De Afrikaanse Unie dringt aan op afschaffing van het vervormde klassieke wereldbeeld van de Mercatorkaart. In plaats daarvan wil ze een eerlijke weergave die recht doet aan de werkelijke afmetingen.
‘Een landkaart is niet alleen een handig hulpmiddel, het is ook een symbool, en symbolen zijn belangrijk. Voor ons betekent een verbetering van de landkaart ook een verbetering van het wereldwijde narratief over Afrika,‘ zegt Fara Ndiaye, medeoprichter en adjunct-directeur van Speak Up Africa, een van de organisaties achter de campagne Correct the Map. De Afrikaanse Unie (AU) heeft zich onlangs geschaard achter dit initiatief, dat regeringen en internationale onderwijsinstellingen wil laten stoppen met het gebruik van de Mercatorwereldkaart, ten gunste van een waarop de omvang van Afrika preciezer staat afgebeeld. Op de traditionele kaarten wordt het continent verkleind weergegeven.
‘Het lijkt misschien alleen maar een kaart, maar dat is het niet,’ verklaarde de vicevoorzitter van de AU-commissie, Selma Malika Haddadi, tegen Reuters. Ze benadrukte dat de Mercatorkaart het valse beeld versterkt dat Afrika ‘marginaal’ is, al is het qua oppervlak het een-na-grootste continent ter wereld.
Ndiaye ziet de steun van de Afrikaanse Unie als een historische mijlpaal waar een heel krachtig politiek signaal van uitgaat. ‘Het is voor het eerst dat een pan-Afrikaanse instantie duidelijk stelling neemt over de visuele weergave van Afrika,’ zegt ze in een videogesprek met El País. Ze legt uit dat dankzij deze steun een aanvankelijk ‘culturele en maatschappelijke eis verandert in continentaal beleid, dat zich richt op de hele wereld’.
Voetnoot in eigen geschiedenis
Voor Carlos Lopes, professor aan de Universiteit van Kaapstad en medewerker van Africa No Filter, de andere organisatie achter het initiatief, is deze steun ‘een teken dat Afrika weigert om langer een voetnoot te zijn in zijn eigen geschiedenis’. In een e-mailuitwisseling benadrukt de hoogleraar dat het niet alleen gaat om een cartografisch debat, maar om ‘waardigheid, scholing en zelfs diplomatie’. ‘Als je huis op Google Maps almaar te klein wordt voorgesteld, zul je uiteindelijk willen dat daar iets aan gebeurt,’ zegt hij.
Al is dit soort kritiek op de Mercatorkaart niet nieuw, met deze campagne is het debat nieuw leven ingeblazen op een moment van postkoloniale onvrede en hernieuwd bewustzijn van de eigen identiteit. Dat de vervorming zo lang kon standhouden verklaart Lopes uit het feit dat ‘een wereldbeeld dat eenmaal heeft postgevat makkelijk went’. Toch ziet hij kaarten niet als ‘onschuldige plaatjes’. Ze bepalen volgens hem hoe wij onszelf en anderen zien: ‘Als Afrika kleiner lijkt dan het is [in verhouding tot andere continenten], geldt dat ook voor het belang van Afrika in de beleving van burgers en beleidsmakers. De kaart verbeteren is geen vrijblijvend gebaar; het houdt in dat je de werkelijkheid opeist.’
In 1569 achtte de Vlaamse cartograaf Gerard Mercator een nieuwe kaart voor de zeevaart noodzakelijk. Immers, de aarde is rond en trok je bijvoorbeeld een rechte lijn van Sevilla naar Cuba, dan kwam je verkeerd uit, vertelt de Britse historicus Jerry Brotton, schrijver van het boek Een geschiedenis van de wereld in twaalf kaarten. De oplossing waar Mercator mee kwam bevatte onvermijdelijk vervormingen, en hoe noordelijker of zuidelijker, hoe groter die vervorming was. ‘Hij maakte het formaat van Afrika niet expres kleiner,’ zegt Brotton, die herhaalt dat Mercator dit deed om de scheepvaart tussen oost en west te bevorderen.
Cartograaf Bernhard Jenny, professor aan de Monash-universiteit in Melbourne en medeontwikkelaar van de Equal Earth-projectie, geeft een voorbeeld van zo’n vervorming. ‘Kijk je naar poolgebieden als Siberië, Noord-Canada of Groenland, dan blijken die sterk uitvergroot. Ik laat mijn studenten het formaat van Groenland en Afrika vergelijken; bij Mercator zijn beide grondoppervlaktes even groot, maar in werkelijkheid is Groenland veertien keer zo klein.’
‘Dit is de kaart waar we sinds de zestiende eeuw hoofdzakelijk naar hebben gekeken,’ zegt Ndiaye. ‘Ik vind het wel echt belangrijk om te zeggen dat er een specifiek doel mee gediend was, de zeevaart; de opzet was niet een waarheidsgetrouw beeld van de continenten. Maar de wereld heeft de laatste eeuwen een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Nu is het zaak onze instrumenten zo te moderniseren dat ze de werkelijkheid weergeven.’ ‘Kinderen krijgen nog steeds onderwijs aan de hand van de oude kaarten,’ merkt Lopes op. ‘Ze groeien op met het idee dat Afrika maar bescheiden van formaat is, terwijl het in werkelijkheid gigantisch is, groter dan de VS, China, India, Japan en een groot deel van Europa bij elkaar. Waarneming vertaalt zich in vertrouwen en vertrouwen in actie. Dus ja, incorrecte kaarten ondermijnen de slagvaardigheid.
‘Kinderen groeien op met het idee dat Afrika maar bescheiden van formaat is, terwijl het in werkelijkheid gigantisch is‘
Ook weten we dat zo’n vervorming geopolitieke gevolgen heeft, aangezien landkaarten ons beeld versterken van welke regio’s centraal en machtig zijn en welke perifeer,’ zegt Ndiaye. ‘Wanneer op school, in de media en bij internationale organisaties buiten Afrika de juiste afbeeldingen gangbaar worden, helpt dat de verouderde hiërarchie omver te schoppen en tot een evenwichtiger wereld te komen,’ legt ze uit.
De Mercatorprojectie wordt nog steeds gebruikt door techbedrijven, organisaties en scholen, al doet zich langzaam maar zeker een kentering voor. In 2018 verving Google Maps zijn kaart door een aardbol in 3D, al kunnen gebruikers terug naar de Mercatorprojectie als ze dat liever willen. In de mobiele app blijft die de standaard. Instanties als NASA gebruiken inmiddels projecties als Equal Earth voor klimaatkaarten en een woordvoerder van de Wereldbank bevestigde tegenover Reuters dat ze daar nu Winkel-Tripel of Equal Earth gebruiken voor gewone kaarten en geleidelijk Mercator verwijderen van hun online kaarten.
De campagne Correct the Map zet in op de Equal Earth-projectie, die in 2018 werd ontwikkeld door Bernhard Jenny, Tom Patterson en Bojan Savric. ‘We vroegen ons af hoe het bestaat dat mensen nog steeds serieus die cartografie [van Mercator] gebruiken voor wereldkaarten. We besloten dat het tijd werd voor actie,’ aldus Jenny. Met Equal Earth willen de makers een alternatief bieden voor de traditionele projecties, in de hoop dat mensen dan beter begrijpen hoe de continenten in elkaar zitten.
Volgens de adjunct-directeur van Speak Up Africa speelt er meer dan een herverdeling op de wereldkaart. ‘Als je Afrika op zijn ware grootte laat zien, versterkt dat de trots en het vertrouwen onder Afrikanen, met name bij de jeugd. Daarom vind ik het ook belangrijk dat zij als eersten over de cam pagne worden aangesproken,’ aldus Ndiaye. Ze is van mening dat de verandering vanuit het continent zelf moet komen. ‘Als we precies weten wie wij zijn en wat we in de wereld voorstellen, zal dat onze relatie met anderen vergemakkelijken.’ Wat niet wil zeggen dat de verbetering van de kaart enkel een Afrikaanse kwestie is. Zo’n preciezere weergave van de wereld gaat ons allemaal aan. ‘Als niet-Afrikanen hun kennis van kinds af aan halen uit vervormde kaarten, ontwikkelen ze het valse beeld dat Afrika kleiner is en minder voorstelt dan in werkelijkheid het geval is.’
Met hun campagne hopen de organisaties, zeker na de bijval van de Afrikaanse Unie, dat Afrikaanse ministeries van Onderwijs de Equal Earth-projectie gaan opnemen in de leerplannen. Ook bepleiten ze dat zowel Afrikaanse als internationale media preciezere kaarten gaan gebruiken bij hun publicaties. Daarnaast willen ze een wereldwijd debat op gang brengen over het beeld van Afrika in het onderwijs en in de collectieve beeldvorming. Volgens Lopes zal de aanpassing ‘niet de ongelijkheid wegnemen, maar helpen bij het corrigeren van een onbewust vooroordeel. Een betere kaart zegt: de wereld is rond, divers en van ons allemaal.’
Om economische ontwikkeling te meten, hoef je alleen maar te kijken naar hoe mensen hun koelkast gebruiken – als ze die hebbben. Kunstmatige kou en kille logistiek hebben voor een groot deel ons dieet en ons koopgedrag bepaald.
