Tag: HOR2

  • Thomas Manns Achtung, Europa! is nog altijd actueel

    Thomas Manns Achtung, Europa! is nog altijd actueel

    Achtung Europa! bevat een aantal essays uit de jaren dertig waarin Thomas Mann zijn lezers waarschuwt voor het opkomende fascisme. Deze teksten klinken vandaag nog even urgent als toen.

    Bonn, 19 december 1936

    Aan de heer schrijver Thomas Mann!

    In overleg met de rector van de Universiteit Bonn moet ik u mededelen dat de Filosofiefaculteit zich, na de intrekking van uw staatsburgerschap, genoodzaakt heeft gezien u van de lijst van eredoctoren te schrappen. Uw recht om deze titel te voeren is hierbij overeenkomstig artikel VIII van ons promotiereglement vervallen.

    (onleesbaar)
    Decaan

    Aan de heer decaan van de Filosofiefaculteit van de Universiteit Bonn. Küsnacht am Zürichsee, Nieuwjaar 1937 

    Zeer geachte heer decaan, 

    Ik heb de treurige mededeling ontvangen die u mij d.d. 19 december heeft doen toekomen. Sta mij toe u daarop het volgende te antwoorden: 

    De zware medeplichtigheid aan alle huidige ellende die Duitse universiteiten op zich hebben geladen door dat ze het historische uur gruwelijk verkeerd hebben ingeschat en zich tot voedingsbodem hebben gemaakt van de godvergeten krachten die Duitsland moreel, cultureel en economisch kapotmaken – die medeplichtigheid had mijn plezier in de mij ooit verleende academische waardigheid allang vergald en mij belet er hoe dan ook nog gebruik van te maken. De eretitel doctor in de filosofie voer ik trouwens nog steeds, daar de Harvard-universiteit hem mij opnieuw heeft verleend en wel met een motivering die ik u, mijnheer decaan, niet zou willen onthouden. 

    Uit het Latijn in het Duits vertaald luidt het document: ‘(…) hebben wij, rector en senaat, met instemming van het eerwaarde universitair college van toezicht in feestelijke zitting bijeen, Thomas Mann, de wereldberoemde schrijver die, door het leven voor veel van onze medeburgers te duiden, samen met maar heel weinig tijdnoten de hoogwaardigheid van de Duitse cultuur behoedt, tot doctor in de filosofie honoris causa benoemd en uitgeroepen en hem alle rechten en eerbetoon verleend die aan deze titel verbonden zijn.’ 

    Merkwaardig

    Zo merkwaardig in tegenspraak met het huidige Duitse beeld tekent zich wat ik voorstel af in de hoofden van vrije en ontwikkelde mannen aan de andere kant van de oceaan – en, mag ik wel toevoegen, niet alleen daar. Het zou nooit in me zijn opgekomen met de inhoud van dat document te pronken, maar hier en nu mag, ja moet ik het ter sprake brengen; en als u, mijnheer decaan (ik ken de gebruiken niet), de aan mij gerichte boodschap op het mededelingenbord van uw universiteit heeft moeten laten prikken, dan hoop ik waarachtig dat ook dit antwoord van mij deze eer ten deel valt: misschien dat sommigen, student of professor, zich dan achter de oren krabben en worden overvallen door een haastig onderdrukt bang vermoeden bij een lectuur die zou neerkomen op een vluchtige blik vanuit boosaardig afgedwongen isolement en onwetendheid in de vrije intellectuele wereld. 

    Hier zou ik kunnen eindigen. Mij lijken momenteel echter enkele nadere toelichtingen wenselijk of hoe dan ook op hun plaats. Over het mij ontnomen staatsburgerschap heb ik, ondanks menig verzoek om opheldering, gezwegen; in de afgenomen academische titel zie ik met uw welnemen een geschikte gelegenheid voor een bondige persoonlijke bekentenis – waarbij u, mijnheer decaan, van wie ik niet eens de naam ken, zich slechts als de toevallige geadresseerde van deze u amper toegedachte verklaring gelieve te beschouwen. 

    In deze vier jaar van een ballingschap die alleen vergoelijkend vrijwillig te noemen is, omdat ik, als ik in Duitsland was gebleven of ernaar was teruggekeerd, waarschijnlijk niet meer in leven zou zijn, heb ik mij aanhoudend het hoofd gebroken over de merkwaardige dwaling van het lot waardoor ik in deze situatie ben beland. Ik had nooit kunnen dromen, het is mij aan de wieg niet voorspeld, dat ik mijn gevorderde dagen als emigrant, thuis onteigend en vogelvrij verklaard, in urgent politiek protest zou doorbrengen. Mijn hele bewuste leven heb ik me in harmonie met het psychische klimaat van mijn land, in zijn intellectuele tradities geborgen gevoeld. Ik ben veeleer als representant dan als martelaar geboren, veeleer om een beetje beschaafde vrolijkheid op aarde te brengen dan om de strijd, de haat te voeden. Er moet iets ernstig mis zijn gegaan dat mijn leven zo’n verkeerde, zo’n onnatuurlijke wending nam. Ik probeerde het met mijn beperkte krachten tegen te houden, dat gruwelijk misse – en juist daardoor riep ik het lot over me af dat ik nu moet zien te rijmen met mijn zo anders geaarde wezen. 

    Toen Duitsland hem dan echt in handen was gevallen, was ik van plan te zwijgen

    Zeker, ik heb de woede van deze machthebber niet pas de laatste vier jaar gewekt met mijn distantie, de niet te onderdrukken blijken van mijn afschuw. Al veel eerder had ik het gedaan en moest ik het doen, omdat ik eerder dan de nu vertwijfelde Duitse burgerij inzag wie en wat haar boven het hoofd hing. Toen Duitsland hem dan echt in handen was gevallen, was ik van plan te zwijgen; ik meende door het offer dat ik had gebracht het recht op zwijgen verdiend te hebben en zo de mogelijkheid te creëren iets wat mij zeer ter harte gaat, het contact met mijn binnenlandse Duitse publiek in stand te houden. Mijn boeken, zei ik bij mezelf, zijn voor Duitsers geschreven, in de eerste plaats voor hen; de ‘wereld’ en haar belangstelling betekenden voor mij altijd slechts een verblijdende bijkomstigheid. Mijn boeken zijn het product van een wederzijdse leerzame band tussen land en auteur en stoelen op basiswaarden die ik zelf eerst in Duitsland heb helpen creëren. Dat zijn precaire, kostbare betrekkingen, die door de politiek niet ruw mogen worden verbroken. Zo er thuis ongeduldigen waren die, zelf gekneveld, mij, in vrijheid levend, mijn stilzwijgen kwalijk zouden nemen, de grote meerderheid, mocht ik hopen, zou mijn terughoudendheid begrijpen, ja mij er dankbaar voor zijn. 

