Tag: hipsters

  • Waarom Amerikaanse immigranten zo dol zijn op Ferrero Rocher

    Waarom Amerikaanse immigranten zo dol zijn op Ferrero Rocher

    Voor Liana Aghajanian vormden de in goudfolie verpakte chocoladebolletjes in de jaren tachtig en negentig hét symbool van het goede leven in de VS. Dit gevoel bleek universeel onder immigranten.

    Voor mij en vele andere immigranten is leven in Amerika nauw verbonden met Ferrero Rocher. Ik kwam aan het einde van de jaren tachtig met mijn ouders vanuit het Midden-Oosten naar de Verenigde Staten. We waren Iraans-Armeense vluchtelingen die na de oorlog tussen Irak en Iran een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Zoals zoveel andere immigrantengezinnen omarmden we onwennig onze nieuwe, vreemde Amerikaanse identiteit terwijl we ons vastklampten aan de oude, die ons duizenden jaren lang van een bestaan had verzekerd.

    Naast de Amerikaanse dollar en de Iraanse toman was Ferrero Rocher het derde wettige betaalmiddel dat voor mij heilig en reëel was. De in goudfolie verpakte zoete lekkernij was een glanzend bolletje waarin tussen laagjes chocoladevulling en stukjes hazelnoot de pijn, de vreugde en de dromen van immigranten schuilgingen. Het was een verholen handdruk, een teken van respect en goede smaak. Het was een symbool van het ‘goede leven’, iets wat als geen andere eetwaar stond voor sociaaleconomische aspiraties.

    De meeste Amerikanen kennen Ferrero Rocher tegenwoordig van Nutella, maar lang voordat die hazelnootcrème als ingrediënt in bijna elk recept voor een hip dessert voorkwam, was de uitwisseling van een doosje Ferrero Rocher (met 48 stuks erin als je geluk had) een geheime, universele taal onder immigranten uit de jaren tachtig en negentig. Die was in zwang in de o zo gastvrije cultuur van je familie: je ging nooit zonder lege handen bij iemand langs, zelfs al waren het onbekenden. En nam je Ferrero Rocher mee, dan wisten je gastheren zeker dat ze met jou op goud gestuit waren. Ook stond de lekkernij steevast op tafel bij immigranten thuis, waar ze werd gepresenteerd ter ere van de gasten.

    Bij schrijfster Tasbeeh Herwees en haar Libisch-Amerikaanse familie hadden ze dankzij haar moeder altijd Ferrero Rocher in huis, maar was het een soort verboden vrucht die was voorbehouden aan bezoekers. ‘Het was het soort chocola dat ze altijd ergens verstopte,’ zegt ze. ‘Ze werd hels als we aan haar voorraad Ferrero Rocher kwamen.’ Herwees groeide in het Californische Culver City op in een appartementencomplex waar alleen maar Libisch-Amerikaanse gezinnen woonden, allemaal met een schaaltje Ferrero Rocher op tafel voor de gasten. Ze associeerde het chocoladesnoepje met de Libische cultuur, want ze hadden het alleen bij haar thuis, op Libisch-Amerikaanse bruiloften en in Libië zelf. ‘Ik had een tante die altijd een Ferrero Rocher tevoorschijn toverde wanneer ik bij haar langsging. Ik kon ervan op aan dat ze ze in huis had,’ zegt ze. ‘Daardoor werd ze een van mijn favoriete tantes. Voor mij had het iets decadents. Zelfs wanneer ik er nu een eet, heeft het nog iets speciaals.’


    De hevige emotionele reactie die dit ene chocolaatje bij immigrantengezinnen opriep was universeel. Hun leven was doortrokken van oorlog, geweld, politieke onrust en sociaaleconomische ongelijkheid. Terwijl hun wereld veranderde, was Ferrero Rocher een constante factor, een toegankelijke brug tussen heden en verleden. Inmiddels is het een nostalgische herinnering aan wat het voor immigrantenkinderen zoals ik betekende om in Amerika op te groeien.

    Ook al zit er goudfolie om het snoepje, de maker was van eenvoudige komaf. (Niettemin bleek het vermogen van de erfgenamen van het Ferrero-Rocher-imperium uiteindelijk meer dan 20 miljard dollar waard.) Toen aartsvader Pietro Ferrero tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn banketbakkerszaak dreef, waren ingrediënten als chocola schaars. Vandaar dat hij ter compensatie hazelnoten toevoegde. Het smeersel dat hij uitvond heette eerst SuperCrema voordat het begin jaren zestig werd omgedoopt tot Nutella, een combinatie van het woord voor ‘noot’ en het Italiaanse achtervoegsel waarmee iets zoets wordt aangeduid, ella.

    Ferrero Rocher kwam in 1982 in Europa op de markt. Een variant met kokosnoot en amandel, Raffaello, volgde acht jaar later. Pietro’s zoon Michele, die de eer toekomt dat hij het buitenste chocoladelaagje toevoegde, was een vrome katholiek die elk jaar een pelgrimage naar het Franse heiligdom Lourdes ondernam. Toen hij op Valentijnsdag 2015 op negentachtigjarige leeftijd overleed, werd bekend dat zijn inspiratie voor Ferrero Rocher de Roc de Massabielle was geweest, een bolvormige grot in Lourdes waar de maagd Maria zou zijn verschenen aan de heilige Bernadette, een veertienjarige boerenmeisje dat hout aan het sprokkelen was.

    Het is dus niet zo vreemd dat het eten van een Ferrero Rocher een welhaast religieuze ervaring is. Onder de chocola en de stukjes hazelnoot zit een dun, krokant korstje, met daar weer onder een klodder romige, Nutella-achtige chocola. In het midden bevindt zich één hele hazelnoot, als het beeld van de Notre Dame van Lourdes in de grot waar Maria aan Bernadette verscheen.

    Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep

    Maar hoe kon een religieus geïnspireerd Italiaans snoepje zo geliefd worden onder Amerikaanse immigranten? Zoals zo vaak heeft het antwoord alles te maken met marketing. Terwijl andere fabrikanten van chocoladesnoepjes, bijvoorbeeld Godiva, zich in luxueuze winkelcentra positioneerden, was Ferrero Rocher overal te vinden in etnische supermarkten die het snoepje importeerden, en uiteindelijk ook in goedkope Amerikaanse drogistenketens als CVS en Rite Aid. Het had meer glans en was duurder dan Whitman’s en Russell Stover en het had dat exotische vleugje Europese verfijning, waardoor het op slag een betaalbaar luxeartikel werd. ‘Het lekkerste chocolaatje ooit!’ aldus Amerikaanse advertenties voor Ferrero Rocher, en we konden er geen genoeg van krijgen. Het werkte. Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep.

    In een poging de internationale chocolademarkt te domineren bouwde Ferrero Rocher fabrieken en productiecentra in Oost-Europa, Azië, het Midden-Oosten en Afrika. De lekkernij drong door tot het onderbewustzijn van Roemenen, Indiërs, Armeniërs, Libanezen, Chinezen, Nigerianen en vele anderen die zich door de aura van het geïmporteerde luxeartikel aangesproken voelden. In Hongkong, waar het chocolaatje bekendstaat als ‘goudzand’, vertegenwoordigde het van meet af aan een bepaalde sociale status. Zakenlieden uit Hongkong brachten het als geschenk mee naar het vasteland van China, vooral met Chinees Nieuwjaar. ‘De Hongkongse cadeautraditie en -gebruiken werden gretig overgenomen, vooral door de 80 miljoen Chinezen in Guangdong, en zo ontstond de band tussen Ferrero Rocher en de Chinese geschenktraditie,’ schreef Lawrence L. Allen in Chocolate Fortunes: The Battle for the Hearts, Minds, and Wallets of China’s Consumers. Chinese handelsbeperkingen hielden Ferrero Rocher eerst nog buiten de deur. Toen het snoepgoed in 2007 ten slotte toch voet aan de grond kreeg, waren er al nepversies in omloop. Een populaire was volgens Allen Fretate Relish, een andere Tressore Dore, dat in 2008 gedwongen werd de productie te staken en het Italiaanse bedrijf een schadevergoeding van 43.000 dollar moest betalen.