Koelkasten zijn dozen waarin we eten opbergen en het vervolgens vergeten. Dat is zowel het magische als de makke ervan. Volgens de Italiaanse socioloog Girolamo Sineri is onze behoefte om voedsel te bewaren voortgekomen uit ‘angst in zijn puurste vorm’. Dankzij de koelkast kunnen we die angst grotendeels afschudden, dan wel omzetten in schuldgevoel wanneer we weer een zak slijmerige, onaangeroerde sla op de composthoop kieperen. Onze zorgen over voedselbewaring hebben we hoe dan ook uitbesteed aan die ijzige kast in de hoek van de keuken.
De afhankelijkheid van koeling is niet overal ter wereld even groot. In de stalletjes van de soeks in Marrakech lijken koelkasten enkel te worden gebruikt voor coca-cola en water, terwijl de rest, van bouten vlees tot bergen olijven, er op kamertemperatuur wordt verkocht. De verkoop van voedsel krijgt daardoor iets urgents. Granaatappelsap wordt ter plekke geperst en bij gebrek aan ijsklontjes lauw geserveerd. Mannen verkopen oesters vanaf karretjes en openen ze een voor een in de winterzon. Anderen fileren glimmende vissen bij kraampjes waar de enige koeling bestaat uit een slinkende berg gemalen ijs. Op Djemaa el-Fnaa, het centrale plein, worden in kruidenstalletjes talloze soorten munt, salie en citroenverbena verkocht voor een fractie van de prijs en vele malen geuriger dan je ze in Groot-Brittannië tegenkomt.
Vers of rot
In Marrakech is voedsel of drank vers als het vers is. Als het niet vers is, is het rot. Of gedroogd. De kruidenverkopers kunnen hun onverkochte waar omtoveren tot enorme zakken gedroogde munt en citroenverbena om thee van te maken. Vrouwen zitten voor stapels ronde, platte broden die vandaag nog verkocht moeten worden, voordat ze oudbakken worden. De fruit- en groenteverkopers moeten hun voorraad zo snel mogelijk kwijt. Je ziet er vele trossen zwart geworden bananen, druiven die onbedoeld in rozijnen zijn veranderd en verwelkte sla. Marokkaanse kranten melden regelmatig dat de autoriteiten grote partijen bedorven voedsel in beslag hebben genomen, van eieren tot dadels.
Deze semigekoelde levensstijl, die gebruikelijk is in middeninkomenslanden, is in de westerse wereld allang verdwenen, hoewel velen van ons zich nog de warme bloedgeur in de slagerij herinneren, de soms ranzige smaak van boter en de kaasachtige geur van schoolmelk tijdens de pauze in de zomer. Weet je nog dat ijshoorntjes in de jaren tachtig rechthoekig waren in plaats van rond? Dat was omdat ijs alleen in een klein vriesvak paste als het langwerpig was en kon worden gesneden in plaats van geschept. Deze blokken, weinig smakelijk cutting bricks genoemd, kwamen in de standaardsmaken van de naoorlogse decennia: aardbei, chocola, nagebootste vanille enzovoort. Raspberry ripple was zonder meer de winnaar: de jam-achtige nepframbozengel leidde af van de vettige, vlakke smaak van het vanille-ijs.
In 1948 bezat meer dan de helft van de Amerikanen een koelkast, tegen slechts 2 procent van de Britse huishoudens. In 1970 was het koelkastbezit in het Verenigd Koninkrijk gestegen tot 60 procent, maar de meeste mensen hadden als vriezer enkel een compartiment boven in de koelkast, bedekt met ijzige kristallen en nauwelijks groot genoeg voor een zak diepvrieserwten en een klein ijsblokjesbakje.
In Frostbite: How Refrigeration Changed Our Food, Our Planet and Ourselves betoogt Nicola Twilley dat moderne koeltechnieken ons in al hun ontwikkelingsfasen hebben aangezet tot eet- en gedragspatronen die we niet zouden hebben gekozen als we het opnieuw konden doen. Om slechts een voorbeeld te noemen: Twilley legt uit dat koeling de voornaamste reden is dat zo veel commerciële tomaten smaakloos zijn. Niet alleen worden de vluchtige aroma’s in een rijpe tomaat door de kou gedood en wordt de rijpheid mogelijk door ethyleen in plaats van zonlicht opgewekt, de meeste commercieel geteelde tomaten missen simpelweg het ‘genetische vermogen’ om lekker te zijn, zoals plantenkweker Harry Klee aan Twilley vertelde. Tomaten, zo schrijft ze, worden gekweekt op ‘de stevigheid om verscheept en onder koeling bewaard te worden’. Het gaat er dus om dat de tomaat op het moment van aankoop rood en perfect lijkt, ook al zal hij daarna in de groentelade thuis alsnog bederven.
Een manier om economische ontwikkeling te meten is door te kijken hoe mensen hun koelkast gebruiken (als ze die hebben). Twilley interviewde een Londense portfoliomanager genaamd Tassos Stassopoulos, die consumentengedrag rond koelkasten onderzoekt om investeringskansen in opkomende markten te spotten. Stassopoulos vertelde Twilley dat hij besefte dat ‘de koelkast kan vertellen hoe mensen zich zouden gedragen zodra ze wat extra geld hadden – nog voordat ze het zelf weten’. Als een arm gezin zijn eerste koelkast koopt, wordt die vooral gebruikt voor efficiëntie, om restjes en kookingrediënten te bewaren. Bij mensen in de middenklasse raakt de koelkast gevuld met lekkernijen als bier, ijs en frisdrank. Wanneer huishoudens nog welvarender worden, bevatten de schappen producten die als gezond worden aangeprezen – probiotische yoghurts bijvoorbeeld – en voedsel uit andere culturen. In het laatste stadium van welvaart zit de koelkast vol ingrediënten die deugdzaamheid uitstralen: biologische groenten en fairtradeproducten in herbruikbare verpakkingen. ‘Hier bevinden de Scandinavische landen zich,’ aldus Stassopoulos, terwijl ‘India grotendeels in de efficiëntiefase zit, China in de verwenningsfase en Brazilië al in de gezonde fase is beland’.
Vullen
Je zou denken dat koelkasten en vriezers ons in staat hebben gesteld te eten wat we altijd al wilden eten. Maar evengoed heeft koeling het grootste deel van wat er in de ontwikkelde wereld wordt geconsumeerd bepaald en vormgegeven. Zodra iemand een koelkast heeft, zo schrijft Twilley, voelt diegene de drang om hem te vullen met spullen waarvan sommige nog nooit eerder gegeten of gedronken zijn: bevroren sinaasappelsap (voor het eerst op de markt in de VS in 1946), vissticks (1953), pakken gezoete yoghurt (1963), zakjes gemengde sla (1989). Wanneer iemand een grotere koelkast krijgt, wordt deze niet meer alleen gevuld met meer spullen, ook het koop- en kookgedrag veranderen (vaak bijvoorbeeld in juist niet koken), waarbij grote of onlinesupermarkten meer worden opgezocht en markten en kleinere, zelfstandige winkels steeds minder.
In de jaren vijftig, zo schrijft Twilley, deed de gemiddelde Britse huisvrouw zeven keer per week boodschappen bij de kruidenier en drie keer bij de slager. Inmiddels leunt onder andere Groot-Brittannië op een immense en grotendeels onzichtbare ‘koude keten’: veel ‘verse’ producten die we consumeren hebben gekoeld de wereld over gereisd en vervolgens weken of maanden in een kolossale koelopslag doorgebracht voordat ze ons bereiken. De ‘kunstmatige cryosfeer’, Twilleys benaming voor dit systeem van gekoelde en bevroren opslagruimte, is enorm en groeit nog steeds: van 2018 tot 2020 wereldwijd met bijna 20 procent. Twilley werkte een week lang in een gekoeld magazijn in Californië, eigendom van Americold, een bedrijf dat wereldwijd ‘1,5 miljard kubieke voet aan koude ruimte beheert, waarin alles wordt opgeslagen, van rundergehakt bestemd voor schoollunches tot bevroren kreeften op weg naar chique restaurantketens’. Ze zag pallets Argentijnse pindakaaspasta voor M&M’s, vaten bevroren guavesap voor smoothies, een 12 meter hoge toren van Aziatische garnalen en imitatiekrabvlees, dozen met stierenpiemel, -hart en -lever die tot burgers verwerkt zouden worden, en ‘hele lamskarkassen uit Nieuw-Zeeland, in canvas gewikkeld en kop aan staart op houten pallets gestapeld, alsof ze een stapelbed deelden’.
Wat er in deze gekoelde ruimtes gebeurt, staat nog verder van ons af dan wat er werkelijk op een boerderij plaatsvindt. Een van Twilleys collega’s zei: ‘Je ziet ze in de winkel de schappen vullen, maar hoe komt het voedsel er terecht? Daar denkt niemand ooit over na.’ Om positief te beginnen: volgens de facilitymanager zien zijn werknemers er dankzij het ijs bijzonder jeugdig uit en is hun huid goed geconserveerd. Maar sommigen raken zo onderkoeld dat er ijspegels aan hun snor hangen. Twilley hoort dat ‘vriezerkoorts’ een beroepsrisico is van werken bij temperaturen onder nul, naast verwondingen door een vertraagd reactievermogen bij het bedienen van zware machines in de kou. Een ander minpunt is de geur, die een werknemer beschreef als een mengeling van ’karton, hout, schuimisolatie, olie en wat ik altijd beschouw als de geur van kou’. Voordat ik Twilleys boek las, dacht ik dat deze plekken nauwelijks ergens naar zouden ruiken. Maar blijkbaar geuren sommige diepvriesproducten verrassend sterk en kunnen ze, als ze niet zorgvuldig worden behandeld, zelfs smaken overdragen: zo kan ijs niet in dezelfde ruimte worden opgeslagen als pizza, omdat het anders de knoflooklucht absorbeert.