    Aldus mijn voornemens. Ze waren niet vol te houden. Ik had niet kunnen leven en werken, ik zou gestikt zijn zonder af en toe, zoals oude volkeren zeggen, ‘mijn hart te reinigen’, zonder van tijd tot tijd onomwonden uitdrukking te geven aan mijn afgrondelijke afschuw van wat er thuis in erbarmelijke woorden en nog erbarmelijker daden gebeurde. Terecht of niet, mijn naam had zich nu eenmaal voor de wereld verbonden met een idee van Duits-zijn waar men van houdt en dat men hoog heeft zitten; dat juist ik de grove vervalsing die dat Duits-zijn nu onderging duidelijk zou weerspreken, was te midden van alle vrije kunstdromen waaraan ik mij zo graag had overgegeven een verontrustend aanzwellende eis. Een eis die moeilijk te negeren was voor iemand die altijd de kans had gehad zich te uiten, vrijuit te spreken, voor wie ondervinden altijd was samengegaan met louterend behoudende taal. 

    De taal is een groot geheim; onze verantwoordelijkheid voor haar en haar zuiverheid is symbolisch en intellectueel van aard, ze heeft beslist niet alleen kunstzinnige maar ook algemeen morele betekenis, ze is de verantwoordelijkheid zelf, ronduit menselijke verantwoordelijkheid, ook verantwoording jegens het eigen volk, het zuiver houden van zijn imago in het aangezicht van de mensheid, en in haar, de taal, onderga je de eenheid van het menselijke, het alomvattende humane vraagstuk, dat niemand toestaat, zeker op dit moment niet, het intellectueel-kunstzinnige van het politiek-maatschappelijke te scheiden en zich daarvan voornaam-‘cultureel’ te isoleren; deze ware totaliteit, die de humaniteit zelf is en waarmee wel iedereen die een deel van het menselijke, de politiek, de staat, wil ‘totaliseren’, misdadig in strijd is. 

    Lef

    Een Duitse schrijver, gewend verantwoording af te leggen via de taal; een Duitser wiens patriottisme zich – misschien naïef – uit geloof in het onvergelijkelijke morele belang ervan uitspreekt over wat zich in Duitsland afspeelt – zou die zwijgen, helemaal zwijgen bij al het onvergeeflijke kwaad dat in mijn land lichamen, zielen en geesten, recht en waarheid, mensen en mensheid dagelijks werd en wordt aangedaan? Bij het vreselijke gevaar dat dit mensonterende regime, dat geen idee heeft welk uur de wereldklok geslagen heeft, voor het continent vormt? Het was niet mogelijk. En zo kwamen, in weerwil van het plan, de uitlatingen, de onvermijdelijke stellingnamen tot stand, die nu hebben geleid tot mijn absurde en treurige nationale excommunicatie. 

    Alleen al de gedachte wie de mensen zijn aan wie de toevallige, erbarmelijk-uiterlijke macht is gegeven mij mijn Duits-zijn te ontzeggen, is genoeg om de totale belachelijkheid van hun beslissing aan te tonen. Ik zou het rijk, Duitsland, beschimpt hebben omdat ik mij tegen hen uitsprak! Ze hebben het ongelooflijke lef zich met Duitsland te verwarren! Terwijl toch misschien het ogenblik niet ver is waarop het Duitse volk er alles aan gelegen zal zijn om niet met hen verward te worden. 

    Waar hebben zij Duitsland, in nog geen vier jaar, gebracht? Geruïneerd, psychisch en fysiek uitgeput door een bewapening waarmee het de hele wereld bedreigt, de hele wereld tot stilstand brengt en hindert bij de vervulling van haar eigenlijke taken, reusachtige, dringende taken die de vrede betreffen; door niemand geliefd, met angst en kille afkeer door iedereen bekeken, staat het aan de rand van zijn economische ondergang, en geschrokken strekken zich de handen van zijn ‘vijanden’ naar hem uit om een zo belangrijk lid van de toekomstige volkerengemeenschap van de afgrond weg te trekken, het te helpen, mits het tot bezinning wil komen en luisteren naar de werkelijke behoeften van het tijdsgewricht, in plaats van zich een of andere quasiheilige Nibelungen-crisis in te beelden. Ja, degenen die bedreigd en belemmerd worden, moeten het uiteindelijk nog helpen om niet het hele werelddeel mee te sleuren en zich voluit in de oorlog te storten waarop het altijd nog, als laatste redmiddel, de ogen gericht houdt. De volwassen en ontwikkelde staten – en onder ‘ontwikkeld’ versta ik de bekendheid met het fundamentele feit dat oorlog niet langer is geoorloofd – behandelen dit grote, bedreigde en alles bedreigende land of veeleer de onmogelijke leiders wie het in handen is gevallen zoals artsen een zieke behandelen: met de grootste omzichtigheid en voorzichtigheid, met onuitputtelijk, zij het niet bepaald eervol geduld; zíj echter menen ‘politiek’, een politiek van macht en hegemonie tegen hen te moeten bedrijven. Het is een ongelijk spel. Als iemand ‘politiek’ bedrijft wanneer de anderen helemaal niet meer aan politiek denken maar aan vrede, dan is hij in bepaalde opzichten even in het voordeel. Uit anachronistische onwetendheid over het feit dat oorlog niet langer is toegestaan, kunnen vanzelfsprekend korte tijd ‘successen’ worden geboekt op hen die het wel weten. Maar wee het volk dat, omdat het niet meer voor- of achteruit kan, uiteindelijk werkelijk zijn heil zoekt in de door God en mens gehate gruwel die oorlog heet! Het zal zo verslagen worden dat het nooit meer overeind komt. 

    Zodra de gedachte aan oorlog als doel op zich wegvalt, zou het niets meer zijn dan mensenmisbruik

    Zin en doel van het nationaalsocialistisch staatssysteem is en kan alleen maar dit zijn: het Duitse volk door middel van onverbiddelijke uitschakeling, repressie, uitroeiing van elke storende tegenbeweging voor de ‘komende oorlog’ klaar te stomen, er een eindeloos gedweeë, door geen enkele kritische gedachte geplaagde, in blinde en fanatieke onwetendheid gevangen oorlogsmachine van te maken. Een andere zin, een ander doel, een ander excuus voor dit systeem bestaat niet; de vele offers aan vrijheid, gerechtigheid, menselijk geluk, inclusief de heimelijke en openlijke, zonder aarzeling begane misdaden, zijn alleen te rechtvaardigen vanuit de idee van een onvoorwaardelijke oorlogstraining. Zodra de gedachte aan oorlog als doel op zich wegvalt, zou het niets meer zijn dan mensenmisbruik – het zou volkomen zinloos en overbodig zijn. 