    Alice Chung, van wie de ouders vlak voor haar geboorte in 1984 vanuit Hongkong naar de VS emigreerden, herinnert zich het in ‘goud verpakte chocolaatje’ als een essentieel onderdeel van haar kindertijd. Ze weet nog dat haar ouders grote partijen bij Costco en Price Club insloegen. Niet alleen hadden ze altijd Ferrero Rochers in huis – en verstopten ze die zelfs omdat ze zo gewild waren –, ze namen ze ook in hun koffer mee naar China, tot groot genoegen van hun familie. ‘De verpakking is simpel, maar feit is dat we op goud belust zijn,’ zegt ze. ‘Het staat voor de voorspoed en de rijkdom die we anderen toewensen.’

    De liefde voor Ferrero Rocher is zo groot dat het snoepje zelfs als smeergeld wordt gebruikt. Een Ferrero-Rocher-liefhebber die halverwege de jaren negentig in Oekraïne woonde en anoniem wenst te blijven, vertelde dat hij als tolk uitstapjes en vervoer begon te regelen voor wie steden als Kiev en Charkov wilde bezoeken. Toen hij een keer op zeer korte termijn een verzoek voor zo’n reisje kreeg, waar speciale reserveringen voor nodig waren die niet alleen duurder bleken, maar ook uitsluitend weggelegd voor de hogere kringen, verzon hij een list. ‘Ik wilde best meer betalen, maar nam ook een bos bloemen of een doosje Rafaello’s of Ferrero’s mee naar het reisbureau, want die waren in Oekraïne helemaal je van het. De medewerkers waren diep onder de indruk,’ zegt hij. ‘De meesten zijn vrouwen die vaak overwerken zonder daarvoor betaald te krijgen, want de economie van Oekraïne is een zootje. Chocolaatjes en wat extra geld was beter dan extra geld zonder chocolaatjes. Het heeft diverse malen gewerkt.’

    Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.
    Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.

    Of we nu wel of geen Ferrero Rochers kregen of weggaven, ik vond altijd wel een manier om er een te jatten van een tafel vol zelfgebakken taart, dadels, noten en overvloedige hoeveelheden van de stroperige koffie die overal in het Midden-Oosten wordt gedronken. Dan at ik hem heel langzaam op, een eindeloos proces, wat iemand mogelijk op het idee bracht dat ik ondervoed was. Ik at me door elk laagje van het gouden ei heen totdat ik bij de hazelnoot in het midden was aanbeland. Ik wilde dat het eeuwig duurde, maar dat is nooit gebeurd. Als ik geen geduld had, slokte ik hem in één hap op, wat evenveel voldoening gaf. Daarna pulkte ik de stickertjes met ‘Ferrero Rocher’ in gouden letters van het doosje en plakte ze op mijn kleren, als een naambadge.

    De aantrekkingskracht was alleen niet zo universeel als ik dacht, en waarschijnlijk geeft niets de minachting voor Ferrero Rocher beter weer dan de uitzinnige reactie op de beruchte reclame die bekendstaat als ‘het ambassadeursfeestje’ en die in 1993 voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk werd vertoond. Hij vervulde het klassenbewuste Britse publiek, dat zich lang voor de Brexit al niet erg Europees voelde, met afschuw. De commercial, met beroerde nasynchronisatie en de gezwollen achtergrondmuziek van een Italiaanse soap, speelt zich af op de receptie in een anonieme Europese ambassadeursresidentie. Een plichtgetrouwe butler loopt door de zaal met een berg Ferrero Rochers op een dienblad en palmt de zwijmelende internationale gasten in, onder wie een Française: ‘Monsieur, wiz zis Rocher you are really spoiling us!’

    Met één iconisch zinnetje werden het chocolaatje én de merkpositionering op verrukkelijke wijze belachelijk gemaakt en voor eeuwig opgestoten in de Britse popcultuur. Achttien jaar geleden sprak William Cook in een artikel over de commercial in de New Statesman van de ‘eeuwige spagaat tussen de mythe van het ambassadeleven en de realiteit van de winkel op de hoek’. De boodschap van hang naar luxe en goede smaak was in de ogen van sommigen juist smakeloos. ‘Britse kijkers maken zich vaak vrolijk óver buitenlanders, niet mét buitenlanders,’ schreef Cook.

    Kapitalistisch spel

    Tientallen jaren later is de reclame-die-zo-slecht-was-dat-hij-weer-goed-werd en die compleet over the top is grappiger dan ooit. Maar juist die spanning tussen mythe en werkelijkheid sprak immigranten zo aan: wat fantastisch dat je je een luxeartikel kon permitteren met daaraan de herinnering dat je het al je hele leven met je familie deelde. Misschien was het gewoon niet te bevatten voor mensen die nooit door een verhuizing waren gedwongen hun in de loop van generaties gevormde welvaart en cultuur vaarwel te zeggen.

    Ferrero Rocher speelde in op die relatie, bijvoorbeeld door het product in verband te brengen met het hindoeïstische lichtjesfeest Divali. ‘Waarom hebben we het zo speciaal gemaakt?’ zegt de voice-over van een in India uitgezonden commercial. ‘Omdat we weten hoe speciaal het is om met Divali bij je dierbaren te zijn.’ Het was een geniale zet in het wereldwijde kapitalistische spel, precies wat mijn familie nodig had toen we destijds de enorme veranderingen in ons leven doormaakten die ons thuisgevoel langzaam uitholden.

    Tegenwoordig is de Ferrero Group niet alleen doorgedrongen tot de Amerikaanse markt, hij neemt die ook over. Eerder dit jaar kocht het bedrijf voedingsconcern Nestlé voor een slordige 2,8 miljard dollar nadat het eerder al Fannie May Confections voor 115 miljoen dollar had overgenomen, evenals gomproducent Ferrara Candy Company. Het afgelopen jaar noteerde de Ferrero Group volgens het vakblad voor de snoepindustrie Confectionary News een wereldwijde omzet van 12,96 miljard dollar. In de VS is Ferrero Rocher volgens marketingdirecteur Shalini Stansberry van Ferrero Premium Chocolates USA het op drie na grootste chocolademerk.

    In een tijd vol jarennegentignostalgie en met een hevig Amerikaans immigratiedebat speelt Ferrero Rocher nog net zo’n grote rol in mijn leven als toen ik opgroeide. Ik koop de chocolaatjes nog altijd en neem ze nog steeds mee wanneer ik bij iemand op bezoek ga, zoals mijn ouders dat deden. Ik mag graag denken dat de Amerikaanse immigrantenbevolking Ferrero Rocher aan zijn succes in dat land heeft geholpen, zoals het ons ook ooit van dienst is geweest.

    Auteur: Liana Aghajanian
    Vertaler: Nico Groen

    Liana Aghajanian is een Armeens-Amerikaanse journalist. Ze is gespecialiseerd in narratieve journalistiek en internationale verslaggeving. Aghajanian werd geboren in Iran, en groeide op in Los Angeles.

    Thrillist.com
    VS | thrillist.com

    Opgericht in 2004. Amerikaanse website over eten, drinken, reizen en entertainment.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    antigone

    LITERATUUR | Griekse tragedie 
in tijden van IS

    Kamila Shamsie over moslims, migratie, terrorisme en verraad

    In Sophocles’ tragedie Antigone moet de gelijknamige hoofdpersoon, dochter van Oedipus, besluiten of ze het lijk van haar jongere broer, die hun beider broer verraden heeft, zal begraven of laten liggen om door de honden te worden verslonden, zoals de koning gebiedt te doen met verraders. Net als Antigone neigde men in het Oude Griekenland naar phusis, natuurwetten, boven nomos, door de mens gemaakte wetten.

    De Pakistaans-Britse schrijfster Kamila Shamsie, winnaar van o.a. een prestigieuze literatuurprijs in haar land van herkomst en groot theaterliefhebber, werd benaderd voor een remake van het toneelstuk, wat resulteerde in de roman Home Fire. In dit geval sluit de verradende broer zich aan bij een tak van de IS. Hun vader verwerkte geen kinderen bij zijn moeder, maar kwam als jihadstrijder om toen hij na een marteling naar Guantánamo werd overgeplaatst. De Washington Post vat het dilemma samen als ‘Wat is de verantwoordelijkheid van een zus voor haar voor IS strijdende broer’?

    The Guardian vindt het slim van Shamsie om het immigratieprobleem te benaderen middels een verhaal dat zo verankerd is in de westerse canon, al is deze strategie soms ook geforceerd: ‘De actualiteit van het verhaal strookt niet altijd met de tijdloosheid van het stuk, en het noodlot is moeilijk te rijmen met de individuele keuzes van de personages.’

