Tag: hoop

  • Activist Samer Sinijlawi: ‘Er is nog hoop voor Palestina’

    Activist Samer Sinijlawi: ‘Er is nog hoop voor Palestina’

    Er is nog steeds een weg naar duurzame vrede in Israël en Palestina, schrijft de Palestijnse politiek activist Samer Sinijlawi. ‘Maar om daar te komen, zullen beide partijen hun manier van denken radicaal moeten omgooien – evenals hun leiderschap.’

    Vaak wordt aangenomen dat het conflict tussen Israëliërs en Palestijnen onmogelijk op te lossen is, dat het een kwestie is van twee nationale bewegingen met onverzoenlijke wensen voor één klein stukje land. Zo voelt het al bijna een eeuw, en misschien is dat gevoel nog nooit zo sterk geweest als in het afgelopen jaar, een jaar van woede en verdriet.

    Maar als Palestijn die geboren is in de Oude Stad van Jeruzalem, die de bezetting heeft meegemaakt en die vijf jaar in een Israëlische gevangenis heeft gezeten, zie ik een uitweg. Zelfs nu, terwijl de pijn nog zo vers is, geloof ik dat de Palestijnen een eigen staat kunnen stichten en dat de twee volken naast elkaar kunnen bestaan. Maar om daar te komen zullen beide partijen hun manier van denken radicaal moeten omgooien – evenals hun leiderschap.

    De toekomst die ik me voorstel is in sommige opzichten geworteld in een verleden dat ik me herinner uit mijn jeugd in het begin van de jaren tachtig. In de drukke straten van de Oude Stad wist iedereen tot welke gemeenschap hij behoorde, maar deelden de mensen samen de ruimte. Als jongetje begreep ik nog niet wie boven wie stond; ik wist alleen dat iedereen aan het eind van de week druk in de weer was: joden gingen naar de synagoge, christenen naar de kerk en moslims volgden de roep van de muezzin om te gaan bidden. Mijn familie is islamitisch, maar ik ging naar een christelijke school. Ik vroeg me nooit af hoe natuurlijk deze gelaagde realiteit was.

    Maar toen, in 1987, begon de eerste intifada. Ik was veertien. Ineens werd ik het conflict in gezogen, aangetrokken tot wat ik op straat hoorde en op televisie zag, en wat een eenvoudiger verhaal was dan wat ik in Jeruzalem had gekend – de strijd van mijn volk, dat het gewapend met stenen opnam tegen tanks. Ik wilde ook stenen gooien, erbij horen. En dus deed ik dat. En net als veel van mijn vrienden werd ik als tiener uiteindelijk gearresteerd en door een militaire rechtbank veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

    Begrip

    Dit was het pijnlijkste moment van mijn leven. Mijn jeugd was voorbij. Ik kon de middelbare school niet afmaken. Maar mijn ervaring in de gevangenis heeft me op een onverwachte manier veranderd. Ik leerde er andere dingen. Ik werd verkozen tot woordvoerder en moest onderhandelen met de gevangenisautoriteiten, of het nu ging om beter eten of om speciale toestemming voor familiebezoek. En ik kreeg meer begrip voor mijn vijand.

    Op straat bedekten wij ons gezicht met een keffiyeh, en de vijand zag ons alleen door het vizier van een geweer. Maar nu leerde ik een paar Israëliërs kennen, ik kon hun ogen zien en zij de mijne. Ik leerde Hebreeuws, ik leerde hun naam. En ik zag voor het eerst dat deze mensen, de onderdrukkers voor wie ik bang was geweest, zelf hun eigen angsten hadden. Ze waren bang voor ons, de Palestijnen, voor het geweld dat wij hun zouden kunnen aandoen, voor het geweld dat wij hun al aandeden. Voor mijn eigen volk, dat door Israël wordt onderdrukt, is het moeilijk om dit te begrijpen, maar de angst van Israëliërs is reëel en oprecht, en niet overdreven of verzonnen. De beelden van 7 oktober staan in hun geheugen gegrift. Vooral sinds dat bloedbad verlangen zij naar het soort veiligheid waar ieder van ons naar verlangt, en zij zullen de veiligheid van hun familie nooit op het spel zetten. Het is geen suïcidaal volk.

    Ik heb ook geleerd hoe ik met Israëliërs moet onderhandelen. Ze kunnen koppig zijn, misschien vanwege hun eigen geschiedenis van overleven. Je hoeft niet te verwachten dat je iets bereikt door druk uit te oefenen. Geloof me, de Palestijnen hebben het geprobeerd: de strategie is al tientallen jaren om geweld te gebruiken tegen Israëlische burgers en de wereld te smeken om Israël te dwingen concessies te doen. Maar dit heeft niet gewerkt. Proberen de Amerikaanse president zover te krijgen dat hij de Israëliërs behandelt met de wortel en de stok is zinloos. Wij moeten zelf met ze dealen, dat is de enige manier. En net zoals wij onze behoeften hebben – waardigheid, rechten, onafhankelijkheid – hebben ook zij hun behoeften; we moeten manieren vinden om hen gerust te stellen over hun veiligheid, om hun angst weg te nemen.

    Het lijkt alsof we de helft van ons leven in de rij staan te wachten terwijl er een Israëlische soldaat met een geweer naast ons staat

    Ik zie het conflict vaak als iets wat DNA bezit. De ene streng is de behoefte aan veiligheid en de andere een verlangen naar waardigheid. Ik heb geen speciale opleiding hoeven volgen om dit te leren; het hoort bij de realiteit van het Palestijnse leven. Wij leven in een staat van constante vernedering: bij elk checkpoint, elke keer als we een grens over moeten, als kolonisten op de Westelijke Jordaanoever onze mensen aanvallen en vermoorden en ongestraft onze akkers verbranden. Het lijkt wel alsof we de helft van ons leven in de rij staan te wachten terwijl er een Israëlische soldaat met een geweer naast ons staat. We hebben geen vrijheid. Elke vorm van menselijke waardigheid wordt ons ontzegd. En dit bestaan, het gevoel om voor altijd vertrapt te worden, is nu al minstens drie generaties lang ons deel.

    Dit is het DNA, een verlangen naar zowel veiligheid als zelfbeschikking. Door deze twee verlangens te erkennen en ernaar te luisteren – in plaats van steeds over goed en slecht te spreken of telkens weer de geschiedenis te herhalen – kunnen mensen van goede wil het conflict oplossen. Ik maak deel uit van een initiatief – georganiseerd door Ehud Olmert, de voormalige premier van Israël, en Nasser al-Kidwa, de voormalige Palestijnse minister van Buitenlandse Zaken – dat precies dat wil bereiken. Wij streven naar een staakt-het-vuren in Gaza en naar de terugkeer van de gijzelaars die Hamas al sinds 7 oktober vasthoudt; daarnaast hebben we de details van een tweestatenoplossing uitgewerkt, met een plan voor het trekken van de grenzen, het bepalen van de status van Jeruzalem en de wederopbouw van Gaza.