    De waarheid zeggen: het is allebei, zinloos en overbodig, – niet alleen omdat men het nationaalsocialisme de oorlog niet zal toestaan, maar omdat het zelf met het oog op de leidende gedachte, absolute en ‘totale’ oorlogstraining, het tegendeel bereikt van wat het nastreeft. Geen volk op aarde is momenteel zo slecht in vorm, zo geheel en al ongeschikt om de oorlog te doorstaan, als dit. Dat het om te beginnen geen bondgenoten zal hebben, niet één op de hele wereld, is nog het minste. Duitsland zou alleen staan maar beslist nog altijd geducht zijn in z’n isolement; maar wat erger is, het zou ook door zichzelf verlaten zijn. Geestelijk gekleineerd en vernederd, moreel uitgehold, inwendig verscheurd, diep wantrouwig jegens de leiders en wat ze door de jaren heen zoal met het land hebben gedaan, doodsbang voor zichzelf, weliswaar onwetend maar vol akelige vermoedens, zou het deze oorlog ingaan – niet in de conditie van 1914, maar, zelfs al fysiek, in die van 1917, 1918. Tien procent regelrechte profiteurs van het systeem, ook zij al half afvallig, zouden niet toereikend zijn een oorlog te winnen, waar in de meeste anderen alleen de gelegenheid zouden zien om de schandelijke last af te schudden die zolang op hen drukte – een oorlog dus die na de eerste nederlaag in een burgeroorlog zou omslaan. 

    Tactische leugens

    Nee, deze oorlog is onmogelijk. Duitsland kan hem niet voeren, en hebben de machthebbers daar nog een greintje verstand, dan zijn hun verzekeringen dat ze tot vrede bereid zijn niet dat waarvoor zij ze misschien knipogend aan hun aanhangers verkopen: tactische leugens, maar komen ze voort uit het bange besef van genoemde onmogelijkheid. Als het dus geen oorlog kan en mag worden – waartoe dan rovers en moordenaars? Waartoe vereenzaming, wereldwijde vijandigheid, rechteloosheid, geestelijke curatele, culturele nacht en meer van die armoe? Waarom niet liever de terugkeer van Duitsland naar Europa, waarom niet een verzoening, een vrije, door de hele wereld met gejubel en klokgelui begroete toetreding tot een Europees vredessysteem met alle bijbehorende vrijheid, gerechtigheid, welstand en menselijk fatsoen? Waarom niet? Alleen omdat een regime dat het recht om mens te zijn in woord en daad schendt, dat aan de macht wil blijven en verder niets, zichzelf zou loochenen en opheffen wanneer het, als het dan geen oorlog kan voeren, werkelijk vrede sloot? Is dat soms een reden? 

    Ik vergat waarachtig, mijnheer decaan, dat ik nog altijd tot u spreek. Ik mag er echter op vertrouwen dat u allang niet meer verder hebt gelezen, ontzet door een taal die men in Duitsland sinds jaren ontwend is, geschrokken dat iemand zich verstout het Duitse woord in alle vrijheid te voeren.

     Ach, niet uit drieste arrogantie heb ik gesproken, maar uit een ongerustheid en verdriet waarvan uw onrechtmatige machthebbers mij niet hebben kunnen verlossen toen zij bepaalden dat ik geen Duitser meer was; een psychische en mentale noodzaak die mijn leven al vier jaar uur na uur bepaalt en waartegen ik dag in dag uit met mijn artistieke werk moest opboksen. Het is mij zwaar te moede. En zoals iemand die uit religieuze schroom de naam des Heren gewoonlijk maar moeizaam over de lippen of zelfs uit de pen krijgt, hem toch op momenten van diepe ontreddering uiteindelijk niet kan ontberen – omdat niet alles in taal uit te drukken is – zo wil ik met uw welnemen dit weerwoord afsluiten met het volgende schietgebed: 

    God helpe ons in duisternis gedompelde en misbruikte land en lere het vrede te sluiten met de wereld en zichzelf! 

    Achtung, Europa!

    Een eigentijdse waarschuwing

    Achtung Europa! bevat een aantal essays uit de jaren dertig waarin Thomas Mann zijn lezers waarschuwt voor het opkomende fascisme. Al in een vroeg stadium doorziet hij haarscherp de gewelddadige aard van het fascisme en het gevaar voor democratie en rechtsstaat. Het boek verscheen in 1938, toen Mann als consequentie van zijn zelfgekozen ballingschap naar de VS was geëmigreerd. Het verschijnt deze maand bij de Arbeiderspers in een vertaling van Piet Meeuse en Barber van de Pol, met een voorwoord van Arnon Grunberg.

    Achtung Europa! van Thomas Mann (ISBN: 9789029553001, € 22,99) verschijnt binnenkort, maar is nu al te bestellen in de 360-webshop.

  • Dit artikel zal je niet van gedachten doen veranderen. En wel hierom

    Dit artikel zal je niet van gedachten doen veranderen. En wel hierom

    Het lijkt erop dat we met argumenten zelden iemand op andere gedachten kunnen brengen. Alleen onze sociale relaties en ons eigen handelen zijn daartoe in staat.

    Het heeft iets paradoxaals om juist hierover een opiniestuk te schrijven. Maar het moet gezegd worden: argumenten hebben op zichzelf geen wezenlijk effect op de overtuigingen die mensen hebben. En het idee dat dit wel zo zou zijn, een idee dat leeft in grote delen van de maatschappij, staat andere, effectievere vormen van politiek denken en handelen in de weg.

    Als onderzoeker ben ik voornamelijk werkzaam op het snijvlak van psychologie en politiek, en mijn werk sterkt me meer en meer in de gedachte dat er binnen onze cultuur een misvatting bestaat over hoe politieke overtuigingskracht werkt. In het tijdperk van Donald Trump, Elon Musk en de opkomst van extreemrechts hebben commentatoren al duizenden keren hun mening gegeven over de problemen van nepnieuws, polarisatie et cetera. Maar al te vaak richtten ze zich daarbij tot de verkeerde toehoorder, en legden ze te veel nadruk op woorden alleen.

    Neem de ‘debatten’. Die vormen overal ter wereld een wezenlijk element van verkiezingscampagnes en worden gezien als dusdanig invloedrijk dat er meestal strikte regels gelden voor de verslaggeving eromheen en bijvoorbeeld de verdeling van de spreektijd. Maar uit onderzoek blijkt dat het kijken naar debatten nauwelijks invloed heeft op iemands opvattingen. In 2019 analyseerden onderzoekers 56 tv-debatten tussen 1952 en 2016, bij 22 verkiezingen in de VS, Canada, Nieuw-Zeeland en Europa. Een kleine honderdduizend respondenten werden gevolgd om te kijken of de debatten deze – al dan niet zwevende – kiezers verder hielpen bij het bepalen of wijzigen van hun standpunt. Daar werden geen bewijzen voor gevonden. In 2012 voerde een journalist eveneens een analyse uit om te kijken of debatten van invloed waren op de uitkomst van verkiezingen. Zijn conclusie: ‘De effecten van debatten op het uiteindelijke stemgedrag zijn vermoedelijk zeer gering, en in de meeste gevallen verwaarloosbaar.’

