Tag: hobby

  • ‘Games zijn niet verslavender dan tuinieren’

    ‘Games zijn niet verslavender dan tuinieren’

    Al decennia wordt er gespeculeerd over de gevaarlijke verslavende effecten van videogames. Maar volgens twee Amerikaanse psychologen is er geen enkel bewijs. ‘Na dertig jaar wetenschappelijk onderzoek moeten we concluderen dat games weinig verschillen van andere hobby’s.’

    Snookerspeler Neil Robertson klaagt dat zijn profcarrière is geschaad door een slopende verslaving. Niet aan drank of drugs, maar aan videogames. In een recent interview voor Eurosport vertelde de Australische sporter dat de onbedwingbare drang om World of Warcraft te spelen hem danig parten heeft gespeeld bij de voorbereiding op een toernooi in China. ‘Ik sta nu twee maanden droog,’ vertelde hij de site. ‘Zoals mijn vriendin zegt: een mens heeft zijn verslavingen niet voor het kiezen. Multiplayer onlinegames, daar moet ik gewoon 
niet aan beginnen, want dat slokt me helemaal op.’

    Dat is alleen nog maar het recentste artikel waarin geopperd wordt dat games misschien wel net zo 
verslavend zijn als drugs of gokken. De laatste twee decennia, waarin de populariteit van dit medium explosief is gegroeid, verschijnen er geregeld alarmerende berichten over tieners die als zombies aan hun pc gekleefd zitten, afkerig van huiswerk en sociale contacten. In Zuid-Korea, waar online gamen praktisch een nationale sport is en profgamers zo beroemd zijn als popsterren, heeft de politiek geijverd voor afkickcentra en wetgeving om de 
toegang tot games te beperken.

    Stoornis

    De twee belangrijkste westerse classificatiesystemen van mentale stoornissen bevatten binnenkort misschien ook aandoeningen die te maken hebben met buitensporig gamen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een ‘game-gerelateerde stoornis’ opgenomen in het ontwerp voor een nieuwe versie van haar International Classification of Diseases (ICD-11). En ook in het recentste handboek van de Amerikaanse psychiatrievereniging (DSM-5) staat 
het als verslavingsstoornis vermeld, zij het nu nog in het hoofdstuk ‘Aandoeningen die verder onderzoek behoeven’. Dat houdt in dat het nog geen officiële stoornis is en de genoemde criteria nog niet voor klinisch gebruik zijn bedoeld.

    En dat is misschien maar goed ook. In een recent artikel in The New York Times schrijven de psychologen Christopher J. Ferguson en Patrick Markey dat mensen die aan de voorgestelde criteria voldoen, geen problemen lijken te ervaren. Ze wijzen erop dat volgens een grootschalig onderzoek in het American Journal of Psychiatry zelfs het kleine percentage van 
de bevolking dat voor de diagnose acute gamesverslavingsstoornis in aanmerking komt (hooguit 
1 procent), daarvan geen negatieve gevolgen voor 
de geestelijke of lichamelijke gezondheid ondervindt – wat niet bepaald strookt met hoe we doorgaans over geestesstoornissen denken. Dat komt doordat de handelingen die een verslaving definiëren misschien problematisch zijn als het om heroïne gaat, maar betrekkelijk normaal gedrag als je ‘online gamen’ vervangt door willekeurig welke andere hobby.

    ‘Ons artikel heette “Videogames zijn niet verslavend”,’ zegt Markey. ‘Een betere titel was misschien geweest: “Videogames zijn niet verslavender dan tuineren”. Alles wat de ene persoon een fijne tijdsbesteding vindt, kan een ander te ver doorvoeren.’

    Hun artikel is vooral gericht tegen het fabeltje dat videogames verslavend zijn, maar Ferguson en Markey vragen zich ook af waarom dat idee zo wijd verbreid is. Waarom zijn zo veel mensen, van ouders tot onderzoekers tot een 91-jarige acteur als Dick van Dyke (onlangs in The Guardian), zo overtuigd van de verslavende werking en andere negatieve gevolgen van videogames, als daar geen enkel bewijs voor is?