Deze koude magazijnen en de gekoelde vrachtwagens die hun producten verspreiden, noemt Twilley het ‘ontbrekende middenstuk’ in het moderne voedselsysteem. Het is onmogelijk om de productie of consumptie van voedsel volledig te begrijpen zonder deze in acht te nemen. Twilley vertelt dat haar interesse in koeling zo’n vijftien jaar geleden werd gewekt, toen ze nadacht over de farm-to-table-beweging, een concept geassocieerd met Amerikaanse chefs als Alice Waters en Dan Barber en culinair schrijvers zoals Michael Pollan. ‘Ik bleef hangen bij dat verbindende woordje,’ schrijft Twilley. ‘Wat gebeurt er tijdens dat to?’ De farm-to-table-aanhangers vestigden de aandacht op de kloof tussen eters en boeren. Twilleys onderzoeksveld is subtiel maar wezenlijk anders. Ze laat zien dat moderne eters niet alleen onwetend zijn over de landbouw, maar ook over de immense en kille logistiek die landbouwproducten naar onze borden brengt en die de vorm en inhoud van een groot deel van ons dieet bepaalt.
Groen geoogst
De impact van koeling reikt verder dan gekoelde en diepvriesproducten. Bananen zijn wereldwijd het populairste fruit – in de VS waren ze al in de jaren twintig favoriet. Hoewel we ze bij kamertemperatuur in fruitschalen bewaren, had de opmars van de banaan nooit kunnen plaatsvinden zonder gekoeld transport. Bananen worden groen geoogst en doen er op kamertemperatuur een paar weken over om te rijpen. Voor de komst van gekoelde stoomschepen, begin twintigste eeuw, arriveerden de meeste bananen die van Zuid- naar Noord-Amerika reisden bruin of rot. Koeling zorgde ervoor dat een lading groene bananen van Costa Rica naar New Orleans kon varen zonder ook maar een greintje geler te worden.
De koeltechniek op de eerste ‘bananenboten’ was al gebruikt in de vleesindustrie, een van de eerste sectoren in het voedselsysteem die door koeling werden getransformeerd. In 1880 was twee derde van het vlees op de Londense Smithfield-markt afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, en kwam de rest voornamelijk van levend vee dat afkomstig was uit Europa. Maar met de grote hoeveelheid bevroren karkassen uit Zuid-Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië werd in 1910 bijna de helft van het in Groot-Brittannië geconsumeerde vlees geïmporteerd. Veel schapenboeren gingen failliet of kozen ervoor te emigreren.
Dat we het bederven van voedsel proberen te vertragen is niets nieuws: zouten en roken, drogen en fermenteren behoren tot de oudste voedselbereidingstechnieken. Er zijn zelfs al aanwijzingen voor gedroogd vlees te vinden uit 12.000 v.Chr. in het Midden-Oosten, gezouten vis gaat terug tot de Sumeriërs, fruit werd door de Grieken in honing geconserveerd. Maar het doel van moderne koeling is om voedsel te bewaren in zijn oorspronkelijke staat – als een pruim in plaats van een gedroogde pruim, of melk in plaats van kaas – alsof het net vers is. In de jaren twintig van de vorige eeuw probeerden enkele wetenschappers in Cambridge, werkzaam bij een nieuwe afdeling genaamd het Low Temperature Research Station, uit te vinden hoe gekoelde opslag de houdbaarheid van fruit kon verlengen. Naast andere problemen met langdurig bewaard fruit richtten ze zich op het aanpakken van ‘vezeligheid’, ‘een bruine kern’ en ‘verschrompeling’. Na talloze experimenten ontdekten ze dat we door appels te koelen tot 7,8 graden Celsius en te spelen met de koolstofdioxide- en zuurstofniveaus, in maart appels konden eten die nog even sappig en stevig zijn als toen ze in oktober werden geplukt.
De kunstgrepen van kunstmatige kou werden ooit met argwaan en ontzag bekeken. Twilley beschrijft ’s werelds eerste koudeopslagbanket, dat in oktober 1911 in Chicago werd georganiseerd door de Vereniging voor Pluimvee, Boter en Eieren ter bestrijding van de angst van de consument dat gekoeld voedsel niet veilig zou zijn om te eten. De herfstlunch bestond uit in de zomer gekarnde boter, in de lente gelegde eieren en kalkoen die bijna een jaar in de vriezer had gelegen. Meer dan vierhonderd gasten schoven aan tussen de draperieën en het bladgoud van de Louis XVI-zaal in Hotel Sherman, vouwden hun witte linnen servetten open en ondergingen twee uur lang wat de Egg Reporter later zou omschrijven als een ‘onverdeeld genoegen’. Ze verorberden een vijfgangenmenu waarin alles behalve de olijven in hun martini’s zes maanden tot een jaar in de gekoelde ruimtes van lokale koudeopslagbedrijven had doorgebracht. Ruim honderd jaar later zijn de ingrediënten voor dit banket in elke supermarkt te vinden en staan we er niet langer bij stil wanneer onze boter is gekarnd, en of eieren seizoensgebonden zijn.
In de tien jaar dat Twilley aan dit boek werkte, vroegen mensen haar vaak of ze vond dat ze hun koelkast moesten wegdoen. Haar antwoord was steevast: natuurlijk niet. Maar koeling heeft zonder meer nadelen. Een voordeel is de overvloed aan vers en voedzaam voedsel die nu voor ons beschikbaar is. Maar het meeste daarvan is minder voedzaam dan het lijkt. Zo verliest spinazie na een week in de koeling driekwart van zijn vitamine C. Het ziet er misschien nog goed uit en ruikt oké, een wonder op zich, maar het is echt minder vers dan net geplukte spinazie.
Koelkasten voorkomen voedselverspilling, maar dragen er ook aan bij. Was het voorheen normaal om minstens een derde van alle groenten en fruit te verliezen omdat ze onderweg van het veld naar de eter bedierven, nu gaat een vergelijkbaar percentage aan vers voedsel verloren, maar dan bij de consument thuis. Twilley pleit voor betere alternatieven voor het uitgebreide netwerk van kunstmatige koeling, gezien de aanzienlijke impact die koeling heeft op klimaatverandering. De opkomst van de kunstmatige cryosfeer ging hand in hand met de afname van de natuurlijke cryosfeer, zoals het smelten van gletsjers en permafrost. Meer dan 2 procent van de wereldwijde uitstoot wordt veroorzaakt door de energie en chemicaliën die nodig zijn voor voedselkoeling.
Réfrigérateur américain
Toch is koeling in veel delen van de wereld nog steeds niet vanzelfsprekend. Zo heeft de gemiddelde Chinees toegang tot slechts 1,5 kubieke meter gekoelde opslagruimte, terwijl de gemiddelde Amerikaan meer dan drie keer zoveel heeft, mede doordat huishoudelijke koelkasten steeds groter worden. De exemplaren met openslaande deuren werden in 2001 geïntroduceerd en staan in Frankrijk bekend als de réfrigérateur américain: een enorme koelkast die de eigenaar zo goed als garandeert dat hij te veel voedsel inslaat, en dus verspillen zal.
Volgens economen is alles een afweging. Het milieu zou beter af zijn zonder koeling, maar ook dat heeft nadelen. Twilley reisde naar Rwanda, waar boeren enorme verliezen lijden doordat verse producten verrotten voordat ze de markt bereiken. In het hele land is er slechts één luchtkoeler om producten na de oogst voor te koelen, en die wordt vanwege de hoge energiekosten nauwelijks gebruikt. Levende kippen worden nog altijd per fiets vervoerd en thuis geslacht. De kant-en-klare, in stukken gesneden en voorverpakte kipfilets waaraan wij gewend zijn, zouden niet mogelijk zijn zonder de koude keten. Voedingsindustrie-adviseur Mike Moriarty vertelde Twilley dat toen Amerikaanse bedrijven stukken bevroren kip, zoals kippenpoten, naar China begonnen te exporteren, het gebrek aan gekoelde opslag een groot probleem bleek te zijn. ‘We brachten de kip in perfecte staat binnen, maar drie dagen later ontdekten we dat ze in een magazijn op kamertemperatuur lagen, bedekt met een natte doek om ze “vers” te houden.’
