Tag: hip

  • De tirannie van het algoritme: waarom alle koffiebars op elkaar lijken

    De tirannie van het algoritme: waarom alle koffiebars op elkaar lijken

    Steeds meer koffiebars hebben dezelfde inrichting en hetzelfde menu, zonder dat ze het bij elkaar afgekeken hebben. Hoe het algoritme mensen met dezelfde voorkeuren bij elkaar brengt en ervoor zorgt dat alle koffiebars op elkaar lijken.

    Het grootste deel van de jaren 2010 was ik een fervent gebruiker van Yelp, een app om restaurants en andere lokale ondernemingen te vinden en te recenseren. De rood-witte interface werd een betrouwbare bron van aanbevelingen, niet alleen in New York maar ook in het buitenland. Als ik in Berlijn, Kyoto of Reykjavik naar een koffiebar wilde, scrolde ik al snel door de lijst van Yelp, die was gefilterd op grond van het aantal sterren – sterren die aangaven hoe leuk andere gebruikers van de app een bepaalde plek hadden gevonden.

    Ik tikte meestal alleen ‘hipster koffietent’ in de zoekbalk, omdat het zoekalgoritme van Yelp inmiddels precies wist wat ik daarmee bedoelde. Het was het soort koffiebar waar iemand zoals ik – een westerling van (destijds) ergens in de twintig, een met internet vergroeide millennial die precies weet wat hij wil – graag komt. Ik kon dan ook al snel uit de zoekresultaten precies die koffiebar filteren die over de verlangde eigenschappen beschikte: veel daglicht dat door grote ramen naar binnen valt; grote houten tafels met ruime zitplaatsen; een licht interieur met witte muren of met van die kleine metrotegeltjes; wifi om te kunnen werken of het werk juist voor je uit te kunnen schuiven.

    Natuurlijk, het ging ook om de koffie, en in dit soort tentjes kon je ervan op aan dat je een cappuccino kreeg van licht geroosterde bonen, zoals de trend voorschreef, met een ruime keuze aan melk, en met kunstzinnig bewerkt melkschuim. Koffiebars die voor een tien gingen, serveerden een flat white (een cappuccino-variant die oorspronkelijk uit Australië en Nieuw-Zeeland afkomstig is) met avocado toast, een geroosterd broodje met geprakte avocado, dat ook van Australische origine blijkt – een combinatie die in de loop van de jaren 2010 synoniem is geworden aan wat de consumerende millennial wil. 

    ‘Authentieke plek’

    Deze koffiebars hadden allemaal dezelfde inrichting en hetzelfde menu, zonder daartoe te zijn gedwongen door een moedermaatschappij zoals Starbucks, dat vestigingen heeft die allemaal een replica zijn van het oorspronkelijke concept. Nee, in dit geval waren de koffiebars, ondanks de immense geografische spreiding en de volledige onafhankelijkheid, geheel op eigen initiatief uitgekomen bij hetzelfde eindpunt. Die ongekende, wijdverbreide eenvormigheid was te choquerend en te nieuw om saai te zijn.

    Natuurlijk zijn er in de gedocumenteerde geschiedenis van de beschaving meer voorbeelden van een dergelijke globalisatie. Maar de eenvormige koffiebars van de eenentwintigste eeuw zijn opmerkelijk, niet alleen vanwege hun zeer specifieke overeenkomsten maar ook omdat ze stuk voor stuk de indruk wekken op organische wijze uit hun lokale omgeving te zijn voortgesproten. Het zijn trotse, lokale ondernemingen die vaak worden omschreven als ‘authentiek’, een bijvoeglijk naamwoord dat ik zelf ook maar al te vaak heb gebruikt. Als ik op reis was, ging ik altijd op zoek naar een ‘authentieke’ plek om wat te eten of te drinken.

    Maar als die plekken allemaal zo op elkaar leken, hoezo waren ze dan authentiek?

    Maar als die plekken allemaal zo op elkaar leken, hoezo waren ze dan authentiek? Ik kwam tot de conclusie dat ze allemaal op een authentieke manier waren verbonden met het nieuwe, digitale geografische netwerk, dat in real time bijeen wordt gehouden door social media. Ze waren authentiek voor het internet, met name voor het internet van de algoritmische feeds uit de jaren 2010.

    brent gorwin vhQUnmnOLys unsplash
    © Unsplash 

    In 2016 schreef ik een essay getiteld ‘Welcome to AirSpace’, over mijn eerste impressies van dit fenomeen van eenvormigheid. Mijn theorie was dat alle fysieke plekken die via apps met elkaar waren verbonden, op de een of andere manier op elkaar leken. In het geval van koffiebars bood de groei van Instagram eigenaren en barista’s van over de hele wereld de gelegenheid om elkaar in real time te volgen, waarbij ze geleidelijk, via algoritmische aanbevelingen, dezelfde soorten content tot zich namen. Zo kon de persoonlijke smaak van de ene eigenaar steeds meer in de richting gaan van wat de anderen ook leuk vonden, om daar uiteindelijk mee samen te vallen. Aan de kant van de consument dreven Yelp, Foursquare en Google Maps mensen zoals ik – mensen die de populaire koffiebarvormgeving op Instagram konden volgen – naar de bars die voldeden aan het gewenste plaatje, door ze bovenaan de lijst te zetten of weer te geven op de kaart.

    Zakelijke beslissing

    Om de grote groep klanten binnen te halen die al door het internet waren klaargestoomd, namen steeds meer koffiebars de vormgeving over die overheersend aanwezig was op de platforms. Aanpassen aan de norm was dus niet alleen een kwestie van de trends volgen; het kwam neer op een zakelijke beslissing, waarvoor je door de klanten werd beloond. Als een koffiebar er aantrekkelijk genoeg uitzag, zetten de klanten deze op hun eigen Instagram om te laten zien hoe cool zij waren, wat neerkwam op gratis socialmediareclame en nieuwe klanten genereerde. Zo hield de cyclus van esthetische optimalisering en homogenisering zichzelf in stand. 

    Maar met het verstrijken der jaren kwam het besef dat er niet zozeer sprake was van een specifieke stijl, als wel van een soort zijnstoestand die verder ging dan een esthetische trend. Zoals met alle modeverschijnselen het geval is, raakte ook de visuele stijl van halverwege de jaren 2010 op zijn retour. De kleine, witte metrotegels die ooit cool waren geweest, verwerden tot een cliché en maakten plaats voor felgekleurde tegels, of tegels met meer structuur. De enigszins ruige, houthakkershemdenstijl uit het Brooklyn van de financiële crisis, met zijn gerenoveerde industriële meubilair, maakte plaats voor een subtiel, Scandinavisch aandoend jarenvijftigmodernisme, met rankpotige stoelen en fijn houtwerk.