    De contouren zijn niet zo moeilijk te bedenken, maar er staan veel dingen in de weg. Ik zie vier belangrijke obstakels, twee binnen de Israëlische en de Palestijnse samenleving en twee van buitenaf.

    Concessies

    De Israëlische premier Benjamin Netanyahu en zijn rechtse regering willen geen concessies doen aan de Palestijnen. Ze hebben nauwelijks oog voor ons en zijn vastbesloten om onze eisen voor onbepaalde tijd te negeren. Maar ik denk niet dat zij de meerderheid van de Israëliërs vertegenwoordigen; velen hebben een hekel aan Netanyahu en willen dat er een einde komt aan zijn bewind. Ik denk dat degenen die elke week met tienduizenden tegelijk protesteren in Tel Aviv en Jeruzalem wel weten dat de status quo voor geen van beide volkeren acceptabel is.

    Dus dit is het eerste obstakel: Netanyahu en zijn reactionaire, racistische bondgenoten. De Israëliërs moeten een manier vinden om hem en de extremisten weg te stemmen. Zolang de Israëlische leiders het nut van de oprichting van een Palestijnse staat niet inzien en zich onverschillig opstellen tegenover ons leven en onze behoeften, zal er niets veranderen. Maar het tweede obstakel dat ik zie, ligt voor mij dichter bij huis en is net zo cruciaal: het corrupte en incompetente leiderschap van Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Autoriteit.

    Ik ontmoette Abbas voor het eerst als lid van een Fatah-jongerendelegatie, kort na het einde van de eerste intifada. Na mijn vrijlating uit de gevangenis, in 1993, raakte ik betrokken bij de partij, destijds de grootste in de Palestijnse politiek. Mijn medeafgevaardigden en ik waren in de twintig; Abbas, destijds de tweede man van Fatah, was in de vijftig. ‘Jullie zijn de leiders van morgen,’ zei hij tegen ons. Inmiddels is Abbas bijna negentig en zijn wij in de vijftig. Door de jaren heen heeft hij ervoor gezorgd dat de ‘morgen’ die hij beloofde nooit kwam. Hij werd in 2005 tot president gekozen voor een ambtstermijn van vier jaar. Hij heeft er inmiddels bijna twintig uitgezeten, zonder ook maar één herverkiezing. In die periode heeft hij onze democratie, onze veiligheid, onze economie en onze waardigheid in gevaar gebracht.

    Abbas verloor de parlementsverkiezingen van 2006 van Hamas en moest het jaar daarop het leiderschap over Gaza aan hen overlaten. Maar hij had de afgelopen twee decennia kunnen gebruiken om de Westelijke Jordaanoever op te bouwen en transparante, controleerbare instellingen te creëren die een bloeiend alternatief voor Hamas zouden vormen. Dat heeft hij niet gedaan, en daardoor kregen extremisten de kans om het vacuüm op te vullen. In 2021 annuleerde Abbas nog geplande verkiezingen, dit keer nadat Fatah zich in drie partijen had opgesplitst. Jongere, hervormingsgezinde Fatah-leiders stonden klaar om te proberen dat alternatief te realiseren; zij hadden een tegenwicht kunnen bieden aan het extremisme dat uiteindelijk leidde tot de aanslagen van 7 oktober. Maar Abbas stond hun in de weg.

    Netanyahu en Abbas zijn de grootste interne obstakels

    Palestijnen willen verandering. Uit opiniepeilingen blijkt dat ongeveer 90 procent van de bevolking wil dat Abbas aftreedt. Maar hem afzetten is niet alleen belangrijk voor de Westelijke Jordaanoever en voor de mogelijkheid om met de Israëliërs te onderhandelen, het is ook essentieel voor de toekomst van Gaza. Hoe wreed en onderdrukkend het Hamas-regime ook is geweest, de inwoners van Gaza willen niet dat het wordt vervangen door Abbas.

    In plaats daarvan zouden Palestijnse politieke leiders een eenheidsregering moeten vormen die bestaat uit niet-partijgebonden nationale figuren; hervormers van Fatah zoals Nasser al-Kidwa, de voormalige veiligheidschef Mohammed Dahlan en, met een beetje geluk, de gevangen Fatah-leider Marwan Barghouti; en zelfs leden van niet-extremistische islamistische facties zoals de Ra’am-partij uit het Israëlische parlement. Deze brede coalitie zou dan verantwoordelijk zijn voor de wederopbouw van Gaza en het verenigen ervan met de Westelijke Jordaanoever. Ze zou de steun nodig hebben van Arabische landen en de internationale gemeenschap – en natuurlijk erkenning door Israël.

    Dit is allemaal onmogelijk zolang Netanyahu en Abbas aan de macht blijven, en daarom zijn zij de grootste interne obstakels. Maar er zijn ook twee externe struikelblokken.

    Het eerste is duidelijk: Iran is de vijand van zowel Israëliërs als Palestijnen die vrede willen, en van alle gematigde krachten in het Midden-Oosten. Iran heeft Hamas en Hezbollah gesteund, groeperingen waarvan de ideologie en het handelen tot niets anders zullen leiden dan tot eindeloze oorlog. De beste manier om Iran tegen te gaan is om Israël relaties te laten opbouwen met de Emiraten en de Saoedi’s en met een hervormde Palestijnse Autoriteit. Maar daarvoor moeten Abbas en Netanyahu eerst weg. 

    Het Westen

    Het tweede externe struikelblok lijkt misschien verrassend, maar is daarom niet minder belangrijk om te onderkennen: de extreme sentimenten in het Westen. Ik begrijp wat de motivatie was voor de protesten op Amerikaanse universiteiten. Ik heb getreurd om de dood van elke Gazaan en ik ben zeker niet tegen vreedzaam demonstreren. Maar ik denk dat sommigen die zichzelf pro-Palestina noemen en onder de Palestijnse vlag meedoen aan demonstraties, ons echt kwaad doen – en ik zou hetzelfde willen zeggen over sommigen die onder de Israëlische vlag demonstreren en zichzelf pro-Israël noemen.

    Deze protesten hebben de standpunten van Hamas en Netanyahu alleen maar verhard. Ze oefenen de verkeerde druk uit, namelijk die tegen het sluiten van compromissen. Tegen het zien van elkaar en het vinden van manieren om dichter bij elkaar te komen. Ze vervreemden de gewone Israëliërs en Palestijnen van elkaar. Wat mij betreft is er maar één idee waar we ons achter kunnen scharen, maar één pro-Israëlische, pro-Palestijnse slogan: ‘Stop de oorlog en bevrijd de gijzelaars’. Iets anders gaat niet helpen, zeker geen slogan als ‘From the river to the sea, Palestine will be free’.