    Ik vermoed dat de echte oorzaak van bestaande problemen niet in het gamen schuilt, maar in iets anders – misschien iets wat mensen niet goed kunnen of willen aanpakken

    Misschien is het een politiek probleem. Toen Ferguson bij de WHO aan de bel trok over de opname van gameverslaving als een stoornis in ICD-11, kreeg hij van iemand in de organisatie te horen dat de WHO ‘onder grote druk staat, vooral van Aziatische landen, om 
dit toch in de ICD op te nemen’. In Zuid-Korea baart gameverslaving de overheid zo veel zorgen dat er wetten zijn aangenomen om kinderen minder toegang tot onlinegames te geven, en in door de staat gefinancierde behandelcentra voor deze verslaving wordt onder meer elektroshocktherapie toegepast.

    ‘Het blijft de vraag of kinderen in sommige Aziatische landen, met name Zuid-Korea en China, inderdaad meer gamegerelateerd probleemgedrag vertonen dan in het Westen,’ zegt Ferguson. ‘De gegevens zijn niet eenduidig, omdat het moeilijk is om landen met elkaar te vergelijken, vooral als er geen heldere internationale standaard is om vast te stellen wat een gameverslaving inhoudt. Ik ben benieuwd of 
er bredere socioculturele problemen zijn die de kinderen parten spelen. Ik vermoed dat de echte oorzaak van bestaande problemen niet in het gamen schuilt, maar in iets anders – misschien iets wat mensen niet goed kunnen of willen aanpakken, of waarop ze minder gemakkelijk de schuld kunnen afschuiven.’

    Vooroordelen tegen videogames zijn symptomen van een angst voor nieuwe media die van alle tijden is. Hetzelfde zag je bij de roman in de achttiende eeuw, stripverhalen en rock-’n-roll in de jaren vijftig en bloederige films in de jaren tachtig. Nu zijn games aan de beurt. En omdat het om een jong medium gaat, waar alleen jongeren belangstelling voor hebben en iets van begrijpen, zijn het vooral ouderen die zich om die jongeren zorgen maken. Dat is grappig, zegt Ferguson: ‘De mensen met een extreem negatief beeld van videogames hebben doorgaans ook een negatiever beeld van kinderen en jongeren. En dat geldt net zo goed voor onderzoekers als voor leken.’

    En als onderzoekers zo’n negatief beeld hebben, is het voor hen maar al te gemakkelijk om de gevonden data bewust of onbewust zo te presenteren dat die hun beeld bevestigen. In de woorden van Ferguson: ‘In de sociale wetenschappen zijn data zo vloeibaar dat je ze bijna alles kunt laten zeggen.’

    Wetenschappers kunnen dat probleem volgens 
Ferguson en Markey ondervangen door hun onderzoeksmethode vooraf vast te leggen (zogenaamde pre-registratie) en zo te voorkomen dat ze de methode achteraf aanpassen om de uitkomst een bepaalde kant op te sturen. Maar ook dan blijven de onderzochte variabelen zelf vaak zeer twijfelachtig. Zo is bijvoorbeeld onderzocht hoeveel hete chilisaus proefpersonen bereid zijn in andermans eten te stoppen, als indicatie voor hun agressieniveau. ‘En op basis van zo’n onderzoek wordt dan gezegd dat gewelddadige videogames ten grondslag liggen aan schietpartijen op scholen en andere vormen van echt geweld,’ 
zegt Markey. ‘En daar heb ik altijd grote twijfels bij.’

    Gamers op CampZone, het grootste outdoor gaming-festival van Nederland. – © Marcel van den Bergh / HH
    Gamers op CampZone, het grootste outdoor gaming-festival van Nederland. – © Marcel van den Bergh / HH

    Markey hecht meer belang aan statistieken uit de echte wereld, zoals de waarneembare afname van geweldsmisdrijven die samenvalt met de piekverkoop van gewelddadige games. ‘Er zijn miljoenen mensen die gamen, dus alleen al op basis van de data over de hoeveelheid mensen die daaraan “verslaafd” zouden zijn, zie je dat het duidelijk iets heel anders 
is dan heroïne of andere harddrugs. Stel dat je ineens aan miljoenen mensen heroïne zou verstrekken. 
Wat dat voor onze maatschappij zou betekenen. Totale ineenstorting.’

