ontkennen van de realiteit en dit onvermogen om de feiten en de realiteit onder ogen te zien. Het is ongebruikelijk. We kunnen onderling van mening verschillen over fundamentele partijstandpunten, maar we hebben nog nooit een president gehad die zo slecht voorbereid was, zo slecht geïnformeerd en zo weinig geïnteresseerd in het werk van de regering, die hij niet eens op de noodzakelijke sterkte heeft gebracht. Dat is voor ons een blijvend en belangrijk probleem.’
‘Ik denk dat de pers agressief moet zijn omdat de andere kant, de rechterflank van de pers, ook erg agressief is’
De pers is erg agressief tegen Donald Trump. Worden de tegenkrachten daardoor versterkt, of verzwakt het juist de democratie?
‘Als je net als ik vindt dat hij een groot gevaar is voor de eenheid van het land, voor belangrijke onderwerpen als klimaatverandering en dat hij onverantwoord met kernwapens dreigt – en zo kan ik nog wel even doorgaan – dan moet je wel agressief worden. Tijdens zijn campagne was de pers dat nog niet. Ze waren het tegen mij over een onderwerp dat in hun ogen geen fout was maar een schandaal [het gebruik van haar persoonlijke e-mailbox toen ze minister van Buitenlandse Zaken was], maar niet tegen hem. Dat is een van de redenen waarom hij de volksstemming heeft verloren en toch verkozen is. Ik denk dat de pers agressief moet zijn omdat de andere kant, de rechterflank van de pers, ook erg agressief is.’
In uw boek schrijft u dat ‘Bernie Sanders deed alsof hij het monopolie op politieke zuiverheid had’. Hoe kun je kiezers in beweging krijgen zonder ze een droom voor te spiegelen?
‘Ik vind het heel goed dat hij bepaalde belangrijke onderwerpen aan de orde heeft gesteld, maar ik ben het niet eens met de manier waarop hij de problemen wil oplossen. Ik ben voor een collectieve ziekteverzekering, maar er zijn andere manieren om dat te realiseren dan hij voorstelde. Hij is geen Democraat, en hij heeft bij de slotronde van de verkiezingen het Democratische belang niet voor ogen gehouden. Toen ik in de eerste ronde van 2008 nipt van Barack Obama verloor, heb ik hem onmiddellijk gesteund. Ik ben onmiddellijk voor hem aan het werk gegaan en heb tegen mijn partijgenoten gezegd dat ze dat ook moesten doen. Bernie heeft dat nagelaten. Hij sprak een bepaald deel van de kiezers aan, hij is iemand die respect verdient, maar ik heb kritiek op zijn houding tijdens de campagne.’
Bernie Sanders zegt dat hij de Democratische Partij in een progressieve partij wil veranderen. Wat vindt u daarvan?
‘Hij zou zich weer bij de Democratische Partij moeten aansluiten als hij die wil veranderen. Kritiek leveren vanaf de zijlijn is makkelijk, maar als je de partij echt wilt veranderen – ik denk dat mijn man dat heeft gedaan, ik denk dat Barack Obama dat heeft gedaan en Ronald Reagan heeft de Republikeinse Partij veranderd – dan moet je betrokken zijn en laten zien welke kant je op wilt. Hij levert kritiek vanaf de zijlijn. We moeten naar hem luisteren als we denken dat het ter zake doet, maar niet als dat niet zo is.’
Heeft hij niet gelijk als hij zegt dat de Democratische Partij na het verlies van het Huis van Afgevaardigden, de Senaat en het Witte Huis niet meer functioneert?
‘Hij heeft geen enkel bewijs dat zijn eigen manier wel werkt. Ik heb hem met vier miljoen stemmen verslagen, het was geen kantje boord. En de mensen die hij heeft gesteund hebben niet gewonnen. Ja, de Democratische Partij moet meer doen om haar kiezers in beweging te krijgen en te motiveren, want onze kiezers zijn vaak minder makkelijk in beweging te krijgen dan de Republikeinse. Ze wonen in de grote steden en aan de kusten. Ze maken deel uit van de toekomst en niet van het verleden.
Je kunt discussiëren zoveel je wilt over hoe we er over vijf, tien of vijftien jaar voor moeten staan. Maar op dit moment proberen de Republikeinen 32 miljoen mensen hun ziektekostenverzekering te ontnemen. Dat wil ik voorkomen. Ik heb het niet over toekomstambities of over een of andere revolutie. Ik heb het over 32 miljoen mensen die hun ziektekostenverzekering kunnen verliezen, die ziek kunnen worden en daardoor kunnen sterven. Dat is een verschil van prioriteiten.’
Is er op de lange termijn een echt probleem voor de progressieven om weer aan de macht te komen?
‘Er is een probleem, maar ik zou het anders omschrijven. Tijdens de verkiezingen in Frankrijk heeft Macron, iemand van het midden, het zowel tegen links als rechts opgenomen. Ik denk altijd dat als je mensen voor je zaak wilt winnen, je maar het beste centrum-rechts of centrum-links kunt zijn. Maar een van de problemen is dat de rechtse pers vaste voet aan de grond heeft gekregen in ons land. We hebben een rechtse televisiezender, Fox News, die enorm veel invloed op de kiezers heeft en hen richting Republikeinen stuurt. Ze pretenderen totaal niet objectief te zijn, alles wordt bepaald door de politieke agenda van rechts. Er zijn andere groeperingen die propaganda bedrijven, zoals Breitbart, en dat doen ze heel doeltreffend. We hebben een “mainstream”-pers die nog maar net wakker wordt en ontdekt hoe moeilijk het is om zich tot de feiten te beperken, om objectieve informatie en bewijzen te leveren. Dat is een zeer groot probleem.
De consolidatie van de macht in steeds minder handen is problematisch. Net als het gebruik van culturele argumenten. Op wie steunde de Brexit? Op mensen die tegen immigratie zijn. Het was één grote leugen. De mensen dachten dat zelfs als zijzelf geen last van immigranten hadden, er ergens anders wel iemand moest zijn die dat wél had. En in ons eigen land heeft Trump meteen de aanval op de immigranten geopend. Dat was voor een bepaald deel van het electoraat een zeer effectief middel.
Ik geloof niet dat het zo eenvoudig is om een diagnose te stellen. De remedie is duidelijk dat je je werk zo goed mogelijk moet doen.’
U hebt gezegd: ‘Mijn kiezers zijn kiezers van de toekomst en die van de Republikeinen zijn kiezers van het verleden’…
‘Ja. De campagneslogan van Donald Trump was “Make America Great Again”. Dat was een beroep op de nostalgie, een oproep aan degenen die zich zorgen maakten over bepaalde groepen, zoals zwarten, latino’s, vrouwen, mensen van de LHBT-gemeenschap. Dat was bepaald niet subtiel. Een rechtstreekse oproep aan blanke kiezers. “Make America Great Again” betekent: we keren terug naar de tijd waarin u niet hoefde te concurreren met zwarten, immigranten of vrouwen.’
De Republikeinen weten wat ze doen, en we maken een vergissing als we zeggen dat ze misschien wel gelijk hebben, dat je frivoliteiten als vrouwenrechten en burgerrechten vaarwel moet zeggen
Hebben ze vanuit hun standpunt bezien niet gelijk?
‘Ja, maar dat spelletje gaan we niet meespelen. Dat is niet wat we zijn, dat is geen manier om Amerika te beschermen, daarom hebben we niet voor burgerrechten, vrouwenrechten en rechten van homoseksuelen gestreden.’
Gaat die strijd niet veel te ver, bijvoorbeeld op de universiteiten?
‘Steeds verder gaan op het gebied van de mensenrechten, dat is iets waarop ik me laat voorstaan. Over economische en sociale gerechtigheid ben ik duidelijk geweest. Op geen van beide gebieden doe ik een stap terug. Een van de redenen waarom ik de verkiezing heb verloren, is het feit dat er kiezers van stemming zijn uitgesloten. De Republikeinen zijn niet achterlijk. Ze hebben geprobeerd Afro-Amerikanen en jongeren het stemrecht te ontnemen, de stemmen van de toekomst, zou ik zeggen, omdat ze weten dat ze die kiezers niet voor zich kunnen winnen. Als ze tweehonderdduizend kiezers uitsluiten in Milwaukee, Wisconsin, is het moeilijk voor me om te winnen. Als ze niet worden uitgesloten in Illinois of Minnesota, stemmen ze op mij.
De Republikeinen weten wat ze doen, en we maken een vergissing als we zeggen dat ze misschien wel gelijk hebben, dat je frivoliteiten als vrouwenrechten en burgerrechten vaarwel moet zeggen. Want wat moeten we dan? Op nostalgie kunnen we ze niet beconcurreren. Die hebben ze zich al toegeëigend. We moeten ons werk beter doen door een betere toekomst te bieden. Ik zou hebben gewonnen als ik die e-mailaffaire niet had gehad. Ik heb drie miljoen stemmen meer gekregen, ik heb de toekomst gewonnen, een coalitie die is gebaseerd op economische en sociale gerechtigheid. We zullen niet winnen door de Republikeinen te kopiëren.’
Wat is uw antwoord op de dubbele angst, de economische angst en de culturele angst van de rednecks en de hillbillies, de blanken die zich achteruitgezet voelen?
‘Daar heb ik op geantwoord, maar de pers heeft er niet over gesproken. De pers heeft drie keer zoveel over mijn e-mails gesproken als over mijn voorstellen. Ik was de enige die met een plan van 30 miljard dollar voor de mijnregio’s kwam, voor al die mijnwerkers. Ik verwijt ze niet dat ze daar niet van op de hoogte waren. Ik heb erover gepraat, ik heb erover geschreven, ik heb mijn best gedaan om de boodschap over te laten komen, maar die heeft hen niet bereikt. Er is me verweten dat ik tijdens de campagne tegen de mijnwerkers heb gezegd dat ze hun baan zouden verliezen, maar iedereen die er die dag bij was weet precies wat ik bedoelde, dat de markt nu eenmaal in ontwikkeling is, dat er concurrentie zal komen van schaliegas, van zonne-energie, van windenergie. Bovendien hebben mijn tegenstanders mijn voorstellen misbruikt met behulp van de Russen, die mijn woorden op de sociale netwerken verdraaiden om er vervolgens tegen te protesteren. Dat hadden we niet voorzien, we waren er niet op voorbereid, niet voldoende beschermd. We waren slachtoffer van een nieuwe vorm van destabilisering van onze democratieën. De Koude Oorlog hebben we gewonnen, maar de digitale oorlog zijn we aan het verliezen. Voor de Russen gaat het om het volgende aanvalsdoel in hun campagne tegen de democratieën, de NAVO, de Europese Unie, de Amerikaanse stabiliteit… Hier hebben ze gewonnen. In Frankrijk is men er goddank in geslaagd ze tegen te houden, en ik denk dat Merkel ze ook wel zal kunnen tegenhouden.’