    Eind jaren 2010 werd de overheersende stijl killer en minimalistischer, met aanrechtbladen van cement en strenge, geometrische dozen in plaats van stoelen. Accessoires zoals lampen van roestige leidingen maakten plaats voor kamerplanten (met name vetplanten) en kunstwerken met textiel, wat eerder het beeld opriep van het kunstenaarswereldje aan de westkust dan van het harde leven in New York. De associatie met Brooklyn doofde langzaam uit – na de pandemie werd Brooklyn als minder aantrekkelijk gezien dan downtown Manhattan – en de eenvormige stijl werd eerder in verband gebracht met digitale platforms zoals Instagram en het opkomende TikTok dan met een bepaalde plek.

    Homogeniteit

    De stijlelementen bleken minder belangrijk dan de fundamentele homogeniteit, die steeds steviger werd verankerd. In de loop der jaren veranderden stap voor stap de uiterlijke kenmerken, maar de eenvormigheid bleef. Het was die eenvormigheid die ging tegenstaan, meer dan de specifieke stijlkenmerken. Homogeniteit in een diverse wereld heeft iets griezeligs. Het kan teleurstellend zijn om op de zoveelste plek dezelfde vormgeving aan te treffen, en het feit dat de invloed van digitale platforms merkbaar is op plekken waar dat voorheen nog niet het geval was, kan ook een gevoel van beklemming oproepen. 

    Sarita Pillay Gonzalez, een Zuid-Afrikaanse wetenschapper, merkte eind jaren 2010 dit fenomeen op in Kaapstad, toen ze daar werkte voor een organisatie die onderzoek doet naar urbanisatie. Gonzalez beschouwde het als een vorm van gentrificatie, of zelfs als een echo van het kolonialisme in een postkoloniaal land. In Kloof Street, in Kaapstad, schoten de eenvormige, minimalistische koffiebars als paddenstoelen uit de grond. Toen wij elkaar spraken, typeerde Gonzalez die tentjes als volgt: ‘lange, houten tafels, smeedijzeren afwerking, peertjes aan het plafond, hangplanten’. Die vormgeving spreidde zich uit naar andere gelegenheden: bierhallen, gastropubs, galeries, Airbnb’s. Gonzalez had een vergelijkbare transformatie waargenomen in het noordoosten van Minneapolis toen ze daar in 2016 woonde: pakhuizen die werden omgebouwd tot koffiebars, microbrouwerijen of flexwerkplekken – stuk voor stuk bedrijven die erop wijzen dat er in een buurt sprake is van gentrificatie.

    De homogeniteit stond in schril contrast met de hipsterfilosofie die in de jaren 2010 opgang deed

    Volgens Gonzalez staat deze stijl voor een ‘mondiaal toegankelijke ruimte. Je kunt van Bangkok naar New York, Londen, Zuid-Afrika of Mumbai vliegen en overal dezelfde sfeer aantreffen. Plekken die een bepaalde rust geven omdat ze zo vertrouwd zijn.’ De homogeniteit stond in schril contrast met de hipsterfilosofie die in de jaren 2010 opgang deed: door bepaalde producten en culturele artefacten te gebruiken kon je laten zien dat je uniek was en je op die manier onderscheiden van de massa – in dit geval ging het dan om een bepaalde koffiebar in plaats van een onbekende band of een kledingmerk. ‘De ironie is dat al deze plekken individualiteit zouden moeten benadrukken, terwijl ze ongekend homogeen zijn,’ aldus Gonzalez.

    En niet alleen de plekken waren eenvormig, hetzelfde gold voor de klanten, merkte Gonzalez op: ‘Als je naar die koffiebars gaat, is het publiek overwegend wit. Maar [Kloof Street] is van oudsher een buurt waar mensen van kleur wonen.’ Alleen een bepaald soort mensen werd verleid om zich hier op zijn gemak te voelen, en anderen werden actief buitengesloten. Je hebt geld en een zeker savoir-faire nodig om je prettig te voelen bij de karakteristieke handeling van het uitklappen van je laptop op zo’n brede tafel en daar vervolgens uren te blijven zitten. In zekere zin is het net zoiets als je de onuitgesproken etiquette eigen maken in de cocktailbar van een duur hotel. Dit soort koffiebars ‘hebben iets beklemmends, in de zin dat ze duur en exclusief zijn’, aldus Gonzalez. Als witheid en welvaart als de norm worden gesteld, ontstaat er een soort esthetisch en ideologisch krachtveld dat iedereen weert die niet in het plaatje past.

    Plat

    Ik ben groot geworden met het idee dat de aarde plat was. Aan het begin van deze eeuw was er in Amerika in brede kring een groeiend bewustzijn van globalisatie, van het idee dat de wereld meer verbonden was dan ooit, en daarmee kleiner aanvoelde. De voornaamste aanjager van deze opvatting was Thomas Friedman, een columnist van The New York Times, bekend van zijn boek uit 2005, De aarde is plat. Zijn betoog appelleerde aan het gezond verstand: plat betekent dat mensen, goederen en ideeën sneller en makkelijker door de fysieke ruimte reizen dan ooit.

    Globalisering heeft ook geleid tot een meer alledaagse en alomtegenwoordige vervlakking van individuele ervaringen. Ik maak in Amerika gebruik van dezelfde apparaten, heb toegang tot veel van dezelfde sociale netwerken en maak verbinding met dezelfde streamingdiensten als een internetgebruiker in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Friedmans voorspelling van een toegenomen internationale concurrentie heeft over de hele linie geresulteerd in slechts enkele winnaars, die ongebreideld profiteren van hun monopolisering van de geïnternationaliseerde digitale ruimte.