    Meningen veranderen

    Er zijn talloze redenen waarom debatten (en ja, hetzelfde geldt voor informatieverstrekking en argumentatie in bredere zin) er nauwelijks in slagen om de politieke overtuigingen van mensen te veranderen. Cognitieve dissonantie, een fenomeen dat ik als onderdeel van mijn promotieonderzoek heb bestudeerd, is daar een van. Dit is het vaak onbewuste psychologische ongemak dat we ervaren als we worden geconfronteerd met tegenstrijdigheden in onze eigen overtuigingen of binnen ons handelen. Er is veel over geschreven. We zien cognitieve dissonantie en de effecten ervan bijvoorbeeld bij mensen die snel ‘redeneren’ wanneer iets hun wereldbeeld aantast, in een poging het ongemak weg te nemen dat de nieuwe informatie over een sterk gevoelde overtuiging veroorzaakt.

    Voordat Trump in 2024 werd veroordeeld voor verschillende aanklachten, vond bijvoorbeeld slechts 17 procent van de Republikeinse kiezers dat criminelen president zouden mogen worden; direct na Trumps veroordeling steeg dat percentage naar 58 procent. Om twee tegenstrijdige overtuigingen met elkaar te kunnen rijmen (de overtuiging dat een president zich niet schuldig zou mogen maken aan x enerzijds en de overtuiging dat Trump president moet worden anderzijds), veranderde een ongekend aantal Republikeinse kiezers simpelweg van mening over het eerste.

    Sterker nog, Republikeinse kiezers veranderden van mening over vrijwel alles waarvoor Trump was veroordeeld: ineens vonden minder Republikeinen het immoreel om seks te hebben met een pornoster, om iemand geld te betalen om te zwijgen over een affaire of om een zakelijk dossier te vervalsen.

    Dit effect blijkt niet beperkt tot Trump-stemmers: uit onderzoek blijkt dat we allemaal op die manier rationaliseren, om te kunnen vasthouden aan de overtuigingen die ons in staat stellen te blijven functioneren zoals we dat altijd hebben gedaan. Of, ironisch genoeg, om onze mening deels bij te stellen op grond van nieuwe informatie, maar ook dan meestal alleen om vast te kunnen blijven houden aan andere, diepgevoelde overtuigingen.

    Vrienden hebben het vermogen iets te veranderen aan onze overtuigingen en ons gedrag

    Het komt echter niet alleen door een psychologisch fenomeen als cognitieve dissonantie dat debatten en argumenten relatief weinig effect sorteren. Zoals ik in mijn boek Don’t Talk About Politics laat zien, schuilt de belangrijkste verklaring voor het feit dat woorden mensen niet van gedachten doen veranderen er waarschijnlijk in dat er twee andere factoren zijn die een veel grotere invloed hebben: enerzijds onze sociale contacten en anderzijds ons eigen handelen en onze ervaringen.

    Er is een overweldigende hoeveelheid bewijsmateriaal die laat zien dat onze vrienden het vermogen hebben iets te veranderen aan onze overtuigingen en ons gedrag – niet door met ons in discussie te gaan, maar simpelweg door bij ons in de buurt te zijn en ons andere manieren te tonen om in het leven te staan. Onderzoek naar sociale contacten laat zien dat mensen, zodra er vriendschappen ontstaan en er wordt samengewerkt, minder vooroordelen koesteren jegens de groepen waar hun nieuwe vrienden deel van uitmaken. Dit fenomeen verklaart vermoedelijk bijvoorbeeld grotendeels de vooruitgang op het gebied van homorechten in de afgelopen decennia: naarmate meer mensen open waren over hun seksuele geaardheid, veranderden hun vrienden van mening over homoseksualiteit, wat resulteerde in een van de snelste kantelingen in de publieke opinie aller tijden. Op vergelijkbare wijze toont onderzoek aan dat mensen het meest geneigd zijn om klimaatvriendelijke acties (zoals het installeren van een warmtepomp) te ondernemen als hun vrienden dat ook doen; veel eerder dan wanneer ze een geldelijke beloning of andere prikkels krijgen.

    Onze vrienden verbreden ons blikveld; ze vergroten onze betrokkenheid bij de wereld en creëren het vertrouwen dat mensen nodig hebben om zich open te stellen voor nieuwe ideeën. Hun indirecte invloed reikt verder dan argumenten – zeker die van vreemden – ooit zouden kunnen. Met andere woorden: waar het aankomt op overtuigingskracht, is het niet het gesprek dat telt, maar de onderlinge relatie.

    Ook onze eigen handelingen en ervaringen hebben verregaande gevolgen, zij het op een contra-intuïtieve manier. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen die onder verder gelijke omstandigheden een abortus wordt geweigerd, iets minder voorstander worden van het recht op abortus, terwijl vrouwen die een abortus ondergaan juist iets meer voorstander worden. Je zou wellicht verwachten dat iemand die geen abortus kan krijgen zich juist sterker zou maken voor het recht erop, maar dat blijkt dus niet het geval – vermoedelijk omdat mensen, deels als gevolg van cognitieve dissonantie, de neiging hebben hun overtuiging in overeenstemming te brengen met hun handelen, zelfs als dat handelen niet uit vrije wil is. De invloed van handelen en ervaring op overtuigingen blijkt ook duidelijk als we kijken naar de klimaatcrisis: wie getuige is geweest van klimaatgerelateerd extreem weer, zal eerder geneigd zijn te geloven in klimaatverandering en bereid zijn in actie te komen.

    Argumenten

    In vergelijking met dergelijke invloeden halen argumenten betrekkelijk weinig uit. Toch zijn onze instituties nog altijd ingericht op de gedachte dat woorden volstaan. We zitten collectief gevangen in de liberale opvatting dat politiek voornamelijk bestaat uit praten en zo nu en dan stemmen. Wie progressieve ideeën wil uitdragen, heeft niet zozeer argumenten nodig als wel een infrastructuur die nieuwe relaties en ervaringen mogelijk maakt. Je kunt hierbij aan van alles denken, van een wachtruimte waar ouders elkaar kunnen ontmoeten voordat de school uitgaat tot een gezamenlijke werkplek of een openbaar park. Deze voorzieningen stellen mensen in staat om op nieuwe manieren met elkaar om te gaan en zich op een andere manier te gedragen. Op die manier bevorderen ze vriendschappen en vertrouwen, en stimuleren ze gedragingen die er uiteindelijk toe leiden dat mensen hun politieke opvattingen kunnen veranderen.