Hebt u geen isolationistische reflex gevoed door u te verzetten tegen het vrijhandelsverdrag met de landen rond de Stille Oceaan?
‘Nee, ik was minister van Buitenlandse Zaken toen dat project werd gelanceerd en er waren elementen die ik onmisbaar achtte maar die ontbraken in de eindversie. Ik kon het dus niet steunen, en daar heb ik geen enkele spijt van. Het “discours” tegen mondialisering was een van de hoofdthema’s van Trump, ook al zijn het bij hem tegenwoordig veel woorden en weinig daden. Er is een stemming in het land, vooral in de industrie, die – opnieuw – van nostalgie getuigt; de mensen hebben het idee dat iedereen tegen hen is, vooral op het platteland.
Tweederde van de Amerikaanse rijkdom komt uit regio’s waar ik heb gewonnen. Maar het grote probleem van de vernietiging van banen houdt verband met automatisering, met robotisering en kunstmatige intelligentie. Miljoenen mensen zullen hun werk verliezen. Laten we de zelfrijdende auto, op het eerste gezicht een interessant idee, als voorbeeld nemen: dat zal gevolgen hebben voor vrachtwagenchauffeurs, taxi’s en zelfs Uberchauffeurs. Wat kunnen we daaraan doen? Hoe kunnen we die mensen economische kansen en bestaanszekerheid bieden? Daar zouden we op dit moment over moeten discussiëren, maar dat gebeurt niet.’
Is u iets positiefs bijgebleven uit de toespraak van Donald Trump tot de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties?
‘Nee, die toespraak was somber, gevaarlijk en egoïstisch. Hij heeft de Verenigde Staten van een deel van hun morele, politieke en strategische leiderschap beroofd. Hij heeft geschillen aangewakkerd die volstrekt onnodig waren, vooral over het nucleaire programma van Iran, wat kan uitlopen op twee nucleaire crises in plaats van één, met Noord-Korea én met Iran.
Veel mensen proberen dat te voorkomen, maar daar dreigt hij zich niets van aan te trekken. Zoals hij zich uitliet over vluchtelingen was wreed: mensen, met name vrouwen en kinderen, verwijten dat ze gebieden verlaten waar ze ten prooi zijn aan oorlog en geweld. Het hameren op soevereiniteit is rechtstreeks aan het taalregister van Poetin ontleend. Hij is er 21 keer op teruggekomen. Het is zoals wanneer neonazi’s een optocht houden uit naam van bloed en bodem. Het is een zeer nationalistisch idee, zeer defensief. Als hij zegt dat hij de democratie niet wil exporteren, bedoelt hij eigenlijk dat die ook niet “je dat” is.
De VS en Frankrijk hebben allebei een revolutie ontketend omdat men geloofde in iets dat belangrijker is dan soevereiniteit, bloed en bodem of nationalisme. Wij geloven in de rechten van de mens en in de universele verklaring daarvan, wij geloven dat je je stem kunt verheffen om overal op de wereld mensen te verdedigen, opdat zij op hun beurt ook hun stem verheffen. Dat hebben we over het algemeen goed gedaan. Heeft dat geld gekost? Hebben we fouten gemaakt? Natuurlijk! Maar moet je daarom alles maar cynisch uit het raam kieperen? Moet je er daarom maar niet meer over praten? Dat zou een verschrikkelijk verlies betekenen voor de Amerikanen die wij zijn.’
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Volgens Ekim Alptekin, voorzitter van de Turks-Amerikaanse Kamer van Koophandel, zal Donald Trump Turkije steunen tegen de Koerden.
U hebt gezegd dat u de Turks-Amerikaanse betrekkingen liever met Donald Trump onderhoudt. Waarom?
‘Ik heb in de Turks-Amerikaanse gemeenschap campagne gevoerd voor Donald Trump omdat ik ervan overtuigd ben dat hij nuttiger zal zijn om de banden tussen onze twee landen te versterken. De Turks-Amerikaanse relatie berust op politieke en militaire samenwerking. Maar de regering-Obama heeft zich tegen de acties gekeerd die wij voor Syrië hebben voorgesteld, zoals het instellen van een “no-flyzone” om bombardementen door het Syrische leger te voorkomen.’
Maar dat wil nog niet zeggen dat de betrekkingen tussen Turkije en de Verenigde Staten beter zullen zijn met Trump.
‘Als die niet goed zijn, dan komt dat omdat wij het niet eens zijn met bepaalde beleidslijnen van Obama, zoals zijn strategie in Syrië, zijn onvermogen om de betekenis van de staatsgreep van 15 juli snel te onderkennen of zijn gebrek aan bereidwilligheid om de dossiers over de leden van Fetö, de organisatie van Fethullah Gülen, te laten onderzoeken. Bij Trump bespeuren we de wil om de zaken anders aan te pakken. Hij heeft de Turkse regering gefeliciteerd met de manier waarop ze op de staatsgreep heeft gereageerd.’
Qua stijl en visie zien we overeenkomsten met Trump
Trump wil IS vernietigen en een isolationistisch beleid voeren ten aanzien van het Midden-Oosten. Zijn de belangen van Turkije daarmee gediend?
‘Trump was ontegenzeglijk de meest isolationistische kandidaat. Maar het buitenlandbeleid van Obama, dat uit handelen in de coulissen bestaat, heeft rampzalige gevolgen gehad voor de regio. Hillary Clinton is veel oorlogszuchtiger. Maar ze vergissen zich allebei. Wat nodig is, is een Amerikaanse regering die naar haar bondgenoten luistert. De woede van tachtig miljoen Turken uitlokken vanwege een tactische kwestie in een gebiedje in Syrië dat bezet wordt gehouden door twintigduizend leden van de PYD [Democratische Unie Partij], de Koerdische rebellenbeweging, dient geen enkel doel.’
Als de vernietiging van IS een prioriteit is, daar zijn de Koerdische Syriërs al volop mee bezig. Zou Trump zijn steun aan hen kunnen intrekken?
‘De militaire macht van de PYD is niet te vergelijken met die van Turkije. Ik denk dat de regering-Trump er geen seconde aan zal twijfelen dat de twintigduizend manschappen van de PYD niet tegen het Turkse leger zijn opgewassen.’
De regering-Trump zal de samenwerking met Rusland waarschijnlijk willen verbeteren. Dat zou ertoe kunnen leiden dat Assad aan de macht blijft, wat tegen de zin van Turkije is.
‘Dat zal ook tegen de zin van de Verenigde Staten zijn, omdat hun beleid altijd gericht is geweest op een Syrië zonder Assad. Maar we moeten reëel blijven. Als je de driehoek VS-Rusland-Turkije beziet en de huidige en toekomstige leiders in overweging neemt, lijken de perspectieven me vruchtbaarder dan in het geval van een driehoek Clinton-Poetin-Erdogan. Qua stijl en visie zien we overeenkomsten met Trump.’
Dus het isolationisme van Trump zal niet per se slecht zijn voor Turkije?
‘Ik geloof niet dat Trump zich uit het Midden-Oosten zal terugtrekken. Hij zal de feiten onderzoeken en, in samenwerking met zijn partners ter plaatse, alles doen wat nodig is. De regering-Trump zal zich niet aan een grootscheepse militaire interventie wagen, maar de Verenigde Staten zullen militair betrokken blijven, in elk geval totdat IS geneutraliseerd is, en ik denk niet dat ze zware wapens aan de PYD zullen blijven leveren.’
Wat zijn volgens u de overeenkomsten tussen Trump en Erdogan? In hoeverre zullen die de communicatie tussen de twee bevorderen?
‘Het simpele feit dat Trump Clinton niet is zal voor een betere dynamiek zorgen. Erdogan en Trump hebben de gevestigde orde verslagen. Ze hebben de status quo opgeblazen. Ze hebben zich allebei omhooggewerkt.’
Die overeenkomsten kunnen een voordeel zijn, maar ook een probleem, als het misgaat. Ze hebben allebei een sterk karakter.
‘Ik denk dat ze intelligent genoeg zijn om daaroverheen te stappen. Twee leiders met een sterk karakter brengen risico’s met zich mee, maar ik heb liever twee presidenten die felle en authentieke discussies voeren dan mensen die tegen je glimlachen maar waar je niets mee opschiet.’
En het antimoslimdiscours van Trump?
‘De grootste fout die Trump in zijn campagne heeft gemaakt is dat hij de moslims tegen zich in het harnas heeft gejaagd met voorstellen die hij niet meende. Hij heeft zijn excuses aangeboden voor zijn opmerking dat hij geen moslims meer in de Verenigde Staten zou toelaten. Dat was overdreven. Trump is niet tegen moslims, maar tegen de radicale islam. Ik geloof niet dat hij veel van de islam afweet, en een van de mensen die hij over dit onderwerp zal raadplegen, zal Erdogan zijn.’
De Oostenrijkse presidentsverkiezingen, die op 4 december middels een herstemming moeten worden beslist, vertonen grote overeenkomsten met de Amerikaanse, aldus de krant Die Presse.
Hij kon het zonder Jay Z en J.Lo, zei Donald Trump aan het eind van de Amerikaanse verkiezingsstrijd. We do it the old fashioned way. Zoiets had ook Norbert Hofer kunnen zeggen.
Want niet alleen Amerikaanse celebrity’s als rapper Jay Z of zangeres en actrice Jennifer Lopez zetten zich in voor Hillary Clinton, maar vrijwel het gehele establishment en vooral de artistieke elite. Voor Trump zat er weinig anders op dan zich te presenteren als kandidaat van het gewone volk. Zoals Norbert Hofer dat ook in Oostenrijk doet – of doen moet.
Als er één parallel tussen deze beide verkiezingen bestaat, dan is het wel deze: aan de ene kant zijn er kandidaten (Hillary Clinton en Alexander van der Bellen) die door een brede coalitie van het maatschappelijke midden, maar ook van de maatschappelijke elites werden en worden gesteund. Aan de andere kant de buitenstaanders die geen grote namen achter zich hebben en in plaats daarvan verbonden zijn met het ‘gewone volk’.
Deze bijna een jaar oude moeder aller verkiezingsstrijden heeft nogal wat gevergd van de kandidaten
Een rol die Donald Trump en Norbert Hofer door de omstandigheden werd opgedrongen, maar ook door hen bewust gekozen werd. Want natuurlijk maken ook de miljardair Donald Trump en de derde voorzitter van de Oostenrijkse Nationalrat [de Tweede Kamer], Norbert Hofer, deel uit van het establishment van hun land. Maar niet van de wereldbeschouwelijke mainstream waartoe de meerderheid van opinievormers behoort, die er een soortgelijke culturele levensstijl, een soortgelijke politieke denkwijze op nahouden.