    ‘Globalisering voltrekt zich alleen in kapitaal en data’

    ‘Globalisering voltrekt zich alleen in kapitaal en data’, schreef literair theoreticus Gayatri Chakravorty Spivak. ‘Al het overige zijn pogingen de schade in te perken.’ We hebben het over de globalisering van politiek, cultuur en toerisme, maar op een fundamenteler niveau heeft Spivak gelijk. Wat er in werkelijkheid over de planeet vloeit, zijn verschillende geld- en informatiestromen: investeringen, bedrijven, infrastructuren, server farms en alle data van digitale platforms, die onzichtbaar als wind- of oceaanstromen heen en weer gaan tussen verschillende landen. Wij als gebruikers pompen uit eigen vrije wil onze informatie in dit systeem, waarmee we ook onszelf tot onderdeel van de goederenstroom maken.

    daniela araya BBK MAfIJUI unsplash
    © Unsplash 

    Die homogenisering is niet alleen een verschijnsel van deze tijd; die is het gevolg van veranderingen die zich hebben voltrokken lang voor de komst van social media en algoritmische feeds, en zal naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst alleen nog maar toenemen. Het is tenslotte wel gebleken dat de wereld, telkens wanneer er melding wordt gemaakt van een grote vervlakking, een manier weet te vinden om nog verder af te vlakken.

    Begin jaren 2010 diende er zich een nieuw fenomeen aan, de ‘Instagram wall’. Dat was deels een voortvloeisel uit de streetartbeweging van de jaren ’00, een gentrificatie van graffiti waarbij stadsmuren werden overgenomen door frisse, officieel toegestane muurschilderingen, vooral in buurten met veel vervallen warenhuizen. Streetart werd een soort toeristische trekpleister, bijna een galerie in de openlucht.

    Waar streetart van oorsprong een guerrilla-activiteit was, waren Instagram walls plekken die speciaal waren bedacht om te zorgen dat mensen zouden blijven staan om een foto te nemen tegen de achtergrond van die muur, om die vervolgens op Instagram te posten. Die Instagram walls werden ook wel Instagram traps genoemd – valstrikken. Sommige bestonden uit niet meer dan felgekleurde grafische patronen die een perfecte achtergrond vormden voor een foto.

    Instagram walls

    Het hoogtepunt – of dieptepunt – van dit fenomeen was misschien wel een brunchrestaurant met de naam Carthage Must Be Destroyed. Het restaurant opende zijn deuren in 2017 in Bushwick, een wijk in Brooklyn, in een blok vol pakhuizen. Aan het interieur was weinig gedaan – kale bakstenen wanden en zichtbare leidingen, grote tafels waar iedereen moest aanschuiven – maar er was sprake van één opmerkelijke, opzichtige stijlkeuze: alles was lichtroze geverfd. De deur was roze, de toonbank had roze tegeltjes, het espressoapparaat had een roze behuizing en de borden waren van roze aardewerk. De menukaart bood weinig bijzonders en de inrichting was dan ook de voornaamste attractie. De publiciteitsfoto’s waren nog maar nauwelijks in omloop gebracht of iedereen wilde naar ‘dat roze restaurant’.

    De ruimte was geoptimaliseerd om te worden gebruikt als digitaal beeld. In die tijd zag je dankzij het internet ineens overal ‘millennial roze’, een beetje de kleur van donkere rouge. Het werd ook wel ‘Tumblr pink’ genoemd, naar het bekende sociale netwerk waardoor het in zwang raakte. Je zag deze kleur op Nike-sneakers, Glossier-makeup en Away-koffers. De rosé gouden modellen die Apple in 2015 op de markt bracht, maakten deel uit van die trend. Carthage Must Be Destroyed had ook de Millennial Pink Experience kunnen heten, een immense Instagram wall. De bezoekers waren zo lang bezig met het maken van foto’s dat het restaurant uiteindelijk een regel invoerde om het maken van snapshots van de ruimte tegen te gaan: alleen foto’s van je eigen eten waren toegestaan. 

    Er kwamen zogeheten ‘Instagram museums’, waar het eigenlijk alleen ging om het maken van de foto’s

    Tegen het einde van het decennium zag je tot vervelens toe dit soort installaties. Er kwamen zogeheten ‘Instagram museums’, waar het eigenlijk alleen ging om het maken van de foto’s. The Museum of Ice Cream, dat in 2017 zijn deuren opende in San Francisco, voorzag in installaties die waren gebaseerd op zoetigheden waar je je volledig in kon verliezen. The Color Factory, ook uit 2017, bood surrealistische monochrome kamers voor portretten met een dramatisch effect. In geen van de gevallen was sprake van overtuigende beeldende kunst, aangezien de werken slechts bestonden bij de gratie van een foto en van degene die op de foto stond – zonder de digitale platforms waren de werken niet compleet; het enige waar het om ging was het creëren van content.

    Instagram walls of experiences trokken bezoekers naar een bepaalde plek en hielden hen daar bezig door ze iets te doen te geven met hun mobieltje, vergelijkbaar met restaurants die kleurplaten hebben voor kleuters. Het was een concessie aan onze nieuwe verslavingen – je kunt niet meer gewoon ergens naartoe gaan; je moet die ervaring ook documenteren. En doordat de bezoekers die de foto’s online zetten het bedrijf of de locatie taggen, groeien de foto’s uit tot een soort gedecentraliseerd onlinebillboard, een vorm van gratis zendtijd en digitale mond-op-mondreclame. De Instagram walls houden zichzelf in stand. Hoe meer posts, hoe meer reclame-algoritmen de plek registreren en suggereren aan nog meer potentiële klanten. De walls zijn een duidelijk voorbeeld van het onontkoombare gegeven dat zelfs fysieke bedrijven niet alleen aanwezig moeten zijn in de realiteit, maar ook op internet.

    De walls zijn inmiddels verworden tot een cliché, maar de manier waarop ze functioneren is doorgesijpeld naar allerlei bedrijven en plekken, met als gevolg dat nu volop wordt ingezet op zogeheten instagrammability. Zo kan een restaurant bijvoorbeeld een wand met planten maken, waar in neonletters de naam van de zaak tussen hangt, goed zichtbaar vanaf alle tafeltjes en daarmee ideaal om te fotograferen en te delen. Een bepaald gerecht kan zo kunstig zijn opgemaakt dat het eerder fungeert als beeld dan als voedsel.

    In het afgelopen decennium is Instagram de lens geworden waardoor we naar de mondiale wereld van de specialty-koffiebars kijken,’ zegt Trevor Walsh, marketing manager van Pilot Coffee Roasters, een keten van minimalistische koffiebars in Toronto. ‘We willen ontwerpkeuzes maken die het goed doen op de foto, we willen een omgeving bieden waarin je momenten beleeft die je wilt delen.’ Het posten van foto’s en reviews op Pilots Instagramaccount was voor het bedrijf aanvankelijk een manier om in contact te komen met andere koffiebars en met collega’s uit de koffiebranche in andere steden, maar als gebruiker van het platform voel je ook de constante druk om het account te onderhouden. ‘Je moet aan de lopende band content creëren. We hebben continu het gevoel dat we in de telefoons en laptops van mensen moeten zitten,’ zegt Walsh. 