    ‘Ik denk dat het probleem voor een groot deel zit in ons gebruik van het woord verslaving,’ zegt Markey. ‘Als ouder kun je weleens zeggen: Mijn kind is verslááfd aan dat spel. Maar dan bedoel je niet verslaafd zoals bij een cocaïneverslaving.’ En dat ouders zo op videogames neerkijken, getuigt volgens Ferguson ook van een gebrek aan inzicht. ‘Ze denken: mijn kind verdoet zijn tijd met iets wat ik waardeloos vind, en omdat het zich daar niet van kan losrukken om iets te doen wat ík waardevol vind, word ik bang dat het verslaafd raakt.’

    Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen vooroordelen. Zoals mensen met weinig verstand van games er soms onterecht op neerkijken, kunnen mensen die zelf gamen de waarde ervan overschatten. In hun boek Moral Combat, over de paniekzaaierij rond videogames, wijden Markey en Ferguson ook een hoofdstuk aan de fabeltjes over de weldadige effecten van videogames, zoals het schromelijk overdreven nut van denkspelletjes.

    Het enige onweerlegbare nut van videogames lijkt 
te zijn dat ze leuk zijn: als je ervan geniet, kan dat een goede manier zijn om stress te verlagen. ‘Ook 
dat is weer een aanwijzing dat games waarschijnlijk weinig verschillen van andere hobby’s,’ zegt Ferguson. ‘Het is niet dat games een wondermiddel zijn 
of speciale kwaliteiten hebben, maar net als zoveel hobby’s geven ze je een goed gevoel. Sommige mensen zoeken hun ontspanning liever in een breiwerkje. Als je niet van gamen houdt, zal het niet werken. Dat lijkt misschien een open deur, en dat is het ook, maar het heeft dertig jaar wetenschappelijk onderzoek gekost om daarbij uit te komen.’

    Wie objectief wil blijven, moet dus scherp kijken naar wat er precies met het woord ‘verslaving’ wordt bedoeld, en of die veronderstelde verslaving de gezondheid daadwerkelijk schaadt. Bij een heel klein percentage gamers kan inderdaad sprake zijn van problematisch of zelfs destructief gedrag, maar de cijfers geven geen aanleiding om te denken dat er sprake is van een verslavingsepidemie. Wie wetenschappelijk onderzoek wil aanvoeren, moet goed kijken welke variabelen er zijn onderzocht en of de gebruikte onderzoeksmethode vooraf is vastgelegd. We moeten kijken of de onderzoekers bepaalde opvattingen hadden en of ze voor hun onderzoek ook projectbeurzen hebben gekregen – want die worden volgens Ferguson sneller toegekend aan ‘alarmerende dingen’.

    Misschien is de moraal van Neil Robertsons verhaal dus gewoon dat games die al je aandacht opeisen 
simpelweg niet samengaan met een profsport die 
al je aandacht opeist. Als je carrière maakt in een activiteit die in feite een hobby is, kun je andere, 
leukere hobby’s beter even links laten liggen.

    Auteur: Jordan Erica Webber

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Amateuraeronauten

    Amateuraeronauten

    Op 15 september opent de 7e editie van het BredaPhoto International Photo Festival (t/m 30 oktober). 
Meer dan zeventig fotografen uit binnen- en buitenland exposeren overal in de stad. 360 koos het 
werk van de Chinese fotografe Xiaoxiao Xu.

    Xiaoxiao Xu volgde acht Chinese boeren en fotografeerde hun pogingen om met zelf ontworpen vleugels te vliegen. Xu raakte gefascineerd door de eigengereidheid van de boeren, die op het balkon of op het erf eindeloos aan hun vliegtuigjes bouwen met gerecyclede materialen en huis-, tuin- en keukengereedschap. Een aantal lukt het om airborne te raken. Anderen crashen keer op keer. Maar dat mag de pret niet drukken, want bij deze hobby is het opstaan belangrijker dan de val. Sommige ontwerpen zijn zo goed dat ze worden erkend door de professionele luchtvaart. Maar dat is bijzaak; het doel van de hobbyisten is om te blijven zoeken naar betere, lichtere en goedkopere manieren om te vliegen.