    Dit alles lijkt er ook op te wijzen dat we anders moeten gaan denken over wat het betekent om een goede politiek denker te zijn. Bij goed nadenken binnen de politiek gaat het niet zozeer om ‘onafhankelijk’ denken in die zin dat je alleen uitgaat van je eigen gedachten; nee, goed nadenken betekent met zorg je vrienden kiezen, zowel wat betreft diversiteit als wat betreft weldenkendheid, zodat we van en met hen kunnen leren. Goed nadenken over politiek betekent actief in de wereld staan – nieuwe manieren van leven proberen, een breed scala aan ervaringen opdoen. Helaas is dat moeilijker dan vroeger, onder meer als gevolg van de inkomensongelijkheid. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat mensen in landen als de VS en het Verenigd Koninkrijk geïsoleerder zijn en minder van standplaats veranderen dan ooit. De sociale cohesie die we nodig hebben om onze vooroordelen te ontrafelen, brokkelt af. Dat is deels de reden waarom extreemrechts terrein wint: dat weet hoe het relaties en handelingen van mensen kan mobiliseren in deze verschraalde wereld, terwijl het tegelijk profiteert van verslechterende materiële omstandigheden. Om hier iets aan te doen, moeten progressieven rijkdom en macht heroveren, zodat iedereen de steun krijgt om zijn of haar leven te verruimen.

    Uiteraard verwacht ik u niet te kunnen overtuigen met enkel deze woorden. In plaats daarvan daag ik u uit om dit zelf te ontdekken: probeer een connectie aan te gaan met een ander, misschien iemand die diep wordt geraakt door een politieke kwestie. Of probeer uw leven anders in te richten, te beginnen met iets kleins. Kijk of uw politieke opvattingen daardoor veranderen, al is het maar een beetje. Misschien ook verandert het uw kijk op de politiek als geheel.

  • De grootst mogelijke bank die de hoek om kan

    De grootst mogelijke bank die de hoek om kan

    Het decenniaoude ‘sofaprobleem’ is eindelijk met wiskundig bewijs ontrafeld. Een Zuid-Koreaanse wiskundige loste zonder computer, en op vernieuwende wijze, het probleem op. Zijn methode laat zien dat simpele problemen soms onverwacht complexe oplossingen hebben.

    Je hebt het vast wel meegemaakt: je bent aan het verhuizen en moet een meubelstuk door een krappe gang of een lastige hoek manoeuvreren. Toen Leo Moser dit probleem in 1966 kwantificeerde, begonnen wiskundigen zich erover te buigen. Stel je wil een tweedimensionaal object – de bank (de hoogte laten we buiten beschouwing) – door een L-vormige gang krijgen. Voor het gemak is de breedte van de gang 1. Hoe groot is het grootste object dat door de bocht heen kan?

    Het is vrij eenvoudig om vormen te vinden die door de hoek van 90 graden heen kunnen. Een vierkant met zijden van lengte 1 bijvoorbeeld. Een halve cirkel met een straal van 1 (en een oppervlakte van π/2, ongeveer 1,57) ook. Maar die vormen zijn vrij klein. Voor een betere oplossing voor het zogenoemde sofaprobleem is wat meer denkwerk nodig. 

    Joseph Gerver van de Rutgers-universiteit in New Brunswick bedacht in 1992 een slimme vorm met een oppervlakte van ongeveer 2,2195. Wiskundigen dachten dat dit misschien de oplossing was, maar konden dit niet bewijzen. 

    Tot nu. Jineon Baek, postdoctoraal onderzoeker aan de Yonsei-universiteit in Seoul, heeft in een 119 pagina’s lang paper bewezen dat de bank van Gerver de grootste vorm is die door de gang past. 

    Hiermee is een zestig jaar oud probleem opgelost, en meer dan dat, want veel wiskundigen dachten dat het niet zonder een computer kon. Maar Baek heeft het zelf bewezen. Wiskundigen hopen nu dat Baeks methodologie kan helpen bij andere optimaliseringsproblemen. 

    Wat de bank van Gerver verder ook interessant maakt is dat zijn oppervlakte niet (zoals bij veel andere vormen) in bekende grootheden, zoals π of machtswortels, kan worden uitgedrukt. Toch is deze vreemde vorm de optimale oplossing voor het makkelijk ogende sofaprobleem. Hieruit blijkt maar dat simpele problemen soms onverwacht complexe oplossingen hebben. 

    Sofaprobleem

    In 1968, twee jaar nadat Moser het sofaprobleem had geformuleerd, kwam er voor het eerst schot in de zaak. John Hammersley plakte twee kwartcirkels aan een rechthoek en sneed er een halve cirkel uit, zodat je een soort ouderwetse telefoon kreeg. De oppervlakte was π/2 + 2/π, ongeveer 2,2074. 

    Hammersley bewees ook dat een oplossing voor het probleem een oppervlakte van niet meer dan 2√2 kon hebben, dat is rond de 2,8284. 

    Picture 2

    Een paar jaar later hoorde Gerver, toen een promovendus aan de University of California in Berkeley, van het sofaprobleem. ‘Een studiegenoot daagde me uit om de oplossing te vinden,’ zei hij. ‘Hij had nooit gezegd dat het een onopgelost probleem was, dus heb ik er een paar dagen op gebroed. Uiteindelijk kwam ik bij hem terug en zei: “Ik geef het op. Wat is de oplossing?” Maar hij wilde het niet zeggen! Hij zei: “Denk er nog maar eens goed over na. Uiteindelijk valt het kwartje wel.”’

    In de twintig jaar daarna dacht Gerver er nu en dan over na, en pas in 1990, toen hij het probleem aan de beroemde wiskundige John Conway voorlegde, kwam hij erachter dat er nog geen oplossing bestond. Gerver raakte hierdoor juist gemotiveerd.

    De bank van Gerver lijkt heel erg op Hammersleys telefoon, maar is een stuk moeilijker te beschrijven

    De bank van Gerver lijkt heel erg op Hammersleys telefoon, maar is een stuk moeilijker te beschrijven, omdat hij uit achttien verschillende stukken bestaat. (Later bleek dat Ben Logan, een ingenieur bij Bell Labs, deze vorm ook had ontdekt, maar zijn werk niet had gepubliceerd.) Sommige onderdelen zijn simpele lijnstukken of cirkelbogen, maar andere zijn ongewoner en moeilijker te beschrijven. 