    Ik weet hoe moeilijk deze obstakels te overwinnen zijn; als Palestijn ben ik gewend aan eindeloze teleurstellingen. Het is veel gemakkelijker om zelfingenomen te blijven, om te geloven dat met genoeg geschreeuw of raketten de dingen vanzelf ten goede zullen veranderen. Maar dat zal niet gebeuren – dat kan pas als de twee partijen bereid zijn oprecht naar elkaar te kijken.

    Ik heb in de loop der jaren met veel Israëliërs gesproken, eerst nadat ik was gekozen tot internationaal secretaris voor Fatah-jongeren en daarna als hoofd Israëlische betrekkingen voor de partij. Met velen van hen ben ik goed bevriend geraakt, niet alleen met mensen ter linkerzijde en in het midden, maar ook met mensen ter rechterzijde. Van al deze gesprekken heb ik een aantal lessen geleerd.

    Haat heeft de Palestijnen nooit iets opgeleverd, behalve nog meer ellende

    Ik heb allereerst besloten de ander niet te haten. Om een eenvoudige reden: wij hebben mensen van hen gedood en zij hebben mensen van ons gedood. Haat heeft de Palestijnen nooit iets opgeleverd, behalve nog meer ellende. Daarnaast heb ik besloten om Israëliërs nooit de les te lezen over moraliteit, over wat ze wel en niet moeten doen. In plaats daarvan heb ik ervoor gekozen me te richten op mijn eigen kant, op het voorbeeld dat ík geef.

    Daarom ging ik begin dit jaar voor een condoleancebezoek naar Kfar Aza, een van de kibboetsen die op 7 oktober werd aangevallen. Ik heb er voor de camera’s de daden van Hamas veroordeeld. Ik wilde niet dat de geschiedenis zou vastleggen dat geen enkele Palestijn zich tegen deze gruweldaad zou uitspreken. In Kfar Aza, op zo’n anderhalve kilometer van de stad Beit Hanoun in Gaza, kon ik rook zien en bommen horen; ik wist wat daar gebeurde, maar ik was alleen gekomen om te veroordelen wat Hamas in naam van de Palestijnen, in mijn naam, had gedaan. Op een dag zal er een Israëliër voor ons staan en veroordelen wat er in Gaza is gebeurd. Ik hoef hun niet de les te lezen; het enige wat ik kan doen is mijn voorbeeld geven.

    Ik weet dat het controversieel is om te zeggen, maar ik denk dat de Palestijnen de eerste stap moeten zetten. Voor ons is er meer urgentie dan voor de Israëliërs. Zij lijden onder het conflict, maar niet zo erg als wij. Zij kunnen nog eens 75 jaar wachten tot het voor hen noodzakelijk wordt om het land te delen, maar wij kunnen niet nog eens 75 uur wachten. Zij hebben een luchtmacht, wij niet. Zij hebben tanks, wij niet. We hebben decennium na decennium doorgebracht zonder met hen enige vooruitgang te boeken. Als praktisch ingestelde persoon ben ik tot de conclusie gekomen dat we iets anders moeten proberen.

    Prioriteit

    Als Palestijnen moeten wij een strategie opzetten die prioriteit geeft aan de veiligheid van de Israëliërs – niet in het belang van de Israëliërs, maar in ons eigen nationale belang. We moeten ervoor zorgen dat de Palestijnse Autoriteit geweld door Palestijnen naar behoren strafbaar stelt – net zoals Israël een einde moet maken aan het geweld van kolonisten op de Westelijke Jordaanoever en moet respecteren dat het leven van Palestijnen net zo heilig is als dat van Israëliërs. Beide partijen in dit conflict moeten hun gewelddadige neigingen in bedwang houden. En dan zal onze boodschap aan de Israëliërs zijn: voor wat, hoort wat. Als wij ervoor zorgen dat jullie je veiliger voelen, als wij instituties opbouwen die het geweld effectief beteugelen, die een succesvolle economie voor de Palestijnen opbouwen, die stabiliteit en transparantie creëren, dan verwachten wij van jullie meer waardigheid, vrijheid en vertrouwen.

    De tweestatenoplossing lijkt op dit moment onmogelijk, dus moeten we die stap voor stap opbouwen door aan beide kanten een bijdrage te leveren – zodat we uiteindelijk klaar zijn voor de moeilijke beslissingen. Dit moet van bovenaf beginnen, en daarom hecht ik zo veel waarde aan nieuw leiderschap. Mensen moeten zien hoe vertrouwen kan ontstaan. Als ik de premier van de toekomstige staat Palestina was, zou ik willen dat de Israëlische premier mijn beste vriend was. Ik zou hem en zijn gezin uitnodigen voor een etentje en ze kennis laten maken met mijn vrouw en kinderen. Wederzijds vertrouwen tussen de hoogste leiders zal het vertrouwen tussen de mensen bevorderen.

    Zelfs nu, nadat er in het afgelopen jaar tienduizenden doden zijn gevallen in Gaza, blijf ik erbij dat de meerderheid van de gewone Palestijnen en de gewone Israëliërs een uitweg willen vinden.

    Ik heb onlangs besloten een master in conflictoplossing te volgen aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Elke maandag als ik naar college ga, krijg ik een levendige illustratie van hoe de toekomst eruit zou kunnen zien. Toen ik jonger was, leek de Hebreeuwse Universiteit verboden terrein voor Palestijnen; het voelde zelfs verkeerd om langs de poorten van de campus te lopen. Maar tegenwoordig bestaat de studentenpopulatie voor bijna 20 procent uit Arabieren en dragen veel jonge vrouwen een hidjab.

    Ik zie dat velen, zowel Israëliërs als Palestijnen, bijna dezelfde hangertjes dragen waarop hetzelfde gebied staat afgebeeld

    Als ik naar deze studenten kijk, zie ik dat velen van hen, zowel Israëliërs als Palestijnen, bijna dezelfde hangertjes dragen waarop hetzelfde gebied staat afgebeeld – het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee – dat beide partijen in zijn geheel opeisen voor hun eigen volk. (En ik durf te wedden dat beide hangertjes in dezelfde fabriek in China zijn gemaakt.) Maar vervolgens gaan ze naar dezelfde colleges en luisteren ze naar dezelfde professoren, en soms wijst een docent twee Israëlische studenten en twee Palestijnse studenten toe aan dezelfde onderzoeksgroep en werken die studenten, elk met hun eigen kettinkje, samen. Op dat moment zijn de verschillen tussen hen niet meer van belang; ze proberen allemaal gewoon hun studie af te ronden. En ik beloof je: ze willen elkaar echt niet de zee in gooien.