    Gewoon een koffiebar zijn is niet meer voldoende; de branche moet een parallel bestaan cultiveren op internet

    Gewoon een koffiebar zijn is niet meer voldoende; de branche moet een parallel bestaan cultiveren op internet, wat een vak apart is. ‘Het is alsof je, om succesvol en zichtbaar te zijn, veel verstand moet hebben van social media, alsof je heel goed thuis moet zijn in iets wat wel gerelateerd is aan je vakgebied maar er niet echt onderdeel van uitmaakt,’ vervolgt Walsh. 

    Verstand hebben van social media betekent je bewust zijn van de algoritmen van de afzonderlijke platforms. Het viel Walsh op dat sommige bedrijven misschien wel een geweldig verhaal hebben, maar ‘zich niet leken te verdiepen in de algoritmen die hen in staat stellen hun zichtbaarheid te vergroten’. Misschien posten ze niet vaak genoeg of houden ze de veranderingen niet bij, zoals de ontwikkeling dat Instagram ineens meer aandacht had voor filmpjes dan voor foto’s – een ingrijpende verandering die zich voltrok in 2022, toen het platform TikTok probeerde te imiteren. Het is niet makkelijk om in de peiling te houden wat het algoritme precies wil, en zelfs mensen die met verstand van zaken een gok wagen, schieten niet altijd raak. Zoals Walsh zegt: ‘We hebben er veel tijd en moeite in gestoken om mooie content te creëren. Maar door dat algoritme hebben we minder voltreffers dan we volgens ons hadden kunnen of hadden moeten krijgen. Dat kan soms wat ontmoedigend zijn.’ 

    ‘Ik haat het algoritme. Iedereen haat het algoritme’

    ‘Ik haat het algoritme. Iedereen haat het algoritme,’ zegt Anca Ungureanu, eigenaar en oprichter van Beans & Dots, een koffie-vestiging in Boekarest, Roemenië. In eerste instantie was de zaak gevestigd in een voormalige drukkerij. Haar streven was ‘om iets neer te zetten dat er nog niet was in Boekarest’ – een plek die, in ieder geval in artistieke zin, niet typerend is voor Boekarest. De zaak trekt een internationaal publiek; wie op Google zoekt naar specialty-koffie in Boekarest, krijgt meteen Beans & Dots voorgeschoteld. Ungureanu heeft een Instagramaccount gemaakt vol cappuccino-foto’s, met meer dan zevenduizend volgers, maar ze raakte gefrustreerd toen ze het gevoel kreeg dat het platform haar de mogelijkheid ontnam om via haar feed haar publiek te bereiken.

    Toen ze ook koffie online ging verkopen, leken Facebook en Instagram haar bereik af te knijpen – tenzij ze reclameruimte zou kopen en zo de kas van de socialmediabedrijven zou spekken. Het voelde als algoritmechantage: als je niet betaalt, gaan wij je niet langer promoten. De middelen die Ungureanu in staat hadden gesteld te groeien en nieuwe klanten te trekken, keerden zich ineens tegen haar. Facebook en Instagram ‘staan niet toe dat je garen spint bij de gemeenschap die je zelf hebt gebouwd. Vanaf een bepaald moment spelen ze geen eerlijk spel meer,’ zegt Ungureanu.

    Volgersinflatie

    Andere eigenaren van koffiebars komen met dezelfde klacht. Jillian May is mede-oprichter van Hallesches Haus in Berlijn, een koffiebar annex boetiek die in 2014 de deuren heeft geopend. In de hoge, strakke ruimte met boogramen kunnen bezoekers niet alleen gieters, lampen en aardewerken bloempotten kopen, maar ook koffie en salades. Hallesches Haus heeft bijna dertigduizend volgers op Instagram. Maar ‘in verhouding tot het aantal klanten kregen we in de loop der tijd steeds minder likes,’ aldus May.

    ‘Een foto die vijf jaar geleden werd gepost kreeg duizend likes, en diezelfde foto krijgt tegenwoordig nog maar honderd tot tweehonderd likes.’ Ze heeft het gevoel dat de app ‘de gebruikers onder druk zet om te betalen voor het promoten van dit soort posts, en daar voelen we ons niet prettig bij’. Die discrepantie voelt als een verbroken belofte van een sociaal netwerk dat is gebouwd op gedemocratiseerde, door gebruikers gegenereerde content. Wij als gebruikers zorgen dat de social media functioneren, maar toch krijgen we niet de volledige controle over de relaties die wij op de platforms tot stand brengen, voornamelijk omdat de algoritmische aanbevelingen zo dominant zijn.’

    clayton malquist 4x9q7p17bE unsplash
    © Unsplash 

    Het effect dat May heeft waargenomen zou je ‘volgersinflatie’ kunnen noemen. Een groot aantal volgers komt niet langer overeen met de werkelijke betrokkenheid over een langere periode, aangezien de prioriteiten van het platform kunnen veranderen of omdat de aloude contenttrucjes hun uitwerking verliezen. Het is een gevoel dat iedereen zal herkennen die het afgelopen decennium op Instagram heeft gezeten. Het is misschien een klap voor je ego als je minder likes krijgt bij een selfie, maar voor een bedrijf dat op deze manier geld moet verdienen is het een serieus financieel probleem – of het nou gaat om een koffiebar die bezoekers wil trekken of om een influencer die gesponsorde content aan de man brengt.

    Fysieke filters

    Het nastreven van instagrammability is een valstrik: de snelle groei als je een herkenbaar format overneemt, ongeacht of het om een fysieke ruimte gaat of om zuiver digitale inhoud, maakt geleidelijk plaats voor een dagelijkse sleur waarin je dingen moet blijven posten en moet bijhouden hoe het algoritme nu weer werkt – welke hashtags, memes of formats je moet volgen.

    Digitale platforms nemen ondernemers hun autonomie af, zetten hen onder druk om in de pas te lopen in plaats van hun eigen creatieve ingevingen te volgen. Te dicht op een trend zitten brengt ook een risico met zich mee: als de glans eraf is, zal het algoritmische publiek het ook laten afweten. Daarom zullen de koffiebars van dertien in een dozijn voortdurend kleine aanpassingen aanbrengen in het interieur, net wat meer planten neerzetten of er juist een paar weghalen. In de algoritmische feed is timing van cruciaal belang.