    Toch dacht Gerver dat deze vorm weleens optimaal zou kunnen zijn. Hij had veel eigenschappen waarvan andere wiskundigen ook vermoedden dat de optimale bank ze moest bezitten, en hij kon aantonen dat je met kleine veranderingen niet op een grotere geschikte vorm uitkwam.   

    In 2016 maakte Dan Romik, een wiskundige aan de University of California in Davis, een conceptuele beschrijving van de bank van Gerver. Hij schreef een stelsel van 22 vergelijkingen met 22 variabelen op met een unieke oplossing, die weergegeven in een grafiek de vorm van Gervers bank laten zien. 

    In het jaar daarop gebruikten Romik en Yoav Kallus een computer om Hammersleys bovengrens omlaag te krijgen, waardoor hij steeds dichter bij Gervers ondergrens kwam. Maar er zat nog wat speling tussen, dus moesten ze iets anders proberen. 

    Bankgrafiek

    In 2016 was Baek nog maar net aan zijn vervolgopleiding begonnen aan de Universiteit van Michigan, maar die moest hij vier jaar op pauze zetten om zijn militaire dienstplicht in Zuid-Korea te vervullen. In die tijd kwam hij het sofaprobleem in een blog tegen. Eerst puzzelde hij af en toe aan het probleem ‘ter ontspanning’, aldus Baek, maar langzamerhand begon hij het steeds serieuzer te nemen. Hij had het idee dat het bewijs voor Gervers oplossing in zicht was, maar hij moest nog wat details uitwerken. Toen hij in 2021 terugging naar de universiteit, besloot hij zich volledig op dit probleem te storten.

    Normaal gesproken kies je als wiskundepromovendus een begeleider, die jou vervolgens een probleem toewijst. Baek was echter vastbesloten om aan het sofaprobleem te werken. Dit maakte het moeilijk om een begeleider te vinden, omdat niemand aan de Universiteit van Michigan de juiste expertise had. Toch wist Baek uiteindelijk iemand te vinden: Michael Zieve, met als specialisatie algebra. Hij zei ja. ‘Ik heb nog nooit iemand geadviseerd over iets dat zich zo ver van mijn bed bevindt,’ zegt Zieve. ‘Maar ik wil studenten overal in kunnen begeleiden.’ 

    Bij zijn promotieonderzoek bouwde Baek voort op het werk van Kallus en Romik, en ontwikkelde hij betere computerprogramma’s waarmee de bovengrens nog lager kwam te liggen. ‘Jin is op computergebied verreweg de beste student die ik ooit heb begeleid,’ zegt Zieve. ‘Hij kan met behulp van de computer patronen herkennen die niemand anders kan zien.’

    Baek wilde dieper de computerwetenschap in duiken om voor eens en voor altijd af te rekenen met het sofaprobleem

    Nadat hij zijn vervolgopleiding had afgerond wilde Baek aanvankelijk dieper de computerwetenschap in duiken om voor eens en voor altijd af te rekenen met het sofaprobleem. Maar na een paar maanden besefte hij dat hij helemaal geen computer nodig had. 

    Wiskundigen wisten al dat een oplossing van het sofaprobleem aan bepaalde eisen moest voldoen. De optimale vorm moet, onder andere, op een bepaalde manier kunnen draaien en er moet een uitsparing in de onderkant zitten zodat hij om de hoek heen kan.

    Picture 1

    Er zijn oneindig veel vormen die aan deze eisen voldoen. Baek wist deze te beperken en liet zien dat de optimale sofa er ongeveer als de bank van Gerver uit moest komen te zien. Vervolgens beschreef hij elke sofa – waar er nog steeds oneindig veel van waren – als een punt in een ruimte met oneindig veel dimensies. Idealiter zou de oppervlakte van elke denkbeeldige sofa met behulp van een functie te bepalen zijn. Dan zou hij enkel het punt moeten vinden waar deze functie de maximale waarde bereikt.

    Maar dat is een onmogelijke taak: er is geen formule die de oppervlakte van elke mogelijke vorm geeft. (Voor een cirkel en een driehoek zijn bijvoorbeeld al heel andere formules nodig.)

    Dus besloot Baek de oppervlakte van de verschillende vormen indirect te onderzoeken. Hij bedacht een nieuwe functie, die hij Q noemde. Hij had de functie gedefinieerd met een aantal belangrijke eigenschappen. 

    Het bewijs

    Eerst bewees hij dat als je een sofa uit zijn multidimensionale ruimte in de formule Q stopte, het resultaat altijd minstens zo groot was als de oppervlakte van de sofa. Kortom, de formule gaf de oppervlakte van een vorm waar de sofa in paste. Als hij vervolgens de maximale waarde van Q bepaalde, had hij dus een goede bovengrens voor de oppervlakte van de optimale sofa. 

    Maar hiermee had hij nog niet de oplossing. Baek had Q ook op zo’n manier gedefinieerd dat de formule voor de bank van Gerver niet alleen de bovengrens gaf; de uitkomst was in dat geval precies gelijk aan de oppervlakte van de bank van Gerver. Vervolgens moest hij bewijzen dat Q een maximum bereikte als je de bank van Gerver invoerde, oftewel, dat de bank van Gerver van alle mogelijke sofa’s de grootste oppervlakte had. Daarmee zou het bewijs geleverd zijn.

    Hier wordt de definitie van Q heel belangrijk. Baek had zijn functie zodanig opgesteld dat Q zich netjes gedroeg – eigenlijk als een soort parabool. Het is redelijk eenvoudig om de maximale waarde van zo’n functie te vinden. Baek liet zien dat het maximum van Q een vorm gaf die aan bepaalde specifieke voorwaarden voldeed en dat de vergelijkingen die de bank van Gerver definieerden aan diezelfde voorwaarden voldeden.

    ‘Het is ongelooflijk dat Jin dit zonder een computer klaar wist te spelen’

    Hiermee had hij een zestig jaar oud vermoeden bewezen. De bank van Gerver is de grootste vorm die door de gang heen past zonder dat hij bij de hoek blijft steken. 

    Het bewijs, dat nog aan een peerreview wordt onderworpen, biedt een nieuwe benadering van optimaliseringsproblemen. Baek combineert technieken uit verschillende wiskundige vakgebieden om een lastig probleem hanteerbaar te maken, zonder van een computer gebruik te hoeven maken. ‘Het is ongelooflijk dat Jin dit zonder een computer klaar wist te spelen,’ zegt Zieve. ‘Er zitten wezenlijk nieuwe ideeën in zijn bewijs.’ 

    Joseph Gerver, die zijn vorm meer dan 30 jaar geleden bedacht, is er opgetogen over. ‘Ik ben nu 75,’ zegt hij. ‘Ik ben blij dat ik de oplossing heb mogen meemaken.’  