    Ze dragen die hangertjes omdat ze in de war zijn, omdat hun geest is vergiftigd door hun politieke leiders. Deze jonge mensen, die weten hoe ze zo goed moeten samenwerken, die weten hoe ze moeten geven en nemen, weten allang hoe ze elkaars buren moeten zijn. Ze hebben alleen nog leiderschap nodig dat de kans daarop vergroot. Dat leiderschap is er nu niet, en dat is de echte vijand voor zowel Israëliërs als Palestijnen.

    Samer Sinijlawi is een Palestijnse politieke activist en de oprichter van het Jerusalem Development Fund.

  • Levenslessen van een radicaal boeddhistische non: ‘Woede verlamt je’

    Levenslessen van een radicaal boeddhistische non: ‘Woede verlamt je’

    De Australische radicaal boeddhistische non Robina Courtin geeft lessen over de vraag hoe we ons hoofd helder kunnen houden in een krankzinnige wereld. ‘De boeddhistische visie is dat we onszelf vormgeven, of het nou gaat om een muzikant of om een gelukkig mens. Wij zijn de baas.’

    Het is dinsdagavond in het Australische plaatsje Milton, aan de zuidkust van New South Wales. De geur van vers gezette chai en zelfgemaakte soep wordt meegevoerd op de tocht in de zaal van de Country Women’s Association. Ondertussen wordt er gesproken over van alles en nog wat, variërend van de dood, iemand het leven benemen, tot oorlog, abortus, gevangenis en lijden.

    Zo’n vijftig mensen, van wie sommigen al heel lang lid zijn van de lokale boeddhistische club terwijl anderen voor het eerst een kijkje komen nemen, zitten in kleermakerszit op de grond of op een plastic stoel. Ze luisteren naar een boeddhistische non, terwijl een portret van een jonge koningin Elizabeth vanaf de wand op hen neerkijkt. Het gespreksonderwerp van vanavond: hoe kun je positief blijven als je wordt omgeven door negativiteit?

    ‘Het probleem is dat we denken dat de buitenwereld de voornaamste oorzaak is van ons lijden – en van ons geluk’

    ‘Het probleem is dat we denken dat de buitenwereld de voornaamste oorzaak is van ons lijden – en van ons geluk,’ zegt Eerwaarde Robina Courtin, een Australische van inmiddels 77, die eind jaren zeventig werd toegelaten tot de Gelug, een van de hoofdscholen binnen het Tibetaans boeddhisme. ‘Als je muzikant wilt worden, begrijpen we allemaal dat je jezelf vormgeeft en dat het aan jou ligt of je uiteindelijk ook echt muzikant wordt. Het werk moet worden gedaan in je hoofd, het vereist precisie, helderheid en uitgewerkte theorieën, en daarnaast moet je oefenen, steeds maar weer oefenen. We zijn ons ervan bewust dat we onszelf op die manier vormgeven.

    Maar,’ vervolgt ze, ‘als het erom gaat dat we een gelukkig mens willen worden, gaan we ineens twijfelen of we wel over dat vermogen beschikken. De boeddhistische visie is dat we onszelf vormgeven, of het nou gaat om een muzikant of om een gelukkig mens. Wij zijn de baas.’ 

    Ervaringen interpreteren

    Maar hoe zit het dan met al dat extra lijden van de afgelopen jaren, vraagt een vrouw, doelend op corona, overstromingen en de oorlog in Oekraïne. Courtin vertelt het verhaal van twee gevangengezette Tibetaanse vrouwen die gemarteld werden en seksueel misbruikt, maar die ‘deze ervaring toch wisten te interpreteren’ op een manier waardoor ze ‘het konden verdragen’. 

    De vrouw lijkt niet tevreden met het antwoord. ‘Wat is er?’ vraagt Courtin. ‘Toe maar, zeg het maar, het is belangrijk.’ Courtin kan zowel vriendelijk zijn als uitermate direct en scherp – toen iemand die een vraag had gesteld haar de avond ervoor in de rede was gevallen, reageerde ze met: ‘U hoort toch dat ik bezig ben uw vraag te beantwoorden!’ – en het duurt dan ook even voordat de vrouw haar gedachten onder woorden brengt. ‘Het lijkt me gewoon ondoenlijk om in de praktijk te brengen,’ zegt ze uiteindelijk.

    Wereldwijde treurnis?

    Naar voorbeeld van Taylor Swift, die in het begin ‘vreselijk romantisch’ was maar nu in haar werk ‘een scala aan negatieve gevoelens aanboort zoals angst, uitputting en woede’, lijken de thema’s van popsongs allengs somberder te worden, schrijft commentator David Brooks in The New York Times.

    Onderzoekers Charlotte Brand, Alberto Acerbi en Alex Mesoudi hebben vijftienduizend popsongs geanalyseerd die tussen 1965 en 2015 zijn uitgebracht en constateren in de teksten een duidelijke afname van het woord ‘liefde’, terwijl woorden met een negatieve connotatie als ‘haat’ juist toenemen. Voor krantenkoppen geldt hetzelfde. Dit negativisme weerspiegelt onze werkelijkheid: volgens de jaarlijkse peiling van het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup in honderdveertig landen hebben de cijfers die mensen aan hun eigen geluk geven – op een schaal van 0 tot 10 – een historisch dieptepunt bereikt. ‘Zestien jaar geleden gaf maar 1,6 procent van de wereldbevolking zijn leven een 0. Vorig jaar was het aantal mensen dat zei het slechtst denkbare leven te leiden meer dan verviervoudigd. Reden voor het Amerikaanse dagblad om te veronderstellen dat de ‘wereldwijde treurnis’ momenteel een hoogtepunt bereikt.

    ‘Het is wel in de praktijk te brengen als je seksueel wordt misbruikt in de gevangenis,’ antwoordt Courtin. ‘We hebben het vermogen om iets te veranderen aan de manier waarop we ons leven interpreteren, en zij waren daartoe in staat. Ze waren zelfs in staat compassie op te brengen voor de mannen die hen mishandelden. Het resultaat? Dat ze hun verstand niet verloren. Dat is niet moralistisch; het is júíst gericht op de praktijk.

    Lieve kind, luister naar me,’ zegt Courtin, nu op wat mildere toon. ‘Ons probleem is dat we niet goed uit de voeten kunnen met ons eigen lijden of het lijden om ons heen, en daarom proberen te zorgen dat het verdwijnt. Maar dat kunnen we niet. We kunnen alleen maar zo goed mogelijk ons best doen in dit krankzinnigengesticht dat Aarde heet.’