De Weense wijk Leopoldstadt ligt zo gezien dichter bij het New Yorkse Williamsburg dan bij het in Burgenland gelegen stadje Pinkafeld [waar Hofer opgroeide]. Wat velen in Donald Trump aantrok was de respectloze manier waarop hij omging met (overtrokken) politieke correctheid en de vertegenwoordigers daarvan, die vaak aan bovenstaande karakterisering voldoen.
Maar verder dan deze duidelijke polarisering willen we de vergelijking tussen de Verenigde Staten en Oostenrijk niet doortrekken. De Amerikaanse verkiezingen zijn beslist. De nieuwe ronde voor de Oostenrijkse presidentsverkiezingen staat voor de deur. Althans, daar heeft het alle schijn van. Want ook de recent naar buiten gekomen problemen – kieskaarten [om in het buitenland of per brief te kunnen stemmen] bleken met onjuiste paspoortnummers aangevraagd te kunnen worden – lijken niet zodanig dat ze opnieuw voor uitstel zouden kunnen zorgen.
Desperate koers
Dus zou het moeten lukken om op 4 december een nieuwe Oostenrijkse president te kiezen. Deze bijna een jaar oude moeder aller verkiezingsstrijden heeft nogal wat gevergd van de kandidaten. Alexander Van der Bellen, de intellectueel uit de stad, had heel wat uit te leggen toen de plattelandswortels werden opgerakeld die hij in zijn jonge jaren had achtergelaten in Tirol [hij was in de jaren zeventig lid geweest van de vrijmetselarij]. En Norbert Hofer moest de goedmoedige FPÖ-politicus spelen, wat hem bij de eerste verkiezingen in mei al niet goed af ging. Met zijn uitspraak ‘U zult nog opkijken van wat er allemaal kan’, heeft hij dat beeld zelf voorgoed verstoord. Norbert Hofer leek ineens gevaarlijker dan hij waarschijnlijk is.
Het zal voor de FPÖ toch al moeilijk worden om nog eens – nu voor de derde keer – haar aanhangers te mobiliseren. Dan heeft Van der Bellen het met zijn brede coalitie die maar één doel kent – het voorkomen van een FPÖ-president – gemakkelijker.
De koers die de FPÖ aan het eind van haar verkiezingscampagne voert, maakt dan ook een ietwat desperate indruk. Aan de ene kant probeert de partij haar kandidaat – die immers ook kiezers uit het midden nodig heeft om 50 procent van de stemmen plus 1 te krijgen – een respectabeler aanzien te geven door bezoeken aan het buitenland (zoals aan de Servische president Tomislav Nikolic) of het organiseren van symposia (zoals met Israëlische aanwezigheid ter herdenking van de novemberpogroms) [Kristallnacht, 9 november 1938]. Aan de andere kant gedraagt de partij zich dan weer als een olifant in een porseleinkast: met retoriek over een burgeroorlog of toespraken op manifestaties van radicaal rechts.
Alexander van der Bellen doet vooral aan contrastwerking: een aardige vent, erudiet, geen scherpslijper. Motto: vooral geen fouten maken. Misschien kom je er daarmee ook.
Zondag 4 december kunnen de 6,2 miljoen Oostenrijkse kiesgerechtigden voor de tweede maal dit jaar een nieuwe bondspresident kiezen.
Dat deden zij in mei ook al eens, maar de uitslag van die verkiezing werd op 1 juli door het Constitutionele Hof ongeldig verklaard omdat er van alles was misgegaan met het stemmen per post. De uitslag van die stemronde was nipt in het voordeel van de onafhankelijke kandidaat Alexander Van der Bellen (72), die 50,35 procent van de stemmen kreeg tegen de kandidaat van de ultrarechtse FPÖ, Norbert Hofer (45), die 49,65 procent behaalde.
De verliezende partij tekende protest aan. Na onderzoek werden meer dan 40.000 per brief uitgebrachte stemmen ongeldig verklaard omdat óf de handtekening op het stembiljet ontbrak, óf de stem te vroeg op de post was gedaan, óf in een verkeerde envelop was verstuurd (er waren door het ministerie van Binnenlandse Zaken duizenden stembiljetten verstuurd zonder retourenvelop).
Opmerkelijk is wel het verschil in toon tijdens de debatten. Die was in de eerste ronde buitengewoon onhoffelijk, maar Hofer probeert zich ditmaal salonfähig te gedragen
Aanvankelijk was de datum voor de reprise op 2 oktober gesteld, maar dat bleek praktisch niet haalbaar. In de nieuwe peilingen ontlopen beide kandidaten elkaar weer niet veel. Sommige geven Hofer een lichte voorsprong, andere Van der Bellen. Opmerkelijk is wel het verschil in toon tijdens de debatten. Die was in de eerste ronde buitengewoon onhoffelijk, maar Hofer probeert zich ditmaal salonfähig te gedragen en heeft ook sommige standpunten gewijzigd. Zo bepleit hij ditmaal niet een onmiddellijke Öxit: ‘Het Europese project is bij lange na nog niet mislukt,’ luidde onlangs zijn verrassende uitspraak in een televisiedebat.
Deze serieuze krant is opgericht in 1848 en richtte zich op industriëlen in de conservatief-christelijke hoek. Nog steeds noemt Die Presse zich ‘de krant van de elite’.
Hoe kan het dat politici die een loopje nemen met de waarheid toch zo succesvol zijn? Het Duitse weekblad Die Zeit zet een aantal oorzaken op een rij.
Een van de grootste rariteiten van de Brexit-campagne was het verhaal van de 350 miljoen pond. Volgens voorstanders van de uittreding maakte Groot-Brittannië dat bedrag wekelijks over aan de EU. De campagnevoerders zetten die bewering als reuzenslogan op de knalrode bus waarmee ze door het land reden. Het bedrag klopte niet, want als rekening wordt gehouden met de korting die de Britten krijgen en het geld dat Brussel weer naar Londen overmaakt, beloopt de bijdrage rond 136 miljoen pond, nog niet eens de helft dus. Maar de bus reed gewoon door.
De weinige voorstanders van Brexit die de moeite namen te reageren op de kritiek goten het bedrag in een ietwat andere vorm. Ze hadden het dan over 50 miljoen pond… per dag. Het was dezelfde onwaarheid in een nieuw jurkje.
Hoe is het mogelijk dat deze en tal van andere onwaarheden de campagne kennelijk geen schade hebben gedaan? Het antwoord op die vraag is niet zozeer interessant omdat de keuze voor een Brexit er afdoende mee te verklaren zou zijn. Er waren andere en betere gronden om voor de uittreding te stemmen. Het zou verkeerd zijn om te suggereren dat de ja-stemmers te onnozel waren om de juiste keuze te maken. Dat zou dezelfde verwaande houding zijn als die van de liberale EU-profiteurs, die de woede op de EU juist heeft doen toenemen. Nee, het is niet de bedoeling om de voorstanders van de uittreding met terugwerkende kracht onmondigheid toe te dichten, maar om te begrijpen waarom leugens politici geen schade meer doen. Het antwoord is tevens interessant omdat de vraag niet alleen in Groot-Brittannië rijst, maar ook in de VS, in Duitsland en eigenlijk in alle landen die zich lange tijd op hun gezonde democratische verstand hebben laten voorstaan.
In 2003 stelde het Pentagon alles in het werk om te verhullen dat de “feiten” waarmee de inval in Irak werd gerechtvaardigd helemaal geen feiten waren
Een groot deel van Donald Trumps verkiezingsstrijd steunt op onware uitspraken. De criminaliteit neemt toe, Hillary Clinton gaat alle gevangenen vrijlaten, de VS betaalt miljarden aan de NAVO, de Amerikaanse regering helpt illegale immigranten het land in, Barack Obama wil 250.000 Syriërs opnemen. Deze uitspraken zijn aantoonbaar onwaar, de meeste zelfs ver bezijden de waarheid. Maar ze schaden Trump niet. Evenmin schaadt het de Alternative für Deutschland (AfD) wanneer die een complete campagne voert op basis van de onware uitspraak dat de Bondsregering het baar geld wil afschaffen. Al deze uitspraken hebben gemeen dat ze de verwachtingen bevestigen van de mensen die als kiezers moeten worden gewonnen. En mensen vinden het fijn als ze in hun verwachtingen worden bevestigd. Wie vanuit Brussel toch al niet veel goeds verwacht, slikt nieuwe beschuldigingen voor zoete koek. De ontvankelijke geest maakt de onwaarheden tot een succes.
Interessant genoeg zijn het dezelfde hoofdrolspelers die om het hardst beweren dat alleen zij de waarheid vertellen en dat alle anderen liegen. ‘Mut zur Wahrheit’ is de slogan van de AfD, ‘Leugenachtige Ted’ noemde Trump zijn rivaal Ted Cruz, die op zijn beurt zijn autobiografie de titel A Time for Truth gaf.
‘Waarheid’ is zo tot een strijdwapen geworden en feiten zijn niet meer de norm in openbare debatten. Daarmee lijkt een einde te komen aan een tijdperk dat zeker al sinds de Verlichting loopt en waarvan het paradigma al in de middeleeuwen is ontstaan: het tijdperk van de feiten is voorbij.
Hoe is het allemaal begonnen? Het is interessant om terug te kijken hoe de heerschappij van de feiten is ontstaan. De historica Jill Lepore van Harvard University en de politiek econoom Will Davies (University of London) hebben er beiden lezenswaardige verhandelingen over geschreven. Lepore herinnert eraan hoe de mens heeft gediscussieerd en gestreden alvorens feiten beslissend werden, waarbij ook het gebruik van wapens niet werd geschuwd. Eerst in zogenaamde gerechtelijke tweegevechten en later in duels trad men tegen elkaar in het strijdperk – en wie won, had gelijk. De uitkomst was de motivatie van het oordeel. De hogere instantie was God, iets bovennatuurlijks dat uitmaakte welke sterfelijke moest winnen.
Vervolgens wilden de mensen zelf een besluit nemen. In 1215 schafte de kerk het gerechtelijke tweegevecht af en voerde Engeland met de Magna Charta het ‘wettelijk oordeel’ in. In plaats van het mysterieuze goddelijke oordeel telde vanaf dat moment de door mensen waarneembare realiteit, het bewijs. De regel werd omgedraaid: niet meer wie won had gelijk, maar wie gelijk had won. Mensen werden op basis van bewezen daden veroordeeld en debatten werden op basis van feiten gevoerd.
Een feit is alles wat kan worden waargenomen en ondubbelzinnig is. Feiten moeten voor iedereen gelijk zijn om als basis voor debatten te kunnen dienen. Daarvoor zijn twee dingen nodig. Ten eerste neutrale instellingen die volgens uniforme maatstaven werken en de feiten leveren. Lange tijd waren dat de overheidsbureaus voor de statistiek en de universiteiten. En wat nog belangrijker is: het tijdperk van de feiten heeft mensen nodig die gebruikmaken van hun verstand. Bij twijfel moet iedereen in staat en voornemens zijn om uitspraken op plausibiliteit te toetsen. Zijn ze in tegenspraak met andere plausibele uitspraken of met wat ik met mijn zintuigen als realiteit waarneem?