    Peter Ho Davies van The New York Times is verdeeld over Shamsies poëtische taalgebruik ‘dat soms een eigen leven gaat lijden’: na een citaat van een alinea over het woord verdriet verzucht hij ‘Laat dat verdriet toch met rust’. Maar hij prijst haar vermogen ‘de benarde positie van Britse moslims’ op humoristische wijze in taal te vatten. Bijvoorbeeld in de beginscène, waarin oudste zus Isma urenlang wordt ondervraagd als ze voor haar PhD naar Amerika wil reizen en haar spullen ‘zo grondig worden gecheckt dat de douanebeambten niet zozeer naar verborgen vakken op zoek lijken als wel de kwaliteit van de materialen willen beoordelen’. Ook introduceert ze het begrip GWM: Googling while Muslim.

    Haar eigen Googlezoektocht naar IS-strijders had Shamsie nooit aangedurfd als ze vóór het schrijven van de roman niet haar verblijfsvergunning had gekregen, zegt ze in een interview met Vogue. The Irish Times prijst desalniettemin haar moed om onder ogen te zien dat ‘alle partijen schuld hebben’. ‘Personages, ook gezaghebbers, worden vaak sympathiek afgeschilderd doordat hun eigen morele dilemma’s aan het licht komen. Deze omzeiling van clichés zal sommigen aanspreken, maar de woede wekken van lezers die een meer zwart-witbenadering verlangen van terroristen versus niet-terroristen, moslims versus niet-moslims, de staat versus de burgers.’

    Tragediegetrouw moet het einde van Home Fire zo ‘schokkend’ (Publisher’s Weekly) en ‘explosief’ (New Statesman) zijn dat recensenten zich geen spoiler alerts veroorloven. Rahul Jacob van Financial Times verklapt alleen dat hij de roman twee keer las om tot de juiste interpretatie te komen. Davies (NYT) verwijst naar een scène uit de film Pather Panchali, waarin het huilen van twee ouders om hun overleden dochter overgaat in ‘hoge, schelle muziek, die klinkt als de schreeuw van de ziel’, en besluit met: ‘Er klinkt hoge, schelle muziek aan het einde van Home Fire.’

    Huis is brand verschijnt begin mei in een vertaling van Anne Jongeling bij Uitgeverij Signatuur.

    images 2

    FOTOGRAFIE | De hipsters van 1849

    ‘Deze foto’s zijn niet oud. Wij zijn oud’

    170 jaar geleden werd Californië ook al bevolkt door hipsters, getuige de portretten op de tentoonstelling Gold and Silver, vanaf 20 april te zien in fotomuseum Foam. ‘Zowel hun haardracht als hun uitstraling en zelfs hun kleding’ komen volgens The Guardian overeen. Dit was de tijd van de Californische goudrush, die begon nadat houthakker James W. Marshall in 1848 het edelmetaal aantrof in het plaatsje Colomo in Californië. Honderdduizenden mannen, de zogenaamde 49ers, lieten hun gezinnen achter en legden de gevaarlijke reis af naar het toen nog ruige gebied, waar geen claimrecht bestond en het goud dus haast letterlijk en figuurlijk voor het oprapen lag. ‘Jongemannen met een zucht naar wetteloosheid en bezit’, noemt Sarah Moz de geportretteerden in The New York Times. The Guardian typeert ze als ‘artistieke avonturiers’.

    Dit was immers ook de tijd van de daguerreotypie, een fotografische techniek die gebruikmaakt van een zilverplaat en tien jaar eerder aan de andere kant van de oceaan, in Parijs, werd uitgevonden. Werd dit in Frankrijk beschouwd als een puur wetenschappelijke ontwikkeling die sowieso inferieur was aan de schilderkunst, schrijft HyperAllergic, de Amerikanen zagen het als democratische zege dat portretten nu niet langer waren voorbehouden aan de aristocratie, en de goudzoekers waren de eerste groep die zich massaal liet fotograferen, meestal vlak na aankomst of vlak voor vertrek.

    ‘Denk je bij oude foto’s aan stoffig, gelig en saai, deze portretten ontkrachten dat vooroordeel volledig’, aldus Moz in_ NYT._ In een interview met BJP vergelijkt Luce Lebart, samensteller van het boek Gold and Silver (en aanwezig bij de opening in Amsterdam) de opkomst van fotografie in dit tijdperk met de opkomst van virtual reality nu. ‘Die foto’s zijn niet oud, ze zijn de jeugd van het medium. Wij zijn oud.’

    Ook de bewerking van de foto’s doet eigentijds aan, schrijft Moz. ‘Een mix van koper en brons moest accessoires als boutonnières of horloges accentueren, zoals dat nu in grafische vormgeving gebeurt.’ Het opvallende kleurgebruik deed schilder Samuel Morse de daguerrotypieën in een brief uit 1839 als ‘ware Rembrandts’ bestempelen. Lebart beaamt tegen BJP dat de contrasten en details ‘onbeschrijfelijk’ zijn, evenals de blikken, waarin volgens Daily Mail vaak ‘de beloften van gouden bergen’ doorschemeren. En soms de desillusie. Vanaf 1856 werd de winning van goud steeds bewerkelijker en droogde de toestroom van gelukszoekers op. Maar de reputatie van Californië als goudkust was gevestigd.


    FILM | Alles wat je verwachtte en meer

    Poëtisch drieluik van Samuel Maoz

    Hoe hoog je verwachtingen ook zijn, deze film maakt ze waar en overtreft ze, begint Kenneth Turan zijn recensie van Foxtrot, de nieuwe film van de Israëlische filmmaker Samuel Maoz, in de LA Times. En met acht Ophirs in eigen land, een Zilveren Leeuw in Venetië, een nominatie voor de Academy Award en veel lof voor zijn vorige film Lebanon (2009), vervolgt hij, is er best wat reden voor hooggespannen verwachtingen.

    Ook dat de Israëlische minister van Cultuur, Miri Regev, de film in Haaretz’ woorden ‘de oorlog verklaarde’ is voor velen een aanbeveling. Regev probeerde de organisatie van het Israeli Film Festival in Parijs ertoe over te halen een andere openingsfilm te kiezen, waarop directeur Hélène Schoumann zich liet ontvallen dat Regev misschien toch niet zo erg van cultuur houdt. En van democratie al evenmin, vermoedt Haaretz.

    Foxtrot is een drieluik over achtereenvolgens twee ouders die het nieuws krijgen dat hun zoon in het leger is omgekomen, de verveling van deze zoon en zijn compagnons op hun post in de woestijn, waar ‘meer kamelen dan mensen voorbijkomen’ , en hoe de ouders verder proberen te gaan met hun leven. Regev viel met name over een scène waarin de Israëlische soldaten bij het controlepunt per ongeluk onschuldige inzittenden van een auto vermoorden en hun fout proberen te verdoezelen; ‘een belediging voor de Joodse gemeenschap’, aldus de minister. Maoz, die zelf aan de Israëlisch-Libanese Oorlog van 1982 deelnam, vertelt Telerama dat deze allegorische scène illustreert hoe Israël ‘de waarheid liever in de modder begraaft dan hem onder ogen te zien’. Ook wijst hij erop dat zelfs de meest patriottische Amerikanen Michael Cimino en Oliver Stone niet als verraders beschouwen vanwege hun films over de Vietnam-oorlog.

    Vulture noemt Maoz een ‘dichter-regisseur’ omdat niet alleen deze scène, maar de gehele film in metaforen wordt verteld. (De titel is de naam van de controlepost, maar natuurlijk ook van de quickstepachtige dans ‘waarbij partners over de vloer zigzaggen zoals de regisseur tussen zijn vertellingen heen en weer beweegt’.) De surreële beelden van cameraman Giora Bejach, die volgens LA Times ‘op geen enkele manier geïnteresseerd is in een normale manier van vertellen’, verschaffen het geheel bovendien een vreemd soort schoonheid, schrijft The Jerusalem Post.

    Rolling Stone noemt het dan ook ‘de zoveelste fuck-up van de Academy’ dat Maoz niet de Oscar voor beste film van 2018 heeft gekregen. Maar volgens Vulture is dit de zoveelste aanbeveling: blijkbaar was de film te bijtend.

    Foxtrot draait nu in de bioscopen.

    Auteur: Laura Weeda

  • Oergezonde waterslurper

    Oergezonde waterslurper

    De avocado is hét lievelingsvoedsel van dit moment, geliefd om zijn gezonde vetten bij vegetariërs en andere bewuste eters. Maar de massale consumptie van avocado’s is desastreus voor het milieu.