  • Bijna de helft van de mensen vermijdt het nieuws. ‘Als er iets belangrijks gebeurt, hoor ik het wel’

    Bijna de helft van de mensen vermijdt het nieuws. ‘Als er iets belangrijks gebeurt, hoor ik het wel’

    Een democratie heeft goed geïnformeerde burgers nodig. Maar bijna de helft van de bevolking vermijdt traditionele nieuwsberichten. ‘Wij willen het gezellig hebben.’

    Zonder informatie geen democratie, zegt men. En toch hebben nog nooit zo veel mensen toegegeven geen nieuws meer te volgen als nu – ook in Zwitserland. Op de opkomst bij de stembus heeft dat overigens interessant genoeg geen invloed.

    Op de dag waarop bekend werd dat de Hamasleider en het brein achter de aanslag van 7 oktober 2023 in de Gazastrook gedood was, zegt Jasmin Walker bij de koffie: ‘Daar gaat het zeker niet over als ik ’s avonds met mijn vrienden praat. Wij willen het gezellig hebben en praten over persoonlijke, diepgaande dingen.’

    Walker is 36, zelfstandig kapper en dierenactivist in de buurt van Thun; ze behoort tot de groeiende groep mensen die het nieuws mijdt. Het lijkt paradoxaal: oorlogen in Gaza en Oekraïne, migratie en klimaatverandering: hoe dichterbij de wereldproblemen komen, hoe vaker mensen zich afwenden van de media die daarover berichten.

    Volgens verschillende studies hoort bijna de helft van de mensen tot de zogenoemde nieuwsgedepriveerden, oftewel de groep die maar sporadisch of helemaal geen nieuws consumeert – en die groep wordt steeds groter. Ze overlapt met het derde deel dat volgens het Digital News Report van het Reuters Institute het nieuws ‘vaak of soms’ actief vermijdt, waartoe ook regelmatige nieuwsgebruikers kunnen behoren.

    Statussymbool

    Over het algemeen zijn het vaker vrouwen dan mannen. En het betreft in toenemende mate mensen die met de media zijn opgegroeid, ze deels ook jarenlang intensief gebruikten en nu tijdelijk het nieuws mijden of helemaal niet meer volgen. ‘Al die negativiteit! Daar heb ik geen behoefte aan,’ zegt Walker, die is opgegroeid in een huishouden waar het dagelijkse tv-journaal verplicht was, maar die tijdens de coronacrisis voor het laatst een krant heeft ingezien.

    Wat vroeger taboe was, is tegenwoordig ‘al bijna een statussymbool’, zegt mediapsycholoog Gregor Waller van de Hogeschool voor Toegepaste Wetenschap in Zürich over het groeiende aantal mensen, ook in zijn persoonlijke omgeving, die menen zich niet meer te hoeven informeren over de wereld – en hij bedoelt dat niet positief. ‘Ze willen de controle terug over die berichtenstroom waar nooit een einde aan komt, maar op deze manier sluiten ze zich af voor de wereld.’

    Andreas Friedrich, zevenwenvijftig jaar oud en vader van twee kinderen, zegt het niet zonder trots: hij eigent zich ‘het privilege’ toe om af te zien van alle informatie over wat er in de wereld en in Zwitserland gebeurt, terwijl hij zich daar jarenlang via twee krantenabonnementen van op de hoogte stelde. ‘Ik voel me beter zonder die vloedgolf van informatie. Waarom moet ik het altijd meteen weten als ergens een bom ontploft als het mij niet aangaat en ik er niks tegen kan doen?’

    Hij weet niet meer precies wanneer, maar het had te maken met Trumps eerste verkiezingscampagne

    Daarbij gaat het hem niet om gebrek aan kwaliteit in de berichtgeving, maar hij heeft op zeker moment besloten zichzelf te beschermen met filters. Hij weet niet meer precies wanneer, maar het had te maken met Trumps eerste verkiezingscampagne: ‘Dat we dat voor de tweede keer moeten meemaken vind ik onverdraaglijk.’ De filters zijn de opinies van zijn vrienden, maar ook van bekenden die hij treft bij borrels of avondjes met vrienden. ‘Ik lees gewoon alleen nog maar artikelen die me worden aanbevolen, heel gericht,’ zegt hij. Hij is heel visueel ingesteld, en zo kan hij zich een weg banen door het constante, steeds schellere geschitter van de media en de onlinewereld. 

    Friedrich hoort bij de groeiende groep nieuwsweigeraars die zich volgens de enquêtes van communicatiewetenschapper Anne Schulz van de Universiteit van Zürich zorgen maken om hun welzijn. Terwijl een minderheid als de coronaontkenners zich terugtrekt omdat ze het vertrouwen in de media verloren hebben en anderen gewoon geen interesse hebben in actuele politieke kwesties, voelt deze groep, aldus Schulz, zich ‘emotioneel uitgeput’ door de veelheid en het negatieve karakter van de in de media afgebeelde realiteit. ‘Het is een relatief nieuw fenomeen,’ zegt ze. Daar komt ook bij dat veel mensen de toestand in de wereld negatiever inschatten dan ze in werkelijkheid is.

    Om de effecten van slecht nieuws te begrijpen, zeggen neurowetenschappers, moet je terugkijken tot in het stenen tijdperk. Wij zijn gevormd door een negativity bias, we reageerden sterker op slechte tijdingen dan op goede. De focus op bedreigingen verzekerde het overleven in tijden waarin de sabeltandtijger nog op de loer lag in het bos.

    Stortvloed

    Het huidige probleem is de directheid van de informatie, de ‘stortvloed in realtime’, zoals psychoanalyticus en schrijver Jürg Acklin het noemt. ‘Vroeger, als ik de ochtendkrant had gelezen, zei ik tegen mijn vrouw: “Nu heb ik de wereld weer onder controle.” Dat gaat nu niet meer.’

    De voortdurende beschikbaarheid van informatie raakt bepaalde mensen harder, zegt Acklin: ‘Ze willen steeds meer weten, kunnen niet meer afwegen wat belangrijk is en wat niet; net als een hypochonder, die voortdurend nakijkt wat hij heeft, gaan ze manisch op zoek naar wat er ergens nog zou kunnen gebeuren. En altijd explodeert ergens wel iets.’

    Het gevoel overspoeld te worden roept volgens mediapsycholoog Waller een afweerreflex op die tot een totale weigering van nieuwsberichten kan leiden, juist omdat sommige mensen de spanning tussen het negatieve nieuws en hun eigen, weliswaar soms ook gestreste, maar toch bevredigende leven niet kunnen verdragen. ‘Toch doen de media niets anders dan hun werk als berichtgever en controlerende instantie.’