De heerschappij van de feiten is natuurlijk altijd een ideaal gebleven, want helemaal verwezenlijkt is zij niet. Net als iedereen verdraaiden politici feiten in hun voordeel en soms logen ze zelfs. Maar ze mochten er niet op worden betrapt. In 2003 stelde het Pentagon alles in het werk om te verhullen dat de ‘feiten’ waarmee de inval in Irak werd gerechtvaardigd helemaal geen feiten waren. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, die deze leugens in de vergadering van de VN vertelde, werd ontmaskerd, en daarmee was zijn politieke carrière ten einde.
The Huffington Post telde in een één uur durende toespraak van Trump 71 als feiten gepresenteerde onwaarheden
Tegenwoordig lijkt liegen minder gevolgen te hebben. The Huffington Post telde in een één uur durende toespraak van Trump 71 als feiten gepresenteerde onwaarheden. Dit absurd hoge aantal wijst erop dat Trump, anders dan Powell, helemaal niet meer de pretentie heeft om zich aan de feiten te houden. En het maakt hem niets uit als hij wordt betrapt. ‘Calling bullshit’ noemen de Amerikanen dat: de kletspraat als zodanig benoemen. Bij PolitiFact en Politico, maar ook bij The Washington Post en The New York Times zijn journalisten actief om uitspraken van politici te verifiëren. Het zijn de schoonmaakploegen, die het publieke debat van halve waarheden en complete leugens proberen te zuiveren. Het is een ondankbare taak. Enerzijds omdat het zo veel eenvoudiger is om met modder te gooien dan om die weg te poetsen. En anderzijds omdat de feitencontroleurs nauwelijks weten door te dringen met hun eerzame betweterijen. Aantrekkelijke onwaarheden die eenmaal de wereld in zijn geholpen, zijn vrijwel niet meer weg te werken. De ‘factcheckers’ van Politico zeggen over hun werk: ‘Behalve politieke diehards schenkt niemand er veel aandacht aan.’
In Duitsland is het niet anders. Het beste voorbeeld zijn de geruchten over vluchtelingen die in de afgelopen maanden de ronde deden. Verkrachtingen, moorden, diefstal: verhalen over criminele vluchtelingen verspreidden zich vooral snel in de turbulentste fase van de crisis in de herfst van vorig jaar – ook al was er in heel veel gevallen weinig tot niets van waar. Namen plaatselijke kranten of het internetproject Mimikama de moeite om de berichten te verifiëren, dan kregen ze voor hun rectificaties nog maar een fractie van de aandacht. Bij tegenstanders van het toelaten van vluchtelingen komt de weerlegging van geruchten vaak niet aan omdat ze op internet altijd alleen maar meer krijgen van wat ze al hebben aangeklikt: meer geruchten over vluchtelingen.
Niet alleen vastberaden populisten bij de AfD, maar ook andere politici nemen het niet meer zo nauw met de feiten. Minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière zei eerder dit jaar dat 30 procent van de vermeende Syriërs in Duitsland helemaal niet uit Syrië kwam. Bewijs hiervoor heeft zijn ministerie nooit kunnen leveren.
Kennelijk zijn de zuilen waarop de heerschappij van de feiten rustte aan het wankelen geraakt.
Op de eerste plaats zijn dat de instellingen die verantwoordelijk zijn voor de feiten. Die zijn gepolitiseerd, zegt de politiek econoom Davies. Als feiten en cijfers de maatstaven in publieke debatten zijn, willen politici en belangengroepen dat zij daardoor worden gestaafd. Elke partij houdt er eigen feitenleveranciers op na en probeert met hun hulp het eigen standpunt een aura van wetenschappelijke onaantastbaarheid te verlenen. Uiteindelijk ziet de politiek eruit als een ‘wetenschappelijke oefening’, schrijft Davies: een aaneenschakeling van probleemscenario’s waarvoor telkens een optimale oplossing is. Die moet je alleen maar zien te vinden, met behulp van zo veel mogelijk informatie. Daarvandaan is het nog maar een kleine stap naar een politiek ‘zonder alternatief’, zoals Angela Merkel die beroemd heeft gemaakt. Zo heeft de politiek de wetenschap gepolitiseerd en verzwakt, stelt Davies. ‘Evidence based politics, op bewijs gestoelde politiek, is er al te lang om nog zomaar voor lief te worden genomen. De mensen begrijpen dat het vaak een hoop op politiek gestoeld bewijs betreft.’
Genoeg van deskundigen
Nu was de wetenschap nooit onschuldig. De nazi’s misbruikten al wetenschappelijke en pseudowetenschappelijke inzichten om hun vernietigingen te motiveren. Nieuw is dat de wetenschappers inmiddels al zo in diskrediet lijken te zijn gebracht dat veel mensen hen principieel niet meer geloven. In het debat rond Brexit werd dat een probleem voor de Remain-campagne. ‘Wanneer de tegenstanders van uittreding met hun feiten, voorspellingen en modellen kwamen, hoopten ze dat die zouden worden ontvangen als iets wat buiten het politieke gekissebis stond,’ schrijft Davies. Ze hoopten nog op de neutrale autoriteit van de feiten.
Maar juist de economie, het terrein waarop de voorstanders van de EU verondersteld werden de duidelijkste voordelen te hebben, geldt nauwelijks nog als apolitieke wetenschap. Wie zich tegenwoordig op het IMF beroept, zoals ook de tegenstanders van Brexit deden, plaatst zichzelf vooral politiek gezien in het kamp van het mondiale financiële liberalisme. Zo ontstond uit de feiten die de tegenstanders aanvoerden in de ogen van veel kiezers opnieuw een vooringenomen verhaal: even waar als dat van de tegenpartij, alleen droger en bovendien meer belerend. De Conservatieve politicus Michael Gove, een van de belangrijkste voorstanders van Brexit, vatte het aldus samen: ‘Het Britse volk heeft genoeg van deskundigen.’
De teloorgang van de feiten heeft twee tegengestelde spirituele stromingen van de afgelopen decennia in de hand gewerkt. Aan de ene kant het religieuze fundamentalisme: de waarheid kan alleen van God komen. En aan de andere kant het academische postmodernisme, waarvoor zoiets als een objectieve waarheid toch al niet bestaat, omdat realiteit door taal tot stand wordt gebracht. Religieuze fundamentalisten en linkse academici zijn het erover eens ‘dat empirie een misvatting is’, zoals Lepore het formuleert.
En dan het internet. Nee, dat is niet schuldig aan de Brexit. Het maakt alleen de verspreiding van de bullshit eenvoudiger en de controle lastiger. Op internet verspreiden de luidruchtigste, emotioneelste berichten zich het snelst, ongeacht of ze inhoudelijk kloppen. Bovendien staat elk bericht op zichzelf, en als dat elders wordt weerlegd, worden andere lezers bereikt. Blogger en auteur Sascha Lobo schrijft: ‘De publieke opinie op internet in de huidige vorm heeft geen geheugen, maar laat zich leiden door overhaaste, emotionele reacties. Daarmee ontbreekt de afstemming met feiten of eerdere uitlatingen.’ Bovendien, zo stelt Lepore, zijn we er zo aan gewend geraakt kant-en-klare kennis van internet te halen (Wikipedia!) dat we verleren om de uitspraken te toetsen op plausibiliteit. Zo raakt de tweede zuil aan het wankelen: die van het verstand.
Het is niet de zaak van financiële markten en bookmakers om de waarheid te laten zien, maar om stemmingen weer te geven
Lepore en Davies kondigen daarom een nieuw tijdperk aan, dat van de data. Die onderscheiden zich van feiten doordat ze zowel juist als onjuist kunnen zijn. Die data zwerven over het net. Ze worden niet meer geverifieerd volgens uniforme maatstaven, maar door computers verzameld en beschikbaar gemaakt. De computers maakt het niet uit wat hun data over de werkelijkheid zeggen – en de gebruikers, wij dus, inmiddels ook niet meer.
Opnieuw is de Brexit een goed voorbeeld: in de dagen vóór het referendum keek het publiek naar de data van de valutamarkten en bookmakers om een vermeende realiteit over de stemming in het land af te lezen. Terwijl die data heel iets anders weergaven: de noteringen gaven aan hoe goed de gokkers de inschattingen van de opiniepeilingen voorafgaand aan de stemming vonden. En de valutakoersen lieten alleen zien hoe de beleggers dachten over hoe de Britten dachten. Het waren geen feiten, maar meningen over meningen. Davies schrijft over financiële markten en bookmakers: ‘Het is niet hun zaak om de waarheid te laten zien, maar om stemmingen weer te geven.’ Als deze op data gebaseerde stemmingsnoteringen zelf centraal komen te staan in de publieke opinie, dan heeft die een probleem. Dan is de publieke opinie namelijk meer bezig met de duiding van de realiteit dan met de feiten die deze realiteit vormen.
Bij de debatten tijdens de voorverkiezingen in de VS trad dit fenomeen nog duidelijker aan het licht. Terwijl de kandidaten nog op het podium stonden, kon er online worden gestemd: wie had er gewonnen? Die resultaten, die meningen dus, werden na de debatten zelf bepalend nieuws. Wie de meeste stemmen had gekregen, was de winnaar van het debat. De vraag wie er gelijk had, kwam op de tweede plaats te staan. Net als bij het gerechtelijke tweegevecht in de middeleeuwen of bij een ruzie over een schepje in de zandbak. ‘Dat is wat de mensen bedoelen als ze zeggen dat deze debatten kinderachtig zijn’, schrijft Lepore.
In Groot-Brittannië heeft het Brexit-kamp de strijd gewonnen. En wat nu? De winnaars laten hun gezwets van gisteren voor wat het is. De ochtend na de verkiezingen vroeg een televisiejournaliste naar de omineuze 350 miljoen pond. De ‘Leavers’ hadden beloofd het geld in het nationale zorgstelsel te steken. Maar Nigel Farage wilde daar niets meer van weten. ‘Dat was een van de fouten die in de Leave-campagne zijn gemaakt,’ zei hij. Een fout die hem kennelijk pas na de verkiezingen was opgevallen. En zijn medestrijder Iain Duncan Smith zei over de belofte: ‘We zijn nooit verplichtingen aangegaan. De beloften die we hebben gedaan, waren slechts mogelijkheden.’
Zo worden toezeggingen behendig ingetrokken en zijn er in plaats van feiten en realiteit alleen nog maar vrijblijvende uitlatingen. Dus alles klopt. Of toch ook weer niet.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Mocht Hillary Clinton in november president worden, dan zal ze waarschijnlijk een veel agressiever buitenlandbeleid voeren dan Barack Obama. En misschien zelfs wel dan Donald Trump. Mark Landler, Witte Huisverslaggever voor The New York Times, beschrijft waar die militaire angehauchtheid vandaan komt.