De vraag is of Rwanda, waar bijna de helft van de bevolking uit kleinschalige boeren bestaat, een koeltechnologie kan introduceren die minder verspilling en schadelijke effecten heeft dan de Amerikaanse of Europese variant. Twilley zag in Rwanda een kleine elektrische truck, de OX, die producten veel sneller naar de markt kan brengen dan de traditionele fietsende handelaren. Sommige zijn uitgerust met op zonne-energie werkende koelunits, wat kleine boeren zou kunnen helpen kwetsbare producten zoals sperziebonen snel bij kopers te krijgen, voordat ze bederven. Of consumenten in Rwanda gekoeld voedsel accepteren, is echter nog de vraag. Net als in de VS en het Verenigd Koninkrijk een eeuw of langer geleden, wordt gekoeld voedsel met enige scepsis bekeken. De Rwandese consument is zich ervan bewust dat gekoeld voedsel nooit echt vers is. Wanneer handelaren gekoeld voedsel verkopen op een lokale markt, warmen ze het vaak eerst in de zon op om het aantrekkelijker te maken. Blijkbaar begrijpen Rwandezen nog iets wat wij allang zijn vergeten: hoewel het conserveren van voedsel een wonder is – want dat is het – maakt het vrijwel alles net iets minder lekker.
Bee Wilson is de auteur van The Way We Eat Now, First Bite – How We Learn to Eat en The Secret of Cooking – The Heart-Shaped Tin.
Ons politiek nihilisme is de vrucht van de verpletterende verveling en geestelijke leegte van onze moderne maatschappij. Burgers weten zich geen raad met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht.
Stel dat Schopenhauer gelijk heeft en het leven één voortdurende slingerbeweging is tussen pijn en verveling. De enorme materiële overvloed van de rijke geïndustrialiseerde samenleving heeft weliswaar een pijnstillende werking (er is simpelweg minder fysieke pijn dan vroeger, toen we nog geen fluoride, geen anesthesie en geen zittend leven hadden), maar de oplossing van het ene probleem lijkt het andere alleen maar te verergeren. In plaats van pijn lijden we nu aan verveling, dé kenmerkende gemoedstoestand van het moderne leven. Die verveling is een direct gevolg van overvloed: een onuitputtelijke stroom ‘videocontent’ of chocoladetaart of eender wat voor snoepgoed en verwennerij kan geen blijvende voldoening geven. Op den duur krijg je overal een keer genoeg van, en dan moet je op zoek naar je volgende kick.
Volgens Schopenhauer komt verveling voort uit ‘botheid van geest’, uit de ‘innerlijke leegte’ die een mens doet ‘smachten naar prikkels van buitenaf’, naar alles wat afleiding schenkt en de tijd kan doden. Een man die in weelde baadt maar niet beschikt over de intellectuele gaven om verveling uit te bannen ‘zou beter af zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven’. Is het toeval dat zo veel jonge miljardairs in een gênante midlifecrisis belanden? Het probleem met ‘het bezit van vrije tijd’ is dat die tijd soms meer als een last dan als een geschenk gaat voelen, zowel voor de bezitter als voor de samenleving. Vrije tijd ‘brengt gevaren met zich mee’.
Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit. Vandaar dat de Romeinen hun stadsbevolking voorzagen van brood én spelen. Vandaar dat de protestantse hervormers zo’n felle strijd voerden tegen ledigheid, om te voorkomen dat de armen ten prooi vielen aan de verlokkingen van de duivel. Maar materiële vooruitgang brengt altijd een potentieel teveel aan vrije tijd met zich mee. ‘Minstens even belangrijk als het grote probleem van werk’, schreef de Amerikaanse filosoof Alfred H. Lloyd in de jaren twintig van de vorige eeuw, is een probleem dat ‘om nadere beschouwing schreeuwt en iedereen opvalt die er de ogen voor opent en ze er niet koppig voor gesloten houdt: het probleem van de vrije tijd’. Vrije tijd kan een bedreiging voor de maatschappelijke orde vormen als mensen niet in staat zijn hun besteding ervan in goede banen te leiden. Daarom was John Dewey ook van mening dat een ‘waarlijk democratische samenleving’ in de moderne tijd ook een ‘zinvolle vrijetijdsbesteding voor iedereen’ moet garanderen.
‘Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit’
Conservatieve critici hebben dat ideaal altijd afgedaan als luchtfietserij. ‘Het is bespottelijk om te denken dat als mensen maar vijftien of twintig uur per week werken, ze in hun vrije tijd in de weer zullen gaan met een brok marmer of een partituur’, schrijft Richard Posner. ‘Als ze geen consumptiegoederen en diensten hadden om hun tijd mee te vullen, zouden ze vechten, stelen, te veel eten en drinken en uitslapen.’ Los van de maatschappelijke functie van werk is het ook een noodzakelijk kwaad. Zonder zo’n overloopvat om de tomeloze hartstocht en de overtollige energie van mensen op te vangen zou de beschaving snel tot barbarij vervallen.
Weinig standpunten zijn zo lang en zo consequent door de elite gehuldigd, en dat is niet zo gek. In de satirische middeleeuwse boerenutopie Luilekkerland of Cocagne, een land ‘sonder arbeit ende sonder pijn’, kon je met een uur slapen een stuiver verdienen en met drie keer boeren ‘oft eenen harden scheet te laten’ een hele daalder. In het Amerikaanse volksliedje Big Rock Candy Mountains wordt gejubeld dat ‘they hung the jerk that invented work’ en ‘little streams of alcohol come a-trickling down the rocks’. Toen in Groot-Brittannië de industrialisatie goed op gang kwam, was het aantal nationale feestdagen door de autoriteiten in 1834 van zeventien teruggebracht naar vier. Vrije dagen verleidden de mensen immers maar tot allerhande zedeloos gedrag, variërend van volkssporten als ‘hanenwerpen’ tot liederlijke dronkenschap. Zoals ook duidelijk geïllustreerd werd door de onuitroeibare traditie van ‘Blauwe Maandag’, of ‘Sint Maandag’ in het Engelse taalgebied, de dag waarop arbeiders met een weekendkater hun werk verzuimden.
Deze arbeiders beschikten niet over de financiële armslag van de rijke man die volgens Schopenhauer beter af zou zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven, maar ook hun vrije tijd bracht gevaren met zich mee. Of het onvermogen om de vrije tijd nuttig te besteden nu leidde tot verveling en geestelijke leegte onder de rijken of tot driftige buien van genotsbevrediging onder het ‘klootjesvolk’, de wortel van het probleem is dezelfde. Te veel vrije tijd, te veel verveling maakt mensen licht vatbaar voor oplichters, volksmenners en hun eigen lage driften.
De zoektocht naar identiteit
In de ruim tien jaar dat ik nu schrijf en nadenk over werk en de opofferingskosten daarvan in de moderne tijd, heb ik het ‘probleem van de vrije tijd’ meestal alleen terloops aangestipt, vooral omdat ik hoopte dat het wel oplosbaar is. Maar de huidige politieke situatie in de Verenigde Staten (en in sommige andere geïndustrialiseerde democratieën) vraagt om nadere bezinning en kan niet volledig worden begrepen zonder het probleem van verkeerd bestede vrije tijd mee te wegen. Niet alleen is het aantal gewerkte uren gaandeweg steeds verder gedaald, maar het meeste werk (al die ‘niet-onmisbare’ functies) kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger. Uit een peiling van Gallup blijkt dat ‘werknemers in de VS zich steeds minder verbonden voelen met hun werkgever, lagere verwachtingen koesteren, minder voldoening putten uit hun organisatie en minder voeling hebben met de missie en doelstellingen daarvan’.
Die trends onderstrepen hoe belangrijk het is dat vrije tijd voorziet in alle behoeften en verlangens die maken dat wij mensen zijn en niet slechts ‘aangeklede apen’, zoals C.S. Lewis het noemde. Maar het is geen geheim wat de meeste mensen met hun vrije tijd doen. Verslavende, sensatiebeluste en onbenullige media en amusementsvormen zijn doorgedrongen in alle uithoeken van het leven in de eenentwintigste eeuw, tot de werkvloer aan toe. Veel van dat amusement speelt natuurlijk in op de essentiële behoefte van de moderne mens: het blijvende verlangen naar iets wat ontzag en verwondering inboezemt, naar een gevoel van stralende genade, de ervaring van het sublieme in een onttoverde wereld.
‘het meeste werk […] kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger’
Waar we nu mee kampen, zijn de gevolgen van deze combinatie van ontwikkelingen. Valse romantiek is sterk in opkomst bij hoogopgeleide jonge conservatieven, die zijn grootgebracht met de gedachte dat ze ertoe doen en nu tot de ontdekking komen dat er eigenlijk geen behoefte aan hun diensten bestaat. En een theatraal idealisme is het grote euvel van veel te veel hoogopgeleide linkse jongelui, die de historische overwinningen van eerdere progressieve generaties vaak dunnetjes over willen doen, ook al is die buit grotendeels allang binnen. Maar het resultaat dat voor de politiek het meest relevant is, is misschien dat politieke partijen uit de mode zijn en online massabewegingen zeer in trek. Hoe klein dat verschil ook lijkt, het gaat diep. Niet iedereen die als Republikein geregistreerd staat, zal zich meteen aansluiten bij een gewelddadige opstand of juichen als de pijlers van de Amerikaanse rechtsorde worden ontmanteld. Niet iedereen die op de Democraten stemt, wordt daarmee op slag een activist voor intens impopulaire maatschappelijke hervormingen. Daar is meer voor nodig.