    In zekere zin zijn koffiebars ook fysieke algoritmische filters

    De alternatieve strategie is je niet van de wijs te laten brengen, je geen zorgen te maken over trends en betrokkenheid en domweg vasthouden aan datgene waar je goed in bent; op een wezenlijk niveau trouw blijven aan je persoonlijke opvattingen of aan de identiteit van je merk. In zekere zin zijn koffiebars ook fysieke algoritmische filters: mensen worden gefilterd op basis van hun voorkeuren en door middel van de inrichting en wat er op de menukaart staat.

    Zo wordt stilletjes een bepaald soort mensen aangetrokken en een ander soort mensen geweerd. Op de lange termijn is die manier om een gemeenschap te creëren misschien wel van grotere waarde dan kunstzinnig bewerkt melkschuim en grote aantallen volgers op Instagram. Uiteindelijk is dat ook wat Anca Ungureanu probeert te doen in Boekarest. ‘We zijn een koffiebar waar je gelijkgestemden kunt ontmoeten, mensen met dezelfde belangstelling,’ zegt ze. Door die opmerking realiseerde ik me dat een bepaalde mate van homogeniteit waarschijnlijk een onvermijdelijk gevolg is van algoritmische globalisering, eenvoudigweg omdat tegenwoordig zo veel gelijkgestemden zich, beïnvloed door dezelfde digitale platforms, door dezelfde fysieke ruimtes bewegen. De eenvormigheid heeft de neiging te accumuleren. 

  • Hoe Leipzig ‘Hypezig’ werd

    Hoe Leipzig ‘Hypezig’ werd

    Na de Duitse hereniging ging het een tijdlang bergafwaarts met Leipzig. Maar inmiddels beleeft de duizend jaar oude stad een opmerkelijke renaissance en steekt ze zelfs Berlijn naar de kroon.

    Vaak is het zo dat een droom lange tijd in 
stilte groeit, voor hij in het volle licht treedt. In Leipzig ging dat anders – daar brak die droom met een oerkreet naar buiten, de oerkreet 
van tienduizenden dolgelukkige voetbalfans die de sensatie vierden met gejuich en gezang. Een oerkreet die oversloeg op een hele stad.

    Het was op een avond, laat in de zomer van 2016, 
dat Naby Keita in het stadion van RB Leipzig na 89 zenuwslopende minuten de bal achter de doelman van Borussia Dortmund in het net joeg. Bierbekers vlogen door de lucht, fans vielen elkaar in de armen, iedereen ging uit zijn dak – Leipzig deed weer mee.

    1-0 tegen de nummer twee van Duitsland, het was de eerste zege in de Bundesliga voor de pas gepromoveerde ploeg waar heel veel Duitse voetbalfans op neerkijken. Tot dan toe was het een kwestie geweest van willen en de beurs trekken. Red Bull koopt een club, en die wordt door iedereen gehaat. Leipzig 
trotseerde die haat, stad en club vonden elkaar, bijna elke thuiswedstrijd was al weken van tevoren uitverkocht. Maar de avond waarop Naby Keita de Borussen versloeg, was het echte moment waarop de haters 
de mond werd gesnoerd. Het was de dag waarop ze in Leipzig openlijk begonnen te dromen.

    Een café in de populaire wijk Connewitz. – © Getty Images
    Een café in de populaire wijk Connewitz. – © Getty Images

    Negen maanden later is die droom werkelijkheid geworden. RB – de twee letters staan voor RasenBallsport (balsport op gras), maar natuurlijk ook voor sponsor Red Bull – eindigt in de competitie op de tweede plaats, voor Borussia Dortmund; het hoeft alleen het oppermachtige Bayern voor zich te dulden.

    Wanneer de ploeg in de laatste thuiswedstrijd uiteindelijk met 4-5 het onderspit delft tegen de landskampioen uit München, maakt de frustratie al snel plaats voor trots. Deze club, dweept burgemeester Burkhard Jung, ‘staat symbool voor de opleving van een totale stad’.

    De neergang van Leipzig werd ingezet ten tijde van de DDR en bereikte haar dieptepunt bij de Duitse hereniging, toen hele reeksen fabrieken gesloten moesten worden. Nu laat de stad deze neergang 
niet alleen achter zich, maar zit ze weer in de lift, met een ongelooflijke dynamiek – en niet alleen in de Bundesliga. Jung heeft gelijk: RB is geen doekje voor het bloeden, maar staat symbool voor die bloei.

    Het zijn figuren zoals Naby Keita waardoor de mensen worden meegesleept. Aanvankelijk had hij zich in Leipzig eenzaam gevoeld, zo vertelt de 22-jarige middenvelder, die het voetbal leerde in de straten van de Guineese hoofdstad Conakry. Tegenwoordig 
is er vaak een hele entourage om de speler heen, vrienden en familie. Vooral dankzij maman, zijn 
moeder, voelt hij zich in Leipzig inmiddels thuis. Maar heel goed kent hij zijn nieuwe vaderstad nog niet. Daarvoor ontbreekt het hem aan tijd.

    Ook andere sterren houden van de stad. Ze hebben gehoord dat het er anders moet zijn dan elders in het oosten van Duitsland. In Berlijn of Hamburg hoor je vaak zeggen: ‘Als ik op een andere plek in Duitsland zou moeten wonen, dan alleen in Leipzig.’ Sommigen doen dat ook. Nog maar kort geleden kocht Elyas M’Barek, het tieneridool uit Fack Ju Göhte [een populaire Duitse filmkomedie uit 2013], die eigenlijk in München woont en vaak in Berlijn is, een villa aan 
de zuidkant van het centrum.

    Wel bijzonder: deze stad is niet klein te krijgen. Er steekt in haar iets dat steeds weer de kop opsteekt, naar de top, de wereld in. Die kwaliteit wekte niet alleen bewondering, maar ook jaloezie en nijd. De altijd felle Maarten Luther trok in de vroege jaren veertig van de zestiende eeuw al van leer tegen 
‘hoererij en woeker’ in de jaarbeursstad. Ook de zich als edelman voordoende August Maurer die brieven schreef over Leipzig im Taumel (Leipzig in roes), stelde het zedenverval aan de kaak. ‘Zo veel lage schepsels en verdorven meisjes kan men alleen aantreffen 
tijdens de Leipziger jaarbeurs’, schreef hij aan het eind van de achttiende eeuw.