    Elke tijd heeft zijn eigen lievelingsvoedsel. In de vijftiger jaren, in Duitsland het decennium van de geforceerde vrolijkheid, troonde op de toetjes, op de punchtaarten en de kaashapjes een cocktailkers, een van kleur- en smaakstoffen doordrenkte vrucht. In de jaren zeventig ontdekten de Duitsers de buitenwereld en de spaghetti. In de jaren tachtig werd de gerookte zalm een massaproduct, wat perfect paste in het neoliberale tijdperk, toen rijkdom voor iedereen – nou ja, voor velen – binnen handbereik leek.

    Wat is tegenwoordig het lievelingsvoedsel? Daarop zijn natuurlijk meerdere antwoorden mogelijk. Een daarvan luidt: de avocado. Dat is vooral omdat de avocado niet van een dier komt. De avocado behoort tot de belangrijkste ingrediënten van de veganistische keuken met haar uitgesproken gevoeligheid ten aanzien van dieren en natuur. De avocado kan namelijk de problematische ingrediënten boter en eieren vervangen. Er zijn nu kookboeken met titels als Mijn recepten voor een betere wereld [een vertaling van The Kind Diet van Alicia Silverstone] en bakrecepten die aanbevolen worden met de oproep ‘Geniet van de klassieke taarten en cakes zonder spijt of slecht geweten’. De avocado is de vrucht van de wereldverbeteraars, ook geliefd bij velen die geen veganist zijn, maar af en toe het gevoel willen hebben in harmonie te zijn met de wereld en met zichzelf.

    De avocado geldt als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. – © Roberto Machado Noa / Getty
    De avocado geldt als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. – © Roberto Machado Noa / Getty

    Zo komt het dat de avocado figureert als de grote ster in kooktijdschriften en op kookblogs; dat hij op het sociale netwerk Pinterest het meest geliefde voedsel van 2015 was, en dat er intussen in Duitsland waarschijnlijk geen Fair Trade-cafetaria meer bestaat zonder avocadotoast op de kaart. In 2010 werd in Duitsland 28.000 ton avocado’s geïmporteerd, in 2015 was dat 45.000 ton. In de winter komen ze uit Brazilië, Chili en Spanje, in de zomer uit Zuid-Afrika en Peru. De vrucht is net zo vanzelfsprekend geworden als een aardappel.

    De avocado geldt – en dat is de belangrijkste reden voor zijn succes – als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. Superfoods zouden super zijn voor het hart en de bloedsomloop en werken tegen kanker en rimpels, reden waarom sommige zelfs in de vorm van capsules te koop zijn bij drogisterijketens. Met het begrip superfood wordt vooral een gevoel verkocht: het gevoel dat met deze voedingsmiddelen van ergens ver weg de oorspronkelijkheid teruggebracht zou worden in de westerse industriële samenleving, de natuurlijkheid en de gezondheid die tegenwoordig niet meer als voorwaarden voor een goed leven worden beschouwd, maar blijkbaar als een waarde op zich.

    De avocado, misschien wel het meest geliefde superfood, is inderdaad heel gezond. Hij bevat zoveel onverzadigde vetzuren, vitamines en mineralen dat het lijkt of hij de mens van al zijn kwalen wil genezen. Hoewel hij romig is als een volle pudding, maakt hij niet dik. Diëtistisch is hij zo onschuldig als een blaadje sla. Tot zover de avocadofantasie.

    Zuid-Afrika

    Vlieg je vanuit Duitsland elf uur in zuidelijke richting naar Johannesburg, en van daar verder, een stukje naar het noorden, naar Polokwane in de Zuid-Afrikaanse provincie Limpopo, dan zie je de andere kant van het avocadoverhaal.

    De wegen zijn stoffig, de kuilen zo diep en talrijk dat je ertussendoor moet slalommen. Maar opeens verandert het landschap. Geen schraal struikgewas meer, geen dood gras en geen golfplaathutten van de Zoeloes, geen overreden honden meer langs de weg, in plaats daarvan avocadobomen zo ver het oog reikt. Allemaal even groot, net twee meter, de bladeren verzadigd donkergroen, alsof ze onkwetsbaar zijn voor stof en droogte.

    Kilometers ver moet je rijden om het centrum van het avocadorijk te bereiken. In de buurt van een oord dat Mooketsi heet woont in een bungalow de koning, Tommie van Zyl. Hij is de eigenaar van farm ZZ2, die behoort tot de grootste avocadoleveranciers van Europa. Tommie van Zyl is een grote, stevige man van 57 jaar in kaki broek en gestreken overhemd. Als hij het vertrek betreedt, zwijgt zijn personeel. Spreekt hij, dan kijken ze hem dienstvaardig aan. Aan de wanden van het kantoor hangen stillevens in olieverf, voornamelijk van avocado’s, die zijn dochters hebben geschilderd, met niet heel vaste hand, maar als Van Zyl ze aan de gast toont, knikken de medewerkers waarderend.

    Hoe is het hem gelukt om dit stukje aarde zulke grote hoeveelheden van een zo weelderige vrucht af te dwingen?

    Toen Van Zyls grootvader in het begin van de twintigste eeuw de boerderij begon, verbouwde hij aardappelen voor de lokale markt. ‘ZZ2’ was het registratienummer dat hem door de autoriteiten werd toebedeeld. Van Zyls vader zag in zijn jonge jaren in dat tomaten lucratiever waren dan aardappelen. Op de aardappeloogst moet je maandenlang wachten, tomaten groeien snel en kunnen het hele jaar door aangeplant worden. In 1953 haalde zijn vader de eerste oogst binnen. Toen hij in 2005 stierf liet hij zijn erfgenaam de grootste tomatenkwekerij van het zuidelijk halfrond na.

    Tommie van Zyl vroeg zich af wat hij nog meer verbouwen kon. De markt voor tomaten was verzadigd. Maar verder weg, in Europa, leken de mensen avocado’s lekker te vinden. ZZ2 moest groeien, en Tommie van Zyl zag een kans.

    De avocado is de vrucht van de rijke boeren

    Maar avocado’s kweken is niet gemakkelijk. Het is zelfs heel gecompliceerd. Avocado’s verlangen van de kweker aandacht, intelligentie en kapitaal. Tommie van Zyl was er klaar voor.

    Om te beginnen groeit een avocadoboom niet zomaar. ZZ2 had land genoeg, maar het ontbrak aan bomen. Daarom is er bij ZZ2 sinds enige tijd een boomkwekerij.
    De scheuten ontstaan doordat men ze in een pikdonkere ruimte laat geloven dat ze wortels zijn die zich onderaards uitbreiden. Een van de kwekers heeft de taak om met een zaklamp in deze donkere ruimte de scheuten uit te kiezen die klaar zijn voor de volgende stap. In een andere ruimte, die in zachtgroen licht baadt, zodat de schok voor het plantje niet te groot is, worden met een wattenstaafje hormonen aangebracht. Met een scheermesje schaaft de tuinier iets van de bleke huid af en stipt het aan opdat het boompje groot en sterk wordt. Dan brengt hij het in een van de broeikassen. Belangrijk is dat de kweker, voor hij de deur doorgaat, in een desinfecteerbad stapt. Hij mag met zijn schoenen geen ziekteverwekkers in de avocadokraamkamer binnenbrengen.

    Omdat de wortels van de avocadoboom heel kwetsbaar zijn, wordt de scheut op die van een andere, gewonere plant, bijvoorbeeld van een appelboom, geënt.

    Is het gelukt een boom te kweken en wil je die in de grond planten, dan moet je erop letten dat de bodem vrij van stenen is. Een avocadoboom stoort zich aan stenen in de bodem zoals de prinses aan de erwt. Met zware apparatuur wordt de aarde gezeefd. Als de stam uitgegroeid is, moet hij met een zonwerende verf worden bestreken. De avocadoboom kan niet tegen te veel zon.

    Tommie van Zyl draagt zijn zoon Bertie op de gast over de landerijen te rijden. Bertie, begin dertig, een agronoom die in Amerika is afgestudeerd, heeft een nieuwe auto, een reusachtige witte pick-up in luxe-uitvoering. Nog niet zo lang geleden heeft zijn vader hem tot ‘Head of Avocados’ benoemd. Niet alleen zijn avocado’s Berties passie, deze beslissing van de baas was ook een teken aan de wand: avocado’s zijn de toekomst van de onderneming. Tot dusver maakten tomaten 70 procent van de omzet uit en avocado’s 30 procent. In de komende jaren moet die verhouding verschuiven in de richting van 50/50, minstens.