    Eerder die dag, tijdens de lunch, vertelde Courtin: ‘Ik ben altijd heel erg betrokken geweest bij de wereld. Ik hou van de wereld en ik hou van rare mensen.’ Ze is ‘verslaafd’ aan kranten en aan nieuws; de Financial Times, The Economist en The Washington Post behoren tot haar favorieten.

    Ondeugendste kind

    Courtin groeide op in Melbourne, als een van zeven kinderen in een rumoerig, arm, katholiek huishouden. Als ‘het ondeugendste kind van het gezin’ werd ze op haar twaalfde naar een nonnenschool gestuurd. ‘Ik was in de zevende hemel, het was puur geluk,’ zegt ze. Niet alleen had ze eindelijk een eigen bed, maar bovendien ‘was er geen chaos om me heen, er was discipline. Ik ging elke dag naar de mis. Ik hield van God en van de maagd Maria en de heiligen. Voor mij was het ideaal.’

    ANP 59801600
    Een enorm schilderij van Boeddha wordt tentoongesteld in het Drepung-klooster in Lhasa, de traditionele hoofdstad van Tibet. Het in 1416 gebouwde klooster is het grootste van de Gelug-school van het Tibetaans boeddhisme. – © Xinhua / Purbu Zhaxi / Xinhua News Agency / Eyevine

    Als tiener ontdekte ze de jongens. Toen ze zich realiseerde dat ze ‘niet zowel God als jongens’ kon hebben, maakte ze ‘heel bewust’ een keuze: ‘Vaarwel God, hallo jongens.’ Een tweedehands elpee die ze voor een kwartje op de kop wist te tikken bracht de jazz op haar pad. ‘Ik had een langspeelplaat gekocht waar “Billie Holiday” op stond. Ik had geen idee, ik vroeg me af wie hij zou zijn. Er ging een wereld voor me open. Ik wist niet wat me gebeurde: ineens hoorde ik over het leven van zwarte Amerikanen, van mensen die leden.’

    Eind jaren zestig ging Courtin naar Londen, ‘helemaal klaar voor de revolutie’. Daar sloot ze zich aan bij demonstraties van ‘radicaal-links’ en steunde ze de Black Panther-beweging. In 1971 ging ze voltijds werken voor Friends of Soledad, een Britse groep politieke activisten die zich inzetten voor drie zwarte Amerikaanse gevangenen die werden beschuldigd van de moord op een witte gevangenbewaarder. Daarna sloot ze zich aan bij de radicaal feministische beweging. Ze verloor haar belangstelling voor mannen en werd ‘radicaal lesbisch feministe’, verdiepte zich in oosterse vechtsporten en verhuisde naar de Verenigde Staten, waar ze in een door lesbiennes beheerde dojo in New York ging wonen.

    Ongelukkigheid

    De Spanjaard Alejandro Cencerrado geeft leiding aan het Happiness Research Institute in Kopenhagen. Hij is ook de auteur van het boek En defensa de la infelicidad (Pleidooi voor ongelukkigheid) dat in 2022 verscheen. De specialist meet zijn eigen geluk al sinds zijn achttiende, meldt het Argentijnse dagblad La Nación. ‘Elke avond stel ik mezelf dezelfde vraag,’ zegt hij. ‘Wil ik de dag die ik vandaag heb beleefd morgen opnieuw beleven?’ Volgens hem is het belangrijk te analyseren wat ons op individueel niveau gelukkig of ongelukkig maakt, maar ook op grotere schaal ‘om op termijn een verandering in gang te zetten’. Uit zijn onderzoek blijkt dat geld niet per se gelukkig maakt, vooral niet in rijke landen: zodra de verschillen in rijkdom toenemen, is dat van invloed op het welzijnsniveau. Finland is minder rijk dan de Verenigde Staten, maar steekt dat land de loef af wat geluk betreft. Vooral dankzij een grotere sociale gerechtigheid.

    In 1976 keerde ze terug naar Australië, met een gebroken voet waardoor ze geen vechtsport kon beoefenen. In Queensland zag de eenendertigjarige Courtin een affiche dat een lezing aankondigde met twee Tibetaanse boeddhisten: lama Yeshe en lama Zopa Rinpoche. Ze besloot erheen te gaan. ‘Zo heb ik mijn weg gevonden,’ zegt ze. ‘Ik was altijd al op zoek naar een manier om me te verhouden tot de wereld, tot de vraag waarom er lijden is, wat de oorzaken daarvan zijn. En ik denk dat ik niemand meer kon bedenken die ik de schuld kon geven voor het lijden van de wereld.’

    Boeddhistische lessen

    Sinds haar wijding, inmiddels vierenveertig jaar geleden, werkte Courtin als redacteur van boeddhistische tijdschriften en boeken. Nadat ze in 1996 een brief had gekregen van een jonge Mexicaans-Amerikaanse ex-gangster, die tot drie keer levenslang was veroordeeld en in een zwaarbeveiligde gevangenis in Californië zat, zette ze het Liberation Prison Project op, een non-profitorganisatie die gevangenen boeddhistische lessen en steun biedt.

    Courtin heeft veertien jaar aan het hoofd gestaan van dit programma en heeft op die manier duizenden gevangen geholpen. Nog altijd onderhoudt ze contact met enkele van haar ‘gevangenisvrienden’. Onlangs nog heeft ze een van hen opgezocht, een man die al sinds 1983 in Kentucky in de dodencel zit. ‘De gevangenis waar hij zit is een soort vuilnisbelt,’ zegt ze. ‘Geen enkel zintuiglijk plezier, het eten is verschrikkelijk, hij heeft niet de vrijheid om wat dan ook te doen, hij wordt als een monster beschouwd – en toch is hij gelukkig.’ Als praktiserend boeddhist is hij ‘voldaan en tevreden’. ‘Hij heeft gewerkt aan zijn geestelijke gezondheid, heeft de verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen. Hoewel hij dolgraag vrij zou komen, accepteert hij de realiteit van zijn bestaan. “Ik ben klaar voor die elektrische schok,” zei hij tegen me.’

    Ik vraag Courtin of ze ook woede voelt als ze denkt aan de situatie waarin deze man verkeert. ‘Nee, geen woede. Ik probeer hem te helpen in de situatie waarin hij zich bevindt, meer niet,’ zegt ze. ‘Ik weet nog dat ik een radicale politiek activiste was, in Londen, begin jaren zeventig. Toen was ik kwaad, om niet te zeggen woedend. Er is nu echt niet minder racisme, seksisme en onrecht dan toen, eerder meer – het gevangenissysteem in Amerika is echt godgeklaagd – maar ik ga nu anders te werk.