    In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen 
ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide

    Maar met de start van de eenentwintigste eeuw begon de hype. Toen ontdekte The New York Times Leipzig als ‘the better Berlin’, tenminste voor jonge creatievelingen. Ook de Britse Guardian zag een stad ‘better than the capital’. Al gauw prezen alle lokale kranten ‘Hypezig’ de hemel in.

    Wie zich afvraagt wat deze stad heeft wat andere steden niet hebben, moet misschien maar eens een blik werpen op de menukaarten en de namen van nieuwe horecagelegenheden. Ook hieruit spreekt 
de geest van de stad. Königsberger Klopse (een Oost-Pruisische specialiteit) en ook de nodige gerechten met curry. Bier van hier en rum van ver, dat alles overgoten met een zoet smakend restje communistische saus.

    ‘Subbotnik’ heet een restaurant, genoemd naar de extra werkdag die de arbeiders in de Sovjet-Unie aan hun Partij moesten schenken. ‘Werk 2’ luidt de naam van een cultuurcentrum in het stadsdeel Connewitz. De grote fabriekspoort roept beelden op van de proletarische massa’s die hier ooit onderdoor liepen. Wie de DDR heeft meegemaakt, zal het zich zeker kunnen herinneren.

    Dat is het: de heimat, maar ook de wereld. In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen 
ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide.

    © HH
    © HH

    Iemand die zich hierdoor aangetrokken voelde, is Lizette Ardelean. Het is het oeroude verhaal van het zoeken naar de juiste plek om te wonen – een plek die schittert, die een belofte betekent. Ardelean is twintig als ze het Roemeense Oradea inruilt voor Leipzig.

    Drie jaar geleden is dat nu en ze belandt meteen 
in de legendarische katoenspinnerij van Plagwitz, een gigantische fabriek die een plek voor de kunsten werd. Galeries, ateliers van bekende schilders en tweemaal per jaar de zogeheten spinnerijrondgang. Dan trekt half Leipzig door haar wereldberoemde kunstfabriek en mengt de lokale bevolking zich 
tussen verzamelaars en kenners die van over de hele wereld komen. Bij de allereerste rondgang, zo vertellen de Leipzigers elkaar, zouden alle parkeerplekken voor privéjets op de luchthaven bezet zijn geweest.

    Ardelean woont een tijdje met een kunstenaarsechtpaar in hun loft in de spinnerij. ‘Een mooie tijd,’ zo herinnert ze zich. Ze krijgt van hen een fiets en in haar eerste zomer in Leipzig doet ze daarmee wat iedereen hier doet: de stad verkennen, overdag en ’s nachts. En ook de vele meren buiten de stad.

    Aan het eind van die eerste zomer begint ze met bloggen en zet ze een magazine op dat ze Effusive noemt. Nog altijd verwondert ze zich over het gemak waarmee zij als buitenlandse journaliste hier voet aan de grond kon krijgen. De mooie tijd in de spinnerij ligt achter haar; ze woont nu in het duidelijk minder hippe Altlindenau.

    Die wijk heeft twee gezichten, vertelt ze. Overdag 
is het er rustig, je ziet veel vriendelijke gezichten en treft er winkels aan die zo Oost-Duits aandoen dat sommige toeristen denken dat deze speciaal voor hen zijn ingericht. Maar het is gewoon nooit gestopt – de lampen, de behangsels, de ragouts en dat typische DDR-softijs, het is er allemaal gewoon nog. Maar wanneer de zon onder is, toont de wijk zich van zijn minder vriendelijke kant – dan slaan de bierglazen tegen de stoep en trekt de wijk nachtbrakers en zwervers aan.

    Goedkope huren, goedkoop bier

    Hier wonen studenten, creatievelingen, jonge gezinnen. Bij Subbotnik kost een biertje 1,80 euro. Goedkope huren, goedkoop bier – voor veel studenten twee goede redenen om naar Leipzig te komen. Maar ook hier is verandering merkbaar, stijgen de huren en dus trekken veel mensen weer weg.

    Maar dat geldt niet voor Lara Rüter. Voor nog geen 1000 euro kan zij in Eutritzsch leven, een stadsdeel in het noorden van Leipzig. Voor een metropool 
zoals Berlijn zou zoiets onvoorstelbaar zijn. De 26-jarige vrouw studeert aan het Duitse Instituut voor Literatuur. Ze is geboren in Hannover en belandde via Hildesheim en Berlijn in Leipzig. ‘Hier is mijn thuis,’ zegt ze over haar tweede vaderstad.

    Het instituut waarvan de oorsprong teruggaat op 
het jaar 1955, is vergeleken bij de eerbiedwaardige bakens van Leipziger cultuur zoals het Gewandhaus (concertgebouw) en het koor van de Thomaskerk (waarvoor Johann Sebastian Bach als cantor werkte) bepaald jong. Afgestudeerd aan het instituut zijn onder meer Clemens Meyer en Juli Zeh [allebei 
succesvolle Duitse romanschrijvers].

    Ook blogster Ardelean wil studeren. Fotografie, aan de Hogeschool voor Grafiek en Boekkunst, een van 
de oudste openbare kunstacademies van Duitsland. Berlijn is haar te groot, zegt ze. In Leipzig maak je gemakkelijker vrienden. Leipzig is het Berlijn voor 
de lafaards, zeggen spotters.

    De Leipzigers – ook de nieuwe – ergeren zich over 
al die vergelijkingen met Berlijn. Voor een traditiebewuste Saks is Berlijn een parvenu: als grote stad nog geen honderdvijftig jaar oud. Vergelijk dat eens met Leipzig, dat in haar duizendjarige geschiedenis al vaak in een heel andere divisie speelde. De stad beschikt over een aanzienlijk niveau en ligt ‘een paar flinke mijlen boven de cultuurzeespiegel Berlijn’, schreef de grote journalist Joseph Roth in een reisrapportage uit 1922. ‘Leipzig is de literaire graanschuur van de Duitse landen. Vanuit hier gaan 
lectuur en lexicon de wereld over. Met name deze stad maakte van het Duitse Rijk het land van de meeste geletterden.’

    Jongeren in een plantsoen bij het Thomaskirchhof, in de oude binnenstad. – © Bram Belloni / HH
    Jongeren in een plantsoen bij het Thomaskirchhof, in de oude binnenstad. – © Bram Belloni / HH

    Maar ook in recentere tijden heeft Leipzig goede redenen voor een solide zelfbewustzijn tegenover de hoofdstad. In de herfst van 1989, toen de maandagse demonstraties aanzwollen en uiteindelijk tienduizenden Wir sind das Volk roepend over de ringweg rond de binnenstad trokken, was het Leipzig dat 
als Heldenstadt gevierd werd. en niet Berlijn, waar de SED-elites erin slaagden het protest min of meer in de hand te houden.