Hillary Clinton zat thee te drinken in de goed verstopte werkkamer van haar officiële kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken en maakte de balans op van haar eerste ambtsjaar. De werkkamer had meer iets van een huiskamer – gezellig door de houten lambrisering en de boekenplanken vol aandenkens aan haar drie decennia in het openbare leven: een beeldje van haar heldin Eleanor Roosevelt, een honkbal met de handtekening van sterspeler Ernie Banks van de Chicago Cubs, een houten figuurtje van een zwangere Afrikaanse vrouw. De intieme sfeer leende zich voor een minder formeel interview dan de gebruikelijke locatie, haar imposante officiële kantoor met zijn marmeren haard, dikke gordijnen, kristallen kandelaar en rijkelijk versierde wandlampen. Maar op de ochtend van 26 februari 2010 praatte Clinton over iets gevoeligers dan buitenlandse zaken: haar relatie met Barack Obama. Zeggen dat ze haar woorden met zorg koos is een understatement. Ze leek op iemand van de explosievenopruimingsdienst die moest beslissen welke kleur draad ze moest doorknippen zonder haar relatie met het Witte Huis op te blazen.
‘Ik denk dat we een uitstekende onderlinge verstandhouding hebben opgebouwd over alles wat je je kunt voorstellen,’ zei Clinton over de man die ze tijdens de campagne in 2008 nog had afgeschilderd als naïef, onverantwoordelijk en totaal ongeschikt voor het presidentschap. ‘En we hebben een aantal interessante en zelfs ongebruikelijke ervaringen opgedaan.’ Ze leunde voorover terwijl ze sprak, gebaarde met haar handen en was goedlachs. Tijdens gesprekken met verslaggevers toont Clinton meer warmte dan Obama, al is de kans dat ze het achterste van haar tong zal laten zien kleiner.
Oorlog en vrede
Clinton begon, zoals zo vaak, over de VN-klimaattop in Kopenhagen van december 2009, die zij en Obama gezamenlijk voor een mislukking hadden behoed. Ze sprak over het vredesproces in het Midden-Oosten, een speerpunt van de president, dat ze nieuw leven moest inblazen. Maar ze had het begrijpelijkerwijs liever niet over onderwerpen waarover Obama en zij van mening verschilden, zoals dat van oorlog en vrede, waar Clintons activistischere houding al op onvoorspelbare manieren in botsing was gekomen met de terughoudendere opstelling van Obama. Ze had generaal Stanley McChrystal gesteund toen deze adviseerde om veertigduizend extra manschappen naar Afghanistan te sturen, om vervolgens genoegen te nemen met een lager aantal van dertigduizend (waarmee Obama akkoord ging, op voorwaarde dat ze in juli 2011 zouden worden teruggetrokken, wat zij als problematisch beschouwde). Ze stond achter het plan van het Pentagon om in Irak aanwezig te blijven met een leger van tien- tot twintigduizend manschappen (iets waartegen Obama zich verzette, voornamelijk omdat hij zich niet van de wettelijke bescherming van de Iraki’s kon verzekeren, iets wat hem zou achtervolgen toen IS een groot deel van het land bezette). En ze drong erop aan dat de VS wapens zouden leveren aan de rebellen in de Syrische burgeroorlog (een idee dat Obama aanvankelijk verwierp, om er later schoorvoetend mee in te stemmen).
Deze fundamentele spanning tussen Clinton en de president zou een wezenskenmerk blijven van haar vierjarige ambtsperiode als minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het eerste regeringsoverleg over Rusland in februari 2009 stelden adviseurs van Obama voor om de VS enkele symbolische concessies aan Rusland te laten doen, als blijk van goede wil. Clinton, die als laatste aan het woord kwam, verwierp het idee met de woorden: ‘Ik ga niet voor niets iets opgeven.’ Haar hardnekkigheid maakte indruk op Robert Gates, de van George W. Bush overgenomen minister van Defensie, die beducht was voor een veranderd Rusland. Hij stelde ter plekke vast dat ze iemand was met wie hij zaken kon doen. ‘Ik dacht: Geen makkelijke tante,’ zei hij me.
Een paar maanden na mijn interview in haar kantoor kwam het tot een nieuw meningsverschil, toen Obama een beveiligde telefoon pakte voor een weekendoverleg met Clinton, Gates en een handvol andere adviseurs. Het was 4 juli 2010, vier maanden nadat Noord-Korea een korvet van de Zuid-Koreaanse marine had getorpedeerd, waarbij 46 opvarenden omkwamen. Nu, na een wekenlang heftig debat tussen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakten de Verenigde Staten zich op om te reageren op deze schaamteloze provocatie. Het aanvankelijke plan – ontwikkeld door James Steinberg, Clintons onderminister van Buitenlandse Zaken – was om het vliegdekschip George Washington naar de kustwateren ten oosten van Noord-Korea te sturen, bij wijze van ongebruikelijk machtsvertoon.
Maar admiraal Robert Willard, de toenmalige bevelhebber in de Grote Oceaan, wilde het vliegdekschip een agressievere koers laten varen, naar de Gele Zee tussen Noord-Korea en China. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken had de VS voor zo’n actie gewaarschuwd, wat voor Willard een reden te meer was om druk te zetten. Hij benaderde chef-staf Mike Mullen, die er op zijn beurt bij zijn baas, de minister van Defensie, op aandrong de route te wijzigen. Gates ging akkoord, maar daarvoor was het wel nodig dat de opperbevelhebber achter een besluit stond dat zowel politieke als militaire repercussies kon hebben.
Gates legde het voorstel om de George Washington naar de Gele Zee te sturen voor, met als argument dat de VS niet de indruk moesten wekken te buigen voor China. Clinton steunde hem krachtig. ‘We moeten doordouwen,’ had ze een paar dagen eerder tegen haar assistenten gezegd.
Maar Obama was niet overtuigd. De George Washington was al onderweg; de koers veranderen was niet een besluit dat je zomaar eventjes nam.
Geharnaste retoriek
Het was niet het laatste debat waarin Clinton aan de kant van Gates zou staan. Het tweetal ontdekte algauw dat ze een midwesterse opvoeding deelden, een voorliefde voor een stevige borrel na een lange werkdag en een diepgewortelde scepsis over de intenties van Amerika’s vijanden. Bruce Riedel, een voormalige veiligheidsanalist die Obama’s aanvankelijke herziening van de oorlogsoperaties in Afghanistan leidde, zegt: ‘Ik denk dat Gates en het leger een beetje verbaasd waren: ze hadden een linkse regering verwacht, en nu ontdekten ze dat ze een minister van Buitenlandse Zaken hadden die nog wat rechtser was dan zijzelf – nog iets gretiger dan zijzelf, tot op zekere hoogte. Vooral op het gebied van Afghanistan, waarvan Gates volgens mij wist dat er meer moest gebeuren, dat er meer troepen naartoe moesten worden gestuurd, terwijl hij tegelijkertijd twijfelde of dat zou werken.’
Nu Hillary Clinton opnieuw een gooi naar het presidentschap doet, kan het verleidelijk zijn haar geharnaste retoriek over de wereld minder als een kernprincipe te beschouwen dan als een uitgekiende politieke manoeuvre. Maar Clintons instincten op het gebied van het buitenlands beleid zitten er stevig ingebakken en zijn gebaseerd op koel realisme en, in de woorden van een van haar assistenten, ‘een standaardkijk op de Amerikaanse uitzonderingspositie’.
Trump heeft niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor militair optreden getoond als Clinton
Daarin verschilt ze van Barack Obama, die militaire verwikkelingen vermeed en de Amerikanen probeerde te verzoenen met een wereld waarover de VS niet langer de onbetwiste heerschappij voerden. En ze zal in dat opzicht waarschijnlijk ook verschillen van de Republikeinse kandidaat die ze bij de algemene verkiezingen tegenkomt. Ondanks zijn grootspraak over het platbombarderen van Islamitische Staat heeft Donald Trump niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor buitenlands militair optreden getoond als Clinton.
‘Hillary behoort duidelijk tot de traditionele gevestigde orde van het Amerikaanse buitenlandbeleid,’ zegt Vali Nasr, die haar op het ministerie van Buitenlandse Zaken adviseerde over Pakistan en Afghanistan. ‘Ze gelooft, net als vorige presidenten, tot Reagan en Kennedy aan toe, in het belang van militair optreden – in het oplossen van het terrorisme, in het laten gelden van Amerikaanse invloed. Obama ging gaandeweg meer op de inlichtingendiensten vertrouwen dan op het leger. Het idee van de inlichtingendiensten was: het enige wat je nodig hebt om af te rekenen met het terrorisme zijn de NSA [de Nationale Veiligheidsdienst] en de CIA, drones en speciale operaties. Zo bood de CIA Obama de mogelijkheid om een havik te zijn zonder het leger te hoeven inzetten.
Republikeinse vader
Anders dan andere recente presidenten – Obama, George W. Bush of haar man, Bill Clinton – zou Hillary Clinton het ambt aanvaarden met een lange staat van dienst op het gebied van de nationale veiligheid. Die staat van dienst kun je op verschillende manieren bekijken, maar het onthullendst is haar decennialange cultivering van het militaire apparaat – niet alleen van ‘burgers’ als Gates, maar ook hoge bevelhebbers, de mannen met de medailles. Haar affiniteit met de strijdkrachten wortelt in de levenslange overtuiging dat een uitgekiend gebruik van militaire macht van wezenlijk belang is voor de verdediging van nationale belangen, dat Amerikaanse interventie meer goed doet dan kwaad en dat de invloedssfeer van de Verenigde Staten zich dient uit te strekken – om Bush te citeren – tot in ‘elke duistere uithoek van de wereld’. Tijdens de bombastische, door testosteron verhitte presidentsverkiezingen van 2016 is Hillary Clinton onverwachts de enige havik die nog in de race is.
Voor wie Clintons biografie kent, kan haar militaire angehauchtheid geen verrassing zijn. Ze groeide op in de woelige nadagen van de Tweede Wereldoorlog, als dochter van een onderofficier van de marine die jonge matrozen trainde voordat ze naar de Grote Oceaan werden verscheept. Haar vader, Hugh Rodham, was een trouwe Republikein en een communistenvreter, en ze nam zijn gezichtspunten over. Ze vertelt vaak over haar meisjesdroom om astronaut te worden, en ze noemt de afwijzingsbrief van NASA de eerste keer dat ze met geslachtsdiscriminatie te maken kreeg. Haar echte reden om zich aan te melden, heeft ze geschreven, was misschien wel het feit dat het haar vader zorgen baarde dat ‘Amerika achterliep op Rusland’.