    De pick-up rijdt door dunbevolkt land, passeert een paar Zoeloes die langs de weg lopen. Algauw gaat het zo steil bergopwaarts dat de auto bijna rechtop staat. Van bovenaf hebben we een uitzicht over het dal en de aangrenzende hellingen. De aarde is vers omgewoeld. Hier moeten nieuwe avocadobossen ontstaan.

    Deze bossen worden als volgt aangelegd: de aarde wordt in kaarsrechte lijnen opgeschud, op regelmatige afstanden worden er stokken in gestoken, aan elke stok komt een boompje. Dan kunnen de planten aangesloten worden op een bewateringssysteem dat met een iPad kan worden bediend. De bomen moeten als soldaten in het gelid staan, zegt Bertie.

    Duidelijker kun je niet gedemonstreerd krijgen dat het avocadobedrijf een hightechbranche is geworden. Een branche die mijlenver verwijderd is van de natuurlijkheid en duurzaamheid waar de avocado voor staat, en ook van de kleinschalige regionale landbouw waar men zo graag de lof van zingt. De avocado is de vrucht van de rijke boeren. Dat er überhaupt zo veel avocado’s naar Europa worden geëxporteerd is alleen mogelijk doordat in de Zuid-Afrikaanse landbouw onder zeer ongelijke condities wordt geproduceerd. Slechts enkele bedrijven – de meeste in het bezit van blanke Afrikaners – worden steeds groter, zoals de ZZ2-farm. Zij kunnen investeren, de natuur onderzoeken en begrijpen. Veel kleine bedrijfjes, van zwarten, leggen het loodje.

    Delen van de bevolking leven zonder stromend water omdat de regering niet doet wat Tommie van Zyl voor zijn avocado’s doet

    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. Dat betekent: 1000 liter water voor tweeënhalve avocado. En er is weinig water in Limpopo. Sinds vier jaar is er zelfs minder dan ooit. Het fenomeen El Niño, versterkt door de klimaatverandering, brengt hitte en droogte.

    Als gevolg van El Niño verdorstten in het afgelopen jaar duizenden runderen in Zuid-Afrika. De oogsten vielen zo enorm tegen dat het land een basaal voedingsmiddel als mais, dat het vroeger exporteerde, nu moet importeren. Delen van de bevolking leven zonder stromend water omdat de regering niet doet wat Tommie van Zyl voor zijn avocado’s doet: hij heeft een dertig kilometer lange pijplijn aangelegd die het water uit de bergen naar het dal brengt.

    De vraag die als een donkere wolk boven de avocadobusiness hangt, luidt: wanneer zullen de gebruikers in de westerse industrielanden merken dat ze een ecologisch hoogst dubieuze vrucht tot symbool van bewuste voeding hebben gemaakt? Wanneer zullen ze zich van de avocado afkeren?

    Het water is niet het enige probleem. Er is ook de weg die de vrucht aflegt voordat hij in een Duitse supermarkt verkocht wordt. Een ZZ2-avocado rijdt van haar geboortegrond in het noorden van het land met de vrachtwagen naar Durban aan de kust in het zuidoosten. Dan wordt hij op een schip geladen dat hem naar Rotterdam brengt. De overtocht duurt 26 dagen. Gedurende die hele reis ligt de avocado bij een comfortabele 6 graden in een van stroom voorziene container waarin naast de temperatuur ook de luchtvochtigheid en het CO2-gehalte gecontroleerd worden – een energievretend transport.

    De vraag is hoe dit misverstand kon ontstaan.

    Slagroom

    Wanneer de omslag kwam is niet meer precies te zeggen. In haar boek The Queen of Fats beweert auteur Susan Allport dat het in het jaar 2003 was. Nadat men decennialang had geloofd dat je om slank en gezond te zijn weinig vet moest eten, meende men nu dat je vooral van koolhydraten moest afzien. Opeens waren vetten gezond, koolhydraten werden verantwoordelijk gesteld voor de epidemie van overgewicht. Het tijdperk van vetarm was voorbij, de lightproducten die de levensmiddelenindustrie lang goede winsten hadden opgeleverd verdwenen uit de schappen van de supermarkt. De vrucht met een vetgehalte als slagroom kon aan haar opmars beginnen.

    Steeds opnieuw zijn het de op gezondheidsadviezen berustende voedingstrends die de markt aanzwengelen. En elke revolutie voedt de hoop op een volgende.
    Ja, superfoods als de avocado zijn bijzonder goed voor de gezondheid. Maar wie graag avocado eet, zal daarom nog niet voor ernstige ziekten gespaard blijven. Het begrip superfood verdoezelt het feit dat er eigenlijk geen fruit en geen groente is die geen positieve werking op het menselijk lichaam heeft. Ook inheemse appels en bijvoorbeeld rode biet zijn voortreffelijke leveranciers van vitaminen en mineralen.

    Maar bij het eten gaat het om veel meer dan alleen om het voorzien in wat het lichaam nodig heeft. De keuze van voedingsmiddelen diende altijd al eveneens om zich te onderscheiden. In de middeleeuwen at de adel niets wat uit de aarde kwam, maar wel boomvruchten en zangvogels. Tegenwoordig, in een vergevorderd stadium van globalisering, gaat het om het exotische, en om het behoren tot de avant-garde, die haar wereldwijsheid demonstreert door gojibessen uit Tibet (‘50 gram is voldoende om je ijzerbehoefte te dekken’) door haar muesli te mengen, of muffins te bakken met Peruaans macapoeder (‘sporters gebruiken maca om hun prestaties te verbeteren, terwijl slimmeriken van maca houden omdat het de geest scherp houdt’).

    Dat in de afgelopen jaren steeds meer schapruimte voor de avocado werd ingeruimd, heeft ook te maken met wat er gebeurt in een geheimzinnig gebouw met donkere gevels dat als een reusachtige architectenvilla oprijst tussen de voortuintjes en de kleine kassen in Maasdijk, in de buurt van Rotterdam. Hier is Nature’s Pride gevestigd, een van de grootste importeurs van exotisch fruit en groenten in Europa.

    Hier groeide de avocado uit tot wat hij nu is.

    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. – © Roberto Machado Noa / Getty
    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. – © Roberto Machado Noa / Getty

    Een avocado kan niet rijpen aan de boom. Tot hij geoogst wordt, is hij keihard, reden ook waarom geen schadelijk insect zich ervoor interesseert en pesticiden nauwelijks nodig zijn. Een voordeel dat tegelijk lange tijd een nadeel was. De avocado-eters van voorgaande generaties herinneren zich de hardheid van de vrucht nog wel: je kocht de avocado en moest dan twee of drie dagen, of zelfs een week wachten tot hij eetbaar was. Als je een avocado wilde eten moest je dat eigenlijk op de kalender inplannen.

    Was dat zo gebleven, dan was de avocado nu nog de ongenaakbare exotische vrucht die hij toen was. Maar hier, bij Nature’s Pride, veranderde men hem in een fastfood, een soort voedsel zo praktisch als een broodje kaas.

    Als de avocado na zijn bijna vier weken durende reis uit Afrika in de haven van Rotterdam aankomt, wordt hij overgeladen in een vrachtwagen die hem naar Maasdijk, dertig kilometer verderop, vervoert. De vrachtwagen rijdt achteruit naar een van de laadplatformen van Nature’s Pride. Daar neemt de ripening master, de rijpmeester, de avocado’s in ontvangst, die op dat moment nog zo hard als kokosnoten zijn. De meester pakt een avocado en snijdt hem met een klein mesje doormidden. Het gaat om de huid die om de ronde pit groeit: afhankelijk van hoe dik die is, moet de avocado kortere of langere tijd de rijpkamer in.

    De rijpkamer is een onopvallende opslagruimte achter een metalen rolluik. Daarin staan de avocadokisten drie meter hoog opgestapeld. Achterin is een soort windmachine ingebouwd. Die verdeelt het gas ethen gelijkmatig door de ruimte. Ethen is een grondstof van veel bestrijdingsmiddelen en werd vroeger voor narcoses gebruikt. Voor Nature’s Pride is ethen niet minder dan een godsgeschenk. Eindelijk had men een mogelijkheid gevonden om de avocado te rijpen tot het punt waarop de koper van alle zorg bevrijd is. Het gas is in geringe hoeveelheden volkomen onschadelijk. Het is wat uit een banaan komt als die rijpt – iedere huisvrouw weet dat je bananen gescheiden van andere vruchten en groenten moet bewaren.