    En zo staat niet Berlijn maar juist Leipzig voor de vrijheidsrevolutie van 1989. Rebels was de stad altijd al. In 1965 gingen bij de zogenaamde Beatkrawalle honderden de straat op om te protesteren tegen 
het verbod op beatmuziek – maar liefst 54 van de 
58 officieel geregistreerde bands in de stad werden 
toen verboden.

    Toen Siegfried Bülow aan het begin van de jaren negentig in het weekend terugkeerde naar zijn 
flat in Chemnitz en vanaf zijn balkon op de elfde verdieping uitkeek over het Ertsgebergte, dacht hij dat het hem gelukt was. De in 1952 geboren Saks had al tijdens de DDR carrière gemaakt. Na een opleiding tot instrumentmaker studeerde hij machinebouw 
en schopte het tot directeur van de Chemnitzer Motorenwerke.

    Toen later het Volkswagenconcern het bedrijf overnam, bood deze autofabrikant ook Bülow een baan aan. Hoewel automan Bülow nu moest pendelen tussen Chemnitz en Wolfsburg, was hij toch tevreden. Heel wat van zijn collega’s werkten in bedrijven van de Treuhandanstalt (het agentschap dat na de hereniging van Duitsland Oost-Duitse ondernemingen privatiseerde) en wisten niet wat de toekomst zou brengen. Anderen konden niet meekomen in het kapitalistische systeem en raakten werkloos. Bülow daarentegen was een gewild man. Op een dag in 1999 ging zijn telefoon, en een man aan de lijn vroeg: ‘Een groot autobedrijf wil in het oosten, bij u in de buurt, een fabriek bouwen. Hebt u belangstelling?’

    Bülow had belangstelling. Wat hij aanvankelijk niet wist, was dat de headhunter het over Porsche had. Porsche! Een schitterend merk dat voor passie staat, een autobouwer die in heel de wereld uiterst winstgevend is. Uitgerekend voor dit concern moest Bülow, ooit verantwoordelijk voor de montage van 
de Barkas, het logge DDR-bestelbusje, een nieuw 
productiebedrijf opbouwen. In februari 2000 werd 
in een maisveld vlak bij de luchthaven van Leipzig 
de eerste steen voor de nieuwe fabriek gelegd, die in augustus 2002 feestelijk werd geopend. Het was 
een tijd waarin alles mogelijk leek. ‘De stemming was euforisch,’ herinnert Bülow zich. Een baan bij Porsche Leipzig GmbH, zoals de firma heet, was een lot uit de loterij.

    Later zou de vestiging een keerpunt blijken te zijn 
in de economische geschiedenis van de stad. Vlak voor de arbeiders- en boerenrepubliek ten onderging, kende de Leipziger industrie nog meer dan honderdduizend arbeidsplaatsen. Veel daarvan waren allang niet meer concurrerend.

    Een jongetje op een fototentoonstelling in een oude fabriek. – © HH
    Een jongetje op een fototentoonstelling in een oude fabriek. – © HH

    Toen de muur viel en het kapitalisme zijn intrek nam, ging het pijlsnel bergafwaarts. Er bleven nog geen negenduizend banen over, veel te weinig om de stad van een half miljoen inwoners te onderhouden.

    Toen kwam Porsche – en daarna algauw ook BMW. Alleen al de autofabrikanten schiepen meer dan tienduizend banen. Beide fabrieken liggen maar 13 kilometer van elkaar vandaan. Langs de A14, aan de noordrand van de stad, rijgen de bedrijven zich 
als parels aaneen. Amazon heeft een groot logistiek centrum gebouwd en pakketdienst DHL heeft de luchthaven uitgebouwd tot het op vier na grootste vrachtvliegveld van Europa.

    Sinds 1991 was het werkloosheidspercentage in 
Leipzig nog nooit zo laag, momenteel ligt het op 7,7 procent. Ter vergelijking: in 2002 lag het rond de 20 procent. Tussen 2010 en 2015 liet de jaarbeursstad een groei zien van ruim 17 procent op een aantal van bijna 250.000 werknemers. Daarmee staat Leipzig 
in Duitsland bovenaan, nog voor München.

    Ook vanwege de werkgelegenheid komen elk jaar duizenden mensen naar de stad. In de afgelopen vijf jaar kwamen er 62.000 nieuwe inwoners bij – een groei die geen enkele andere grote Duitse stad kan laten zien. En waarmee niemand had gerekend.

    In 2005 werd aan de Humboldtuniversiteit van Berlijn nog een proefschrift verdedigd over ‘gemeentepolitiek in krimpsteden’. Daarin werd Leipzig vergeleken met Duisburg, beide steden werden als een extreem voorbeeld van demografische neergang beschreven. En dat klopte ook: met haar inwonertal was Leipzig in 1998 afgegleden naar plaats vijftien. Maar vervolgens haalde de Saksische metropool eerst Dresden in, toen Neurenberg en daarna Duisburg, Hannover en Bremen. Vaststaat dat de stad binnenkort ook Essen en Dortmund achter zich zal laten. Daarmee is het de op zeven na grootste stad van het land. Momenteel telt Leipzig bijna 584.000 inwoners; voor het jaar 2030 rekent men op het stadhuis op 722.000.

    In plaats van krimpen is het dus groeien wat de klok slaat. Overal ontstaan nieuwe stadswijkjes, zoals vlak naast het centraal station, aan de Lindenauer Hafen of bij de Bayerischer Bahnhof. Leipzig beleeft op dit moment een nieuwe Gründerzeit (de tijd van grote economische opbloei in Duitsland na de stichting van het keizerrijk in 1871).

    Na de orkestrepetitie, als niemand kijkt, maakt de Letse dirigent Andris Nelsons een radslag. Niet zo perfect als bij een ballerina, maar toch een prima radslag; zijn zwarte overhemd glipt daarbij een stukje uit zijn zwarte broek. Soms draagt Nelsons onder zijn zwarte overhemd een wit T-shirt, dan komt het wit achter zijn openstaande boord tevoorschijn en heeft hij wel iets weg van een geestelijke.