De politieke bekering kwam later, nadat Vietnam en de jaren zestig over Wellesley College heen waren geraasd, waar ze zich tijdens haar afstudeerplechtigheid uitsprak tegen de gevestigde orde. Maar zelfs in het tumultueuze jaar 1968 was haar overgang van Republikein naar Democraat nog niet afgerond en bezocht ze de conventies van beide partijen. Als Republikeinse stagiaire in Washington vroeg ze die zomer aan Melvin Laird, een Congreslid uit Wisconsin, of het wel verstandig was dat Lyndon B. Johnson steeds verder bij Zuidoost-Azië betrokken raakte.
Na haar rechtenstudie had ze haar merkwaardigste ervaring met het militaire apparaat. In 1975, het jaar waarin ze met Bill Clinton trouwde, bezocht ze een rekruteringsbureau van de marine in Arkansas om te informeren naar de mogelijkheden om dienst te nemen bij de actieve of reservetroepen. Ze was jurist, legde ze uit; misschien kon ze zich op een of andere manier nuttig maken. De rekruteerder, herinnerde ze zich twee decennia later, was een jongeman van ongeveer 21, in optimale lichamelijke conditie. Clinton was op dat moment 27, net overgeplant uit Washington, docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Arkansas en getooid met een bril met jampotglazen. ‘Je bent te oud, je ziet niks en je bent een vrouw,’ zei hij. ‘Misschien wil de landmacht je wel hebben.’
‘Dat was geen erg bemoedigend gesprek,’ zei Clinton tijdens een lunch voor vrouwelijke militairen op Capitol Hill in 1994. ‘Ik besloot toen maar uit te kijken naar een andere manier om mijn land te dienen.’
Sommige journalisten hebben hun twijfels uitgesproken over de waarheid van dit verhaal, dat ze in de herfst van 2015 herhaalde tijdens een ontbijt met kiezers in New Hampshire: er is in elk geval geen concreet bewijs dat het gebeurd is en Bill vertelde in 2008 een andere versie, waarin marine en leger waren omgedraaid. Waarom zou iemand die net een rechtenstudie aan Yale had voltooid en net in het huwelijk was getreden plotseling een uniform willen aantrekken? Haar motieven zijn onmogelijk na te gaan, maar Ann Henry, een oude vriendin uit Arkansas, komt met een theorie: ‘In die dagen probeerden vrouwelijke faculteitsleden uit wat de grenzen waren van carrières die voor vrouwen gesloten leken. Ik denk niet dat het verzonnen is. Zoiets was typisch iets voor haar.’
First Lady
Clintons volgende langdurige contact met het militaire apparaat kwam pas toen ze first lady was, bijna twee decennia later. In het Witte Huis wonen lijkt in veel opzichten op wonen op een militaire compound. Als de president in het Oval Office is, staat voor de West Wing een marinier op wacht. Het medisch centrum en het telecommunicatiesysteem worden gerund door militairen. De marine bestiert de kantine, mariniers transporteren de president per helikopter, de luchtmacht doet datzelfde per vliegtuig. Camp David is een marinefaciliteit. Het dagelijks contact met mannen en vrouwen in uniform, zeggen Clintons vrienden, heeft haar gevoelens voor hen versterkt.
In maart 1996 bezocht de first lady Amerikaanse troepen die in Bosnië waren gestationeerd. De reis werd jaren later berucht toen ze beweerde, tijdens de campagne van 2008, dat ze door scherpschutters was beschoten nadat haar militaire C-17-toestel was geland op een Amerikaanse basis in Tuzla. (Chris Hill, een diplomaat die die dag ook aan boord was, herinnerde zich helemaal geen scherpschutters, alleen kinderen die haar boeketten lentebloemen aanboden.) Maar de goede sfeer tijdens haar rondgang langs de mess en de recreatiezalen was allerminst geveinsd. Met haar tienerdochter naast zich maakte ze grappen en grollen met de jonge mannelijke en vrouwelijke militairen – een ervaring, schreef ze, die ‘blijvende indruk op Chelsea en mij heeft gemaakt’.
Jack Keane, een van de architecten van de inval in Irak, heeft wellicht de meeste invloed op Clinton gehad
Toen Clinton in de Senaat werd gekozen, had ze belangrijke politieke redenen om zich om het militaire apparaat te bekommeren. Het Pentagon zat midden in een langdurig, politiek beladen proces van het sluiten van militaire bases; de staat New York was al geslachtofferd door de sluiting van de luchtmachtbasis Plattsburgh in 1995, waarbij 352 banen verloren gingen. De delegatie van New York was vastbesloten de resterende bases te behouden, met name Fort Drum, de thuisbasis van de 10e Bergdivisie. In oktober 2001, een maand na de aanslagen van 11 september, reisde Clinton naar Fort Drum op uitnodiging van generaal Buster Hagenbeck, die net tot commandant van de divisie was benoemd en een maand later naar Afghanistan zou worden gezonden.
Net als veel officieren met wie ik sprak koesterde hij nogal wat vooroordelen jegens Clinton wegens haar jaren als first lady; de vrouw die die middag rond borreltijd in zijn kantoor verscheen, beantwoordde daar echter niet aan.
‘Ze ging zitten,’ herinnert hij zich, ‘trok haar schoenen uit, legde haar voeten op de salontafel en zei: “Generaal, waar kan ik hier een koud biertje krijgen?”’ Het was het begin van een dialoog die zich over twee oorlogen uitstrekte. In de lente van 2002 leidde Hagenbeck Operatie Anaconda, een zestiendaagse aanval op taliban- en Al-Qaidastrijders in de Shah-i-Kotvallei, de grootste oorlogsoperatie tot dan toe. Toen de generaal terugkwam naar Washington om de verenigde chefs van staven te briefen, nam Clinton hem mee uit eten op Capitol Hill voor haar eigen briefing. Ze spraken ook over de voorbereidingen van de regering-Bush voor een oorlog in Irak, iets wat Hagenbeck met angst en beven volgde. De generaal, zo bleek, was meer een duif dan de senator. Hij waarschuwde haar voor de risico’s van een invasie, die op dat moment in het Pentagon op touw werd gezet. Het zou zijn alsof je een ‘bijenkorf omschopt’, zei hij.
Hagenbeck vergeeft Clinton dat ze in 2002 voor militair ingrijpen in Irak stemde. ‘Dat deed ze weloverwogen,’ zegt hij. ‘En later had ze er spijt van.’ Wat voor hem belangrijker was dan het stemgedrag van Clinton, was haar niet-aflatende openbare steun aan het militaire apparaat, of het nu ging om het beschermen van Fort Drum of het feit dat ze achter hem stond tijdens het eerste moeilijke jaar in Afghanistan.
Clintons opleiding in militaire zaken begon pas echt in 2002, nadat ze door een verpletterende nederlaag van de Democratische Partij tijdens de midterm-verkiezingen enkele plaatsen in senatoriale senioriteit was opgeschoven. De Congresleiders van de partij boden haar een plaats aan in ofwel de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen ofwel de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten. Ze koos voor Strijdkrachten en brak daarmee met een lange traditie van New Yorkse senatoren als Daniel Patrick Moynihan en Jacob Javits, die het prestige van Buitenlandse Betrekkingen verkozen. Strijdkrachten gaat over aardsere zaken als uitkeringen voor veteranen en was lange tijd het domein geweest van Republikeinse haviken als John McCain. Maar na 11 september zag Clinton Strijdkrachten als een betere voorbereiding op haar toekomst. Voor een politica die wilde laten zien dat ze niet voor een kleintje vervaard was – een vrouw die opperbevelhebber wilde worden – was het een perfecte leerschool. Ze stortte zich er met hart en ziel in.
Andrew Shapiro, de toenmalige adviseur buitenlandse zaken van senator Clinton, schakelde tien deskundigen in – onder wie Bill Perry, die minister van Defensie was onder haar man, en Ashton Carter, die uiteindelijk Obama’s vierde Defensieminister zou worden – om haar in alles in te wijden, van algehele strategie tot defensieaankopen. Ze bezocht elke commissievergadering, hoe onbeduidend ook. In 2003 bezocht ze op Thanksgiving Day de troepen in Afghanistan en ze sprak op elke belangrijke militaire basis in de staat New York. Inmiddels – dertig jaar nadat ze door een marinerekruteerder in Arkansas was afgewezen – was Hillary Clinton een militaire doordouwer geworden.
Jack Keane is een van de architecten van de inval in Irak; hij heeft wellicht ook de meeste invloed gehad op de manier waarop Hillary Clinton over militaire kwesties denkt. Keane, een beer van een vent met een vierkante kop en glad Brylcreem-haar, straalt het ultieme zelfvertrouwen uit dat je van een gepensioneerde viersterrengeneraal mag verwachten. Inmiddels is hij een goedbetaald lid van het militair-industriële complex, met bestuursfuncties bij onder andere General Dynamics. Hij is geen man die aarzelt om militair in te grijpen en hij heeft weinig boodschap aan burgers als Obama, die dat wel doen.
Keane leerde Clinton kennen in de herfst van 2001, toen zij net senator was en hij onderbevelhebber van het leger, met een grote staat van dienst in Vietnam, Somalië, Haïti, Bosnië en Kosovo. Hij had verwacht dat ze intelligent, hardwerkend en politiek bedreven zou zijn, maar hij was niet voorbereid op het respect dat ze toonde voor het leger als instituut, of op haar medeleven met de offers die door soldaten en hun families waren gebracht. Keane was ervan overtuigd dat hij een neppoliticus van een kilometer afstand kon ruiken, maar bij haar rook hij niets. ‘Ik heb mensenkennis; dat is een van mijn sterke kanten,’ vertelde hij me. ‘Niet dat ik het nooit mis heb, maar het gebeurt niet vaak.’
Clinton mocht Keane ook onmiddellijk. ‘Ze is dol op die Ierse korzeligheid,’ zegt een van haar Senaatsassistenten, Kris Balderston, die er die dag bij was. Toen Keane na drie kwartier opstond voor een gesprek in het Pentagon met een Poolse generaal, maakte ze duidelijk dat ze nog niet klaar was en vroeg om een vervolggesprek. ‘Oké, maar het heeft me drie maanden gekost om deze afspraak te krijgen,’ antwoordde Keane haar droogjes. Clinton barstte uit in een schor gelach. ‘Dat probleem los ik wel op,’ beloofde ze.
Ze hield woord: de twee zouden elkaar het volgende decennium vele malen ontmoeten en praten over de oorlogen in Afghanistan en Irak, de nucleaire dreiging van Iran en andere hete hangijzers in het Midden-Oosten. Soms kwam Keane langs op haar kantoor in de Senaat; andere keren gingen ze samen eten of wat drinken. Hij begeleidde haar tijdens haar eerste bezoek aan Fort Drum en regelde haar eerste reis naar Irak.