Zowel de MAGA-stroming als de intolerante, autoritaire equivalenten ter linkerzijde vertonen veel kenmerken van de massabeweging van ‘ware gelovigen’ zoals die begin jaren vijftig door de havenarbeider annex filosoof Eric Hoffer getypeerd werd. Beide stromingen zijn natuurlijk een afspiegeling van bredere sociaaleconomische ontwikkelingen, die variëren van verstoringen in de arbeidsmarkt en groeiende ongelijkheid tot dalende sociale mobiliteit en een ‘hoogopgeleiden-overschot’. Maar belangrijker is dat beide stromingen hun achterban bespelen via die kanalen en bezigheden die de meeste vrije tijd en aandacht van mensen opslurpen. Als er één ding is dat de maatschappelijk meest schadelijke achterbannen van onze tijd verenigt, is het dat ze allemaal ‘erg online’ zijn.
Massabewegingen gedijen net als sommige strenge religieuze sekten bij de zelfhaat van hun volgelingen. Dat zijn mensen die zichzelf niets te bieden hebben. Als ze in zichzelf kijken, vinden ze slechts leegte. De gemiddelde volgeling is niet alleen gefrustreerd door zijn levensomstandigheden, maar ook murw van verveling en ontevreden over zichzelf. In zijn werk, zijn sociale leven en zijn privésituatie vindt hij volop bewijzen van zijn machteloosheid, dus zoekt hij een nieuwe identiteit voor zichzelf in het lidmaatschap van de beweging. Ineens hoort hij ergens bij.
‘Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land’
De concrete boodschap van de beweging is bijzaak. De ongewenste eigen identiteit kan men afschudden door bij zichzelf een of andere geestelijke stoornis vast te stellen (die zelfdiagnose is een groeiende trend op sociale media) en zo toe te treden tot een nieuwe gemeenschap van lotgenoten. Door zichzelf weg te cijferen ten opzichte van historisch onrecht. Door zich een nieuwe identiteit of godsdienst aan te meten. Of door trouw te zweren aan een charismatische leider die belooft de instanties op de schop te nemen die jouw ontplooiing zogenaamd in de weg hebben gestaan. Dit gedrag tref je doorgaans niet aan onder mensen die zelf een gezonde en verrijkende invulling aan hun ongeregimenteerde vrije tijd geven.
Dat het inhoudelijke programma van de beweging van ondergeschikt belang is, levert ironische situaties op. De traditioneel ‘mannelijke’ beeldtaal van de MAGA-beweging lijkt velen aan te spreken; maar wat zijn zij die braaf achter de alfafiguur van de grote leider aanlopen anders dan gedweeë meelopers? Veel aanhangers klagen over economische ongelijkheid, maar zijn zelf bepaald niet berooid. Wie echt straatarm en wanhopig is, heeft tijd noch middelen om af te reizen naar partijbijeenkomsten, aan opstanden mee te doen of memecoins en ander waardeloze merchandising te kopen. Die kan zich niet de uitrusting veroorloven om in het weekend soldaatje te spelen.
Ook het nationalistische karakter en de hersenloze destructiedrang van de beweging zijn kenmerkend. Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land. ‘Wanneer we ons ik afzweren en opgaan in een compact geheel, doen we niet alleen afstand van ons individueel gewin, maar ook van onze individuele verantwoordelijkheid’, schreef Hoffer. ‘Wanneer we onze individuele onafhankelijk verruilen voor het groepsgevoel van een massabeweging, vinden we daarin een nieuwe vrijheid: de vrijheid om zonder wroeging of schaamte te haten, intimideren, liegen, martelen, moorden en verraden.’
Een nieuwe vrijetijdsethiek
Krijgen de oude puriteinse zedenmeesters dan toch gelijk? Misschien, maar alleen omdat zij ons een selffulfilling prophecy hebben nagelaten. Een samenleving die zo doortrokken is van het protestantse arbeidsethos en zo in het teken staat van het najagen van individueel succes, is niet in staat om zijn burgers op een ander soort leven voor te bereiden.
Terwijl onze eigen wijsgerige traditie toch oplossingen te over biedt voor het probleem van de vrije tijd, of die nu de nadruk leggen op het belang van vriendschap (Epicurus), bezinning (Aristoteles) of het dienen van de publieke zaak ‘met oog voor de ander’ (Cicero). Deze essentiële menselijke kwaliteiten zijn danig uitgehold, resulterend in een tijdperk van eenzaamheid, achteloosheid en opgeklopt groepsdenken. Maar met genoeg vrije tijd en bewuste benutting daarvan kunnen ze in ere worden hersteld. Demagogen, complottheorieën en sekteleiders zullen er altijd zijn, maar ze krijgen geen vat op een volk dat in zichzelf vervulling vindt.
Een gezonde relatie met onze vrije tijd krijgen we niet vanzelf. Dat vereist een ethiek van de vrije tijd, en net als de deugdethiek van Aristoteles moet die ons waarschijnlijk met de paplepel worden ingegoten. Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement, tussen lagere en hogere geneugten, tussen het prikkelende en het sublieme. Zij die dit onderscheid ontkennen, zijn van dat idee niet af te brengen, want zij behoren niet tot de ingewijden. Zij weten niet waarover ze spreken.
‘Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement’
Het leren waarderen van de meer verrijkende bronnen van zelfontplooiing vergt tijd en zelfdiscipline. Maar een complete entertainmentbranche is er louter op gericht ons van dat rechte pad af te brengen. Vanaf een bepaald moment kreeg onderwijs niet langer tot doel om te streven naar het vormen van evenwichtige burgers met een rijk geestelijk leven, politiek inzicht en geestelijke of emotionele zelfstandigheid, zoals Dewey ooit hoopte. Het doel is nu alleen nog om in een tijd van aanhoudende technologische veranderingen de voorraad ‘menselijk kapitaal’ voor onze economie op peil te houden.
Enkele jaren geleden werd alle leerlingen nog op het hart gedrukt dat ze moesten ‘leren programmeren’, ongeacht of daar hun interesse lag. Maar nu krijgen we te horen dat juist op dit vlak de grote taalmodellen al veel beter zijn. Zal een deel van de voor bèta-onderwijs gereserveerde miljarden alsnog opzijgezet worden om de geesteswetenschappen te redden, de vakgebieden bij uitstek waarvan de waarde niet volledig van onvoorspelbare macro-economische ontwikkelingen afhankelijk is? Ik zou er maar niet op rekenen.
De grootsheid van Amerika heeft een samenleving voortgebracht waarin de burgers zich geen raad weten met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht. We zijn er nu getuige van hoe deze erfenis wordt verkwanseld, en dat schouwspel is nog vunziger en stompzinniger dan gedacht.
China’s offensief om de markt voor elektrische auto’s (EV) te domineren begint in fabriekssteden op het platteland, waar de lopende banden dag en nacht draaien en het leven wordt bepaald door een non-stopproductie.
Na een jaar werkloosheid belandde de vierendetigjarige Han Jinzhong achter een lopende band in het noordwesten van China, met een elektrische schroevendraaier in zijn hand.
Acht uur per dag pakt hij het gereedschap op, draait een schroef vast, scant een QR-code en activeert een camera om het werk te controleren. Steeds opnieuw, vijftienhonderd keer per dienst.
Han is een van de meer dan veertigduizend werknemers in een uitgestrekt fabriekscomplex in Jixian, een stad onder het bestuurlijke toezicht van Xi’an, de provinciehoofdstad van Shaanxi, en nu de spil van de productiestrategie van autofabrikant Build Your Dreams (BYD). In 2024 werd de stad de eerste van BYD – en China – die meer dan een miljoen voertuigen produceerde.
‘We noemen dit soort werk “het aandraaien van de duimschroeven”,’ vertelt Han, die uit privacyoverwegingen om een pseudoniem heeft gevraagd. Deze loodzware shifts maken deel uit van de niet-aflatende motor die de Chinese EV-revolutie aandrijft, een revolutie die BYD hielp Tesla te overtreffen in kwartaalverkopen en de Chinese autoproductie in 2024 naar meer dan 10 miljoen voertuigen stuwde.
De fabrieken van BYD in Xi’an, die zich over kilometers uitstrekken en meer dan 102.000 werknemers in dienst hebben, vormen het hart van deze ontwikkeling. Ver weg van de strakke showrooms in de metropolen of de innovatiehubs langs de oostkust van China, zijn lokale overheden in het hele land zichzelf snel aan het hervormen om tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar elektrische voertuigen.
In de begindagen van de hausse op het gebied van elektrische voertuigen liepen grote steden als Shanghai en Shenzhen voorop doordat ze hun industriële basis en financiële kracht gebruikten om autofabrikanten aan te trekken. Door de concurrentie is de focus nu meer landinwaarts komen te liggen.
Zo heeft Hefei in de oostelijke provincie Anhui miljarden geïnvesteerd in het hoofdkwartier van NIO, een van China’s grootste spelers op het gebied van EV’s, waardoor de stad een trekpleister is geworden voor autofabrikanten en toeleveranciers.
Yibin in de zuidwestelijke provincie Sichuan lokte batterijgigant CATL, ’s werelds grootste fabrikant van EV-batterijen, om zijn lokale economie te verstevigen. En Liuzhou, in de zuidelijke Guangxi Zhuang Autonome Regio, richtte zich op betaalbare mini-EV’s met door de staat gesteunde stimuleringsmaatregelen.