    ‘Een vogel heeft twee vleugels nodig om te vliegen: wijsheid en compassie’

    Het probleem is dat we het zien van nare dingen verbinden met boos zijn. We hebben het gevoel dat we, als we onze woede opgeven, het kind met het badwater weggooien.’ Courtin zegt dat ze ‘nog altijd activist’ is, maar dat het vasthouden aan woede vergelijkbaar is met jezelf steken met een mes: ‘het verlamt je gewoon’. In plaats daarvan past ze nu onverschrokken compassie toe, om haar eigen woorden te gebruiken. ‘In het boeddhisme is er het gezegde dat een vogel twee vleugels nodig heeft om te vliegen: wijsheid en compassie. Wijsheid is het eeuwige, het vormgeven van jezelf. Compassie is de daad bij het woord voegen en je inspannen om de wereld beter te maken.’

    Zoom

    Ruim tien jaar lang was Courtin vrijwel continu op pad, om in boeddhistische centra over de hele wereld onderwijs te geven. Totdat, toen ze in 2020 in Santa Fe was, de pandemie uitbrak. Ze stapte over op lessen via Zoom – ‘Ik ben verzot op Zoom’ – en een vriend maakte socialemedia-accounts voor haar aan. Op haar TikTok-account, waar ze 85.600 volgers heeft, staan korte filmpjes, waarin ze soms reageert op dingen die op dat moment spelen, met titels als: ‘Hoe je in deze wereld kunt leven zonder je verstand te verliezen’.

    ‘Je kunt de wereld gebruiken om jezelf te ontwikkelen,’ zegt ze. ‘Neem bijvoorbeeld oud-president Donald Trump. Als ik naar Trump kijk, ga ik niet lopen schreeuwen dat hij zo’n foute man is. Nee, ik denk: Dit zijn leugens, dat herken ik. Dit is ijdelheid, dat herken ik ook. Dit is arrogantie, dat herken ik ook. Er is niet één waanidee van Trump waarin ik me niet herken. De boeddhistische visie is dat we die gemoedstoestanden allemaal hebben, we zitten in hetzelfde schuitje. Dus dan heb ik iets van: fijn dat je me duidelijk maakt hoe ik niet wil zijn.’

    ‘Ik ga proberen mezelf nuttig te blijven maken. Nuttig tot ik erbij neerval’

    Courtin schreef onlangs op sociale media dat haar zus Jan was overleden na een ongeval in huis. Ze zegt dat de enorme hoeveelheid reacties op haar post haar ‘diep heeft geraakt, omdat de mensen zo aardig waren’. Zodra ze van het ongeval had gehoord, nam ze een vliegtuig naar Australië. Toen Jans beademing werd uitgeschakeld fluisterde Courtin de boeddhistische mantra’s die bij het overlijden horen, te midden van haar familieleden die luidkeels het lijflied van de Sydney Swans zongen.

    Zodra Courtin haar huidige Australische onderwijstournee heeft afgerond, vertrekt ze naar New York. Ze is voornemens daar ‘de laatste jaren van haar leven’ door te brengen. ‘Ze is van plan te gaan schrijven en redigeren, haar persoonlijke studie en haar boeddhistische praktijk voort te zetten, en les te geven via Zoom. Ik ga proberen mezelf nuttig te blijven maken. Nuttig tot ik erbij neerval.’ 

    Lees ook:

  • Lea Ypi: ‘Hoop is een morele plicht’

    Lea Ypi: ‘Hoop is een morele plicht’

    De bekende Albanese auteur en academica Lea Ypi over wat ze het meest aan haar vaderland mist en hoe een van leugens vergeven communistische jeugd haar interesse in filosofie wekte.

    Lea Ypi groeide op in het laatste stalinistische bastion in Europa: Albanië. Ze had er geen idee van dat Xhafer Ypi, voormalig premier van Albanië, een man die ze verplicht moest verachten, haar overgrootvader was, noch dat haar ouders allesbehalve enthousiast waren over het communistische regime. In haar bekroonde memoires (Vrij) vertelt ze dat in 1991, toen het Albanese communistische bewind ten val kwam, haar ouders haar de waarheid  vertelden, namelijk dat het land bijna een halve eeuw een openluchtgevangenis was geweest. Ze schrijft ook over haar vreselijke ervaringen met de burgeroorlog in 1997. Ypi is hoogleraar politieke theorie aan de London School of Economics.

    U legt uit dat ‘biografie’ een beladen begrip was in het communistische Albanië. Had u dat ironische gegeven in gedachten toen u aan uw memoires begon?

    ‘Ik was niet van plan memoires te schrijven; ik wilde een filosofisch boek schrijven, maar toen was daar ineens corona. Ik zat in Berlijn en probeerde mijn kinderen te ontvluchten. Die zaten me voortdurend in huis achterna. Ze vonden dat niemand thuis mocht werken, in hun ogen was er alleen ruimte voor spel, was het altijd zondag. Dus verstopte ik me in een kast en werd het boek steeds persoonlijker: omdat het ging over fysieke beperking, omgeven door grote onzekerheid over wat vrijheid betekende in een liberale samenleving. Ik had in 1997 in Albanië al een lockdown meegemaakt, en hoewel die heel anders en veel angstaanjagender was omdat er buiten een oorlog woedde, was er een gevoel van herkenning.’

    Uw jeugd werd getekend door onwetendheid. U werd voor de gek gehouden: is uw vermogen tot vertrouwen daardoor aangetast?

    ‘De overgang van niet-weten naar weten is problematisch: is de nieuwe waarheid niet gewoon weer een ander verhaal? Die scepsis over de waarheid die tevoorschijn kwam na een grote leugen heeft me nooit echt verlaten. Dat is wat me aantrekt in de filosofie. Ik verdiep me in Kants Kritiek van de zuivere rede. Zijn filosofie bestaat er onder meer uit te pogen de rede los te maken van dogmatisme en scepticisme. Voor mij betekent kritisch zijn dat je geen dogma’s accepteert. Maar dan krijg je weer te maken met het gevaar van de scepsis: als je voorgeschotelde waar-heden verwerpt, houd je misschien heel weinig over. Als je niets meer vertrouwt, kan dat heel verlammend werken. Ik probeer dat te vermijden, en vastigheid te vinden in abstracte moraliteit.’

    GettyImages 1240447905 1
    Lea Ypi tijdens de uitreiking van de Ondaatje-prijs voor haar memoires, Free. Londen, 2022. – © David M. Benett/Dave Benett/Getty Images

    Wat was Albanië, afgezien van de politiek, voor een land, en mist u het?

    ‘Ik mis het heel erg – de stomend hete zomers en de droge, stormachtige winters. Als je het hele jaar door aan de kust woont, krijg je een andere verhouding met de zee. Die is grillig van aard. Onze middelbare school lag dicht aan zee en we gingen er soms naartoe wanneer we pauze hadden. Toen ik klein was, wist ik al dat er een wereld bestond buiten Albanië, aan de overkant van de zee, dus die borg ook deze suggestie in zich.’