    Zes dagen lang blijft de avocado gemiddeld in de kamer. De temperatuur beweegt zich tussen 6 en 25 graden, volgens berekeningen die Nature’s Pride niet vrijgeeft. De rijpmeester zegt dat de variërende opslagtemperatuur berust op onderzoek en ervaring, maar er komt ook feeling aan te pas. Er vindt een soort stille communicatie met de avocado plaats. Zijn beroep is vergelijkbaar met dat van een affineur of kaasmaker, die de kaas beklopt, eraan ruikt, erop drukt en op die manier met de kaas communiceert over de vraag wanneer de smaak zich optimaal heeft ontwikkeld.

    Voor de handelaars is het belangrijk dat de groenige niet met de zwart-bruine avocado’s in één kist liggen, want de ervaring leert dat de consument alleen die groenten en fruit vertrouwt die er als gekloond uitzien

    Als de rijpingstijd voorbij is, wordt met ultrasonore trillingen onderzocht of de avocado’s, ondanks alle voorzichtigheid, vanbinnen geen donkere vlekken hebben. Ten slotte worden de avocado’s automatisch op kleur gesorteerd. Voor de handelaars is het belangrijk dat de groenige niet met de zwart-bruine avocado’s in één kist liggen, want de ervaring leert dat de consument alleen die groenten en fruit vertrouwt die er als gekloond uitzien. Als de avocado’s alle tests hebben doorstaan, worden ze door de meestal Poolse arbeiders van de lopende band geraapt en in kisten gesorteerd. Een arbeider kan er 52 per minuut pakken en hij werkt acht uur per dag. De avocado’s moeten allemaal in dezelfde hoek, een beetje schuin, met het smalle uiteinde naar boven, in de kist liggen – keurig in het gelid, zoals de Zuid-Afrikaanse bomen. Dan plakt een andere arbeider een sticker op de donkere schil van de avocado’s, waarop de koning der vruchten een laatste bevel uitvaardigt: ‘Eet mij, ik ben rijp!’ staat erop.

    Sinds Nature’s Pride zijn rijpkamers heeft, zijn de omzetten geëxplodeerd. Op de Duitse markt werd in 2015 bijna een derde meer avocado’s verkocht dan het jaar ervoor. Daarmee is de avocado de mango en de papaja ver voorbijgestreefd.

    © Getty
    © Getty

    Enige tijd geleden gaf Nature’s Pride een bekroond architectenbureau uit Amsterdam de opdracht voor een nieuw gebouw voor de onderneming. Het gebouw, in gedekte kleuren, met minimalistisch gewelfde gevels, is energieneutraal. Het spoelwater van de toiletten wordt uit regenwater gewonnen, zo staat op kleine bordjes die naast de wc’s in huis zijn aangebracht. Op het grote platte dak slaan zonnecellen het zonlicht op. Tussen de perken lavendel heeft de firma een vlindertuin aangelegd die beschikbaar is voor wetenschappelijk onderzoek. Vlak daarnaast staan elektrische Tesla’s geparkeerd, die een vermogen kosten.

    De zorg om het milieu, zo kan hier worden vastgesteld, is vooral een statussymbool in bepaalde kringen. Bescherming van het milieu is niet meer dan een gebaar, een verhaal dat men zichzelf vertelt en waarvan het werkelijkheidsgehalte helemaal niet meer wordt onderzocht.

    Wat de avocado werkelijk te vertellen heeft, is een nuchter, ook wat deprimerend inzicht: als het echt ernst was met de milieuvriendelijke keuken, dan zou men van een vrucht als de avocado moeten afzien. Zelfs een biologische avocado is een van ver gekomen, mateloze drinkster. In plaats van exotische vruchten te eten zou men de armeluiskeuken opnieuw moeten ontdekken. Witte kool, raapstelen. We zouden eraan moeten wennen dat supermarktmedewerkers op de vraag naar tomaten antwoorden: ‘Hebben we niet, buiten het seizoen. Over twee maanden weer.’ Misschien zou het zelfs verstandig zijn om terug te grijpen – Duits trauma – op de provinciale keuken van de vijftiger jaren, toen het in de trappenhuizen naar doodgekookte groenten rook omdat wat in het koude noorden groeit – wortels, knolrapen, kolen – oneindig lang gekookt moesten worden.

    Dadelplantages

    Het ziet er niet naar uit dat het echt zover zal komen. Nature’s Pride heeft zich voorgenomen nog meer avocado’s te verkopen. Nog lang niet alle Duitse huishoudens hebben die smaak ontdekt. Als het zover is, als ze eindelijk normaal zijn, zullen de avocado’s hun charisma waarschijnlijk grotendeels kwijt zijn. De karavaan zal verder trekken, de avant-garde zal naar iets nieuws omzien. Dat nieuwe zal wel niet de kool zijn.

    Bij Nature’s Pride gokt men op kiwi’s. Die zijn wel wijd en zijd bekend, maar bij aankoop vaak overrijp of te hard. Als men het rijpingsproces optimaal maakt, zoals bij de avocado, zou dat iets kunnen worden.

    Bij ZZ2 in Limpopo zien ze meer in dadels. Dadels bevatten veel mineralen en vitaminen en smaken zoet: het zou kunnen dat ze populair worden als gezonde snack. Er zijn al dadelplantages in Namibië opgekocht.

    Dadels hebben nog meer water nodig dan avocado’s.

    Auteur: Elisabeth Raether
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: Avocado’s kweken is niet makkelijk. Een avocadoplantage zoals deze verlangt aandacht, intelligentie en kapitaal. – © Brett Gundlock / Getty Images

    Die Zeit
    Duitsland, dagblad, oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Bingo is terug, met dank aan de hipsters

    Bingo is terug, met dank aan de hipsters

    Bingo: dat is iets voor ouden van dagen, toch? Mis, in Engeland is een nieuwe generatie spelers opgestaan.

    Zaterdagavond, Camden in Noord-Londen: een enorme rij wachtenden bij een industrieel ogend gebouw in een zijstraatje. Modieuze jongelui, twintigers en een paar dertigers, allemaal in uitgaanskleding, vrolijk en opgeladen. Er staat nog een tweede, kleinere rij in tegengestelde richting: mensen op de gastenlijst. Een nachtclub? Daarvoor is het te vroeg op de avond, half acht nog maar. Zal wel een concert zijn. Wie speelt hier vanavond?

    Iedereen. Ze spelen bingo.

    Wat?!

    Nou ja, Rebel Bingo dan: bingo voor de nieuwe generatie, bingo voor de eenentwintigste eeuw, met allerlei toeters en bellen. Maar toch onmiskenbaar bingo. Met getallen die worden omgeroepen, bingokaarten vol cijfers die je moet doorstrepen of markeren tot je een volle rij hebt, en mensen die ‘bingo!’ roepen. Maar straks meer over Rebel Bingo in Camden.

    Freddie Sorensen (met microfoon) en James Gordon zijn de oprichters van Rebel Bingo. © Christian Sinibaldi / HH
    Freddie Sorensen (met microfoon) en James Gordon zijn de oprichters van Rebel Bingo. © Christian Sinibaldi / HH

    Eerst het traditionele bingo: dat zit al twintig jaar in het slop. Het heeft last van de staatsloterij, van krasloten (in feite een soort instantbingo), van het rookverbod (zo’n 60 procent van de bingospelers was roker, en de helft daarvan komt sinds de invoering van het rookverbod in 2007 niet meer opdagen), van de opkomst van onlinebingo en andere gokmogelijkheden op internet, en van de crisis.

    ‘De crisis heeft bingo geen goed gedaan,’ zegt Miles Baron, hoofd van de Bingo Association. ‘Veel van onze klanten komen uit een kwetsbare groep: vijftigers, vrouwen, arbeidersmilieu, om het maar zo te noemen.’ Twintig jaar geleden telde ons land nog 1200 commerciële bingoclubs. Kort voor de invoering van het rookverbod waren daar nog zo’n 600 van over, en nu nog maar 351. ‘We weten dat we zo’n 850.000 bezoekers per week krijgen,’ zegt Baron. ‘Dus dat is alles bij elkaar 44 miljoen per jaar. Dat klinkt alweer een stuk beter.’