Deze initiatieven veranderen voorheen stille landbouwregio’s in industriële hubs, en naarmate de fabrieken groeien, groeit ook hun greep op de arbeiders en de steden die eromheen zijn gebouwd.
‘Het werk is misschien vermoeiend, maar het is stabiel en biedt zelfs socialezekerheidsuitkeringen’
Buiten de poorten van de BYD-fabriek in Xi’an gonst het in Jixian van de nieuwe bedrijfjes – winkeltjes met bubbelthee, noedelkraampjes en biljartzalen – die allemaal vechten om de aandacht van de arbeiders in blauwe uniformen die tijdens de ploegenwisselingen naar buiten stromen.
Voor veel inwoners bieden de fabrieken kansen, maar ook een nieuw soort afhankelijkheid van het ritme van de lopende band. Sommigen noemen het vooruitgang; anderen betreuren het dat het op zichzelf staande ecosysteem van BYD – met zijn eigen kapperszaken, sportscholen en buurtwinkels – een groot deel van het dagelijkse leven binnen de fabriekspoorten houdt.
‘Het werk is misschien vermoeiend, maar het is stabiel en biedt zelfs socialezekerheidsuitkeringen,’ zegt Han.
’s Avonds wordt het stil in de straten van Jixian. De gloed van de fabriek straalt aan de horizon en de auto’s die er worden gemaakt zullen wereldwijd voor verandering zorgen. Voor de Chinese EV-industrie is Jixian een succesverhaal, een microkosmos waarin de ambities van het land weerspiegeld worden.
Maar voor de inwoners van de stad, en nu ook voor de duizenden werknemers van BYD, is deze nieuwe welvaart gebonden aan productiedoelen en eindeloze ploegendiensten die hen er constant aan herinneren dat vooruitgang een prijskaartje heeft.
Vacatures
Han heeft de persoon die hem aan zijn baan hielp nooit ontmoet. Hij stuitte op een bericht van een BYD-medewerker op Xiaohongshu, het populaire lifestyleplatform, waarin hij advertenties plaatste voor vacatures in de fabriek in Jixian.
‘Ik kon echt geen baan vinden. Mijn familie zette me onder druk en ik kon mijn lasten niet meer betalen. Deze persoon zei dat hij me kon doorverwijzen, dus ik stuurde hem mijn naam, telefoonnummer en ID-kaartgegevens,’ vertelt Han.
Een paar weken later stond Han in de fabriek. Toen begreep hij het: het werven van nieuwe krachten hoorde bij het werk.
Het wervingssysteem van BYD beloont werknemers met geldbonussen voor doorverwijzingen; 3000 yuan (400 dollar) voor de doorverwijzer en 2000 yuan voor de nieuwe medewerker, op voorwaarde dat ze ten minste drie maanden blijven. Het is een eenvoudig systeem dat van werknemers onofficiële recruiters maakt.
Op Xiaohongshu stroomt de commentaarsectie over van enthousiaste reacties: ‘Kan ik meedoen?’; ‘Zijn nachtdiensten verplicht?’; ‘Hoeveel verdien ik per maand?’; ‘Is het zittend of staand werk?’
‘Iedereen kan meedoen,’ zegt Han. ‘De meeste van mijn collega’s hebben allerlei achtergronden: flexwerkers, obers, bouwvakkers. Zolang je een middelbare schoolopleiding of hoger hebt, is dat genoeg.’
Gemiddeld verdienen de assemblagemedewerkers van BYD minstens 4000 yuan per maand, het dubbele van het besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking in de plaatselijke dorpen. Volgens Yang Yan, een arbeidsbemiddelaar in Xi’an, zijn er maar weinig bedrijven die BYD kunnen evenaren als het gaat om langdurige werkgelegenheid en stabiele socialezekerheidsuitkeringen.
Meng Yao, 24 jaar, kwam in september bij de BYD-fabriek in Xi’an terecht, ook via een interne doorverwijzing. Net als Han kwam hij om ‘de duimschroeven aan te draaien’, aangetrokken door de belofte van een vast salaris en goede secundaire arbeidsvoorwaarden.
Maar de baan betekent meer dan alleen een loonstrookje. Meng heeft een zeldzame oogaandoening waarvoor hij maandelijks dure medicijnen nodig heeft en zijn moeder lijdt aan een slopende aandoening in haar onderrug. De ziektekostenverzekering van BYD dekt een toekomstige operatie om zijn gezichtsvermogen te behouden.
‘Jonge mensen willen niet meer boeren; ze hebben liever een baan’
Die belofte van stabiliteit heeft een stroom werknemers naar Jixian getrokken. Minstens twintigduizend lokale werknemers werken voor BYD en veel anderen, zoals Han, zijn uit naburige provincies gekomen. In dorpen rond Xi’an keren jonge inwoners die zich ooit gedwongen zagen om voor werk naar verre steden te vertrekken terug naar huis om bij BYD aan de lopende band te staan.
‘De jonge mensen kwamen allemaal met BYD mee,’ zegt Ren, een plaatselijke kapper van in de veertig. Een deel van de fabriek staat nu op de voormalige kastanjeboerderij van haar familie. Enkele jaren geleden verkocht ze het land zonder veel aarzeling voor 40.000 yuan per mu (ongeveer een vijftiende van een hectare). ‘Jonge mensen willen niet meer boeren; ze hebben liever een baan,’ voegt ze eraan toe.
Tegenwoordig runt Ren een kapperszaak in het centrum van de stad, een bedrijf dat wordt gevoed door de constante stroom BYD-werknemers die naar Jixian komen. Haar kleine zaak is slechts een van de 594 winkels die nu verspreid zijn over Jixian en de naburige stad Jiufeng; zes keer zoveel als in 2018, volgens binnenlandse media.
Micro-economie
Wang Miao en zijn vrouw runnen het enige koffiehuis in Jixian. Ze hadden ooit een bubbeltheewinkel, maar maakten een switch toen de concurrentie toenam. Ondanks enkele hobbels – een haperende koffiemachine of onervaren personeel – is het bedrijf erin geslaagd om te overleven. In november haalde een fabrieksarbeider tijdens een lunchpauze een keer een dozijn kopjes koffie, een teken van de aanhoudende vraag naar koffie.
Al deze bescheiden bedrijven maken deel uit van een ontluikende micro-economie die wordt gevoed door de snelle uitbreiding van BYD. Boeren die nu verkopers zijn, staan bij zonsopgang langs de fabriekspoorten en serveren een ontbijt aan de massa’s werknemers die arriveren voor hun dienst. Kersverse ondernemers zetten hun spaargeld in voor ondernemingen die inspelen op de toestroom van arbeiders in blauwe uniformen.
Een medewerker van een plaatselijke middelbare school vult zijn inkomen aan door na schooltijd kiwi’s van eigen bodem te verkopen aan BYD-werknemers – een knipoog naar de agrarische wortels van Jixian.
Net voorbij de eeuwenoude stad Xi’an, beroemd om haar Terracotta-krijgers en haar geschiedenis als een van de vertrekpunten van de zijderoute, ligt Jixian, een stad die onder het bestuur van Xi’an valt en deel uitmaakt van het district Zhouzhi, dat algemeen bekendstaat als China’s ‘kiwihoofdstad’.
Hoewel Jixian, waar de grond minder geschikt is voor grootschalige teelt, slechts een bescheiden bijdrage heeft geleverd aan dit erfgoed, gaat de naam, die ruwweg vertaald kan worden als ‘talenten verzamelen’, terug tot de Yuan-dynastie (1279-1368), toen er minstens tien iconische geleerden woonden.
De transformatie begon slechts zes jaar geleden, in 2018, toen BYD de stad uitkoos als locatie voor zijn nieuwste productiecentrum. Wat begon als een eenfasige fabriek is sindsdien uitgegroeid tot ongeveer de grootte van krap driehonderd voetbalvelden.
Het kostte slechts veertien dagen om het benodigde land van de boeren over te nemen. In een overheidsrapport uit 2021 werd deze ‘recordsnelheid’ geprezen.
Tegen 2021 was de fabriek zodanig gegroeid dat ze het stadje volledig in de schaduw stelde. De fabriek in Jixian heeft meer dan 40.000 werknemers, meer dan de officiële 37.000 inwoners van de stad. Vandaag de dag is BYD de meest waardevolle autofabrikant van China, met een marktwaarde van 839 miljard yuan (115 miljard dollar).
Cruciaal
Jixian is cruciaal geweest voor dit succes. In 2022 was Xi’an korte tijd China’s belangrijkste stad voor de productie van voertuigen die rijden op duurzame energie, waarbij het traditionele hubs als Shanghai en Shenzhen voorbijstreefde. Dat jaar verkocht BYD 1,86 miljoen van dit soort voertuigen, waarbij de vestiging in Xi’an 995.000 eenheden produceerde, meer dan de helft van de totale productie van het bedrijf.
Toch begrijpen de inwoners niet precies waarom Jixian werd gekozen als het op een na belangrijkste productiecentrum van BYD. De meest gegeven verklaring is dat de grond hier goedkoper is, zij het van mindere kwaliteit vanwege de beperkte irrigatie, waardoor landbouw nauwelijks rendabel is.