    In zekere zin, zegt Nelsons, is een dirigent ook missionaris, bemiddelaar tussen twee werelden, die van de orkestleden en die van het publiek. Met name in Leipzig, de stad met zo’n unieke muzikale traditie, werkt dat goed. De betrekkelijk geringe omvang van de stad, heel compact ook, is voor hem als kunstenaar perfect. ‘Hier kan ik veel mensen bereiken.’ 
Ook op het leven hier verheugt hij zich al.

    In het komende seizoen, waarin het Gewandhausorchester zijn 275e verjaardag viert, zal Nelsons 
Riccardo Chailly opvolgen als dirigent. Daarmee treedt hij toe tot een traditie die bepaald glanst van grote namen – van Felix Mendelssohn Bartholdy en Wilhem Furtwängler tot Kurt Masur. Een traditie die een minder van zijn missie overtuigde man de moed in de schoenen zou doen zinken.

    Nelsons gaat er enthousiast aan staan. Het is natuurlijk ook prestigieus, zo geeft hij toe, om 
hier te mogen werken. Hij is in 1978 geboren in de 
Sovjet-Unie, maar wel in het nooit helemaal door Sovjet-Rusland gevormde Riga. En ja, tot op zekere hoogte doet Leipzig, dat ooit achter het IJzeren 
Gordijn lag, hem denken aan zijn vaderland.
    Sinds drie jaar is hij chef-dirigent van het Boston Symphony Orchestra – daar hing al enigszins een Leipzig-achtige geur. Want de Symphony Hall in Boston werd ooit gemodelleerd naar het oude concertgebouw van de jaarbeursstad. Nelsons zal zowel in Boston als in Leipzig dirigeren – en slaat zo een heel eigen Atlantische brug tussen evenbeeld en voorbeeld. Wanneer hij die avond voor een uitverkochte zaal zijn orkest aanvuurt en intoomt, en zelf tot het uiterste gaat, danst hij er zelfs iets bij.

    Gentrificering en misdaad

    Leipzig danst, Leipzig bloeit. Voorbij zijn de tijden waarin de stad in de Berlijnse kranten met advertenties als ‘Kom naar Leipzig, wij hebben ruimte’ naar inwoners hengelde. In de stad met haar kolossale huizen, hoge plafonds en ooit voordelige huren, wordt het krapper en duurder. Er gebeurt wat er altijd in zo’n situatie gebeurt. Sommige kunstenaars trekken een wijk verder oostwaarts, naar Leipzig-Neustadt, naar de beruchte Eisenbahnstraße.

    Het is een wedloop – ook investeerders slapen niet. Ze zien in een van de laatste nog niet gegentrificeerde wijken uit de Gründerzeit een goudmijn, ondanks de criminaliteitscijfers die er hoger zijn 
dan waar ook in het land.

    Leipzig lijkt inderdaad een bijzondere aantrekkingskracht uit te oefenen op criminelen. De stad staat op plaats twee, niet alleen in de Bundesliga, maar ook in de ranking van gevaarlijkste Duitse steden. Vorig jaar kende de stad op elke 100.000 inwoners 15.811 misdrijven. Meer dan in Hannover (15.764 delicten), meer zelfs dan in Frankfurt am Main (15.671), jarenlang 
in Duitsland het bolwerk van criminaliteit. Alleen Berlijn doet het met 16.161 delicten nog slechter.

    Leipzig, zo zeggen cynici, is allang het kleine Chicago van de Bondsrepubliek. De bijna 89.000 misdrijven in 2016 betekenden een stijging van 20 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Vooral de cijfers van eigendomsdelicten, diefstallen en woninginbraken vliegen omhoog. Met name de drugsscene zorgt 
voor problemen. Leipzig ligt in het centrum van drugsstromen in het midden van Duitsland, zegt 
een woordvoerder.

    De stad is ook altijd weer een politiek slachtveld. Links tegen rechts. Links tegen de staat. Rechts tegen de staat. Eind 2015 escaleerde de situatie bij een demonstratie van neonazi’s, toen meer dan tweeduizend linkse tegendemonstranten hevig 
slag leverden met de politie. Tientallen agenten raakten daarbij gewond.

    Duizenden spoelen zingen, honderden wolkammachines ratelen in de stoffige, verstikkende lucht, een oorverdovend lawaai. Grote, oude industrie – 
de Leipziger katoenspinnerij, de grootste in zijn soort op het Europese continent. Hier werkten in 1989 nog bijna 1700 mensen, in meerderheid vrouwen. Een van de jonge vrouwen was Katrin Heichel, en soms maakt het leven merkwaardige capriolen, soms lukt zelfs een synchroonsprong. De sprong vanuit een huishoudschort naar het cultuurbezeten heden, ze hebben hem beide synchroon uitgevoerd: de oude spinnerij die een kunstfabriek werd en de jonge vrouw die er werd opgeleid tot vakarbeider textiel en die later schilderes werd. ‘Ik droomde er tijdens mijn werk altijd al van dat op deze plek ooit cultuur geschapen en gestimuleerd zou worden,’ zegt ze.

    Nu is Heichel 45. Ze staat in haar atelier, naar eigen zeggen een van de laatste vrijplaatsen in het centrum van Leipzig. Ze is in deze stad geboren en groeide op in de burgerlijke wijk Gohlis. Ten tijde 
van de DDR was Leipzig een grauwe stad, vertelt ze, in het zuiden werd bruinkool ontgonnen. Ze moest voortijdig van school, naar eigen zeggen ongewild: te eigenzinnig en onaangepast. Naast Heichels ateliergemeenschap moet nu een kinderdagverblijf 
verrijzen. ‘Daarvoor worden veel oude bomen gerooid,’ zegt ze boos. De schilderes is een van die Leipzigers met een donkerbruin vermoeden dat het binnenkort wel eens voorbij zou kunnen zijn met 
de postsocialistische coolness van de stad – met de vreedzame co-existentie van vroeger en nu, met goedkope ateliers en nostalgie met een knipoog.

    De liefde voor haar vaderstad heeft min of meer plaatsgemaakt voor woede, zegt Heichel. De stad is gewoon te gladjes geworden. Te perfect, te gehypet.

    Leipzig groeit niet alleen door zijn immigranten, ook de babyboom gaat onverminderd door. Sinds 2014 worden er meer mensen geboren dan er overlijden. In combinatie met de trek van vooral jonge volwassenen naar de stad leidt dit ertoe dat de gemiddelde leeftijd van de bevolking daalt. Leipzig is een jonge stad.

    Auteurs: Annelie Naumann en Ibrahim Naber

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.