    Toen de belasting voor bingozalen in 2014 van twintig naar tien procent werd verlaagd, begon het tij te keren. ‘De daling vlakte bijna helemaal af. Net niet helemaal, er is nog een minieme krimp,’ zegt Baron. ‘De verrotting is gestopt, zogezegd, maar groei zit er nog niet in. We moeten nu gaan investeren. Toen de belasting werd verlaagd, moesten veel clubeigenaren eerst nog een inhaalslag maken: eindelijk eens het dak vervangen of de toiletten opknappen, dingen die erbij ingeschoten waren.’

    Hypnotiserend

    Op naar het Greyhound-winkelcentrum in Southend-on-Sea, Essex, zestig kilometer ten oosten van Camden. De vestiging van Mecca Bingo [een keten van bingopaleizen waar ‘nationaal bingo’ wordt gespeeld: een via onlineverbindingen gesynchroniseerd bingospel dat simultaan in meerdere zalen in het hele land wordt gespeeld, met grotere aantallen deelnemers en navenant grotere prijzen] heeft net een facelift gehad en lijkt goed te draaien. Op donderdagavond zitten er zo’n vierhonderd mensen in de felverlichte grijsbruine zaal, waar een plechtige stilte hangt. De gemiddelde leeftijd ligt rond de vijfenvijftig (en ’s middags nog een stuk hoger, zegt manager Peter). Vier vrouwen op iedere man. Want zoals Baron zegt: ‘Het is een familiegebeuren, echt iets voor moeder en dochter en aanverwanten. Bovendien denk ik dat vrouwen zich bij bingo veilig voelen, het is vrouwen onder elkaar en iedereen is lid van de bingoclub.’

    De getallen worden omgeroepen door Fran. Vier-zeven, 47; twee-vier, 24; vijf-zes, 56… Het luisteren naar die litanie van getallen heeft iets hypnotiserends. Fran wisselt haar monotone dreun niet af met traditioneel bingojargon (zoals ‘twee kleine eendjes’ voor 22 en ‘twee dikke dames’ voor 88). Maar hé, niet in slaap vallen. Kop erbij houden. Het kost me zo al moeite genoeg om het bij te benen. Een volledige bingokaart bevat 162 vakjes: tegen de tijd dat ik het getal heb gevonden en gehighlight, heeft Fran het volgende al omgeroepen. Ik hobbel erachteraan. Misschien had ik beter voor een elektronische terminal kunnen kiezen, die de cijfers automatisch voor je invult. Maar dat haalt alle spanning () en lol () toch uit het spel?

    ‘Ik drink nooit wijn, ik wil geen getal missen’

    Opletten dus. Was misschien toch niet zo snugger om vooraf nog even snel een halve liter bier achterover te slaan. De meeste deelnemers zitten aan de frisdrank of thee. ‘Ik drink nooit wijn, ik wil geen getal missen,’ zegt Nicola in de rij bij de bar in de pauze. Nu neemt ze wel een wijntje, om te vieren dat ze net vijfenzestig pond gewonnen heeft. Nicola (44) is hier met haar moeder Janet (68). Meestal komt haar dochter Gemma (24) ook mee, maar die moet vandaag op haar kind passen. ‘Het is hier gezellig, we maken veel vrienden,’ zegt Janet.

    ‘Het is echt een avondje uit,’ zegt Denise, een nieuwe vriendin in de rij. Ze komt elke maand wel een keer. ‘En als je wat wint, is dat mooi meegenomen.’ Ze heeft ooit duizend pond gewonnen, maar dat is alweer vijftien jaar geleden.

    Aan mijn tafeltje helpen mijn buren Marie (58) en Jean (77), ook moeder en dochter, met het vinden van de juiste kaart. Ze leggen me uit hoe het allemaal werkt, de nationale bingo van Mecca Bingo en het Cashline-spel dat je in de pauze kunt spelen, en computerschermen op de tafels die verbonden zijn met andere bingozalen in het land. Ze komen hier elke week. ‘In de winter kom ik alleen omdat mama het per se wil,’ zegt Marie. ‘Ze is er echt aan verslaafd. Ze zou ontwenningsverschijnselen krijgen als we niet kwamen.’


    Zodra het spel weer van start gaat, turen ze strak naar het papier en zeggen geen woord meer. Een diepe stilte daalt neer over de grote zaal. We horen alleen nog de getallen die Fran opdreunt, steeds gevolgd door zwak maar groeiend geroezemoes van hoopvolle verwachting, een enkele blije uitroep of teleurgestelde zucht, en hup, door naar het volgende getal.

    Er zijn wel dingen aan mijn bingoavondje waar ik van geniet. Ik vind het leuk om kennis te maken met Nicola en Janet, met Denise en Marie en Jean. Ze zijn hartstikke aardig en hartelijk, maar dat rottige bingo fietst er steeds tussendoor, en dat is eigenlijk doodsaai.
    Volgens manager Peter is bingo een van de beste activiteiten om je hartslag te doen stijgen: die spanning als je nog maar één getal verwijderd bent van bingo! Maar ik merk er niks van (misschien omdat ik nooit zo ver kom). Kunnen we niet gewoon snel kijken wie de winnende kaart in handen heeft en dan allemaal aan de wijn gaan?

    Deze goedgevulde zaal in een badplaatsje in Essex is niet het enige teken dat het verval van ons nationale tijdverdrijf een halt is toegeroepen. Caledonian Investments, dat het vermogen beheert van de familie Cayzer, een van de rijkste families van het land, heeft in oktober voor 241 miljoen pond de 130 bingoclubs van Gala Bingo overgenomen (maar niet hun onlinebingo). Gala Coral, dat zelf weer wil fuseren met Ladbrokes, is de grootste bingo-organisator in het Verenigd Koninkrijk: 38 procent van de markt, 4000 werknemers, meer dan een miljoen actieve leden en 15 miljoen bezoekers per jaar. Winst vóór belastingen vorig jaar 33 miljoen pond. O, en in Southampton opent het dit jaar een gloednieuwe bingozaal die vijf miljoen heeft gekost. ‘Wat de gezondheid van het bingo betreft zou ik zeggen: de berichten over ons overlijden zijn zwaar overdreven,’ zegt Baron.

    Wedergeboorte

    Terug naar Camden, waar we inderdaad eerder getuige zijn van de wedergeboorte dan van het overlijden van het bingospel. Die lange rij wachtenden staat bij een vestiging van Mecca Bingo. Maar die is vanavond – niet met geweld, ben ik bang, maar met toestemming van Mecca – overgenomen door Rebel Bingo.

    Voor het begin van de bingo (of de show, of wat het ook wordt, ik zal het snel genoeg merken) krijg ik in een kleedkamer de geschiedenis van Rebel Bingo te horen van een man die onder zijn keurig witte overhemd met vlinderdasje alleen een onderbroek draagt. (‘O mijn god, heb ik mijn broek niet bij me?’) Het is Freddie Sorenson (37), de tv-producer die samen met zijn vriend James Gordon verantwoordelijk is voor Rebel Bingo. Het begon allemaal in een parochiezaal in Farringdon, waar ze ‘een soort variétéavonden’ organiseerden. Toen ze op een dag bij het opruimen de oude bingoset van de parochiezaal vonden, leek het ze leuk om dat spel in hun feestjes te verwerken. ‘Dit is eigenlijk het uitvloeisel daarvan. We zijn min of meer per ongeluk ons eigen soort bingo begonnen. Toen we één keer zo’n bingoavond hadden georganiseerd, ging het een eigen leven leiden.’

    Het nieuws verspreidde zich via vrienden, mond-tot-mondreclame en sociale media. Nu organiseren ze elke maand een bingoavond in Londen en af en toe ook eentje verder weg – in Schotland of New York bijvoorbeeld. En het is vanavond weer volle bak.

    © Christian Sinibaldi / HH
    © Christian Sinibaldi / HH

    ‘De eerste keer dat ik ooit bingo speelde, was op vakantie,’ zegt Dawn (27). ‘Dat was totaal anders. Dit is veel leuker, het is net een rave met bingo erbij. Heerlijk. Het is spannend, leuk, anders. En alle dingen die ze zeggen als ze de getallen omroepen: hilarisch!’ Zodra iemand bingo heeft, gaat de zaal uit zijn dak en wordt een confettikanon afgeschoten, alsof het om de winnaar van The X Factor gaat.

    ‘Ik vind het heerlijk, lekker keten,’ zegt Poppy (32), die hier met een groepje van tien vrienden is en net honderd flesjes Bulmerscider heeft gewonnen. ‘Vroeger speelde ik altijd traditioneel bingo in Catford. Maar dat doen we niet meer, we willen alleen nog dit. Rebel Bingo forever!’