Voor BYD heeft Xi’an een symbolische waarde als de bakermat van de autofabricage van het bedrijf. In eerste instantie had BYD zich op lithiumbatterijen gericht, maar na de aankoop van een autofabriek in Xi’an in 2003 schakelde het bedrijf over op voertuigen. Naarmate de vraag toenam, breidde het bedrijf uit en de fabrieken in de stad werden het meest ambitieuze project tot nu toe.
Het totale personeelsbestand passeerde net vóór de dertigste verjaardag van het bedrijf de 900.000
Achter deze snelle opkomst gaat een uitgebreid netwerk van overheidssteun schuil – van subsidies tot versnelde grondaankopen – een grimmig voorbeeld van de macht die de staat bezit om plattelandseconomieën te hervormen.
Tussen 2011 en 2018 sluisden overheidsinstanties 1,18 miljard yuan naar BYD’s afdeling in Xi’an, terwijl de centrale overheid tussen 2020 en 2022 nog eens 6,6 miljard yuan in de kas van het bedrijf stopte.
BYD profiteerde ook van de enorme beroepsbevolking in China, een hulpbron die cruciaal is gebleken voor de groei sinds 2020, het jaar waarin de particuliere EV-markt echt van de grond kwam.
Tussen augustus en oktober 2024 nam BYD bijna 200.000 werknemers aan, waardoor het totale personeelsbestand net vóór de dertigste verjaardag van het bedrijf de 900.000 passeerde.
Maar het personeelsbestand laten groeien is nog niet alles. Het gemotiveerd houden van dit enorme personeelsbestand is essentieel voor de strategie van het bedrijf in een markt die wordt gekenmerkt door slopende ploegendiensten en een hoog personeelsverloop.
BYD’s antwoord is het creëren van een heus ecosysteem; het leven van werknemers wordt opgenomen in de bedrijfssfeer door middel van voorzieningen, huisvesting en scholen op locatie, waardoor de grens tussen werk en gemeenschap vervaagt.
‘BYD voorziet in alles: je kunt werken bij BYD, trouwen met een BYD-collega, rijden in een BYD-auto, wonen in een BYD-gemeenschap en je kinderen naar een BYD-school sturen,’ staat te lezen in een boek dat werd uitgegeven ter gelegenheid van de dertigste verjaardag van BYD op 18 november 2024. ‘Dit geeft werknemers het gevoel dat ze bij BYD niet alleen een baan krijgen, maar samen met een gemeenschap aan een gedeelde toekomst beginnen.’
Het boek werd gratis uitgedeeld aan elke werknemer, inclusief lopendebandmedewerkers zoals Han en Meng, hoewel geen van beiden tijd – of energie – had om het zorgvuldig te lezen.
Werkschema
Voor Meng Yao voelt het leven in de fabriek als een eindeloze loop waarin hij noch de tijd noch de wil heeft om te genieten van de sportvelden, sportscholen of bubbeltheewinkels.
‘Je bent het grootste deel van de dag aan het werk; er is geen tijd voor iets anders,’ zegt de vierentwintigjarige arbeider. ‘In de twee maanden dat ik hier ben, heb ik nauwelijks buiten de deur gegeten, want tegen de tijd dat ik klaar ben, ben ik zo uitgeput dat ik alleen nog maar in bed wil neerploffen.’
Dit werkschema is uit nood geboren. Met een basissalaris van slechts 2000 yuan per maand is Meng afhankelijk van overuren om rond te komen. Extra uren maken brengt zijn maandloon op ongeveer 6000 yuan, maar dan moet hij wel met slechts een dun stofmasker op tien uur lang naast de vonkende lasmachines staan, oorverdovend lawaai verdragen en het risico lopen op brandwonden door rondvliegende vonken.
Overwerken kan echter veel spanningen met zich meebrengen. Volgens Han ontstaan er vaak ruzies tussen concurrerende collega’s die extra uren proberen te bemachtigen.
‘Bij BYD kan het bespreken van salarissen leiden tot sancties’
‘Iedereen wil graag zijn salaris met dat van anderen vergelijken,’ zegt Han. ‘Maar bij BYD kan het bespreken van salarissen leiden tot sancties. Dus in plaats daarvan wedijveren de arbeiders om wie de meeste overuren mag maken.’
Ondanks het harde werken vindt Meng BYD ‘menselijk’, vooral vergeleken met zijn vorige baan bij Foxconn, een grote toeleverancier van Apple, waar hij werkte toen hij achttien was. Maar als we doorvragen, heeft hij moeite om uit te leg gen wat er zo menselijk is aan het bedrijf.
‘Misschien geldt dat inderdaad meer voor de ingenieurs in witte uniformen,’ geeft hij uiteindelijk toe en hij vertelt dat er bij BYD een grimmige hiërarchie bestaat, waarin werknemers worden gerangschikt en letters krijgen toegewezen van A tot I. Werknemers zoals Meng en Han zijn ingedeeld bij H of I, ver verwijderd van de extraatjes van werknemers uit een hogere categorie.
‘Maar goed, zo werkt deze wereld nu eenmaal. Voor mensen zoals wij maakt het niet uit of je weggaat of blijft, of je leeft of dood bent,’ zegt Meng.
Het ritme van de fabriek
Buiten de poorten van BYD zijn de bedrijven in Jixian al net zozeer gebonden aan het ritme van de fabriek. Hun voorspoed stijgt of daalt naarmate de stroom werknemers en het loon dat ze te besteden hebben, toe- of afnemen.
‘Winkels ontstaan snel, maar verdwijnen net zo vlug,’ zegt Ren, de plaatselijke kapper. Ze herinnert zich hoe het tien jaar geleden was, toen haar kapperszaak als enige in de stad ‘elke dag van zonsopgang tot zonsondergang vol zat met klanten’. In die tijd bruiste het centrum van de stad van de mensen die zich even konden onttrekken aan het strakke schema van het fabrieksleven. Op een rustige novembermiddag telt ze nu slechts twee klanten.
‘Vroeger kwamen de arbeiders naar de stad om dingen te kopen,’ zegt Ren. ‘Maar nu BYD zijn eigen winkels en faciliteiten in de fabriek heeft, doen ze dat niet meer.’
Het ritme van de stad weerspiegelt het schema van de fabriek.
Elke ochtend rijden er lichtgroene elektrische bussen door de stille straten om de werknemers van de dagploeg naar de fabriek te brengen. Terwijl die inklokken, druppelen de werknemers van de nachtploeg naar buiten en stoppen bij kraampjes langs de weg voordat ze zich terugtrekken in hun slaapzalen. Halverwege de ochtend zijn de straten weer verlaten.
Deze gang van zaken herhaalt zich bij zonsondergang. Hoewel de dagploeg rond 17.30 uur eindigt, blijven de meeste arbeiders overwerken, waardoor de restaurants en slaapzalen maar even drukbezet zijn voordat de stilte terugkeert.
Speelhallen en internetcafés komen tot leven in het weekend, wanneer het wemelt van de jonge werknemers die er even tussenuit willen
Speelhallen, biljartzalen en internetcafés komen tot leven in het weekend, wanneer het wemelt van de jonge werknemers die er even tussenuit willen. Maar doordeweeks is het er akelig stil.
Terug op de slaapzalen van de fabriek kijkt Han naar het komen en gaan van arbeiders om hem heen. Het lege bed naast het zijne is een stille herinnering aan het personeelsverloop; zijn collega is weg, naar een andere fabriek of helemaal vertrokken bij BYD.
‘Ik vind het fijn om in een gemeenschap te leven,’ zegt Han. ‘Maar hier heb ik met niemand veel gemeen.’ Hoewel ze omringd zijn door duizenden collega’s voelen Han en Meng zich niet verbonden met de zee van blauwe uniformen op de fabrieksvloer, zeggen ze.
Han ziet zichzelf slechts als een passant. Hij hoopt te kunnen ontsnappen aan de sleur van de lopende band en denkt aan een baan bij de overheid of een promotie tot teamleider, maar hij geeft toe dat hij een onzekere toekomst tegemoetgaat.
Meng is nog niet zeker van zijn volgende stap. ‘Ik wil een contentcreator worden,’ zegt hij. Hij droomt van een toekomst op Douyin, China’s TikTok. Om hem heen praten collega’s over videogames en het huwelijk, onderwerpen die voor zijn gevoel ver van hem afstaan. ‘Ze zijn te veel gewend geraakt aan het leven in de fabriek en hun ambities zijn weggeëbd.’
Toch houdt Meng de moed erin. ‘Op een dag zal ik een huis kopen, een auto hebben die ik mooi vind en een stabiel leven leiden,’ zegt hij. ‘Ik moet alleen de juiste kans krijgen.’
Bezorgdheid over de toekomst, over een dak boven je hoofd en een stabiel inkomen, bepaalt voor bijna alle singles de partnerkeuze. ‘Emotionele investeringen in relaties zonder langetermijnpotentieel worden vermeden.’
Uit het laatste maandelijkse barometeronderzoek van het Centro de Investigaciones Sociológicas, in oktober 2024, blijkt dat de woningmarkt een van de grootste zorgen van de Spanjaarden is. Die zorg staat op de derde plaats, na de bezorgdheid over immigratie en de economische crisis. Het is in Spanje steeds moeilijker om een huis te kopen, en huren is ook al niet eenvoudig. Volgens gegevens van het Instituto Nacional de Estadística steeg de prijs van nieuwe woningen in Spanje in 2024 met 11,2 procent, de grootste stijging sinds de vastgoedcrisis die in 2007 begon. Ook de prijzen van bestaande woningen zijn gestegen: 7,3 procent ten opzichte van het voorgaande jaar.