Ze spraken meestal niet over politiek, maar tijdens een ontmoeting in Clintons Senaatskantoor in januari 2007 probeerde Keane haar te overtuigen van de logica van het sturen van extra troepen naar Irak. De maand daarvoor had hij president Bush ontmoet in het Oval Office en hem geadviseerd dat de VS vijf tot tien leger- en marinebrigades moesten inzetten om het oproer in de steden te onderdrukken; alleen zo, had hij betoogd, zou er rust komen in een land dat werd verscheurd door sektarische strijd. Keane wekte daarmee de woede van enkele van zijn collega-generaals, die vreesden dat zo’n strategie de afhankelijkheid van Irak zou vergroten en de Amerikaanse betrokkenheid zou verlengen. Maar hij maakte veel indruk op de opperbevelhebber, die algauw twintigduizend extra manschappen naar Irak stuurde.
Clinton was een ander verhaal. ‘Ik ben ervan overtuigd dat dat niet zal werken, Jack,’ zei ze hem. Ze voorspelde dat Amerikaanse soldaten die in Iraakse steden patrouilleerden, zouden worden ‘opgeblazen’ door soennitische milities of Al-Qaidastrijders. ‘Ze dacht dat het ons niet zou lukken,’ herinnert Keane zich, ‘en dat er meer slachtoffers door zouden vallen.’
Ze had natuurlijk ook politieke overwegingen. Barack Obama was bezig de basis te leggen voor zijn kandidatuur, half januari, waarin hij zou benadrukken dat hij tegen de oorlog in Irak was geweest, terwijl zij ervóór had gestemd – een stem die haar ook tijdens de Democratische voorverkiezingen van dit jaar nog achtervolgt. Obama was bezig een fondsenwervingscampagne op te zetten die in drie maanden tijd 25 miljoen dollar zou opleveren, wat het politieke kamp van Clinton deed huiveren en hem tot een formidabele tegenstander maakte. Hoewel ze met Keane van mening verschilde over Irak, vroeg Clinton hem om officieel adviseur te worden. ‘Hoezeer ik je ook respecteer,’ antwoordde hij, ‘dat kan ik niet doen.’
Keanes vrouw had gezondheidsproblemen, waardoor hij eerder uit actieve dienst was getreden, en hij steunde in de regel geen presidentskandidaten. Ergens in 2008 – hij weet niet meer precies wanneer – vertelde Clinton hem dat ze er verkeerd aan had gedaan te twijfelen aan het sturen van extra troepen. ‘Ze zei: “Je had gelijk, het heeft echt gewerkt,”’ herinnert Keane zich. ‘Ik vond dat ze over nationale veiligheidszaken altijd eerlijk tegen me was.’
Keane en Clinton bleven praten, zelfs nadat Obama had gewonnen en zij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze waren het meestal eens. Keane was, net als Clinton, voor een krachtiger interventie in Syrië dan Obama. In april 2015, een week voordat ze haar kandidatuur aankondigde, vroeg Clinton hem om een briefing over de militaire opties voor het bestrijden van Islamitische Staat. Tijdens een presentatie van twee uur en twintig minuten pleitte Keane onder meer voor een vliegverbod boven delen van Syrië, waardoor de luchtmacht van de Syrische president Bashar al-Assad geneutraliseerd zou worden en deze laatste zou worden gedwongen tot een politieke schikking met oppositiegroepen. Zes maanden later verklaarde ze zich publiekelijk voorstander van zo’n vliegverbod, waarmee ze nog verder van Obama af kwam te staan.
‘Ik ben ervan overtuigd dat deze president onder geen enkele omstandigheid zijn tanden zal laten zien, ook al is het nog zo dringend,’ vertelde Keane me. Hij zat in de bibliotheek van zijn huis in McLean in Virginia, tussen rijen boeken over militaire geschiedenis en strategie. Zijn kritiek op Obama was nauwelijks nieuw of origineel, maar weerspiegelt wel het denken van Clinton en haar politieke adviseurs. ‘Een van de problemen van de president, waardoor zijn diplomatieke inspanningen worden verzwakt, is dat leiders niet geloven dat hij militair geweld zal gebruiken. Daarin verschilt de president wezenlijk van Hillary Clinton. Zij zou militair geweld als een realistische optie beschouwen, maar alleen als er geen andere opties zijn.’
Generaals
De vriendschap met Keane gaf Clinton ook directe toegang tot zijn informele netwerk van actieve en gepensioneerde generaals. De interessantste daarvan was ongetwijfeld David Petraeus, die Clintons geharnaste ambities deelde en ook een leven vol bedwelmende successen en vernederende tegenslagen had gekend. Beiden werden beschuldigd van een slechte omgang met geheime informatie: Clinton omdat ze haar privéserver en privé-e-mailadres had gebruikt voor het afhandelen van gevoelige regeringszaken, wat tot een politiek schandaal zou leiden; Petraeus omdat hij een dagboek met geheime informatie aan zijn biografe en maîtresse had verstrekt.
Tijdens Clintons eerste reis naar Irak, in november 2003, vloog Petraeus, die toen als tweesterrengeneraal bij de 101ste luchtmachtdivisie diende, haar van zijn hoofdkwartier in Mosul naar de relatieve veiligheid van Kirkuk om haar en haar delegatie te briefen. ‘Ze zat vol vragen,’ herinnert hij zich. ‘Zoiets betekent veel voor een bevelhebber.’ Tijdens volgende reizen, toen hij in rang was gestegen, lichtte Petraeus haar in over zijn plannen om Iraakse legertroepen te trainen en van wapens te voorzien. Beiden hadden daar baat bij: Petraeus bouwde een band op met een prominent Democratisch Senaatslid, Clinton poetste haar imago op als vriendin van het leger. ‘Ze deed het op de ouderwetse manier,’ zegt hij. ‘Ze deed het door relaties aan te knopen.’ Toen Petraeus begin 2007 werd teruggestuurd naar Irak als hoogste militair, gaf hij elk lid van de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten een exemplaar van het Amerikaanse Veldhandboek voor oproerbestrijding door leger en mariniers. Clinton las het hare van begin tot eind.
Hoewel Clintons bezwaar tegen het sturen van extra troepen hout sneed, zou het haar later opbreken, net als het feit dat ze vóór de oorlog had gestemd. Ditmaal was het haar bondgenoot Bob Gates die de geest uit de fles haalde. In zijn memoires schreef Gates dat ze tegenover hem en de president had bekend dat haar verzet politiek gemotiveerd was omdat ze op dat moment met Obama in de strijd om de Democratische voorverkiezingen in Iowa was verwikkeld. (Obama, schreef Gates, gaf ‘in bedekte termen’ toe dat ook hij er om politieke redenen tegen was geweest.) Tijdens een interview met Diane Sawyer van ABC News sloeg Clinton terug met de woorden dat Gates ‘misschien de context of de betekenis had gemist, want ik was wel degelijk tegen het sturen van extra troepen’. Haar verzet, zei ze tegen Sawyer, werd ingegeven door het feit dat de mensen op dat moment geen escalatie van de oorlog zouden accepteren. ‘Dit is geen politiek in electorale, politieke termen,’ zei Clinton. ‘Dit is politiek in de zin dat het Amerikaanse publiek achter zulke besluiten moet staan.’ Tijdens het volgende debat over het sturen van extra troepen liet ze zulke bedenkingen achterwege.
Om Bernie Sanders te dwarsbomen bracht ze haar boodschap op één lijn met die van Obama
‘We hebben kaarten nodig,’ zei Hillary Clinton tegen haar assistenten. Het was begin oktober 2009, en ze was net terug van een vergadering in de Situation Room. Obama’s oorlogskabinet had gediscussieerd over de vraag hoeveel extra troepen er naar Afghanistan moesten worden gestuurd, waar de Verenigde Staten, in beslag genomen door Irak, de taliban de gelegenheid hadden gegeven zich te hergroeperen. Het Pentagon, meldde ze, had indrukwekkende kaarten met kleurcodes gebruikt om zijn plannen te ontvouwen voor het stationeren van troepen verspreid over het land. Door de aandacht voor details hadden Gates en zijn commandanten een kordate, goed voorbereide indruk gemaakt, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat aandrong op het meesturen van burgerpersoneel, bleekjes afstak. Tijdens de volgende vergadering, op 14 oktober, ontvouwde het team van Buitenlandse Zaken zijn eigen kaarten met de inzet van diplomaten, juristen en landbouwexperts die de soldaten naar Afghanistan zouden moeten volgen.
Clintons focus op kaarten was typerend voor de manier waarop ze in het eerste grote oorlog-en-vredesdebat van de regering-Obama stond. Ze wilde serieus worden genomen, ook al was haar ministerie minder belangrijk dan het Pentagon. Eén manier om dat te doen was het meesturen van burgerpersoneel, het stokpaardje van haar vriend Richard Holbrooke, de speciale gezant in de regio. ‘Ze wilde met alle geweld dat haar briefingboeken net zo dik en nauwgezet zouden zijn als die van het Pentagon,’ herinnert een topadviseur zich. Ze aarzelde ook niet om zich met de zaken van het Pentagon te bemoeien en stelde gedetailleerde vragen over de training van Afghaanse troepen en de militaire planning.
Ze was vastbesloten niets te missen, een besluit dat misschien geworteld was in een diepergelegen onzekerheid over haar rol binnen de regering, die meer op het Witte Huis was geconcentreerd dan ooit in het moderne tijdperk. In de ochtend van 8 juni 2009 mailde ze twee assistenten met de vraag: ‘Ik hoorde op de radio dat er vanochtend een kabinetsvergadering is. Klopt dat? Kan ik erheen? Zo niet, wie sturen we dan?’ Op 10 februari 2010 belde ze vanuit huis naar het Witte Huis, maar kwam niet voorbij de telefonist, die niet geloofde dat ze echt Hillary Clinton was. Toen haar werd gevraagd haar kantoornummer te geven om haar identiteit te bewijzen, zei ze dat ze dat niet kende. Uiteindelijk legde Clinton gefrustreerd neer en liet opnieuw bellen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘als een keurige en gehoorzame minister’, zoals ze later op quasiberustende toon schreef. ‘Op eigen houtje bellen was niet toegestaan.’
Afghanistandebat
Het debat over de troepen in Afghanistan, een drie maanden durend drama van rivaliserende ego’s, gelekte documenten en eindeloos overleg, wordt als een typisch voorbeeld gezien van de strijd tussen de geslepen militaire bevelhebbers van het Pentagon en een onervaren jonge president, waarbij Joe Biden voor Obama’s advocaat van de duivel speelde. Hoewel deze voorstelling van zaken klopt, doet ze de rol van Clinton tekort. Door zich aan de kant van Gates en de generaals te scharen verleende zij hun voorstellen politiek gewicht en bood ze weerwoord aan de scepsis van Biden.