    Waar woont u nu?

    ‘Als mensen vragen: ‘‘Waar is je thuis?’’ antwoord ik altijd: Heathrow, Terminal 5 [lacht]. Ik weet niet waar ik thuishoor … niet meer in Albanië, want daar heb ik een immigrantenrelatie mee gekregen. Ik reis veel en voel me met veel landen verbonden. Laten we zeggen dat mijn officiële staatsburgerschap Brits is en mijn woonplaats Londen.’

    Uw grootmoeder zei: ‘Hoop is iets waarvoor je moet vechten. Maar er komt een moment dat ze een illusie wordt.’ Wat hoopte u als kind? Wat hoopt u nu? En is hoop voor onze planeet een illusie?

    ‘Het was mijn hoop om een goede burger te zijn. Ik ben opgegroeid met een besef van politieke verantwoordelijkheid. Ik voelde me een pionier en identificeerde me met de staat en de partij. Wat ik nu hoop, is eigenlijk niet zo heel anders: ik wil een deugdzaam, verantwoordelijk lid van de samenleving zijn en de vrijheid dienen. Op het laatste deel van uw vraag heb ik een filosofisch antwoord. Hoop is een morele plicht – we moeten doen alsof er een kans is dat de dingen een gunstige wending zullen nemen voor wat wij willen bereiken. Met een nihilistische levenshouding is dat plichtsbesef niet vol te houden.’

    Vrijheid is iets wat u voortdurend bezighoudt. Hoe definieert u vrijheid?

    ‘Vrijheid omvat ook plichtsbesef, de idee dat je je plicht kunt doen, hoe moeilijk die ook is. De innerlijke morele dimensie biedt mij een grondslag om de samenleving te bekritiseren. We leven in een wereld met asymmetrische machtsverhoudingen op alle niveaus. Macht wordt uitgeoefend door de machtigen en de zwakkeren en kwetsbaren zijn de passieve ontvangers van die macht. Die dynamiek van machtsverhoudingen staat altijd haaks op vrijheid.’

    U groeide op in een moslimgezin dat verplicht werd het geloof af te zweren. Hebt u nu een religieuze overtuiging?

    ‘Albanië was een constitutioneel atheïstische entiteit; God was een berg leugens. Toen elke waarheid waarin ik geloofde een leugen bleek te zijn, vroeg ik me af of de leugen inzake God waar kon zijn. In de jaren negentig ging ik shoppen op de vrije markt van de religie. Ik was een paar maanden katholiek, ging vervolgens naar de moskee en praktiseerde de ramadan. Ik verkende het boeddhisme, maar ging uiteindelijk filosofie studeren omdat ik geen antwoorden wist. Ik ben nu agnostisch.’

    Je moeder komt prachtig naar voren als een onbevreesd iemand die zich niet liet muilkorven, een krachtpatser… lijkt u in zekere mate op haar?

    ‘Ik putte altijd inspiratie uit de onverschrokkenheid van mijn moeder. Ik probeer die na te volgen, maar ik weet niet of ik erin slaag. Toen ik kind was, liepen we samen door nachtelijk Durrës, mijn geboorteplaats. Het was erg donker, er waren veel dronkaards en ik was heel bang, maar ik zag bij haar geen greintje angst. Ik zei: “Die figuur is niet goed bij zijn hoofd, hij is dronken, hij gaat ons aanvallen.” En dan zei zij: ‘‘Nee, wij gaan hem aanvallen!’’

    U schrijft tactvol over de ontsnapping van uw moeder naar het buitenland, met uw broer, tijdens de burgeroorlog. Het lijkt er wel op dat ze het gezin in tweeën splitste. Was dat niet heel schokkend?

    ‘Zeker. Pas later begreep ik dat ze zich in een situatie bevond waarin ze meende dat ze een kind redde, waarop mijn grootmoeder dan steeds weer het volgende zei: “Je liet een ander kind achter.” Ik heb er nu vrede mee, maar het was toen wel moeilijk.’

    Heb u ooit nog iets vernomen van uw jeugdvriendin Elona, van wie u het aangrijpende verhaal vertelt en die op dertienjarige leeftijd het land ontvluchtte en prostituee werd?

    ‘Ze stierf een week nadat mijn boek was uitgekomen. Iemand die haar herkend had, schreef het me. Na dit nieuws heb ik dagenlang gehuild.’

    Hoe bent u professor aan de London School of Economics geworden?

    ‘Ik heb filosofie gestudeerd in Rome – daarna heb ik een rechttoe rechtaan academische carrière gekend. Ik promoveerde in Florence, ging naar Oxford voor een postdoc en kon vervolgens terecht bij de London School of Economics.’

    Wat voor lezer was u als kind?

    Ik hield van Griekse mythologie. Ik was geobsedeerd door de goden, dat ze zo machtig en tegelijkertijd zo machteloos waren. In Albanië was er een zeer beperkte keuze aan boeken. Ik las alle boeken in de boekwinkel en de kinderbibliotheek en ging vervolgens naar de bibliotheek voor volwassenen, waar ik de Ilias en de Odyssee las. En Russische sprookjes.

    Welk boek zou u een jongere geven?

    ‘Griekse mythen! Mijn kinderen zijn elf, zes en vier. Ik heb ze trouwens aan de twee oudsten gegeven toen ze vijf waren.’

    Wat bent u nog van plan om te lezen?

    ‘The Memoirs of Ismail Kemal Bey, de memoires van de Albanese politieke leider Ismail Qemali, de grond-legger van het Albanese nationalisme. Mijn volgende boek gaat over de val van het Ottomaanse rijk, vandaar. En Stalingrad van Vasily Grossman en een paar geschiedenisboeken. En ik ben van plan om Radetzkymars van Joseph Roth te lezen.’

    Bestaat luchtige leeskost voor u? Wat leest u het liefst ter ontspanning?

    ‘Ik geloof het niet [lacht]. Of het moeten negentiende-eeuwse romans zijn. Mijn favoriete boek is Dostojevski’s Demonen, een verbazingwekkende verkenning van de geschiedenis van ideeën en van de menselijke ziel.’ 

    Lea Ypi Vrij 1
    Vrij: Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, in vertaling van Luud Luud Dorresteyn, verscheen bij De Bezige Bij.
  • President ‘Kaas’ geeft Somalië hoop

    President ‘Kaas’ geeft Somalië hoop

    De kersverse president Mohamed Abdullahi ‘Farmajo‘ laat Somalië dromen van een betere toekomst. Journalist Sakariye Cismaan legt uit waarom.