    Yuan Xiangqiu’s droom is een vliegtuig te bouwen dat over Tiantai Mountain kan vliegen. Dat is nog niet gelukt. Als troost heet zijn kleinkind Chen Xiang (morgenvlucht) – omdat Xiangqiu zijn vliegtuigjes altijd ’s morgens test. – © Xiaoxiao Xu
    Yuan Xiangqiu’s droom is een vliegtuig te bouwen dat over Tiantai Mountain kan vliegen. Dat is nog niet gelukt. Als troost heet zijn kleinkind Chen Xiang (morgenvlucht) – omdat Xiangqiu zijn vliegtuigjes altijd ’s morgens test. – © Xiaoxiao Xu
    Zhang Dousan in zijn zelfgebouwde helikopter. – © Xiaoxiao Xu
    Zhang Dousan in zijn zelfgebouwde helikopter. – © Xiaoxiao Xu
    Schets van de helikopter van Zhang Dousan.
    Schets van de helikopter van Zhang Dousan.
    Wang Qiang (1976) is kapper, net als de rest van zijn familie, maar wil het liefst alleen maar vliegen. Dit vliegtuig is gebouwd van materiaal dat hij bij elkaar sprokkelde. Na iedere crash verbetert Qiang het model. – © Xiaoxiao Xu
    Wang Qiang (1976) is kapper, net als de rest van zijn familie, maar wil het liefst alleen maar vliegen. Dit vliegtuig is gebouwd van materiaal dat hij bij elkaar sprokkelde. Na iedere crash verbetert Qiang het model. – © Xiaoxiao Xu
    Schetsen van Wang Qiang. Het vliegtuig waarover hij droomt heeft een houten propeller, een open cockpit en een stalen frame met aluminium structuur.
    Schetsen van Wang Qiang. Het vliegtuig waarover hij droomt heeft een houten propeller, een open cockpit en een stalen frame met aluminium structuur.
    Het eerste vliegtuigje van Wang Qiang kostte nog geen 10.000 yuan 
[1340 euro]; hij wist dat het model niet perfect was en als brandhout zou eindigen.
    Het eerste vliegtuigje van Wang Qiang kostte nog geen 10.000 yuan 
[1340 euro]; hij wist dat het model niet perfect was en als brandhout zou eindigen.
    He Dongbiao (1973) in zijn 
op maat gemaakte, zelfgebouwde helikopter. – © Xiaoxiao Xu
    He Dongbiao (1973) in zijn 
op maat gemaakte, zelfgebouwde helikopter. – © Xiaoxiao Xu
     In de werkplaats van 
He Dongbiao. Om een vliegtuig te mogen bouwen, heeft Dongbiao eerst de toestemming van zijn vrouw, zijn schoonmoeder en schoonvader nodig. – © Xiaoxiao Xu
    In de werkplaats van 
He Dongbiao. Om een vliegtuig te mogen bouwen, heeft Dongbiao eerst de toestemming van zijn vrouw, zijn schoonmoeder en schoonvader nodig. – © Xiaoxiao Xu
    Jin Shaozhi in zijn vliegtuig met stalen frame en aluminium buizen. – © Xiaoxiao Xu
    Jin Shaozhi in zijn vliegtuig met stalen frame en aluminium buizen. – © Xiaoxiao Xu
    Bouwtekening van het vliegtuig van Jin Shaozhi.
    Bouwtekening van het vliegtuig van Jin Shaozhi.

    Xiaoxiao Xu is geboren in Qingtian, in het zuidoosten van China. Op haar veertiende kwam ze naar Nederland, waar haar moeder al een paar jaar woonde. Ze studeerde in 2009 cum laude af aan de Fotoacademie in Amsterdam en won sindsdien een aantal prijzen. Haar fotoboek Aeronautics in the Backyard wordt bij BredaPhoto gepresenteerd.