    ‘De digitale detox van de kleinburger’ noemde mediawetenschapper Bernhard Pörksen dit fenomeen kleinerend in een programma van de Zwitserse televisieomroep SRF. En Die Zeit vergelijkt het met een vlucht uit de wereld, een terugkeer naar het Biedermeiertijdperk, toen het privé- en het familieleven het allerbelangrijkste waren. Het past ook in de tegenwoordige brede trend van de zogeheten ‘selfcare’ of ‘mindfulness’. ‘In een overvolle, overprikkelde, zeer complexe wereld komt het erop aan ons op een nieuwe manier te bezinnen op onszelf’, schrijven de trendwatchers van het Zukunftsinstitut. Dat hoeft niet per se via meditatie of yoga; vaak gaat het om het zich losmaken, van wat dan ook. Op Instagram werd de daarbij passende hashtag ‘slow living’ al meer dan zes miljoen keer gebruikt.

    ‘De problemen zijn al even complex als de oplossingen. En ik kan er ook niks aan veranderen’

    Persoonlijk welzijn in plaats van een vijf-voor-twaalfstemming: ‘De problemen zijn al even complex als de oplossingen. En ik kan er ook niks aan veranderen,’ vindt de negentwintigjarige Mina Wellauer, die niet met haar echte naam in de krant wil. Na onlangs te zijn afgestudeerd werkt ze nu in de bouwsector, en ze informeert zich vooral via sociale media, waar het nieuws moet concurreren met amusement. Ze zegt twee dingen die niet alleen voor het nieuwsmijden van háár generatie kenmerkend zijn: ‘Als ik steeds maar lees over erge gebeurtenissen, dan krijg ik stress door mijn machteloosheid.’ En: ‘Als er iets belangrijks gebeurt, hoor ik het toch wel van iemand.’ 

    ‘Het nieuws vindt mij’, oftewel: je hoeft je helemaal niet zelf te informeren, omdat je via anderen toch wel hoort wat er aan de hand is. Volgens een internationale studie uit 2020 zijn het vooral jonge mensen die daar in toenemende mate op vertrouwen. Koploper in dit opzicht is Spanje, waar meer dan 80 procent van de ondervraagden lieten weten hiernaar te handelen.

    Zwitserland komt in dit onderzoek niet voor, maar blijkbaar voelen veel nieuwsmijders zich hier te lande toch voldoende geïnformeerd om te gaan stemmen; de opkomst bij verkiezingen is in elk geval niet gekelderd. Om zich te oriënteren vertrouwt Jasmin Walker bijvoorbeeld net als die ‘het nieuws-vindt-mij’-jongeren op de hulp van anderen – zoals haar vader, die het nieuws tot op heden nauwgezet volgt.

    Friedrichs strategie is het raadplegen van een stemwijzer, zonder het ‘hele mediacircus’ eromheen: ‘Daar kom je toch alle feiten en argumenten in tegen,’ zegt hij. Mocht er iets gebeuren dat relevant is, dan vertrouwt hij erop dat hij het wel van anderen hoort.

    Nieuwsmijding

    ‘Sinds ik geen nieuws meer lees, ben ik door niets wat in de wereld gebeurt verrast – afgezien van de oorlog in Oekraïne,’ zegt auteur Rolf Dobelli. Hij heeft vijf jaar geleden een provocerend boekje gepubliceerd, waarin hij zelfs oproept tot nieuwsmijding. ‘Al dat breaking news dat de hele dag over ons wordt uitgestort, schept alleen maar de illusie van weten. Nieuws is voor het brein wat suiker is voor het lichaam,’ zegt hij. Zijn toenmalige standpunt heeft hij in zoverre gerelativeerd dat hij een uitzondering maakt voor achtergrondartikelen in media als de Neue Zürcher Zeitung. Maar je móét je tegenwoordig haast wel beschermen tegen het nieuws: Oekraïne, Taiwan, het Midden-Oosten, de AI-revolutie: de actuele ontwikkelingen zijn crazy. Er gebeurt zo veel, zo snel, dat is voor elk brein te veel.’

    Dat is niet alleen te veel gevraagd voor de lezers, maar ook voor de media zelf. ‘Hoe mooi het idee van een brede algemene kennis ook is, in de huidige wereld is dat gewoon onmogelijk geworden,’ aldus Dobelli.

    Hij schetst het toekomstbeeld van een maatschappij waarin iedereen zich bij wijze van spreken terugtrekt in zijn eigen tuin en de publieke discussie steeds kanslozer wordt. Wat voor menigeen dystopisch klinkt, bevordert wat hem betreft het welzijn van het individu en maakt zonder al die afleiding betere beslissingen mogelijk.

    De democratische samenleving functioneert alleen maar wanneer burgers goed geïnformeerd zijn

    Anderen maken zich wél zorgen, want hier duikt een fundamentele tegenstrijdigheid op. Het individu mag zich beter voelen door het nieuwsmijden, maar de democratische samenleving functioneert toch alleen maar wanneer burgers goed geïnformeerd zijn. Mediawetenschapper Pörksen noemde het nieuwsweigeren in het eerder vermelde tv-programma ‘preverlichtingsdenken’ en ‘libertaire zelfzorg’, die ertoe leiden dat in de politiek het moment van ‘idioten, bullshitters en propagandisten’ is aangebroken.

    Paradoxaal genoeg profiteren nu uitgerekend de nieuwscritici ervan dat er een berichtenruis bestaat, dat anderen zich informeren en erover vertellen. ‘Daar heeft u mij te pakken,’ zegt Andreas Friedrich. Dat hij het gevoel heeft goed genoeg op de hoogte te zijn, komt onder andere doordat hij nog veel weet uit de tijd dat hij nog wél allerlei media consumeerde, maar ook door de uitwisseling met mensen die het nieuws regelmatig volgen.

    Het is, geeft hij toe, een ware luxe. Maar wat als de geïnformeerde vrienden ook ophouden met lezen en de informatiestroom die alleen in een democratie mogelijk is, opdroogt? Friedrich zegt, samen met andere nieuwsmijders: als de media minder negatief waren en ook meer zouden berichten over positieve ontwikkelingen, dan zou hij ook weer meer nieuws lezen. Dobelli zet enerzijds in op boeken, essays, lange artikelen. Anderzijds zegt hij: ‘Misschien vindt iemand ooit een nieuwe vorm van de agora uit.’ Hij doelt op de vergaderplaats waar de oude Grieken over politiek debatteerden.

    En psychoanalyticus Acklin, negenenzevetig jaar oud en een eeuwige optimist, verbindt een persoonlijke anekdote met een metafoor, om de hoop niet te verliezen: ‘Ik weet uit eigen ervaring wat er gebeurt als collega’s menen dat ze zich niet meer met het heden hoeven in te laten als ze oud zijn: dan bazelen ze alleen nog over hun kwaaltjes. Het is als met stilstaand water: zonder verse toevoer begint het te stinken. Dat wil niemand.’