    Op 8 februari kwam er na maanden eindelijk een einde aan de verkiezingen in Somalië. De verbazing was groot toen buitenstaander Mohamed Abdullahi ‘Farmajo’ als nieuwe president uit de bus kwam. Zijn overwinning werd in het hele land uitbundig gevierd. De oud-premier was een van de 21 kandidaten in de strijd om het presidentschap. De stemming werd verricht door 329 kersverse parlementsleden, waarbij Farmajo in de tweede ronde 184 stemmen behaalde, tegenover 97 stemmen voor zittend president Hassan Sheikh Mohamud, die zijn nederlaag meteen erkende. De uitkomst kwam voor velen als een grote, zij het aangename, schok.

    Populair politicus

    De nieuwe president – vanwege zijn voorliefde voor lekker eten inmiddels bekend onder zijn bijnaam Farmajo, een verbastering van het Italiaanse ‘formaggio’ – was al een bekend gezicht in Somalië. In 2010, na een verblijf van vijfentwintig jaar in de VS, werd hij door de toenmalige president Sharif Sheikh Ahmed uit de diaspora geplukt en tot premier gekatapulteerd. In de zeven maanden die volgden groeide hij uit tot een van de populairste politici die Somalië heeft gekend.

    In tegenstelling tot het merendeel van de Somalische politici toog Farmajo als premier onmiddellijk aan het werk. Hij slankte het kabinet, dat sinds 1991 uit 35 leden bestond, af tot achttien ministers, en liet overbodige ministeries sneuvelen, zoals dat van Toerisme en van Wilde Dieren. Hij bestreed corruptie, stelde een anticorruptiecommissie in en pleitte voor meer transparantie in de overheidsuitgaven en privéuitgaven van ministers.

    Voorts zag hij erop toe dat salarissen van regeringsambtenaren en soldaten, die al maanden op hun loon wachtten, werden uitbetaald – een prestatie die hem tot op de dag van vandaag warme sympathie bezorgt. Onder Farmajo heroverde het leger met behulp van de Afrikaanse vredesmacht grote stukken grondgebied op de terreurbeweging Al-Shabaab, en dat leidde er uiteindelijk toe dat de islamitische militanten zich, anderhalve maand na Farmajo’s aantreden, voor het eerst uit Mogadishu terugtrokken.


    In 2011 kwam er een abrupt einde aan het premierschap van Farmajo. President Sharif Sheikh Ahmed en de toenmalige voorzitter van het parlement Sharif Hassan Sheikh Aden waren verwikkeld in een bittere machtsstrijd, die pas werd beslecht toen ze een overeenkomst sloten waarbij onder andere het vertrek van Farmajo werd bekokstoofd.

    Het heenzenden van de premier leidde zowel binnen als buiten Somalië tot dagenlange protesten. Sommige demonstranten schreven Farmajo’s ontslag toe aan buitenlandse inmenging. Opmerkelijk was vooral Farmajo’s populariteit in Mogadishu, de stad waaruit zijn clanleden, onder wie oud-president Siad Barre, tijdens de burgeroorlog waren verdreven. Dat hij door de hoofdstad zo werd omarmd, toont aan hoe ver Somalië is gekomen.

    Wind in de rug

    Met zijn populariteit onder het volk en zijn glansrijke verkiezingsoverwinning – de grootste sinds 1967 – heeft de nieuwe president nu de wind in de rug om Somalië naar stabieler vaarwater te loodsen, democratischer en welvarender te maken. Om dit te bereiken, is het van wezenlijk belang dat hij niet dezelfde fouten begaat als zijn voorgangers, met name op de volgende vier punten.

    Ten eerste moet Farmajo goed bedenken wie hij tot premier benoemt. De laatste vier presidenten versleten ieder ten minste drie premiers, met wie de samenwerking in vrijwel alle gevallen stukliep. Soms sleepten de interne conflicten zich maandenlang voort, en dat dwarsboomde elke eventuele vooruitgang. Als president moet Farmajo iemand aanstellen die hij vertrouwt, die zijn visie deelt en die hem tijdens zijn ambtstermijn blijft steunen.

    Het tweede cruciale punt is verzoening. Door de verwoestende burgeroorlog die in 1990 uitbrak, is het land uiteengevallen in een aantal gebieden die door verschillende clans worden beheerst. Veel Somaliërs zetten nooit voet buiten hun regio. De nieuwe president moet een proces van nationale verzoening op gang brengen en politieke onrechtvaardigheid aanpakken: zo moet de discriminerende formule die de vier grootste clans onevenredig veel macht toebedeelt uit de grondwet worden geschrapt, en moeten verdrevenen kunnen terugkeren naar hun huizen. Door het vertrouwen tussen de clans te herstellen kan Farmajo duurzame vrede scheppen.

    Het moreel van de soldaten moet worden opgekrikt door hen fatsoenlijk te trainen en hun salarissen op tijd uit te betalen

    Ten derde moet de president de hachelijke veiligheidssituatie van het land aanpakken. Ondanks de veelbelovende overwinningen is het aantal aanslagen van Al-Shabaab in Mogadishu de afgelopen tijd toegenomen, en dat was ook de reden om de stemming voor de presidentsverkiezing naar de zwaarbewaakte luchthaven Aden Adde te verplaatsen. Om de veiligheid te verbeteren moet Farmajo speciale aandacht besteden aan de Somalische veiligheidstroepen. Het moreel van de soldaten moet worden opgekrikt door hen fatsoenlijk te trainen en hun salarissen op tijd uit te betalen. Op die manier kan het leger ook hogeropgeleide jongeren rekruteren die op termijn Amisom, de vredesmacht van de Afrikaanse Unie, dienen te vervangen.

    Tot slot moet Farmajo ervoor zorgen dat hij een inclusief beleid voert. De laatste twee regeringen werden regelmatig bekritiseerd omdat de macht in handen van een select groepje mensen lag. Onder de nieuwe president moeten Somaliërs door het hele land zich vertegenwoordigd gaan voelen. Toen Farmajo in 2010 premier was, sprak hij openlijk zijn afkeuring uit over de machtsverdeling die kleinere clans discrimineert. Toentertijd was zijn invloed beperkt, maar nu heeft hij de macht om de daad bij het woord te voegen en ervoor te zorgen dat zijn regering alle Somaliërs representeert.

    Auteur: Sakariye Cismaan
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Openinsbeeld: Mohamed Abdullahi tijdens zijn inauguratie op 22 februari j.l.

    African Arguments
    Verenigd Koninkrijk | africanarguments.org

    Dit onlinetijdschrift is gewijd aan analyses over al wat speelt in hedendaags Afrika, en dient tevens als platform voor discussies daaromtrent. De site werd in 2007 gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.