Toch mag haar rol ook niet worden overschat; ze heeft geen kentering in het debat teweeggebracht of er een duidelijk standpunt in verwoord. Maar haar niet-aflatende steun voor de krachtige aanbeveling van generaal McChrystal maakte het wel moeilijker voor Obama om voor een minder verregaande optie te kiezen. (McChrystal werd later door Obama ontslagen nadat zijn assistenten zich tegenover het blad Rolling Stone neerbuigend hadden uitgelaten over bijna elk lid van diens oorlogskabinet; alleen voor Hillary was een uitzondering gemaakt.)
‘Hillary stond vierkant achter wat McChrystal vroeg,’ zegt Gates. ‘Ze maakte duidelijk dat ze zijn verzoek om veertigduizend extra manschappen onverdeeld steunde. Later maakte ze duidelijk dat ze alleen bereid was geweest genoegen te nemen met dertigduizend omdat ik dat had voorgesteld. Ze hield in feite meer vast aan het oorspronkelijke aantal dan ik.’ Gates geloofde dat als hij Clinton, de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen, de commandant van het Centrale Commando David Petraeus en hemzelf op één lijn kon krijgen, Obama moeilijk nee zou kunnen zeggen. ‘Hoe kon je deze vier ruiters van de nationale veiligheid negeren?’ zegt Geoff Morrell, destijds woordvoerder van het Pentagon.
Zoals Clinton profiteerde van haar verbond met de militaire bevelhebbers, zo gaf ze hun ook politieke rugdekking. ‘Ik zal je een smerig geheimpje verklappen,’ zegt Tom Nides, een van haar voormalige onderministers op Buitenlandse Zaken. ‘Ze wisten allemaal dat ze haar aan hun kant moesten hebben. Ze wisten dat als zij de Situation Room binnenliep en achter hen stond, de dynamiek enorm zou veranderen. Als zij haar mond opendeed, kon ze de sfeer in de zaal veranderen.’
David Axelrod herinnert zich een vergadering waarin Clinton ‘hun mening vrijwel woordelijk verkondigde; dat weten ze vast nog wel. Ze wilde ze elke soldaat geven waar McChrystal om vroeg.’ Toch won Clinton niet op alle punten. Nadat hij had toegezegd manschappen te zullen sturen, voegde Obama er één eigen voorwaarde aan toe: dat de soldaten zo spoedig mogelijk weer zouden worden teruggetrokken, te beginnen in de zomer van 2011 – een deadline die uiteindelijk noodlottiger bleek dan een verschil van tienduizend manschappen. Clinton verzette zich tegen zo’n openbare deadline, met als argument dat Amerika de taliban daarmee in de kaart speelde en hen zou aanmoedigen te wachten tot de VS vertrokken – wat dan ook precies gebeurd is.
Tijdens de laatste dagen van het debat kreeg Clinton het ook aan de stok met haar eigen ambassadeur in Kaboel, Karl Eikenberry. Ook hij verschilde met haar van mening over de wijsheid van het sturen van extra manschappen. Op 6 november 2009 stuurde hij een lang telegram aan Clinton – later uitgelekt naar The New York Times – waarin hij op overtuigende wijze betoogde dat het voorstel van McChrystal de VS zou opzadelen met ‘onmetelijk veel hogere kosten en een grootschalige militaire rol in Afghanistan voor onbepaalde tijd’.
De analyse van Eikenberry bleek voor een groot deel juist, vooral zijn waarschuwing voor het tot op de draad versleten Amerikaanse partnerschap met de Afghaanse president Hamid Karzai. Extra pijnlijk was dat hij een gepensioneerde driesterrengeneraal was die van 2005 tot 2007 het bevel in Afghanistan had gevoerd. Clinton, die niet om het telegram had gevraagd, was furieus en vreesde dat het een debat kon verstoren dat zij en het Pentagon op het punt stonden te winnen.
Wat het telegram duidelijk maakte, was in hoeverre het Afghaanse debat door militaire overwegingen werd gedomineerd. Hoewel Clinton erop aandrong tot een akkoord te komen met het Afghaanse buurland Pakistan, betekende haar steun aan Gates, Petraeus en McChrystal dat ze niet de aangewezen persoon was voor diplomatieke alternatieven. ‘Ze heeft bijgedragen aan de overmilitarisering van de probleemanalyse,’ aldus Sarah Chays, destijds adviseur van McChrystal en later van de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen.
In oktober 2015 dwongen het aanhoudende geweld in Afghanistan en de erfenis van het wanbeleid van Karzai Obama ertoe af te zien van zijn plan om de laatste Amerikaanse soldaten tegen het eind van zijn presidentschap terug te trekken. Een paar duizend manschappen zullen daar voor onbepaalde tijd blijven. En Clintons voorstel voor het meesturen van burgerpersoneel is nooit echt van de grond gekomen.
Verkiezingscampagne
‘Het lijdt geen twijfel dat Hillary Clintons gespierdere benadering van het Amerikaanse buitenlandbeleid beter is toegesneden op 2016 dan op 2008,’ aldus Jake Sullivan, haar politieke topadviseur bij Buitenlandse Zaken en nu de belangrijkste adviseur in haar campagne.
Het was december 2015, 53 dagen voor de Democratische voorverkiezingen in Iowa; ik sprak Sullivan in Clintons royale hoofdkwartier in Brooklyn, waar hij me uitlegde hoe ze haar boodschap vormgaf in een campagne die steeds meer werd gedomineerd door zorgen over de nationale veiligheid. Clintons strategie, zei hij, was tweeledig: aan kiezers uitleggen dat ze een duidelijk plan had om de dreiging van het islamitische terrorisme het hoofd te bieden, en haar Republikeinse tegenstanders aan de kaak stellen als mensen die iedere vorm van ervaring en geloofwaardigheid misten op het gebied van nationale veiligheid.
Clinton had alle reden om de havik in zichzelf los te laten. Na de aanslagen in Parijs en het Californische San Bernardino bereikte de zorg over een grote aanslag in Amerika een hoogtepunt. Een peiling van CNN/ORS wees uit dat een meerderheid van 53 procent van de Amerikanen achter het sturen van troepen naar Syrië of Irak stond, een belangrijke verschuiving na de oorlogsmoeheid gedurende het grootste deel van Obama’s presidentschap. De Republikeinse kandidaten hanteerden apocalyptische metaforen om hun vastberadenheid te tonen. Ted Cruz dreigde een bomtapijt over Islamitische Staat af te werpen om te kijken of woestijnzand kon gloeien; Donald Trump riep de VS op alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen ‘totdat duidelijk is wat de dreiging is van dit probleem’.
Maar de publieke voorkeur voor militaire actie is meestal vergankelijk. Drie weken later toonde dezelfde peiling dat het aantal voor- en tegenstanders gelijk was, 49 procent. Trump is geen voorstander van het sturen van nieuwe Amerikaanse soldaten naar Irak en Syrië (evenmin als Clinton trouwens). Hij staat sceptischer tegenover interventies dan zij en verkondigt luidkeels dat hij ook tegen de oorlog in Irak was. Hij wil dat de VS minder aan de NAVO afdragen en heeft al gesproken over het intrekken van de Amerikaanse veiligheidsparaplu boven Azië, zelfs als Japan en Zuid-Korea dan zelf kernwapens zouden aanschaffen om zich te verdedigen. Daarmee komen de kiezers bij de algemene verkiezingen misschien voor een ongebruikelijke keus te staan: die tussen een Democratische havik en een Republikeinse weifelaar.
Om de steeds opstandiger senator Bernie Sanders uit Vermont te dwarsbomen paste Clinton haar boodschap tijdens de Democratische voorverkiezingen zorgvuldig aan om op één lijn te komen met Barack Obama en diens raciaal diverse coalitie. Maar tijdens de algemene verkiezingen zal dat moeilijker worden. ‘De pers zal bovenmatige belangstelling tonen voor de scores,’ zegt Sullivan. ‘Dat kan de aandacht makkelijk afleiden van haar vermogen om te zeggen waar het op staat.’
Om te tonen dat ze een goede toekomstige opperbevelhebber is, zal Clinton zich ongetwijfeld beroepen op haar ervaring bij Buitenlandse Zaken. Afgelopen herfst, tijdens een reeks beleidstoespraken, begon Clinton zich duidelijker af te zetten tegen het nationale veiligheidsbeleid van de president. Ze zei dat de VS meer speciale commandotroepen naar Irak moesten sturen dan Obama had toegewezen, om de Iraki’s en Koerden te helpen in de strijd tegen IS. Ze toonde zich een voorstander van een gedeeltelijk vliegverbod boven Syrië. En ze beschreef de dreiging van IS voor Amerikanen in grimmiger bewoordingen dan de president. Zoals vaak het geval is bij Clinton en Obama, betroffen de verschillen niet zozeer de koers als wel de intensiteit. Evenmin als hij pleitte ze voor het sturen van grondtroepen naar het Midden-Oosten. Clinton hield vol dat haar plan geen breuk was met het zijne, maar alleen een ‘intensivering en versnelling’ daarvan.
Hoe goed de haviksinstincten van Clinton bij de stemming in het land passen is nog de vraag. Amerikanen hebben genoeg van oorlog en blijven beducht voor buitenlandse verwikkelingen. En toch wijzen peilingen uit, na de terughoudende Obama-jaren, dat ze net zo ontevreden zijn met het beeld van hun land als een uitgebluste wereldmacht die amechtig op de been probeert te blijven in een wereld van opkomende grootmachten als China, herrijzende imperia als het Rusland van Vladimir Poetin en de dodelijke nieuwe slagkracht van Islamitische Staat. Als Obama’s minimalistische benadering een noodzakelijke reactie was op de maximalistische stijl van zijn voorganger, dan verlangen Amerikanen misschien naar iets daartussenin, het soort gestaalde pragmatisme dat Clinton een leven lang heeft uitontwikkeld.
‘De president heeft een aantal harde beslissingen genomen,’ zegt Leon Panetta, na Bob Gates Obama’s minister van Defensie en vóór David Petraeus directeur van de CIA. ‘Maar het resultaat is gemengd en de vrees bestaat dat de president er niet in is geslaagd duidelijk te maken wat de rol van Amerika in de eenentwintigste eeuw is.’
‘Misschien lukt het hem alsnog,’ voegt hij eraan toe, beseffend hoe weinig tijd Obama nog rest. ‘Haar zou het zeker lukken.’
Mark Landler is sinds 2011 Witte Huiscorrespondent voor The New York Times. Dit artikel is een bewerkt uittreksel uit zijn boek Alter Egos: Hillary Clinton, Barack Obama and the Twilight Struggle Over American Power, dat deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt bij Hollands Diep.
*Op 21 juni is Landler te gast bij het John Adams Institute.
Locatie: Vondelkerk Amsterdam Aanvang: 20.00 uur*
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.