    Een tikje ironisch, een tikje zelfbewust, een tikje irritant. Heel stads, heel erg wit

    Dan is het tijd voor de geldprijzen. ‘Geld maakt niet gelukkig, zeggen ze,’ roept Sorensen. ‘Maak dat P Fucking Diddy wijs!’ Het begint met vijf pond en loopt steeds verder op, van tien, twintig, vijftig tot vijfenzeventig (‘Ooit zo veel geld bij elkaar gezien?’). Tot slot wint Chris (33) uit Tottenham honderd pond. Er wordt hem een idioot grote cheque overhandigd. ‘Neem lekker mee naar de bank en roep aan het loket: Cash die motherfucker,’ brult Sorensen.

    Hipsterbingo dus. Een tikje ironisch, een tikje zelfbewust, een tikje irritant. Heel stads, heel erg wit. Maar ook geinig. En leuk. Aan Janet en Jean in Essex zullen die drank en grove taal niet besteed zijn. Maar de bingowereld kan misschien wel iets van de rebellen leren als ze het verval definitief wil tegenhouden en weer volle zalen wil trekken: om te kunnen concurreren met internet moet je zorgen dat je meer te bieden hebt dan internet. Meer beleving, meer emotie, zou Sorensen zeggen.

    Mijn eigen emoties maakt het nog niet echt los. Misschien dat een Jägerbom zou helpen. Of als ik eens wat zou winnen. Ook hier win ik niks, maar al verliezend vermaak ik me wel beter.

    Auteur: Sam Wollaston
    Vertaler: Frank Lekens

    Het hier beschreven Engelse bingospel is meer verwant aan het in Zuid-Nederland nog populaire kienen. Wat wij in Nederland bingo noemen, is Amerikaans bingo: een spelvariant met andere regels dan de Engelse.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad, oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Koos de Class War-fuckparade een verkeerd doelwit?

    Koos de Class War-fuckparade een verkeerd doelwit?

    Het verzet tegen opwaardering van buurten – Engelse vakterm: gentrification – 
groeit. In Londen werd eind september een cornflakescafé bestookt omdat daar een bakje ‘shooty shooty bang bang’ (chocoladeflakes in witte, biologische chocolademelk) zes euro kost. Ook in Amsterdam vinden regelmatig protesten plaats tegen de ‘veryupping’ van de stad.

    Nee

    Een wereld zonder ongelijkheid wensen, alla, maar moet dan ook meteen elk gevoel voor proportie uit het oog worden verloren? Onrechtvaardigheid is overal, bij ons en in het 
buitenland, maar tegelijk hebben mensen meer ruimte dan ooit om hun ongenoegen kenbaar te maken en veranderingen af te dwingen. Om die reden is de aanval op het Cereal Killer-café van dit weekend, waarbij bezittingen werden vernield en de medewerkers de stuipen op het lijf gejaagd, frustrerend, beschamend en ronduit dom. Het is een cafeetje waar je voor een paar pond een bakje muesli kunt krijgen; je kunt het negeren of er kind aan huis aan worden, al naar gelang hoe je je cornflakes graag eet. Het is een zaak waar je al vanaf 2,50 pond [3,50 euro] iets te eten kunt krijgen, maar onze ‘anti-gentrificatievandalen’ meenden deze kleine middenstander op de korrel te moeten nemen.

    Wie mueslifanaten of modieuze types gaat terroriseren vanwege iets wat maar 2,50 pond kost, is niet goed snik. Flesjes water zijn in Londen vaak een stuk duurder. Voor een simpele kop koffie tel ik geregeld een hoger bedrag neer. 
Als ik in de Sherd een biertje drink, mag ik blij zijn als ik überhaupt wisselgeld terugkrijg van een tientje. De keuze voor het mueslitentje is dus flauw, net als alle andere ongemotiveerde aanvallen op andermans eigendom: als doelwit is het zo slecht gekozen, dat het als protest alleen maar contraproductief werkt.

    Ter rechtvaardiging van deze graffiti- en scheldaanval op het kleine café, voerden de vandalen van Class War aan dat ‘onze gemeenschap wordt verscheurd – door Russische oligarchen, Saoedische sjeiks, louche Israëlische projectontwikkelaars, Texaans oliegeboefte en onze bloedeigen Eton-kakkers. Binnenkort zal deze stad een onherkenbare, eenvormige, doodse yuppiekolonie zijn, waar voor normale (en niet zo normale) mensen als jij en ik geen plek meer is.’

    Het concept van een muesli-café is origineel. Je kunt het irritant vinden, maar met eenvormigheid heeft het niets te maken. De eigenaars komen niet van Eton en zijn ook geen oliesjeiks. Alan en Kerry Healey zijn een eeneiige tweeling uit het verarmde Dublin. In tegenstelling tot Starbucks is hun bedrijf geen multinational die handig de belasting ontwijkt. Je kunt hun maffe haarstijl niks vinden, hun retroconcept suf, het meeliften op een golf van nostalgisch consumentisme een wat veilige keuze, maar om dan meteen maar het café te boycotten is buiten alle proporties. Met hun oneerlijke aanval zetten de organisatoren – en iedereen die meedeed – alleen zichzelf te kijk. Misschien zou een bakje muesli hun goeddoen.

    Rupert Myers
    The Daily Mail

    Samen met de Daily Mail is The Daily Telegraph de toonaangevende conservatieve krant van ‘Middle England’. De krant heeft als bijnaam ‘Torygraph’, vanwege haar hechte banden met de conservatieve partij.


    Nee

    Vorig weekend was ik een van de honderden mensen die meeliepen in de Class War-fuckparade, een protest en straatfeest tegen gentrificatie. ’s Avonds werden er wat verf en cornflakes naar het Cereal Killer-café op Brick Lane gegooid – wat tot verontwaardigde reacties leidde. De thema’s waar het protest echt over ging – ongelijkheid en sociale verdringing – werden zoals gewoonlijk genegeerd.

    Mijn sympathie gaat uit naar de schoonmakers die zondag de rotzooi moesten opruimen, en het spijt me oprecht dat het protest kinderen bang heeft gemaakt. Toch was dit kleinschalige vandalisme niets vergeleken bij de hardvochtigheid van de gentrificatie die de levens vernietigt en de huizen sloopt van de kwetsbaarste Londenaren.

    Zo’n 49 procent van de kinderen in deze buurt leeft onder de armoedegrens. Projectontwikkelaars en huizenbezitters verdienen miljoenen door deze kinderen en hun gezinnen hun huizen uit te zetten, en ze vervolgens in ontoereikende tijdelijke woonruimte te proppen of zelfs gewoon op straat te zetten. Om hun kinderen te voeden moeten veel ouders uit de buurt de beschamende gang naar de voedselbank maken, terwijl de nieuwe bewoners van Shoreditch met succes een zaak kunnen openen waar een bakje kindermuesli vijf pond kost.

    Voor wie zich afvraagt wie deze demonstranten waren: ik zou ze omschrijven als een bonte mix van proletarische Londenaars, van kleuters tot bejaarden, bewoners van sociale woningbouw in de buurt en anderen afkomstig uit minder dure buurten van de hoofdstad, vaak zelf het slachtoffer van gentrificatie en huisuitzettingen. Er waren Class War-anarchisten bij, activisten, krakers, maar ook jongeren en buurtgenoten, kwaad over de stijgende prijzen of gewoon uit op een verzetje. Het zou me verbazen als er iemand meeliep die het eten op Brick Lane kan betalen.

    De tweede fuckparade in Camden draaide uit op een wraakactie op ultrarechtse voetbalsupporters die ons beledigingen toeschreeuwden. Aan het begin van de mars van dit jaar klonk onder andere de leus ‘immigranten welkom, racisten opgerot’.

    Misschien was er inderdaad sprake van vandalisme, maar de meesten zongen leuzen en protestliederen, of dansten door de straten waar zij het eten niet meer kunnen betalen. De ergernis over vernieling van eigendommen is begrijpelijk, maar het valt in het niet bij de armoede, honger en dakloosheid waar duizenden Londenaars dagelijks mee te maken hebben. Het Cereal Killer-café was zondagochtend weer gewoon open, maar de vernietigende effecten van de gentrificatie gaan door – net als de strijd ertegen. 


    Will Harvey
    The Guardian

    The Guardian wordt tot de meest serieuze en gerespecteerde kranten in Groot-Brittannië gerekend. Thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.