Deze aanzienlijke stijging van de huizenprijzen heeft op verschillende manieren invloed op ons leven: veel van de gesprekken die we voeren gaan tegenwoordig over de woningmarkt, zelfs tijdens onze eerste dates. Datingapp Bumble heeft, zoals elk jaar, een rapport uitgebracht met trends die singles moeten helpen bij het aangaan van relaties in 2025. Een van deze trends is het zogenaamde ‘future-proofing’, toekomstbestendigheid.
Romantiek is in
In het artikel ‘Online daten is uit. Real-life romantiek is in’ uit het Canadese magazine Maclean’s, gepubliceerd in 360 editie 236, pleit Treena Orchard voor een terugkeer naar daten in het echte leven, nu datingapps zoals Tinder en Bumble vaak leiden tot frustratie en vervreemding. Ze beschrijft haar eigen negatieve ervaringen met online daten, zoals catfishing en ghosting, en wijst op de nadelen van de apps, waaronder de oppervlakkigheid en de verslavende aard van het swipen: ‘Interpersoonlijke vaardigheden kunnen afnemen als we het grootste deel van ons romantische leven swipend doorbrengen.’ Daarom, schrijft Orchard, keren met name veel jongeren zich steeds meer af van apps en gaan ze op zoek naar ouderwetse face-to-face ontmoetingen.
Voorbeelden van ‘fysieke evenementen’ zijn speeddaten en singlesmixers, die dan ook een heropleving doormaken. Orchard stelt dat deze persoonlijke ontmoetingen niet alleen onze empathie vergroten, maar ook zorgen dat we sneller kunnen beoordelen of er sprake is van een klik.
Hoewel ze niet per se voor het volledig afschaffen van apps is, waarschuwt Orchard dat we de waarde van echte connecties niet uit het oog moeten verliezen. ‘Als we alleen op het algoritme vertrouwen, lopen we mogelijk die willekeurige, prachtige, onverwachte vonk mis die kan overslaan tussen mensen, en die juist zo bepalend is voor ons mens-zijn.’
‘De overgrote meerderheid van de singles (95 procent) zegt dat hun zorgen over de toekomst van invloed zijn op hoe en met wie ze daten’, aldus Bumble in het nieuwste rapport, en dat weerspiegelt het idee van future-proofing. ‘De onzekerheid over onze financiële draagkracht, werk, huisvesting en klimaatverandering zijn van invloed op onze relaties’, en dit gaat zo ver dat als je die zorgen in 2025 niet deelt met je date, je zonder tweede, derde, vierde of vijfde date kan komen te zitten.
Volgens Alicia González, die als psycholoog gespecialiseerd is in relaties, ‘zoekt bijna drie op de vier mensen (72 procent) wereldwijd actief naar een vaste relatie voor het komende jaar. Daarbij proberen ze emotionele investeringen in relaties zonder langetermijnpotentieel te vermijden. Thema’s zoals levensverwachtingen en persoonlijke doelen, maar ook opvattingen over relaties en gezin (voor veel mensen een cruciaal punt) worden nu al veel eerder besproken.’
Droomprins(es)
Maar mensen worden desondanks natuurlijk nog steeds verliefd. En hoewel het vinden van de ideale partner niet altijd betekent dat je droomprins(es) en jij per ongeluk net op hetzelfde moment iets laten vallen in een gangpad van de bibliotheek, terwijl jullie allebei op zoek blijken naar hetzelfde boek, moeten we volgens González onze emoties zeker niet uitschakelen (als dat al kan) totdat iemand aan alle eisen voldoet. ‘Maar we moeten prioriteit geven aan een connectie met gedeelde waarden en doelen. Dat kan tijd besparen en toekomstige conflicten beperken.’
Als een gedeelde bezorgdheid over economische stabiliteit, werk, huisvesting en de gevolgen van klimaatverandering voor jou essentieel is, betekent dat vaak dat de politieke voorkeuren van je date ook zullen overeenkomen met de jouwe. Dat maakt het in 2025 misschien waarschijnlijker dat we onze ideale partner zullen vinden in iemand die hetzelfde politieke pad volgt. ‘Door de bezorgdheid over de toekomst zoeken mensen steeds vaker naar een partner met wie ze op veel gebieden overeenkomsten vertonen, ook op politiek gebied,’ beaamt González. ‘Vroeger waren dit onderwerpen voor later, tegenwoordig worden ze al vroeg in de relatie besproken, omdat het een beeld vormt van je waarden, van de manier waarop je de wereld bekijkt en hoe je denkt om te gaan met de problemen die je tegenkomt.’
Het feit dat we deze zorgen nu al vanaf het begin van een relatie bespreken, betekent niet dat we alleen maar op zoek zijn naar iemand die exact dezelfde politieke overtuigingen heeft, zegt González, ‘maar we zoeken wel naar een gemeenschappelijke basis. Dat maakt het gemakkelijker om de juiste richting op te gaan en zorgt ervoor dat grote beslissingen, zoals het opvoeden van kinderen of het oplossen van conflicten, geen constante strijd zullen zijn.’
Nieuwe voorkeuren bij het daten
Steeds meer jongeren van generatie Z lijken populaire datingapps zoals Tinder, Hinge, Bumble en Grindr veel minder te gebruiken.
Bijna de helft van de gen Z’ers, de groep geboren tussen 1995 en 2010, spreekt liever af in het echte leven. Zo’n 38 procent van hen denkt dat online daten een goede manier is om de ware liefde te ontmoeten.
Volgens een rapport van de Britse communicatiewaakhond Ofcom is het gebruik van datingapps het afgelopen jaar afgenomen. Tinder verloor bijvoorbeeld 600.000 gebruikers en Hinge 131.000. Hoewel bijna vijf miljoen volwassenen nog steeds gebruikmaakten van datingdiensten, wijst Ofcom op een verschuiving in de datingvoorkeuren van Gen Z. Deze generatie lijkt meer waarde te hechten aan spontane ontmoetingen in het echte leven. Het idee van de meet cute, een toevallige en romantische ontmoeting, wordt steeds vaker geromantiseerd op sociale media. Onderzoeker Luke Brunning van de Universiteit van Leeds zegt in The Guardian dat apps eerder als een aanvulling op andere vormen van contact worden gebruikt. Ook daarbij speelt mee dat jongeren veiligheid en authenticiteit steeds belangrijker vinden.
Volgens het rapport van Bumble wil 27 procent van de vrouwen dat belangrijke onderwerpen zoals geld, huisvesting, klimaatverandering en ambities op werkgebied al tijdens de eerste date ter sprake komen. Relaties gaan immers niet alleen over liefde, maar ook over samenwerken om de uitdagingen van het leven samen aan te gaan.
Ook de economische verschillen tussen mensen spelen een belangrijke rol, zegt González. ‘Niet omdat hoeveel geld je hebt het allerbelangrijkst is, maar omdat het vaak bepalend is voor je levensstijl, je verwachtingen en de manier waarop je dagelijkse problemen aanpakt. Als er een enorme kloof is, kan het moeilijk zijn om op basis van de meest fundamentele zaken, zoals wat we onder succes verstaan of hoe we ons leven willen inrichten, op één lijn te komen.
De crises die de wereld doormaakt dragen er allemaal toe bij dat we tegenwoordig veel strategischer nadenken over relaties.
Dat de wereld waarin we leven een directe invloed heeft op de manier waarop we relaties aangaan, wordt duidelijk zichtbaar in het rapport van Bumble over de trends voor 2025. De crises die de wereld doormaakt, of het nu economische crises zijn, politieke of de overvloed aan informatie die we dagelijks ontvangen, dragen er allemaal toe bij dat we tegenwoordig veel strategischer en bewuster nadenken over relaties.
‘De crisis in de afgelopen jaren heeft ervoor gezorgd dat relaties van een emotionelere of intuïtievere benadering zijn verschoven naar een strategischere benadering,’ zegt González. ‘De economische onzekerheid, het sociale debat en de toegang tot zo veel informatie hebben ons gedwongen om meer op de lange termijn te denken, zelfs in relaties.’
Ze vervolgt: ‘Het lijkt wel alsof de complexiteit van de wereld om ons heen ons ertoe aanzet om stabiliteit te zoeken in onze relaties. We willen ons veilig voelen en ondersteund worden. We zoeken niet naar perfectie, maar wel naar iemand die ons daadwerkelijk kan steunen in de uitdagingen van het leven.’
Uit de gegevens van Bumble blijkt dat 57 procent van de single vrouwen tegenwoordig vooral stabiliteit en betrouwbaarheid waardeert bij een potentiële partner. Dit betekent echter niet dat aantrekkingskracht of chemie minder belangrijk zijn, maar stabiliteit en betrouwbaarheid zijn cruciale eigenschappen geworden, omdat ze een gevoel van zekerheid bieden in een wereld die steeds onzekerder lijkt. ‘Vroeger was een emotionele band vaak genoeg, maar nu willen we overeenstemming, steun en een gedeelde visie op de toekomst. Die wensen beperken het aantal opties, maar maken de relatie die je uiteindelijk aangaat veel sterker en betekenisvoller.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.